Is Timmermans groot?
Door Felix Morlion O.P. – Uit Kunst en Geestesleven van 29/10/1932.
Er zijn zekere lofspraken welke veel erger zijn dan een veroordeeling. Het geval Timmermans is met het verschijnen van « de harp van St-Franciscus » weer wat erger geworden ; men heeft weer in koor gesproken over de sappigheid van Timmermans en zich daarmee weer definitief de moeite gespaard om verder na te denken. Het wordt een echte plaag in Vlaanderen en ook in het buitenland steeds maar dien sappigen Vlaming te ontmoeten : zo vangt men een mensch en een volk in een adjektief, in een enkel-uiterlijke hoedanigheid. We moeten nu wel eindigen met eens lang en geduldig de vraag te stellen : is Timmermans dan toch niet meer dan dat? Kom, laten we even terug het werk van Timmermans doorwandelen en zoeken tusschen het weelderig, pallieteriaansch gewas, naar iets dat dieper wortelt, naar iets dat die- per is. Laten we midden het eenvoudig, sappig proza toch maar vragen stellen naar wat niet volledig uitgeschreven staat. Laten wij tusschen de adjectieven en beschrijvingen zoeken naar de ziel van den schrijver, naar zijn zwakheden en zijn overwinningen, naar de groei vooral van zijn God in hem.

I
'k Heb dorens om mijn hoofd gedragen en dorre bloemen in mijn hand. 'k Ben lijk een beedlaar smart gaan vragen. 'k Heb kruisen langs mijn weg geplant...
'k Heb alles, alles afgebroken hetgeen ik nooit bewierookt had. Maar 'k heb mijn wit geluk gevonden in 't kleed van wee dat mij omvat!
Geloof me, beste lezer, ik ben hier niet verstrooid en in een ander onderwerp verdwaald. Die verzen zijn werkelijk van onzen sappigen Felix Timmermans. Onze Fé had in zijn jeugd een romantieke dichtersziel, een van die zielen de zich eerst met het wit kleed van wee moeten omhullen eer ze zich dichterlijk voelen. Timmermans is zijn letterkundig leven begonnen met de erbarmelijkste romantiek, met die jammerlijke vlucht uit het gewone leven die een mensch wel echt ongelukkig maken kan, niet echt poëtisch. We lachen best niet te erg met de huilerige verzen van dien tijd of met het akelig monsterdrama ; « Holdijn ». Het was den jongen ernst en wat hij zijn kunst noemde was een zorgvuldig gekweekte ziekte die hem ten minste één aangenaam gevoel gaf: zich superieur te voelen aan de burgers rondom hem. Zoo is het romantisme.
Maar er was erger. De ongevormde volksjongen begon te lezen en wel de troebel-geestelijke boeken van Maeterlinck en Huysmans en tutti-quanti. Zijn onbestemd romantisch heimwee-gevoel begon zich te verwikkelen met gedachten. Hij ontdekte een wereld die ver genoeg was, en ongewoon: de kabala-boeken; de theosofie, het occultisme. Een scheutje Ruusbroek daarbij (theosofisch gelezen), een select kunstenaarskringetje zelfs enkele experimenten spiritisme : het is genoeg om heelemaal neurasteniek te worden. En toch, dan reeds lag er in Timmermans iets onverwinnelijk gezond, sterker dan al die ziektekiemen.
« De schemeringen van de dood » zijn het eerste werk uit dien tijd, en zeker het meest oprechte. De akelige geschiedenis van « De Lijkbidder » die de dood komt aanmelden van moeder, van «De Kelder», waarin zich de zinnelijke bruid verdronk die van haar mystieken man geen geslachtsvoldoening kreeg, van « Het Zevende Graf » dat toch voor de morgen kwam zijn prooi wist te krijgen, van « De witte Vaas » die door de rondwarende dood werd omgesmeten, van « Het Onbekende » dat den rampzaligen minnaar trekt naar den dood dien hij met zijn geliefde niet samen had durven ondergaan... dat alles is doorhuiverd van het echte torment dat de schrijver dan tot in de diepten van zijn ziel donker onderging. Doch wat de schrijver zelf slechts later in zichzelf heeft kunnen ontdekken dat voelen wij reeds onder de lezing dier verschrikkingen: hier is een man die een hoofd gekregen heeft om in het gewone dagelijksche gelaat der schepping schoonheid te zien en er te scheppen. In volmaakte tegenspraak, met de drakerig-akelige inhoud der verhalen ontwikkelt zich hier de blijde gave om kleur te brengen in het eentonige der dingen, om verrassing te brengen midden het alledaagsche, om een tapijt van frissche vergelijkingen te weven tusschen de naden van het banaalste zijn en gebeuren. Dit alles nog met donkere gaten, dit alles gedurig onderbroken door een holle pathos waar men niet de echte Timmermans vindt, maar de restjes van zijn onverwerkte lezing.
