Kerk en staat
Scheiding van kerk en staat is voor de hedendaagse burger een vrijwel vanzelfsprekende zaak; althans als het over het algemeen principe gaat. Men is het er in grote lijnen over eens dat godsdienst een persoonlijke aangelegenheid is en dat de georganiseerde godsdiensten zich niet moeten bemoeien met de staatszaken. In de praktijk echter is het heel moeilijk om die twee uit elkaar te houden, zelfs in een geseculariseerd land als Vlaanderen.
Laten we even nagaan wat het principe van de scheiding van kerk en staat inhoudt. Men bedoelt daarmee dat de kerken niet betrokken zijn in het wetgevende, uitvoerende of juridische werk van de staat. Zij worden niet geraadpleegd en hebben geen officiële vertegenwoordigers in de staatsinstellingen, die dus volledig onafhankelijk zijn van alle godsdienst. De godsdienstige doctrines, moraal of gebruiken maken geen deel uit van en liggen niet aan de grondslag van de burgerlijke wetgeving.
Die regeling is een verworvenheid van de democratie, die we grotendeels te danken hebben aan de Verlichting, toen deze problematiek voor het eerst grondig werd onderzocht. Zij werd in de praktijk gebracht in de Franse Revolutie en is sindsdien gangbaar geworden in alle Westerse democratieën.
De praktijk is veel minder duidelijk dan het algemeen principe. In een land als Vlaanderen, dat sinds de eerste kerstening in de vroege Middeleeuwen onafgebroken overwegend katholiek is geweest, heeft die godsdienst een enorme invloed gehad op het denken en aanvoelen van de bevolking, niet het minst door de overwegende rol van het katholicisme in de opvoeding. Vlaanderen is diep getekend door zijn katholiek verleden. Mensen van mijn leeftijd en ouder denken nog steeds in de termen en de begrippen die de kerk ons niet zozeer heeft aangereikt, maar opgedrongen. Wij mogen terecht spreken van een ware indoctrinatie, die voor de meeste mensen onomkeerbaar is.
Het hoeft ons dus niet te verbazen dat de christelijke ‘waarden’ tot op vandaag hun sporen hebben nagelaten in de inrichting van de staat en in de wetten. Het is nog niet zo lang geleden dat overspel, homoseksualiteit, abortus en euthanasie verboden en dus strafbaar waren, en nog steeds verzet de katholieke kerk zich tegen de wetgeving die een einde gemaakt heeft aan die toestand. De staatsinrichting moet de overtuiging weergeven van de bevolking, zo redeneert men, en als die meerderheid katholiek is, zal de staat eveneens katholiek zijn. In perioden dat de katholieke partij de meerderheid had in het parlement of een belangrijke coalitiepartner was, bleek dat ook duidelijk uit de goedgekeurde wetten.
Een staat moet echter niet zomaar weergeven wat een meerderheid van de bevolking denkt. Dat is wat de Verlichtingsdenkers hebben aangevoerd. Het is immers best mogelijk dat de meerderheid van de bevolking zich schromelijk vergist, vooral wanneer een ongeletterde massa gemanipuleerd wordt door weinig scrupuleuze machthebbers en machtsstructuren, die vooral uit zijn op eigen macht en bezit. Het is dan de taak van de staatsleiding om wetten die evident onrechtvaardig of zinloos zijn af te schaffen en ze te vervangen door redelijke voorschriften, waartegen geen redelijke argumenten kunnen aangehaald worden.
Een voorbeeld. Godslastering of blasfemie was en is nog altijd in vele landen een misdaad waarop zware (lijf)straffen staan. De grond daarvoor kan alleen maar zijn dat men het bestaan van een God aanvaardt. Het bestaan van God maakt echter geen deel uit van een democratische grondwet. Dat zou ook moeilijk zijn, want dat bestaan kan niet op redelijke wijze voor iedereen overtuigend aangetoond of bewezen worden. Het behoort niet tot wat alle mensen voor waar aannemen. Het geloof in God kan dus niet bij wet opgelegd worden. Men kan enkel vaststellen dat (veel) mensen geloven in een dergelijk wezen en dat men respect moet opbrengen voor de mening van die mensen. Het is echter zeer de vraag of dat een voldoende grond is voor het verbieden van godslastering. Er is immers niet alleen het recht op godsdienst, maar ook het recht op vrije meningsuiting. In de meeste democratische landen is blasfemie uit het strafrecht verdwenen. Men is het erover eens dat je andere mensen niet moet uitschelden of beledigen, maar het is alleen in extreme gevallen dat men dat voor een rechtbank brengt. Het gaat dan niet om het beledigen van God, maar van een medeburger, en dat is in feite geen Godslastering of blasfemie. Wanneer men zegt dat gelovigen dwaas zijn om te geloven in een niet-bestaande God, dan is dan niet bepaald vriendelijk voor die mensen, maar ik wil nog de rechter zien die erin slaagt om iemand daarvoor te veroordelen.
In onze tijd en in onze streken komt de kwestie van de scheiding van kerk en staat weer ter sprake. Enerzijds zijn er steeds meer geseculariseerde burgers die zich ergeren aan de laatste restanten van kerkelijke gebruiken in de staat, zoals de aanwezigheid van kruisen in openbare gebouwen, het Te Deum op de Belgische nationale feestdag, of de protocollaire voorrang voor de pauselijke nuntius en de aartsbisschop. Anderzijds blijft het katholicisme een rol spelen in tal van domeinen, zoals met name het zo belangrijke onderwijs, van hoog tot laag, maar ook de gezondheidszorg in al haar aspecten, de sociale organisaties, de vrijetijdsbesteding enzovoort. Terwijl de katholieke kerk als organisatie het grootste gedeelte van haar macht en zelfs van haar bezit heeft verloren, zijn allerlei organisaties van katholieke signatuur blijven bestaan, ook al zijn ze vaak nog slechts in naam met hun verleden verbonden en onderscheiden ze zich in niets meer van hun even geseculariseerde rivalen.
