Onze diertjes die naar de regenboogbrug gegaan zijn
Hallo bezoeker,
welkom op het blog van de Mailgroep Huisdieren, een hechte groep Dierenvrienden-SeniorenNetters, die er zijn voor, door en met elkaar.
Op dit blog kunnen jullie kennismaken met onze dieren, tips vinden over de verzorging en de gezondheid van de dieren, dierengedichten en dierenartikels lezen, werkjes in verband met dieren bekijken, enz.
Veel kijk- en leesplezier!
31-01-2010
In memoriam
Ja, de zonnige dag is omgeslagen in een heel droevige dag nu we vanmorgen via de mailgroep van mentors/administrators vernomen hebben dat onze goede vriend JeeCee er niet meer is. Waar we bang voor waren, is spijtig genoeg gebeurd.
Herinneren jullie nog de fantastische schrijfsels van de goedlachse privé secretaris van Poessietje, functie die hij zichzelf toedichtte wanneer hij ons weer een aflevering zond van "Het dagboek van Poessietje" ? Dat poesje dat hij uit een heel moeilijke situatie gered heeft en dat bij hem en Annemie thuis met zijn gatje in de boter is gevallen? Dat poessietje die verhalen vertelde over de grote witte Mama poes ofwel ook de Mama Tang genaamd en over die grote beesten met ijzeren schoenen aan, zijn paarden ? Wil je die mooie, grappige en originele verhalen nog eens teruglezen? Dat kan hoor dankzij ons blogje dat Simone zo mooi uitwerkt. Tik daar op de zoekfunctie "Dagboek van Poessietje" in en geniet nog eens samen met JeeCee van de avonturen van zijn Kung-Fu katje.
Sorry, dat ik hier van de hak op de tak spring, maar er komen zoveel fijne herinneringen naar boven aan een goedlachse, originele, altijd hulpvaardige en fijne man, een collega-mentor die ik de voorbije jaren heb mogen leren kennen. Onze laatste ontmoeting met een lach was op de 50+ beurs in Genk, nu is die lach vervangen door een traan.
Zolang iemand in onze herinneringen, woorden en verhalen is, leeft hij voort in onze gedachten. Moge dit voor JeeCee nog heel lang het geval zijn!
Hieronder zet ik jullie de mail die we binnenkregen op de mailgroep mentors/administrators. Daar staat ook een mailadres bij waarnaar jullie, indien jullie dit wensen, een berichtje kunnen sturen.
Heeft er iemand van jullie soms nog ergens een foto opgeslagen met JeeCee en Poessietje ? Ik denk dat ze samen in een zetel zaten/lagen, maar kan ze zo dadelijk niet vinden.
De aankoop van een nieuw paard is vaak een weg met vele hindernissen. Het aanbod is groot en de zoektocht lang naar het vinden van het geschikte paard op gebied van type, exterieur, afstamming, sportaanleg, karakter en prijs. Eenmaal de ideale kandidaat gevonden vormt het diergeneeskundig onderzoek de laatste horde naar de nieuwe stal. In dit driedelig dossier bespreken we de diergeneeskundige keuring van het paard. In het eerste deel richten we ons op het klinisch onderzoek. Het tweede deel staat in het teken van het radiografisch onderzoek en in het laatste deel belichten we verder aanvullend onderzoek zoals bijvoorbeeld endoscopie en echografie en geven we meer concrete voorbeelden.
DEEL 1 : HET KLINISCH ONDERZOEK
Een paard is een levend wezen en de aanschaf ervan houdt inherent een risico in. Toch wordt via een keuring een zekere garantie gevraagd voor de toekomt. Geen sinecure, want de diergeneeskunde is niet zwart-wit en er zijn heel veel individuele variaties tussen verschillende paarden. Ook eventuele ziekte of orthopedische aandoeningen kunnen zeer grillig en onvoorspelbaar verlopen. Een diergeneeskundige keuring is aldus een momentopname van de gezondheidstoestand van het paard.
Het klinisch onderzoek is het belangrijkste en vormt de basis . Via aanvullend onderzoek zoals radiografie en endoscopie wordt een zo'n volledig mogelijk beeld geschept en wordt een soort van risicoanalyse gemaakt. Alle bevindingen van de dierenarts tijdens het keuringsonderzoek worden opgetekend in een keuringsrapport , waarna na interpretatie van alle gegevens een advies wordt geformuleerd. Het is uiteindelijk aan de koper om de knoop door te hakken.
