Jennifer Michael Hecht: Doubt. A History

Jennifer Michael HECHT, Doubt. A History. The Great Doubters and Their Legacy of Innovation from Socrates and Jesus to Thomas Jefferson and Emily Dickinson, xxi + 551 pp., notes, bibliography, index, HarperOne, 2003, 2004 (paperback), $ 16,99, ongeveer € 16 (Proxis).
Ik herinnerde me de auteur als een van de dichters die regelmatig in The New Yorker aan bod kwam. Dat zette me ertoe aan om dit boek van haar aan te kopen: een dichter zal vast wel goed schrijven en dat is al heel wat. Maar Jennifer Hecht (1965) is een historica van opleiding met nu al drie ernstige boeken op haar naam. Doubt was het eerste. Zoals de titel aangeeft, is het een geschiedenis van de twijfel door de eeuwen en over de continenten heen. Men moet die twijfel hoofdzakelijk verstaan als twijfel aan en kritiek op de gevestigde godsdiensten.
Ik was er al lang van overtuigd dat er altijd en overal al mensen geweest zijn die het niet eens waren met de godsdienst van hun tijd. Dat is niet moeilijk te verstaan, het tegendeel zou ons moeten verbazen. Wat de godsdiensten, alle godsdiensten, gemeen hebben, is dat ze uitgaan van het bestaan van een andere dimensie dan wat wij hier op de wereld waarnemen. Dat kan vele vormen aannemen, maar het is steeds een wereld die geen redelijke basis heeft, die niet rationeel te verantwoorden valt. Van de gelovigen wordt een extra inspanning verwacht, namelijk dat zij ‘geloven’. Zij moeten aanvaarden wat andere mensen, priesters, hen voorhouden. Om indruk te maken, om overtuigend te zijn beroepen die priesters zich op een rechtstreeks contact van uit die andere dimensie met onze wereld: de openbaring. Een goddelijk wezen maakt zich kenbaar aan de mens.
Je hoeft niet gestudeerd te hebben om aan een dergelijke constructie te twijfelen, vandaag niet maar ook drieduizend jaar geleden niet. Een simpele pottenbakker of een eenvoudige huisvrouw ergens in Egypte, duizend jaar voor onze jaartelling, moest integendeel een niet geringe inspanning doen om zelfs maar een klein gedeelte te geloven van al wat de priesters bedachten. Godsdienst ontstaat niet bij de gewone mens, maar bij een elitaire klasse. Dat is nu zo en dat was altijd al zo. Wat de gemiddelde middeleeuwer over het christendom wist, kon je op een heel klein stukje perkament schrijven, als je al kon schrijven en als je perkament had. Godsdienst is iets dat wordt aangeleerd, onderwezen, voorgehouden, opgelegd. Neem die opleiding weg en de godsdienst verdwijnt, dat weten de leiders van de godsdiensten maar al te goed. Het is met godsdienst zoals met frisdrank: als je er geen reclame voor maakt, dan verkoopt je product niet.
Mensen zoals ik, die opgegroeid zijn binnen de katholieke zuil, hebben geen idee van de diversiteit van de godsdiensten. Wat wij weten over de hedendaagse Islam, het Protestantisme, de Orthodoxen, het Boeddhisme, Taoïsme, Hindoeïsme enzovoort kan je op een sigarettenvloeitje schrijven. Wat wij weten over de vroegste geschiedenis van de godsdiensten, hoe ze ontstaan zijn en hoe ze geëvolueerd zijn, is nihil, zero. Wij hebben daarover geen informatie gekregen, of enkel wat oppervlakkige en vertekende gegevens. Voor een katholiek was een protestant een baarlijke duivel, al de anderen waren ofwel ketters ofwel heidenen.
