Foto
Inhoud blog
  • Geurige Hyacinten - Rob De Graeve
  • Een grauwe wereld - Rob De Graeve
  • Een uitbundige Lofzang - Rob De Graeve
  • Mijn Blog - deel 1
  • Mijn Blog - deel 2
  • Het Kindeke Jezus - Felix Timmermans
  • Clara Timmermans - Haiku's
  • Schoon Lier - Felix Timmermans
  • Lier 800
  • Cyriel Buysse en Felix Timmermans (I) - René Goyvaerts
  • Cyriel Buysse en Felix Timmermans (II) - René Goyvaerts
  • 't Nonneken Beatrijs - Felix Timmermans
  • Die Flämischen Weinachtsgesellen (I) - Maurice Van de Putte
  • Die Flämischen Weinachtsgesellen (II)
  • Schoonheid door Blijdschap - Flor Van Reeth
  • Felix Timmermans de diep gelovige - D. De Pauw
  • Tussen rijstpap en paternoster - Bert Peleman
  • In Memoriam Felix Timmermans - Denijs Peeters
  • De Blijvende Felix Timmermans - Emiel Janssen SJ
  • Felix Timmermans de Biograaf - Armand Boni
  • De Vlaming Felix Timmermans - Louis Vercammen
  • Gesprekken met Felix Timmermans - Eugeen Yoors
  • Felix Timmermans de kinderlijke eenvoudige - Jef Crick
  • De dichter Felix Timmermans - José De Ceulaer
  • Uit Zilveren Verpozingen - Felix Timmermans Kring
  • Uit Zilveren Verpozingen nr42
  • Al mijn Dagen, Felix Timmermans - Ingrid van de Wijer
  • De Ster van de Fee 2011
  • Felix Timmermans, 50 jaar - Filip De Pillecijn
  • Timmermans' Boerenpslam - Urbain Van de Voorde
  • Lezing en herdenking - P.N. Van Eyck
  • Lof van Felix Timmermans - Menno Ter Braak
  • Lezing door Jaap Nicolai - deel 1
  • Lezing door Jaap Nicolai - deel 2
  • Kaligrafie
  • Het Begijnhof - Felix Timmermans
  • Lierke Plezierke - Van een bruiloft en een Pallietestoet
  • Felix Timmermans, De Dichter - J. van de Wiele
  • Litle Baby Jesus in Flandren - Sylvain De Bleeckere
  • Inleiding bij De Familie Hernat - Gommaar Timmermans
  • Over een lange reis en een goed hart - J.L De Belder
  • De processie (schilderij)
  • Lof van een kleine stad - José De Ceulaer
  • Dankrede - Felix Timmermans
  • De Wereldfaam van Felix Timmermans - José De Ceulaer
  • Een nieuw boek over Timmermans - Hermes
  • Félix Timmermans et la francophonie - Joris Gerits
  • 1986, année Felix Timmermans - Luc De Corte
  • De Fé schildert (foto)
  • Gedachten rond Timmermans - Godfried Bomans
  • Felix Timmermans, Le père de Pallieter - uit Voilà
  • de Fé aan zijn schrijftafel (foto)
  • Hugo Verriest en Felix Timmermans
  • de Fé en zijn bewonderaars (foto)
  • De groote Timmermans uit het kleine Lier - Gerard Smit
  • Bezoek aan de Fé (foto)
  • Een strijder voor Vlaanderen - R. Van Haegenbroeck
  • Herberg De Boekt
  • Hoe Pietje Vogel aan zijn bijnaam kwam
  • Ontwerp van een glasraam (foto)
  • De enige, de echte, de eeuwige felix Timmermans
  • Felix Timmermans en Averbode - Renaat Veremans
  • Felix Timmermans De Pelgrim - Flor Van Reeth
  • Een Kleurvolle Ommeganck - krantenartikel uit 1928
  • Felix Timmermans Herinneringen - Jozef Muls
  • Pallieter naar Canossa ! - Frank Van Waes
  • Landweg met boeren (schilderij)
  • Felix Timmermans, verteller met stift en penseel - Albe
  • Het jongste werk van F. Timmermans - Paul Kenis
  • Felix Timmermans - Een Katholiek Romanschrijver
  • Leo Arras - FT zijn debuut in Vlaanderen
  • Schilderij - 't Belofte Land
  • 125 jaar geleden
  • De Fé 1886 - 1947
  • Met Pen en Penseel - Jo Cooymans
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Felix Timmermans
    Vlaamse schrijver, dichter en schilder * 1886 - 1947 *
    02-04-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Fe

    Felix Timmermans
    5 juli 1886  -  24 januari 1947.




    (Foto door Nestor Gerard 1897 - 1996)

    02-04-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (47 Stemmen)
    » Reageer (2)
    23-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Geurige Hyacinten - Rob De Graeve

    Geurige Hyacinten...

     

    Een bijdrage, in de Letterkundige Jeugdbibliotheek, van Rob De Graeve, een tijdsgenoot van Timmermans,

     

    Hoe een bloempotteke, waarin twee geurige hyacinten bloeiden, het leven van Felix Timmermans weer recht zette.

     

         Dat triestige, ongezonde boek, het was een spiegel van Timmermans' ziekelijk gemoed. Veel kerkhof- en spookhuishistories, veel griezelige verhalen uit het geheimzinnig verleden, veel doedelzakmuziek dat huiveren doet. Over elke bladzijde lag wel wezenlijk de schemering van den dood. Ook zoo het leven van den jongen dichter.

