De kerk en haar priesters
Eigenlijk heb ik helemaal geen zin om op mijn beurt nog maar eens stil te staan bij het seksueel misbruik in de kerk. Ik heb er al zo vaak over geschreven, lang voor de bisschop van Brugge gedwongen werd om tot bekentenissen over te gaan. Maar dezer dagen buigt een bijzondere parlementaire commissie zich over de zaak, met opmerkelijke getuigenissen door de bisschoppen en door de gepensioneerde Kardinaal Danneels. Ik zal het hier nu echter niet hebben over het seksueel misbruik zelf, maar over de plaats van de priester in de kerk. Wij horen immers voortdurend de ‘de kerk’ niet verantwoordelijk is voor de daden van de bedienaars van haar eredienst. Danneels vergelijkt het met een gezin, waar er wel een vader is die een zeker gezag heeft, maar waar anderzijds de (volwassen) gezinsleden zelf verantwoordelijk zijn voor hun daden. Een vader kan niet gerechtelijk vervolgd worden voor een misdaad die een van zijn zonen heeft begaan; hij is niet verplicht om eventuele schade te vergoeden, ook niet als de zoon niet in staat is om dat zelf te doen. Dat geldt ook voor verkeersovertredingen en allerlei andere boetes en straffen.
Ik weet niet of dat ook zo is voor minderjarige kinderen, maar dat doet hier niet ter zake, de priesters in de vergelijking zijn allen volwassenen.
Dat is de strategie van de kerk: wie als priester misdaden pleegt, moet gestraft worden zoals alle andere misdadigers en daarmee is de kous af. De kerk is niet verantwoordelijk en kan niet aansprakelijk gesteld worden. Het is een sterk argument en wie het tegendeel wil bewijzen, zal met ernstige tegenargumenten voor de dag moeten komen. Maar ons aanvoelen is anders.
Wij zijn opgegroeid in een maatschappij waarin de kerk een verpletterend dominante rol speelde, nog meer zo dan wat wij nu zien in de meest fundamentalistische moslimlanden. Niemand van ons heeft er toen ooit één ogenblik aan getwijfeld dat de kerk, als instituut, alles in handen had en dat er een rigoureuze kerkelijke hiërarchie was, waarin geen spoor was van democratische inspraak, van medebeheer, zelfs niet van recht op verdediging. De kerk was een dictatuur en is dat als instituut nog steeds. Ik heb Godfried Danneels zelf horen zeggen, niet een keer maar herhaaldelijk, dat de bisschop wel luistert maar dat hij ook beslist. Er is een bisschoppelijke macht en die is niet gering. Ze is ook onaantastbaar: een bisschop hoeft aan niemand verantwoording af te leggen. Een priester die iets had uitgespookt, kon zich verwachten aan een preek en vervolgens meestal ook aan een straf, gewoonlijk een overplaatsing naar een plaats of een functie die door de priester in kwestie zeker niet als een beloning ervaren werd.
Anderzijds was het wel zo dat in de praktijk de priesters grotendeels de vrije hand hadden. Wie zich hield aan de uiterlijke regels, wie geen scandalum veroorzaakte, wie zichzelf of de kerk niet in opspraak of in verlegenheid bracht, die had vrij spel. De controle van de clerus is altijd al een zeer bedenkelijke zaak geweest, van in de vroege middeleeuwen al, met de missi dominici, de controleurs van het wereldlijke en het geestelijke gezag. Tot op onze dagen zijn de (bijna) jaarlijkse bezoeken van de bisschop of zijn vertegenwoordiger aan de parochies veeleer een formaliteit, een oppervlakkige controle van de boeken, van de rekeningen, van de statistieken over de sacramenten, het kerkbezoek enzovoort, gevolgd door een royaal bevloeide feestmaaltijd, waarbij de pastoors zich uitputten om de bisschop of de vicaris ten overvloede te overstelpen met de fijnste gerechten en de oudste grote wijnen.
