Welkom bij saagje!
Foto
Inhoud blog
  • Het oude moedertje
  • De legende van de maïs
  • Mans van de Maone
  • De boer en de duivel
  • De twee advocaten(slot)
  • De twee advocaten
  • Het geitje Pak-me-dan
  • De natgeregende kabouter
  • De zeven heksen
  • Het aardmannetje van de Röhrerbühel 2
  • Het aardmannetje van de Röhrerbühel
  • Nikola staat borg
  • De vurige man van de Geute
  • De geschiedenis van de boerendochter Ketilrídur 2
  • De geschiedenis van de boerendochter Ketilrídur
  • Op reis gaan
  • De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw(vervolg)
  • De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw
  • Het toverfluitje en het toverhoedje (vervolg)
  • Het toverfluitje en het toverhoedje
  • Waarom de bomen in de herfst geel worden
  • Tijl Uilenspiegel en de paardenkoopman
  • De nimf Daphne
  • De geschiedenis van de reuzenkreeft
  • De toren van Medemblik
  • Theseus en Hippolytus
  • Duimedik
  • De vuurman van Soest
  • Maan, Djabu en de dood
  • De jakhals en de patrijs
  • Goudsbloempje
  • Afspraak is afspraak
  • Het spook van de Zeedijk
  • Rata's wonderbaarlijke reis-einde
  • Rata's wonderbaarlijke reis-vervolg
  • Rata's wonderbaarlijke reis
  • Waarom de hyacint maar zo kort bloeit
  • De citerspeler
  • Van een opgeverfde haan
  • Het land van moeder Soemba
  • Het zwanennest
  • De engel
  • De gebarsten emmer
  • De hondenmarkt van Boedapest (slot)
  • De hondenmarkt van Boedapest
  • Billy de coyote (slot)
  • Billy de coyote(vervolg)
  • Billy de coyote
  • Garuda
  • De dood van de sprookjesverteller
    Foto
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Hoofdpunten blog waaroemni
  • Kerstgroet
  • Luchtballonvaart
  • Paulus Potter
  • Sint-Elisabethsvloed
  • Willem Tell
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Categorieën
  • aardgeest (21)
  • avonturenverhaal (6)
  • dierenverhaal (5)
  • duivels (46)
  • fabels (57)
  • gedichten (1)
  • geesten (griezellen) (12)
  • heksen (52)
  • historisch verhaal (13)
  • historische sagen (35)
  • legende (42)
  • Luchtgeest (30)
  • Mythe (24)
  • parabel (7)
  • Plaaggeest (10)
  • sagen (87)
  • Sinterklaasverhalen (4)
  • sprookjes (118)
  • Tovenaars (38)
  • toverboeken (13)
  • volkssprookje (40)
  • volksverhalen (140)
  • vuurgeest (26)
  • watergeest (19)
  • weerwolven (15)
  • Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    'VOLKSVERHALEN'

    problemen
    Verhalen, sprookjes, fabels, mythen, sagen en legenden
    welkom!
    Problemen
    Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
    Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
    De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.
    09-04-2011
    nieuwsgierig héMani
    Mani
    - Een legende van de Tupi-Indianen over de maniok (cassave) -
    CassaveIn vroegere tijden, toen de mensen de planten en de dieren nog verstonden, was er aan de rand van het oerwoud een dorpje.

    Alle mensen die daar woonden leefden als in een grote familie. Maar op een morgen gebeurde er iets bijzonders. Alsof ze uit de hemel gevallen was, stond er plotseling een onbekend meisje in het dorp, met een blanke huid. Nadat het meisje een tijdje stil en bescheiden in het dorp had gewoond, namen de bewoners het als hun eigen kind aan en gaven haar de naam Mani.

    Mani groeide snel, het was wel ongewoon dat ze nooit een stukje fruit nam of iets van de buit waarmee de jagers thuis kwamen. Als de jagers geen geluk hadden en als er voor de dorpsbewoners niets meer te eten was, bakte Mani heerlijke koekjes voor ze, maar niemand wist waarvan ze gemaakt werden. Op zulke dagen zag Mani er bleek en smalletjes uit en als de jagers verscheidene dagen achter elkaar niets hadden kunnen vangen, wankelde ze van zwakte.

    Op een morgen vernielde een vreselijke aardbeving het land. De bodem trilde en beefde, de reuzen van bomen uit het oerwoud vielen als vliegen ter aarde en de dieren vluchtten verschrikt in alle richtingen.

    Alleen de mensen bleven in hun dorp.

    Na een paar dagen werd de aarde weer rustig. Maar hoewel geen enkele dorpsbewoner schade geleden had, wilde niemand meer op jacht gaan en zo kwam de honger in het dorp.

    Maar ook het oerwoud was verlaten. Geen dier verheugde zich meer daar te mogen leven en er hing geen vrucht meer aan de bomen.

    Dag na dag stilde Mani de hongerigen met haar koekjes. Maar dag na dag werd ze bleker en magerder. Toen er een maand voorbijgegaan was kon ze nog maar nauwelijks op haar benen staan. Maar steeds als het avond geworden was, verdeelde ze haar koekjes en keek toe, hoe de Indianen ze opaten.

    "Ik weet niet, hoe lang ik nog de kracht heb jullie te voeden. Jullie moeten weer op jacht gaan en jullie geluk in het oerwoud beproeven. Als je met lege handen thuis komt, mogen jullie mijn gasten zijn," zei Mani op een avond.

    Toen sloot ze de ogen en de mensen uit het dorp gingen zachtjes weg.

    De hele nacht bad de sjamaan de geesten van de hemel om een goede jacht. Nauwelijks had het morgenlicht de nacht overwonnen, of de jagers gingen het oerwoud in. Maar geluk hadden ze niet. Zelfs niet een heel klein diertje konden ze vangen.

    En daarom gingen ze 's avonds weer naar Mani om haar om koekjes te vragen. Haar hut was echter leeg maar daar waar het meisje had gelegen, groeide uit de gebarsten bodem een onbekende struik. "Mani is van ons weggegaan en haar ziel is veranderd," fluisterden de Indianen zachtjes.

    "We zullen de plant precies zo begieten als de graven van onze voorvaderen," besloot de sjamaan langzaam en treurig en hij deed als eerste water in de schaal.

    Nauwelijks had hij de plant water gegeven of de lemen bodem scheurde wijd open en er was een prachtige witte wortel te zien. De Indianen gingen heel dicht om de witte wortel staan, die precies leek op het lichaam van de goede Mani.

    De sjamaan zei: "Al is Mani dan ook van ons weggegaan, ze leeft desondanks nog bij ons. Jullie zien, dat ze zich in een plant heeft veranderd, zodat we geen honger meer hoeven lijden, uit deze plant kunnen we het meel maken, waaruit Mani de koekjes bakte.

    Sinds deze tijd verbouwen de Indianen op hun velden de planten, die ze de naam maniok gegeven hebben.


                                              * * * Einde * * *
    Bron : - "Sprookjes van de Indio's. Mythen, sprookjes en legenden van de Indianen uit Midden- en Zuid-Amerika"
               door Vladimir Hulpach, vertaald door Anke Eggink.
               Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1979. ISBN: 90-202-0044-5
               - www.beleven.org

    09-04-2011 om 00:23 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:legende
    » Reageer (2)
    08-04-2011
    nieuwsgierig héSpeelhans
    Speelhans
    - Een moraalsprookje van Grimm over een aan gokken verslaafde man -
    Er is eens een man geweest, en die had nooit niks gedaan dan spelen, en toen hebben de mensen hem Speelhans genoemd, en omdat hij toen helemaal niet opgehouden heeft met spelen, zo heeft hij z'n huis en alles verspeeld. En nou, net de laatste dag, voor 'm de schuldeisers het huis hebben willen wegnemen, is Onze Lieve Heer gekomen, samen met Sint Pieter, en die hebben gezegd dat hij 't voor die nacht nog mocht houden.

    Toen heeft Speelhans gezegd: "Mogen de kinders dan vannacht nog blijven; maar ik kan hun zelfs geen botje en niks te eten geven." Toen heeft Onze Lieve Heer gezegd: hij moest ze maar bij zich houden, en zij zouden wel eten voor zichzelf kopen, en dat vond Speelhans dan wel goed. Dan heeft Sint Pieter hem drie stuivers gegeven, en dan moest hij naar de bakker gaan en een brood halen.

    Nu is Speelhans wel weggegaan, maar toen hij langs 't huis gekomen is, waar de andere spelers altijd gewoon waren te zijn en waar ze hem alles afgewonnen hadden, toen zijn ze gaan roepen en schreeuwen: "Hans! Kom toch hier!" - "Ja," zegt-ie, "jullie willen me die drie stuivers ook nog afhandig maken." Maar ze hebben hem niet laten gaan. En nu is hij binnen, en toen heeft hij die drie stuivers ook nog verspeeld.

    De heilige Petrus en Onze Lieve Heer hebben aldoor gewacht, en toen 't zolang duurde voor hij terugkwam, zijn ze 'm tegemoet gelopen. Maar toen Speelhans hen zag komen, heeft hij gedaan alsof 't geld 'm in 'n gat van z'n zak gekomen is, en daar zat hij aldoor maar naar te grabbelen, maar Onze Lieve Heer wist wel, dat hij 't weer verspeeld had. En toen heeft Sint Pieter hem nog eens drie stuivers gegeven. Maar nu heeft-ie zich niet meer laten verleiden, en hij heeft hun 't brood bezorgd. Toen vroeg Onze Lieve Heer, waarom hij er geen wijn bij deed, en toen heeft-ie gezegd: "Och, Heer, de vaten zijn allemaal leeg." Toen zei Onze Lieve Heer, hij moest maar eens naar de kelder gaan, "er is nog beste wijn." Eerst geloofde hij dat helemaal niet, maar tenslotte heeft-ie dan gezegd: "Ik zal dan wel gaan, maar ik weet, dat er niks is." Maar toen hij van het vat tapte, kwam er beste wijn uitstromen. En toen heeft hij hun die wijn gebracht, en toen zijn ze alle twee die nacht gebleven.

    De volgende morgen, heel vroeg, heeft Onze Lieve Heer tegen Speelhans gezegd: hij mocht drie genaden vragen. Natuurlijk bedoelde Hij, dat hij de hemel zou vragen, maar Speelhans wenste: "Ten eerste kaarten, waarmee je elk spel wint; dobbelstenen waarmee je ook altijd wint, en dan een boom waar alle fruit aangroeit en dat als iemand erin klimt, hij er niet af kan, tenzij ik het wil." En Onze Heer heeft 'm alles gegeven wat hij verlangde, en toen is hij met Sint Pieter weer weggegaan.

    Nu is Speelhans pas goed met spelen begonnen, en hij had al gauw de halve wereld gewonnen. Dikwijls zei Sint Pieter tot Onze Heer: "Here, dat is niks gedaan, hij wint de hele wereld nog, we moesten 'm nou maar de dood zenden." En toen hebben ze hem de dood maar gezonden. En toen de dood kwam, toen zat Speelhans net aan tafel, en toen zei de dood: "Hans, kom es even mee naar buiten." Maar Speelhans zei: "Wacht, maar even tot dit spel uit is, en ga ondertussen een beetje de boom in en pluk wat, zodat we onderweg wat lekkers hebben." Meteen ging de dood de boom in, en toen hij er weer uit wilde, toen kon hij niet, en Speelhans heeft hem zeven jaar in die boom laten zitten, en al die tijd is er niemand gestorven.

    Dikwijls zei Sint Pieter tegen Onze Heer: "Here, dat wordt niks, er gaat geen mens meer dood, we zullen er zelf eens bij moeten komen." En toen zijn ze er zelf maar eens op af gegaan en toen heeft Onze Heer gezegd, dat hij de dood nu weer uit de boom moest laten. En toen is hij er meteen naartoe gegaan en zei tegen de dood: "Kom d'r maar af," en toen nam de dood hem meteen mee en wurgde hem. En toen gingen ze samen verder en heeft de dood hem naar de andere wereld gebracht en toen is mijn Speelhans naar de hemelpoort gegaan en klopte daar aan. "Wie is daar buiten?" - "Speelhans." - "O, die hebben we niet nodig, ga maar weer weg." Toen is hij gegaan naar de deur van het Vagevuur en daar heeft hij weer geklopt. "Wie klopt daar?" - "Speelhans." - "O, d'r is al genoeg verdriet en ellende hier bij ons, we willen niet spelen, maak maar dat je wegkomt." Toen is hij naar de hellepoort gegaan, en daar hebben ze 'm binnengelaten, maar er was niemand geneigd te spelen, behalve oude Lucifer en de kromme duivels (en die hadden juist boven in de wereld allerlei werkjes gehad) en toen is hij meteen gaan zitten en is weer begonnen met spelen. Maar nu had Lucifer geen hulp behalve die kromme duivels, en toen heeft Speelhans hem alles afgenomen, omdat hij met zijn kaarten wel altijd moest winnen.

    En nu is hij met zijn kromme duivels aan 't werk gegaan, en vaak gingen ze naar Hogevoort en daar hebben ze alle hopstengels uitgetrokken en zijn daarmee de hemel ingeklommen en zijn begonnen te waaien en de hemel begon al te kraken. Toen zei de heilige Petrus weer: "Here, dat wordt niks, we moeten 'm binnenlaten, anders gooit hij ons de hemel nog uit."

