De Lierse Lente 3/6/2016 – 10/1/2017
Felix Timmermans en zijn kunstbroeders ten tijde van Pallieter

www.facebook.com/TimmermansOpsomerhuis
Lier, einde 19de eeuw: een burgerlijk en ingeslapen garnizoenstadje, een kleine provinciestad met neoclassicistische huizen rond haar Grote Markt, de Sint-Gummaruskerk en in de schaduw daarvan talrijke kloosters, godshuizen en kapellen. En verder het begijnhof en de Rijksnormaal-school, de kweekschool voor het officieel onderwijs. De tijd lijkt wel stil te staan.
Tal van jonge mensen die hier in deze periode het levenslicht zien, voelen zich geroepen om in de meest uiteenlopende domeinen creatief door het leven te gaan. Lier wordt een magneet, ook voor artistiekelingen van buitenaf. Het oude begijnhof, voordien nog door Anton Bergmann als pittoresk en sfeervol decor geromantiseerd, en even later door Isidore Opsomer als schilderachtige plaats ontdekt, wordt het magische oord om te dromen, te schrijven, te schilderen en te musiceren. Jonge Lierse kunstenaars ontdekken de weiden en de velden achter het begijnhof. Zij noemen dit 'het Salon'. Daar ontmoeten zij elkaar: de letterkundigen Felix Timmermans, Antoon Thiry, Jozef Arras, Gustaaf Van der Hallen; de kunstschilders Raymond De la Haye, Eugeen Yoors, Reimond Kimpe; de toondichter Renaat Veremans en de architect-kunstschilder Flor Van Reeth. Zij voelen zich geest-verwanten, dwepen met symbolisme en mystiek, vereren dezelfde auteurs. In de boeken van Ruusbroec, Guido Gezelle, Maurice Maeterlinck, Joris Karl Huysmans en John Ruskin zoeken zij inspiratie en bevestiging van hun artistieke missie.
De kunstprofeet Sâr Péladan, stichter van de Ordre de la + Croix + Catholique, trekt vanuit Parijs wereldwijd volgelingen aan, waaronder de jonge Lierse kunstenaars. Zij bestuderen zijn geschriften en kleden zich naar zijn voorbeeld. Kunst weert materialisme en dient de Rozenkruisersidealen van schoonheid, naastenliefde en geloof. Raymond De la Haye weet de diepzinnigheid van een mystieke geest perfect te combineren met lofzangen in stralende kleur- en lichtvisioenen. Eugeen Yoors raakt tijdens zijn studies aan de academie in Parijs persoonlijk bevriend met Péladan en overhaalt de anderen ertoe lid te worden van de Rozenkruisersorde. Eugeen Yoors en Flor Van Reeth komen niet alleen in contact met Péladan, maar ook met Huysmans. Het avontuur zet zich voort en samen zullen zij hun grootse architecturale droom realiseren. Het Péladiaanse ideaal zal later doorschemeren in de Pegrimbeweging. Intussen worstelt één van de jongsten onder hen met een geestelijke crisis. Hij bevrijdt zich vanuit de duisternis naar het licht door een ongeremde lyrische lofzang op de natuur, bevolkt met uitbundige en levenslustige figuren en vereeuwigd op papier. Het boek Pallieter krijgt gestalte en zal vijf jaar later bij zijn publicatie inslaan als een bom. Het brengt verering en discussie teweeg tot op het hoogste niveau en wordt uiteindelijk een mijlpaal in de Nederlandse literatuur. Met dit boek verovert Felix Timmermans de wereld. De Lierse Lente is een feit! Met Louis Zimmer en Lodewijk Van Boeckel vervolledigen zij de roem van dit kleine Netestadje. Lier staat plots op de wereldkaart.
Schrijver, tekenaar, schilder In dat jaar verschijnt Schemeringen van de dood en begint Timmermans te schrijven aan Pallieter. Het zou drie jaar duren voordat het boek voltooid is en vijfjaar alvorens het in druk verschijnt. "De Schemeringen van de dood is het ei waaruit Pallieter ter wereld gekomen is. Toen ik de Schemeringen schreef was mijn leven inderdaad omsluierd met een droeve en angstmakende allerzielennevel, waarachter zich een horizon van klagend klokgelui verborg.{...) Door het occultisme had ik een trek gekregen naar het mysterieuze, naar het griezelige, het Maeterlinck-achtige. In alles voelde ik mysterie." vertelt Felix Timmermans later in Uit mijn rommelkas (1922). In 1907 onderneemt Felix Timmermans met vriend en kunstbroeder Flor van Reeth een begijnhovenreis, voor beiden een inspirerende belevenis. Ze werken samen aan Schemeringen van de dood, dat in 1910 bij Victor De Lille in Maldegem verschijnt (Duimpjesuitgave nr. 84). Timmermans draagt het boek op aan Floris Van Reeth die voor de illustraties zorgt. Van Reeth weet speels met de duistere materie om te gaan, maar Timmermans lijdt aan zwaarmoedigheid.

