materialisme

Materialisme, waartegen ook het christendom zich zo angstvallig verzet, zoals blijkt uit de predicaties bij Kerstmis en Nieuwjaar, is enerzijds de preoccupatie van de moderne mens met materiële geneugten, maar anderzijds ook, en misschien wel daarmee onmiddellijk verbonden, de monistische filosofische opvatting, dat er slechts één vorm van realiteit is, de materiële en dat alle ‘geestelijke’ activiteit uitgevoerd wordt door de materiële, dat er dus geen andere geestelijke activiteit of realiteit is dan die van de materie. De (immateriële) God van het christendom wordt dan meteen onmogelijk, tenzij als een projectie van de mens. Dit is voor mij een zeer bevredigende uitleg, een bevrijding uit de angst om het totaal andere, het onbekende.
Daarmee aanvaard ik ook dat er vanzelfsprekend wel degelijk geestelijke activiteit is, als een aspect van de materie. Het is al te gemakkelijk om het materialisme gelijk te stellen met de materie en te veronderstellen dat atheïsme inhoudt dat men de mens elke geestelijke dimensie ontzegt. Niets is minder waar!
Die geestelijke activiteit valt samen met de notie van ‘leven’. Er kan geen levende materie zijn zonder een vorm van ‘geestelijke’ activiteit. De drang van elke cel om zich in stand te houden en te vermenigvuldigen is ‘geestelijk’. Het moet echter steeds om activiteit gaan, het kan nooit een ding zijn, er is geen geestelijke materie. Dat is de kern van de zaak en het einde van de metafysica, maar ook de legitimatie van de psychologie als studie van de geestelijke activiteit van de mens en van de andere levende wezens, vandaar de gelijkstelling van evolutionaire psychologie en socio-biologie.
Als er geen bovennatuurlijke wezens zijn, noch bovennatuurlijke begrippen, blijft er alleen de menselijke denkactiviteit om te achterhalen wat de beste manier is om te denken en te handelen. Elk individu is daartoe uitgenodigd en geroepen, ieder moet en mag ook voor zichzelf uitmaken wat goed en slecht is. Daarbij rijzen er (ten minste) twee problemen: enerzijds zal het resultaat van die inspanning verschillend zijn in vele gevallen en van persoon tot persoon; anderzijds verhindert de fundamentele gelijkheid van alle individuen dat men zijn eigen ideeën oplegt aan anderen, men mag alleen proberen te overtuigen met legale middelen.
Mensen leven in gemeenschap en dat vereist een minimum aan ordening. Ook dat moeten we zelf organiseren, met vallen en opstaan. De beste manier, zo is gebleken, is een bestuur door democratisch verkozen vertegenwoordigers, met verkiezingen op geregelde tijdstippen en niet al te lange ambtstermijnen.
Een regering en parlement op die manier samengesteld, hebben als taak om wetten op te stellen en uit te voeren. Op die manier leggen zij wel degelijk hun wil op aan ons allemaal, maar enkel met ons goedvinden: wanneer zij niet meer kunnen rekenen op de steun van het volk, zullen zij moeten aftreden. Er is dus in een democratie een instelling die met gezag optreedt. Waarop steunt zij zich?
Enerzijds op de volkswil: zij moet rekening houden met wat er leeft onder de bevolking. Anderzijds ook op de eigen inzichten. Maar dat verlegt het probleem alleen maar: waarop steunt het volk zich, en waarop de volksvertegenwoordigers?
Elke mens is gedreven door het eigenbelang, in al zijn aspecten: het nastreven van genot en vermijden van pijn, in al hun mogelijke vormen. De mens is in zijn streven niet zomaar gedreven door blinde hartstochten, wij zijn denkende wezens. Wij kunnen onze driften beheersen voor een nog groter genot, door het vermijden van de negatieve gevolgen van een blind nastreven van onmiddellijke gratificatie. Wij zien in dat wij in gemeenschap leven en dat brengt verplichtingen met zich mee, die in strijd kunnen zijn met ons beperkt en strikt eigenbelang, maar die in de praktijk en op termijn bijdragen tot en zelfs de mogelijkheidsvoorwaarde vormen voor ons ruimer geïnterpreteerd en duurzaam eigenbelang als individu en als soort.