    Maar er stond geschreven dat het anders ging worden. Uit die doodsvizioenen zou opstaan het frissche, borrelende, overweldigende leven. Uit den doodsangst zou loskomen de eeuwige schaterlach te midden van het blijde, triomfeerende leven.

    « Er was geen tintelend jeugdleven meer in mij... geen leven dat opwekt, een voet grooter maakt en achter elken berg een schoone, fijne verte weet » zegt Timmermans.

         « Het moest veranderen ! Het moest ! Doch ik voelde er mij niet machtig genoeg toe....

    Er moest iets sterker zijn dan mij-zelf. En ik wachtte er naar.

    Toen kwam er een gelukkig ongeluk over mij ».

     

         In Februari 1910 moest Timmermans naar het gasthuis. Een lichte breuk-operatie.

    Er kwam echter een verwikkeling bij, 't geval werd ernstig en de Dood stond aan de sponde. Felix die het vrome, hoopvolle bidden wel een beetje verleerd had, begon te vreezen en den hemel te smeeken. Hij verlangde terug te leven, eenvoudig te leven als in den vroegeren goeden tijd. « Daar lag ik nu met al mijn wijsheid en geredetwist, nietig en onaanzienlijk te bed, met de tien teenen naar omhoog. Het bleeke postuur van den Dood zat met het uurwerk in de hand nevens mij te wachten. Mijn stonden waren geteld. Ik voelde dat ik niets meer had te doen dan mijn asem uit te blazen ».

    Plots zag Timmermans hoe eenvoudig het leven is ! En hij snakte er naar, als een visch naar water. Hij had tot hiertoe meer lust gevonden in duisternis en nachtelijke zwerftochten, dan in licht en zon. En nu hunkerde hij naar felle kleuren, schitterende klanken en jubelende luchten. Niet langer redeneeren over de gezochte geheimzinnigheden, maar leven, simpel en krachtig, gezond naar ziel en vleesch !

    Al het geredeneer het verdween lijk Maartsche sneeuw voor de jeugdige verschijning van de jonge zon. « Ik had van woorden en schijnen geleefd, en daarop mijn heilig huizeken neergezet. De drift naar 't volle leven spoelde dat alles weg ; ik zwom naar kant, en zag vandaar neer, vermoeid, maar blij, op iets wat voorbij was, op puinen, wegspoelende puinen ; een wereld die vergaat ».

    Na de schemeringen, van den Dood, de schemeringen van het Leven. Gedaan met de triestige zangen uit den triestigen doedelzak !

    Hoe dat leven ten slotte aan 't schemeren ging en — eindelijk ! — naar vollen bloei kwam, hoe een eenvoudig gasthuiszusterke met een bloempotteke dat mirakel wist te verwezenlijken, moet ge van Timmermans zelf vernemen :

     

         « Terwijl de nieuwe geest frisch als appelensap door mijn wezen voer, lag mijn lichaam nog altijd strijk, en moest nu ook nog genezen. Dan heb ik gebeden lijk een kind, vroom en zonder muizenissen, om terug in 't leven te staan ; maar met de deuren en de vensters wijd open, opdat langs alle kanten de zon mijn zielekamer kon verlichten.

    En den Baas van hierboven zette terug mijn leven recht !

    Het was juist in die dagen, als ook buiten in de natuur, het leven zich losmaakt uit den winterdood.

         't Was omtrent Paschen, in den grooten vasten, als de boomen hunne botten uitwringen en de windmolens opnieuw geschilderd worden.

    Het nonneken dat mij oppaste, zuster Dymphna, bracht mij een bloempotteken waarin twee hyacinten bloeiden, een roze en een blauwe....

    Ze stonden daar nevens mij in hunne vleezige, sappige frischheid ; overstreeld door een kladdeken zon dat door 't gordijntje kwam. In hunnen eenvoud, met hun zachte kleuren, hun teederen reuk, vertelden ze dat daarbuiten, buiten mijne witte ziekencel, de Lente op den horen blies, en het oude hart der aarde met nieuwe krachten beroerde.

    Zij openden mij deuren op schoone vergezichten en pastorale horizonnen.

    Ik zag de lente klaar en blinkend als op kerkramen, waar de zon achter staat. Ik zag in mijn vizie schooner landschappen, dan ik er ooit met mijn oogen had gezien. Die bloemekens trokken stoffige gordijnen weg ; ik zag een nieuwe wereld.

    En 't begon in mijn lijf te jeuken om buiten te zijn, om te zien en te voelen met al mijn vleeschelijke zinnen, wat die twee arme bloemekens in mijn verbeelding opriepen.

    Doch mijn ziekte hield mij te bed, en om dan toch maar iets van die rustieke schoonheid mogen in te drinken, vroeg ik het venster te openen.

    Het nonneken proefde eerst aan 't weer, en voldeed dan aan mijn verlangen. Wat een feest was het reeds voor mij. 't Was als 't begin van een schoon, vergeten lied. De blauwe, zachte, van geuren doordrenkte lucht met volle liters in te drinken, ze over mij te voelen liggen, die lucht, koel aan mijn gelaat, teeder om mijn handen.

    Met spijt herdacht ik de slecht-gebruikte dagen van 't verleden. Maar nu zou ik mijn scha inhalen ! O, mocht ik nu terug beginnen ; hoe zou ik luisteren naar 't minste gevezel der dingen, pieren naar de gebaren van de lucht.

    Het leven was grootsch en simpel, goed en eenvoudig als het gras.

    Wat was het vraagstuk van het leven ! Er was geen vraagstuk meer. Het was maar iets dat te bewonderen was. Er is niets te doen dan te bewonderen. Bewondering en anders niet ! »

    Daarmee viel alle vroegere pezeweverij in de diepte van een afgrond. Timmermans wou een tweede Sint Franciscus worden die de natuur in het hart droeg en sprak tot de zon en de vogels.