    En toen hebben ze hem er maar binnengelaten. Maar Speelhans is dadelijk weer met spelen begonnen, en toen is er meteen een lawaai en een drukte gekomen, dat je je eigen woorden niet verstaan kon. Nu heeft Sint Pieter weer gezegd: "Here dat wordt wéér niks, we moeten hem naar beneden gooien, want anders maakt hij de hele hemel rebels." Nu dat is gebeurd. Ze hebben hem omlaag geworpen, en toen is zijn ziel in stukken gesprongen en hij is in alle spelers gevaren, die nu nog in leven zijn.


                                              * * * einde * * *
    Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
               Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
               - www.beleven.org

    08-04-2011 om 00:57 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:volkssprookje
    » Reageer (3)
    07-04-2011
    nieuwsgierig héHoe de Appingedammer...
    Hoe de Appingedammer in de hemel kwam
    - Een sage over wie wel en wie niet in de hemel mag komen -
    Petrus zat op zijn gemak op een wolk voor de hemelpoort, want hij had eventjes niks te doen. Hij had anders een hele drukke week achter de rug, en hij maakte zich zorgen. Alle plaatsen in de hemel waren bezet, en hij wist niet meer waar hij nieuwe kandidaten nog zou moeten herbergen.

    Op de voorste rij lag languit een luie Delfzijler. De gouden ketting bungelde op zijn dikke buik, en zijn gezicht stond zo braaf alsof hij een lelieblanke ziel had. Toch had hij zijn leven lang gestrande schepen geplunderd. Hij was om het zo eens te zeggen, de Delfzijlste van alle Delfzijlers. Als er ergens iets te gappen viel, had hij het hardste van allemaal gelopen. Wat hij Petrus had voorgelogen om binnengelaten te worden, heeft nooit iemand geweten, maar zeker is dat hij met zijn mooie verhaal een zetel verdiende vlak bij de poort. Het kon hem niets schelen dat hij daardoor een plaats van een goed mens bezet hield. Hij luisterde de hele dag naar het engelenkoor, en had een goed zicht op de nieuwkomers, dus hij hoefde zich nooit te vervelen. Petrus zat te knikkebollen op zijn eenzame post. Eindelijk kwam hij weer eens toe aan zijn middagdutje. Op de hele lange weg die van de aarde naar de hemel leidt, was geen mens te bekennen. Hij sliep en sliep, hoeveel uren wist hij nauwelijks, toen hij met een schok ontwaakte. Voor hem stond iemand die popelde om binnengelaten te worden.

    "Hé!" zei Petrus droomdronken, "waar kom jij zo gauw vandaan?"

    "Ik ben heel moe van de wandeling. Wilt u me snel doorlaten, Petrus?!"

    "Wacht even, dat gaat zo maar niet! Waar ben je geboren?"

    "In Appingedam."

    "En heb je altijd braaf opgepast?"

    "Anders zou ik niet voor u durven verschijnen."

    "Zo! Je maakt zeker aanspraak op een goede plaats?"

    "Ik heb op aarde altijd mijn plicht vervuld."

    "Tja man, het is vervelend voor je, maar ik kan je tot mijn grote spijt niet toelaten. De hemel is vol. Misschien is ergens achteraan nog wel een klein staanplaatsje, maar dat wil ik liever reserveren voor de echte noodgevallen, zoals de halve en hele heiligen. Zo iemand lijk jij me ook weer niet. Er zit niks anders op dan om te draaien."

    "Ja, hoort u eens, ik heb mijn hele leven hard gewerkt om in de hemel te komen. Ik heb een moeilijk aards bestaan achter de rug, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat heb ik moeten zwoegen en ploeteren, en het enige wat me op de been hield, was mijn hoop op een leven in het hiernamaals. En nu wilt u mij bij uw poort tegenhouden?"

    "Het spijt me verschrikkelijk, beste man uit Appingedam, maar ik kan er ook niets aan veranderen. Vol is vol! Voor mijn part mag je zelf even om de hoek kijken, en dan zul je zien dat het hier tot de nok toe vol zit, er kan geen ziel meer bij! Ik kan toch moeilijk iemand van zijn stoel afgooien, zeg nou zelf!"

    Petrus opende de poort op een kier, zodat de Appingedammer een blik naar binnen kon werpen. Deze hoorde op de achtergrond zachtjes de engelen zingen, en hij zag hoe een paar zaligen mee klapten in het ritme. De ogen van alle aanwezigen schitterden van geluk. Op geen enkel gezicht was een rimpeltje van zorg of van pijn gegrift. De Appingedammer zuchtte van verlangen; hij voelde hoe het hemels geluk al het aardse overtreft. Petrus maakte aanstalten de deur weer te sluiten. "Nog even!" smeekte de Appingedammer. "Het is zo mooi!" Petrus gromde. "Goed dan, maar niet te lang meer. Ik heb niet eeuwig de tijd!"

    De arme drommel die de toegang was geweigerd, wilde in elk geval nog even kijken of hij nog bekenden zag. Tot zijn stomme verbazing en verontwaardiging merkte hij dat er verschillende van die rasechte Delfzijler strandjutters een plaats hadden gekregen. Hij wendde zich tot Petrus.

    "Dat is ook een mooie boel - de hemel zit vol met Delfzijler strandjutters!"

    "Strandjutters?" vroeg Petrus ongerust. "Hoe kom je daar nou bij, man? 't Zijn allemaal beste brave mensen hoor, hier in de hemel."

    De Appingedammer schudde het hoofd. "Zie je die vent daar, helemaal vooraan, met zijn gouden ketting op zijn buik?"

    "Ja," fluisterde Petrus.

    "Dat is de ergste van allemaal."

    "Wat zeg je me daar? Daar hoor ik van op. Dat zul je dan toch eens waar moeten maken."

    "En als ik het kan bewijzen, beloof je me dan een plaatsje in de hemel?"

    "Natuurlijk - je kunt dan gaan zitten waar nu de Delfzijler zit."

    Toen zette de man uit Appingedam zijn handen tegen zijn mond, en hij riep: "Schip op 't strand! Schip op 't strand! Schip op 't strand!"

    Nauwelijks had hij dit gezegd, of al wie er in Delfzijl geboren was, stormde naar de poort om te zien of er geen rijke lading te gappen viel. Petrus stond er onthutst naar te kijken, maar de Appingedammer was al naar binnen gelopen en hij ging zitten op de stoel die de ergste strandjutter zojuist had verlaten.

    En zo komt het dat de Delfzijlers niet meer in de hemel worden toegelaten, omdat Petrus er niet eentje meer vertrouwt, en dat de Appingedammers bij Petrus een streepje voor hebben.

                                                                   * * * EINDE * * *
    Bron : - "De mooiste Nederlandse sagen en legendes" uitgegeven door Verba, Hoevelaken, 1999.
               ISBN: 900551303698
               - www.beleven.org

    07-04-2011 om 00:16 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sagen
    » Reageer (2)
    06-04-2011
    nieuwsgierig héDe geest van een...
    De geest van een schimmelplant redt een Indiaans meisje
    - Een sprookje van de Surinaamse indianen over een bosgeest -
    Twee meisjes bleven omdat ze dat zelf wilden alleen in een hut achter, terwijl de ouders een drinkgelag bijwoonden. De ouders hadden er bij de dochters op aangedrongen dat ze mee zouden gaan, maar deze hadden er geen zin in. Tegen zonsondergang daalde nu een Joroka van een nabij staande kankantrie: hij had pijl en boog, waarmee hij een papegaai schoot. Hij bracht de vogel aan de beide meisjes en vroeg hun om het dier te koken. Omdat ze niet wisten, dat de bezoeker een bosgeest was voldeden ze maar al te gretig aan zijn verzoek. Toen ze gezamenlijk de vogel hadden verorberd, verdween hij met een zwaai in de hangmat, die hij had opgehangen. Joroka vroeg het jongste meisje om hem gezelschap te komen houden, maar die voelde er niets voor en ze zond haar oudere zuster in haar plaats.

    Na een tijdje hoorde de jongste een vreemd geluid en daarbij huilen, dat uit de hangmat van de bezoeker kwam. Het geluid werd steeds erger, en nadat ze het vuur wat opgestookt had vermande ze zich. Ze ging naar de hangmat toe, en daaruit zag ze tot haar grote schrik bloed druppelen. Nog erger schrok ze, toen ze haar zuster dood in de hangmat zag liggen. De bezoeker zelf was verdwenen, maar aan bepaalde kentekenen begreep ze, tot welke stam de bezoeker behoorde. Om aan een dergelijk lot te ontkomen, haastte ze zich nu naar buiten en liep ze naar het maïsveld, dat haar eigendom was. Het veld was door de schimmel geheel aangetast en verrot; in dit veld verborg ze zich. Om zich nog beter te beveiligen, waarschuwde ze de geest van de schimmelplant; ze zei dat ze hem nooit meer koren zou geven, als Joroka haar hier mocht vinden en haar mocht pakken. In de vroege ochtend verscheen Joroka en vroeg aan de Geest van de Schimmel of hij toevallig een meisje had gezien, maar deze gaf geen antwoord, omdat hij druk bezig was maïs te eten. Joroka ging toen aan het zoeken, overal tussendoor kruipend, maar toen hij haar met het aanbreken van de dag nog niet had gevonden moest hij wel naar zijn verblijf in de kankantrie terugkeren.

    Het arme meisje had de hele nacht tussen het maïs rondgekropen, en pas toen de zon hoog aan de hemel stond durfde ze eruit op te staan. Ze zocht nu haastig het pad op, dat naar haar hut leidde en ontmoette er haar ouders, die net van het drinkgelag terugkeerden. Zodra ze hen zag, begon ze te huilen en te schreeuwen.

    "Wat is er aan de hand?" vroeg haar moeder.

    "De Komaka-Joroka heeft mijn arme zuster gedood," antwoordde ze.

    "Zie je nu wel," klaagde de moeder, "jullie hadden met ons mee moeten gaan, in plaats van alleen achter te blijven."

    Zodra ze allemaal in de hut waren teruggekeerd, was het lichaam van de gedode zuster verdwenen. Zo snel als ze konden deden ze alle pepers die ze bijeen konden rapen in manden om daarmee naar de kankantrie te gaan, die de dochter als het verblijf van Joroka had aangewezen.

    Een groot vuur werd nu om de boom aangelegd, en daarin peper gestrooid. Er moest wel een grote Joroka-familie in die kankantrie wonen, want toen de prikkelende rook in de boom omhoog steeg, kwamen er veel kleine brulapen naar beneden, waarmee het vuur korte metten maakte. Nog meer pepers werden nu in het vuur geworpen, en een heleboel veel grotere brulapen kwamen naar beneden en ondergingen hetzelfde lot.

    De ouders wierpen nu de rest van de pepers in het vuur en daar kwam Joroka zelf, die de oudste dochter had gedood, naar beneden. Terwijl de vader hem toeriep: "Ik dood je, om mij te wreken op de dood van mijn dochter," brachten ze hem met hun allen om. Het lichaam van Joroka werd nu geopend, en ze vonden er vrouwenvlees in.

    Van die tijd af heeft de jongste dochter altijd haar ouders gehoorzaamd.


                                            * * * einde * * *
    Bron : - "Westindische sprookjes"
               uitgegeven door Elmar, Rijswijk, 1994. ISBN: 90389-02719
               - www.beleven.org

    06-04-2011 om 01:16 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (3)
    05-04-2011
    nieuwsgierig héDerde dochter van...
    Derde Dochter van Plankenbrug
    - Een oud Chinees sprookje over een vrouw die mannen in ezels betovert -
    Tijdens de Tang-dynastie had je ten westen van Bianzhou de herberg van Plankenbrug. De herbergierster was de Derde Dochter. Niemand wist waar ze vandaan kwam. Ze woonde zonder man, ze was over de dertig, had zoon noch dochter, en andere verwanten had ze ook niet. Ze had enkele kamers en verschafte maaltijden, maar toch was ze erg rijk. Ze had veel ezels en wie ook maar van de reizenden, van ambtswege of voor eigen zaken onderweg, een rij- of trekdier nodig had, werd door haar tegen een lage prijs geholpen. Iedereen roemde haar menslievendheid en daarom schonken reizigers van heinde en verre haar hun klandizie.

    Tijdens de regeringsperiode Yuanhe (806-820) was Zhao Jihe, een koopman uit Xuzhou, op weg naar de Oostelijke Hoofdstad (Luoyang). Toen hij langs de herberg kwam, nam hij zijn intrek voor de nacht. Er waren al zes of zeven gasten vóór hem aangekomen, die al een bed toegewezen hadden gekregen en omdat Jihe als laatste was aangekomen kreeg hij het achterste bed. Het stond tegen de muur van de kamer van de eigenaresse. Later onthaalde de Derde Dochter de gasten bijzonder royaal. Toen het al diep in de nacht was voorzag ze hen van wijn om zich met hen aan een uiterst vrolijk drinkgelag te zetten. Jihe, die nooit wijn dronk, nam wel deel aan het gesprek en de scherts. Toen het voorbij de tweede wake was, waren de gasten dronken en moe en ieder legde zich ter ruste. Derde Dochter ging naar haar eigen kamer, sloot de deur af en doofde de kaars.

