Georges Lemaître

Georges Lemaître (1894-1966) is ongetwijfeld een van de grootste wetenschappers die België ooit gekend heeft. Zijn naam is voor altijd verbonden met de Big Bang-theorie over het ontstaan van het universum. Het was echter Fred Hoyle 1915-2001), wetenschapper én sf-auteur die voor de humoristische benaming instond, als een sarcastische beoordeling van wat velen, ook Einstein aanvankelijk, als een totaal ongeloofwaardige veronderstelling afdeden, zeer ten onrechte zoals later bleek.
Het artikel in de Wikipedia over hem is echt wel de moeite waard om even te lezen: http://nl.wikipedia.org/wiki/Georges_Lemaître.
Als men de indrukwekkende wetenschappelijke carrière van Lemaître bekijkt, dan laat niets vermoeden dat hij ook priester en op het eind van zijn leven zelfs pauselijk prelaat en dus monseigneur was. Ook in dat opzicht was hij een uitzonderlijke figuur.
Men kan zich afvragen hoe een buitengewoon verstandig man, die zich als gelijke kon onderhouden met Einstein en andere grootheden van de wetenschap, toch zijn geloof heeft behouden en op een of andere manier zijn priesterschap heeft beleefd. Hij moet van de kerk zeker de nodige tegenstand ondervonden hebben, want zijn theorieën zijn in directe tegenspraak met de leer van de kerk, zeker in de tijd toen hij ermee naar buiten kwam. Een ‘spontaan’ ontstaan van het universum was zeker niet in overeenstemming te brengen met het Bijbelse scheppingsverhaal of met de geldende kerkelijke opvattingen.
Een anekdote uit een autobiografisch werk van een andere beroemde wetenschapper, Victor Weisskopf, The Joy of Insight: Passions of a Physicist, New York, 1991, Basic Books, gunt ons een blik in de merkwaardige manier waarop Lemaître omging met de tegenstellingen tussen geloof en wetenschap.
Lemaître was uitgenodigd naar Göttingen voor gastcolleges en had daar net een briljante uiteenzetting gegeven over de ouderdom van de aarde. Samen met andere geleerden was hij tot de conclusie gekomen dat de aarde ongeveer 4,5 miljard jaar geleden moet ontstaan zijn. Zij baseerden zich op de overdadige aanwezigheid van bepaalde scheikundige elementen, het resultaat van het radioactief verval van andere elementen die een zeer lange halveringstijd hebben. Zijn geleerd gehoor was danig onder de indruk.
Na afloop kon een van hen niet laten aan Lemaître, die steeds in soutane gekleed ging, te vragen of hij geloof hechtte aan de Bijbel. “Jazeker, elk woord erin is waar,” antwoordde Lemaître rustig en zelfzeker. Daarop vroegen zijn verbaasde en ietwat geamuseerde collega’s hem hoe het mogelijk was dat de aarde zo oud kon zijn als hij hen net aangetoond had, namelijk 4.500.000.000 jaar, terwijl de Bijbel het houdt op nauwelijks een miljoenste daarvan, ongeveer 5.000 jaar. Wat deed Lemaître dan met al de aanwijzingen van een veel oudere datum, zoals zijn eigen berekeningen of de aanwezigheid van fossielen en andere geologische argumenten?
Het antwoord van priester Lemaître was nog steeds even zelfverzekerd: God heeft alles zo gemaakt, op de datum die men kan afleiden uit de Bijbel, om de mens en zijn geloof in de Bijbel te testen.
