ijdelheid


Wat komen we hier op aarde doen?
De meeste mensen stellen zich die vraag niet. Velen zijn wanhopig en hardnekkig bezig met proberen om te overleven in een omgeving die ronduit vijandig is. Anderen, die dat probleem net niet hebben, zijn even hardnekkig en wellicht even hopeloos op zoek naar het bevredigen van hun meest vergezochte en totaal nutteloze verlangens. De gewone mens, die per definitie ergens tussen die twee uitersten verkeert, moet een goed deel van zijn tijd opofferen aan werken, vaak hard werken voor zijn boterham, maar houdt toch nog genoeg tijd over om te genieten van het leven: goed eten en drinken, een aangename en gerieflijke woning, liefst met een tuin, een zwembad als het kan, een degelijke en mooie wagen, kledij die in de mode is, vakantie in het buitenland en uitstapjes in eigen land, wat sport of toch beweging, redelijk veel Tv-kijken, een tijdschrift, af en toe een (ont)spannend boek, theater, film, een concert, muziek in de wagen of thuis, op de radio of Cd of Dvd, activiteiten in het verenigingsleven of in het gezin of de ruimere familie…
Wat we nastreven, is geluk en dat streven neemt vele vormen aan. Voor sommigen is dat vrij obsessief, zoals het beklimmen van de Mont Ventoux of erger, of een Porsche Cayenne voor de deur, of een verzameling antiek porselein. Moet het altijd nog meer zijn, nog verder, nog duurder, nog gekker? Is er geen einde aan de menselijke dwaasheid? Voor de meeste mensen wel, omdat ze wel moeten, maar vaak ook omdat we zo niet opgevoed zijn, mijnheer.
Voor de meeste mensen is het een beetje van alles wat, zonder te overdrijven. De gouden middenweg, dat is voor velen de weg naar het geluk.
Als je ons zo bezig ziet, dan zijn er een paar elementen die steeds terugkomen: we willen een huis en we willen ook een thuis: mensen met wie we samenleven, bij voorkeur ook een seksuele partner; we willen materieel en emotioneel bevredigd zijn, niets tekort komen, het liefst met nog een beetje overschot: luxe, heet dat.
En toch blijft een mens, blijft dé mens zoeken naar de zin van het leven. Het bevredigen van die behoeften houdt ons de hele dag bezig en ook grote stukken van de nacht. Het vijfentwintigste uur vragen we ons af waarmee we toch bezig zijn. Dan lezen we de Bijbel, Prediker: ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid; of we luisteren naar Bob Dylan: the answer, my friend, is blowin’ in the wind; of we Zen-mediteren of gaan op beevaart naar Compostella of naar de Dalai Lama. Of we vragen ons af, op onze ouwe dag, waarvoor het allemaal goed is geweest, al dat gewroet en gejaag en mekaar de duvel aandoen.
We rekenen niet echt meer op de beloning in het hiernamaals, dat is een groot vraagteken, dus moet het leven hier zin hebben en die zin, dat geluk, moet dat echt nog veel meer zijn dan een dak boven ons hoofd en op tijd ons natje en droogje en wat seks die we niet te ver moeten gaan zoeken? Is al de rest niet meer dan het verdrijven of vermijden van de verveling?
Mensen die geen doel meer hebben in het leven, die geen verlangens meer hebben, gaan daaraan kapot. Motivering is alles, het steunpunt dat we nodig hebben om de wereld te bewegen. Gelovigen en ongelovigen zijn het erover eens dat het goed is om zich in te zetten voor de medemens, voor de gemeenschap, voor de wereld waarin we leven. Voor velen is dat al de motivering die ze nodig hebben. Anderen hebben behoefte aan een eigen taak in die wereld, een verantwoordelijkheid, die naast erkenning en respect ook materieel voordeel oplevert. Maar het geluk ligt voor iedereen binnen deze wereld, wat we nastreven hopen we hier te realiseren voor we doodgaan. We proberen er het beste van te maken.
En toch blijft er een vaag gevoel van onbevredigdheid, een wrevelig gemis, een navrante leegte, een onbestemd verlangen naar iets anders: is dit echt alles? Godsdiensten willen ons al eeuwen doen geloven dat deze wereld inderdaad maar een tranendal is. Het volmaakte is niet van deze wereld, I never promised you a rosegarden. Ik weet niet of die boodschap vroeger echt ooit aangeslagen heeft, of de mensen echt geloofden dat ze naar de hemel gingen. Ik heb er in alle geval nog niet veel zien lachen op een begrafenis. Vandaag denken we aan deze wereld, met het bovennatuurlijke houden we niet meer ernstig rekening, de twijfel is omgeslagen in onverschilligheid en afwijzing. Wat we vandaag uit Rome horen, sterkt ons in onze nieuwe overtuiging: wat al onzin! Wat de vertegenwoordigers van Allah hun gelovigen opleggen lijkt al even waanzinnig. Tradities uit het Verre Oosten komen in de belangstelling, precies omdat het bovennatuurlijke daar ten hoogste een symbolische, poëtische rol toebedeeld krijgt.
Feuerbach toonde ons al aan dat godsdienst alleen maar projectie is: het gemis omzetten in een bovennatuurlijke overvloed, de dood in eeuwig leven. Maar het systeem werkt niet meer, de woorden troosten niet meer, de mens staat er nu alleen voor. Eindelijk. Over duizend jaar zien we wat hij er zonder god van gemaakt heeft.
Een anekdote om af te sluiten. Op een mooie dag was ik in de tuin aan het werken toen een groep van Jehova’s getuigen passeerde. Een jonge vrouw wees me erop dat ik toch gelukkig moest zijn dat ik in zo’n mooie omgeving kon wonen, in een verzorgde tuin met bomen en planten en bloemen en zelfs wat kruiden en groenten. Ik moest God toch maar dankbaar zijn voor alles wat Hij voor mij gedaan had! Ik dacht even aan de brakke grond die we gekocht hadden, aan de bouw van ons huis, aan de dagen en weken ploeteren in onwillige grond. Ik heb haar geantwoord: mens, je had het hier moeten zien toen hij hier nog alleen bezig was…


















