ADAGIO
Het volgend jaar wordt een Felix Timmermans jaar. Als een eerste bijdrage in de voorbereiding bieden we aan onze lezers een beschrijving van het boek « ADAGIO ». Bij die gelegenheid kunnen we reeds verklappen dat de K.S.A. een Timmermanskalender voorziet voor het jaar 1957.

Dit laatste geschenk van Felix Timmermans aan de mensheid is geen open boek, ook niet een gesloten schrift, maar veeleer de mysterievolle verklanking van zijn eigen levenswerkelijkheid, het gebed van zijn bestaan. Ieder leven is mysterieus. Alleen jong-hartige mensen hebben de kracht om op het spiegelvlak van hun bestaan de ontmoeting met het mysterie te plaatsen als brandpunt. Ontmoeting is avontuur om kracht. De levenskracht is een evenwicht-zoekende resultante tussen de anderen en onszelf ; zij voedt zich voortdurend met de versmelting van beide polen zonder ooit de diepte van een van beide te peilen.
Deze opgave is de enige grond van onze rust en van onze onrust :
Het diepste lied zingt binnenin onaangerand van woorden ; daar ruischen aarde en hemel in en zwelt de ziel ten boorde,
Ieder leven blijft dat diepste lied. Ook de ontmoeting met het leven van de Fee is als de ontdekking van een slapende bloemknop. Bloemenknoppen worden niet opengebroken zonder ze te schenden : bloemen zijn eerbiedwaardige onbekenden. Alleen het geloof in het opbloeien van de botten behoedt hen voor ruwe handen. Met dit voor ogen, benaderen we het levensgeheim van Timmermans : het is niet mogelijk in 'n aantal volzinnen de kontoeren van zijn geestelijke en religieuze persoonlijkheid te schetsen ; noch zullen we pogen het raadsel van zijn godsdienstige evolutie op te lossen ; maar we trachten slechts duidelijk te maken dat de opdelving van iemands levenshouding uit enkele nagelaten verzen niet onfeilbaar is. Misschien is dit beeld iets-zeggend : Adagio is een gerooid nest ; de vogel is weg en slechts enkele pluimen liet hij achter. Wij houden de pluimen voor wat ze zijn : kleine dingetjes door een grote vogel nagelaten. Door de wet van de innerlijkheid zelf wordt men tot uiterlijkheid beperkt : in een eerste gedeelte handelen we achtereenvolgens over het ontstaan van Adagio, de algemene tendens, en een oppervlakkige situering ; in het tweede deel geven we een meer uitgebreide bloem-lezing met gedichten uit dit werk, gerangschikt naar een synthetisch schema.
HOE IK WERD? Vele mensen, zelfs talrijke Timmermans-lezers, is dit boekje Onbekend gebleven. Het aan de openbaarheid prijs te geven was waarschijnlijk ook niet de bedoeling van de schrijver : gebeden worden niet gepubliceerd. Voor wie de dood een toevallige bezoeker is, is het dokument dan eveneens eerder toevallig tot stand gekomen : gedichten hier en daar in de boeken en op de schrijftafel van de dode teruggevonden werden door de levenden bijeen gelezen, uitgehuwelijkt aan het drukkerspapier en op de markt gebracht.
Reeds meerdere gebeden bleken opgetekend te zijn voor de laatste en langdurige ziekte van de maker. Zijn ingetogenheid van de laatste jaren was algemeen bekend. In die periode schijnt hij geboeid te zijn door de studie van de Oosterse wijzen en de grote mystiekers :
'k Zocht U achter d'hemelrondten, in der sterren harmonij in profeten, in 't doorgronden en in 't zoeken wat de boeken en de wijzen ons verkonden.
De inspiratie van de Veda's en van de eigen middeleeuwse mystieke traditie is wel terug te vinden. Een vergelijking met werk van gelijkaardige mensen - eveneens door het Oosten bekoord - zoals dat van Leopold en Van Eeden zou nuttig zijn : het is met hen en met heel de mystieke wereld trouwens dat hij het cosmisch gevoel en het gevoel van de eenheid tussen mensen en dingen gemeen heeft.
En luister nu, hoe alle dingen zingen, en alles zingend in elkaar vervliedt, de mensen en de dingen, de vreugd, het kwaad en het verdriet, lijk duizendschoon acoorden van een en 't zelfde lied !
Voor wat de kern van Adagio betreft, bleef de inhoud van de buitenwereld tenslotte stiefmoederlijk. De dichter zélf spint de draad van zijn innerlijkheid :
'k Zocht U altijd buiten mij. tot het leven mij verwondde, en ik U, o zaalge stonde, in mij zelven heb gevonden !
