over de ziel, onsterfelijkheid en verrijzenis


Het was in Antwerpen, tijdens de laatste drie jaar van mijn humaniora, dat ik tijdens een weekend mijn huisgenoten in mijn gastgezin teisterde met de vraag: wat is de ziel? Geen die het wist, op wat vage uitleg na, restanten van slecht verteerde allegorieën uit de godsdienstles, bijgeloof of volksdevotie. En ikzelf, die een opstel moest maken over het onderwerp, wist het al evenmin. Het is nochtans geen dwaze vraag. De ziel is een belangrijk thema in onze beschaving, zoals blijkt uit onze taal, de beeldende kunsten, het theater, de film... Het is het exclusieve onderwerp van een hele wetenschap, de psychologie en een essentieel onderdeel van elke filosofie, elke theologie, elke ideologie, elk mens- en wereldbeeld. Als ik vandaag de vraag opnieuw zou stellen, zou het antwoord wellicht niet beter geïnformeerd of overtuigender zijn dan vijftig jaar geleden.
Ik las onlangs een boek uit 1984, cursusnota's eigenlijk, van de hand van professor ‘Pater de Pater', zoals hij zichzelf steeds noemde aan de telefoon, Wilhemus de Pater, emeritus hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven: Immortality. Its History in de West, viii + 200 pp. Het heeft al die tijd ergens in een doos gezeten, tot ik er eindelijk (nog) eens aan begon. Als we spreken over de onsterfelijkheid van de mens, dan stelt zich meteen de vraag wát er dan precies onsterfelijk is en dat brengt ons bij de ziel. Het is immers sinds mensenheugenis evident dat ons lichaam niet onsterfelijk is; het moet dus iets anders zijn en dat is, in talloze versies gedurende de hele geschiedenis van het mensdom, de vraag geweest naar de ziel.
Ik vond onlangs ook tweedehands Imagining the Soul. A History, x + 246 pp., 2003, notes, bibliography, acknowledgements, index, illustrated, van Rosalie Osmond, volgens de flaptekst a writer, reviewer and lecturer, working for the University of London's department of continuing education...a regular contributor to The Tablet. Het boek is inderdaad een overzicht van de beeldvorming van de ziel in onze beschaving, met veel aandacht voor de concrete vorm die men in de loop der tijden aan de ziel heeft gegeven in literatuur, theater en in de beeldende kunst. Er is een aanzienlijk verschil in de kwaliteit van de verschillende hoofdstukken, voornamelijk door de keuze van de voorbeelden: uit minderwaardig of onbetekenend materiaal kan je nu eenmaal geen belangrijke conclusies trekken, uit een te beperkt aantal gevallen kan je geen significante regels afleiden.
Tenslotte las ik ook Spinoza's Heresy. Immortality and the Jewish Mind, xvi + 225 pp., 2001, notes, bibliography, index, van Steven Nadler. Het is een zeer leesbare wetenschappelijke studie over het onsterfelijkheidsdenken in het Oude Testament en de Joodse filosofie tot in de tijd van Spinoza, in een poging om te begrijpen waarom die filosoof op zo'n hardvochtige wijze uit zijn gemeenschap werd verstoten en ook door de christengemeenten verafschuwd werd.
Wie nu denkt dat ik alles weet over de ziel en onsterfelijkheid, die heeft het goed mis. De eerste conclusie die ik moest trekken is dat geen mens weet wat de ziel is, noch of we onsterfelijk zijn. Weer staan we voor dat soort vaste waarden van onze cultuur, waarover zogezegd iedereen het eens is, een vanzelfsprekendheid, tot je de moeite doet om je af te vragen, zoals professor Dondeyne ons leerde: wat is er uiteindelijk van aan?
Dat heeft ook in dit geval nooit iemand weerhouden om met veel aplomb zijn of haar standpunt ter zake uiteen te zetten en zelfs op te leggen. In tegendeel met wat wij denken, is er nergens, ook niet binnen de katholieke kerk, een eensgezinds standpunt over de ziel, onsterfelijkheid of verrijzenis, de hereniging van de ziel met het lichaam aan het einde der tijden. Tot capita, tot sensus: zoveel meningen als hoofden. Er zijn inderdaad geen twee auteurs of kunstenaars die over deze onderwerpen het zelfde standpunt innemen; de verschillen zijn spectaculair, de overeenkomsten bijkomstig.
En dat hoeft ons niet te verbazen, want het is spreken over iets dat we niet weten, dat we niet kennen, waarvoor er geen enkel bewijs is, waarvoor er geen bewijs kan zijn.
Dat is evident zo voor onsterfelijkheid en verrijzenis, maar ook voor de ziel. Het is pas recentelijk dat men precies daarover eindelijk met enige wetenschappelijkheid kan argumenteren, op basis van ernstig neurologisch onderzoek. Maar de conclusies daarvan wijzen in al hun voorlopigheid naar deze ontnuchterende vaststelling: er is blijkbaar niet zoiets als een ziel in de mens, er is niets dat beantwoordt aan wat men altijd met die term heeft aangeduid.