In 1911 ondergaat de schrijver een heelkundige ingreep, er wordt gevreesd voor zijn leven. Het nonnetje dat hem verzorgt, brengt hem twee bloeiende hyacinten. "Ik rook de Lente!" zegt hij later. Het is voor hem het signaal van zijn heropleving. De levensdrang overwint zijn angst voor de dood. Eenmaal hersteld, noteert hij iedere dag natuurobservaties. Hij wil schrijven, maar hij mist een bindmiddel, een personage dat alles in zich opneemt en reflecteert. In de weilanden achter het begijnhof groeit de idee tot Pallieter, wiens avonturen terstond gedeeld worden met de vrienden. Gustaaf Van der Hallen schrijft de hoofdstukken over in een mooi en leesbaar handschrift. Een voorpublicatie in het Nederlandse tijdschrift De Nieuwe Gids onder redactie van Willem Kloos wordt enthousiast ontvangen. Bob Van Kampen, de zoon van uitgever Van Kampen, beseft de grote scheppingskracht en het volkomen nieuw en experimenteel taalgebruik.
Tegen advies van zijn vader in laat hij het boek drukken. In volle oorlogstijd verschijnt Pallieter, opgedragen "Aan Marieke Janssens, mijne vrouw", in een oplage van 1250 exemplaren. Het onthaal is overrompelend maar ook kritisch, vooral bij de kerk. Pallieter wordt door het Vaticaan als godslasterlijk beoordeeld en belandt op de lijst van verboden boeken. Een gezuiverde versie dringt zich op. Felix Timmermans weert zich, maar de tussenkomst van een vaktheoloog, dr. Theodoor Van Tichelen, blijkt onvermijdelijk. Pallieter zal spoedig de hele wereld veroveren, gekuist en ongekuist.
Bouwmeester Kunstenaar De eerste ontmoeting tussen Felix Timmermans en Flor van Reeth heeft plaats op 12 mei 1906 in het Lierse begijnhof terwijl Van Reeth deze aquarel maakt.(*) Zij raken dadelijk aan de praat en ontdekken hun geestverwantschap. Hun belangstelling voor mystiek, Ruusbroec, Thomas à Kempis, Gezelle, Maeterlinck en de Vlaamse Primitieven maakt dat zij kunstbroeders worden voor het leven. "Dat ik Flor tegenkwam, is geen toeval, maar dat moest zo zijn. Het was bijna of hij mij was, maar met een ander lichaam en een ander gezicht." memoreerde Felix Timmermans later in een artikel over zijn vriend. Gezamenlijk maken zij in 1907 een begijnhovenreis, een zwaarmoedige belevenis, die Timmermans inspireert tot het schrijven van Schemeringen van de dood (1910), opgedragen aan en geïllustreerd door Van Reeth. In De witte vaas, de woning van Flor van Reeth in Mortsel, schrijft Timmermans het hoofdstuk Maneschijn uit Pallieter.
Vanuit de artistieke leefwereld van de Engelse Arts&Crafts evolueert Flor van Reeth naar een eigen regionale interpretatie van de versoberde art nouveau {progressief regionalisme). In 1912 geeft Maurice Maeterlinck hem de opdracht een landhuis te ontwerpen. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog blijven die plannen onuitgevoerd. Bij de wederopbouw realiseert Flor Van Reeth de Lierse tuinwijk Zuid-Australie {1920-23), deels geïnspireerd op de begijnhoftypologie. Deze wijk werd tijdens de Tweede Wereldoorlog volledig verwoest. In het Ruusbroeckhuisje op het Lierse begijnhof richten Felix Timmermans , Flor van Reeth en Ernest Van der Hallen in 1924 de Pelgrimbeweging op. Zij willen de vooruitstrevende katholieke kunstenaars verenigen. Met tentoonstellingen (Antwerpen 1927 en 1930), een eigen tijdschrift en een manifest, die een grote weerklank kennen, dragen Pelgrimkunstenaars uit diverse landen en uit verschillende disciplines bij tot de modernisering van de religieuze kunst. Tot hun belangrijkste werk horen: De Boodschapkapel van het Heilig-Hartinstituut in Heverlee (1929-1932), ontworpen voor Flor Van Reeth en met glasramen van Eugeen Yoors; een kruisweg van Albert Servaes en smeedwerk van Rie Haan. Daarna volgen de Sint-Walburgis-kerk (1936) in Antwerpen en de parochiekerk van het Heilig Hart (1937-1939) in Lier, waarvoor het bisdom de glasraamontwerpen van Yoors afwijst. Daarom noemt Felix Timmermans deze kerk een "onvoltooide symfonie".

