exit le chanoine François Houtart


Er blijft de katholieke kerk in België werkelijk geen enkel leed bespaard.
Niet alleen is er de lange en finale leegloop van de kerken en het uitblijven van priesterroepingen, twee structurele problemen die de toekomst van de katholieke kerk zwaar hypothekeren. Zonder gelovigen en zonder priesters kan je immers nog nauwelijks van een kerk spreken, zeg nu zelf. Naast deze moeilijkheden kwam dan de gecontesteerde opvolging van de zachtmoedige en door de media graag geziene figuur van Godfried Danneels door de heel wat minder soepele, ja controversiële recht-in-de-leerse André Léonard. Het schandaal van het seksueel misbruik in de kerk, dat al geruime tijd als een spookbeeld boven de Belgische kerk hing, bereikte een explosief hoogtepunt met de bekentenissen van Roger Van Gheluwe, de bisschop van Brugge, net voor hij op pensioen zou gaan. In de nasleep daarvan was er een enorme opstoot van vooral oude klachten en de weinig verheffende heisa rond de dossiers van de commissie Adriaenssens en de inval in het aartsbisdom en bij Danneels zelf.
De gevolgen bleven niet uit. Voor heel wat gelovigen was de maat nu wel vol. Ze keerden de kerk verontwaardigd of teleurgesteld de rug toe, lieten zich zelfs ‘ontdopen’. Vooral de seniele en conservatieve, ja fundamentalistische hiërarchie van de kerk, van hoog tot laag, moest het ontgelden. Men verweet haar in het bijzonder haar totale wereldvreemdheid, het vasthouden aan kerkelijke tradities die niet zozeer eeuwenoud en dus waardevol zijn, maar aan een triomfalistische vorm van het christendom die vooral in de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw opgang maakte. Met de benoeming van Jozef Ratzinger tot paus greep men terug, ook liturgisch en vestimentair, naar een behoudsgezind verleden, naar een kerk die de wereld afwijst en met het eigen onrealistische gelijk bezig is.
Kanunnik François Houtart was vooral in Franstalig België het boegbeeld van een andere kerk. Hij was peritus of expert op het Tweede Vaticaans Concilie, was hoogleraar Godsdienstsociologie (en, betekenisvol, niet theologie) in Leuven en na de splitsing in Louvain-la-Neuve. Voor velen was hij het levend bewijs dat vernieuwing ten minste denkbaar was, dat men het in de kerk ook ver kon brengen als men er andere ideeën op na hield, dat niet iedereen die de kerk trouw bleef meteen ook aartsconservatief was. Hij was een icoon voor alle soixante-huitards en voor alternatieve jongeren en linkse bewegingen was hij de geliefde oude meester.
Vandaag is bekend gemaakt dat Houtart zich veertig jaar geleden heeft vergrepen aan een achtjarig neefje. Dat betekent het einde van de carrière van deze 85-jarige oud-strijder. De hoop van velen dat hij, als de ‘paus’ van de andersglobalisten, ooit in aanmerking zou komen voor de Nobelprijs voor de vrede, is nu voorgoed verzwonden. Hem wacht alleen nog vernedering, afwijzing en uitsluiting. Corruptio optimi pessima: het falen van de besten treft ons het hardst.
Het is opvallend hoe publieke figuren plots ten val kunnen komen door het bekend raken van seksuele misstappen of escapades. Het is nog merkwaardiger dat sommigen daar helemaal geen last van hebben. Denk aan Bill Clinton, maar ook aan koning Albert II en nog meer aan Silvio Berlusconi. Wat die zich ongestraft kunnen permitteren, staat in schril contrast met wat Houtart nu concreet ten laste gelegd wordt.