Wij, en onze instellingen, zijn dus geïnspireerd door eigenbelang en gemeenschapszin. Het is ons vermogen om afwegingen te maken voor onszelf en voor de gemeenschap, dat de leidraad is voor ons denken en handelen. Men kan dat de rede noemen, maar dan in ruime zin, niet als een mathematische logica, maar als een denken dat rekening houdt met alle aspecten van ons mens-zijn.
Wanneer wij spreken over mensen en hun samenleven, dan zullen wij het altijd met minder moeten doen dan het volmaakte, het uiterste, het beste. We zullen het moeten doen met het haalbare, waarbij het optimale vaak zal verbleken of totaal onherkenbaar worden.
Het optimale is in veel gevallen immers niet alleen niet haalbaar, het nastreven ervan is meestal ook contraproductief. Het innen van zelfs rechtvaardige belastingen zal steeds minder opbrengen dan al wat eigenlijk verschuldigd is, omdat een aantal mensen zich steeds zullen willen onttrekken aan hun verplichtingen, die ze als excessief beschouwen. Zij zullen dat doen door gebruik te maken van de gaten in de wetgeving, waarbij ze geen strafbare feiten plegen, maar wel tekortschieten in burgerplicht en solidariteit, of gewoon door bedrog te plegen, waardoor ze zich blootstellen aan vervolging en straf, naast hun moreel falen. Hoe dan ook, de belastingbetalers zullen steeds minder belastingen betalen dan de staat hen oplegt.
De staat kan en zal daarop reageren door de belastingen nog te verhogen, om toch aan de doelstellingen te komen, die moeten toelaten om de begroting in evenwicht te houden, of door de controle en de bestraffing van belastingsontduiking en de fraude te verstrengen. Deze laatste oplossing is echter zelden efficiënt, omdat de kosten voor de belastingscontrole en de gedwongen inning van ontdoken belastingen meestal niet opwegen tegen het resultaat van die inspanningen. Wanneer het meer kost om de belastingen af te dwingen dan die belastingen zelf opbrengen, heeft het geen zin om daarmee door te gaan; het is dan beter om zich tevreden te stellen met een zekere mate van belastingsontduiking.
Zo zien we dat het nastreven van het maximum vaak minder efficiënt is dan het berusten in het haalbare.

Daarmee moet men ook rekening houden bij
het opstellen van wetten: het heeft geen zin om strenge wetten uit te vaardigen
waarvan men op voorhand kan weten dat ze op massaal verzet en ontduiking zullen
leiden. En het heeft ook geen zin om wetten te maken die niet afdwingbaar zijn
omdat er geen reële sancties zijn bij overtreding. Men mag in zekere mate
rekening op spontane burgerzin, maar niet te veel. Wanneer de brave burger zou
vaststellen dat alleen hij zijn verplichtingen nakomt zonder morren of bedrog,
terwijl een aanzienlijk aantal anderen zich daaraan straffeloos kan onttrekken,
dan is het gevaar groot dat zelfs de moreel meest hoogstaande burgers aan hun
plichten zullen verzaken, of zich terecht luidkeels zullen verzetten tegen
dergelijke wetten en hun toepassing.
Na even afgedwaald te zijn, komen we terug naar de vraag over het geestelijke. Wij benadrukken dat het steeds moet gaan om een activiteit van een levend wezen. Toch is de verleiding groot om aan de resultaten van die activiteit een zekere graad van autonoom bestaan toe te kennen.