Nog erger was het gesteld met wat wij konden vernemen over ongelovigen, over mensen die ernstige twijfels hadden over wat de godsdienst, in ons geval de katholieke kerk, ons voorhield. Het is zeer lang zo geweest dat er geen plaats was op deze wereld voor dergelijke twijfelaars: wie betrapt werd op het uiten van die twijfel, op het stellen van vervelende vragen, werd uit de weg geruimd, het liefst op een spectaculaire manier: langdurige en wreedaardige marteling en gruwelijke publieke terechtstelling, nog veel erger dan de zwaarste misdadigers. Met dat risico voor ogen is het veeleer verwonderlijk dat er ook maar iemand lucht heeft gegeven aan zijn of haar twijfels.
En toch is dat gebeurd, altijd en overal. Het is de grote verdienste van dit boek en deze auteur dat zij ons op een boeiende, vanzelfsprekende, objectieve, serene, ernstige manier laten kennismaken met deze mensen.
Het overzicht begint in wat wij traditioneel de bakermat van onze beschaving noemen: Hellas, Griekenland en later Rome, het centrum van de westerse beschaving tussen -600 en het jaar 100 van onze tijdrekening. Het is een verhaal dat velen van ons enigszins kennen: wie heeft er niet gehoord van de Cynici, de Sceptici, de Stoïcijnen, Epicurus, Democritus, Lucretius enzovoort?
Maar ongeveer in dezelfde periode speelde zich een gelijksoortig verhaal af in die andere pijler van onze hedendaagse cultuur, het Jodendom en dat is een geschiedenis die wij veel minder kennen, om niet te zeggen helemaal niet. Het Oude Testament is voor ons een solide, homogene brok geschiedenis, het continue verhaal van een volk en zijn God. Joden zijn in onze ogen intrinsiek religieuze wezens, Abraham verschilt niet van Mozes, Isaac of Jacob, Genesis niet van de Psalmen, Job of Prediker. De auteur brengt bij dat beeld grondige correcties aan, gebaseerd op een aandachtige maar eerbiedige lezing van de Bijbel.
Nog gelijktijdig daarmee ontstond in Azië het Boeddhisme, dat niet begon als een godsdienst, maar als een beweging gegrond op de twijfel. Ook nu nog neemt men aan dat het Boeddhisme geen godsdienst is in de zin van het christendom en de Islam. Ook hier is het commentaar van de auteur verhelderend en in de meeste gevallen zelfs onthullend: dit is interessante en belangwekkende informatie die wij helemaal niet kennen.
Het volgende aandachtspunt is het Romeinse Keizerrijk, van rond -50 tot ongeveer het jaar 200. Dit is het hoogtepunt van de Romeinse beschaving en het is ongemeen interessant om te vernemen hoe men in die periode, die in onze klassieke humanioraopleiding zes jaar lang in het middelpunt van de belangstelling stond, dacht over goden, godsdienst, de grote levensvragen en ethiek. Het zijn vragen die niet gesteld werden in onze schooltijd: wij lazen wel Cicero, maar niet zijn De natura deorum… Nochtans is dat enerzijds een uitstekende samenvatting van de godsdienstige opvattingen van de Grieks-Romeins oudheid, maar tevens een basistekst voor ontelbare latere benaderingen van goden en godsdienst, tot op onze dagen. Ook van Lucretius, een tijdgenoot van Cicero, lazen wij omzeggens niets, maar hij is een even belangrijke auteur en filosoof; helaas stroken zijn opvattingen niet met het latere christendom en dus werd hij met overduidelijk opzet verwaarloosd in onze opleiding, tot aan de universiteit toe. Keizer Marcus Aurelius (121-180) is op onze dagen weer in: zijn Meditationes worden nu gelezen op managementopleidingen en door zoekers naar gebruiksklare recepten voor persoonlijk welbehagen. Men vergeet daarbij graag dat Marcus Aurelius nergens over goden of God spreekt.