Wat is het verschil? Vooreerst de leeftijd van het slachtoffer. Hier is geen sprake van consensuele seks en zelfs als de knaap in kwestie zou ingestemd hebben met de toenaderingen van zijn heeroom, dan nog is in onze maatschappij dergelijk gedrag voor een volwassene onaanvaardbaar. Daar komt nog bij dat Houtart priester was en is. Als priester ben je gehouden tot het celibaat, dat wil zeggen dat je niet mag trouwen, maar ook alle andere vormen van seksualiteit zijn onvoorwaardelijk uitgesloten. Als priester wordt je ook verondersteld een deugdzaam leven te leiden op alle gebied. Als pastor, herder, ben je een voorbeeld voor de kudde. Je kan maar spreken met moreel gezag als je zelf boven alle verdenking verheven bent. Dat maakt dat wanneer een priester zich schuldig maakt aan seksuele praktijken die in de maatschappij niet aanvaard zijn, die zelfs strafbaar zijn, de verontwaardiging algemeen en immens is. Er is niemand die wat Houtart of Van Gheluwe heeft gedaan, zal vergoelijken, zoals men het wel doet voor een Berlusconi, Clinton of Albert II van België.
In zijn kerstpreek heeft André Léonard nog maar eens uitgehaald over deze kwestie. Hij heeft zijn provocerend standpunt herhaald dat seksueel misbruik van kinderen overal voorkomt, in de eerste plaats in de gezinnen, zei hij nadrukkelijk. Het is volgens hem niet zo dat het vooral of hoofdzakelijk in de kerk voorkomt. Men moet het dus in een ruimer kader zien.
Ook daar geeft hij blijk van een onbegrijpelijk gebrek aan moreel inschattingsvermogen en menselijke empathie. Hij beweert dat seksueel misbruik van kinderen binnen de kerk statistisch gezien minder voorkomt dan in gezinnen en misschien heeft hij daarin gelijk, onderzoek zou dat kunnen uitwijzen, althans indien de kerk daaraan zou willen meewerken. Maar zoals we net gezien hebben, aanvaardt men van priesters veel minder dan van anderen en dat is volkomen terecht, gezien hun pretenties en hun maatschappelijke situatie. Er is dus een zekere tegenspraak, die Léonard niet nalaat van te benadrukken, alsof ze zijn zaak zou dienen, tussen de houding die de maatschappij aanneemt tegen het probleem van seksueel misbruik van kinderen, naargelang dat misbruik zich situeert binnen het gezin of in pastorale situaties, zoals dat heet.
Tussen haakjes, die subtiele formulering ‘in pastorale situaties’ probeert een onderscheid te maken tussen wat een priester doet terwijl hij in functie is en wat hij doet in zijn vrije tijd. Daarmee probeert de kerk de schade te beperken. Indien zij ooit aansprakelijk zou gesteld worden voor de misdaden van de bedienaars van haar eredienst, dan toch enkel wanneer dat gebeurde wanneer zij bezig waren met hun werk in de kerk, niet wat zij daarbuiten deden. Het komt mij voor dat dit misschien wel een handig juridisch onderscheid is, maar dan een dat door gelovigen en ongelovigen zeker niet zal aanvaard worden. Men is immers altijd priester, tu es sacerdos in aeternum secundum ordinem Melchisedech! Een priester is geen arbeider of bediende ‘9 to 5’, hij is niet alleen priester wanneer hij zijn liturgische gewaden draagt of ook buiten de eredienst herkenbaar is.
Uit ervaring weet ik dat priesters daar zelf anders over denken. De meesten maken een duidelijk onderscheid tussen hun publiek en hun privéleven. Zo herinner ik me een goede vriend en priester, een verstokte roker, die tijdens de vasten niet rookte, wat bij al wie hem kende grote bewondering opwekte. Op een dag vertrouwde hij me toe dat hij in de beslotenheid van zijn huiskamer wel een sigaretje opstak… En zo zijn er talloze voorbeelden aan te halen. Ook voor priesters kan de boog niet altijd gespannen staan. Priesters ondereen kunnen zich behoorlijk vrolijk maken over zichzelf, over hun ‘beroep’, over de kerk en de liturgie en de dogma’s en de kerkelijke hiërarchie, in die mate dat, wanneer je dat als leek meemaakt, zoals me enkele malen overkomen is, je je ogen en oren nauwelijks kan geloven. Hetzelfde geldt overigens voor de beruchte drink- en eetgewoonten van de clerus.
