het einde van het Belgisch compromis


In zijn kerstboodschap heeft Albert II van België, de man zonder eigenschappen en zelfs zonder familienaam, het gehad over compromissen. Hij verwees daarbij handig naar het Belgisch voorzitterschap van de zogenaamde Europese Unie, dat los-vast verband van de 27 wel zeer verschillende staten in het oude Europa. Door onze handigheid om compromissen te bewerkstelligen zijn wij erin geslaagd om op allerlei belangrijke punten grote vooruitgang te maken in de eenheid en eenvormigheid van de Unie. Wij Belgen zijn de grote verzoeners van tegengestelde standpunten en van opposanten en erfvijanden. Wij zijn dat omdat wij sinds het ontstaan van de Belgische staat, dat onmogelijk amalgaam van tegengestelde standpunten, opposanten en erfvijanden, niet veel anders gedaan hebben dan compromissen sluiten. Wij hebben er zelfs een naam voor uitgevonden: het eervol compromis. Maar het is ook een scheldwoord: een Belgisch compromis, een vergelijk waarmee niemand gelukkig is, waarin geen van beide partijen zijn eigen standpunten nog herkent, een smerig compromis, een nederlaag, een verraad aan de eigen rechten van ons volk.
Laten we even teruggaan in de tijd en de geschiedenis van de taal. Bij een geleerd woord als ‘compromis’ is de oorsprong altijd een vreemde taal, het Frans in dit geval en vooral het Latijn. Daar vinden we de twee delen: cum en promittere, letterlijk ‘samen beloven’. De oorspronkelijke betekenis, in het klassiek Latijn, het middeleeuws Latijn en in het Frans, is deze: twee tegenstanders beloven samen om zich te onderwerpen aan het oordeel van een derde, aan een onbevooroordeelde en door beide partijen aanvaarde arbiter, om een geschil tussen hen beiden op te lossen dat ze onder elkaar niet vreedzaam geregeld krijgen.
Maar in die ogenschijnlijk ideale regeling ligt een gevaar besloten: als men niet onderling tot een vergelijk is gekomen, is de kans reëel dat het gaat om twee onverzoenlijke standpunten. Wanneer twee vorsten aanspraak maken op hetzelfde gebied en niet bereid zijn om de soevereiniteit van de andere te erkennen, dan is de kans groot dat elke regeling die een arbiter voorstelt, zal ervaren worden als een teleurstellende nederlaag, of toch als minder dan een overwinning, zeker door één van de betrokkenen, maar meer dan waarschijnlijk door beide partijen. In ons voorbeeld: als de arbiter, in de middeleeuwen en ook nog later traditioneel de paus, het gebied toewijst aan één van beiden, zal de andere veel moeite hebben om zich te onderwerpen aan die beslissing, om zijn gezamenlijke belofte, zijn compromis, gestand te doen.
Dat is inderdaad wat we voortdurend hebben gezien in de geschiedenis. Maar ook wanneer de bemiddelaar een tussenoplossing voorstelt, bijvoorbeeld de verdeling van het gebied, omdat hij geen gerechtvaardigde beslissing kan of wil nemen over de rechten van de twee partijen, is een vreedzame oplossing niet waarschijnlijk. Beide partijen hadden immers gehoopt helemaal gelijk te krijgen en kunnen derhalve maar moeilijk vrede nemen met de helft van het gelijk.
Al heel snel heeft het woord ‘compromis’ daarom naast de gewone betekenis van ‘afspraak, overlegde overeenkomst’ een pejoratieve, negatieve bijbetekenis gekregen: een slecht, onbevredigend compromis. Daaruit is een nog meer afwijzende betekenis ontstaan: een compromis is een bedreiging voor een persoon, in zijn rechten, zijn eer, zijn bestaan. Vandaar ons werkwoord compromitteren, zoals in ‘een compromitterende brief’ of ‘compromitterende omstandigheden’, of: ‘de kansen op een goede afloop werden gecompromitteerd door de oorlogszuchtige verklaringen van beide partijen’. Compromitteren betekent dan gewoon in gevaar brengen.
In het Engels is een compromise in het medisch taalgebruik het totaal uitvallen van iets; ik citeer een zin die ik onlangs las bij A. Damasio, waarover later meer: In coma and vegetative states the compromise [of consciousness] is radical, akin to a sledgehammer applied pointedly and unkindly to a brain territory. Ik vertaal: ’Bij coma en voortleven als een plant is de destructie van het bewustzijn radicaal, te vergelijken met een voorhamer die gericht en boosaardig op een deel van het brein wordt losgelaten.’