GEBRUIKSDOEL
Het klinisch onderzoek begint met een controle van het signalement. Ofwel wordt het signalement opgetekend, ofwel gecontroleerd aan de hand van het stamboekbewijs. Tegenwoordig dienen te paarden te zijn gechipt en wordt bijkomend het chipnummer afgelezen en vermeld op het keuringsdocument. Het protocol van elk keuringsonderzoek is in principe gelijk, maar naargelang het gebruiksdoel wordt een verschillend gewicht gegeven aan de gevonden bevindingen. Keuringsadviezen zijn om die redenen niet zomaar herbruikbaar bij eventuele latere doorverkoop. De waardeparameters bij de aankoopkeuring van een recreatiepaard zullen verschillen van deze van een Grand-Prix paard. Een onderscheid dient eveneens gemaakt te worden tussen een keuring voor de fokkerij (keuring als dekhengst, G-label keuring BWP) en keuring als sportpaard. Beide keuringen overlappen op vele gebieden, maar zijn niet identiek. Elk stamboek in België heeft zijn eigen verantwoordelijke keuringsinstantie (vb. Faculteit diergeneeskunde van Merelbeke voor het BWP, de faculteit van Luik voor het SBS en Dr. Leo De Backer voor Zangersheide). Hun advies is bindend voor het betreffende stamboek. Bij de keuring als dekhengst ligt de nadruk op de detectie van eventueel overerfbare aandoeningen. Het radiografisch onderzoek met o.a. controle op OCD fragmenten is dus zeer belangrijk. Een gunstig/ongunstig advies als dekhengst betekent dus niet noodzakelijk een gunstig/ongunstig advies als sportpaard of omgekeerd.
INSPECTIE/PALPATIE
Na controle van het signalement wordt het paard grondig bekeken en volledig afgetast op stand. Elk lichaamsdeel van de neus tot aan de staart wordt geïnspecteerd. Enkel de afwijkingen of klinisch belangrijke malformaties worden vermeld. Normale anatomische variaties worden niet noodzakelijk vermeld op het rapport. Er wordt gezocht naar eventuele littekens, zwellingen, warmte, gevoeligheden en gebreken. Het gebit wordt gecontroleerd op over- of onderbeet. Uitzonderlijke afwijkingen aan het hoofd kunnen zijn een niet volledig ontwikkeld traankanaal thv de neus of een chronische fistel aan de oorbasis tengevolge een ectopische tand.
De ogen moeten een mooi heldere cornea hebben en de pupil dient vlot te verkleinen onder invloed van licht. Het hart en de longen worden geausculteerd met een stethoscoop. Sommige bijgeruisen op het hart zijn fysiologisch en dienen onderscheiden te worden van de pathologische. Aanvullend onderzoek is hier soms noodzakelijk (zie deel III). Standafwijkingen van de ledematen worden genoteerd. Een erg vlaamse of franse stand hoeft niet noodzakelijk manken te geven, maar het belang op lange termijn wordt vermeld. Symmetrie bij beoordelen van afwijkende bevindingen is belangrijk. Een lichte opzetting van de sesamschede op beide achterbenen (galletjes) zijn minder belangrijk dan een opzetting van één enkele sesamschede. De voorvoeten zijn liefst symmetrisch in hoogte en vorm. Een milde asymmetrie wordt getolereerd, maar vraagt om alertheid. Een paard met een langdurige sluimerende pijn ontlast vaak subtiel het been. Bij langdurige ontlasting groeit de ene voet iets steiler en hoger uit dan de andere. We spreken van een onder- en overbelast patroon. Er dient opgemerkt te worden dat deze exterieurkeuring van het paard vanuit een diergeneeskundig standpunt gebeurt. Paarden met een matig exterieur kunnen perfect gezond zijn en aldus geen diergeneeskundige opmerkingen krijgen.
BEWEGINGSONDERZOEK
Het paard wordt bekeken in stap en draf op de harde bodem op rechte lijn en op volte naar links en rechts . Daarnaast wordt het paard gelongeerd op zachte bodem in draf en galop
SINGAPORE (BLOOMBERG) - Een genetische test kan de eigenaars van renpaarden vertellen welke van hun dieren het meeste winnersbloed bezitten.
Wetenschappers van het University College Dublin hebben een test ontwikkeld die het aantal 'koersgenen' in het erfelijk materiaal van volbloeden bepaalt. Hoe meer genen, hoe meer potentie er in de beesten schuilt - voor fokkers zowel als gokkers is die kennis goud waard.
