Celibaat, Gerard Walschap


Toevallig ontdekte ik in de kringloopwinkel een werk van Gerard Walschap. Dat kan je niet laten liggen, natuurlijk en zo komt het dat ik nog eens een Vlaamse roman heb gelezen, al is het er een uit 1963: Celibaat.
Gerard Walschap leefde lang, van 1898 tot 1989 en schreef veel, voor een goed overzicht klik je maar even hier: http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=wals004. Hij was gedurende lange tijd een van Vlaanderens meest bekende en meest gelezen auteurs, ondanks de nijdige tegenwerking, vijftig jaar lang, van een bekrompen katholiek establishment. Ik vermoed dat zijn Houtekiet (1939) hier en daar nog op een leeslijst staat in een of andere school, maar voor het overige is zijn tijd voorbij. Ik besprak hier dankbaar zijn antiklerikale en atheïstische brochure Salut en Merci (1955): https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=431.
Celibaat is een vreemde titel, want het gaat niet om wat wij daaronder gewoonlijk verstaan, namelijk het verplichte celibaat van de katholieke priesters. Dat thema zou hem zeker zou liggen, daar niet van en aan voorbeelden voor een verhaal over de strijd van talloze priesters en kloosterlingen met hun seksualiteit heeft het nooit ontbroken. Maar neen, zijn Celibaat gaat over een klein burgermannetje in het Vlaanderen van voor en tijdens de Groote Oorlog. Niet verwend door de natuur op fysiek vlak, niet gezegend met een scherp verstand of enige emotionele intelligentie, zoals we dat nu zeggen, gaat hij onwennig, door twijfels en verdrongen emoties verscheurd en verlamd door het leven, een gemakkelijk slachtoffer voor zijn omgeving, als gepijnigd voorwerp van hun spot en misprijzen, als onwillig object van hun gefrustreerde seksuele verlangens, als verbijsterde pion in hun dorpspolitieke machinaties. Het is pas bij het uitbreken van de oorlog dat hij ons en zijn omgeving verrast: hij neemt dienst, wordt gewond en dan nog eens, zwaar verminkt in het aangezicht. Wanneer de vrede hersteld is, vinden we hem in het Franse zuiden, in een vreemde, pijnlijk onbevredigende relatie met een oudere vrouw. Later keert hij naar Vlaanderen terug en herneemt zo goed en zo kwaad als het gaat zijn vreemde leven van rentenier, gelouterd van het kwaad door de verschrikking van de oorlog. Het einde komt zachtjes, genadig.
Walschap schrijft hier in zijn bekende bondige, directe, levendige, kernachtige Vlaamse taal, met fijn aangevoelde uitdrukkingen uit onze echte taal, ons dialect, dat we zoveel beter beheers(t)en dan het opgelegde ABN van de school, het plaatselijke Vlaams dat zoveel kleurrijker was/is dan het stijve Nederlands. Het is voor mij een plezier geweest om dat zo te lezen, met uitdrukkingen die ik al te lange tijd niet meer gehoord had, want ik heb al vele jaren helaas niemand meer met wie ik op frequente basis mijn Oost-Vlaams ‘Eekloos’ kan spreken.
Het celibaat is dat van meneer André, het Heerken. Niet dat hij geen kans heeft om er iets aan te doen, maar het lukt niet. Hij is verward, hij panikeert, hij durft niet, hij wil niet, hij kan niet. Seksualiteit is hem zo vreemd als… ja als wat?
Hoe vervreemd kan een mens zijn van zijn of haar seksualiteit? Is het niet onze meest natuurlijke aandrift, een complex en subtiel samenspel van duizend kleuren op het palet van ons leven, de verknochte band die uitgelezen aspecten bijeen brengt van hevige lichamelijkheid en de krachtigste emoties? De honden doen het op straat, zeiden burgers en pastoors vroeger smalend over seks. Niet dat ik meen dat ook mensen de liefde daar moeten bedrijven, maar er is, ondanks vermeende seksuele revoluties allerhande, nog veel werk in Vlaanderen eer seksualiteit een normale plaats heeft verworven in onze samenleving, als activiteit en als onderwerp van gesprek, en dan niet alleen in de ludieke media, en onderzoek.
De mens, zoals al het leven, plant zich voort. De evolutie heeft daartoe bij de mens, zoals bij andere diersoorten die zich twee-geslachtelijk vermenigvuldigen, krachtige mechanismen tot stand gebracht om die voortplanting te verzekeren, aantrekkelijk te maken. We hadden Freud niet nodig om ons erop te wijzen dat er zoiets als libido is, een seksuele aantrekkingskracht tussen partners. Seks zit in onze genen, het is een primair gegeven. Maar de mens is geen dier, of is een ander dier, een denkend wezen, met een geheugen, een geschiedenis, een cultuur; met een toekomst ook, waarvoor het plannen ontwerpt, met verlangens en wensdromen. Seksualiteit zit niet enkel in de genen, ze maakt ook deel uit van onze cultuur. De samenleving heeft zich van dat genetisch gegeven meester gemaakt, heeft het bewerkt, gevormd, beschaafd. We eten niet zoals de dieren, we hebben er een kunst van gemaakt. We hebben ook geen seks zoals de dieren, ook daarvoor hebben we duizend rituelen, gewoonten, afspraken, codes, spelregels.