Maar ook de priesters zelf voelen aan dat dit onderscheid niet aanvaardbaar is voor de publieke opinie. Zij letten erop dat zij hun persoonlijk leven zorgvuldig verborgen houden voor de gelovigen. Zo zal een priester wanneer hij alleen is in een kerk meestal niet knielen voor het tabernakel, terwijl hij nooit zal nalaten dat te doen wanneer er volk bij is. Zij vermijden om zich in het publiek te buiten te gaan aan eten of drank of zelfs aan allerlei onschuldige activiteiten zoals zwemmen of andere sporten beoefenen, zonnebaden, inkopen doen &c. Als scholier ben ik zo eens samen met de priester die instond voor het internaat naar een droogkuis gereden; daar aangekomen moest ik zijn grijs pak naar binnen brengen. Waarom deed hij dat niet zelf? Een priester deed zoiets niet, in zijn aanvoelen, blijkbaar. Het verheven beeld van de omzeggens volmaakte priester moet altijd en overal opgehouden worden, daar deed en doet men alles aan.
Het is dan ook ronduit belachelijk wanneer de kerk nu plots, wanneer zij geconfronteerd wordt met de ontmaskering van zo vele van haar priesters als seksuele misdadigers, wil afstappen van dat beeld van de voorbeeldige priester en aanvoert dat het ook maar mensen zijn. Dat kan niet, natuurlijk. Je kan niet eeuwenlang een beeld ophangen van de onberispelijke priester en daarvoor alles doen, werkelijk alles, zoals het bewust en systematisch verzwijgen en toedekken van al hun onvermijdelijke fouten om dan, wanneer je niet meer anders kan, te pleiten voor begrip en vergiffenis. Dat is onaanvaardbaar, de mensen voelen zich belogen en bedrogen. Het is merkwaardig dat Léonard en Ratzinger en nog anderen binnen de kerk dat niet aanvoelen. Zij houden zich enerzijds nog steeds aan het nu stilaan totaal ongeloofwaardig ideaalbeeld van de paus, de bisschop en de priester. Ze weigeren in te zien dat het inderdaad allemaal ‘slechts’ mensen zijn en ze als zodanig te behandelen. De paus is nog steeds onfeilbaar en een aangeklede hansworst, de bisschop is nog steeds een feodale vorst in zijn bisdom. Ze zetten zichzelf nog altijd op een troon, letterlijk en figuurlijk en beseffen niet dat men op een troon nooit veilig zit. Vroeg of laat moet zelfs de meest verheven persoon ook zijn behoefte doen, ook de paus laat al eens een onwelriekende wind, ook een bisschop misbruikt zijn neefje.
Het seksueel misbruik in de kerk staat nu volop in het centrum van de belangstelling. Een neveneffect daarvan is dat men nu ook, zij het onwillig, begint toe te geven dat het voorkomt in alle domeinen van de maatschappij, in de eerste plaats inderdaad binnen de gezinnen, maar ook in de sport, in de jeugdbewegingen, op de werkvloer, in het onderwijs, in de zorgverlening en ga zo maar door.
De mens is een seksueel wezen, op elk ogenblik van zijn bestaan. Die seksualiteit kan de meest vreemde vormen aannemen, bij iedereen, ook bij mensen van wie je het nooit had verwacht. Het zou goed zijn dat men, zoals destijds (in 1948 en 1953 al!) de Kinsey Rapporten dat onvolmaakt deden, de menselijke seksualiteit en de beleving ervan grondig zou onderzoeken, zonder taboes of hypocrisie. De tijd is nu wel gekomen dat we, bevrijd van de verfoeilijke en nefaste klerikale blinde vlek, in kaart brengen wat wij doen op seksueel gebied en dat we daaruit onze conclusies trekken en niet uit wat een instelling als de kerk zegt dat ze zouden moeten zijn. Begrijp me niet verkeerd, ik zeg niet dat alles wat is ook goed is of moet toegelaten worden. Maar wij moeten de moed hebben om onze menselijke seksuele praktijk te bekijken zoals hij vandaag de dag is en voor elk van de aspecten ervan te bepalen hoe wij ermee wensen om te gaan.