    Terwijl alle anderen in een vaste slaap verzonken waren, wierp Jihe zich slapeloos van de ene zij op de andere. Achter de muur hoorde hij Derde Dochter schuifelen alsof ze iets verplaatste. Toen hij door een kier in de muur naar binnen keek, zag hij hoe Derde Dochter de kaars vanonder de domper vandaan haalde, hem weer aanstak zodat hij een helder licht gaf. Daarna pakte ze uit een klerenkist een ploegje, alsmede een houten buffel en een houten pop, beide zo'n zes of zeven duim groot. Ze zette dit alles voor de haard, nam water in de mond en spuwde dat erover uit. De buffel en de pop begonnen te lopen, en het mannetje leidde de buffel en spande hem voor de ploeg om vervolgens voor haar bed een lapje grond te ploegen: heen en weer gaande trok hij verscheidene voren.

    Uit de kist pakte ze nu een zakje boekweitzaad dat ze aan het mannetje gaf om uit te zaaien. In een oogwenk kwam het op, stond in bloei en droeg zaad, waarop zij het mannetje liet oogsten en dorsen: het was al met al een paar kop. Toen zette ze ook nog eens een molentje neer en nadat hij er meel van gemalen had, borg ze de houten pop weer op in de kist en bakte van het meel een aantal koeken.

    Na een poosje kraaide de haan. De gasten wilden vertrekken. Derde Dochter was al van tevoren naar de gelagkamer gegaan om de lamp aan te steken. De pas gebakken koeken had ze op de eettafel gelegd voor de gasten als ontbijt. Jihe, heftig ontdaan, nam onverwijld afscheid, hij opende de poort en ging weg, maar buiten de deur stelde hij zich verborgen op om haar te bespieden. Daarop zag hij hoe de gasten rond de tafel van de koeken aten. Voor ze ze op hadden vielen ze opeens tegelijkertijd op de grond en gingen balken. In een oogwenk veranderden ze in ezels. Derde Dochter dreef ze allemaal naar achter de herberg en eigende zich al hun geld en goederen toe.

    Jihe vertelde echter niemand wat hij had gezien want heimelijk aasde hij op deze toverkunst. Ruim een maand later keerde Jihe terug uit de Oostelijke Hoofdstad. Voordat hij bij de herberg van Plankenbrug aankwam voorzag hij zich van boekweitkoeken van dezelfde grootte als die van Derde Dochter. Aangekomen bij de herberg nam hij er weer zijn intrek voor de nacht. Derde Dochter was even vrolijk en verheugd als de eerste keer. Die avond waren er geen andere gasten en de eigenaresse onthaalde hem eens zo royaal.

    Toen het diep in de nacht was geworden vroeg ze hem, een en al gedienstigheid, wat zijn wensen waren. Jihe zei: "Morgenochtend vertrek ik, maakt u maar een eenvoudig ontbijt." Derde Dochter antwoordde: "Maakt u zich geen zorgen, gaat u maar rustig slapen." Na middernacht bespiedde hij haar, en zij deed precies hetzelfde als de keer daarvoor. Toen het licht was geworden, zette Derde Dochter een schaal eten neer. De inhoud van de schaal bestond inderdaad uit koeken. Toen ze iets te drinken ging halen, maakte Jihe van de gelegenheid gebruik erheen te rennen en één koek te vervangen door een meegebrachte zonder dat ze iets in de gaten had. Toen Jihe zich gereed had gemaakt voor het vertrek ging hij aan tafel en zei tegen Derde Dochter: "Ik heb toevallig zelf koeken bij me. U kunt de uwe beter wegnemen en bewaren voor de andere gasten." Daarop nam hij zijn eigen koeken en at. Toen hij zijn maal genuttigd had bracht Derde Dochter hem thee en Jihe zei: "Proeft u eens een koek van mij."

    Toen gaf hij haar de verwisselde koek te eten. Zodra ze hem in haar mond had gestoken, begon Derde Dochter ter plekke te balken en daarna veranderde ze in een ezel die bijzonder fors en krachtig was. Jihe besteeg haar meteen en vertrok, bovendien nam hij de voorwerpen uit de kist mee. Maar omdat hij de toverkunst niet kende lukte het hem niet, hoe vaak hij het ook probeerde. Nooit overkwam Jihe iets wanneer hij op zijn ezel andere plaatsen bereisde. Hij legde per dag wel honderd li af!

    Vier jaren later reed hij op haar de Pas binnen. Zo'n vijf of zes li ten oosten van de tempel van de berg de Hua zag hij opeens aan de kant van de weg een oude man staan die zich schaterlachend in de handen klapte: "Derde Dochter van Plankenbrug, waarom heb je deze vorm aangenomen?" Toen greep hij de ezel en zei tegen Jihe: "Al heeft zij dan misdaan, het is toch meer dan genoeg geweest dat zij op u gestoten is! Heb medelijden en laat haar van nu af aan gaan."

    De oude man scheurde daarop vanaf de bek en de neus van de ezel met beide handen de huid uiteen totdat Derde Dochter eruit sprong. Ze zag er nog precies zo uit als vroeger, en nadat ze voor de oude man had geknield als dankbetuiging, rende ze weg zonder dat iemand ooit te weten is gekomen waarheen.


                                              * * * Einde * * *
    Bron : - “Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. List & bedrog. Verhalen over eerlijkheid, gastvrijheid, list en bedrog uit
               de Chinese,Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie”
               uitgegeven door Lemniscaat, Rotterdam, 1990.
               - www.beleven.org

    05-04-2011 om 01:44 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:Tovenaars
    » Reageer (4)
    04-04-2011
    nieuwsgierig héVondevogel
    Vondevogel
    - Een sprookje van Grimm over een vondeling en zijn zusje -
    Er was eens een houtvester. Hij ging op jacht in het bos, en toen hij in het bos kwam, hoorde hij schreien als van een klein kind. Hij speurde waar het gehuil vandaan kwam, en eindelijk kwam hij bij een hoge boom, en daarin zat een kindje. De moeder was met het kind ingeslapen aan de voet van de boom; een roofvogel had het kind in haar schoot in het oog gekregen, toen was hij erheen gevlogen, had het met zijn snavel opgepakt en bovenin een hoge boom gezet.

    De houtvester klom nu de boom in, haalde het kindje naar beneden en dacht: "Je moest de kleine mee naar huis nemen en samen met Leentje opvoeden." Dus bracht hij het thuis, en de twee kinderen groeiden samen op. Het kind dat in de boom gevonden was, noemden ze Vondevogel. Vondevogel en Leentje hielden veel van elkaar, zoveel, dat, als de één de ander niet zag, zij verdriet hadden.

    Maar de houtvester had een oude keukenmeid. Op een avond nam ze twee emmers en begon water te putten. Dat deed ze niet eens, maar heel veel maal. Leentje zag dat en zei: "Zeg, oude Sanne, waarvoor haal je zoveel water?"

    "Als je 't aan geen mens zegt, dan wil ik het je wel vertellen." Toen zei Leentje: nee, ze zou het geen mens zeggen - en toen zei de keukenmeid: "Morgenvroeg, als de houtvester weer gaat jagen, dan kook ik al dat water; en als het ziedend is in de pan, dan gooi ik daar Vondevogel in en ga d'r koken!"

    De volgende morgen, heel in de vroegte, stond de houtvester op en ging op jacht, toen hij weg was, lagen de kinderen nog in bed. Toen sprak Leentje tot Vondevogel: "Als je mij niet alleen laat, dan laat ik jou ook niet alleen." En Vondevogel zei: "Nooit ofte nimmer."

    Toen zei Leentje: "Ik wou alleen maar zeggen - oude Sanne sleepte gisteravond zoveel emmers water naar huis - toen vroeg ik, waarvoor ze dat deed - toen zei ze, als ik 't geen mens zeggen zou dan zou ze 't mij wel zeggen - ik zei: ik zal 't zeker aan niemand zeggen - toen zei ze: morgenvroeg, als vader ging jagen, dan wou ze een pan vol water koken, en jou er instoppen en jou koken! Laten we gauw opstaan, ons aankleden en samen weggaan."

    Dus stonden de twee kinderen op, kleedden zich snel aan en liepen weg. Toen het water ziedend aan het koken was, ging de keukenmeid naar de slaapkamer, wou Vondevogel halen en in de pan doen. Maar toen ze de kamer binnenkwam, toen waren allebei de kinderen weg; toen werd ze verschrikkelijk bang en ze prevelde in zichzelf: "Wat moet ik nu zeggen als de baas thuiskomt, en ziet dat de kinderen allebei weg zijn? Gauw ze achterna, ze weer terughalen!"

    De keukenmeid zond hun drie knechts achterna, die moesten lopen wat ze lopen konden en de kinderen inhalen. Maar de kinderen zaten aan de rand van het bos, en toen ze de drie knechts van verre zagen aankomen, zei Leentje tegen Vondevogel: "Als je mij niet alleen laat, dan laat ik jou ook niet alleen." En Vondevogel zei: "Nooit ofte nimmer!"

    Toen zei Leentje: "Verander jij je dan in een rozenstruik en ik in het roosje." Dus toen de drie knechts aan de rand van het bos kwamen, toen was er niets dan een rozenstruik met een enkel roosje eraan; en de kinderen waren nergens te zien. De knechts zeiden dus: "Dat is niks gedaan," en gingen weer naar huis. Ze zeiden tegen de keukenmeid: er was nergens iets te zien geweest, alleen de bosrand en 'n rozenstruik met 'n roosje. Toen riep de keukenmeid woedend: "Ezelsveulens dat jullie zijn, je had die rozenstruik in stukken moeten snijden en 't roosje afplukken en thuisbrengen; ga het maar gauw halen en doe het dadelijk!" Ze moesten dus nog eens op pad en weer zoeken. Maar de kinderen zagen hen uit de verte al aankomen en Leentje zei: "Vondevogel, je laat me niet alleen, dan verlaat ik je ook niet." Vondevogel zei: "Nooit ofte nimmer!"

    En Leentje weer: "Verander jij je dan in een kerk en ik in de kroon die er hangt." Toen dus de drie knechts weer terugkwamen, was er niets dan een kerk met een luchter. Ze zeiden dus tegen elkaar: "Het is niets gedaan. Laten we maar weer naar huis gaan." Ze kwamen weer terug en de keukenmeid vroeg: "Hebben jullie nu alweer niets gevonden?"

    "Nee," zeiden ze; ze hadden alleen een kerk gezien en daar was een kroon in geweest. "Dwazen," riep de keukenmeid, had dan de kerk afgebroken en de kroon mee naar huis genomen!" En daarom ging zij er nu zelf op af, en ging met de drie knechts de kinderen na. Maar de kinderen zagen de drie knechts van verre naderen en de keukenmeid schommelde er achteraan. Toen zei Leentje: "Vondevogel, laat je me niet alleen, dan laat ik jou ook niet alleen." Toen sprak Vondevogel: "Nooit ofte nimmer."

    Leentje zei: "Word jij dan een vijver, dan ben ik de eend die erin zwemt." Maar nu kwam de keukenmeid erbij, en toen ze de vijver zag, ging ze ervoor liggen en wilde hem helemaal opdrinken. Maar de eend kwam dadelijk aangezwommen, pakte haar met z'n snavel bij haar haar en trok ze 't water in: zo is de oude heks verdronken. De kinderen gingen samen naar huis en waren uitgelaten blij, en als ze niet gestorven zijn, leven ze nog.


                                              * * * einde * * *
    Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
               Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
               - www.beleven.org

    04-04-2011 om 01:04 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:volkssprookje
    » Reageer (3)
    03-04-2011
    nieuwsgierig héWaarom de spin...
    Waarom de spin een bochel op zijn rug heeft
    - Een Lets volksverhaal over een kwaadsprekende spin -
    Ieder die in stoffige hoeken van de kelder, op zolder, in de schuur of in andere opslagplaatsen wel eens de moeite heeft genomen een spinnenweb van dichtbij te bekijken en daarbij vooral op het spinnetje zelf heeft gelet, die zal hebben kunnen zien, dat dit insect op zijn rug een klein bocheltje heeft.

    Wat is eigenlijk de herkomst van die bochel op de rug van de spin? Dat zal ik jullie vertellen:

    Lang geleden, toen alle dieren nog spreken konden, liep er eens een boer naar zijn akker. Daar zag hij plotseling een lange glanzende zilveren draad die uit de hemel naar beneden hing. De boer bevoelde de draad nieuwsgierig en toen hij merkte, dat deze sterk genoeg was om zijn gewicht te kunnen dragen, nam hij het besluit om langs die draad omhoog te klimmen naar de hemel.

    Dat was een moeizame klimpartij! Toen hij een hele dag geklommen had en de wereld beneden hem er nog slechts als een wereldje van kinderspeelgoed uitzag, was hij nog lang niet in de hemel.