De eerste achthonderd jaren van onze tijdrekening waren een woelige tijd. Het Jodendom was toen al aan zijn expansie begonnen, lang voor de Diaspora. Het was een van de vele godsdiensten van de Hellenistische beschaving. Op zijn beurt was Israel veranderd in de confrontatie met de filosofische en godsdienstige bewegingen in de naburige landen en in de landen waar veel Joden hun toevlucht en hun fortuin hadden gezocht. Jeruzalem was, net zoals andere belangrijke steden, een kosmopolitisch trefpunt van vele strekkingen en allesbehalve een strikt Joods getto. Het is in die context dat het optreden van Jezus gesitueerd moet worden. De auteur gaat niet in op de vraag naar het historisch bestaan van Jezus, maar gaat ervan uit dat er een dergelijke figuur geweest is. Het was iemand die zich afzette tegen allerlei geldende religieuze en mythologische opvattingen uit zijn omgeving. Het was een zeer lokale figuur, zo onbelangrijk dat hij in geen enkel geschiedkundig werk vermeld wordt voor meer dan honderd jaar na zijn vermoedelijke of vermeende dood.
Daarin kwam pas verandering met Paulus. De dood en de verrijzenis van Christus werden de kern van een nieuw geloof, dat brak met de voorschriften van het Judaïsme waaruit het geboren was. Er werd een totaal nieuw begrip gecreëerd: geloof. Voordien was godsdienst vooral een kwestie van doen: men nam deel aan rituelen en gebruiken, men had bepaalde devoties. Voor Paulus was dat ten enen male onvoldoende: wie wil gered worden, wie eeuwig wil leven, die moet geloven, die moet zelf, persoonlijk en zonder twijfel overtuigd zijn. Niet de Joodse wet is van kracht, maar het geloof in de reddende kracht van Christus. In de geschiedenis van de twijfel is Paulus het epitome toonbeeld van het tegendeel van de twijfel: het blind en onvoorwaardelijk geloof.
Deze draad werd opgepikt door Plotinus (ong. 204-270), die de filosofie van Plato en Aristoteles interpreteerde (en deerlijk vervormde) vanuit dit christelijk standpunt. De twijfels die eigen waren aan het Griekse filosofisch denken werden in het Neoplatonisme grondig verdonkeremaand.
In den beginne was het christendom in Rome nog een vrij onaanzienlijke en suspecte sekte. Daarin kwam pas verandering met keizer Constantijn, die zich na 313 aansloot en het christendom gebruikte om de keizerlijke macht uit te breiden en te consolideren: één God, één Keizer. In het oosten van het Romeinse rijk waren er andere godsdiensten, die allerlei invloeden trachtten te verwerken, uit het Griekse en Joodse verleden, uit het Boeddhisme en Hindoeïsme en uit lokale variaties. Gnosticisme is een verzamelnaam voor een beweging, aanvankelijk binnen het ruimere christendom, waarbij leden van de elite en de priesters een mystieke kennis betrachtten of voorwendden, die een rechtstreeks contact met God en het Heilige mogelijk maakte. Het was het begin van alle latere mystieke bewegingen, waarin de twijfel wordt toegepast op de gelovige zelf: het quasi-onvermogen van de mens om tot de ware godskennis te komen, de vertwijfeling, de lange donkere nacht van de ziel, op zoek naar de elusieve, onbereikbare extase van de vereniging met God.
Augustinus (354-430) begon als grote twijfelaar, maar eindigde zo mogelijk als een nog groter gelover dan Paulus zelf. In scherpe tegenstelling met Augustinus staat de figuur van Hypatia, een vrouwelijke filosoof in Alexandrië, rond 400. Zij werd door een bende christelijke hooligans op barbaarse wijze gelyncht. Het was een teken des tijds. In 529 verbood de christelijke keizer Justinianus elke vorm van heidendom, sloot de Griekse filosofische scholen die ononderbroken hadden bestaan sinds achthonderd jaar. Dat betekende het einde van elke openlijke twijfel. De donkerste tijden van de middeleeuwen waren aangebroken.
