het existentialisme van Jean-Paul Sartre


In een boekje van zeer bescheiden omvang heeft Jean-Paul Sartre in 1946 enkele krachtlijnen van het existentialisme neergeschreven. Het is de neerslag van een lezing die hij heeft gehouden als antwoord op de vraag: Is het existentialisme een humanisme? De titel van het boekje laat er geen twijfel over bestaan: L’existentialisme est un humanisme.
Sartre begint met zich te verdedigen tegen beschuldigingen, als zou het existentialisme zich vooral bezighouden met de slechtste kanten van het menselijk bestaan, zoals Zola deed in zijn romans. Maar van Zola lijkt men het te aanvaarden als een correcte afschildering van bepaalde sociale toestanden; waarom het dan kwalijk nemen aan het existentialisme? Dat komt enkel doordat men vasthoudt aan de overheersende normen en gebruiken: vecht niet tegen de gevestigde macht of tegen het geweld, probeer niet boven je eigen stand uit te reiken, blijf gehecht aan de traditie, experimenteer niet, want de geschiedenis toont aan dat de mens enkel het slechte wil, als er geen krachtige leiders zijn, is er anarchie. Maar wie daarbij zweert, heeft niet het recht het existentialisme een pessimisme ter verwijten, in tegendeel, het is een optimisme, want het ziet de mens als iemand die zelf een keuze kan maken.
Wat is dan de grond van het existentialisme? In filosofische termen betekent het dat de existentie vóór de essentie komt, dat men moet vertrekken van de menselijke subjectiviteit. Sartre verwijst naar de klassieke filosofie en theologie, waarin de essentie eerst komt: de abstracte idee van de mens is bepalend voor al de individuele mensen, zoals een abstracte idee van een fietspomp bepalend is voor alle concrete fietspompen. Er is dan een God nodig die verantwoordelijk is voor alle essentie, voor alle volmaakte ideeën, waarnaar hij de concrete schepsels gemaakt heeft. De atheïstische filosofen van de 18de eeuw hebben wel de gedachte laten varen aan God, maar niet aan de ideeënleer, waarbij men meer aandacht geeft aan wat er gemeenschappelijk, universeel is in elke van de concrete mensen en fietspompen dan aan de concrete belichaming ervan.
Het existentialisme stelt dat er ten minste een wezen is dat existeert vóór zijn essentie, vóór men kan zeggen wat zijn essentie is. De mens is geen resultaat van een blauwdruk, de mens bestaat, is zich bewust van zijn bestaan, van zijn aanwezigheid in de wereld en definieert zich daarin. Het is pas dan, achteraf, dat we kunnen zeggen wat voor mens iemand is. Er is met andere woorden geen algemene menselijk natuur, de mens is wat hij van zichzelf maakt, als een antwoord op wat hij van zichzelf wil maken. Maar niet van de vage voornemens die hij heeft, niet van al de dingen waar hij van droomt maar die hij niet kan waarmaken: de mens realiseert zich in zijn daden; men wordt niet als held of lafaard geboren, met doet bepaalde dingen of doet ze niet en dat maakt uit of men een held of lafaard is.
Daarmee legt het existentialisme de volledige verantwoordelijkheid bij de mens zelf, niet alleen voor wat hij zelf is, maar ook voor de hele wereld. Dat universalisme is het tweede belangrijk kenmerk van het existentialisme: door onze keuzes zeggen we ook dat we wensen dat iedereen deze keuzes zou maken, want wij kiezen zelf enkel het goede en wat goed is kan dat nooit alleen voor onszelf zijn, maar steeds ook voor de anderen. Onze keuzes engageren ook de anderen, want zij moeten met onze keuzes leven.