(*) Timmermans publiceert later een verslag over deze ontmoeting, maar idealiseert de gebeurtenis en hij omschrijft de bedoelde aquarel foutief. Volgens getuigenis van Flor van Reeth is het wel degelijk de hier getoonde aquarel die door hun onverwachte ontmoeting onvoltooid bleef. Timmermans kwam hem vanuit de Vestpoort tegemoet.
Kunstschilder, graficus Felix Timmermans ontmoet Raymond De la Haye tijdens de avondlessen aan de Lierse tekenacademie. De zeer belezen en filosofisch ingestelde De la Haye wordt voor de jonge Felix een leidsman die hem introduceert in de wereld van mystiek, occultisme, astrologie, kabbalisme en theosofie. Dat zorgt bij Timmermans voor een overspannen verbeelding en een geloofscrisis en leidt tot een creatieve ontlading, een bevrijdende kreet in de natuur: het boek Pallieter. Naar verluidt zou de jonge Timmermans model gestaan hebben voor de ets 'De verloren zoon'. (Zaal Raymond De la Haye)
Raymond De la Haye gaat vroeg in de leer bij de decoratieschilders Alban Chambon en Henri Privat Livemont in Brussel. Ook volgt hij de avondlessen aan de kunstacademie in Anderlecht en studeert hij aan de Antwerpse Academie, waar hij in contact komt met Jean Delville. De la Haye legt zich toe op de wetenschappelijke kleurenleer en brengt zijn visie voluit tot uiting in luministische schilderijen. Ook als graficus is hij zeer bedrijvig. Raymond De la Haye is een trouwe volgeling van de Franse schrijver en spirituele leider Sar Mérodack Péladan (1858-1918), excentrieke kunstcriticus, occultist en stichter van de Ordre de la Rose + Croix + Catholique. De la Haye leeft naar geest en kleding volgens diens regels: kunstenaarschap is priesterschap, kunst is als een gebed en dient los van het materiële verheven te worden naar de Rozenkruisersidealen van schoonheid, naastenliefde en geloof. Vegetarisme en geheelonthouding zijn noodzakelijk. De la Haye verheerlijkt deze zienswijze in een geëtst drieluik. Ook in de hechte vriendschap met de Sombeekse kunstschilder Edmond Verstraeten, een pantheïstisch non-conformist, vond hij de bevestiging van zijn levensopvatting.

Raymond De la Haye sneuvelt op 32 jarige leeftijd als soldaat aan het front in Luik tijdens de eerste dagen van de Eerste Wereldoorlog. "Hij vertelde over dingen waarvan ik nooit had gehoord of gedroomd. Met een innerlijke, kalme overtuiging vertelde hij over Astrologie, Theosophie en Kabbalisme. Hij sprak over de schoonheid en het doel van alles onder het licht van een mystiek, waarvan ik nooit een woord had vernomen. Ik kende toen alleen Ruysbroeck en de Visioenen van Anna-Catherina Emmerich. Zijn woorden maakten een zalvenden, geweldigen indruk op mij. Het nieuwe inzicht in het leven, het mysterieuze verband der dingen, achter de verschijnselen zien, trokken mij zo aan, als een slang naar zoet muziek, dat ik niet meer dacht, maar alleen verbaasd en vol wondere ontroering was, als voor een nieuw licht dat over mijn leven schoof." Felix Timmermans, Uit mijn rommelkas, 1922
Kunstschilder, graficus De liefde voor het schilderachtige karakter van hun geboortestad is wat Isidore Opsomer en Felix Timmermans innig met elkaar verbindt. Timmermans bewondert het uitzonderlijk talent van Opsomer en staat meermaals model voor hem. Isidore Opsomer schildert, tekent en etst aanvankelijk pittoreske stadsgezichten en begijnhoftaferelen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verblijft hij in Engeland en Nederland, waar hij onder invloed komt van kunstschilder George Hendrik Breitner. Van dan af ontwikkelt hij zijn kenmerkende monumentale en expressionistische schilderwijze, die hem vooral als portretschilder wereldfaam bezorgt. Isidore Opsomer zal directeur worden van het Nationaal Hoger Instituut in Antwerpen. In 1940 wordt hij in de adelstand verheven.