Om bij het koersgen uit te komen, legden de Ieren de erfelijke blauwdruk van 179 renpaarden naast hun prestaties op de renbaan. Bepalend voor succes bleken bepaalde varianten van het myostatinegen - een gen dat de aanmaak regelt van het spiereiwit myostatine. Commercialisering van de test kan voor een omwenteling zorgen in het wereldje van de paardenkoers, aldus het vakblad PLoS ONE.
In de paardenrennerij gaan miljarden euro's om. Fokkers van renpaarden kruisen nu op goed geluk kampioenen met elkaar, in de hoop dat ze dat nieuwe kampioenen oplevert. Maar vooraleer een veulen zijn potentie op de renbaan kan bewijzen, zijn vaak meerdere jaren voorbijgegaan.
Voor duizend euro kunnen eigenaars hun veulens nu al veel vroeger op gunstige genen laten testen, zegt Emmeline Hill van het bedrijf Equinome Lab, dat de test eind deze maand op de markt brengt.
Een bloedstaal van vijf milliliter volstaat. De uitkomst verraadt waar de sterkte van het geteste dier zal liggen: op de sprint, de middellange of de lange afstand. Fokkers zullen aan de hand van de testresultaten ook beter kunnen inschatten welke merrie ze met welke hengst moeten paren om een kampioen op de sprint te krijgen, aldus Hill. 'Zo kan een boel giswerk achterwege blijven en rendeert de investering in een veulen beter.'
Dat wil niet zeggen dat fokkers vanaf nu slapend rijk worden, want training en strategie blijven voorwaarden voor succes in de paardenkoers. 'Deze test voorspelt waar je paard goed in zal zijn, niet hoeveel wedstrijden het zal winnen.'
De koersgenentest volgt op de ontrafeling van de erfelijke blauwdruk van paarden, waar honderd wetenschappers uit twintig landen vele jaren aan werkten. Bij het atletisch vermogen van mensen zijn ruim tweehonderd genen betrokken, zodat het een verrassing was dat bij paarden een enkel myostatinegen zo veel invloed heeft, zegt Hill.
Fokkers reageerden belangstellend maar afwachtend op het nieuws. 'We willen eerst bewijzen zien voor we massaal voor de test vallen', zegt Gerry Harvey, een Australische paardenfokker en miljardair met driehonderd volbloedmerries in zijn stallen.
Volgens Hill en haar collega's zijn renpaarden met de myostatine-gencombinatie C/C het geschiktst voor snelle, korte races; blinken paarden met de combinatie C/T uit op de middellange afstand en zijn T/T-paarden vooral geschikt als duurloper. Tweejarige C/C's en C/T's haalden op de korte afstanden 5,5 keer meer prijzengeld binnen dan T/T's van dezelfde leeftijd.
Voor gokkers biedt de erfelijke informatie voorlopig geen meerwaarde. 'We geven de testuitslag alleen aan eigenaars', zegt Hill. 'Als die het genetische type van hun paard openbaar willen maken, moeten ze dat zelf weten.'
Hoe goed kunnen paarden tegen de koude, en hoe doen ze dat? Het komt neer op drie A's: Aanpassing, Acclimatisatie, Acclimatisering.
Aanpassing
Paarden zijn geëvolueerd in een veel kouder klimaat dan de mens. Het menselijk lichaam is gebouwd om warmte snel te kunnen afstaan, het lichaam van het paard is gemaakt om warmte te produceren en vast te houden. Een aantal opvallende aanpassingen zijn: Het enorme spijsverteringsgestel van het paard, uitgerust om zeer vezelrijk voedsel te verteren, produceert een enorme hoeveelheid warmte. (Zie ook Natuurlijke Voeding voor meer informatie daarover). Het paard heeft een groot relatief rond lichaam, met een grotere inhoud/oppervlakte verhouding dan dat van de mens, en raakt dus per kilo lichaamsgewicht veel minder warmte kwijt dan wij. Maar ook de ledematen van het paard zijn heel fraai aangepast aan de koude: De benen van een paard bevatten veel minder spieren dan die van de mens, dus de benen hebben veel minder bloed nodig en koelen het bloed dus ook minder af. Vanwege het lagere metabolisme in de benen hebben de cellen in de benen ook minder moeite met lagere temperaturen. Menselijke tenen "bevriezen" vrij snel, maar paarden hebben zelden bevroren benen! Onze neuzen zijn meer gemaakt om de lucht te filteren dan om ze op te warmen, maar paardeneuzen zijn speciaal uitgerust om de lucht op te warmen. Paarden verliezen dan ook weinig warmte via de longen.