Daarom grijpen we nieuwsgieriger naar zijn volgend werk: « Begijnhofsproken » en we vinden er wat gebeuren moest. De tooververhalen zijn nu al niet veel meer dan een excuus, en gelegenheid voor de kleurige tafereelen, voor de prettige vondsten, een kader voor het spelletje van een essentieel frissche fantasie. Alle kunstenaars, of ten minste alle zichzelf ontdekkend kunstenaar is zoo een beetje dilettant; hij geniet van zijn eigen middelen, van zijn uitbeeldingsmacht en vergeet daarbij een beetje waarover het gaat, en wat hij eigenlijk te zeggen heeft. Het geloof van Timmermans was in al zijn okkultistische doenerij natuurlijk heel vaag en ijl geworden. Hier is het al niet veel meer dan een decoratieve achtergrond waarop hij zijn figuurtjes kan schilderen.
Het begijnhof is voor hem wat het is voor veel verloopen romantiekers : een aangenaam anachronisme, een zoete herinnering uit tijden die ver weg zijn en dus poëtisch schoon. Voeg daarbij echter dat dit alles bij den rasechten Vlaming veel zichtbaarder, tastbaarder... en eetbaarder is dan bij den vreemden romantikus « lijk appelenreuk in een kast waar appelen hebben gelegen zoo leefde hier de vergane devotie der Kerstenheid » En spijts het « sappige » ophoopen van vergelijkingen en adjektieven, spookt in vollen ernst door Felix' proza en door zijn ziel de eenbaarlijke figuur van den duivel, waaraan hij sidderend gelooft En daar geurt toch steeds de zoete, zoete devotie voor Onze Lieve Vrouw die hij altijd heeft vereerd.

II
Pallieter is geen roes, geen zinnelijke roes zooals de meeste kritici herhalen (weer al een van die woorden die sukses hebben en ons verstand onstrueeren voor verder inzicht). Pallieter is een genezing, en niet enkel de vreugde om de genezing maar het voltrekken der genezing zelf. Pallieter is de krachtige stap in de natuur, van een man die zijn ziekte heeft gezocht in de vermufte kamers van een occultistisch gedroom. Het grijpen van een fel bezintuigde ziel naar al de volheden die door haar meer dan door andere grijpbaar zijn. Het herworden van een heerlijk kind dat te vergeefs gepoogd heeft oud en intellektueel en tragisch te worden. Wat moeten wij hier van zinnelijkheid spreken in den zin van die verkeerd ingevolgde neiging die men aan de menschen verwijt. Het is de zinnelijkheid van iemand die voor het eerst het volle register van de lichaams- en zielskrachten openzet, die zichzelf geheel in gezonde werking zet, die Gods schepping proeft met al de monden die God hem heeft gegeven.
Men zoeke hier geen regels hoe men leven moet: men vindt er dan wat men niet volgen mag en met recht heeft een kerkelijk gezag het boek (vooral om enkele passages) aan die onoordeelkundige lezers verboden. Men zoeke er den gang van een levensvreemdeling terug het leven in. Men zie in Pallieter niet Timmermans of niet een mensch maar een verlangen om weer heelemaal mensch te zijn, en hier in casu een verlangen dat sterk genoeg was en vier jaar geduldig om van den tranerigen, bibberigen verscheurden dichter weer een gezond mensch te maken.