    Ook de tweede dag had hij zijn doel nog niet bereikt. Hij was nu al wel tot boven de wolken gekomen en daar was het héél wat kouder dan de boer gedacht had, toen hij nog beneden op de aarde had gestaan. Want daar was het op dat ogenblik juist hartje zomer. En omdat hij nu weer een nacht hangende aan de draad moest doorbrengen vóór hij in de hemel zou aankomen, keek hij eens om zich heen of hij iets kon vinden om er een vuurtje mee te stoken, waarbij hij zich dan zou kunnen warmen.

    Tenslotte vond hij een houten pin die hij voor in zijn muts had gestoken. Hij kloofde de pin tot stukken brandhout, leende van een van de sterren die hij zo met zijn hand kon bereiken een beetje vuur en bracht toen de nacht door bij een heerlijk knappend houtvuurtje. De volgende morgen zette hij zijn klimpartij voort en kwam toen betrekkelijk gauw in de hemel aan.

    Hij volgde de glanzende zilveren draad en zag dat deze onder de gesloten hemelpoort door liep. Alvorens nu deze poort te openen, luisterde de boer eerst eens met zijn oor er tegenaan gedrukt, of hij kon beluisteren wat er aan de andere kant van de hemelpoort voorviel.

    En daar hoorde hij, dat een spin met Onze Lieve Heer aan het praten was. "Als U eens wist," hoorde hij de spin tegen Onze Lieve Heer zeggen, "hoe slordig en achteloos beneden op aarde de mensen omgaan met een van de kostbaarste gaven die zij van U hebben gekregen, het brood. Ik heb een herder gezien, die bij het eten vol verkwisting overal in het rond broodkruimels vermorste. En toen hij zijn hond een stuk brood wilde geven, gooide hij het zo maar zonder meer op de grond. Ach, de mens is niet waard, dat hij een dergelijk kostelijk geschenk van U heeft gekregen." En de spin schudde zorgelijk zijn hoofd.

    Toen de boer echter hoorde, wat de spin allemaal tot Onze Lieve Heer zei, kon hij zijn ergernis niet langer bedwingen. Hij opende de poort en trad voor de hemeltroon.

    "Je hebt makkelijk praten," zei hij tegen de spin, "maar wat had die herder dan moeten doen? Hij kan toch niet iedere keer dat hij op de heide bij zijn kudde moet eten, een tafel meenemen om te voorkomen dat er wel eens een kruimeltje brood op de grond valt! En zou hij telkens als hij zijn hond een korst brood geeft, een schaal op de grond moeten zetten, om te zorgen, dat het brood niet met de aarde in aanraking komt? Dat zou immers zinloos zijn, want honden eten toch altijd gewoon van de grond. Nee, dat is louter lasterpraat wat je hier vertelt!" En de boer verzocht Onze Lieve Heer de spin te straffen, omdat hij de mens zonder enige reden aan het belasteren was.

    Ook Onze Lieve Heer was zeer vertoornd, toen Hij hoorde dat de spin aan het kwaadspreken was, zonder dat daartoe enige grond bestond. En tot straf werd de spin toen uit de hemel naar beneden geworpen.

    De spin tuimelde vele malen over zijn kop en viel toen met een smak op de aarde, precies op zijn rug. Hij bezeerde zich daarbij gevoelig en heeft sindsdien van de val een bochel op zijn rug overgehouden.

    De boer echter dankte Onze Lieve Heer voor de gerechte straf die Hij de spin had laten ondergaan en liet zich weer langs de draad omlaag zakken naar de aarde. Hij was zeer verheugd, dat hij nog net op tijd de listen en lagen van de spin had kunnen verijdelen.

    De spin echter heeft sindsdien zijn boze opzet niet opgegeven, om de mens alsnog een valstrik te spannen. En in duistere, verborgen hoekjes is hij nog altijd bezig daartoe zijn netten te vlechten.

    Het is hem echter niet meer gelukt weer eens omhoog te klimmen tot in de hemel, om nog eens bij Onze Lieve Heer aan te komen met zijn kwaadsprekerijen. Zijn bochel heeft hem dat verhindert.


                                            * * * EINDE * * *
    Bron : - "Sprookjes van Oost-Europa" verzameld en bewerkt door Doedy Bevelander.
               C.P.J. van der Peet, Amsterdam.
               www.beleven.org

    03-04-2011 om 00:20 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:volksverhalen
    » Reageer (3)
    02-04-2011
    nieuwsgierig héSnegoerka, het...
    Snegoerka, het sneeuwpop-meisje
    - Een oud Russisch volksverhaal over een kinderloos echtpaar -
    De kikker die al het water opdronkEr was eens een boer die Iwan heette en zijn vrouw heette Maroesja. Zij waren al heel wat jaren getrouwd, maar zij hadden geen kinderen. Dat vonden zij verschrikkelijk. Zij keken vaak hoe de kinderen van de buren speelden; dat was hun enige vreugde.

    Op een mooie winterdag, toen het 's nachts lang had gesneeuwd, keken Iwan en zijn vrouw naar de buurkinderen die lachend in de sneeuw speelden. De kinderen waren een sneeuwpop aan het maken en Iwan en Maroesja vonden het leuk om te zien hoe de pop steeds groter en mooier werd. Opeens zei Iwan: "Vrouw, laten we naar buiten gaan en ook een sneeuwpop maken!" - "Waarom niet?" zei Maroesja. "Wij mogen ook wel eens een pleziertje hebben. Maar waarom zouden we een grote sneeuwpop maken? Laten we een sneeuwkindje maken, nu God ons geen levend kindje heeft gegeven." - "Dat is een goed idee," zei Iwan tegen Maroesja en samen gingen zij naar buiten.

    En in de tuin, vlak bij hun huisje, gingen zij aan het werk. Zij maakten een klein lijfje en kleine handjes en kleine voetjes. Toen dat was gebeurd, rolden ze een sneeuwbal en maakten daar een hoofdje van. "De hemel zegene jullie," zei een voorbijganger. "Dank je," antwoordde Iwan. "De hulp van de hemel is altijd goed om te ontvangen," zei Maroesja vroom. "Wat zijn jullie aan het doen?" vroeg de voorbijganger. "We maken een sneeuwmeisje," zei Maroesja.

    Zij maakten twee kleine holten in het hoofdje, die de ogen moesten voorstellen en zij maakten ook nog een lief klein neusje en een kinnetje. En toen zij klaar waren - o, het was haast niet te geloven toen bewoog het kleine sneeuwpopmeisje! Iwan voelde een warme adem uit haar mond komen. Hij deed een stap achteruit en keek: de stralende ogen van het sneeuwmeisje waren blauw en haar lippen, nu roze gekleurd, krulden in een lieve glimlach.

    "Wat gebeurt hier?" riep Iwan uit en hij sloeg een kruis. Het sneeuwmeisje boog haar hoofd en de sneeuw viel van haar nu blonde haar, dat om haar zachte ronde wangen krulde. Zij bewoog haar armpjes en beentjes alsof ze een echt meisje was. "Iwan! Iwan!" riep Maroesja huilend van blijdschap. "De hemel heeft onze gebeden verhoord." Ze sprong op het meisje toe en overdekte het met kussen. "O, Snegoerka, mijn eigen lief sneeuwmeisje," snikte zij en zij droeg het kind naar binnen.

    Iwan had heel wat moeite om van zijn verbazing te bekomen en Maroesja werd haast gek van vreugde. Met het uur werd Snegoerka het sneeuwmeisje groter en mooier. De man en de vrouw konden hun ogen niet van het kind afhouden. In het kleine huisje, waar het altijd zo triest was geweest, was het nu vol leven en vrolijkheid. Alle buurkinderen kwamen met het sneeuwmeisje spelen. Ze babbelden met haar en leerden haar alle liedjes die zij kenden. Het sneeuwmeisje was erg knap. Ze lette goed op en leerde heel vlug. Zij was gehoorzaam, vriendelijk en erg lief. En zij praatte met zo'n lief stemmetje dat je er wel altijd naar zou willen luisteren. Zij speelde met de kinderen in de sneeuw en die zagen hoe goed haar handjes dingen van sneeuw en ijs konden maken. Maroesja zei: "Wat heeft de hemel ons na al die jaren toch gelukkig gemaakt." - "De hemel zij gedankt," zei Iwan.

    Toen begon het lente te worden en de zon verwarmde de aarde. De sneeuw smolt, op de velden kon je het groene gras alweer zien en de leeuwerik zong zijn lied hoog in de lucht. De meisjes uit het dorp zongen:
    "Lieve Lente, hoe ben je gekomen?
    Hoe ben je bij ons gekomen?
    Ben je op een eg of een ploeg gekomen?"
    Alle kinderen waren blij dat de winter voorbij was en zongen en dansten, maar het sneeuwmeisje werd steeds bedroefder. Maroesja nam haar op schoot en vroeg: "Wat heb je toch, lief kind? Ben je soms ziek? Waarom ben je niet vrolijk." - "Maakt u zich maar geen zorgen om mij, moeder," antwoordde Snegoerka. Ik ben heus wel in orde."

    Toen was de sneeuw overal gesmolten en verdwenen. In alle velden en tuinen bloeiden bloemen. In het bos zongen de nachtegalen het hoogste lied. Iedereen was opgewekt, behalve het sneeuwmeisje; zij werd steeds stiller en treuriger. Zij liep weg van haar vriendjes en vriendinnetjes en verstopte zich in donkere hoeken, als een schuwe bloem onder de bomen. Het liefst speelde zij bij het water, onder schaduwrijke treurwilgen. 's Nachts was zij het gelukkigst, of als er een storm woedde, zelfs als het een hevige hagelstorm was. Maar als de hagel gesmolten was en de zon weer doorkwam dan begon zij te huilen.

    Het werd zomer, het koren rijpte en het zou niet lang meer duren of het feest van Sint-Jan zou gevierd worden. De buurkinderen vroegen of Snegoerka met hen meeging naar het bos om bessen en bloemen te plukken. Het sneeuwmeisje zei dat zij liever thuis bleef, maar de moeder drong erop aan dat ze meeging, hoewel ook zij zich angstig voelde. "Ga spelen, mijn liefje," zei zij. "En jullie, kinderen, let goed op haar. Je weet hoeveel mijn man en ik van haar houden."

    In het bos plukten de kinderen bloemen en vlochten er kransen van. Het was warm en ze renden zingend rond, elk met een bloemenkroon op het hoofd. "Kijk eens naar ons!" riepen ze. "Kom met ons spelen. Ga toch mee!" Zingend en huppelend liepen ze verder. Opeens hoorden zij achter zich een zucht. De kinderen draaiden zich om, maar er was niets te zien, alleen een hoopje sneeuw dat vlug srnolt. Het sneeuwmeisje was nergens te bekennen. De kinderen gingen haar zoeken en riepen haar naam, maar zij kregen geen antwoord. "Waar zou Snegoerka zijn? Misschien is ze naar huis gegaan," zeiden ze.

    Ze holden terug naar het dorp, maar daar had ook niemand haar gezien. Toen gingen alle mensen uit het dorp haar zoeken en de volgende dag zochten zij ook en de dag daarna ook. Ze liepen door het bos en ze keken onder elke struik, maar ze konden geen spoor van het meisje ontdekken.

    Iwan en Maroesja dachten dat hun hart zou breken van verdriet en nog vele weken riep Maroesja huilend: "Snegoerka, mijn lief sneeuwmeisje, kom toch bij me!" Soms dachten de man en de vrouw dat zij de stem van hun kind konden horen. Misschien zou zij wel bij hen terugkomen als het weer ging sneeuwen...


                                            * * * EINDE * * *
    Bron : - "Sprookjesboek: 60 sprookjes en volksverhalen" samengesteld door de redacteuren van Reader's Digest.
               Reader's Digest, Amsterdam, 1988. ISBN: 90-640-715-86
               - www.beleven.org

    02-04-2011 om 00:03 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:volksverhalen
    » Reageer (3)
    01-04-2011
    nieuwsgierig héVan de Aardmansberg...
    Van de Aardmansberg en de Echoput
    - Een sage over een aardmannetje in een Veluwse berg -
    Sinds jaar en dag woonde in de Aardmansberg een klein kwaadaardig kereltje. Overdag is hij nooit gezien, maar 's nachts spookte hij rond op de heide en deed de niets kwaads vermoedende voorbijganger plotseling schrikken door op de weg te springen of, achter een struik of boom verborgen, opeens een harde schreeuw te geven.

    Daar bleef het vrijwel bij, want veel meer dan de mensen schrik aanjagen kon hij niet en hij vond daar blijkbaar een bijzonder genoegen in. Een enkele keer zag men hem wel eens over de hei strompelen op zijn kleine kromme beentjes, of een takkenbos voortslepen naar zijn woning, die diep onder in de Aardmansberg is en uit vele gangen en vertrekken bestaat. De mensen hebben dikwijls naar de ingang gezocht, maar ze hebben die nooit kunnen vinden. Of hij binnen komt door een konijnenhol ergens in een kuil onder dichte hei verborgen, of dat hij door een toverspreuk de macht bezit de deur te doen veranderen in een steen, is niet met zekerheid uitgemaakt, want de een zegt dit en de ander dat.