Wij doen dat immers voortdurend, als een manier van spreken, gemakshalve, zoals wanneer we zeggen dat een bepaalde idee leeft onder de bevolking. Wat we daarmee bedoelen, is dat een belangrijk aantal mensen over een bepaald onderwerp denken op een welbepaalde manier, bijvoorbeeld wanneer in Vlaanderen de autonomie van onze bevolkingsgroep een zeer algemeen verbreide verzuchting is en de Belgische staat ervaren wordt als een minder belangrijke waarde. Men kan dan inderdaad enigszins zinvol spreken over ‘de idee’ van de Vlaamse autonomie. Maar wij moeten ons er steeds goed van bewust zijn dat een dergelijke idee slechts bestaat in de hoofden van de betrokken mensen.
Ideeën zijn geestelijke realiteiten, maar dat is een contradictio in terminis, er bestaat immers geen geestelijke realiteit in de echte zin van het woord, de materie is de enige realiteit, ons denken is een activiteit van levende materie.
De eeuwige verwarring daarover is de oorzaak van veel ellende, filosofisch maar ook in de praktijk. Er bestaat niet de minste twijfel over het feit dat de godsgedachte bestaat. Maar er is, Anselmus ten spijt, geen enkele reden om aan te nemen dat (daarom) ook God bestaat als een realiteit, tenzij als een ideële, geestelijke entiteit, die derhalve volledig afhankelijk is van het denken van de mens. God is dus denkbaar, evident, aangezien de godsgedachte er is. Maar dat betekent alleen dat wij mensen een idee hebben over God, niet dat er ook een God is die de mens geschapen heeft. Zie je de dwaling? Er is geen autonome ideële of geestelijke dimensie buiten de mens om.
Daar zien we in alle duidelijk het falen van het godsgeloof. Wat wij vaststellen is de aanwezigheid in het mensdom van een idee van God en van daaruit maken wij, of sommigen onder ons, een gedachtesprong naar het werkelijk bestaan van die God, totaal onafhankelijk van de mens. Meer nog: die God is, als almachtige schepper van het heelal en dus ook van de mens, de mogelijkheidsvoorwaarde voor het bestaan van de mens. Dat is een totale en fatale omkering van de werkelijkheid: God als schepper van de mens, terwijl het de mens is die zich een God geschapen heeft in zijn denken en handelen.
Op dezelfde manier kunnen wij spreken over tal van ‘geestelijke’ entiteiten of ideeën en daarbij moeten we steeds op onze hoede zijn om hen geen grotere vorm van bestaan toe te kennen dan ze in werkelijkheid hebben. Het zijn steeds onze hersenspinsels, zelfs indien ze hun wortels in de realiteit hebben, zoals dat trouwens ook met God het geval is: wij hebben niet zonder reden God uitgevonden, maar dat laat ons niet toe om te zeggen dat God zich aan ons heeft geopenbaard, dat is de zaken op hun kop zetten en dat leidt onvermijdelijk tot misverstand en misbruik.
Laat ons een ander voorbeeld nemen, dat nochtans verband houdt met de godsgedachte. Wij stellen vast dat op bepaalde momenten van de geschiedenis op bepaalde plaatsen de overtuiging leefde en leeft dat het leven van de mens niet voorbij is bij de dood. Die onsterfelijkheidsgedachte is een realiteit, wij kunnen er niet omheen, ze is er wel degelijk. Wil dat zeggen dat ze ook terecht is? Vanzelfsprekend niet! Zoals alle ideeën is ze ontstaan onder de mensen op grond van bepaalde omstandigheden. Als idee kan ze juist zijn of fout en daarover kunnen we van mening verschillen en dat doen we ook fervent. Maar wij moeten een onderscheid maken tussen deze gedachte en de realiteit: is de mens inderdaad op een of andere manier onsterfelijk, of niet? Dat is de kwestie en geen onbelangrijke.