Theologisch is het boek ook niet juist en men kan (theologisch gesproken) wel van den amoralistischen Pallieter spreken: het is altijd eenzijdig. Wie al zijn krachten mobiliseert om tot de gezondheid, het physiologisch evenwicht, de harmonie der vermogens terug te keeren mag wel even voor een tijdje van de erfzonde abstraktie maken, en zelf vergeten te spreken over de zonde die toch in hem woelt. Pallieter, de mensch zonder bekoringen, de paradijsrnensch is wel niet mogelijk, maar hij helpt ons wel (als we die vraag niet stellen) om ons ook weer dichter bij de natuur te voelen en ten slotte dichter bij God. In dit geval heeft de dichter zelf klaar gezien, en klaar gezegd (« uit mijn rommelkas ») : « Wat was het vraagstuk van het leven? Er was geen vraagstuk meer. Het was maar iets dat te bewonderen was. Er is niets te doen dan te bewonderen. Bewonderen en anders niet! »
III
Timmermans is gezond. Hij is zichzelf. Wat zal hij worden? We volgen hem door zijn werk en we maken onderscheidingen. In de rust van zijn gemoed is bij Timmermans het oude geloof weer wakker geworden en warm en gemoedelijk. De oude vertellingen van vader zaliger komen weer boven. Hij schrijft « Het Kindeke Jezus in Vlaanderen ». Het boezemt hem echter geen belang in hier aan psychologie te doen, in het geval hier aan heiligenpsychologie. Timmermans neemt het eenvoudig evangelie en hij beschildert het met prettige Vlaamsche koleuren zooals de naïeve verluchters het eertijds deden. Hij laat in zijn verhaal ook enkele Vlaamsche menschen binnenwandelen, onder meer den guitigen zanger Kruisduit. Hij doet wel zijn best om Jezus, Maria, Jozef zoo heilig mogelijk te houden: hun geestelijkheid en hemelschheid verdwijnt nog al dikwijls onder de malsche kleuren van het tafereel. Het gevaar, of het gebrek, of de onvolledigheid, van alle schilder in de letterkunde: hij is meer schilderachtig dan diep. Het onderwerp was hier heilig diep. De schilder-schrijver heeft het vol vrome eenvoudige devotie met de bloemen en vruchten van zijn verbeelding omkranst en hij heeft misschien niet bemerkt dat de kransen ons dikwijls verhinderen het heilig gegeven te zien. En als hij later nog probeert rechtstreeks zijn « verve » in dienst van zijn geloof te stellen, dan moeten we erkennen dat het doorgaans nog niet beter lukt. Zoo in « De hemelsche Salomé », waar St. Katharina zelf wel een beetje opgeschroefd voorkomt en de dikke volksche figuur van Lapa heel het stuk overschaduwt.

Beter dan, nederiger onderwerpen. Het leven der eenvoudige lui beschrijven in al zijn volkschheid die echte poësis is. « Het keerske in den lanteern » bevat juweeltjes in dat genre: « De Koninklijke Vlaai », « Tantjes Begrafenis », « Ambiorix » enz. De folklore, het volksche bijgeloof vervullen niet de rol die hun in de letterkunde toekomt: zij dienen niet om iets te beweren dat de schrijver wil doen gelooven maar om de psychologie te uiten van die menschen die erin gelooven. Wat zijn « De Madonna der Visschen », « De lijkkistprocessie » en vooral « De tryptiek der heilige Drie Koningen » meesterwerkjes op dat gebied! En de uitbundigheid der kleuren van sommige tafereelen, verhindert de opperste fijnheid niet in enkele : getuige het stille, genuanceerde verhaal van « Juffer Symforoza, begijntje. » En toch hier ook een gevaar, of gebrek, of onvolledigheid, en ongeveer het tegenovergestelde van het voorgaande. Hier het heilige, dikwijls om het volksche te illustreeren.