    Nu wilde het toeval, dat men ongeveer twee eeuwen geleden, aan de voet van de Aardmansberg een diepe put ging graven. Het duurde heel lang eer men water had. Toch gaf men de moed niet op en vond eindelijk na 70 meter diep gegraven te hebben, overvloedig en zuiver water. Toen de put klaar was, kwam men tot de ontdekking dat die toevallig was gegraven vlak boven de bron van de aardman, waarbij zich ook de keuken bevond, en zo kwam men er achter, dat de aardman getrouwd was, maar z'n vrouw altijd in de keuken opgesloten hield.

    Zij is de dochter van Lucht en Aarde en werd Echo genoemd. Zij moet vroeger een heel mooi meisje geweest zijn, alleen wat babbelziek en altijd om een praatje verlegen.

    Op een keer kon ze het thuis niet meer uithouden, omdat Aarde, haar moeder, nooit iets zei, en haar vader, Lucht, nooit een goed woord voor haar over had. Als ze hem iets vroeg, dan floot hij door de deurkier, bulderde in de schoorsteen, of antwoordde in het geheel niet.

    Zo kwam het dat ze, na haar vader weer eens iets gevraagd en weer geen antwoord gekregen te hebben, wanhopig het ouderlijk huis ontvluchtte. Bij de Aardmansberg ontmoette ze toen de kleine plaaggeest, die meteen verliefd op haar werd en tegen zijn gewoonte in, vriendelijk met haar keuvelde. Echo, die thuis niet veel gewend was en hem een aardige, vriendelijke vrijer vond, trouwde zo maar subiet met hem.

    In het begin ging alles goed en leefden ze samen heel gezellig in het ruime verblijf onder in de berg; maar al snel kwam de oude aard van de dwerg weer boven. Lang kon hij de komedie van liefhebbend echtgenoot niet volhouden. Al spoedig was het: "Echo, houdt je mond, ik houd niet van al dat lawaai in m'n huis." Dan zweeg het praatzieke, maar vriendelijke vrouwtje een poos, tot ze, er niet meer aan denkend, opnieuw begon te kletsen.

    Het werd een voortdurend geharrewar tussen die beiden, totdat de kwaadaardige aardman haar eindelijk in de keuken opsloot en haar op doodstraf verbood te spreken, als haar niets werd gevraagd, en dan slechts te antwoorden in heel weinig woorden.

    Dit was een vreselijke straf voor de lieve, ongelukkige Echo. Ze vermagerde en verkwijnde, zodat alleen de stem van haar overbleef. Die stem antwoordt nog alléén als men haar iets vraagt, maar ze zal nooit het eerst spreken.

    En wie niet geloven wil, wat hier allemaal van haar geschreven staat, moet haar zelf maar eens vragen:

    "Hoe heette de vader, die je bent ontvlucht?"

    En ze zal antwoorden: "Lucht."

    "Hoe heette de moeder die je baarde?"

    En ze zal antwoorden: "Aarde."

    "Hoe was de Aardman toen je met hem was getrouwd?"

    En ze zal antwoorden: "Oud."

    "Houdt je van hem? Ja of nee?"

    En ze zal antwoorden: "Nee."

    Nu, en als een vrouw zoiets ronduit zegt, dan moet het wel heel erg zijn, en het zou onkies wezen om er verderop in te gaan.

                                                                   * * * EINDE * * *
    Bron : - "Veluwsche sagen" geschreven en verlucht door Gust. van de Wall Perné.
               Uitgegeven te Amsterdam bij Scheltens & Giltay, 1921. p. 50-54.
               - www.beleven.org

    01-04-2011 om 00:22 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sagen
    » Reageer (1)
    31-03-2011
    nieuwsgierig héDe drie groene twijgen
    De drie groene twijgen
    - Een kinderlegende van Grimm -
    Er was eens een kluizenaar; hij leefde diep in een bos aan de voet van een berg en bracht zijn tijd door met gebed en goede werken, en elke avond droeg hij tot Gods eer nog enige emmers water de berg op. Menig dier werd ermee gedrenkt en menige plant verkwikt; want boven op de bergen waait er altijd een harde wind, die lucht en aarde uitdroogt en wilde vogels, die schuw zijn voor mensen, vliegen dan hoog in kringen en kijken met hun scherpe ogen naar water. En omdat die kluizenaar zo vroom was, ging er een engel van God, zichtbaar voor zijn ogen, met hem de berg op, telde zijn passen, en bracht hem, als het werk was afgelopen, zijn eten, zoals ook eens aan een profeet op Gods bevel door de raven eten werd gebracht.

    Toen de kluizenaar in zijn vroomheid al heel oud geworden was, gebeurde het, dat hij eens uit de verte zag, hoe een arme zondaar naar de galg werd gebracht. Hij zei zo voor zich heen:

    "Die heeft zijn verdiende loon."

    Toen hij die avond het water de berg opdroeg, verscheen de engel niet, die anders met hem meeging, en hij bracht hem ook geen eten. Toen schrok hij, en hij onderzocht zijn hart en dacht erover na waarmee hij wel kon hebben gezondigd, omdat God zo boos was, en hij wist het niet. Hij at niet en hij dronk niet, hij wierp zich op de grond en bad dag en nacht.

    En eens op een dag toen hij in het bos was en erg huilde, hoorde hij een vogeltje zingen, het zong mooi en heerlijk, en toen werd hij nog bedroefder en zei: "Wat zingt die mooi! Op hem is God niet boos; ach als dat vogeltje mij zeggen kon, waarmee ik God beledigd heb - zodat ik boete zou kunnen doen en ik weer vrolijk werd in mijn hart!"

    Toen begon het vogeltje te spreken en zei: "Je hebt onrecht gedaan, want je hebt een arme zondaar verwenst die naar de galg werd gebracht, daarom is de Heer boos, want hij is het alleen, die recht spreekt. Maar wanneer je boete wilt doen en spijt hebt van je zonden, dan zal hij je vergiffenis schenken." Toen stond de engel naast hem en hij had een dorre tak in de hand en sprak: "Deze dorre tak moet je zo lang dragen, tot er drie groene takken uit komen spruiten, maar 's nachts, als je wilt slapen, moet je hem onder je hoofd leggen. Je brood moet je aan de deuren gaan bedelen en je mag niet langer dan één nacht in hetzelfde huis blijven. Dat is de straf, die God je oplegt."

    Nu nam de kluizenaar het stuk hout en ging terug naar de wereld, die hij in zo lange tijd niet had gezien. Hij at niet en hij dronk niet, dan alleen wat hem aan de deur werd gegeven. Maar vaak werd zijn bedelen niet beantwoord, en veel deuren bleven gesloten, zodat hij vaak dagen lang geen kruimel brood kreeg.

    Eens was hij van de ochtend tot de avond op pad en niemand had hem iets gegeven, niemand wou hem onderdak geven voor de nacht, en toen ging hij naar het bos en vond eindelijk een hol met een aangebouwd huisje ervoor en daar zat een oude vrouw in. Hij zei: "Goede vrouw, wilt u mij deze nacht in uw huis herbergen?" Maar ze antwoordde: "Nee, dat mag ik niet, al zou ik het graag doen. Maar ik heb drie zoons; ze zijn lastig en kwaad en als ze van hun rooftocht thuiskomen en ze vinden u, dan zouden ze ons beiden doden."

    Toen zei de kluizenaar: "Laat mij gerust blijven, u en mij zullen ze niets doen," en de vrouw kreeg medelijden en liet zich ompraten. Toen ging de man onder de trap liggen met het stuk hout onder zijn hoofd. Toen de oude vrouw dat zag, vroeg ze naar de oorzaak, en toen vertelde hij haar, dat hij het als boetedoening bij zich droeg en 's nachts als hoofdkussen gebruikte. Hij had de Here God beledigd, want toen hij een arme zondaar na zijn veroordeling aan de galg had gezien, had hij gezegd: die krijgt zijn verdiende loon.

    Toen begon de vrouw te schreien en riep: "O, als God een enkele gedachte zo zwaar straft, hoe moet het dan met mijn zoons gaan als ze voor zijn gerecht komen."

    Om middernacht kwamen de rovers thuis, vol lawaai en geschreeuw. Ze maakten vuur aan en toen dat het hol verlichtte en ze een man onder de trap zagen liggen, werden ze woedend en schreeuwden hun moeder toe: "Wie is die man? Hebben we niet verboden, iemand op te nemen?" Toen zei de moeder: "Laat hem maar. Hij is een arme zondaar, die boete doet voor zijn zonden." De rovers vroegen: "Wat heeft hij dan gedaan? Ouwe man!" riepen ze, "vertel ons eens van je zonden."

    De oude man ging zitten en vertelde hun, hoe hij met een enkele zin al zo gezondigd had, dat God erg boos was en hij voor die schuld nu boete deed. Maar de rovers werden door zijn verhaal zo zeer geroerd in hun hart, dat ze schrokken om hun eigen leven, zoals ze dat tot nu toe hadden geleefd, en ze beterden hun leven en begonnen boete te doen met oprechte spijt.

    Nadat de kluizenaar deze drie zondaars had bekeerd, ging hij weer slapen onder de trap. Maar de volgende morgen vonden ze hem dood liggen, en uit het dorre hout, waar zijn hoofd op lag, waren drie groene takken gebot. God had hem dus weer in genade bij zich genomen.


                                              * * * Einde * * *
    Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
               Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
               - www.beleven.org

    31-03-2011 om 00:09 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:legende
    » Reageer (5)
    30-03-2011
    nieuwsgierig héDe ooievaars
    De ooievaars
    - Een sprookje van Hans Christian Andersen -
    4021 (9K)Op het laatste huis in een klein stadje stond een ooievaarsnest. De ooievaarsmoeder zat op het nest bij haar vier kleintjes, die hun kopje met het zwarte snaveltje naar buiten staken: maar die waren nog niet rood. Een eindje daarvandaan op het dak stond stijf en stram vader ooievaar. Hij had zijn ene poot opgetrokken om het zich niet al te gemakkelijk te maken terwijl hij op wacht stond. Je zou heus denken dat hij uit hout was gesneden, zo stil stond hij. "Het staat wel heel voornaam, wanneer mijn vrouw een schildwacht bij haar nest heeft!" dacht hij, "ze kunnen toch niet weten dat ik haar man ben, ze geloven vast dat ik opgecommandeerd ben om hier te staan. Dat maakt een flinke indruk!" En dus bleef hij op zijn ene been staan.

    Beneden op straat speelde een troepje kinderen en toen ze de ooievaars zagen zong een van de moedigste jongens, en daarna allen te zamen, het oude liedje van de ooievaars; ze zongen het, voor zover hij het zich kon herinneren:
    "Ooievaar, ooievaar,
    Vlieg weer naar je nest!
    Daar ligt je wijfje
    Met vier dikke jongen.
    De ene wordt gehangen,
    De tweede gespietst,
    De derde verbrand,
    En de vierde gaat binnenstebuiten!"
    "Hoor toch eens, wat die jongens daar zingen!" zeiden de kleine ooievaartjes. "Ze zeggen dat we gehangen en verbrand worden!"

    "Dat moeten jullie je niet aantrekken!" zei de ooievaarsmoeder. "Luister er maar niet naar, dan doet het er ook niet toe!"

    Maar de jongens bleven doorzingen en ze wezen met hun vinger naar de ooievaars. Alleen één jongen, hij heette Piet, zei dat het niet aardig was de dieren voor de gek te houden en hij wilde helemaal niet meedoen. De ooievaarsmoeder troostte haar jongen dan ook: "Trek het je niet aan!" zei ze. "Kijk eens hoe rustig jullie vader daar staat, en dat nog wel op één been!"

    "Wij zijn zo bang!" zeiden de jongen en zij trokken hun kopje diep in het nest terug.

    "Wacht es!" zei de ooievaarsmoeder. "Daar bedenk ik wat! Ik weet waar de vijver is, waar alle mensenkindertjes liggen tot de ooievaar ze komt halen om ze naar hun ouders te brengen. Die lieve kindertjes slapen en dromen zo heerlijk, als ze later nooit meer zullen dromen. Alle ouders willen graag zo'n kindje hebben en alle kinderen willen graag zo'n zusje of broertje hebben. Nu vliegen we naar de vijver en we halen er eentje voor ieder kind dat niet mee heeft gezongen en de ooievaar voor de gek gehouden; de andere kinderen krijgen er helemaal geen!"

    "Maar de jongen die met zingen begonnen is, die akelige nare jongen!" riepen de jonge ooievaars, "wat doen wij met hem?"

    "Er ligt in de vijver een dood kindje dat zich dood heeft gedroomd, dat zullen we meenemen voor hem. Dan moet hij huilen omdat we hem een dood broertje gebracht hebben. Maar die aardige jongen, die hebben jullie toch niet vergeten, die zei: het is niet lief dieren voor de gek te houden!, hem zullen we een broertje en een zusje brengen, en omdat die jongen Piet heette zullen jullie ook allemaal Piet heten!"

    En het gebeurde zoals ze gezegd had, en sindsdien heetten alle ooievaars Piet en zo heten ze nu nog.