Een van de mooiste en meest originele beelden van dit boek staat in het zesde hoofdstuk. Daar neemt de auteur zich voor om de evolutie en de verspreiding van de twijfel te schetsen in de periode van 800 tot 1400 in het gebied rond de Middellandse zee. Zij ziet daarin een beweging die de wijzers van het uurwerk volgt, zowel in de tijd als geografisch. Met de opkomst van het allesoverheersend christendom in het westen en later ook in het Oost-Romeinse rijk, werd alle twijfel daar verbannen; samen met de geschriften van de grote twijfelaars van de oudheid vond die een toevlucht meer naar het oosten, in Syrië en Perzië. Later zou de Islam die erfenis met zich meenemen op zijn veroveringstochten en die via Noord-Afrika weer introduceren in het Moorse Spanje en vandaar naar de rest van Europa. Het is een prachtig en zeer accuraat beeld.
Wat de auteur ons vertelt over de twijfel in de vroege Moslimwereld staat in scherp contrast met wat wij daarover weten (niets) en denken (dat er geen twijfel was). De net opgevolgde aartsbisschop van Mechelen-Brussel, kardinaal Danneels liet zich ooit ontvallen dat de Islam wellicht nog een Verlichting zou ondergaan, zoals het Westen. De waarheid is dat die Islam-Verlichting zich afgespeeld heeft lang voor de Westerse, namelijk vanaf de negende eeuw! En net zoals de veel latere westerse was ze gestoeld op de filosofische teksten van de Grieks-Romeinse oudheid, die hier bij ons verdwenen waren en die de Arabieren voor ons hebben bewaard. Ook hier is de informatie die de auteur ons aanreikt verrassend, onontgonnen terrein voor elk van ons. Helaas heeft ook die beweging haar slachtoffers en martelaars gekend.
Bij de Joden die terechtgekomen waren in het Moorse Spanje ontstond dan weer een Joodse renaissance, met als belangrijkste figuur Maimonides, de auteur van de ‘Gids voor de verbijsterden’.
Vanaf de 11de eeuw kwam er een opleving in het westen, een periode die we wat smalend de Scholastiek noemen. Toch was het een echte herwaardering van de rede, door haar de toepassing op het geloof. Albertus Magnus, Zeger van Brabant en vooral Thomas van Aquino waren de grote figuren. Hun stellingen waren controversieel genoeg voor een publieke veroordeling in 1277. Ook hier (over)leefde de twijfel.
Vanaf het zevende hoofdstuk komen we op meer vertrouwd domein: de periode van 1400 tot 1600, de tijd van de Renaissance, maar ook van de Inquisitie. Maar de auteur vestigt eerst onze aandacht nog even op de twijfel die opdook in het Oosten, vooral in China en in Japan, waar het Zen-Boeddhisme tot grote bloei kwam. Pas dan wendt zij zich tot de verbazingwekkende vernieuwing van de Renaissance. Petrarca sprak al van ‘een God die je nooit gekend hebt’ in 1345. Het was het hernieuwd contact met de kunst, de literatuur en de filosofie van de oudheid dat aanleiding gaf tot de fantastische bloei van de beschaving in Europa. Met die oudheid kwam ook de twijfel weer op een legitieme wijze aan bod, als een deel van de rijke erfenis. In 1473 werd Lucretius weer gedrukt, pas twintig jaar na de eerste gedrukte Bijbel. Pietro Pomponazzi (1462-1524) was de wellicht eerste echte ‘officiële’ ongelovige. Hij wond er geen doekjes om in zijn boeken: de ziel was niet onsterfelijk, mirakels waren onmogelijk, openbaring ook; moraal was perfect mogelijk zonder de dreiging van uit de hemel en het vooruitzicht van de hel. Geesten waren het resultaat van natuurverschijnselen en de menselijke verbeelding. Engels en duivels bestonden niet echt. Bezetenheid was gewoon een ziekte. Ondanks dat alles kon Pomponazzi dit alles ongestraft verkondigen als universiteitsprofessor in Padua en Bologna en publiceren in zijn boeken. Erasmus kon zich permitteren om de draak te steken met zowel bijgeloof als de meer ‘rustieke’ aspecten van het geloof zelf en mocht rustig de vele misbruiken in de kerk aanklagen. Met Luther was het wel anders. Zijn fel verzet tegen die zelfde misbruiken leverde hem veroordelingen op door Rome. Het was enkel door de bescherming van plaatselijke wereldlijke vorsten, die zich wat graag tegen de wereldlijke macht van Rome verzetten, dat hij kon overleven en zijn grote Reformatie op gang brengen. Dit was ook de tijd van Copernicus’ grote omwenteling en van Rabelais, de ebulliënte, scatologische satirist voor wie niets of niemand heilig was.