De fossielen zijn dus geen restanten van wezens en planten die miljoenen jaren geleden geleefd hebben, ze zijn op de dag van de Schepping door God (min of meer) zo geschapen, dat ze er nu uitzien zoals wij ze ontdekken. Deze stelling was eerder al door fundamentalistische gelovige wetenschappers naar voren gebracht. Philip Gosse (1810-1888) schreef in 1857, twee jaar voor Darwins Origin of Species, het merkwaardige boek Omphalos, Grieks voor navel. Daarin werkt hij de merkwaardige stelling uit dat God de wereld heeft geschapen met sporen van een verleden dat er niet geweest is. Om je te helpen dit vreemde idee te begrijpen, moet je even denken aan de navel van Adam, de eerste mens. Aangezien Adam nooit heeft vast gehangen aan een navelstreng, zou hij normaal gesproken geen navel mogen hebben. En toch had hij er een, stelt Gosse, want God heeft hem geschapen als een echte, normale mens, dus met een navel zoals iedereen. Op dezelfde manier zijn er in de wereld allerlei getuigenissen van een verleden dat er evenwel niet geweest is. Zo onder meer in de geologie, zoals beschreven door Charles Lyell; ook de fossielen moeten zo verstaan worden.
Gosse dacht dat hij het ei van Columbus had gevonden en hoopte op een golf van succes en bewondering, zowel vanwege de wetenschappers als uit kerkelijke hoek. Er steeg echter een spontane golf van algemene hilariteit op bij het verschijnen van zijn merkwaardig nauwkeurige beschrijving van Adams navel en de bijhorende theorie over het niet-gebeurde verleden. De kerkelijke hiërarchie nam hem dit bijzonder kwalijk, want zo werd de officiële leer weer maar eens belachelijk gemaakt. Tien jaar na het verschijnen werden de massaal onverkochte exemplaren van ‘de Navel’, ondanks een tussentijdse heruitgave met een nieuwe titelpagina Creation, definitief gerecycleerd.
De onthutste collega’s van Georges Lemaître konden dus hun oren niet geloven. Waarom hield de priester-professor zich dan zo intens bezig met een doorgedreven wetenschappelijke studie van de leeftijd van de aarde, als hij toch zeer goed wist dat de echte datum van de Schepping in de Bijbel te lezen staat en als al de aanwijzingen die hij onderzocht toch maar valse sporen waren, nagelaten door een God die er een duivels genoegen in schepte om de goedgelovige mens op de proef te stellen?
Het antwoord van deze priester Gods was onverstoorbaar: hij wou zich ervan overtuigen en zo ook voor de wereld bewijzen dat God geen enkele vergissing had begaan, dat zelfs de ingenieus misleidende sporen een volmaakt onfeilbare logica volgden, een bewijs van de almacht en alwetendheid van God…
Wij weten natuurlijk niet of in deze bizarre anekdote de echte Georges Lemaître naar voren komt. Misschien was het wel een vast antwoord dat hij gemakshalve verzonnen had om de ironisch plagerige vragen van ongelovige wetenschappers aan een priester-collega te riposteren, of ook nog om Rome te sussen en zo ongestraft zijn ernstig wetenschappelijk werk te kunnen doen, ter meerdere eer en glorie van God, natuurlijk. Hij zou de eerste niet geweest zijn om een zorgvuldig berekende en nageleefde modus vivendi te vinden tussen wetenschappelijk werk en een geloof dat formeel en uiterlijk is, zoals zijn obligate soutane en Romeinse boord.
Priesters zijn al altijd handige goochelaars geweest.
Ik zie ze in gedachten soms voor mij, als echte circusartiesten in gesteven albe en kazuifel van goudbrokaat, met één voet in uiterst labiel evenwicht staande op Hitlers en Chaplins wereldbol, moeizaam rollend op een vervaarlijk hellend vlak tussen onbereikbare hemel en wenkende hel, met de rechterhand jonglerend met een kalfslederen Polyglotbijbel en een bebloede Malleus Maleficarum, in de andere een overlopende beker van de beste wijn, op het bezwete getonsureerde hoofd een enorme gouden monstrans balancerend, zoals die van Ratzinger in Fatima onlangs, met het vrije been onvermoeibaar de rokken lichtend van passerende vrouwen, terwijl hun geile blik zich verlustigt in de aanblik van een koor van gillende misdienaartjes in pikante kanten superplietjes.
Sorry, dat laatste tafereeltje is me even ontsnapt, mijn verbeelding speelt me soms parten…








/art/slides/Interieur,%20aardappels%20schillen;olieverf;paneel;41,7%20x%2031;gesigneerd%20r.o.;$%206000-8000;$%208225.jpg)







