mei 68, veertig jaar later

Als je naar buiten kijkt of op de thermometer, dan zou je het niet zeggen, maar we zijn in de maand mei van het jaar 2010.
Met de naam van deze maand is er iets vreemds. In verscheidene dialecten spreekt men van ‘de mei’. Dat vind je ook terug in sommige liedteksten: ’t was in de mei, de blijde mei…
Er is ook een uitdrukking: de oude mei; die verwijst naar de aanpassing van de kalender onder Gregorius XIII in 1582. Vroeger was 1 mei de verhuisdag, de dag waarop alle huishuurcontracten verliepen. Dat was best een handige regeling: je had een ruimere keuze aan huurhuizen, maar er was natuurlijk ook meer concurrentie voor de betere huizen. Die oude traditie, die in vele landen heeft bestaan, is nu helemaal verdwenen. Toen dus de Gregoriaanse kalender hier ingevoerd werd, verdwenen er plots elf dagen. Maar een jaar is een jaar, voor de huurder zoals voor de eigenaar en dus vervielen de huurcontracten het volgend jaar niet op 1 mei, maar op 12 mei; dat was dus de dag die vroeger 1 mei was, vandaar ‘de oude mei’: de twaalfde mei.
Het eigenaardige is nu dat je dat alleen met ‘mei’ kunt doen: de februari, de augustus, nee, dat klinkt helemaal niet. Ook in het Engels heb je dat: the queen of the May. The king of the July daarentegen is onzin. Van Dale helpt ons geen zier; hij noemt mei een de-woord, mannelijk dus, maar dat is nonsens, niemand zegt: de mei is droog, hij is droog. De aanduiding ‘de (m.)’ betekent trouwens helemaal niet dat het een woord zou zijn dat een lidwoord kan hebben, want Van Dale zegt hetzelfde over alle twaalf maanden: februari, de (m.).
Woorden die geen lidwoord verdragen zijn (meestal) eigennamen: Karel, Werchter, Vlaanderen (maar niet zo in het Frans: la Belgique, le Congo; of af en toe in het Engels: the Sudan, the Lebanon, maar Belgium). Mei is ook een eigennaam, zoals alle namen van de maanden en zou dus geen lidwoord mogen hebben. Als we er toch een merken, zij het in het dialect of in verouderde, staande uitdrukkingen, dan wijst dat erop dat men ‘mei’ ook als soortnaam gebruikte of aanvoelde. Wellicht heeft dat te maken met een vereenzelviging van de meimaand met de lente. Die begint officieel veel vroeger, in maart al, rond de 21ste bijvoorbeeld, als de dagen en de nachten even lang zijn, maar dan voelt het meestal helemaal nog niet als lente. Denk eraan dat we elf dagen kwijtgespeeld zijn, precies om de kalender weer in evenwicht te brengen met de seizoenen.
Het is dus emotioneel vooral in mei dat we aan de lente denken, op goede ervaringsgronden. De ijsheiligen Mamertus, Pancratius en Servatius hadden/hebben hun feestdag op respectievelijk 11, 12 en 13 mei; pas nadien is het in onze streken veilig om plantgoed buiten te zetten. ‘De mei’ zou dan een synoniem zijn voor ‘de lente’, een soortnaam veeleer dan een eigennaam zoals december enzovoort. Een betere uitleg kan ik niet bedenken.
Ik zou je nu even willen meenemen naar de meimaand van 1968. In verscheidene landen waren er toen rellen en opstootjes, sommigen zeggen zelfs revolutionaire opstanden. Vooral de universiteiten waren broeihaarden van onrust en verzet. Er zijn nadien geleerde boeken geschreven over die gebeurtenissen, waarin specialisten zich hebben gebogen over de oorzaken ervan en ook de gevolgen. We hebben er zelfs een uitdrukking aan overgehouden: een achtenzestiger, de vertaling van het meer bekende Franse soixante-huitard: iemand die mei ‘68 meegemaakt heeft, die achter de ideeën van mei ’68 staat of is blijven staan. Ter vergelijking: iemand die aan de California goldrush van (rond) 1849 deelnam, was een Forty-niner.
Ik ben een ‘echte’ 68er, mag ik wel zeggen. Ik was toen 22 en student in Leuven, waar ik aan de manifestaties heb deelgenomen, die trouwens al begonnen waren in 1966, met het mandement van de Belgische bisschoppen, die zich vruchteloos verzetten tegen de splitsing en de roep ‘Walen buiten!’.