                                            * * * einde * * *
    Bron : - "Sprookjes en vertellingen" door Hans Christian Andersen.
               Van Holkema & Warendorf, Bussum, 1975. ISBN: 90-269-0924-1
               - www.beleven.org

    30-03-2011 om 01:05 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (6)
    29-03-2011
    nieuwsgierig héHet Eierlandse Huis
    Het Eierlandse Huis
    - Een volksverhaal van Texel -
    Ook het Eierlandse Huis op Texel bestaat allang niet meer. Op de plaats waar het ooit gestaan heeft, staat nu een grote boerderij die dezelfde naam heeft. Het echte Eierlandse Huis is lang geleden verbrand.

    Maar toen het er nog stond gebeurden er veel dingen die tegenwoordig niet meer voorkomen. Zoals het geval met de kastelein van het Eierlandse Huis die overleden was. Hij was zo dood als een pier en zou begraven worden.

    Maar dat mag goed gaan op andere plaatsen, in het Eierlandse Huis liep dat toen zeker niet van een leien dakje.

    De kastelein ging in een kist en omdat hij een goed christelijk mens was geweest, werd hij ook in een behoorlijke kist gelegd. Normaal gebeurt er niets met zo’n kist, maar in dit geval ging het anders. Want de kist ging recht overeind staan. Zomaar zonder dat iemand daar een handje bij geholpen had. Hij rees met het hoofdeinde omhoog en stond daar midden in de gelagkamer van het Eierlandse Huis.

    Het was heel erg griezelig, maar de eilanders waren voor geen kleintje vervaard en de kastelein was dood en die moest behoorlijk begraven worden. Dus dat hebben ze gedaan en naar het schijnt is er verder niets met de kist gebeurd.

    Dat er wonderlijke zaken plaatsvonden bij het Eierlandse Huis was niet zo heel verwonderlijk want het stond tenslotte op het uiterste puntje van het eiland. De zee golfde op korte afstand en regelmatig overstroomde al het land in de omtrek. Alleen het Eierlandse Huis stond dan rechtovereind in een eindeloze waterplas. Al wat leefde zocht er dan een vluchtplaats en alles wat de zee aanspoelde werd er opgeslagen.

    En dan was er nog vlak bij het Eierlandse Huis de Dooiemensenkuil. En het Engelse kerkhof. Daar was het vanzelf al erg griezelig en er gebeurden daar soms vreemde dingen. Vooral de postbode schijnt daar erg veellast van te hebben gehad. Andere mensen bleven er wel uit de buurt bij nacht en ontij, maar de postbode moest zijn post bezorgen, weer of geen weer.

    Zo is het ooit een postbode overkomen, op een gure stormavond, terwijl de zee dreunde en de wind gierde, dat kille, klamme handen, koude, dode handen over zijn hoofd streken. Hij kon niets zien, deze postbode, want het was pikdonker. Hij kon ook niets horen, alleen het loeien van de storm en het stampen van de zee. Maar voelen kon hij wel. En hij voelde duidelijk die dode handen over zijn hoofd strijken, over zijn voorhoofd glijden, hij voelde de kille vingers in zijn nek. De kilte ging in een rilling langs zijn rug omlaag, zodat zijn armen verlamden en zijn benen van lood leken.

    Zulke dingen gebeurden er vroeger dus bij het Eierlandse Huis. Niet bij de boerderij die er nu staat, maar bij het oude huis, dat ooit verbrand is.


                                            * * * EINDE * * *
    Bron : - Uit Verhalen van de Waddeneilanden
               uitg. HMP Voila 2002

    29-03-2011 om 00:13 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:volksverhalen
    » Reageer (2)
    28-03-2011
    nieuwsgierig héDe vrouw die...
    De vrouw die haar man naar Aguarenta volgde
    - Een volksverhaal uit Bolivia over het dodenrijk en zijn bewoners -
    I

    Een meisje wilde met een man trouwen, maar hij stierf. Zij had veel van hem gehouden. De volgende morgen, de dag na zijn dood, stond zij voor het huis van haar ouders toen het nog donker was en stampte in de vijzel. Toen kwam er iemand die de vijzelstamper beetgreep. "Wie ben je?" vroeg zij. "Ik ben het," zei hij. Het was haar dode man. "Wil je meekomen?" - "Ja," zei ze, daar zij veel van hem hield.

    Hij begaf zich nu in de richting waar de zon opgaat. Zijn gezicht was verborgen opdat niemand het zou zien. Zij liep achter hem aan. Ze gingen door het bos, ze liepen over de pampas en toen weer door het bos. Overdag sliep hij en 's nachts was hij wakker.

    Toen de vader zijn dochter miste, ging hij haar zoeken. Hij volgde haar sporen. Voor hem liep een vossenspoor. "Anya heeft mijn dochter genomen," zei de vader. Tenslotte vond hij haar dood langs de weg. Hij maakte haar echter weer levend en bracht haar naar huis. Toen ze over de pampas liepen, zagen ze een vos rondsluipen. De volgende dag stierf zij. De vader weende. Toen kwam Ururuti, de witte condor en zei dat hij niet moest klagen. Ururuti nam hem op zijn rug en vloog met hem naar Aguararenta.

    In Aguararenta sliep men overdag en was men 's nachts wakker. Toen de vader daar kwam, dronk men maïsbier. Uruturi bracht hem naar het huis van zijn schoonzoon. Hij sprak zijn dochter aan, maar hij kreeg geen antwoord. Hij ging nu naar Ururuti die hem naar huis bracht. Noch hij noch zijn vrouw beweenden de dode dochter. De volgende dag stierf de vader.

    II

    Er was eens een vrouw wier man was gestorven. 's Nachts kwam hij bij haar in de gedaante van een man en sliep bij haar. Hij vroeg haar met hem naar zijn dorp Aguararenta te gaan. Zij volgde hem. Toen ze vlak bij het dorp waren, hoorden zij gezang en gedans. Zij ging met haar man naar het marktplein waar een groot drinkgelag plaatsvond. Zij zag daar veel doden die zij kende. De doden waren echter bang van haar en bleven op behoorlijke afstand. Zij bleef daar tot het morgen werd. Toen verdwenen alle hutten en zij bevond zich op een vlakte vol vossensporen. Haar man veranderde zich in een rat. Zij bleef daar de hele dag, zittend op de stam van een algarrobo. Toen het donker werd, kwamen de mensen weer en er had daar een groot drinkgelag plaats. 's Morgens zeiden de doden: "Ik ga als boomstam; ik ga als rat; ik ga als gier; ik ga als vos; ik ga als vleermuis," etc.

    Zij keerde terug naar huis. Haar man zei dat hij haar zou komen halen. Na drie dagen was zij dood. Zij was haar man naar Aguararenta gevolgd.


                                            * * * EINDE * * *
    Bron : - "Volkssprookjes en legenden uit Zuid-Amerika" door Felix Karlinger.
               Uitgeverij Elmar B.V., Rijswijk. ISBN: 90-6120-433-X
               - www.beleven.org

    28-03-2011 om 00:08 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:volksverhalen
    » Reageer (2)
    27-03-2011
    nieuwsgierig héDe draak van Krakau
    De draak van Krakau
    - Een volkssprookje over een Poolse vorst die een draak verslaat -
    Tot de mooiste en ook oudste steden van Europa behoort de Poolse stad Krakau. Als een ouderwets kleinood is ze getooid met schitterende edelstenen: de indrukwekkende burcht en de rivier de Wisla.

    AI meer dan duizend jaren verhief zich op een rotsachtige heuvel de burcht Wawel, maar van een dorp, ja zelfs van een stad, was in de verre omtrek geen spoor te bekennen.

    De machtige vorst Krak had hier zijn zetel. Graag had hij een gemeenschap gesticht, maar waar zou hij de mensen vandaan moeten halen, als iedereen met een grote boog om de plaats heenliep?

    In de holten onder de burcht huisde namelijk een draak, en wee degene, die in de buurt kwam! Weliswaar nam de draak meestal genoegen met de kuddedieren, maar zijn vraatzucht nam elke dag toe, zodat het beslist niet lang meer zou duren, voordat hij de kudde van Krak helemaal zou hebben uitgeroeid. Ongetwijfeld zou hij dan de weg naar de burcht weten te vinden!

    De vorst begreep, dat er iets moest gebeuren, om het dreigende gevaar af te wenden; hij besloot daarom het monster met zijn gewapende knechten onder aanvoering van zijn drie zonen tegemoet te treden.

    Maar dat liep slecht af. De scherpe zwaarden braken als luciferhoutjes op het pantser van de draak. Sommigen van Kraks mannen bezweken onder de opstijgende giftige dampen die het monster naar alle kanten uitspuwde, anderen stierven een gewelddadige dood door de scheurtanden of klauwen van het ondier.

    Slechts een klein groepje keerde heelhuids van deze ongelukkige strijd terug, en de vorst was het noodlot in ieder geval dankbaar, dat ook zijn zonen in leven waren gebleven.

    Kilometers ver was het gesmak te horen, als bewijs dat het gruwelijke monster zijn slachtoffers zich goed liet smaken.

    Reeds de volgende dag waggelde het afschuwelijke beest naar de schanspoort. De aarde dreunde onder het logge gevaarte en toen hij begon te schreeuwen, zwol de wind aan tot storm. De vorst gaf zijn knechten het bevel, een vet schaap over de schanspoort te werpen, zodra het monster tot aan het burchtplein was opgerukt. De draak verslond het arme dier met één enkele hap, onderwijl giftige vonken uitbrakend. Na dit feestmaal likte hij met zijn reusachtige zwarte tong zijn muil af. En pas toen hij merkte, dat er niets meer te halen viel, kroop hij voldaan terug.

    Vorst Krak was een dapper man, voor niets en niemand bang. "Daar moet eindelijk een eind aan komen," zei hij, en kwam met een gedurfd plan: "Als dat ondier weer een slachtoffer komt opeisen, geven we hem in plaats van een levend schaap alleen de met kalk en zwavel gevulde vacht." En hiervan was hij niet meer af te brengen, omdat hij wist, dat ze anders allemaal reddeloos verloren zouden zijn.

    Zelf vulde hij de vacht met het giftige mengsel en beval de dienstmaagden, de vacht dicht te naaien.

    Weldra kondigde het dreunen van de aarde en een afschuwelijk geschreeuw de komst van het ondier aan. Dit keer hoefde hij niet op zijn prooi te wachten. De hamel lag voor hem klaar en hij begon zijn maal, met zijn klauwen om zich heen slaand.

    Maar de holten onder de burcht bereikte hij niet meer...

    En toen hij rochelend neerzonk en tenslotte stierf, verhief zijn machtig lichaam zich nog voor de laatste maal.

    Zo had de wijze vorst de vreselijke draak bedwongen. Onder de burcht bouwde hij nu een stad. De mensen, die hier gingen wonen, noemden de mooie en roemrijke stad naar hun vorst, die ervoor had gezorgd dat het drakengeschreeuw voor altijd was verstomd. Daaruit is de naam Krakau ontstaan.


                                              * * * einde * * *
    Bron : - "Sagen van Europese steden" verteld door Vladimír Hulpach.
               Holland, Haarlem, 1980. ISBN: 90-251-0412-6
               - www.beleven.org

    27-03-2011 om 00:00 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:volkssprookje
    » Reageer (2)
    26-03-2011
    nieuwsgierig héDe legende van de Pottem
    De legende van de Pottem
    - Een oude Betuwse sage over IJzendoorn en het ontstaan van Ochten -
    In de heerlijkheid Isendra aan de brede Waalstroom stond op een hoogte in de slotwaard een kasteel, dat de naam 'Pottem' droeg. Er woonde een ridder die een zoon en een buitengewoon knappe dochter bezat. De zoon was zijn erfopvolger, maar de ridder had bepaald dat wie met zijn dochter zou trouwen een deel van het voorvaderlijk goed ontving. De zoon zou de welige akkers en weilanden behouden en het meisje de bosrijke streek ten oosten van Isendra.

    Op een goede dag kwamen twee broers in het dorp en hoorden wat de heer van Isendra zijn dochter toegezegd had. De inwoners roemden om beurten de schoonheid van Uchta - zo heette het meisje - waarop de broers besloten hun geluk te gaan beproeven.

    Toen zij Uchta zagen, werden beiden verliefd op haar. De eigen keuze was voor het meisje niet erg moeilijk. De oudste was ruw en lelijk; de jongste knap en lenig. Het liefst zou zij de jongste trouwen. Haar vader evenwel besloot, dat - naar gewoonte van die dagen - een toernooi tussen die rivalen gehouden moest worden. Uchta moest dan aan de overwinnaar haar hart en hand toevertrouwen. O, hoe hoopte zij in stilte, dat de jongste zou winnen!

    De dag van het gevecht brak aan. Op de slotwaard stroomde het volk samen, want niemand wilde dit schouwspel missen. Op het moment dat zij te paard stegen, ontmoetten de ogen van Uchta en Dago, de jongste broer, elkaar. Die van het meisje smeekten om zijn overwinning. Dit bezorgde de jonge ridder zoveel moed, dat hij stond te popelen om de strijd aan te kunnen gaan.

    Daar stormden beiden op elkaar in en nog eens en nog eens. Steeds ontweken zij elkaar; de lansen kruisten zich, maar tot een treffen kwam het nog niet...