Als we even afstand nemen van de regelrechte misdaden van de Inquisitie, dan kunnen we in de processen-verbaal van de ontelbare processen de overduidelijke sporen lezen van de religieuze twijfels en het ongeloof die leefden in alle lagen van de bevolking en dus niet alleen bij de bekende figuren als Giordano Bruno of Vanini, die beiden het leven lieten op de brandstapel.
Montaigne is ook een grote naam. Maar ik was verrast door zijn data: 1533-1592. Ik dacht dat hij veel later geleefd had; verwarde ik hem met Montesquieu (1689-1755)? Of is het zijn moderniteit die me op het verkeerde been zette? Zijn motto Que sais-je? kennen we van de handige Franstalige brochures, een encyclopedie in duizend afleveringen. Het is de lijfspreuk van elke twijfelaar. Over Pierre Charron schreef ik hier zelf al, klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=498689.
Veel van wat de auteur hier nog vermeldt, vond ik al meer uitvoerig beschreven in de twee monumentale werken van Jonathan Israel, klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=402130.
Het achtste hoofdstuk begint met het Cogito, ergo sum van Descartes en gaat verder met Galileo en Spinoza, Hobbes, Pascal, Newton, Bayle, Gassendi, de Engelse Deïsten, Voltaire, Diderot, Helvétius, en zeer uitvoerig ook Hume. Ook die heeft J. Israel grondiger belicht. Maar de bijdragen over Benjamin Franklin, Thomas Paine, Thomas Jefferson en John Adams waren dan weer nieuw voor mij. Dat is ook zo voor Moses Mendelssohn, de grootvader van de componist. Hij schreef onder meer een essay, op uitnodiging van een Berlijnse krant, over de vraag: wat is Aufklärung? I. Kant antwoordde eveneens op die uitnodiging, zijn tekst vertaalde ik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=379904.
In de periode 1800 tot 1900 mag de twijfel en het ongeloof eindelijk zichzelf zijn: auteurs kunnen zich ‘outen’ als vrijdenker zonder het gevaar te lopen om op de brandstapel te eindigen. En dat ‘outen’ doen ze uitvoerig en ongeremd, zelfs enthousiast, overal in Europa maar ook in Amerika. Het vrijdenken is gelegitimeerd, men kan er zelfs reclame voor maken, men kan het verkondigen zoals men voor de godsdienst deed. Men kan de wetgeving laten aanpassen, de eerste sporen van een scheiding van kerk en staat. Vrijdenkers associëren zich met bevrijdingsbewegingen: tegen de slavernij, voor het stemrecht voor de vrouw. Schopenhauer (1788-1860) kon een stap verder gaan dan Kant: het was niet meer nodig om God als een wit konijn uit een toverhoed te voorschijn te toveren om de moraal te redden. Godsdienst is overbodig.