Sartre gaat dan in op wat men typische kenmerken van de existentiële levenshouding noemt: levensangst, verlatenheid, wanhoop. De angst is wel degelijk een kenmerk van ons bestaan: het betekent dat we verantwoordelijk zijn voor onze daden, dat we goed of verkeerd kunnen kiezen, dat we steeds opnieuw alles in vraag moeten stellen, dat er geen vaste bestaande normen zijn waarop we kunnen terugvallen, dat we onze verantwoordelijkheid niet op anderen of op regels en dogma’s kunnen afschuiven; dergelijke levenshouding brengt inderdaad angst mee, maar het is een gezonde, positieve kracht, die ons in staat stelt om ook moedig moeilijke beslissingen te nemen, die bijvoorbeeld het leven van anderen kunnen in het gevaar brengen, zoals in oorlogssituaties. Verantwoordelijkheid brengt angst mee, maar ze leidt niet tot laksheid, waarbij men elke beslissing weigert en zich terugtrekt in een veilige rust.
De verlatenheid van de mens, zoals Heidegger die benadrukt, betekent in de eerste plaats dat er geen God is, dat de mens er alleen voor staat. Daaruit moet men de concrete gevolgen trekken. Er is geen moraal die vooraf gegeven is door God of godsdienst, er is niemand die voor ons kan beslissen wat goed is en wat niet, er is geen norm waaraan we moeten beantwoorden, niet in onszelf en niet in daarbuiten. De mens is vrij, de mens is vrijheid. Wij zijn alleen, zonder uitvluchten, wij zijn veroordeeld tot de vrijheid, wij kunnen er niet aan ontsnappen: we hebben niet om het leven gevraagd, en nu we er zijn is er niets of niemand die in onze plaats kan beslissen. We kunnen ons ook niet verschuilen achter onze passies, want die zijn onbetrouwbaar en ook voor onze passies zijn we uiteindelijk verantwoordelijk. De mens moet op elk ogenblik de mens ontdekken, creëren: de mens is zijn eigen toekomst, een toekomst die nergens vooraf gegeven is, ook niet in de hemel.
Sartre geeft dan het zeer bekende voorbeeld van een jongeman die tijdens de oorlog moet kiezen tussen het onderhouden van zijn moeder of deelnemen aan het verzet: beide zijn waardevolle keuzes, er zijn geen absolute waarden, er is geen enkele moraal die toelaat om voor het ene of het andere te kiezen, niemand kan de jongeman raad geven: hij moet zelf beslissen en er de gevolgen van dragen, wetend dat ook anderen erdoor getroffen zullen worden. Het is niet zo dat men kiest vanuit een bepaald aanvoelen, maar veeleer andersom: we voelen pas als we handelen, het is in het handelen dat de gevoelens gerealiseerd worden: als de jongeman kiest voor zijn moeder, dan zal hij pas dan waarlijk trouwe liefde voelen; kiest hij voor het verzet, pas na de keuze moedige zelfopoffering.
Zelfs indien men in de wereld aanwijzingen zou zien die onze beslissing kunnen beïnvloeden, dan nog is het aan ons om die autonoom te interpreteren, ze zijn nooit eenduidig en er zijn steeds ook de tegengestelde tekenen.
De wanhoop of beter de hopeloosheid, désespoir, het sleutelwoord voor het existentialisme betekent niets anders dan dat wij op niets anders rekenen dan op onze eigen wil, binnen de mogelijkheden die elke actie biedt. Er is niets binnen of buiten de wereld, ook geen God, dat ook maar enige invloed kan uitoefenen op het verloop der dingen, dat ook maar iets kan aanpassen aan mijn verlangens. Natuurlijk zijn we afhankelijk van wat anderen doen en van de materiële omstandigheden, dat zijn gegevens die in grote mate onafhankelijk zijn van onze wil. We kunnen ons ook niet baseren op enige vaste menselijke natuur die zich noodzakelijk ontwikkelt, de geschiedenis bewijst dat het alle kanten kan uitgaan, er is geen vaste lijn, geen mogelijkheid tot voorspellen: wie had Hitler kunnen voorspellen, of de Franse revolutie?