In ons taalgebruik, en daarmee bedoel ik zowel het Nederlands als andere Europese talen, zien we duidelijk de twee kanten van de medaille, het positieve van een compromis en het negatieve. Het valt me op dat het negatieve het duidelijkst uit de verf komt. We gebruiken de term compromis nog maar zelden in gunstige zin: niemand is echt gelukkig met een compromis. Daarop is er een uitzondering, zoals op elke regel. Er zijn mensen die er een handje van weg hebben om onrechtmatige eisen te stellen, daaraan vast te houden door dik en door dun, klaarblijkelijk in de hoop op een compromis, waarbij ze ten minste een deel bekomen van wat ze zo onterecht opeisten. Voor hen is al wat ze op die manier verkrijgen of behouden volle winst, want ze weten heel goed dat ze in feite helemaal geen rechten kunnen laten gelden, dat ze geen been hebben om op te staan. Ze maken misbruik van de compromisbereidheid van de tegenstander, van zijn of haar afkeer van lange en verhitte discussies of van geweld. Hun regel is: als je maar lang en hevig genoeg aandringt en volhoudt, dan bekom je altijd wel iets. Op de duur gaan ze zelf nog in hun verzonnen rechten geloven, het wordt een mythe, een eeuwenoud erfgoed, zoals het Beloofde Land, of het Lebensraum van de Nazi’s, of allerlei corridors die landen voor zich opeisten en nog opeisen, of pariteiten die geen grond hebben in de realiteit.
Wie enigszins vertrouwd is met de situatie in België, of met mijn Kroniek, weet waar ik naartoe wil. De koning verwijst terecht naar de myriade aan compromissen die de geschiedenis van België kenmerken. Het ontstaan zelf van dit on-landje was een internationaal compromis tussen de overwinnaars van Napoleon: Nederland, Engeland en Duitsland, die een fysieke buffer wouden tussen tegen het ambitieuze en revolutionaire Frankrijk. Dat werd het helaas kortstondige Koninkrijk der Nederlanden, dat in 1830 dan weer aanleiding gaf tot een opstand van de Franssprekende bourgeoisie en de oprichting van een onmogelijk, onooglijk landje aan de zee, met twee zeer verschillende landsdelen die vrijwel niets met elkaar gemeen hadden, historisch, taalkundig, cultureel of religieus. Sindsdien hebben wij geleefd van het ene politiek compromis naar het andere. Nooit ofte nimmer hebben wij een homogene regering gehad die alle Belgen vertegenwoordigde. Nooit hebben wij het gevoel gehad dat het landsbestuur, de koning, het parlement, het gerecht echt nationaal waren: wij ervoeren ze als een nieuwe versie van de eindeloze reeks van feodale en adellijke vreemde bezetters die onze streken veroverden, erfden of verkwanselden zoals het hen het best uitkwam. Patriottisme is een scheldwoord in België en zeker in Vlaanderen. Wij voelen ons niet thuis in dit land dat enkel met smerige, vernederende compromissen in stand gehouden wordt, en enkel kunstmatig in leven gehouden.
De koning vergist zich, nog maar eens. Belgische compromissen zijn geen kunst, maar een kwaal. Onze geschiedenis is een opeenstapeling van onrechtmatige eisen en voorrechten van een kleine groep Franstalige politici en kapitaalkrachtige baronnen, die de democratische rechten van de Vlamingen hebben miskend in steeds nieuwe zogenaamde compromissen, tussenoplossingen die er helemaal geen waren, omdat ze uitgingen van valse veronderstellingen, enkel gesteund op de hebzucht en de machtswellust van die zogenaamde elite.
Melior est conditio possidentis, zegt het adagium, of in het Engels: possession is nine-tenths of the law. Wie rijk is, wie in het bezit is van een goed, die heeft het beste vertrekpunt, die is in de meest voordelige situatie, die heeft de wet aan zijn kant, hoe men dat goed ook verkregen heeft en wat de werkelijke rechten ook zijn die men erop heeft.
Men moet goed voor ogen houden dat de Franstalige bourgeoisie het in onze onzalige geschiedenis altijd al voor het zeggen heeft gehad en dat is vandaag nog grotendeels zo. Maar er zijn daarnaast in België twee nieuwe maar onderling zeer verschillende, ja tegengestelde machtsconcentraties ontstaan. De ene is Vlaanderen, dat zich als autonome landstreek stilaan is beginnen losmaken van de Franstalige centralistische bevoogding en zich ontwikkelt als een democratisch bestel, gebaseerd op een gematigd liberale markteconomie. De andere is de socialistische partij in Wallonië, die zich ontwikkeld heeft uit het arbeidersverzet van de 19de eeuw en die zich een eigen politiek en sociaal machtsapparaat heeft opgebouwd bezuiden de taalgrens, gesteund op corporatisme, cliëntelisme en een vernederende, verslavende afhankelijkheid van subsidies, toelagen en uitkeringen door de centrale staat.