Ook de wetenschap is een bron van twijfel. Marie Curie was de dochter van een vrijdenker, haar man Pierre was dat ook en zij zelf was niet praktiserend. Godsdienst speelde geen rol meer in de wetenschap. Dat was al veel eerder begonnen, maar het werd pas menens met Charles Lyell en met zijn leerling Charles Darwin. Zoals Darwin zelf had gevreesd, was zijn theorie dodelijk voor elk religieus wereldbeeld. Niet God heeft de wereld en de mens geschapen, de wereld heeft zichzelf gemaakt en ook de mens.
Ook dichters en andere schrijvers sloten zich aan bij de nieuwe manier van denken. Percy Byssche Shelley (1792-1822) was daarin zo belangrijk dat ik begonnen ben aan de vertaling van zijn jeugdwerk Queen Mab, klik hier voor een eerste aflevering: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=541850. George Elliot (eigenlijk Marian Evans) vertaalde Feuerbach in het Engels. Emily Dickinson uitte haar twijfel en haar vrijheid van denken in talloze gedichten.
Vanaf 1900 dringt het ongeloof door in de staatsstructuren met een daadwerkelijke scheiding van kerk en staat, zoals in Frankrijk in 1905. In die periode was Lenin ervan overtuigd dat de godsdienst zou verdwijnen indien de mensen voldoende te eten en te lezen zouden krijgen. Marxisme is materialisme, ook daarin is geen plaats voor religieuze principes of begrippen. Na de revolutie van 1917 werd al te brutaal drastisch korte metten gemaakt met alle vormen van godsdienst in Rusland. In Turkije was het Kemal Ataturk die vanaf 1923 van het land een moderne westerse staat probeerde te maken. Hij was een man zonder godsdienst, hij noemde het superstitie, bijgeloof en kon het enkel als dusdanig tolereren, zolang het niet in tegenspraak was met het gezond verstand, de rede, of niet opriep tot het beperken van de vrijheid van de medemens. Minder dan honderd jaar later gaat Turkije wellicht weer de andere weg op. Ook in Italië en in Japan verving het nationalisme de religie, of probeerde dat toch. In Nazi-Duitsland en in de Sovjet-Unie werd de staatsideologie een echte godsdienst, in China ook onder Mao vanaf 1935. In Amerika was men openlijk atheïstisch: de uitvinder Thomas Edison, maar ook leidende figuren van de Harlem Renaissance in het New York van de 20’s, zoals Hubert Harrison en W.E.B. Dubois. Ook de anarchisten waren atheïsten, evenals de voorvechters van vrouwenemancipatie, geboorteregeling en het recht op abortus. Mark Twain (eigenlijk Samuel Clemens), de schepper van Tom Sawyer en Huckleberry Finn, was een overtuigd en uiterst scherp atheïst en antiklerikaal. Hij voorspelde in 1906 dat men zelfs in 2006 zijn meest agressieve teksten niet zou durven publiceren. Hij heeft ongelijk gekregen, maar men heeft toch tot 1996 moeten wachten op een uitgave.
In 1926 was er in Tennessee het roemruchte Scopes Monkey Process, bekend van de film met Spencer Tracy in 1960. De fundamentalisten wonnen het proces over het doceren van de evolutieleer, maar de publieke opinie koos de zijde van de verdediging, niet die van de onzin van de aanklagers. H.L. Mencken, de auteur van Treatise on the Gods bracht kritisch verslag uit en beïnvloedde de publieke opinie in die zin. Vandaag stelt dezelfde vraag zich nog steeds in dat onbegrijpelijke land, de nauwelijks Verenigde Staten van Amerika.
Ook Einsteins relativiteitstheorie werd terecht en vooral ook door de kerken aangevoeld als een aanslag op het religieus wereldbeeld. Einstein liet er overigens geen twijfel over bestaan dat hij niet geloofde in de God van die gevestigde godsdiensten, noch in de onsterfelijke ziel of het hiernamaals. Over Freuds atheïsme schreef ik hier al uitvoerig: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=98184
https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=82783.