Daarnaast is er de opkomst van godsdiensten in onze streken, vooral de islam, ingevoerd door immigranten, die het niet eens zijn met het democratisch principe van de scheiding van kerk en staat.
We moeten ons de vraag stellen of het voldoende is dat de staat ‘neutraal’ is, dat er een strakke wettelijke scheiding bestaat tussen kerk en staat. In een land waarin de godsdienst een prominente rol speelt in het maatschappelijke leven zal het immers onmogelijk zijn om de invloed van de godsdienst op de staatsinstellingen te weren. Dat is zonder meer duidelijk in landen waar de islam de belangrijkste godsdienst is. De Arabische lente lijkt vooral de weg vrijgemaakt te hebben voor fundamentalistische islamistische politieke partijen, die onder meer de invoering voorstaan van de sharia, de op godsdienstige principes gebaseerde rechtspraak.
We moeten ons uiteindelijk ook de vraag durven stellen of godsdienst überhaupt verenigbaar is met een ware democratie. Is het voldoende dat er wetten zijn die elke vorm van klerikalisme, dat wil zeggen de inmenging van de leiders van de godsdiensten in staatszaken, verbieden? Velen hebben gemeend dat dit inderdaad ver genoeg ging. Men wou de godsdienst(en) niet verbieden, men erkende ze zelfs officieel en steunde ze massaal met middelen uit de staatskas, dus ten laste van de belastingsbetaler. Godsdienst is een persoonlijke aangelegenheid en niemand heeft het recht daarin tussen te komen, ook niet door het te verbieden.
Dat lijkt een gezond principe, maar is dat ook zo? Kan een godsdienstige overtuiging ooit een louter privéaangelegenheid zijn? Is het denkbaar dat wat een mens denkt en voelt over de diepste gronden van het bestaan geen enkele invloed zou hebben op zijn of haar gedrag? Dat zou zeer merkwaardig zijn, zowel in het geval van gelovigen als van ongelovigen. Geloof gaat niet zomaar over rituelen en gebruiken. Het heeft te maken met de plaats van God en van de mens in de wereld, en dus in de samenleving. Geloof kan niet anders dan een invloed hebben op de maatschappij, op de staatsinrichting, op de wetten. Wie daaraan twijfelt, hoeft slechts achterom te kijken, naar ons christelijk verleden van tweeduizend jaar, en naar de geschiedenis van de islam en het jodendom.
Alles wijst erop dat de godsdiensten globaal gezien veeleer aan invloed winnen en dat de echte, op de redelijkheid gebaseerde democratieën wankelen onder die enorme religieuze druk. In Engeland bijvoorbeeld zijn er al verscheidene sharia-rechtbanken actief, die de plaats innemen van de officiële. Hier bij ons botsen we voortdurend met elkaar over de erkenning van het anders-zijn van gelovigen van alle slag, zowel over triviale zaken als het dragen van een hoofddoek, als over meer essentiële als de gelijkheid van man en vrouw en het gebruik van geweld, of het recht op menswaardig sterven.
Wie zich dus beperkt tot wettelijke maatregelen die de scheiding van kerk en staat moeten garanderen, en de godsdienstigheid afdoet als een private kwestie die geen invloed heeft op de samenleving, vergist zich deerlijk en is blind voor de maatschappelijke realiteit van de georganiseerde godsdiensten. Indien godsdienst inderdaad een uiterst individuele kwestie was waar niemand zaken mee heeft, dan zou er geen probleem zijn. Als iemand zich na een volle dagtaak terugtrekt in een kamertje in zijn huis en daar bidt tot zijn of haar God, dan gaat dat zeker niemand aan. Maar zo gaat het er niet aan toe, of toch maar in een héél klein aantal van de gevallen. Dat soort van godsdienstige mensen speelt inderdaad zo goed als geen enkele politieke of maatschappelijke rol. Waar het echter om gaat, zijn kerkelijke organisaties met talrijke leden, met structuren, met leiders, met macht, met een ideologie en een agenda. Zoals de geschiedenis ons leert zijn die zonder meer staatsgevaarlijk.
In de omgang tussen de mensen speelt de machtswellust een verpletterende rol. Wij betwisten elkaar de macht op alle gebied en met alle middelen. Het is onmogelijk om daarbij een onderscheid te maken tussen ‘soorten’ van macht, bijvoorbeeld burgerlijke macht en religieuze macht. Macht is macht, het is een absoluut begrip en de absolute macht is de uiteindelijke bedoeling van iedereen die de macht ambieert. Wanneer een religieuze leider of een gelovige beweert dat hij enkel de macht van God erkent, is dat geen geruststellende boodschap die het religieuze beperkt tot het privédomein, maar een oorlogsverklaring aan de seculiere samenleving.
Een democratie is niet zomaar de weergave van de wil van de bevolking. Het is een bestel waarin de wetten gebaseerd zijn op de rede en op de redelijkheid alleen, en niet op wat een aantal mensen met een al te rijke fantasie of een verborgen machtsgeile agenda verzinnen over God, het hiernamaals, zonde en hoe we met elkaar moeten omgaan. Hoe wij samenleven, is onze zaak, niet die van God of van kerkelijke leiders. Wij kunnen ontdekken wat de beste manier is door naar het verleden te kijken, en met elkaar open en democratisch te overleggen over onze toekomst.