Dat zijn, in zeer grote lijnen, de drie partijen in België: Vlaanderen, Wallonië en Brussel.
Vlaanderen is vertrokken van de slechtste situatie: arm Vlaanderen bezat niets, was economisch totaal verpauperd, cultureel totaal verfranst en lag intellectueel onder de knoet van een machtige en volksvreemde kerk. De Vlaamse strijd voor autonomie moest op alle fronten gestreden: voor de eigen taal, eigen instellingen, een eigen economie en voor een intellectuele bevrijding uit de klerikale theocratie. Die strijd ging aanvankelijk tegen Franstalige overheersers en is grotendeels gewonnen.
Maar er is een nieuwe vijand opgedoken: socialistisch Wallonië, dat zich een uitzonderlijke bevoorrechte politieke positie heeft verworven in de Belgische staat die op geen enkele manier in verhouding staat tegen het bevolkingsaantal (er zijn twee Vlamingen voor elke Waal), het aandeel in het bruto nationaal product of wat dan ook. Wallonië plundert daardoor de nationale schatkist, Vlaanderen vult die bodemloze put. Wallonië stelt zich in België op als een evenwaardige partner van Vlaanderen, zonder het op enige wijze te zijn. Zij hebben hun politieke pariteit vastgelegd in duizenden wettelijke compromissen, met grendels die onmogelijk te doorbreken zijn door de Vlaamse meerderheid. Hun onterechte bevoordeling zit gebetonneerd in onze grondwet en in de perfide akkoorden, de compromissen die de Vlamingen hebben gesloten in allerlei kastelen en paleizen.
Melior est conditio possidentis, letterlijk: de positie van de bezitter is de beste. Wij kunnen de Walen hun onrechtmatige bevoordeling niet afnemen, wat we ook proberen, behalve geweld. Wij moeten vechten voor elke morzel gronds. De Franstaligen palmden het oorspronkelijk Vlaamse Brussel in en vervolgens ook de Vlaamse rand en wij staan erbij en kijken ernaar. En ook: Possession is nine-tenths of the law: als je iets bezit, dan moet er al veel gebeuren voor je dat kwijtgeraakt, want de wetten worden geschreven door de bezitters, de eigenaars, niet door de misdeelden, de eisende partijen.
Wij Vlamingen haten de Belgische compromissen terecht hartsgrondig. Wij eisen niet meer op dan ons grondwettelijk erfdeel, ons democratisch recht op zelfbeschikking, maar wij slagen er niet in om dat zelfs maar gedeeltelijk te realiseren omdat de possidentes, de possessors, weigeren om wat ze van ons gestolen hebben, terug te geven. In elke discussie eisen zij het compromis op, waarbij zij wel iets afgeven, maar ook iets behouden, liefst zoveel mogelijk, natuurlijk, ook al hebben ze er helemaal geen recht op, gewoon omdat ze het nu eenmaal bezitten en het niet willen afgeven.
Een klein, maar acuut voorbeeld. Brussel-Halle-Vilvoorde. De hoogste wetinstanties van het land hebben beslist dat dat kiesarrondissement moet gesplitst worden, dat de huidige regeling in strijd is met de grondwet zelf. Maar die beslissing is onuitvoerbaar, omdat de Franstaligen dat gewoon weigeren en zij het parlement verlammen met alle mogelijke grendels, alarmbellen, belangenconflicten en beroepsprocedures. Voor de uitvoering van die wettelijke en wettige beslissing vragen de Franstaligen een tegemoetkoming, een quid pro quo, voor wat hoort wat, zij zijn bereid een stap te zetten, maar wij moeten dat ook doen, wij moeten met andere woorden bereid zijn om een compromis te sluiten, om vrede te nemen met minder dan ons volledig recht, ons onverdeeld gelijk. Dat is waartoe de koning de Vlaamse onderhandelaars oproept.
Tot nog toe is het de Franstaligen steeds gelukt. De Vlamingen hebben belangrijke stappen vooruit gezet op weg naar de ontvoogding en de volledige autonomie, maar het zijn altijd compromissen geweest, we hebben altijd een prijs moeten betalen voor onze ‘overwinningen’, meestal letterlijk, onder de vorm van weer nieuwe en blijvende overdreven financiële voordelen voor de Franstaligen, geld waarop ze helemaal geen recht hebben, dat ze alleen kunnen afdwingen omdat wij ons recht opeisen. Hun tactiek was steeds: wij zijn vragende partij voor niets, het zijn de Vlamingen die altijd maar met nieuwe eisen afkomen. Goed, wij Franstaligen willen daarover onderhandelen, maar zoals het bij een bemiddeling in een onverdeeldheid steeds gaat, moeten beide partijen bereid zijn om toe te geven, anders is er geen oplossing. En zo houden zij altijd meer over dan hen toekomst en moeten wij altijd de duimen leggen. Belgische compromissen zijn altijd goed voor dezelfde partij en altijd nefast voor de andere, die nota bene de overgrote meerderheid uitmaken.