Voor ons was het slechts één uiting van een meer algemeen aanvoelen, namelijk het verzet tegen het gezag. In de jaren ’60 van de vorige eeuw kwam die onvrede zeer duidelijk naar voren, maar ze had haar directe voedingsbodem natuurlijk in de voorafgaande periode van vlak na de oorlog. Het is moeilijk om ons nu nog voor te stellen hoe strak de leefwereld toen gebouwd was op concentraties van gezag. De koning, de paus, dat was de top en daaronder was er een getrapte hiërarchie, waarvan elk echelon zijn eigen meerwaarde dwingend opeiste tegenover de onderliggende. Het was je plaats in de maatschappij die bepaalde hoeveel macht en aanzien je had en dat vertaalde zich in alle aspecten van het leven. Als je arm was, was je ook dom, slecht gekleed, onbeschaafd, zonder moreel besef, gewelddadig, verslaafd aan alcohol en seks enzovoort en vice versa. Gezag was het cement van de maatschappij. Als je een hogere functie of ambt bekleedde, dan wás je dat ambt. De koning en zeker de paus waren nog maar nauwelijks mensen. Wat een hoger geplaatste zei, was wet. Zij hadden altijd gelijk, over hun beslissingen werd niet gediscussieerd. Zo was het ook in het gezin: vader en moeder namen autonoom de beslissingen en legden die op aan de kinderen. Luisteren betekende toen ‘gehoorzamen’.
Het is werkelijk niet meer te vatten hoe alles vroeger onveranderlijk vast lag, van oudsher geregeld was, hoe weinig ruimte er was voor zelfs de meest voor de hand liggende veranderingen. Ne varietur! Letterlijk: mag niet veranderd worden! Het werd met een grote rode stempel op definitieve notariële akten aangebracht, maar het kon net zo goed op de hele maatschappij slaan: er mocht niets veranderen. Dat was ook niet nodig want alles was perfect, het was immers door het gezag opgelegd en het gezag vergist zich niet. En niet alleen dat: als er dan toch iets moest gewijzigd worden, dan ging het initiatief daarvan alleen van het gezag uit; het was ondenkbaar dat men zou rekening houden met de wensen, verlangens of verzuchtingen of voorstellen van de mensen op wie die nieuwe regels zouden van toepassing zijn, dat men hun mening zou vragen. Paternalisme was troef: het gezag wist immers beter wat goed was voor de ondergeschikten dan zij zelf.
Dat was natuurlijk op alle niveaus een onhoudbare situatie. Het onderwijs maakte van ons verstandige jonge mensen en dat leidde tot een bewustwording van het onrecht van elke kadaverdiscipline. Gezaghebbers kunnen zich vergissen, dat merkten we voortdurend. Ik heb sinds mijn prille jeugd altijd al een probleem gehad met lege vormen van gezag, met macht die enkel gesteund is op positie. Als een onderwijzer zich vergiste, dan merkte ik dat luidruchtig ironisch of hilarisch op tijdens de les. Als iemand misbruik maakte van zijn of haar macht, dan verzette ik me daartegen, soms ongemeen fel, zoals jonge mensen eigen is. Als ik een voorschrift als onrechtvaardig aanvoelde, dan lapte ik dat aan mijn laars of contesteerde het met klem en onverzettelijk. Als er voor een gewoonte geen andere rechtvaardiging bestond dan ‘het is altijd al zo geweest’, dan vond ik dat elk evenwaardig alternatief ten minste een goede kans verdiende. Ik heb nooit vrede genomen met het antwoord ‘daarom!’ op mijn talloze vragen: waarom? Ja, ik ben een ambetanterik, een vervelende luis in de pels. Dat is me niet in dank afgenomen, ik heb dan ook mijn deel van de klappen gekregen waarom ik vroeg.
Er schiet van de wereld van toen vrijwel niets meer over. Gezag, autoriteit: het zijn woorden die wij niet meer gebruiken, begrippen die we niet meer (er)kennen.
De rol van de kerk, die zo algemeen bepalend was voor elk detail van onze samenleving toen, is herleid tot een absoluut nulpunt. Het recent debacle in het bisdom Brugge toont ten overvloede aan dat positie geen legitimiteit verleent aan macht, gezag, autoriteit, dat functie en persoon niet te scheiden zijn.
