fietsen


Ik weet niet of het in uw hoekje van Vlaanderen of Nederland ook zo is, maar hier in Werchter wemelt het van fietsers: wielertoeristen in indrukwekkend dichte drommen, niet alleen op zondagmorgen, maar de hele week door; kleinere groepjes even kleurrijk uitgedoste ouderen of jongeren, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat; senioren in gemengde of geslachtelijk gescheiden bescheiden pelotons, meestal in de tijd tussen het middagmaal en het vieruurtje; eenzame hardrijders die niet op- of omzien en hun kilometers afmalen in verbeten Kantiaans plichtsbesef; de gepensioneerde buren die hun dagelijkse trip volbrengen naar de krantenwinkel, de bakker of beenhouwer, of hun lichtlopend gezondheidswandelingetje.
De fietsen die ze zo trots bestijgen schitteren feestelijk in de kermiszon en verraden door hun ondraaglijke lichtheid of hun lichtmetalen stoerheid en subtiel afwijkend zilvergrijs design en spitsvondige techniek de vele euro’s die er achteloos voor neergeteld zijn.
Fietsen is gezond. Ik ben dan ook een grote voorstander van fietsen, al doe ik het zelf niet veel meer, het komt er meestal niet van. Als je bij een club of ploeg of groep behoort, dan moet je op de afspraak zijn, er is de sociale druk en het groepsgevoel, ook al voel je de frietjes nog op je maag of de stramme benen van de vorige uitstap. Voor mij is de aanblik van de uitwaaierende kuddes in fluo-kleuren gehulde rood-aangelopen groot-, schoon-, peet-, ruil-, stief- en andere vaders met glanzend geoliede en scherp afgelijnde spieren, in zwarte spannende short-met-ingebouwd-zeemvel een overtuigende demonstratie van hoe ik op mijn oude dag niet wens naar buiten te komen. Daarin ligt geen verwijt verborgen, of kritiek of hoon: het is niets voor mij, dat is al; als anderen zich daarbij goed voelen: vooral doen!
Toch maak ik mij, samen met toch nog enkele anderen, neem ik aan, wel eens behoorlijk druk over het arrogante rijgedrag van vooral de semi-professioneel aangetutte would-be flandriens van alle leeftijden, alleen of in dreigende horden. Zij nemen het niet erg nauw met de klassieke verkeerstekens, rode lichten inbegrepen, met hun geëigende plaats op de weg, met het al bij al toch verplicht gebruik van de vele goede fietspaden die we allemaal mee betalen met het al te ruim bemeten belastingsgeld, met oversteken en met de voorrangsregels. Zij rekenen erop dat zij gezien worden en dat men met hen rekening houdt, want Zij Zijn Aan Het Fietsen, en dat is toch iets helemaal anders dan gewoon met de fiets ergens naartoe rijden. Net als vrachtwagenchauffeurs vinden zij dat andere weggebruikers zich spontaan moeten aanpassen aan hun speciaal tweewielig voorkeurstatuut, waarbij remmen en weer optrekken vanzelfsprekend zoveel als mogelijk moeten vermeden worden, ook al omdat die beide activiteiten indien uitgelokt door anderen steevast begeleid moeten worden met verontwaardigd verbaal en gesticulair omhaal, wat de bloeddruk en het hartritme nog meer de hoogte in jaagt.
En wij, de niet-fietsende zwijgende minderheid laat die zelfverklaarde bolsjewieke meute maar begaan, want wat doe je eraan? Als je met de wagen bent, blijf je het best veilig uit hun buurt, want zij zijn de zwakke maar o, zo zelfbewuste weggebruiker. Ben je te voet, dan verlaag je jezelf daardoor meteen tot het weinig benijdenswaardige statuut van toeschouwer en ben je niet eens een blik waard, tenzij de blikjes die ze vrolijk in je voortuintje kieperen.
Het is een onschuldige bezigheid, fietsen. Maar net zoals bij het autorijden en het supporteren komen daarbij onvermijdelijk allerlei zeer kleinmenselijke trekjes naar boven.
Toch predik ik hier met veel nadruk grote verdraagzaamheid tegenover onze fietsende medemens. Ik zou het immers niet graag meemaken dat ze hier straks massaal afstappen om fluitend hun opgekropte blaas moegetergd maar tevreden kreunend en met glazige blik volop genietend te ledigen tussen mijn geelknoppige mahonia’s, nederige dwergconiferen en de blakend bloeiende blozende pieris formosa…
I © fietsers, echt waar!



