Er was een hiërarchie, ja, maar een formele en uiterlijke, die berustte op een gezag dat alleen in uitzonderlijke gevallen moest uitgeoefend worden. Elke ondergeschikte wist dat hij conflicten moest vermijden: men mocht zijn oversten niet in verlegenheid brengen, men mocht hen niet uitdagen of hen dwingen om op te treden, om hun verantwoordelijkheid op te nemen, om hun gezag te laten gelden. De oversten van hun kant waren gedwongen om veel door de vingers te zien, omdat ze wisten dat ze hun bijna ceremonieel gezag niet echt konden afdwingen. De kerk als instituut heeft wel een intern reglement, het kerkelijk recht, dat officieel binnen de kerk als wet geldt, maar met dat kerkelijk recht kan je alle kanten uit, je kan, zoals met het burgerlijk recht, zowel wit als zwart aantonen, zowel schuld als onschuld bewijzen. En veel beslissingen werden genomen op grond van het autonoom en onaanvechtbaar gezag dat men had, wat het kerkelijk recht ook zei: tegen een beslissing van de bisschop is er geen beroep mogelijk. Het kerkelijk recht heeft niets te maken met het burgerlijk recht, een priester die zich benadeeld voelde, kon daarmee nergens terecht. Anderzijds kon elke priester zich binnen het hem toegewezen domein gedragen als de hoogste gezagsdrager, die alleen aan God verantwoording verschuldigd was.
Zo ging het en zo gaat het. Enerzijds regelt de kerk alles zelf: wie zich gedraagt, laat men met rust en beloont men met promotie. Wie in opspraak komt, bestraft men, maar volgens het kerkelijk recht: men houdt de problemen ‘in de familie’, men hangt de vuile was niet uit, dat is een hoogheilig kerkelijk principe. Men regelt de zaken van God binnen de kerk. Wie tot het instituut behoort, onderwerpt zich blindelings aan het gezag en de rechtspraak van de kerk. De burgerlijke maatschappij heeft geen zeggingsmacht over de kerk. Je kan het gerust vergelijken met het leger, vroeger: binnen de krijgsmacht sprak enkel de krijgsraad recht. Een soldaat die een moord had gepleegd, kwam niet voor de burgerlijke rechtbanken maar werd vervolgd en veroordeeld (of niet) binnen dat instituut.
Op die manier is het mogelijk geweest dat priesters en religieuzen zich gedurende eeuwen hebben schuldig gemaakt aan allerlei vergrijpen, niet alleen seksuele. Zij beheerden zeer aanzienlijke wereldse goederen, landerijen, gebouwen, scholen, boerderijen, brouwerijen, weeshuizen, klinieken, moederhuizen, ouderlingentehuizen, kloosters, ontelbare christelijke en caritatieve organisaties en verenigingen, en zij deden dat ‘en bon père de famille’, als goede huisvaders, dat wil zeggen autocratisch en zonder tegenspraak te dulden en zonder aan iemand verantwoording schuldig te zijn, zolang men het niet te bont maakte. Dat betekent dat zij een vrijgeleide hadden voor alle mogelijke misbruiken. De gelegenheid maakt de dief. Een instituut dat op die manier te werk gaat, trekt allerlei soorten van mensen aan, en niet alleen de beste. Ik heb in mijn jeugd priester-opvoeders gekend in het college die regelrechte sadisten waren en die zich uitleefden in het vernederen en pesten van de leerlingen, het liefst de meest verstandige en rebelse natuurlijk, zij die hun gezag in vraag durfden te stellen.
Men hoeft geen papenvreter te zijn om te erkennen dat er veel fout is gegaan in het kerkinstituut. Het probleem is echter dat de kerk alle misdaden, ook de meest verschrikkelijke, binnen de kerk oploste. Nooit werd iemand aan de burgerlijke rechtspraak overgeleverd, tenzij het werkelijk niet anders kon, zoals bij moord, en dan nog enkel in flagrante delicto. Het aantal priesters dat ooit door een burgerlijke rechtbank werd vervolgd en veroordeeld is wellicht verwaarloosbaar. Het kan nochtans niet anders of er waren onder de priesters ten minste evenveel wetsovertreders als bij de rest van de bevolking.
Ik zeg: ten minste, want, zoals ik zei: de gelegenheid maakt de dief en je moet de kat niet bij de melk zetten. Binnen de kerk konden mensen met kwaadaardige bedoelingen ongestraft hun ding doen en dat wisten ze zeer goed. Homo’s en pedofielen hebben altijd al de weg naar kerkelijke scholen en opvoedingsinstituten gevonden. Begrijp me niet verkeerd: homoseksuele seks is evident geen misdaad op zich, zolang het gaat om handelingen tussen instemmende volwassenen, maar daar wringt het schoentje: het ging en gaat om seksueel misbruik van minderjarige kinderen en jongeren.
