Volgens de mondelinge overlevering van oude Palmeros werd het kantvissen beoefend
gedurende gans het jaar met uitzondering van die dagen in de herfst en winter wanneer de
branding gevaarlijk kon zijn. Voor de landelijke bevolking was het vissen geen sport maar een
noodzaak voor de dagelijkse voeding. Deze activiteit hing samen met de kennis van eb en
vloed, de stand van de maan alsook de voorkeur van de vis en wanneer er gevist werd, 's nachts,
overdag of heel vroeg in de ochtend.
Gedurende de dag bij afgaande zee wanneer de keien en de rotsen niet meer onder water stonden
werd er gezocht naar lapas (een soort halve mosselschelp) en andere schaaldieren. Krabben
werden er gevangen om te dienen als aas. Eenmaal een goede visstek gevonden moest men het
specifieke gedrag van de vissen onderzoeken, dit noemden men "Visserslatijn"

.
De schelpen van de lapas werden gebruikt om er souvenirs van te maken voor verkoop aan de toeristen.