Vandaag zijn de Vlamingen zo zelfbewust, dat ze dat spelletje niet meer willen meespelen. De Franstaligen mogen dan misschien wel historisch de beste positie hebben, maar als we nu praten, dan gaat het om recht en rechtvaardigheid, afgemeten aan objectieve criteria en verdeeld volgens eerlijke normen. Niet wat men ooit had is belangrijk, maar enkel datgene waarop men recht heeft. In elk volgend compromis zullen de Franstaligen moeten afgeven en de Vlamingen bij krijgen, precies omdat we niet vertrekken van een gelijke verdeling, maar van een onrechtvaardige historisch gegroeide ongelijkheid.
Ooit was het Frans de enige officiële taal in gans België, maar dat wil niet zeggen dat de Franstaligen vandaag in Vlaanderen het recht zouden hebben om zich uitsluitend in het Frans uit te drukken. De Franstaligen waren ooit inderdaad ook de intellectuele elite in België, maar die tijd is lang voorbij en er is dus geen reden om aan het Frans of de Franstaligen meer belang toe te kennen dan verantwoord wordt door de bevolkingsaantallen. Duits is ook een officiële taal van België, maar ziet men ergens Duitstalige bewegwijzering of straatnamen in Brussel? De Franstaligen zijn een minderheid in België, zijn vrijwel volledig afwezig in Vlaanderen. Dat zijn feiten, geen dromen.
Voor het eerst hebben we nu een politieke partij en een voorman die het Belgisch compromis afwijzen. Vlaanderen wil praten, maar over alles, over al onze rechten, op objectieve basis, niet op basis van verworven rechten. Er is dus geen sprake van dat wij met minder dan ons volledig recht vrede zullen nemen. Als wij 66% van de bevolking uitmaken, dan willen wij dat altijd en overal weerspiegeld zien: in het parlement, in de regering, in het bestuurlijk apparaat, bij het gerecht, in de begroting, overal. Dat is de kern van de democratie overal ter wereld. We willen minderheden beschermen, maar we doen niet aan positieve discriminatie: het is niet omdat er minder Walen zijn dat zij meer rechten moeten hebben. Maar vooral: wij willen volledige, integrale autonomie, wij willen geen Franstalige overheersing of zelfs invloed. Daarover wensen we niet te praten, geen compromissen te sluiten, daarop willen we geen toegevingen doen.
De koning vergist zich dus en de Franstaligen, de Walen en de Brusselaars, vergissen zich ook. De tijd van de compromissen is voorbij, voorgoed voorbij. Wij willen een opdeling van België, op basis van goede maar vooral eerlijke afspraken. Het eenvoudigst is een echte federatie, zoals in de grondwet staat: België bestaat uit gewesten en gemeenschappen en over wat zij gemeenschappelijk doen, daarover beslissen zij zelf. Het enig compromis dat wij nog willen overwegen, omwille van de historisch gegroeide ongelijkheid, betreft de uitvoeringstermijn: we begrijpen, met grote tegenzin, dat we niet alles onmiddellijk kunnen geregeld krijgen zoals het eigenlijk hoort. We willen dus praten over een stappenplan op relatief korte termijn, bijvoorbeeld vijf jaar, maar het uiteindelijke doel is duidelijk: de spoedige volledige autonomie van Vlaanderen, binnen België als het kan, maar dan zonder dat we daarvoor een prijs moeten betalen, zonder dat we daarvoor een zoveelste vernederend Belgisch compromis moeten sluiten, waarbij de Franstaligen zich in de handen wrijven en wij knarsetandend achterblijven, voor de zoveelste keer bedrogen.
In België zijn het steeds de Franstaligen, de rijken en de adel, inclusief het koningshuis die de kunst van het compromis hebben gecultiveerd, met slechts één doel voor ogen: het redden van het eigen hachje, het eigen particuliere voordeel, het behoud van een onrechtvaardige status quo, het verdedigen van onrechtmatig verworven rechten. Als we vandaag België zouden verdelen volgens objectieve, door internationale experts vastgestelde normen, dan zouden de Franstaligen in hun blootje staan en de Vlamingen hun stoutste dromen kunnen verwezenlijken. Het is hoog tijd dat we het gesprek anders voeren, met als enige leidraad de radicale democratie. Als Franstalig België daartoe niet bereid is, dan zal dit apenland ophouden te bestaan. Ik zal er geen traan om laten.


