    Hij snakte naar het oogenblik dat hij de kamer zou mogen verlaten, al was 't voor één moment slechts ! Eindelijk kwam de toelating in den hof te wandelen. 't Sprak daar allemaal een nieuwe taal. De snoeier die in de boomen zat, de hoveniers die de groentenbedden klaar legden, en dan bovenal, die eerste tulpen en dat gekwetter van musschen en het liefgetaal van een paar merels.

    Hij dacht opnieuw aan het Salon, dat stuk land langs de Nethe, waar ze een tijd geleden redetwisten over allerlei en declameerden de felle taal hunner verwarde ziel. En voor hij volledig hersteld was, trok hij met zijn hart en zijn zinnen de stad uit en het veld in....

    Het gistend jonge Lente-leven overdaverde hem. Hij was de ontdekkingsreiziger in het land van honig en wonne. Het brave kloosterzusterke had hem eens, om hem op te beuren, op een rijmpje vergast :

     

    Zoowel van buiten en van binnen

    gaat er een nieuw geluk beginnen.

     

    En zoo was 't !

    Het vernieuwde leven lag allenthenen open. Het was één gedicht van luister en weelde. Schooner en heerlijker dan de nobelste bladzijden uit het heldere boek « De zeer schoone uren ».

    O ! die Lente met haar bruischende kracht in de spannende botten, met haar geur uit den dampenden grond. Was 't niet op-en-top het klare beeld van zijn eigen leven ? Ook over hem had de guurheid van den Winter dag en nacht haar nijd en haar felheid bot gevierd, en nu was 't Lente en Leven !

     

         « Die schoonheid, die goedheid, dat moet ik schrijven, zei Timmermans. Dat moest geschreven worden ! En de drang om mij te uiten waste en welde naar boven.

    Seffens vond ik wat. Ik zou de natuur bezingen heel het jaar door ; een lyrisch dagboek houden van de wolken en de vruchten, van de waterkens en de boomen en van alles wat er op de velden roert en staat.

    Het moest iets in den geest zijn van het Hooglied.

    En weet nu hoe ik begon. Ik kocht een boek met oud, geel papier, en met een ronde pen en twee gekleurde inkten schreef ik den eersten dag.

         De eerste letter duurde wel drie uur. Want het werk moest geënlumineerd worden als d'oude getijden-boeken. Ik schreef den eersten dag, den tweeden en den derden.... »

    Gedaan met die griezeligheid en die spookhistories uit de Schemeringen van den Dood.

    Van die oude dingen en die sombere boeken moest hij niet meer weten. Al wat hij gelezen had en geleerd, zou hij van zich schudden als een hinderenden last. Hij zou opnieuw door de velden gaan en kijken met eigen « gewasschen oogen », hij zou luisteren naar den zang der vogels en het ruischen der boomen.

    Hij zou doen als Rubens en Breughel, de vette weelderigheid en het machtig vertoog van eigen streek en eigen volk in zijn ziel opnemen, voedsel geven, en dan dit alles uitbeelden met eigen woord en eigen wending. Het triomfeerende Leven zonder kleinheid en zonder gelul, zonder pezeweverij en zonder dom gefilosofeer.

    Hij zou den raad volgen van dien simpelen vent die hem eens zei, terwijl hij in het veld met zijn hoofd over een boek hing : « Dor is ginnen boek zoo schoon als te zwerven en te marcheeren, zoo maar op 't goe val het uit. »

     

         Weg ! die suffe boeken over tooverij en geheimzinnigheid. Liever een uurtje praten met de eenvoudigen van te lande. « Het is een geluk bevriend te zijn met een hovenier en een molenaar. Hun oogen hebben de kleuren en de verten gedronken. Hun geest en hun sprake is vol verwen en tinten en geluk ».

    En als hij tusschen zijn werk door, nog eens sombere slagen voelt overwaaien, en de drang naar boeken hem te machtig wordt, dan grijpt hij naar Gezelle die eenvoud is en 't eenvoudig zegt :

    Als de ziele luistert

    spreekt het al een taal dat leeft.

     

    Naast Gezelle ligt ook, open en vertrouwd, een oude, beduimelde Bijbel. En verder, wat boeken en tijdschriften over tuin- en landbouw....

    En wijl het leven zoo klaar en zoo gezond voor hem staat, schenkt hij ook zijn liefde... aan Marieke Janssens.

     

         Den 5 Oktober wordt Marieke zijn vrouw. In een nederig huisje op de Karthuizersvest gaan zij hun intrek nemen en dapper werken in het kantbedrijf.... En Felix wordt een gulle levenslustige handelaar, juist als zijn vader : zon in het gemoed en zon in het huis !...

    Als hij dan, met een steekkarretje door de Liersche straten rijdt, om de stapels kanten af te halen, dan is hij de gelukkigste man der wereld. En wanneer de Liersche kleuters de bel der voordeur doen rinkelen, en om een paar centen muntebollen komen — want het voorkamertje was een winkeltje met allerlei snoepgoed aan het raam — dan weet hij eens te meer dat het leven eenvoudig en goed is.

     

    ******

     

    23-05-2012 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    22-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een grauwe wereld - Rob De Graeve

    Hoe Felix Timmermans verward geraakte

    in een wereld van grauwe griezeligheid

     

    Een bijdrage, in de Letterkundige Jeugdbibliotheek, van Rob De Graeve, een tijdsgenoot van Timmermans,

     

         Vader Timmermans, handelaar in witte kanten te Lier, was een levenslustige kerel.... Met zijn karretje» voortgesjouwd door vier, vijf honden, reed hij door de Kempen om de kanten mutsen aan den man te brengen. En hoe het waaide of regende, hoe slecht de wegen waren of de karresporen te diep, nooit verliet hem zijn blijmoedig humeur.