Acclimatisatie
Een voorbeeld van "pilo-erection". Op deze koude februari-dag heeft Jack zijn vacht rechtop gezet zodat deze meer isolerende lucht omsluit. Op deze manier krijgt hij het niet koud.
Een deken zou dit onmogelijk maken omdat daarmee de vacht wordt platgedrukt.
Als de aanpassing of acclimatisering onvoldoende blijkt heeft het paard een heel scala aan "noodvoorzieningen" om snel de lichaamstemperatuur omhoog te krijgen.
Bibberen (of rillen). Bibberen is niets anders dan snel opeenvolgende spiercontracties. Spiergebruik produceert veel warmte, en met hun enorme spiermassa's zijn paarden uitstekende "bibberaars". Ze kunnen dit makkelijker en efficienter dan de mens.
Countercurrent heat exchange . Normaal gesproken stroomt het bloed vlak onder de huid alvorens naar de longen te gaan. Tijdens koud weer echter worden de bloedvaten vlak onder de huid afgesloten en stroomt het bloed dieper door de huid, de teruggaande bloedstroom wordt bovendien omgeleid en stroomt om de slagaderen heen (waardoor het bloed stroomt dat uit het hart komt). Het gevolg is dat het terugkerende bloed eerst wordt opgewarmd alvorens het terug gaat naar hart en longen.
Pilo-erection . Het paard zet (bijna onzichtbaar) de vachtharen ietwat rechtop, zodat ze meer isolerende lucht omsluiten.
Circulation shunts . Om de benen tegen bevriezing te beschermen, en tegelijkertijd het warmteverlies te beperken, kan het paard het bloed van de slagaderen rechtstreeks naar de aderen laten terugstromen. De lichaamscellen in de benen krijgen dan tijdelijk geen voeding meer (een paard kan dat doen omdat er in de benen zelf nauwelijks spieren zitten), het bloed wordt dan alleen gebruikt om de benen op te warmen, en zodra de benen weer warm genoeg zijn stroomt het bloed weer gewoon via de haarvaten.
Verhoogd metabolisme . Blijft het koud, dan produceert het paard meer cortisol, de bloeddruk, hartslag, en algeheel metabolisme gaat omhoog.
Acclimatisering
De hierboven beschreven noodvoorzieningen werken prachtig, maar kosten veel energie. Voor de langere termijn (het winterseizoen) treft het paard andere maatregelen. In de herfst maakt het paard een wintervacht, die in dikte wordt aangepast aan het temperatuurverloop. Deze wintervacht kan tot midden December nog worden aangepast aan de heersende temperaturen. De wintervacht van een paard overtreft onze beste winterkleding! Er zitten verschillende soorten haren in de vacht: Fijne haren om te isoleren, stugge haren om de fijnere isoleerharen overeind te houden, haren om de regen te weren. Een paard waarbij de structuur van de vacht niet door borstelen wordt verwoest, en waarbij de vetlaag niet door shampo's en dergelijke wordt weggespoeld is zeer goed bestand tegen regen en zorgt ervoor dat de huid altijd droog blijft. Wanneer de temperatuur omlaag gaat krijgt het paard meer honger. Hij gaat een isolerend vetlaagje opbouwen, en bovendien gaat zijn metabolisme langzaam omhoog. Het resultaat is een juweeltje van temperatuurregulatie: Het paard gaat meer warmte produceren en bouwt tegelijkertijd een paar extra lagen isolatie.
Zweten, gevaarlijk of niet?
Een hardnekkig misverstand is dat paarden kou vatten als ze bezweet de wei op gaan. Waarom is dat een misverstand en hoe is dit misverstand de wereld in gekomen?
Om dit goed te kunnen uitleggen is het nodig om stil te staan bij enkele natuurkundige feiten:
Iets dat nat is is nog niet per definitie koud. Kou ontstaat pas wanneer een vloeistof overgaat in een gas; verdamping dus.
Verdamping gaat sneller wanneer er een luchtstroom is. Denk aan wasgoed dat sneller droogt wanneer er een windje staat.
Iets dat nat is maar niet kan verdampen koelt niet af. Hierop berusten de zogenaamde natpakken die surfers en duikers dragen; die pakken lopen vol water maar omdat het water niet verdampt koelt het ook niet af.