In een voordracht over Isidore Opsomer, gepubliceerd in 1943, schetst Felix Timmermans de artistieke evolutie van zijn vriend en verklaart hij zijn koloriet: "Maar de kleur van Lier blijft in zijn werk. De Lierse kleur. Het olijfgroen van het water, het Engels rood der daken, het kermis-wit der gevels, de zachte oker van de straatstenen, dit parel-blauw en ritselend zilver onzer bewegende luchten, de zij-ige glanzen van het slijk als het water laag is. Ge zult die kleuren over al zijn schilderijen vinden, zowel in dit Hollands stadsgezicht, als in dit liggend naakt, het stilleven met de broze eieren en zwarte pot, zowel als in de zeilen achter die Katwijkse vrouw. De kleur is het leven van zijn schilderijen. En zij leven omdat zij zo stijlvol geschilderd zijn."
Kunstschilder, tekenaar en glazenier Eugeen Yoors brengt zijn jeugd door in Sevilla waar hij naar de kunstacademie gaat. Hij voltooit zijn studies aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen en aan de Ecole des Beaux-Arts in Parijs. Daar raakt hij bevriend met Sar Péladan, mysticus en grootmeester van de Ordre de la Rose Croix Catholique. In 1905 ontmoet hij in de Boechoutse kunstkring Streven de jonge kunstschilder-architect Flor van Reeth met wie een levenslange creatieve vriendschap ontstaat. Beiden worden lid van de Franse kunstkring Confrérie rosicrucienne la Rosace alsook van de Antwerpse Scalden. In 1913 richten zij Le Scarabée d'Or op, een werkstede voor bouw- en versierkunst. Tijdens de eerste wereldoorlog wordt Eugeen Yoors als militair vluchteling geïnterneerd in het kamp van Amersfoort. Later getuigt hij hierover : "Gedurende de Eerste Wereldoorlog zat ik als gevangene in een kamp waar het eten schaars en oneetbaar was. Wij werden er haast allen ziek. Daar werd mij als gezelschap Pallieter toegezonden. De vreugde die hij mij bracht kan niet in woorden worden omgezet. Ik had het in de vooroorlogse jaren weten ontstaan en gedeeltelijk in zijn groei gevolgd. Niet alleen door mij werd het boek gelezen. Het werd door mijn medegevangenen verslonden en als stralen van een zon danste de Pallieteriaanse geest binnen in de sombere ellende van het kampleven."

Wanneer Felix Timmermans, Flor van Reeth en Ernest Van der Hallen in 1924 de Pelgrimbeweging oprichten, sluit Yoors zich daar onmiddellijk bij aan. De Pelgrimleden hebben gezamenlijke projecten op het oog. De modernistische Boodschapkapel van het Heilig-Hartinstituut in Heverlee, naar een ontwerp van Flor Van Reeth, wordt hun best geslaagde realisatie. De ruimte ademt een gewijde sfeer. Niet in het minst de kleurrijke glasramen van Yoors, 450 m2 in totaal, dragen daartoe bij.
Het portret dat Yoors tekent van de Nederlandse auteur en pelgrimbroeder Frederik van Eeden is bedoeld als ontwerp voor een kerkglasraam. In 1930, ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Frederik van Eeden, wordt de tekening gereproduceerd en als geschenk aangeboden aan de pelgrimleden. Eugeen Yoors en zijn echtgenote, de dichteres Magda Peeters, kennen Frederik Van Eeden al jaren. Op 11 mei 1919 bezoeken zij hem in Walden, de leefgemeenschap van Van Eeden in Bussum. Die dag noteert Van Eeden in zijn dagboek: "Een warme zomerdag. Ik lees Pallieter, met genoegen. Wonderlijk dat sterk stuk taal." Yoors zegt hem dat het boek meer succes heeft in Nederland dan in Vlaanderen.
Felix Timmermans noemt wereldburger Eugeen Yoors "de in het Frans opgevoede Vlaamse Spanjaard".
Bezoekersgids bij 'De Lierse Lente. Felix Timmermans en kunstbroeders ten tijde van Pallieter. Tekst en samenstelling tentoonstelling: Ronald De Preter. Realisatie: stad Lier Met dank aan alle bruikleengevers V.U.: RikVerwaest, p/a Paradeplein 2 bus 1, Lier
Opgedragen aan Luc Coenen. ere-conservator Lierse Musea

Ontwerp van de cover voor zijn Pallieter
********
XX
|