    Moeder Timmermans, een dochter uit een smederij, was een zachtzinnige, zeer bezorgde vrouw.... Maar of ze haar handen vol had ! De kantenzaak helpen beredderen en... veertien kinderen kweeken. Geen wonder dat vader Timmermans er al eens een kwinkslag moest uitlappen om het drukke huis in zon te zetten.

         Het dertiende kind, het was dikwijls ziek, en 't moest voor een tijdje worden toevertrouwd aan de zorg van een brave vrouw die de handen wat vrijer had. Dat dertiende kind, het was geboren den 5 Juli 1886 en 't werd gedoopt :

    Leopoldus Maximilianus FELIX TIMMERMANS.

    Spoedig nochtans werd de kleine Felix huiswaarts gebracht en hij ook, hij mocht luisteren, menigen avond, naar de sappige vertellingen van vader. Het was immers de gewoonte dat vader — als hij tijdig te huis was van de reis — de kinderen naar boven bracht, ze warmpjes induffelde en dan... aan 't vertellen ging. Vertellen, van wat hij gedurende zijn reizen gezien en gehoord had ; ook wel van dingen die hij nooit beleefd had, maar die eenvoudig in zijn durvende verbeelding opkwamen.... Vertellen van Alli-Baba en van Roodkapje, van toovenaars en geheimzinnige mannen, van nonkel Rik die tegen de Russen gevochten had, van den Paus van Rome die een paleis bewoonde zoo groot als Mechelen, van 't Kindeke Jezus en van de Drie Koningen.

         Vertellen, daar had vader Timmermans de kneep van ! Hij deed het altijd alsof hij zelf het gezien had, en alsof 't pas gisteren geschied was. Hij wist het te draaien en te wenden, zoo dat het gebeurd was in de eigen omgeving, aan de hoekjes en kanten door de luisterende kleuters gekend. Hij vertelde liefst alles in den « ik-vorm » ; hij had het immers zelf gezien.... Als het bijvoorbeeld over de Drie Koningen ging, dan zei hij : « Ik ben daar op den steenweg van Berlaer de Drie Koningen tegen gekomen en de zwarte heeft u de complimenten laten doen. » Ofwel wist hij te zeggen dat hij de Drie Koningen een eindeke had laten meerijden op zijn hondenkar.... Of de kleine luisteraars daardoor aan de lippen hingen ! En dan ook vredig verder droomden wanneer de slaap overviel en.., vader reeds lang beneden en buiten was, zijn dagelijksch pintje gaan pakken !

    Binst den dag, wanneer de zaken hem niet op de baan riepen, wist vader Timmermans zijn gastjes dikwijls op allerlei andere manieren feestelijk bezig te houden. Hij leerde hun de gebedekens op rijm, hij vulde teekenplaatjes in met hevige, felsprekende kleuren, hij timmerde een poppentheater en speelde zelf de schitterende rollen.

    Kortom, over het drukke bedrijf in het huishouden van moeder Timmermans, wist vader Timmermans den lach en de weelde te leggen van een langen, heerlijken Sint-Niklaas-avond.

    En dat dienen wij te onthouden ! Want Felix Timmermans zal uit die eerste Jeugd heel wat meedragen voor zijn latere kunst.

     

         Het eerste schoolgaan ging maar zeer onregelmatig. Felix ging liever het kantwerk afhalen of velerlei boodschappen doen bij vrouwkens die werkten voor zijn ouders.

    De geschiedenissen en legenden die hij daar afluisterde waren hem interessanter dan de dingen ter school. Vooral het rekenen was een kwelling !

         Toen hij, als jongen van een jaar of twaalf, naar de Middelbare school trok, werd het geen ziertje beter. Zelfs in het stellen was hij bijlange geen uitblinker ! Alleen de boeken over zonnestelsels en eklipsen en andere ondoorgrondelijke geheimzinnigheden konden hem geboeid houden. Daarover kon hij zelfs, heel geleerd-doende, aan 't twisten gaan met zijn leeraar. Doch boven alles had hij lief, buiten de school, de vele avonden bij den schoenlapper. Die kon pijpen rooken ! En zingen ! En vertellen !

    Dat de uitslagen van zoo'n geringen ijver ook gering moesten zijn, 't kon natuurlijk niet anders. En wanneer de dag der prijsuitdeeling daar was, hoorde Felix Timmermans zich niet afroepen... want hij was wel niet heelemaal de laatste... doch 't scheelde bitter weinig !

    Vader Timmermans nam dat echter niet al te kwalijk op, want hij had bij het buitenstappen uit de zaal nog spotlust genoeg om er wat uit te flappen : « Hier, zei hij, z' hebben u vergeten af te roepen. Ge zijt de vijfde. » En de man haalde van onder zijn jas een heelen hoop boeken te voorschijn.... Felix was content omdat hij, met zoo weinig te leeren, nog de vijfde was !

    En hij ging met zijn prijzen rond bij heel de familie en kreeg veel centen. Maar... zijn zuster moest de helft van de centen hebben, want, zegde ze, « dat zijn mijn prijs-boeken van verleden jaar ».

    Doch alle gekheid ter zijde, vader Timmermans begreep dat alle hout geen timmerhout is en dat alle schooljongens geen studenten zijn.