We zien wat reeds in Pallieter een procedé geworden was: de processie, de pastoor en vele andere dingen worden er gebruikt om het geval wat plezanter en « sappiger » te maken, en de godsdienst komt er zoo niet onsympathiek, dan toch niet echt serieus voor? Wachten wij ons wel hier de zaak te ernstig op te nemen; lachen is toch geen kwaad ook niet wanneer nu, in een prettig vertelselke, de pastoor of zijn meid of zijn processie daartoe gelegenheid geeft. Doch we staan hiermee aan de groote vraag die we voor Timmermans en voor ieder schrijver die als groot aanzien wordt stellen moeten. Kan Timmermans niet meer dan vertelselkes schrijven? Kan hij niet grijpen naar 't binnenste geheim van het werkelijke, tragische leven waar geen verbeeldingskens of sappigheden helpen kunnen maar alleen de duistere slag van geest en hart treffen kan? Geeft bij ons niet wat meer is dan kleurige landschappen en koddige figuurtjes: menschen, echte menschen in al hun diepte en volledigheid?
IV
Anne-Marie is het eerste groote werk van Timmermans. Het is misschien niet kleuriger en fijner dan « Het Kindeke Jezus in Vlaanderen. » Het is zeker niet zoo gul en geweldig lyrisch als Pallieter. Doch Pallieter is een opbruischen naar buiten en we bevinden, als we het koel herlezen dat de diepere mensch daar absoluut niet aanwezig is, die mensch die zich beweegt tusschen de wereld van goed en de wereld van kwaad. Het « Kindeke » en de andere boeken zijn lief en soms gemoedelijk, maar ze blijven hopeloos schilderen aan den buitenkant der dingen. Hier in dit boek zien we voor 't eerst bij Timmermans een ziel van binnen, een meisjesziel die blijven zal als alle kleuren en geuren vergaan.
De eerste bladzijden van het boek met hun meer getemperde kleur en humor (renaissance-stijl, lichtjes ironisch en sentimenteel) hebben als voornaamste hoedanigheid dat ze een gewenschte atmosfeer scheppen voor de zachtvrouwelijke, zuivere en stille verschijning van het meisje uit Italië. En lijze, toch hoorbaar midden het luide gerucht van Pirroens gedachten, en het tikken en zingen der dolfijnen, en de wandelingen en processies en vermaken, hooren we den slag van het maagdelijk hart van Anna-Marie, en de liefde die zacht maar sterk wordt in dat hart, en de even sterke wil van het geweten. Dit is hier nu geen litteratuur uit het leven weggedroomd, maar dit is het diepere, meest ongeziene gebeuren van het leven zelf. In het hart van dat naïeve ongerepte kind strijden de twee groote machten : de liefde voor een man die bezitten wil ook al is die man reeds gehuwd, en de liefde voor God die gehoorzaam maakt. En wat zeldzaam is, zelfs bij romanciers die zich katholiek noemen, de genade van God is hier geen ver geloof, maar een werkelijkheid even dicht en even sterk als de warmste liefde. En we zien dat alles in zijn geheimste roerselen, met zijn naiëfheden en zelfbedrog, met zijn zwakheden en zijn overwinningen, en zijn steeds intensere strijd... tot op het oogenblik dat de rede en de vrijheid een enkele maal bezwijken onder den angst: Anna-Marie eindigt haar leven onder de wateren der Nethe. De schrijver heeft het geheim van die daad niet willen oplossen: de kristen schrijver laat het laatste woord van zijn roman, zooals van het leven, best bij God.

« De Pastoor uit den Bloeienden Wijngaerdt » weer een greep meer in het sappige. Het sap der druiven is in dit geval de grote vereering en mijnheer de pastoor illustreert dat sappige, met een soort mystiek die tracht een beetje franciskaansch te zijn. Het is een brave mensch, mijnheer de pastoor, zooals ten andere de schrijver zelf, die alles wel ernstig meent wat de pastoor zegt. Doch als mystiek nemen we dat niet ernstig op : het is niet meer dan een zeer devote gedachtekronkeling die in het verhaal zeer dekoratief werkt. Wat meer dan jammer is : de Fé heeft getracht in de figuur van Isidoor, de ongeloovige twijfelaar weer eens intellektueel te doen en hij had toen moeten weten dat dit nu juist zijn specialiteit niet was. Isidoor is psychologisch vals en zijn twijfels rieken naar de boeken Timmermans gelezen heeft, of om het klaarder te zeggen : een Isidoor levend wezen is niet, maar wel een bloemlezing uit enkel slecht geschreven en slecht overgeschreven droomerijen. Maar daar is de figuur van Leontientje die dat alles vergeten doet, een weder uitgave van Anne-Marie, even schoon en vrouwelijk en kinderlijk heldhaftig in haar geloof.