Drogen kan op verschillende manieren: Dit kan door verdamping maar ook door het afvoeren van het water. Wanneer je een handdoek gebruikt droog je ook, maar zonder de afkoeling die je zou krijgen wanneer je droogt door verdamping.
Vocht heeft de neiging zich te verplaatsen naar nauwe ruimten. Zo drogen handdoeken omdat het vocht tussen de draadjes van de stof kruipt. We noemen dit de capillaire werking. Vacht heeft ook een capillaire werking: De nauwe ruimten tussen de haartjes zuigen vocht op.
Ok, wat heeft dit met paarden te maken? Nee, wacht nou even, laten we eerst eens kijken wat er gebeurt als wij mensen bezweet buiten gaan rondlopen: Onze huid is nat en door de wind wordt onze huid gedroogd. De drogende factor is hier dus verdamping, en verdamping zorgt voor afkoeling. Als wij mensen nat buiten staan koelen we in een rap tempo af. Die afkoeling gaat zo snel dat we kou kunnen vatten.
Nu eindelijk naar de paarden. Wat gebeurt er als een paard zweet? Als een paard zweet wordt allereerst de huid nat. Aangezien de huid niet bloot is vindt er echter geen rechtstreekse verdamping en dus afkoeling plaats. In plaats daarvan wordt het zweet door de capillaire werking van de vacht naar buiten getransporteerd. Het is aan de buitenkant van de vacht waar de verdamping en dus de afkoeling plaatsvindt.
Wat gebeurt er nu wanneer we een bezweet paard "zomaar" buiten neerzetten? Zolang het paard het nog te warm heeft zal hij blijven zweten. Zolang je het te warm hebt kan zweten geen kwaad; mensen worden ook niet ziek als ze uit de sauna komen en in de vrieskou gaan staan. Na een tijdje heeft het paard het echter niet meer te warm en houdt dus op met zweten. Wat er dan gebeurt is totaal verschillend van wat er bij mensen gebeurt: De huid droogt dan op, maar niet door de verdamping maar door de capillaire werking van de vacht. Die zuigt het zweet op (zoals een handdoek je opdroogt, dus zonder afkoeling) en het zweet verdampt aan de buitenkant van de vacht. Omdat we te maken hebben met verdamping koelt het daar natuurlijk wel af, maar dat is aan de buitenkant van de vacht!
Alle voorzorgen om paarden te beschermen tegen te snelle afkoeling zijn dan ook gebaseerd op antropomorfisme : Omdat wij mensen ziek worden als we bezweet in de wind gaan staan denken we dat dit dus ook wel voor paarden zal gelden. Maar niets is minder waar!
!
Dat paarden kunnen zweten is niet zo vanzelfsprekend: De meeste dieren kunnen niet zweten! (honden, katten, konijnen, etc.) Het paard is blijkbaar speciaal geëvolueerd om te kunnen zweten en het is dan ook tamelijk merkwaardig om te veronderstellen dat hij daar niet tegen zou kunnen!
Dit gebrek aan natuurkundig inzicht en het daaruit volgende antropomorfisme doet mensen besluiten om dan maar een deken op het paard te leggen en daarmee de fantastische temperatuurregulatie van het paard te saboteren... En dat brengt ons op het volgende onderwerp.
De draagtijd (of drachtigheidsduur) is de periode dat een foetus (= ongeboren vrucht) in de baarmoeder doorbrengt vanaf de bevruchting tot aan de bevalling. Van draagtijd wordt meestal gesproken bij zoogdieren, maar ook bij levendbarende vissen kan van draagtijd gesproken worden. Hieronder zie je de draagtijden en broedtijden van respectievelijk verschillende zoogdieren en levendbare vissen en daarnaast van eierleggende dieren (tussen haakjes staat de spreiding per diersoort). De volgorde is alfabetisch. Wanneer je op een diersoort klikt, krijg je heel veel info over de betreffende diersoort op Wikipedia en ook afbeeldingen van het dier.