Maar we hadden dat al eerder meegemaakt, toen de vorige bisschop van Brugge meende rechtstreeks te moeten ingrijpen in de verkiezingsstrijd en van de preekstoelen liet verkondigen dat stemmen voor de Vlaamsgezinde Volksunie ‘zondig’ was. Wij hebben er ons niet aan gestoord, het werd een verpletterend succes en een definitieve afgang voor de politieke ambities van de kerk in Vlaanderen. Vandaag zijn het de opvolgers van de bisschoppen, de seculiere vrijgestelde voormannen van de katholieke zuil, die ons aanzetten om toch maar onze stem niet weg te gooien door nog maar eens voor een Vlaamsgezinde partij te stemmen, maar enkel voor de partijen die een eigen vakbond hebben. Schandelijk en verwerpelijk is die houding van de nieuwe rode, groene en blauwe kazuifeldragers, de kampioenen van de uitdagende palettenvuurtjes en de beschamende torenhoge ontslagpremies, van de stakingen die er geen zijn (zodat er ook geen stakingsgeld moet betaald worden). Zij beseffen niet (hoop ik) dat de door hen gesloten bedrijfspoorten misschien wel nooit meer open zullen gaan, dat na het betalen van de ontslagpremies de bedrijven andere oorden zullen opzoeken.
In ons maatschappelijk systeem zijn de syndicaten de erfgenamen geworden van het verfoeilijke ancien regime, de laatste verdedigers van het ne varietur, het status quo, de oude verhoudingen tussen werkgevers en -nemers. Zij hebben geen oog voor de diepgaande maatschappelijke veranderingen die zich de laatste zestig jaar hebben afgespeeld, hier en in de hele wereld. Syndicale actie is nuttig, nodig en zelfs noodzakelijk, maar dan met nieuwe spelregels. Maar dit terzijde op deze dag van Rerum fanfarum.
Ook de wereldlijke macht is getaand. De koning heeft nog enkel de macht die men hem gunt en dat is niet veel. Zijn luttele traditionele toespraken tot het land zijn nauwlettend geïnspireerd door de ministers en geschreven door zijn secretaris; het zijn prekerige, saaie plichtplegingen, ongeïnspireerde clichés die oproepen tot middelmatigheid en vernederende compromissen. Er is in dit land geen vaderlandsliefde, geen patriottisme mogelijk, Sire, België is ons vaderland niet, nooit geweest. Enkel Vlaanderen verdient die eretitel.
Wij hebben ook lak aan het hele staatsbestel. Een senator, een volksvertegenwoordiger, een minister, dat was vroeger Iemand. En nu? Hier ben je de ene dag syndicaal afgevaardigde bij een bedrijf in faling en de volgende dag minister; of je bent de dochter of de zoon van; of je bent een BV, een Bekende Vlaming, om welke frivole reden dan ook, en dat levert je zomaar een verkiesbare plaats op bij de verkiezingen en een groene of rode zetel. Wie kan nog enig respect opbrengen voor onze politici, voor onze hogere ambtenaren? Wij hebben allemaal het gevoel dat zij niet alleen niet beter of slimmer zijn dan wij, nee, we zijn ervan overtuigd dat wij het veel beter weten dan zij. Om het met een gevleugeld woord van de overwinnaar van de laatste Belgisch-nationale verkiezingen te zeggen: wie gelooft die mensen nog?
Het gezag is verdwenen, er zijn geen autoriteiten meer. Er zijn ook geen regels meer, of beter: er zijn er miljoenen, die elkaar onbeschaamd overlappen en tegenspreken en die om de haverklap veranderen, soms nog voor ze in werking treden, als ze dat ooit al doen. We hebben nu het tegendeel van ne varietur: het kan nu niet snel genoeg veranderen. Er is geen enkel aspect van onze maatschappij dat niet op losse schroeven is gezet, dat niet al duizend keer veranderd is. Er is geen enkele zekerheid meer, geen enkele, omdat er geen enkele gezagsstructuur meer is om die te garanderen of af te dwingen. Het gezag weet niet meer wat het wil, het is een duiventil, een decretenmachine, een dolgedraaide wettencarrousel.