    Met koele berekening wist ten slotte de jongste zijn lans op het zadel van zijn broers paard te richten en deze ziende, dat hij verliezen zou, dreef zijn paard op. Maar te laat! De zware lans drong tussen hem en het zadel en met een handige beweging wipte Dago zijn broer van het paard.

    Dago had de strijd gewonnen! Het volk juichte, terwijl zijn broer hem ridderlijk de hand reikte en onmiddellijk weg ging om elders zijn geluk te gaan beproeven. Zegevierend reed Dago met Uchta voor zich op het paard, tussen de jubelende mensen door.

    De bruidsschat bestond uit een buurtschap nabij Isendra, dat naar de jonkvrouw de naam Uchta ontving.

                                                                   * * * EINDE * * *
    Bron : - "Mededelingen van de historische kring Kesteren en omstreken"
               verschenen in de eerste jaargang, het eerste nummer, 1968.
               - www.beleven.org

    26-03-2011 om 00:08 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sagen
    » Reageer (3)
    25-03-2011
    nieuwsgierig héDe vrouwengek
    De vrouwengek
    - Een verhaal uit Gelderland -
    Nog niet zo heel lang geleden woonde er op 't Zelle, een beetje op Ruurlo aan, een man van zo'n 50 jaar, Maneveld. Hij had geen vrouw meer, z'n oudste dochter was al vijf jaar getrouwd en je zou toch zeggen dat zo'n man die al opa is zich geen gekkigheid meer op de hals zou halen. Dat zou je zeggen, ja maar 't was wel heel anders: die zelfde Maneveld was gek op vrouwen.

    's Zondags, hij was ook diaken in de kerk, dan keek hij meer naar de meisjes dan dat hij luisterde. En als hij dan met de collectezak rond was geweest en het geld naar de consistoriekamer gebracht had, liet hij de deur op een kier staan en keek of hij de meisjes van 't Zelle kon zien. Tenminste als de baron van 't Zelle er niet was, daar had hij ontzag voor, want hij was maar een gewone arbeider.

    "Verdraaid knappe meisjes. Zoals die Hente er uit ziet, nee daar krijgt hij kippenvel van: zo'n zacht mondje, zo'n mooie kleur en altijd zo netjes gekleed. En dan een paar flinke armen. Maar Fenneke mag er ook zijn: eigenlijk is Hente wat aan de magere kant; Fenneke is wat ronder. Daar zou je nog aan kunnen denken als je nog eens wil trouwen. Dat met Hente moet maar bij wat malligheid blijven." Dit alles schoot onze Manus door z'n hoofd. En daarbij als de ene niet wil, kon hij het bij de andere proberen. "Lelijk of oud ben ik nog niet. ik wed dat de meisjes nog best zin in me hebben."

    De beide meisjes hadden hem allang in de gaten, zo'n oude gek die af en toe al wat beverig is. Dan kennen jullie de Gelderse meisjes nog niet. Ze kunnen wel vijftig jonge kerels krijgen.

    Maar wat ze ook zeiden, Manus zat maar steeds achter ze aan wanneer ze na de kerkdienst naar huis liepen en had het er maar over wie er allemaal in ondertrouw waren en dat hij zelf nog aardig fit was.

    Fenneke zei: "Dan zul je het toch mooi vinden bij je dochter, die heeft al drie kinderen. Hoe gaat het met hen."

    "Oh bedankt. wel goed," zei Manus, maar hij wou er ook nog wel één van zichzelf hebben.

    En Hente die wel van gekkigheid hield: "Ach Manus ik denk er net zo over, maar echte vrijers zijn er tegenwoordig niet zoveel " Vanaf toen liep hij achter haar aan en vertelde steeds dat hij niet dronk, niet speelde en dat hij vooral van hard werken hield. Dan begon hij weer met andere malle praatjes en wilde haar kussen.

    Het begon de meisjes zo te vervelen dat Hente aan Harmen de koetsier vertelde: "Die Maneveld wordt me zo lastig, hij wil maar steeds aan me zitten, die rare kerel. Kun jij ons niet helpen?"

    Ik kan je vertellen dat die Harmen er schik in had. Hij mocht Hente graag. "Ik erger me allang aan die vent: hij loopt hier maar om het huis te lanterfanten. Die ouwe zeur zullen we eens flink te pakken nemen. Doe maar eens net of je hem helemaal ziet zitten." Dat deed Hente.

    En zo kwam het dat Manus wat later dacht: nu of nooit, en wilde haar al mee naar huis nemen... Maar Hente stelde hem voor om als haar vriendin naar haar ouders in Ruurlo was de deur open te laten. "Maar," zei ze, "dan moet je me eerst beloven dat je met me zult trouwen."

    "Dacht je dan dat ik dat niet zou doen?" had Manus in haar oor gefluisterd. Maar van binnen fluisterde de duivel hem in: "Zeg maar ja. Later kun je altijd weer nee zeggen. Wat kan jou dat schelen."

    In de keuken besprak ze verder de tactiek met Harmen de koetsier en met Manus dat hij op hun uitgaansavond maar langs moest komen. En hij moest niet voor elf uur komen en dan kon hij niet gewoon door de deur naar binnen. Meneer draait alles al om acht uur op slot. Nee, hij moest maar in de turfmand gaan zitten. Die zou ze wel neerlaten en dan kon hij zo door het dakvenster bij haar komen. Ze zou hem wel naar boven trekken.

    Wat was onze Manus blij! Hij kon er al bijna niet van slapen, de smiecht. Onder het grasmaaien moest hij maar steeds op zijn horloge kijken. Het begon ook nog te onweren, maar hij redde het net op tijd om z'n nette kleren aan te trekken. - Nou moest Hente gewoon wel zeggen dat hij er knapper uitzag dan menig jonge kerel. - En toen ging hij op pad.

    Daar achter het grote huis hing zowaar de mand. En of onze Maneveld er rap in zat! "Bun ie-j et?" hoorde hij het lieve mondje van boven fluisteren. En daar ging onze Manus de hoogte in. Opeens ging het niet verder! Hij was al zo hoog dat hij haar in het schijnsel van de maan kon zien. Hij wou net gaan roepen, maar ze keek uit het raam en fluisterde: "O gut e gut. Daar komt meneer aan! Hou je stil, Manus, straks haal ik je wel op!"

    Maar van straks kwam niks en de volgende morgen hing Manus nog net zo in de mand. Al was hij nog zo'n beste diaken, nu kon hij het vloeken niet laten.

    Maar het ergste kwam nog. Toen Hente met Fenneke en Harmen hem halverwege opgehaald hadden, waren ze naar bed gegaan. De volgende morgen had Harmen aan meneer gevraagd of die eens wilde komen kijken: hij had nu zo'n rare nachtvogel aan het huis hangen.

    Toen meneer, mevrouw, Fenneke en Harmen beneden waren liet Hente de mand zakken en je kunt je indenken hoe raar meneer er van opkeek dat er in de mand geen vreemde vogel maar Maneveld uit de mand stapte.

    Maneveld tierde en vloekte er wat af, maar meneer zei: "Ja ja Maneveld,

    Zó gaat het een vrouwengek
    als hij te veel met vrouwen gekt."


                                            * * * EINDE * * *
    Bron : - Opgetekend door J.H. Gallée in 1870 en in het Nederlands vertaald door Hetty van der Kolk-Eggink.
               
               - Oorspronkelijke titel : De bebbenbek -->zie blog.seniorennet.be/hetty1943/
               - www.beleven.org

    25-03-2011 om 00:12 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:volksverhalen
    » Reageer (3)
    24-03-2011
    nieuwsgierig héDe vijfhonderd geldstukken...
    De vijfhonderd geldstukken die er niet waren
    - Een Mongools volksverhaal over het eerlijk verdelen van geld -
    Er liepen eens twee mannen samen op straat. Ze praatten gemoedelijk met elkaar en plotseling zei de een tegen de ander: "Zeg, als we nu eens midden op straat vijfhonderd geldstukken zagen liggen, hoe zouden we die dan verdelen?" Daarop ontspon zich het volgende gesprek:

    "Zou het niet eerlijk zijn als we allebei tweehonderdvijftig geldstukken kregen? Wat denk je?" - "Wat? Zou je dat zo willen verdelen? Ik heb het geld het eerst gezien, dus het spreekt toch vanzelf dat ik dan driehonderd geldstukken krijg!" - "Daar ben ik het niet mee eens! Niet jij hebt het geld gevonden, ik heb het het eerst zien liggen!"

    En zo kregen ze ruzie en raakten ze zelfs slaags. In het vuur van de strijd botsten ze tegen een dschanggi op die toevallig hun kant uit kwam.

    "Hé, waarom vechten jullie?" vroeg de dschanggi. Daarop antwoordde de een: "We hebben het over vijfhonderd gevonden geldstukken en nu zegt die kerel daar dat hem driehonderd geldstukken toekomen en dat ik me daarbij moet neerleggen."

    Toen de ander meteen riep dat hij het geld het eerst had zien liggen en dat het toch heel normaal was dat hij er dan driehonderd van zou krijgen, zei de dschanggi: "Deze kwestie kan ik wel voor jullie oplossen. Jullie zijn met z'n tweeën en daarom krijgen jullie elk tweehonderd geldstukken. De overige honderd moeten jullie aan mij, de dschanggi, geven!"

    Deze woorden wekten de woede van de ruziemakers op. "Hé, inhalige dschanggi, we hebben het over geld dat we nog helemaal niet hebben gevonden!" Daarop werd het gezicht van de dschanggi rood van schaamte en wist hij werkelijk niet wat hij moest zeggen.


                                            * * * EINDE * * *
    Bron : - "Mongoolse sprookjes" verzameld door Walther Heissig. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 2000.
               Oorspronkelijke uitgave: Mongolische Märchen. ISBN: 90-389-1111-4
               - www.beleven.org

    24-03-2011 om 00:15 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:volksverhalen
    » Reageer (3)
    23-03-2011
    nieuwsgierig héHet vertelsel van...
    Het vertelsel van Kabundi en de dieren
    - Een Congolese fabel over bedrog -
    Op een zekere dag zag Kabundi jagers die op zoek waren naar wild; hij verwittigde de dieren: 't Ware goed dat wij allen ophielden met rondlopen. 't Ware goed dat al de dieren die hoeven hebben die hoeven afsneden, die poten hebben hun poten afsneden, we zouden allen samen op een plaats blijven. We zullen dan zien of de jagers nog de sporen van het wild kunnen vinden.

    Al de dieren vonden de list van Kabundi goed; allen sneden ze hun poten af en ze bleven stil zonder nog rond te lopen. Wanneer ze dan hun poten hadden doen afsnijden, namen ze die poten en plaatsten ze in de veranda van hun huizen. Maar 's nachts ging Kabundi de hoeven van de Hippo halen; hij stapte er mee rond het huis van het Nijlpaard.

    's Morgens dan zeiden de dieren: Gij, Hippo, wij hebben het verbod bepaald dat niemand nog mag rondlopen, waar­om gaat ge wandelen? Wij vinden het goed u te doden vandaag nog; allen waren ze van 't zelfde gedacht, en ze doodden het Nijlpaard.

    Van zohaast het nacht was, ging Kabundi de hoeven van de olifant stelen, hij gebruikte ze voor zich zelf, hij wandelde en stapte er mee op het hof zelve van den Olifant; nu de Olifant was aan 't slapen en wist het niet; Kabundi deed het enkel opdat ze den volgenden dag den Olifant zouden doden; en 't gebeurde lijk hij het dacht, 's Morgens dan deed men de Olifant een palaver aan: Zie, we hebben het verbod gegeven, waarom blijft gij maar rondwandelen op uw hof?

    Hij loochende alles, maar vruchteloos ten laatste zeiden de dieren: We gaan hem doden. En ze doodden de Olifant. En het duurde zo voort, tot al de dieren dood waren ter oorzaak van het kwaad en de bedriegerijen van Kabundi.


                                            * * * EINDE * * *
    Bron : - Oorspronkelijke titel: Lusumuinu lua Kabundi ne bukwa nyama
               - www.beleven.org

    23-03-2011 om 00:08 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:fabels
    » Reageer (0)
    22-03-2011
    nieuwsgierig héDe hond, die...
    De hond, die geen hond was
    - Een Nederlands sprookje over een in een hond betoverde prins -
    Er was eens een schipper en die voer met zijn schip over zee en toen verging het schip en hij kwam op een stuk hout aan land drijven. Hij was droevig, omdat hij zijn schip verloren had en toen kwam daar een zwarte hond bij hem en die vroeg hem, wat hem scheelde.

    "Och, je kunt me toch niet helpen," zei de schipper, maar de hond hield aan. "Ik zal het je maar zeggen," zei die, " ik kan je wel helpen." De schipper was bang, dat die hond de Duivel was en hield zijn mond, maar toen het beest volhield, zei hij het op het laatst toch en hij vertelde, dat hij zijn schip had verloren en nu geen nieuwe meer krijgen kon.