    Nauwelijks was Felix vijftien jaar oud, en 't was amen en uit met het schoolgaan.

    De flauwe student zou wellicht een knap zakenman worden ! Alleszins, er was werk genoeg in het bedrijf van vader....

    En Felix zou stilaan in de wereld van witte kanten en onmiddellijke broodwinning worden ingelijfd.

    Maar wat den mislukten student het meest toelachte, het was het vrije leven buiten de schoolmuren en het vrije bewegen in zijn goede stad Lier. Dat genieten van wat elken dag brengen zou, dat stappen door weer en wind, zonder huiswerk noch lessen, zoo iets stond hem eigenlijk nog het dichtst bij het hart ! En daarbij dat spetterende leventje te midden van die babbelende kantwerksters en die bluffende duivemelkers ! Hij zou er kunnen van zingen hebben, louter van overdadig genot.

         Intusschen voelde hij zich ook aangetrokken tot de schilderkunst. Was zijn vader hem niet voorgegaan in het kleuren van allerlei teekeningen en prentjes ? Had hij zelf, vroeger reeds, met schreeuwende verfkladden niet overstreken de vele plaatjes in de school-en vertelboekjes? Had hij zelf, menigen keer reeds, niet geprobeerd tafereelen te teekenen uit het leven van Jezus, met in de verte vlaamsche molens en spitse kerktorens ?

    Felix trok naar de Liersche teekenacademie ! En 't ging er goed. Hij leerde teekenen, en maakte ondertusschen ook zoowat kennis met dingen en meesters uit de kunstwereld.

    Glasschilder wou hij worden ! Dat was zoo ineens zijn droom en zijn ideaal. Die gebrande glasramen, met die kleuren trillend van licht en van hevigheid, dat was iets naar zijn zin !

    In een gekleurd glasraam zit meer bloei en meer felheid dan in een schilderij, waar alles zachter en zoeter ineen-bloeit. Een glasraam, dat was óók de kunst der kleuren, maar meer jubelend en stralend dan in een werk van 't penseel.

         Schoone tijd vol stoute droomen ! Maar het bleef bij geen louter droomen. Hij wou ook iets verwezenlijken, iets tot een tastbare werkelijkheid scheppen. Hij had intusschen ook boeken gelezen : H. Conscience, A. Snieders, J. van Beers en nog en nog. Hij had ook al museums bezocht, en de okerkleurige schilderijen van Breughel bewonderd....

     

         Het glasschilderen geraakte uit zijn hoofd. Doch, kunstenaar worden, dat stond vast.

    Met verf of met inkt, om het even ; zich langer bedwingen, dat kon hij echter niet.

    Vader helpen in de kantenzaak : goed en wel, omdat het moest ! Maar 't borrelde en bruischte in hem al te geweldig, om het daar bij te laten !

    In zijn rommelkas lagen al een heele boel teekeningen, schetsen, ja ook, gedichten, vertellingen.... Hij had zelfs al eens geprobeerd zijn schrifturen gedrukt te zien in een of ander weekblad. Daar kwam echter niets van in orde....

    Toch wel !

         Hoe Timmermans zijn eerste opstellen uit de pen liet vloeien hoe hij eindelijk een allereerste vrucht van eigen werk gedrukt in handen kreeg, en hoe hij een poos later een groote, een nieuwe ontdekking deed, laten wij hem dat zelf vertellen :

     

         « 't Was in Westerloo. Ik bracht er mijne vacantie door in « Den Hert ». « Ik had al veel geschreven, maar nog nooit was er iets van gedrukt geweest. Ik had weigering op weigering opgeloopen. Maar ik hield vol. Toch schrijven. Omdat ik het niet laten kon. Ik schreef zooals men het ons in de school geleerd had, en zooals ik het gelezen had in de boeken van Hendrik Conscience. Hier en daar was er wel eens een zinneke dat niet naar de school rook. Ik hield geweldig van die zinnekens. Maar ik dacht er niet aan om zoo heelemaal te schrijven.

    Voor sneeuw schreef ik als iedereen : een lijkwade ligt over de slapende natuur uitgespreid, enz. Voor de morgen : De dagvorstin maalt een gloed van koninklijke kleuren aan het uitspansel, enz. Daar tusschen kon dan wel eens een zin komen als : en de boomen staan in den mist, als met verslapten chineeschen inkt geteekend.

    Maar zulke zinnen dierf ik niet veel te schrijven....

    En eindelijk verscheen de blijde dag dat er van mij iets gedrukt was ; in de Nethegalm !

    Fier en blij dat ik was ! Ge kunt het niet gelooven ! In die dagen wierd Pater Servaes Daems begraven. En pastoor Claessen, familie van familie, stapte van den tram. Ik liep naar hem toe. Seffens was het over Letterkunde. « Felix, » zei hij, « 'k heb dat ding van u gelezen. Maar voor ge nog iets schrijft moet ge Guido Gezelle lezen, en het werk van zijn neef, ja hij noemde me daar een naam dien ik niet onthouden kon. Pastoor Claessen spoedde zich verder naar de begravenis.

         Ik zocht naar boeken van Guido Gezelle, maar niemand wist er iets van, die ik er over aansprak. En als ik nu maar den naam van dien neef wist ! En 't kan een Zondag of twee na datum geweest zijn, dat ik na een wandeling terug in 't Hotel Den Hert kwam. Er was gisteren Zaterdag, nieuw volk aangekomen. Een menheer zat in een boek te lezen in de zaal.