Er is ook geen enkele persoon meer die het gezag belichaamt, die gezagsvol kan optreden op korte of langere termijn. Wij hebben alle vertrouwen verloren in elke vorm van personencultus of heldenverering, wij zijn in al onze verwachtingen tegenover personen diep, diep teleurgesteld. Leiders als Hitler en zijn bende, Stalin, Mussolini en ook Berlusconi, Pol Pot, de Griekse, Chileense en Argentijnse kolonels, de Koreaanse Kim- of de Amerikaanse Bush-dinastie, Khomeini, Saddam… Maar ook de nulliteiten die landjes als het onze eventjes bestieren. Je zou voor minder je geloof verliezen in politieke gezagsdragers. En zelfs als er iemand naar voren treedt die ons door zijn ernst, humor of zelfbewust optreden verrast, dan is die even later van het toneel verdwenen, meestal met een vetbetaalde sinecure: Steve Stevaert, Guy Verhofstadt, straks wellicht ook Lamme Goedzak Leterme.
Voor de hoogste functies kiezen we bij voorkeur nulliteiten uit: onverstaanbare Ban Ki-moon van de Verenigde Naties, ocharme de vijfregelige rijmloze Herman Van Rompuy voor Europa, om nog te zwijgen van de vertwijfelde dame die de ‘leiding’ had tijdens de recente grieppandemie.
Geen gezag, geen vaste regels, geen duurzame wetten, geen blijvende afspraken, geen betrouwbare voorschriften. Alles is bespreekbaar, eindeloos bespreekbaar. Geen enkele oplossing is definitief, elk compromis is tijdelijk, een voorspel slechts van een volgend rondje palavers en koehandel; geen koe is zo dood dat ze niet nog eens uit de gracht kan gehaald worden. Over BHV, de pensioenen, kernenergie en vooral de staatshervorming kunnen we nog eeuwen doorgaan.
Wil je zonnepanelen op je dak, dubbel glas in je ramen? Prachtig, je krijgt daarvoor zomaar een pak subsidies; maar voor je aanvraag is opgesteld volgens de ingewikkelde regels die men heeft verzonnen en voor de commissie (politiek) is samengesteld die de aanvragen moet evalueren en eventueel goedkeuren, blijkt dat de subsidies ontoereikend en dus uitgeput zijn; er zit dan niets anders op dan het contract dat je ondertekende (zonder contract is je subsidieaanvraag helaas onontvankelijk) dan toch maar te laten uitvoeren aan de volle prijs, wat een streep is door de aantrekkelijke rekening die de overheid en de firma in kwestie je met een stralende glimlach hadden voorgerekend.
Wat doen mensen in die omstandigheden? Wat ze altijd al hebben gedaan: ze trekken hun plan. Wat is de beste manier om je huis wit te laten schilderen? In het zwart, juist. Is het statuut van ondernemer fiscaal fataal? Geen nood, we maken er een bvba of een bv van, een netjes besloten vennootschap. De banken moeten hun gegevens aan de fiscus doorspelen, maar de fiscus knijpt een oogje toe.
Je hebt een misdrijf begaan? Een horde van Bekende Advocaten staat aan te schuiven om je pro Deo te verdedigen en zelfs een fikse schadeloosstelling voor jou (en voor hen) in de wacht te slepen. Je hebt enkele mensen vermoord? Dan ben je ongetwijfeld geestesziek, je hoort niet thuis in een gevangenis, we zullen je interneren… in een gevangenis. Misschien zal je daar zelfs miraculeus genezen, wie weet en dan ben je terug vrij!
Je hebt kinderen seksueel misbruikt? Ach, hoe sneu dat het zo lang verborgen is gehouden (mits het betalen van ampel zwijggeld of met de nodige dreigementen en morele druk)… Nou is het toch wel verjaard zeker! Maar we leven wel met je mee hoor! Kijk maar: we geven het zelfs toe, we richten een commissie op, we zeggen hardop dat het niet mag! Dat kost ons immers welgeteld twee keer niets, we hoeven niet eens de daders te straffen, we geven ze wel een andere taak, waar ze rustig opnieuw kunnen beginnen en van hun pensioen genieten.
Kan je het ons kwalijk nemen dat we gedegouteerd zijn? Dat we nog enkel interesse hebben voor het brood en de spelen die ons zo gul worden aangeboden? We leven erop los, als God in Frankrijk. Alles mag, niets moet! Het zal onze tijd wel duren! Carpe diem!







/art/slides/Interieur,%20aardappels%20schillen;olieverf;paneel;41,7%20x%2031;gesigneerd%20r.o.;$%206000-8000;$%208225.jpg)