Zoogdieren en levendbarende vissen
Berglemming: 20-22 dagen Bever: 100-110 dagen Blauwe vinvis: 11-12 maanden Bonobo: 8 maanden Bruine beer: 255 dagen Bruinvis: 11 maanden Brulaap: 6 maanden Bunzing: 6 weken Cavia: 2-2,5 maanden Chimpansee: 202-261 dagen Chinchilla: 111 (105-118) dagen Damhert: 234 (225-237) dagen Das: 7 weken. Het dassenvrouwtje kan heel het jaar door bevrucht worden maar de bevruchte eicellen blijven in kiemrust tot december en ontwikkelen dan pas verder. Dit fenomeen noemt verlengde draagtijd of vertraagde innesteling. De eigenlijke draagtijd bedraagt zeven weken. Dolfijn: 350 dagen Edelhert: 231 (226-238) dagen Eekhoorn: 5-6 weken Egel: 31-35 dagen Eland: 240-270 dagen Ezel: 275 dagen (10,5-14,4 maanden) Fret: 42 (41-44 dagen) Geit: 150 (146-157) dagen Gerbil: 24-26 dagen Gibbon: 30 weken Giraffe: 475 dagen Gorilla: 9 maanden Gup: 4-5 weken Hamster: 15-17 dagen. Hond: 63 dagen Hyena(gevlekte) : 110 dagen IJsbeer: 240 dagen Jachtluipaard: 90-95 dagen Jaguar: 110 dagen Kangoeroe: draagtijd is een maand, maar het jong is dan nog maar 2 cm groot en weegt minder dan een gram. Daarna zit het nog 6-8 maanden in de buidel. Kat: 63 (58-64) dagen Koe: 9 maanden (275-300 dagen) Konijn: 30-31 dagen Lama: 331-367 dagen Leeuw (Afrikaanse): 105-110 dagen Luiaard (drievingerige) : 170 dagen Mens: 280 dagen Miereneter: 190 dagen Mol: 4-6 weken Muis: 19-24 dagen Muskusrat: 25-30 dagen Nerts: 50 (39-59) dagen Neushoorn(Indische) : 16 maanden Nijlpaard: 240 dagen Olifant(Afrikaanse) : 18-22 maanden Olifant(Aziatische) : 20-22 maanden Opossum: 13 dagen Orang-oetan: 275 dagen Otter: 61-63 dagen Paard: 335-342 dagen (320-370) Poema: 91 dagen Poolvos: 50 dagen Rat: 18-23 dagen Reuzenpanda: 5 maanden Schaap: 147 (137-152) dagen Slingeraap: 7 maanden Stinkdier(skunk) : 2,5 maanden Tijger: 104-112 dagen Vleermuis(vale) : 46-70 dagen Vos: 52-53 dagen Varken: 115 dagen Wasbeer: 60-73 dagen Walvis: 1 jaar Wezel: 34-37 dagen Wolf(grijze) : 63 dagen Zebra: 12-13 maanden Zeehond: 8-8,5 maanden, maar er is een verlengde draagtijd: de ontwikkeling begint pas 1,5-3 maanden na de paring, dus eigenlijk zou je die tijd er nog bij op moeten tellen. Zwarte Beer: 7 maanden
Met zijn klauwen en enorm sterke poten maakt hij binnen vijf minuten een gang van enkele meters lang, waar hij helemaal doorheen kan lopen. Daarbij verzet hij enkele kubieke meters grond.
De mol graaft in een uur een gang van tien meter
De mierenegel kan zich bij gevaar zo snel ingraven dat het lijkt alsof hij in de grond wegzinkt
De haas kan niet goed graven: hij maakt slechts een ondiepe kuil
Hij is tot 5 kilometer verder in het dichtbegroeide oerwoud te horen. Zijn keel werkt als een versterker. Daardoor kan hij keihard brullen zonder schor te worden.
De blauwe vinvis is kampioen herrieschoppen in zee
Deze walvis is over een afstand van 850 kilometer voor zijn soortgenoten hoorbaar. Hij maakt het hardste geluid van alle dieren (188 decibel: dat ligt ver boven onze pijngrens).
In volle sprint haalt de cheeta 100 kilometer per uur. Hij houdt het echter maar 500 meter vol. Bij een langere sprint zou zijn lichaamstemperatuur tot dodelijke hoogte stijgen. Een gemiddelde sprint is niet langer dan 200 tot 300 meter.
foto: wnf
Het lichaam van de cheeta is helemaal gebouwd op snelheid, rank en licht. Overbodige spiermassa om bijvoorbeeld een grote, sterke prooi te bedwingen zul je bij de cheeta niet aantreffen. Tijdens het lopen zou hij daar alleen maar last van hebben. Want spieren moet je wel meetorsen en dat gaat ten koste van snelheid.
Het lichaam is veerkrachtig, en overal voorzien van soepele scharnierpunten. De wervelkomom kan ver doorbuigen en zich spannen als een veer. Daarbij hoopt zich energie op, die in één keer vrijkomt als de 'veer' ontspant. Samen met een kantelbaar bekken en beweeglijke schouderbladen zijn zo grote sprongen mogelijk. Ook heeft een cheeta extra lange poten, om tijdens de sprint - die eigenlijk uit een serie grote sprongen bestaat - per sprong vele meters te kunnen overbruggen.