Ik vermeld hier nadrukkelijk homofiele priesters en religieuzen omdat ik ervan overtuigd ben dat velen van hen geen pedofielen waren. Pedofielen zijn vooral belust op prepuberale kinderen. Het beeld dat wij hebben van de priester als seksueel hongerige persoon, op ontelbare feiten gestoeld, is niet dat van de veeleer tedere pedofiel, maar van het dominante homoseksuele roofdier, op zoek naar gewillige of minder gewillige partners, geen weerloze kinderen maar seksueel actieve beïnvloedbare en geïntimideerde pubers die aan hun gezag waren onderworpen, die zich niet konden verzetten en die hun mond moesten houden. Er heerste binnen de katholieke kerk en vooral in scholen, weeshuizen en instellingen voor personen met een mentale handicap een ware cultuur of liever een pest, een terreur van seksueel misbruik. Dat was algemeen geweten, evident bij de daders en bij de slachtoffers, maar ook bij de oversten en bij de ouders van de kinderen. Er waren gewoon teveel gevallen om het te negeren. Voortdurend moest men overtreders overplaatsen, moesten er ouders gepaaid worden, moesten er kinderen het zwijgen opgelegd worden of weggezonden of weggepest. Maar nooit, nooit kwam het burgerlijke recht tussenbeide, tenzij in zeer uitzonderlijke en flagrante gevallen.
En dat heeft ervoor gezorgd dat er tussen de enorme aantallen van geestelijken en religieuzen in Vlaanderen in de 19de en 20ste eeuw, zoveel mensen waren die daar een veilige haven hebben gezocht en gevonden, waar ze hun lusten ongestraft konden botvieren. Zelfs als ze ontdekt werden, wachtte hen geen veroordeling, maar ten hoogste een eindeloze reeks overplaatsingen en vernederende benoemingen op steeds minder aantrekkelijke posten, maar waar ze nog altijd even ongestraft konden toeslaan. De bisschoppen en oversten wisten immers maar al te goed dat er geen ‘genezing’ mogelijk is voor homofilie of pedofilie. Als je van de verkeerde soort was, dan bleef dat zo en men kon ten hoogste proberen om de schade te beperken en het schandaal te vermijden. Nooit is een priester weggestuurd omdat hij homoseksueel was. In tegendeel: homoseksuelen die hun seksuele activiteiten binnen de perken hielden en niet in opsprak kwamen, konden rekenen op de steun van hun homofiele vrienden hogerop. Bisschop Van Gheluwe is daarvan een overtuigend voorbeeld. Onder zijn bewind konden homofiele priesters rekenen op zijn ‘discretie’. Het is algemeen bekend, vooral uit processen in de Verenigde Staten en in Ierland, dat er dergelijke homoseksuele netwerken bestaan hebben en bestaan in de katholieke kerk en dat hogere en lagere oversten daarin een perfide rol hebben gespeeld.
Het is pas rond 1970, toen de zogenaamde seksuele revolutie doorbrak, dat seksualiteit binnen de kerk ter sprake kwam. Er was een massale uittocht van priesters en die had alles te maken met seksualiteit en vrijwel niets met ideologisch of theologische standpunten, tenzij morele, en die hadden dan weer te maken met seksualiteit, zoals het gebruik van voorbehoedsmiddelen, abortus, echtscheiding en celibaat. Maar ook toen bleef het homoseksueel misbruik door bedienaars van de eredienst buiten schot. Op het verleden wou men niet terugkeren en door de uittocht van priesters en religieuzen was er plots een grote afname van het seksueel misbruik, al bleef het in individuele gevallen voortduren, door de overgebleven oude en door nieuwe overtreders. In de Noord-Amerikaanse seminaries waren er vanaf 1980-1990 vrijwel nog uitsluitend homofiele kandidaten. Die konden voor hun seksueel actief leven eventueel bij elkaar terecht, maar de kerk bleef hen, zonder enige begeleiding, plaatsen in omgevingen waar ze in frequent en zelfs intiem contact kwamen met kinderen en jongeren. De gevolgen bleven niet uit.
Vandaag wordt het debat gevoerd, of is het een oorlog, tussen de kerk en de christelijke zuil enerzijds en de burgerlijke maatschappij over het statuut van de kerk. Men stelt nu terecht alles in vraag. Men lacht het kerkelijk recht weg als een farce of verwerpt het als een onaanvaardbare inbreuk op het algemeen recht. Men stelt de kerk voor de keuze: ofwel is zij onderworpen aan de democratische principes van de maatschappij en dan gelden voor haar alle regels van die samenleving, ook op juridisch vlak; ofwel is dat niet zo en dan is het een sekte, niet meer en niet min. Er is geen tussenweg. Men kan geen democratisch instituut hebben dat door autocratische personen en instellingen geleid wordt, vanuit Rome nog wel. Het kerkelijk recht en gezag kan niet boven het burgerlijk recht en het burgerlijk gezag staan.