    Een kind, zijn dochtertje wellicht, riep hem. Hij liet het boek liggen. En kurieus naar boeken, ging ik eens langs die tafel om en piepte naar den titel. Er stond op te lezen. « Dagen » door Stijn Streuvels ! Dat was hij ! Streuvels ! De neef ! De menheer bleef weg, en direkt heb ik het boek opengeslagen, en begon te lezen : De Kalfkoe.

    Hoe stond het daar ! Hoe vinnig aangevoeld en duidelijk meegedeeld de stemming van den Winterzondag over het land ! Ik kreeg als een klets op mijn gezicht. 't Zakte in mijn beenen. Dat is 't ! Zoo moet het zijn. Gulzig probeerde ik met vijf regels ineens te lezen. Geweldig.

    't Sloeg heel mijn werk overhoop !

    Maar daar hoorde ik den menheer terug komen. Ik sloeg het boek toe, gebaarde van niets, en ging naar mijn kamer, gelijk een ongeloovige die plots bekeerd is, en niet weet wat doen, omdat het ineens te veel is. Na het eten deed ik de afgesproken wandeling met zuster en kennissen niet mee, maar bleef in mijne papieren frutselen. Ze waren om zoo te zeggen als assche geworden.

         Ik had zoo vroeger nog eens een klop gehad door het werk van Breughel te zien, nu kwam de klop van Stijn Streuvels. Niet dat ik wou navolgen, dit juist niet. Maar Streuvels had mij de dingen laten zien zooals ze waren. Van toen af was het uit met : de wereld ontving den groet der dagvorstin. Ik wou van nu af aan de dingen met hunnen waren naam noemen. Dat is zeer moeilijk. dat is de strijd van elken dag. Maar een frissche, vroolijke strijd. Die poging, heb ik aan den strafsten onzer schrijvers, Stijn Streuvels, te danken ».

         Intusschen maakt de jonge Timmermans ook kennis met een student aan de normaalschool, namelijk Antoon Thiry. Het bleek onmiddellijk dat deze normalist óók een vurige liefhebber was van letterkunde en schoonheid. Timmermans en Thiry werden innige vrienden. Samen wandelen zij door de zonnige velden, maar 't liefst nog door de stille straatjes van het Liersche Begijnhof. En 't gaat over sprookjes en vrome vertellingen....

    Zoo valt op zekeren dag hun oog en hun aandacht op een Ecce Homo, die naast de Begijnhofkerk in een getralied kapelleken neer zit met een 'n brandenden lantaarn voor,

    Thiry wist het algauw in een verhaal te zetten en... samen vatten zij het plan op een Begijnhof-sproke te schrijven. 't Wordt een schoon genot in vreedzamen, ernstigen arbeid.

    Zij sturen het verhaal naar Nederland, naar den strengen kunstkenner Willem KIoos....

    En — wat een vreugdevolle triomf ! — die hoog-gezeten kunstrechter laat hun opstel verschijnen in zij'n tijdschrift De Nieuwe Gids.

    Het was dus beslist dat de twee vrienden verder den weg der kunst zouden opgaan.

    Hun liefde en hun aandacht ging vooral naar het stemmige, gemoedelijke Begijnhof.

    Zij stonden trouwens niet alleen met hun hart. Andere kunstenaars en schilders kwamen ook zoo graag naar deze mijmerende plekjes. Er werd geen tentoonstelling ingericht waar de begijntjes niet stonden gekonterfeit, en de stille binnenkamers, de smalle straatjes, de rustige kappellekens prijkten overal waar men van schoone doeken hield. Op alle wijzen en in alle belichting wou men den Begijnhofvrede vastzetten.

    In 1907 moest A. Thiry naar Gent om verder te studeeren.

    En... Felix Timmermans gaat met zijn ziel naar andere dingen... Heel de rust van zijn geestesleven schokt uiteen....

    Felix Timmermans had van huize uit een ongerepte godsdienstige opvoeding meegekregen. Vooral een teedere liefde voor O. L. Vrouwe was zijn katholieke erfschat. Doch, al lezend in vele boeken, rijp en onrijp, was hij op den weg der onzekerheid versukkeld. De religieuze gevoelvolle dingen trokken hem nog wel aan, maar 't was niet langer die rustige, krachtgevende zekerheid. De boeken van Maeterlinck onder ander, hadden een eerste verwarring en een eersten twijfel gegeven. Wijsheid en schijnwijsheid, geloof en ongeloof, vastheid en onvastheid, 't stond daar alles zoo verlokkend gezegd, en Timmermans zat in de klem ! Deze volksjongen zonder stevig-gebouwde filosofie begon te « filosofeeren » : het allergevaarlijkste bedrijf voor iemand die geen vaste leiding heeft.

    Op dat bange oogenblik kwam een oudere vriend, een kunstschilder, een besliste intrede doen in het gemoedsle-ven van den zoekenden Timmermans.

         Die kunstschilder was een idealist en een meeslepende zegger ; zijn verschijning had iets «apostelachtigs » zegt Timmermans. Hij vertelde over sterrekunde, over allerlei godsdiensten en over al wat mysterie en ondoorgrondelijk was.... Hij vertelde over het doel van het leven, over de diepste dingen der wereld, en zag alles gehuld in een waas van onbegrijpelijkheid en hoogste vereering. Zeker, Timmermans had vroeger al eens gelezen in de boeken van Johannes Ruysbroeck, en ook al eens gelezen De Visioenen van Catharina Emmerich. Doch, van dat hooger schouwen in opperste vervoering, van dat diepste gebed om zich volledig te vereenigen met het Opperwezen, had hij weinig begrepen. Zou hij nu begrijpen ? Zou hij uit den zoetsprekenden mond van zijn vriend eindelijk de echte en klare waarheid verstaan kunnen ? Laten wij Felix Timmermans zijn eigen herinnering ophalen :

     

         « Wij wandelen door 't veld, waarover de zoete avond met zijn goedheid neergezegen kwam ; het westen was een wijding als een kathedraal van goud. Terwijl hij vertelde dronken zijn klare, bruine oogen de weelde van dien stervenden zonneluister, en stap na stap wierd ik verbaasder van hem.