Elk voordeel heeft zijn nadeel. Bij de cheeta betekent zijn lichte bouw dat hij alleen kleine prooien de baas kan. Ook verbrandt hij tijdens een sprint in korte tijd zoveel energie dat zijn lichaam razendsnel opwarmt. Net als een motor die op volle toeren draait, loopt de cheeta het gevaar oververhit te raken. Een cheeta houdt dan ook niet op met sprinten omdat hij moe wordt, maar omdat zijn lichaamstemperatuur te hoog dreigt te worden. Dat is levensgevaarlijk omdat een lichaam niet meer goed functioneert als het te heet wordt. Een cheeta moet daarom al na enkele honderden meters opgeven en tientallen minuten uithijgen en afkoelen.
De tropische kakkerlak is het snelste insect
Per seconde legt dit dier 50 keer zijn lichaamslengte af. Een menselijke sprinter zou in dat geval een snelheid halen van 330 kilometer per uur.
Deze topsprinter haalt 130 kilometer per uur, sneller dan de cheeta, die met 100 kilometer per uur het snelste landdier is. Zo'n hoge snelheid halen is een bijzondere prestatie, als je bedenkt dat water 600 keer dichter van samenstelling is dan lucht en dus meer weerstand op een lichaam uitoefent. 130 kilometer per uur halen in het water is alleen mogelijk als het lichaam enorm krachtig is en een perfecte stroomlijn heeft, met weinig uitstekende delen.
Het lichaam van de zwaardvis heeft de vorm van een langgerekte druppel of torpedo: dit is de vorm die de minste tegendruk van het water opwekt. Naar achter loopt het lichaam taps toe: water kan daardoor gemakkelijk langs het lichaam wegstromen.
De huid is niet glad, maar ruw: hij lijkt wel wat op schuurpapier. Kleine bobbeltjes op de huid veroorzaken heel kleine waterwervelingen (micro-turbulenties) en voorkomen zo dat er grote waterwervelingen ontstaan die het lichaam zouden kunnen afremmen.
Vooraan zit een lange, spitse snuit (het 'zwaard') die maakt dat de zwaardvis als een pijl het water doorklieft. Achteraan mondt het lichaam uit in een staartvin met een breed afzetoppervlak. Dit is de 'motor' die het lichaam vooruit stuwt. Over de hele lengte is het lichaam bedekt met 'rode' spieren, een type spier dat zeer snel en krachtig kan samentrekken. De spieren zijn via de zogenaamde staartwortel verbonden met de staart. Als de spieren samentrekken duwt de staart het lichaam zonder verlies van vermogen met explosieve klappen tegen het water vooruit.
Het lichaam heeft nog een bijzonder kenmerk, dat je ook bij vliegtuigen tegenkomt. Aan de bovenkant is het lichaam boller dan aan de onderkant. De lijn van de punt van de snuit over de rug naar de staart is dus langer dan de lijn van de punt van de snuit via de buik naar de staart. Over de bovenzijde van het lichaam moet water een grotere afstand overbruggen: dat kan alleen als het water daar sneller stroomt dan over de vlakke onderzijde. Het verschil in stromingssnelheid leidt tot het zogenaamde hydrofoil-effect. Door dit effect 'plakt' de zwaardvis met zijn bovenkant als het ware tegen het water, waardoor er minder weerstand is en de vis dus sneller vooruit komt.
De zeilvis is ook een snelle zwemmer
Hij haalt 110 kilometer per uur. Zijn rugvin, die op een zeil lijkt, vouwt hij tijdens het sprinten op in een groef op zijn rug.
De geelbuikzeeslang kan het langst zijn adem inhouden
Hij kan 3 uur en 33 minuten onder water blijven.
De potvis kan zijn adem ook heel lang inhouden
De langste duik van een potvis ooit gemeten, duurde bijna 1 uur en 52 minuten. Op zijn duiktocht neemt hij geen extra lucht in zijn longen mee: de zuurstof die hij nodig heeft wordt opgeslagen in het bloed en de spieren.