De kerk speelt hier weer dubbel spel. De christelijke zuil heeft zich, zoals de maffia, ingewerkt in zogenaamd democratische en burgerlijke instellingen. Scholen, klinieken enzovoort en allerlei organisaties zijn nu vzw’s, pvba’s en wat dies meer zij. Positief is dat zij zich nu moeten schikken, althans formeel, naar de algemene wetten en voorschriften. Maar we mogen ons niet vergissen: onderhuids leeft nog steeds een sterk klerikaal superieur wij-gevoel en zo ontsnapt de kerk nog steeds aan alle toezicht. Alleen de kerk zelf heeft (nog) geen burgerlijk statuut, tenzij dat van erkende eredienst, maar ook de islam is dat en er gaan meer en meer stemmen op om de scheiding van kerk en staat, die in de grondwet is ingeschreven, ook in de praktijk door te voeren en alle preferentiële statuten die op godsdienst gebaseerd zijn, af te schaffen.
Vandaag is het uitgerekend een, of de professor kerkelijk recht in Vlaanderen, de hilarische mediafiguur en nu ook even lachwekkende senator voor de christelijke zuil, Rik Torfs, die ervoor pleit om priesters die zich hebben schuldig gemaakt aan seksueel misbruik, niet uit de kerk te stoten, maar hen ‘veilig’ op te bergen in kloosters, naar het voorbeeld van Van Gheluwe. Kijk, dat is weer het oude, perfide systeem: houd de problemen binnen de kerk, lever de priesters niet over aan de burgerlijke rechtbank en zelfs als dat dan toch moet, blijf ze dan binnen het instituut behouden en beschermen als deemoedige zondaars. Je kan met andere woorden priester Gods en zelfs bisschop blijven ook als je jarenlang kinderen seksueel misbruikt hebt. Maar je kan geen priester worden als je (openlijk) homoseksueel bent, of getrouwde man, of vrouw, of als je een andere mening hebt dan die van de huidige oversten van de kerk.
Ikzelf, dat zal mijn lezers niet verwonderen, ben een absoluut voorstander van de volledige scheiding van kerk en staat. De kerk is een organisatie van mensen en als dusdanig heeft zij recht van bestaan, maar zij moet volledig onderworpen zijn aan de burgerlijke wetten en aan de regels die onze maatschappij erkent en toepast. Zij kan geen enkel voordeel halen uit het feit dat zij een godsdienst is, in tegendeel: men moet er speciaal op letten dat de kerk, met haar verleden als niet-democratische, ondemocratische en theocratische instelling, niet ontsnapt aan de terechte controle van de gemeenschap. Wij zien dat de zaken in die richting evolueren en dat is goed.
Maar het is wellicht omdat in ons land en in de meeste beschaafde landen de godsdienst op de terugweg is, dat de kerk aangeschoten wild is, dat het aantal priesters en religieuzen drastisch afneemt en dat de invloed van de kerk overal afneemt en tot bijna niets herleid wordt, dat de grote omslag is begonnen. Wij scheppen er een bijna duivels genoegen in om onze gehate opvoeders met gelijke munt te betalen, om de katholieke gezagsdragers die onze jeugd zo verpest hebben nu ter verantwoording te roepen voor wat ze ons hebben aangedaan. De kerk is leeggelopen, de kerken en kloosters staan er vervallen en vereenzaamd bij. Wij, die vroeger zo machteloos waren als kinderen en pubers, zien ons nu wel de baas over het zielige restje oude mannen en de enkele verdwaasde idealistische jongeren, die nog slechts een nietige afspiegeling zijn van dat eens wereldwijd zo machtige instituut.
Zo ging het en zo gaat het, zo zal het altijd gaan. Bij een opwaartse beweging staan de mensen zich te verdringen om mee in de boot te springen. Maar als het verval eenmaal is ingezet, dan haasten we ons om de laatste doodstamp te geven, om het geknakte riet te breken, meedogenloos.
De kerk heeft vandaag haar lot uitsluitend aan zichzelf te wijten.



