    Hij vertelde over dingen waarvan ik nooit had gehoord of gedroomd.

    Met een innerlijke, kalme overtuiging vertelde hij.... Hij sprak over de schoonheid en het doel van 't heelal, over het zieleleven, de godsdiensten, en bracht alles onder het licht van een mystiek, waarvan ik nooit een woord had vernomen.... Zijn woorden maakten een zalvenden, geweldigen indruk op mij. Het nieuwe inzicht in het leven, het mysterieuze verband der dingen, het achter de verschijnselen zien, trokken mij zoo aan, als een slang naar zoet muziek, dat ik niet meer dacht, maar alleen verbaasd en vol wondere ontroering was, als voor nieuw licht dat over mijn leven schoof.

    Mijn klein, alledaagsch en zoekend schrijvers-leventje kreeg er een geweldigen schok door en keerde zich om.... Ik zag nu naar de ziel der dingen. Ik was geestdriftig. Ik had het gevonden !

         Die dagen waren feesten ! AIle dagen zag ik hem weer en voelde meer en meer eerbied voor hem aangroeien. Hij was een hoogstaand mensch. Sterk en nobel van geest, verstandelijk, en belezen.

    Ik trachtte naar de uren dat ik zijn woord kon hooren, en als ik hem van ver zag gaan, liep ik om bij hem te zijn ! Ik redeneerde niet over wat hij zei, ik slikte het, in een gelukzaligen roes maar door, en had er nooit genoeg van. Het was muziek !

    Het muziek der mysterien.

    Het was wel een heele verandering in mijn leven.

    Ik was van huize uit Katholiek, had van jongs af een groote vereering en aanbidding voor O. L. Vrouw. O. L. Vrouw was heel mijn Katholicisme. Ik voelde haar over mij gebogen vol liefde en toewijding, en ik had er een schuchtere, weeke liefde voor. 't Ontroerde mij soms zoo, dat ik wel in een klooster zou willen gaan om gansch mijn zieleleven aan haar te wijden. Doch al de andere geloofspunten van het Katholicisme waren niet diep in mij doorweekt....

    Maar ik weet nog altijd goed hoe alles van het Katholicisme verdween of veranderde... maar een ding bleef als een schoone, witte wolk met gouden randen aan mijn levensbeschouwing staan, en dat was O. L. Vrouw ».

     

         Kortom, het schoone, vreedzame leven van den inwendigen Timmermans werd onderste-boven gegooid. Hij trok ten slotte op zoek naar boeken die over deze geheimzinnige dingen handelden, en sloot zich op in studie en verdieping. Hij zonderde zich af van de wereld en leefde afgetrokken, in strenge eenzaamheid. Hij voelde uiteindelijk de groote kloof hoe langer hoe breeder worden tusschen hem en zijn familieleden, tusschen hem en vele vroegere vrienden.

    Het werd hem een folterende angst, een bezetenheid, een innerlijk torment. Vrede ! was datgene waar hij naar verlangde met al de vezels van zijn hart en zijn geest. Maar in hem was alles onrust, twijfel, verwarring, zielebrand ! En hij dichtte :

     

    « 'k Heb dorens om mijn hoofd gedragen

    en dorre bloemen in mijn hand.

    'k Heb kruisen langs mijn weg geplant....

    'k Heb àlles, àlles afgebroken

    hetgeen ik ooit bewierookt had. »

     

         Om die ziekelijke gemoedskwelling eenigszins aan 't kalmeeren te krijgen, trok hij samen met een ander vriend, naar een Trappistenklooster. Die retraite en die kalmte was, tijdelijk toch, een balsem.

    Maar volledige rust en stellige zekerheid kwam er niet. Daarvoor was zijn hoofd al te zeer op hol. Het leven was een sombere en dagelijksche schrik geworden. En op zijn werktafel stond een doodshoofd. « Och, hoe heb ik niet alles gedaan — zegt hij later — wat in mijn macht lag, en wat ik goed dacht, om kalm, eenvoudig, lijk den eersten den besten boer tegenover God en het leven te staan. Zonder muizenissen, klaar en kloek en sterk ! »

    Felix trok naar het Walenland, om de omgeving, de boeken en die vrienden te ontglippen. Naar een stil dorp, om daar wellicht den vrede terug te winnen.

    Hij hield het daar enkel een drietal maanden uit. Het verlangen naar een gezellig, vreedzaam tehuis, was hem te sterk geworden. Maar Waarheid en Vrede had hij nog niet !

    Opnieuw dan naar het Trappistenklooster.... Zal al dat Maeterlinck-gedoe hem eindelijk eens los laten ?

         « De eerste dagen waren een zoete balsem. Heel de omgeving ; de vlakke, oneindige hei met haar mysterieuze vennen, de stilte die er over gevezen stond ; dan het stemmig klooster met zijn lange, witte gangen, en op de vele deuren, de beelden van boetedoende heiligen, de stipt-liturgische diensten, en de ontroerende, zielverheffende Gregoriaansche zang onder leiding van een grooten kunstenaar ; die zang die goed en schoon gedaan wordt, zuiver en alleen voor God's eer ; dan de geweldige stilte, het zwijgen der monniken, de boeken en heel die atmosfeer van eenzaamheid en godsvrucht, dat dauwde als een genade over mijn krank gemoed.