De zeeleeuw kan ongeveer 20 minuten onder water blijven
De axolotl (Ambystoma mexicanum ), in de volksmond ook wel Mexicaanse wandelvis (in het Latijn betekent ambulare wandelen), is mits volledig ontwikkeld een landbewonende molsalamander, maar de wildste exemplaren blijven aquatiel . De naam axolotl komt uit het AzteekseNahuatl , in het Spaans heet hij ajolote .
De axolotl wordt op dit moment door CITES als een bedreigde diersoort beschouwd. Eind augustus 2009 waren er naar schatting niet meer dan 1200 exemplaren .[2]
De axolotl valt op door zijn aparte voorkomen en zijn verschijnselen van neotenie , het blijven in het larvale stadium, zelfs wanneer het dier seksueel rijp en dus volwassen is. Hij ondergaat in de natuur geen metamorfose, hoewel het heel soms in een laboratorium gebeurt. Door heel langzaam het waterniveau te verminderen treedt heel soms de metamorfose op; door het geven van het schildklierhormoon thyroxine kan men de metamorfose in gang zetten. In de gemetamorfoseerde vorm lijkt het dier nog sterker op de tijgersalamander (Ambystoma tigrinum ), waaraan de axolotl verwant is.
De axolotl is een vleeseter. Hij jaagt op kleine prooidiertjes zoals insecten en kleine vissen, die hij in zijn geheel doorslikt.
De embryo's van de axolotl zijn groot, maar bovenal doorzichtig, wat ze een gewild object voor de wetenschap maakt.
Uiterlijk
Een volgroeide axolotl (18 tot 24 maanden ) heeft een lengte variërend van 150 tot 450 mm , hoewel een grootte rond 230 mm het meest voorkomt en ze zelden groter worden dan 300 mm. Ze hebben varenvormige kieuwen die niet bedekt zijn (zoals de kieuwen van vissen en jonge kikkervisjes ; axolotls ademen door de huid en hebben ook longen. De kleur varieert van albino of wit, via grijs en bruin tot zwart. Wilde axolotls zijn zelden wit, maar de mutante witte vorm met donkere ogen die vaak voorkomt in laboratoria en dierenwinkels werd geschapen in een Amerikaans laboratorium in de jaren '50 van de twintigste eeuw.
Regeneratie
Een opmerkelijk feit aan de axolotl is zijn mogelijkheid tot regeneratie : de axolotl herstelt zich zonder littekenweefsel te vormen. Hij kan zelfs vernielde ledematen herstellen en in sommige gevallen nog belangrijkere lichaamsdelen. Er is beschreven dat zelfs de minder vitale delen van hun hersenen volledig kunnen herstellen.
Vindplaatsen
Eitjes van de axolotl.
De axolotl kwam oorspronkelijk voor in het Xochimilcomeer en het Chalcomeer in Midden- Mexico , maar leven ook in "axalapascos", vulkanische kraters gevuld met water. De axolotl werd door de Azteken gegeten. De wilde populaties zijn echter sterk bedreigd geraakt door de groei van Mexico-stad , waardoor het Xochimilcomeer al droog is komen te liggen.
Gebruik voor onderzoek in Europa
De eerste levende axolotls werden in 1863 vanuit Mexico naar Parijs gebracht. Het betrof drieëndertig donkergekleurde exemplaren en één albino . Zij bleken zich snel aan te passen en plantten zich zelfs voort. Vanuit Parijs werden zowel eieren als volwassen axolotls verstuurd over de hele wereld. Nog steeds is de axolotl de meest bestudeerde amfibie. In Parijs werden de axolotls bestudeerd in een herpetologisch onderzoekscentrum voor reptielen en amfibieën door André Marie Constant Duméril. Georges Cuvier had al voor 1863 dode exemplaren bestudeerd. De overeenkomst met larven van de voor ons gewone salamanders was hem opgevallen en hij meende dat axolotls larven moesten zijn van een grote, onbekende salamander. Toen men zag dat de later bestudeerde, levende axolotls zich in het 'larvale stadium' gingen voortplanten, moest men deze gedachte wel opgeven.
Thomas Hunt Morgan ontving de Nobelprijs in 1933 voor zijn genetisch onderzoek waar onder andere axolotls bij betrokken waren. De bioloog Jean Rostand deed in Parijs tot in 1967 ook onderzoek waarbij hij axolotls gebruikte.
Ganzen zijn grote, zwaargebouwde watervogels uit de familie Anatidae (zwanen, ganzen en eenden). Hierbinnen behoren ze tot de onderfamilie Anserinae (zwanen en ganzen). Ganzen zijn gespecialiseerd in het grazen en leven meer op het land dan andere Anatidae