Of men nu kijkt naar wat men de Griekse oudheid dacht, in het Oude Testament, de Evangelies en de andere geschriften van het Nieuwe Testament, de Patristiek, de Scholastiek, de theologische en filosofische ontwikkelingen sinds de Verlichting, de Joodse traditie of de hedendaagse cultuur: eigenlijk tast men in het duister. Men probeert, in het beste geval althans, op een zinvolle, samenhangende manier te spreken over de mens als een wezen dat geboren wordt en sterft, dat denkt, voelt en handelt, leeft. Men zoekt een plaats te geven aan aspecten die men duidelijk voor ogen heeft en andere, die men veronderstelt als werkelijkheden achter de ogenschijnlijkheid. Maar er is niet veel waarop men zich kan baseren, op deze zekerheden na: we worden geboren, we leven, we sterven.
Het is precies rond die op zich onbegrijpelijke zekerheden dat de mens steeds verhalen heeft geweven, met een fantasie die werkelijk geen grenzen kent, in de volksverbeelding of de kunst, noch in de filosofie en het allerminst in de theologie en de volksdevotie. Men heeft voortgebouwd op veronderstellingen en valse voorstellingen, men is tot het waanzinnige blijven doorbomen op verkondigde ‘waarheden' en zo is men uiteindelijk beland bij de rijstpap met gouden lepeltjes, zwarte duivels met hoorns en pijlstaarten die de zondaars voor eeuwig braden in de hel, witte en zwarte zieltjes, het vagevuur, zielen die geen rust vinden en als spoken ronddolen in de wereld...
Anderzijds heeft men natuurlijk ook altijd getracht om bepaalde niet evidente maar belangrijke inzichten onder woorden te brengen. Toen de mensen stilaan begonnen in te zien dat zij heel veel gemeen hadden met hun omgeving, maar op essentiële punten verschilden van al het andere, gingen ze op zoek naar wat dat onderscheid precies was: het vermogen om te denken en te spreken, zich dingen te herinneren en plannen te maken. Daarvoor zocht men een verklaring en een naam en een daarvan was: de mens heeft een ziel, en alleen de mens heeft die. Anderen waren het daarmee niet eens: het belangrijkste onderscheid is dat tussen wat leeft en wat niet leeft, de ziel is het levensbeginsel, dus ook planten en dieren hebben een (soort van) ziel.
En wat is die ziel dan? Waar komt die vandaan? Is die er ook voor de geboorte al, is ze er altijd geweest, ergens in een zielenmagazijn? Of ontstaat ze pas bij de conceptie? En wat gebeurt er als de mens sterft? Gaat de ziel dan ook gewoon dood, of keert ze terug naar het magazijn, misschien voor een nieuwe beurt? Of is een ziel eigen aan elke mens, is ze precies wat de ene mens onderscheidt van de andere, wat hem of haar uniek maakt? Blijven al de herinneringen, al de kennis en vaardigheden, al de gevoelens bewaard in de ziel als het lichaam sterft? Wat gebeurt er dan met die ziel? Hoe ziet ze eruit? Heeft ze een specifieke vorm, verschillend van mens tot mens, zoals het lichaam, en dus herkenbaar? Materieel kan ze niet zijn, zoals het lichaam; hoe is ze dan wel? Een schaduw, de laatste ademtocht, een gevleugelde geest, een vogel, een vlinder, een mini-mens?
De ziel werd ook heel vaak gezien als de geestelijke zetel van de rede en de nobelste en meest verheven gedachten van de mens; daartegenover stond dan het onvolmaakte, vergankelijke lichaam, onderhevig aan alle mogelijke gevaren en bovendien getormenteerd door de wilde passies van de zinnen: vraatzucht, dronkenschap, geilheid, machtswellust, luiheid, gemakzucht, leugen en bedrog, wreedheid en moordlust, een reeks zonder einde. Dat is de aloude, effenaf nefaste, ronduit perfide tweedeling van de mens in een verheven ziel en een zondig lichaam, die in het christendom de mens tot zo'n onzalige excessen zou voeren.