Vooral de doodsgedachte en de wil om het « bereidschap », die hem voorzeker de laatste maanden blijkbaar hevig bezig hielden, geven aan de bundel een zeer persoonlijk aksent. Dat aksent wordt nog nadrukkelijker, wanneer men zich het levenseinde van die mens indenkt : tweemaal door eigen volk geboeid in eer en ziekte, is hij maandenlang bedlegerig met de zekerheid dat « zijn tijd daar is ». Toch moest hij leven : de meeste gebeden zitten gevierkant in het raamkozijn van zijn zielekamer. de kleine belokenheid van de « teerling van het huis » kontrasteert fel met de wijde huif van het firmament daarbuiten en met binnen alle dingen de pittige kern. Gods stilte. Timmermans' ingelokenheid is geen pose, maar het echte, levensbelangrijke tweegevecht, waarvan God en de mens de polen zijn. De dood dekte deze strijd met onsterfelijkheid toe. De ontdekking van deze sprankels en de reaktie op hun uitgave ontstaan, riep een gevoel op dat zich klasseert tussen verrassing en openbaring : men had het gevoel voldaan te zijn op een onverwachte wijze.

HOE IK BEN ? De titel van het bundeltje, uit de tweede hand door de familie aangeboden, is « Adagio ». Voor zover dit woord op een muzikale term duidt, is het welsprekend : de schrijver is in al zijn werken een zingende, lyrische, stemmige mens. Voor zover echter die term in de muziek gebruikt wordt om een langzaam, traag tempo aan te duiden, lijkt de titel minder gelukt : de synthese van het God zoekend leven is geen « adagio », maar een drama, even diep en hoog als de werkelijkheid die het benadert :
Was man in Ihm (Gott) erkennt, dass muss man selber sein. (Silesius)
Wellicht wordt het maximum en minimum van Timmermans' levenskurve niet beter uitgedrukt dan in dit gedicht van Goethe :
Des Menschen Seele gleicht dem Wasser : vom Himmel kommt es, zum Himmel steigt es, und wieder nieder zur Erde muss es, ewig wechselnd.
Ewig wechselnd : Adagio is alleen het scherm waarop die kringloop « Himmel-Erde-Himmel » weergegeven wordt. De plaats, die het in de rij van dergelijke menselijke getuigenissen inneemt, is paradoksaal omdat ze zowel enig is als algemeen. Beide werden reeds uiteengezet : we vermeldden de Oosterse inspiratiebronnen en daarnaast het persoonlijk aksent. Voor Vlamingen en Timmermanslezers wordt de schoonheid van die gebeden nog geïntensiveerd doordat zowel de draad van de eigen traditie wordt opgenomen als met de mystieke grondtoon van vroegere werken (zoals « De harp van Sint-Franciscus») wordt verder geschilderd. In het kort kan deze inleiding als volgt worden samengevat : Adagio is het onverwacht uiterlijk getuigenis over de innerlijkheid van een grote persoonlijkheid, die men echter nooit zal doorgronden.
* * * * *

WIE KAN U NOEMEN BIJ UW NAAM ? Onder deze hoofding groeperen we thans een reeks motieven uit Adagio, die cirkelen rond de goddelijke werkelijkheid op zichzelf. Een volgend deel « God van de mensen »,van ieder en allen, zal het tweegevecht schilderen tussen de Engel, Gods kracht, en de eigen levenswil. Een derde tenslotte zal gewijd zijn aan de mens, door godsverbondenheid geadeld en verheven. Zo zullen in een soort triptiek de voornaamste tema's van Adagio in het licht worden gesteld. Een initiaal gedicht is dit :
'k Zou van mijn woorden, van mijn taal een glinsterende schaal van 't puurste maaksel willen gieten. waarin ik Uwen eeuwgen naam met al zijn diepte en schoonheid saâm zou kunnen laten vlieten, en Hem als kostelijken wijn aan andren doen genieten. Aan hen die dor en dorstig zijn, die donker zijn van smart en pijn en om Uw klaarte smeken... Zo wijs en wonder zij mijn zang. Maar ach, mijn God, ik ben zo bang, het is te veel wat ik verlang, de woorden breken.
De woorden breken. God stijgt onze alledaagse menselijke begrippen van « goedendag » en « tot ziens » te boven. Hij gaat ons verstand te boven. Zijn werkelijkheid is zó, dat een dissektie met woorden dodend is : haar adjektieven zijn « onnoembaar », « onmededeelbaar », « anders ». Diezelfde gedachte komt voor in een rei der engelen in Lucifer van Vondel :
Want ieder draagt zijn eigen naam, behalve Gij ; Wie kan U noemen bij Uwen naam ?
God heeft geen naam tenzij deze schijnbare tautologie s God is God. « Er ist Er », zegt Guardini. Alleen onze logische beelden hebben enige suggestiviteit voor die « andersheid » van de Schepper. Hij heeft iets van de arend, de condor, de paradijsvogel : Niemand weet waar hun nest staat, en toch zijn ze dicht bij ons, duiken ze plots op achter het schip waarop wij varen. Evengoed echter is Hij de stilte, de benauwdheid, de eenvoud van een pad. Dit zijn beelden uit Adagio :
God is als de bliksem, die door rotsen slaat, als perzikbloesem, die traag opengaat, een bergmeer tegen avond, of als een vallend blad, een dauwdrop koel en lavend ; soms als een verre, witte stad, of als een kinderlied, soms als... maar ach, mijn ziel, ik weet het niet ik heb ineens zo'n schoon verdriet.