Maar ook dat betekent niet dat men zich niet engageren, zich inzetten samen met anderen om een of ander doel te bereiken dat we belangrijk achten: we moeten wel keuzes maken, want niet kiezen en niet handelen is ook een keuze, zoals duidelijk gebleken is met het Nazisme. Het is een lakse houding die zegt: ik kan het niet, ik weet het niet, laat de anderen het maar zeggen en doen. Het existentialisme staat daar lijnrecht tegenover, want het stelt dat de mens zich slechts realiseert in de actie, in wat hij doet, hij is slechts wat hij doet en voor zover hij iets doet, de mens is zijn leven, en niet al de gemiste kansen waarop hij terugkijkt; de enige liefde is die die we beleven, samen met anderen, niet de vage of hevige gevoelens die we nooit tot uiting brengen. Alle innerlijke twijfels en emoties zijn maar belangrijk in de mate dat ze onze daden voorbereiden en sturen en het is op onze daden dat we afgerekend worden, het is wat we doen dat bepaalt wie en wat we zijn. En dat schrikt natuurlijk mensen af: ze zouden liever hebben dat ze konden zeggen dat we niet anders kunnen handelen dan zoals we handelen, dat alles vastligt, vooraf bepaald is of gedetermineerd door de erfelijkheid. Het existentialisme stelt dat elke mens zelf verantwoordelijk is: een lafaard maakt zichzelf tot lafaard, de held maakt zich tot held, er is altijd een mogelijkheid om ervoor te kiezen om niet laf te zijn maar moedig, heldhaftig.
Sartre verzet zich ook tegen de aanklacht dat zijn filosofie er een zou zijn van subjectivisme, waarin het individu het enige is dat telt. Hij vertrekt wel degelijk van de individuele waardigheid en verantwoordelijkheid van elke mens, in elke situatie weer opnieuw. Hij verzet zich tegen elk dogmatisme dat het anders zou willen en dat de mens berooft van die fundamentele vrijheid. Er is maar één absolute waarheid: de mens moet zich bewust zijn van zichzelf, zonder tussenpersonen. Dat is trouwens de enige filosofie die de waardigheid van de mens garandeert, die van hem geen voorwerp maakt. Er is ook geen sprake van egoïsme, want het zelfbewustzijn is meteen ook het bewustzijn van de wereld en van de andere. Wat wij zijn, ervaren we in de erkenning en de herkenning door de anderen. Als ik mezelf wil kennen, ben ik daarvoor aangewezen op de anderen. Voor mijn bestaan is de andere net zo belangrijk als mijn zelfbewustzijn. Het is in die intersubjectiviteit dat wij onszelf waarmaken.
Als we aannemen dat er geen vooraf vastgelegde menselijke natuur is, dat alles telkens opnieuw nog moet gerealiseerd worden in vrijheid, dan moeten we toch vaststellen dat er zoiets is als een condition humaine. Voor de mens is niet alles mogelijk in deze wereld, er zijn beperkingen, er zijn fundamentele gegevenheden voor ons als mens in deze wereld. Daarmee bedoelt Sartre niet de specifieke omstandigheden, want die zijn verschillend in tijd en ruimte, maar de onmogelijkheid van de mens om niet in de wereld te zijn, niet werkzaam aanwezig te zijn, samen met anderen, niet onsterfelijk te zijn. Dat zijn universele gegevens, waarmee ook de vrije mens rekening moet houden. Dat maakt de mensheid tot één geheel, want ik kan mijzelf als gelijke herkennen in elke andere mens, al het fundamenteel menselijke is mij bekend en vertrouwd. En in al de veranderende omstandigheden, waar ook ter wereld, is er de absolute vrijheid van elke mens om keuzes te maken.
Toch verwijt men het existentialisme dat het subjectief is: als de mens vrij is, elke mens, om om het even wat te doen, dan kan er alleen maar anarchie heersen; het is dan tevens onmogelijk om een oordeel uit te spreken over iemand anders, aangezien er geen vaste normen en waarden zijn; alle daden zijn gratuit, zinloos. Sartre ontkent dat ten stelligste: er is steeds de keuze, ja, maar ik ben ook verplicht van een keuze te maken en dat verhindert elke frivoliteit, elke fantasie. Ik moet keuzes maken tussen verschillende mogelijkheden die zich aanbieden en voor mijn keuzes draag ik een verantwoordelijkheid die mezelf overstijgt. Ook als mijn keuze niet bepaald wordt door een vooraf bepaalde norm, die mij door anderen is opgelegd of voorgehouden, dan nog kan ik niet zomaar kiezen: als mens ben ik een geëngageerd wezen, ik ben bezig mezelf te realiseren in de wereld en mijn keuzes zullen zich situeren binnen dat engagement, rekening houdend met de omstandigheden en de anderen. Zo is het leven van een mens als een kunstwerk, dat gaandeweg gemaakt wordt, niet lukraak of willekeurig, maar ook niet volgens een vooraf vastgelegd plan. Het kan ook niet beoordeeld worden volgens vaste normen, maar enkel op zijn verdiensten, achteraf bekeken.