Een andere seminale gedachte doet al heel vroeg haar intrede: het rechtvaardigheidsgevoel, dat ons ook nu nog vaak vreselijke parten speelt. Wij mensen zien dat het er in de wereld niet altijd eerlijk aan toe gaat: de zon schijnt voor de goeden en de bozen, de regen valt ook op de rechtvaardigen, men krijgt zelden het verdiende loon, misdaad loont maar al te vaak wel, eerlijk duurt inderdaad het langst, veel te lang zelfs. Dat leidt tot de gedachte dat als er geen rechtvaardigheid is op deze wereld, er wellicht een vergelding is in het hiernamaals. Wie een uitzonderlijk goed leven leidt of echte heldendaden presteert, die moet daarvoor een beloning krijgen, niet (alleen) hier en nu, maar ook daarna. Bijna in alle beschavingen is er een plaats waaruitzonderlijk verdienstelijke personen naartoe gaan als ze sterven, of zelfs zonder te sterven, met lichaam en al, en waar ze een gelukzalig leven leiden. Stilaan komt men tot de overtuiging dat iedereen na de dood zal beoordeeld worden, met een straf voor de kwaden en een beloning voor de goeden. En weer zijn er vele mogelijkheden. Misschien zijn het enkel de goeden die zullen mogen voortleven onder een andere vorm, terwijl de andere gewoon verdwijnen; anderzijds: misschien is dat niet genoeg als straf en wacht hen helse marteling, tijdelijk of eeuwig. En kan een ziel wel genieten van hemels geluk en ook genoeg pijn lijden, als er geen lichaam meer is dat precies het geschikte instrument is voor beide tegengestelde ervaringen? Misschien komt daar wel de zeer vreemde gedachte vandaan van de verrijzenis van het lichaam, de hereniging van de immateriële ziel met het lichaam, alle zielen met al hun lichamen, op de jongste dag, als de Rechter het allerlaatste oordeel komt vellen en de wereld eindigt? Maar welk lichaam dan? Toch niet dat van het ogenblik van de dood, zeker niet bij heel jonge of heel oude mensen! Wanneer zijn we op ons best, om te genieten of om te lijden?
Meteen is het gevaar duidelijk van elke loze veronderstelling: eenmaal men uitgaat van een principe, een premisse, volgen de consequenties, wie A zegt zit al heel gauw aan X, Y en Z, dat wil zeggen in het ongewisse. En waar filosofen, theologen en kunstenaars af en toe zelf nog weten dat ze niet letterlijk spreken, maar in beelden, nemen gewone mensen die beelden al te gemakkelijk voor werkelijkheid en wie kan het hen kwalijk nemen?
Men zou, zonder echt te overdrijven, kunnen stellen dat de vraag naar het leven na de dood behoort tot de kern van het menselijk denken, vroeger, nu en wellicht zolang er mensen zullen zijn. In het Westen is dat vrijwel steeds gesteld in morele termen: het hiernamaals dient om te belonen en te straffen, dus kijk maar uit wat je hier op aarde uitspookt. Heel veel mensen konden (en kunnen) zich eenvoudig niet voorstellen dat iemand zou nalaten om kwaad te doen indien er geen bestraffing is, hier, misschien maar zeker later. Men was er heilig van overtuigd dat zonder Rechtvaardige Rechter de hele wereldorde zou teniet gaan in absolute chaos. Zonder God en godsdienst was moraal eeuwen lang ondenkbaar.
En zo keerde men de oorspronkelijke gedachtegang om: men vertrok van het bestaan van God, voegde er de erfzonde aan toe, een werkelijk ontstellende gedachte, namelijk dat wij allen zondig zijn, onwaardig om het eeuwig leven te verdienen, omdat de eerste mens gezondigd hebben, al weten we niet precies wat ze precies gedaan hebben, maar het was erg genoeg om de hele mensheid in het verderf te storten, stel je voor; maar dat is een wel erg onverkwikkelijke gedachte en dus moest er een Messias komen, een Redder, die de mensen zei en toonde hoe het moest en die zich ten slotte voor hen opofferde en zo de hemel weer bereikbaar maakte... Hoe onvoorstelbaar vreemd deze gedachte wel is, is steeds weer gebleken toen men deze Blijde Boodschap ging prediken in andere culturen: christelijke missionarissen werden meestal ofwel vrolijk uitgelachen en genegeerd of meteen afgemaakt voor ze nog meer onzin konden uitkramen en nog meer onheil aanrichten.
Ik probeer te besluiten. Het is mij nu nog meer duidelijk geworden dat alles wat men tot nu toe gezegd, geschreven en gepredikt heeft over de ziel, het leven na de dood en de verrijzenis van het lichaam gesteund is op de al dan niet redelijke veronderstellingen, theorieën en fantasieën van mensen, ingegeven door de omstandigheden van hun bestaan. Er zijn ontelbare elkaar uitsluitende opvattingen, ook nu nog. Er is bij de mensen geen enkele duidelijkheid over deze kwesties, nergens ter wereld. Vrijwel niemand houdt in de praktijk ernstig rekening met een of andere van deze uiteenlopende opvattingen. De overwegende houding is de agnostische: er is nog niemand teruggekeerd om te zeggen hoe het is, we weten er dus niets van. Stilaan legt de wetenschap de basisstructuren bloot van het menselijk bewustzijn en van het leven zelf. In dat mensbeeld is geen plaats meer voor de vale schijngestalten uit het verleden.
En ondertussen proberen bijna zeven miljard mensen te overleven in deze wereld, zonder zich daarover erg druk te maken.



