Welnu, de onsterfelijkheid wordt
steeds gezien als iets dat zich niet voordoet in de materiële wereld, maar in
een vergeestelijkte wereld, waarin wij niet aanwezig zijn met ons lichaam maar
met onze ziel, en indien toch met ons lichaam, dan met een vergeestelijkt
lichaam, wat dat overigens ook moge betekenen. Wij stellen dus ten enenmale vast
dat men weer een sprong maakt van een gedachte naar een realiteit, van een
geestelijke entiteit naar een materiële. Dat mensen zich voorstellen of inbeelden
dat zij niet helemaal zullen sterven, dat er iets van hen voor eeuwig zal
overblijven, dat is een realiteit, dat stellen we vast, daar is niets verkeerds
mee, zolang we dat als een gedachte zien, waarvan we het ontstaan kunnen verklaren
of interpreteren.
Maar er is geen enkele reden om uit die gedachte af te leiden dat het er in de werkelijkheid ook zou aan toe gaan. Er is geen enkel redelijk argument of zelfs maar de geringste aanduiding dat dit het geval zou zijn, terwijl er zeer goede psychologische verklaringen voorhanden zijn voor dergelijke ideeën.
Wij hebben met andere woorden het hiernamaals uitgevonden als een mythische, ideële, geestelijke realiteit, waarnaar onze ziel, eveneens een menselijk verzinsel, zich zal begeven na onze dood. Mensen die zo redeneren, werden vroeger opgesloten in krankzinnigengestichten. Het zijn waanvoorstellingen die elke band met de realiteit ontberen. Men zou kunnen aanvoeren dat het hier duidelijk gaat om vrome en onschadelijke voorstellingen van zaken. Dat is precies wat mensen als Voltaire stelden, het is ook de verdoken redenering van de kerk: om het gewone volk te leiden en in bedwang te houden, is het nodig dat men hen om hun bestwil bedriegt, hen iets wijsmaakt, iets waaraan ze zich kunnen vastklampen om te overleven, een troost, of zoals Marx het stelde: de opium van het volk, de zogezegd spontane verzinsels van de gewone mens om zich in stand te kunnen houden in een vijandige wereld.
Iemand die opium heeft ingenomen, voelt zich goed, of voelt althans geen pijn of honger of dorst. Maar kunnen we zeggen dat verslaafden gelukkig zijn? In feite schaden zij hun gezondheid en brengen zij hun plaats en functioneren in de maatschappij in gevaar. Zo is het ook met mensen die in een ideële, geestelijke wereld leven. Wij kunnen onmogelijk zeggen dat zij een volwaardig menselijk leven leiden, zelfs als zij zich er goed bij voelen, als hun vrome leugens hen tot troost zijn.
Ik kan het niet genoeg benadrukken: de mens is een materieel wezen, een deel van het universum. Er is alleen die wereld, er is geen parallelle geestelijke wereld buiten ons. Wij kunnen de mens nooit anders zien dan als integraal deel uitmakend van deze materiële wereld. De zogenaamd geestelijke dimensie van zijn bestaan die onweerlegbaar aanwezig is, is onverbrekelijk verbonden met het materieel bestaan van elke mens en van de mensheid als geheel. Zij bestaat vanaf het moment dat het individu ontstaat en eindigt wanneer dat individu sterft, zij bestaat vanaf het moment dat de mensheid ontstond en eindigt wanneer de mensheid zal opgehouden hebben te bestaan, tenzij ze overgenomen is door of ontstaan is in een andere soort van individuen.
Laten we dus steeds voorzichtig zijn en onze ideeën niet hypostaseren, om het met een moeilijk woord te zeggen: we mogen er geen hoger bestaan aan toekennen dan ze hebben.
Hoed je dus voor politici, kerkleiders en andere machtshebbers die zich beroepen op onaantastbare hogere waarden, die ons door God zelf zijn geopenbaard. Het is niets anders dan een manier van spreken, om je te overtuigen van hun persoonlijke ideeën. Er zijn geen goddelijke ideeën, alleen menselijke. Dat kan banaal lijken als conclusie van mijn betoog, maar als je erover nadenkt, kan het je hele leven veranderen, zoals het dat van mij grondig heeft gebouleverseerd.




