Daarover gaat Celibaat. Sommige personages belichamen de simplistische, dierlijke en agressieve mannelijke seksualiteit van wat men vroeger de dorpsstier noemde: de zonen van de rijkste boer, die zich vergrepen aan alles wat jong was en een rok droeg. Anderen spelen cynisch het elegante spel van de Franse salons, met als enig doel of resultaat wat onkuis geflirt met de dochters van de rijke kooplui uit de provincie. In de katholieke dorpen en kleine steden van la Flandre profonde is seksualiteit, zoals alle andere waarden, vastgeroest in burgerlijke rituelen, die door de generaties worden overgeleverd en waaraan iedereen zich officieel houdt, wat men verder ook ‘ in den duik’ doet of denkt. Het zijn die hypocriete conventies die Walschap ter sprake brengt en hun nefaste invloed op het leven van zijn personages, onze Vlaamse mensen, ongenadig hekelt.
Wat is het leven van een man of vrouw die nooit aan een intieme relatie toekomt, niet omdat zij dat zo wensen, om welke reden dan ook, maar omdat zij daartoe gedwongen worden of zich laten dwingen, om welke reden dan ook?
Onlangs nog vroeg men aan kardinaal Danneels of hij nooit spijt had dat hij niet getrouwd was. Zijn antwoord, dat hij wellicht al duizend keer heeft gegeven en uiteindelijk zelf is gaan geloven, was dit: nee, hij wist immers wat hij deed toen hij besloot priester te worden; maar hij gaf wel toe dat hij het spijtig vond dat hij geen kinderen had. Wat moet je nou met zo’n antwoord? Het is gewoon een boutade? Want het klopt langs geen kanten. Wat wist een jongeman zestig jaar geleden toen hij naar het seminarie trok? Niets, dus. En om kinderen te hebben, is er een vrouw nodig. Die heeft de kardinaal nooit gemist, blijkbaar. Kinderen hebben zonder de tussenkomst van een vrouw, ziedaar het diepste verlangen van een kerkvorst aan het einde van zijn leven. Ook de kerk als instituut heeft de vrouwen niet nodig, niet als priester, niet als bisschop of paus, zelfs niet als misdienaar. En als ze zich echt aan de kerk willen wijden, dan moeten ze maar maagd blijven. Een priester die niet van vrouwen wil weten, maar naar kinderen verlangt, dat is een kwalijke combinatie, dat zullen we geweten hebben (klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=141243).
In de katholieke kerk blijkt ongeveer alles te draaien om seksualiteit, of het negeren en verbieden daarvan. Niet dat ik een voorstander zou zijn van de vrije liefde, wat dat ook moge wezen; inzake seksualiteit ben ik net zo voor een moraal die gesteund is op wederzijds respect als op alle andere aspecten van ons mens-zijn. Het eerste gebod van de kerk is niet: heb uw naaste lief, maar: heb geen seks met uw naaste (tenzij enkele keren in uw leven, zoveel als nodig om enkele kinderen te maken). Dat is onbegrijpelijk. Het is in strijd met onze genetische ingesteldheid, maar nog veel meer met een normale maatschappelijke en culturele beleving van onze seksualiteit. Tweeduizend jaar lang heeft men een houding gepredikt tegenover de menselijke seksualiteit die op geen enkele manier te verantwoorden of goed te praten is. Men heeft er hét thema van de christelijke godsdienst van gemaakt en men blijft dat doen, kijk maar naar het katholieke standpunt over geboortebeperking, abortus, voorhuwelijkse betrekkingen, condooms, homoseksualiteit en –huwelijk, echtscheiding, kindermisbruik door priesters en ja: het celibaat (afgeleid van het Lat. caelebs, ongehuwd; de oorsprong van caelebs zelf is onzeker).
Men zou kunnen denken dat gebeurtenissen en verhoudingen uit het begin van de twintigste eeuw en zoals Walschap die beschreef in 1963 niet meer van deze tijd zijn en dat Celibaat ten hoogste nog als een tijdsdocument kan gelezen worden. Niets is minder waar. Het is nog steeds een donkere spiegel die de wijze uil Walschap Vlaanderen en de wereld voorhoudt. Het is niet voor niets dat de kerk hem tot zijn dood zo ongenadig en onchristelijk bestreden heeft. Zoals in Houtekiet predikt hij immers een grondig andere moraal, een betere manier om met elkaar om te gaan, een open, menselijke, liefdevolle houding. Het is een boodschap die ook nu nog aan de getorste zuilen van Sint-Pieters zetel schudt.




