Breughel: de maat breeder uitgezet, min of meer het meisjesfijne en subtiele-geestelijke, nu hun mannelijk-geweldige en tragisch-kristelijke Breughel: 't volle orkest der zinnen berst open op de wereld, maar ook hun bitterheid komt tot het hart. Breughel, een Pallieter die langer heeft geleefd dan zijn eerste ontdekkings-vreugden, die gevoeld heeft welke wet tegen zijn zinnen streed, die gezondigd heeft maar die ook heeft verzaakt tot hartebloedens toe Het overdadige van stijl en fantasie hebben hier eindelijk een onderwerp gevonden dat juist in die atmosfeer best leven kan. Breughel, de man naar buiten en naar binnen geweldig, wiens zielegeweld niet wordt overschreeuwd door de geweldigste kleuren, en wiens twijfels zwakheden geen litteraire reminiscenties zijn maar doorleefde werkelijkheid. Prachtige zielsdoordaverende driftmomenten (en nog meest misschien die schreeuwen en dat geduld in de liefde van bijzit Anneke), maar ook tusschen dit alles, dikwijls zwak en onmachtig, maar altijd werkelijk de macht van het geloof. Timmermans staat nu heelemaal buiten het kleurig hofke van zijn verbeelding, in het volle tragische leven der werkelijkheid.
V
En « De Harp van St-Franciskus » ? Een heilige naar zijn nart, een kristelijke Pallieter! Een heilige waar de genade en de natuurlijkste natuur één geworden zijn! De sappigste der menschen en de heiligste sappigheid! Ja. Dit zou misschien wel het beste boek moeten zijn van Felix Timmermans. Maar we zoeken te vergeefs naar dien golfslag die door het boek en door ons golven moet, en we vinden slechts passages waar we worden aangedaan. We vinden, prettige beschrijvingen en veel naïef schoon gevoel, maar vinden niet de ziel van Franciskus en haar eenheid en volledigheid. En wat erger is, we voelen dat hier en daar de asem van het boek verslapt en zelfs zijn technische vaardigheid. We voelen dat hier en daar de asem van het boek verslapt en zelfs zijn technische vaardigheid. We voelen zelfs de armoede die hier en daar (waar het niet anders meer gaat), de taalfouten zijn sappigheid te zoeken en te denken dat de lezer ook onder den indruk komt als « hij begost straf te bidden ».
Zou Timmermans werkelijk gaan gelooven in het sappigheidsdogma zijner kunst? Zou hij het beginnen gemakkelijk nemen en niet verder zoeken naar wat in hem nog niet uitgebaat is? Nu moeten we wachten. We weten : het heilige onderwerp is boven de kennis en vorschingskracht van Timmermans. Hier is geen diepere intuïtie in het geheim van den heilige. Met een groote liefde heeft Timmermans het vertelseltje der Floretti wat versierd en getracht (soms zonder te lukken) het nog sappiger te maken. Maar hij heeft aan het geheele werk niet kunnen geven dien innerlijken levensstroom die opwelt uit zijn eigen diepte. Hij heeft het heiligenverhaal smakelijk en vroom naverteld: hij heeft den heilige niet doen leven in zijn volledig menschelijke werkelijkheid.
We wachten nu Timmermans grijpe nu weer eens in dat gewone leven dat hij bereiken kan, en begrijpen, en beleven, in al zijn kleinheid en grootheid, in zijn sappigheid en eigen intensiteit, in zijn zwakheden en in zijn geheime, godgenadige goedheid. Hij schrijve weer de geschiedenis van een mensch niet te heilig en te boos, een mensch die hij niet in de legende, of in zijn bewondering zoeken most, maar in de wereld rondom hem en in zijn eigen zelf. Dan kunnen we wellicht nog eens zeggen, fier en vreugdevol:
Timmermans is groot.

*************
|