Nog meer bekend als atheïst is de invloedrijke filosoof en publieke figuur Bertrand Russell, niet in het minst door zijn Why I am not a Christian (1927). Iedereen citeert dat ene zinnetje van Ludwig Wittgenstein, die uiterst bevreemdende filosoof: waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen. Veel beter kan men de twijfel en de kritiek op de godsdienst niet samenvatten. Van Sartre vatte ik L’existentialisme est un humanisme samen, klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=95832.
Camus’ Le mythe de Sisyphe besprak ik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=80.
Van Elie Wiesel citeer ik hier met grote schroom uit zijn ‘Nacht’ (1958, La nuit). Hij beschrijft het ophangen van twee volwassenen en een kind in Auschwitz:
Daarna begon het defilé. De twee volwassenen leefden niet meer. Hun tong hing dik en blauw uit hun mond. Maar het derde koord bewoog nog: het kind, dat te licht was, leefde nog…
Meer dan een halfuur bleef hij hangen tussen leven en dood, kronkelend voor onze ogen. En wij moesten hem recht in het gezicht kijken. Toen ik langs hem liep leefde hij nog. Zijn tong was nog rood, zijn ogen waren nog niet gebroken.
Achter mij hoorde ik dezelfde man vragen: ‘Waar is God toch?’
En in me hoorde ik een stem die antwoordde: ‘Waar Hij is? Daar hangt hij, aan de galg…’
Die avond smaakte de soep naar lijken. (blz. 88).
In de V.S. reageerde men op de Koude Oorlog met een religieuze revival. De strijd ging toen met de goddeloze, atheïstische Sovjet-Unie. Het nationaal motto veranderde van E pluribus unum (één uit vele) in In God We Trust. In 1955 werd de wet gestemd die bepaalde dat het motto moest verschijnen op alle bankbiljetten en munten. In 1956 werd aan de Pledge of Allegiance toegevoegd … one Nation under God. Twijfel aan God was plots weer een incivieke daad.
In de laatste bladzijden brengt de auteur ons onder meer de gebeurtenissen rond Salman Rushdie en zijn Satanic Verses (1988) in herinnering. De Islam van Khomeini was in opmars en is dat nog steeds. Maar dat belette Ibn al-Rawandi niet om in 2000 zijn Islamic Mysticism: A Secular Perspective te publiceren, noch Ibn Warraq zijn Why I Am Not A Muslim (1995); beide namen zijn geladen pseudoniemen, maar de twijfel is niet dood in de Islam, hoe gevaarlijk die ook is.
In de Conclusion brengt Jennifer Michael Hecht de grote lijnen van haar indrukwekkend betoog samen. Ze bespreekt kort de kwestie van de naamgeving: atheïst, agnosticus, ongelovige, gelovige. Daarna vat ze haar uiteenzetting bondig samen, een tekst die men ook als zelfstandig betoog kan lezen, zonder het boek, maar die voor de lezer aan het einde van de 500 bladzijden alles weer fris voor de geest haalt.
Dit is een schitterend en beklijvend boek, geschreven in een stijl en geest die herinnert aan die van die andere eminente wetenschappers en uitgesproken atheïsten Dawkins en Dennett, maar ook verwant aan Jonathan Israel, naar wie ze opmerkelijk nergens verwijst, hoewel zijn eerste deel van Enlightenment al in 2001 verschenen was. Toch is het een zeer persoonlijk werk, met een eigen benadering. Het is vooral haar weidse horizon, zowel in de tijd als geografisch, die de kracht uitmaakt van haar opzet. Zij brengt elementen samen op een manier zoals dit nog nooit gebeurd is, bij mijn weten. En ze doet dat op een overtuigende, meeslepende manier.
Ik heb geen Nederlandse vertaling gevonden van Jennifer Michael Hecht. Jammer. Meteen weet ik weer waarom ik zoveel in het Engels lees en zo weinig in het Nederlands.



