    "Bestel maar een schip," zei de hond, en de schipper bestelde een schip en toen ze dat aan het timmeren waren, liep de hond daar de hele tijd omheen, want hij moest het geld ervoor geven. Toen het schip klaar was, betaalde de hond het, maar het had nog geen zeilen en touwen.

    "Hoe moet ik daaraan komen?" vroeg de schipper aan de hond.

    "Hier heb je geld," zei de hond, "koop daar zeilen en touwen voor."

    En toen die erop waren, zei de schipper: "Nu heb ik nog geen knechten en geen eten om op reis van te leven." De hond gaf hem weer geld. "Koop daar eten voor en huur knechten."

    Dat deed de schipper en zo kwam hij klaar voor de reis. "Nu moet ik ook meevaren," zei de hond toen. Goed, en ze staken in zee. "Je moet maar al noord-aan zeilen," zei de hond. Goed, dat deed de schipper.

    Toen ze drie dagen gezeild hadden, zei de hond: "Je moet je gereed maken, we krijgen een storm van anderhalve dag." Goed, toen kregen ze ook die storm.

    En toen de storm over was, zei de hond: "Nu hebben we lange tijd mooi weer."

    En zo gebeurde het ook. Maar daarna zei de hond: "Nu krijgen we weer een storm van een dag of drie, maak je maar gereed." En het gebeurde weer, zoals de hond gezegd had.

    En nadat ze weer lange tijd mooi weer hadden gehad, zei de hond, dat er een storm van een week lang zou komen en dat ze het anker maar moesten laten vallen. Dat deed de schipper toen en die storm ging ook weer voorbij. "Nu hebben we net zo lang mooi weer, als we nog op zee zijn," zei de hond toen. En dat hadden ze ook.

    Ze voeren lange tijd door en toen vroeg de hond: "Zie je ook haast land?"

    "Nee," zei de schipper.

    "Zeil vooral noord-aan," zei de hond.

    Dat deed de schipper en na een dag of drie vroeg de hond weer, of de schipper nog haast geen land zag. "Nee," zei de schipper, "ik zie geen land, maar ik zie wel een groot vuur. Het lijkt de hel wel."

    "Nee," zei de hond, "het is de hel niet en het is ook geen vuur. Het is mijn vaders kasteel, dat is van goud en daar schijnt de zon op."

    Toen zeilden ze nog een dag of drie en daarna kwamen ze bij het land, maar ze konden niet dicht genoeg bij de wal komen, want het was daar niet diep genoeg. De hond zei, dat ze maar een boot uit moesten zetten en daar gingen ze toen mee naar het kasteel.

    Daar was geen mens en de hond zei: "Nu moet je drie kwade nachten uitstaan, maar hou je maar stil."

    "Goed," zei de schipper.

    De eerste nacht brak aan, en toen de kaarsen opkwamen, was er een kamer vol volk en ze grepen de schipper en kaatsten hem elkander toe, van de een naar de ander. Zo de gehele nacht door en toen de dag aanbrak was al dat volk weg en ze waren weer met hun beiden en des daags aten ze met hun beiden.

    Toen de kaarsen de tweede nacht weer opkwamen, ging het weer net zo en ze zeiden: - Dat is een mooie kaatsbal! En de derde nacht alweer zo. Maar toen zei de hond, dat het genoeg was, en ze kwamen in een kamer, waar een groot zwaard op tafel lag.

    "Daar moet je me de kop mee afhouwen," zei de hond toen. Maar dat zinde de schipper niet. "Nee, dat kan ik niet doen, je bent veel te goed voor me geweest," zei hij.

    "Je moet het toch doen," zei de hond, "anders moet jouw kop eraf."

    Toen deed de schipper het en toen de hond zijn kop er af was, werd hij een mens.

    "Zie je wel," zei hij, "zo is het beter. Mijn vader had mij in een hond omgetoverd en op zo'n manier moest ik weer een mens worden."

    De schipper was natuurlijk heel blij. En hij kreeg nog zoveel geld van de hond toe, dat hij daar zijn hele leven genoeg aan had. Hij bedankte de hond, maar die zei, dat het niet nodig was. "Ik mag jou wel bedanken," zei hij. En de schipper ging voort met zijn geld.


                                            * * * einde * * *
    Bron : - "Nederlandse sagen en volksverhalen" door Cor Bruijn. Fibula, Houten, 1989.
               Oorspr. titel: Nederlandse sagen. Ploegsma, Amsterdam, 1946. ISBN: 90-269-4419-5
               - www.beleven.org

    22-03-2011 om 00:46 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (3)
    21-03-2011
    nieuwsgierig héDe hebberige buurvrouw(vervolg)
    De hebberige buurvrouw (vervolg)
    - De legende van het Danum-meer -
    Toen ze klaar waren met eten, gaf de oude vrouw Bulan twee 'gabi' wortels en een rijststengel. "Ga nu naar huis," zei de oude vrouw. "Zo gauw als je thuis bent, berg dan de rijststengel op in de graanschuur. Kook de 'gabi'." Verder zei ze niets meer, ook geen goedendag. Bulan was teleurgesteld omdat ze in ruil voor haar varken en al haar problemen alleen twee 'gabi' wortels en één rijststengel had gekregen. Niettemin bedankte ze de oude vrouw en ging naar huis. Ze borg de rijststengel op in de graanschuur en kookte de 'gabi', precies zoals de oude vrouw haar had opgedragen.

    Toen de 'gabi' gekookt had, pakte Bulan een mes om het in stukken te snijden. En toen merkte ze iets vreemds op. Het maakte namelijk niet uit hoeveel stukken ze afsneed, de 'gabi' bleef even groot. Weldra had ze honderd plakken van de 'gabi' op tafel meer dan genoeg om haar kinderen eten te geven. Toen wist ze dat dit de gift was van de oude vrouw.

    Toen herinnerde ze zich de rijststengel en ze rende naar de graanschuur. Het stroomde er over van de rijst. Bulan was erg gelukkig, omdat ze wist dat haar familie nooit meer honger hoefde te lijden.

    Spoedig merkten de buren het grote geluk van Bulan op. Eén van haar buren was een rijke maar begerige vrouw genaamd Galay. Deze vrouw had geweigerd om Bulan wat rijst te lenen toen deze niets had om haar kinderen te voeden. Galay vroeg Bulan hoe het kwam dat ze nu zoveel voedsel had. Bulan vertelde haar openhartig over haar vreemde reis. "Ik zal het varken van mijn man meenemen en uitkijken naar de oude heks," zei Galay met een harde flikkering in haar ogen. "Maar je graanschuur is vol!" riep Bulan uit. "Ach, maar als ik de magische rijststengel zou hebben dan zou ik nooit zou hard meer hoeven te werken!" zei Galay, terwijl ze wegliep om naar het varken te kijken.

    De volgende dag ging de begerige buurvrouw op weg naar het meer met een varken in een mand op haar hoofd. Toen ze bij het meer kwam zette ze het varken op de grond. Ze trok aan zijn staart om er zeker van te zijn dat hij ging gillen. In een flits verscheen de vrouw. Alles gebeurde precies zoals Bulan haar had verteld. De twee vrouwen liepen over de oppervlakte van het water totdat ze bij het huis op de palen kwamen. De oude vrouw nam een wortelstoel, ging bij het raam zitten en droeg Galay op haar haar te luizen. Galay vervulde dit met afschuw en ze weigerde. Vervolgens maakte de oude vrouw het avondmaal. Maar toen Galay zag dat de borden waren gemaakt van menselijke schedels stond ze snel van tafel op. Toen Galay naar de deur rende sloeg de oude vrouw haar op haar dij. Onmiddellijk veranderde Galay in een grote pijnboom. Het huis en de oude vrouw verdwenen. Alleen het meer en de boom bleven bestaan.

    Een paar jaar later kwam er een houthakker die de reusachtige boom zag staan in het midden van het ondiepe meer. Hij besloot om de boom om te hakken. Zodra de boom was omgehakt begon het water te stijgen. Het meer verzwolg veel van het omliggende land en werd zo diep dat je de bodem niet meer kon zien. Vandaag de dag wordt het het 'Danum-meer' genoemd, wat zoveel betekent als 'het water van het meer'. De pijnboom staat er niet meer, maar mensen geloven dat de geest van de hebberige buurvrouw nog steeds in het midden van het meer woont.


                                              * * * Einde * * *
    Bron : - "The girl who fell from the sky" Klassieke legendes uit de Filippijnen, naverteld door: Maria Elena Paterno.
               Vertaald door Karin Bruggert (Stichting Beleven).
               - www.beleven.org

    21-03-2011 om 00:00 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:legende
    » Reageer (8)


    Welkom bij saagje !
    Foto


    Laatste commentaren
  • Harden vol 1 (Rodolfo)
        op De mythe van Stinsterloo
  • Cheap Jerseys From China (Anthony)
        op De mythe van Stinsterloo
  • Lieve groetjes vanwege DEWESTHOEK (Annie & Rogier)
        op De boer en de duivel
  • Hallo Saagje,heel mooie story, (paolo)
        op De boer en de duivel
  • Piepelou Saagje (Jeske)
        op De boer en de duivel
  • Blog als favoriet !

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto


    Kribbelboekboek
  • Fijne midweek toegewenst
  • Lieve midweekgroetjes blogmaatje
  • Het blijft hier stil
  • Een fijne Donderdag gewenst
  • Voor alle Papa's en Opa's een fijne vaderdag gewenst

    bedankt voor de trouwe bezoekjes
    saagje


    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    E-mail mij


    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Archief per week
  • 08/07-14/07 2013
  • 01/07-07/07 2013
  • 24/06-30/06 2013
  • 07/05-13/05 2012
  • 30/04-06/05 2012
  • 05/12-11/12 2011
  • 31/10-06/11 2011
  • 24/10-30/10 2011
  • 10/10-16/10 2011
  • 03/10-09/10 2011
  • 26/09-02/10 2011
  • 19/09-25/09 2011
  • 12/09-18/09 2011
  • 05/09-11/09 2011
  • 29/08-04/09 2011
  • 22/08-28/08 2011
  • 15/08-21/08 2011
  • 08/08-14/08 2011
  • 01/08-07/08 2011
  • 25/07-31/07 2011
  • 18/07-24/07 2011
  • 11/07-17/07 2011
  • 04/07-10/07 2011
  • 27/06-03/07 2011
  • 20/06-26/06 2011
  • 13/06-19/06 2011
  • 06/06-12/06 2011
  • 30/05-05/06 2011
  • 23/05-29/05 2011
  • 16/05-22/05 2011
  • 09/05-15/05 2011
  • 02/05-08/05 2011
  • 25/04-01/05 2011
  • 18/04-24/04 2011
  • 11/04-17/04 2011
  • 04/04-10/04 2011
  • 28/03-03/04 2011
  • 21/03-27/03 2011
  • 14/03-20/03 2011
  • 07/03-13/03 2011
  • 28/02-06/03 2011
  • 21/02-27/02 2011
  • 14/02-20/02 2011
  • 07/02-13/02 2011
  • 31/01-06/02 2011
  • 24/01-30/01 2011
  • 17/01-23/01 2011
  • 10/01-16/01 2011
  • 03/01-09/01 2011
  • 26/12-01/01 2012
  • 20/12-26/12 2010
  • 13/12-19/12 2010
  • 06/12-12/12 2010
  • 29/11-05/12 2010
  • 22/11-28/11 2010
  • 15/11-21/11 2010
  • 08/11-14/11 2010
  • 01/11-07/11 2010
  • 25/10-31/10 2010
  • 18/10-24/10 2010
  • 11/10-17/10 2010
  • 04/10-10/10 2010
  • 27/09-03/10 2010
  • 20/09-26/09 2010
  • 13/09-19/09 2010
  • 06/09-12/09 2010
  • 30/08-05/09 2010
  • 23/08-29/08 2010
  • 16/08-22/08 2010
  • 09/08-15/08 2010
  • 02/08-08/08 2010
  • 26/07-01/08 2010
  • 19/07-25/07 2010
  • 12/07-18/07 2010
  • 05/07-11/07 2010
  • 28/06-04/07 2010
  • 21/06-27/06 2010
  • 14/06-20/06 2010
  • 07/06-13/06 2010
  • 31/05-06/06 2010
  • 24/05-30/05 2010
  • 17/05-23/05 2010
  • 10/05-16/05 2010
  • 03/05-09/05 2010
  • 26/04-02/05 2010
  • 19/04-25/04 2010
  • 12/04-18/04 2010
  • 05/04-11/04 2010
  • 29/03-04/04 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/03-21/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/03-07/03 2010
  • 22/02-28/02 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 11/01-17/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2009
  • 14/12-20/12 2009
  • 07/12-13/12 2009
  • 30/11-06/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 16/11-22/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 26/10-01/11 2009
  • 19/10-25/10 2009
  • 12/10-18/10 2009
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 14/09-20/09 2009
  • 07/09-13/09 2009
  • 31/08-06/09 2009
  • 24/08-30/08 2009
  • 17/08-23/08 2009
  • 10/08-16/08 2009
  • 03/08-09/08 2009
  • 27/07-02/08 2009
  • 29/06-05/07 2009
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009
  • 08/06-14/06 2009
  • 01/06-07/06 2009

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Welkom bij
    Foto

    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!