Hij is de grootste paradoks : geweld naast tederheid, rotsen naast bloemen, bliksemschicht naast een lentische traagheid. De rotsen van het menselijk geslacht slaat Hij tot altaarstenen stuk : Abraham, Isaak, Jacob en gans het volk. De Golgotha-berg van de komende geslachten wordt door het Nieuw-Testamentische Kruis geloof en ongeloof, eenheid en verdeeldheid gespleten in twee. Toch blijft Hij weer de kleine, de trage als de perzikbloesem, als het bergmeer... De ware God is bescheiden : die bescheidenheid en traagheid zijn het onderpand van onze vrijheid, die immer weer, als naar een kinderlied, heimweet naar God. De grootste grootheid vraagt het grootste verdriet. Al deze paradoksen zijn slechts sobere bevestigingen van de waarheid dat de godheid zó verheven is boven de mens, en dat zijn wegen 's mensenwegen niet zijn. « Boven Oost en West » wordt datzelfde mysterie niet ontsluierd, maar aanbeden.
Gezelle dicht :
'k Aanbidde U, groote God, onbeschrijfbaar, onbeschreven, en onbegrijpelijk, 't en zij alleen van U, die al dat was, dat is, dal zijn zal, even begrijpelijk omvat. Mij al te kleen bekenne ik, om iets meer als enkel schaduw van Uw groot licht te zien ! maar, zie ik niet, ik rade U aan 't werk dat Gij gedacht, gewild hebt en gedaan, aan 't Godlijk speur, daar Gij zijt in voorbijgegaan.
Het enige antwoord op onze vraag « Wie is God », in de spelonk van het mysterieuze geroepen is de echo « God ». Ook deze echo heeft iets van de bekoorlijkheid van alle echo's : hij boeit en wil niet uitsterven. God boeit door « ’t Godlijk speur, daar Gij zijt in voorbijgegaan ». Het geheim van de Schepper wordt de innerlijkheid van de schepping, vooral van mezelf. De godheid is in de dingen bevangen.
God rolt de zonnen door zijn handen zoals de boer het zaad. De ruimte kent geen randen en eindloos staat de sterrentuin te branden. Als dauwdrop aan der aarde bloeme weerspiegel ik het al. Ik hoor de spheren zoemen. Gans ’t sterrendal probeert Uw naam te noemen. 't Geheim blijft tot de nacht bekoren, waarin ik ben ontstaan, tot, opgeslorpt, in schijn verloren, in 't licht vergaan in U ik word herboren !
De majesteit van de Heer in de dingen is zijn beroepsgeheim. De ontdekking ervan is binnengeleid worden tot de zin van het bestaan : het is onze opgave « Wistik » te zijn. Is God enerzijds in zijn werk bevangen, anderzijds overstijgt Hij het in voltooidheid en volkomenheid, in zijn en heilig zijn. Het Opperwezen is de Grote Eenzame, « der Andere », die buiten of beter boven de kategorieën staat. "Boven rozen en sterren staat Hij, de Voltooide : zij bloeien voor Hem even lang, zoals er voor Hem geen verschil bestaat tussen één tas water en de zee. Voor zijn eigen volkomenheid is de innerlijke natuurlijke waarde van ieder mens gelijkwaardig, nul.
De sterren ranken rond mijn venster rein met de rozen saam. Soms valt een bladje van hun kelken, en soms een genster van zuur, voorbij mijn raam. De rozen, ook de sterren, zullen eens verwelken. De rozen vragen niet veel tijd, de sterren bloeien wel een eeuwigheid ; ook dat is slechts een splinter van den Tijd. En Tijd is slechts een schaar in 's Heren hand, waarmede Hij de bloemen snoeit en snijdt, die Hij in d'hemelen en op aarde plant.
Toch is deze boven-tijdsheid niet een afsluiting buiten het domein van het leven, maar zij is juist de pool die de oneindige interesse van God voor het detail, voor de sekonden en voor de mensen oproept : niemand staat dichter bij de tijdelijkheid dan De Tijdloze. Deze overdenking van Gods geïnteresseerdheid, aanwezigheid, was een der bekeringsmotieven van Fr. Van Eeden. En voor ons is het de grond van ons vertrouwen, van de deugd der Hoop. Met de vier gegeven gebeden trachtten wij een schets te geven van het Godsbesef, in Adagio vervat. Het literair aspekt werd totaal verwaarloosd om te vermijden de verzen nog meer van hun dichtheid of innerlijke geladenheid te ontnemen.
 **********
|