Enkele voorbeelden.
Wanneer wij vaststellen, zoals we doen, dat kinderen in hun gezin bijna altijd of toch zeer vaak betrokken zijn in seksualiteit, onder elkaar maar ook met volwassenen, dan heeft het absoluut geen zin om dat te verzwijgen en om onze heilige verontwaardiging te bewaren voor de enkele gevallen die de openbaarheid halen.
Het celibaat binnen de katholieke kerk moet dringend en openlijk besproken worden, niet alleen binnen de kerk maar ook in de maatschappij en dus in de politiek. De inbreuken zijn immers zo talrijk, zo flagrant en de gevolgen ervan zo pijnlijk, dat men dat misdadig systeem niet langer in stand kan houden. Misschien is het huwelijk geen oplossing voor alle priesters, maar het celibaat is iets dat nergens goed voor is. Zoals een bevriende Leuvense hoogleraar in de Godgeleerdheid, priester en celibatair, me ooit zei: seksualiteit is een mensenrecht dat men niemand mag onthouden. Juist.
Wanneer wij vaststellen dat binnen een maatschappij waarin het monogame huwelijk de norm is, mannen volgens een recente studie gemiddeld 31 seksuele partners hebben gedurende hun leven en vrouwen ongeveer acht (wat een meer waarschijnlijk cijfer is dan de wellicht zelfoverschattende 31), dan moeten we vragen stellen bij onze definitie en tevens bij de praktijk van het monogame huwelijk. Zou het niet beter zijn dat we openlijk toegeven dat we niet zo trouw zijn als we pretenderen of beloven? Zou het monogame huwelijk niet eerlijker zijn en wellicht minder kwetsbaar, wanneer de partners zich zouden realiseren dat hun seksualiteit zich niet zal of moet beperken tot hun vaste partner? Wanneer het huwelijk minder een gevangenis is, kan het als maatschappelijk model misschien sterker worden en zullen er misschien minder echtscheidingen zijn en dus minder maatschappelijk nefaste gevolgen daarvan.
In ons land is homoseksualiteit volledig bespreekbaar in brede lagen van de bevolking. De rechten van homo’s zijn nu bijna identiek met die van hetero’s. Maar wij moeten ons realiseren dat dit een zeer recente evolutie is, dat die rechten afgedwongen zijn door een minderheid van strijdbare activisten, meestal uit vrijzinnige middens. Er zijn krachten aanwezig in de maatschappij, onder meer de katholieke kerk, maar ook andere godsdiensten en organisaties en bewegingen die, indien ze dat zouden kunnen, de klok onmiddellijk zouden terugdraaien. In de meeste landen hebben homo’s helemaal geen rechten, homoseksualiteit is in de meeste landen van de wereld strafbaar, soms zelfs met de dood.