Dit geldt ook op het morele vlak. Wij hebben niets aan de verschillende morele systemen die in onze plaats bepalen wat mag en moet: zij bieden geen uitkomst voor de morele keuzen waarvoor wij ons geplaatst zien en verplichten ons zo om zelf onze afwegingen te maken en onze conclusies te trekken. Het blijft toch mogelijk om een oordeel uit te spreken over iemands daden: al zijn er geen vaste normen waarmee we kunnen vergelijken, toch kunnen we vaststellen of een keuze gemaakt is op basis van een vergissing of op basis van waarheid, niet moreel gezien, maar logisch. De mens heeft de vrije keuze, zonder excuses en zonder hulp en dus is elke mens die zich verbergt achter zijn emoties, elke mens die een of andere voorbestemdheid inroept, meteen te kwader trouw. Men kan inderdaad kiezen om zo oneerlijk te zijn, dat is zo, en ik kan over die keuze geen moreel oordeel uitspreken, maar ik kan wel stellen dat het een vergissing is om te kwader trouw te zijn, het is het tegenovergestelde van vrijheid en engagement. Zo is ook het inroepen van normen en waarden die buiten mij om bestaan of in eeuwigheid vastliggen, een blijk van kwade trouw en een negatie van de vrijheid. In het nastreven van onze vrijheid, stellen we vast dat we die enkel kunnen realiseren wanneer ook de vrijheid van de anderen over die vrijheid beschikken. Wie dat principe negeert door zich te verbergen achter drogredenen, is laf; wie de mens als het doel van de schepping stelt en zijn bestaan als noodzakelijk, terwijl mens-zijn noodzakelijk contingent is, vergankelijk, tijdelijk, die mensen noemt Sartre salauds, smeerlappen…
Het komt erop aan authentiek te zijn, eerlijk met zichzelf en met de anderen, aangezien er geen vaste regels kunnen gevonden worden die gelden in elke omstandigheid; wat in één geval de juiste keuze is, kan voor iemand anders in een andere situatie verkeerd zijn. Maar, zal men opwerpen: dan kies je je waarden zelf! En dat is zo, want er is geen God om ze vast te leggen voor iedereen. Het leven is zinloos op zichzelf, het kan pas zin krijgen in het be-leven, wij moeten er zelf zin aan geven door het te leven, door de keuzes die we maken. En dat maakt het mogelijk om tot een leefbare gemeenschap van mensen te komen. Het existentialisme is wel degelijk een humanisme. De mens treedt voortdurend buiten zichzelf, in de wereld, naar de anderen en realiseert niet alleen zijn eigen leven, maar samen met anderen ook het leven dat zijn persoon overstijgt, het transcendente universum van de menselijke subjectiviteit.
Het existentialisme is geen atheïsme dat zich zal uitputten in het bewijzen dat God niet bestaat. Zelfs als God zou bestaan, dan verandert dat niets aan de zaak. Sartre zegt erbij: niet dat ik zou geloven dat God bestaat, maar het probleem is niet daarin gelegen: de mens moet zichzelf ontdekken en moet tot de overtuiging komen dat niets of niemand hem kan redden van zichzelf, zelfs niet een eventueel valabel bewijs voor het bestaan van God. In die zin is het existentialisme optimistisch, een doctrine van de daad, en is het te kwader trouw dat de christenen het wanhopig, hopeloos noemen: zij dichten ons slechts hun eigen désespoir toe.



