Iedereen kent de rosse buurten in onze steden en de huizen van plezier langs onze wegen. Onze reclamekranten staan vol met de meest expliciete annonces voor alle denkbare en zelfs enkele ondenkbare vormen van seks. Op het internet is op seksueel gebied alles, werkelijk alles en iedereen te zien en te koop. Niemand geeft het toe, maar porno op internet wordt zeer intens bekeken, door iedereen. In onze bioscopen en theaters is geen enkel seksueel taboe nog houdbaar. Op dvd zijn de meest rauwe seksuele taferelen te ‘bewonderen’. Er zijn seksblaadjes en zelfs kranten die het bloot tot het uiterste laten zien. Er zijn reisbureaus die zich specialiseren in seksreizen voor alle smaken, ook de meest smakeloze. Er zijn dating sites waar iedereen wel aan zijn trekken komt. Elke kabelmaatschappij biedt sekskanalen aan, soms gratis, meestal voor een symbolische vergoeding. In de helft van de gezinnen kijken de partners samen naar pornofilms. Seks is een industrie. Volgens Forbes is de seksindustrie wereldwijd goed voor een omzet van 40 miljard euro, maar volgens andere bronnen is die in Japan alleen al goed voor 20 miljard euro. Vele miljoenen mensen zijn gedurende een groot deel van hun leven intensief met seks bezig op alle mogelijke manieren. Is het niet stilaan tijd dat we dat ook toegeven?
Laten we erover praten, open en bloot en laten we samen afspreken wat we toelaten en wat we verbieden en dus bestraffen. Daarbij moeten we vetrekken van een objectieve inventaris van wat we werkelijk doen, wat dat ook is, in de mate dat zulks mogelijk is. Vervolgens moeten we die praktijken toetsen aan onze wetgeving, maar vooral aan de principes die vervat zijn in de universele en de Europese verklaringen van de rechten van de mens. We moeten zoveel als mogelijk elk gedooggedrag vermijden. Het is voor een beschaafde maatschappij niet normaal dat men de uitbuiting van mensen streng veroordeelt, maar niets doet aan de publieke prostitutie, die grotendeels in handen is van de georganiseerde misdaad.
We zijn ondertussen ver afgedwaald van de aanleiding van deze bijdrage, de handtastelijkheden van kanunnik Houtart, veertig jaar geleden. Als we die (hopelijk eenmalige) episode vergelijken met wat mensen op seksueel gebied zoal met elkaar doen, dan lijkt het wel een futiliteit, ook als men die ene misstap vergelijkt met wat de man betekend heeft voor de maatschappij. Zijn eigen Centre Tricontinental heeft hem meteen uitgespuwd, wellicht beducht voor de weerslag op hun reputatie. Ik aarzel, veel meer dan in het geval Van Gheluwe, om deze man af te doen als een ordinaire misdadiger, om hem te herleiden tot enkele feiten in het geheel van zijn leven, tenzij er meer aan het licht komt natuurlijk. Als we naar zijn publiek leven kijken, hebben zijn oversten destijds geen gelijk gehad om de zaak stil te houden, omwille van de relatief geringe ernst van de feiten, en de man weg te halen uit de pastorale praktijk en naar de universiteit te sturen, waar hij inderdaad een merkwaardige carrière heeft opgebouwd en voor veel mensen een bewonderenswaardig voorbeeld is geweest?
Ik meen van niet. Men had klacht moeten neerleggen bij het gerecht, zodat de feiten officieel bekend werden. Wellicht zou de klacht geseponeerd zijn of de bestraffing uiterst licht, gezien de omstandigheden, maar het zou een zeer duidelijk signaal geweest zijn voor alle betrokkenen. Nu was het precies alsof er niets gebeurd was en dat is niet goed, niet voor de dader, niet voor het slachtoffer, niet voor de familie, niet voor de maatschappij en ook niet voor de kerk. Men kan dergelijke feiten niet ongestraft verzwijgen. Wellicht zou zijn loopbaan er dan anders uitgezien hebben, maar dat is dan maar zo. Nu blijven we achter met een zeer wrang gevoel.
Ik heb altijd opgekeken naar le Chanoine Houtart, ook al was ik het niet altijd eens met zijn opvattingen. Hij was voor mij en voor vele anderen de eenzame eigenzinnige maar eerlijke sociale dissident binnen het kerkelijk systeem. Nu blijkt dat ook hij maar een mens is en dat hij fouten heeft begaan, zoals wij allemaal in mindere of meerdere mate.
Aan ons om een zeer moeilijke afweging te maken.


