    Ook zoo nederig en eenvoudig het geloof aan te nemen en daar naar te leven !

    Ik verdiepte mij in Thomas à Kempis, in mijn kleine, witte cel. Oh, dat was het. Stil en vredig te worden, van binnen wit als een hostie !

         Zoo op een avond zat ik te lezen in mijn cel. De paters waren slapen aan den anderen kant der kerk ; ik zat alleen bij een kaars in den zoetgevooisden Gezelle te lezen. Ik voelde mij plots alleen. Alle kamers in de lange gang wist ik ledig, Ik voelde de stilte als een wezen nevens mij staan, en den nacht als een draak rond het klooster kruipen. Ik wierd bang, niet dat ik vreesde iets te zien of dat er mij iets overkomen zou. Ik wierd slechts bang van mijn eenzaamheid, niet van deze eenzaamheid alleen, maar de eenzaamheid van me zelf.

    De eenzaamheid van het klooster deed mij denken aan de eenzaamheid van mijn ziel.

    Het niet mee kunnen verbroederen met andere zielen. Het zoo alleen staan met me zelf, een verloren zaad in 't heelal. Niet gehoord te worden op mijn zielekreten ! Toen heb ik al de kleinheid van den mensch gevoeld ! Ik weende om mijn onmacht. Het was ook nacht in mij.

    Ik ben hopeloos weer naar huis gegaan, benijdend de geestelijke kalmte van die paters. »

     

         Felix trok inderdaad hopeloos naar huis. Hij die voluit mensch wilde zijn, een mensch die zijn taak verricht met levenslust en zijn God wil dienen, 't bleef zoo stuurloos in zijn hoofd en zoo wrang in zijn hart. Die doodskop op zijn werktafel trok hem oneindig feller aan dan de open, blijde natuur.

    Nog eens een poging ! In het Begijnhof gaan wonen.... Dit kalme oord waar de ziel zuiver en eenvoudig haar opperste heil vindt. Ditmaal scheen de vrede niet langer vóór den drempel van zijn inwendig huis te blijyen staan. Er kwam stilaan gerustheid van gemoed en vertrouwen in het geloof.

    Doch, nog was het uur niet gekomen ! Het waren nu de vrienden die herrie verwekten, want zij kwamen bij hem, op zijn kamer, aan spiritisme doen....

    En Timmermans moest weg ! Weg uit het Begijnhof !

         Gelukkig, de vrienden ontdekten een nieuwe kamer voor hun bijeenkomsten, voor hun letterkundige en kunstminnende onder-onsjes. Zij hadden namelijk een partij land gevonden waar zij vrij en onbelemmerd hun ontroeringen en hun genoegens konden uitvieren. Dat was nu hun kamer ! Een kamer met het heerlijk groen als tapijt, met de boomen en struiken als wanden, met de blauwe lucht als plafond.... En als lamp de glorierijke zon of de geheimzinnige maan.... Daar werd gezongen en gedeclameerd, daar gaf de viool een fluweelen muziek wijl de boomen mee-ruischten.... En als het leven hun te machtig werd, verlieten zij hun Salon en deden een tochtje met de schuit op het maan-verlichte water van de Nethe. Geen wonder dat een dezer vrienden Renaat Veremans later eens zingen zou :

     

    « Mijn land is het land van de stille, de vreedzame, breede natuur ».

     

         Met dat alles was 't echter nog geen opperste rust in de ziel van Felix Timmermans. Tot zijn bitter wee bleven de verkeerde boeken nog steeds zijn vergiftigende spijs. Telkens en telkens voelde hij een nieuwe rilling van vertwijfeling over hem komen wanneer hij de werken opensloeg van 'n Dostojefsky, van 'n Ibsen, van 'n Maeterlinck.

    Overheen alles wat hij dacht of droomde, dichtte of schreef lag de somberste zwaarmoedigheid. Liefde voor het schoone, vooral voor het voorbije en weemoedige....

    Ja, doch de rechte lijn ontbrak om zichzelf een dapper leven op te bouwen.

    Af en toe, zoo een beetje uitbundig Bohemersgenot ! Maar diep in de ziel, gekneusd en gewond !

    In die gesteltenis schreef Timmermans zijn triestig boek Schemeringen van den Dood (1910).

         Een wereldje vol grauwe griezeligheid. Het is een boek dat ons brengt — heeft iemand gezegd — in donkere kelders waar flauwe kaarsjes magere, bleeke handen belichten en duistere schaduw werpen op de witte muren.

    Een boek van iemand die op 't kantje af neurastheniek is...,

     

    ***********

    22-05-2012 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    21-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een uitbundige Lofzang - Rob De Graeve

    Hoe Felix Timmermans

    een uitbundige lofzang zingt

    ter ere van de paradijselijke natuur...

     

    Een bijdrage, in de Letterkundige Jeugdbibliotheek, van Rob De Graeve, een tijdsgenoot van Timmermans,

     

    Toen Felix Timmermans het hospitaal verliet en zijn gansche wezen doortinteld voelde van het volle, triomfeerende leven, toen stond dus ook onmiddellijk het plan gereed : van die schoone dagen wil ik vertellen.

    Vertellen in frissche, nieuwe kleuren den opgang van een verloste ziel die terug het geluk, de vreugde, de goedheid, de liefde en het licht ziet.

    Vertellen in blijde woorden van de jubelende bewondering voor al het heerlijke werk van God : de menschen met hun jonge kracht, de planten en de boomen met hun groen en hun geruisch, de vogels met hun gekwetter en hun rappe vlucht, de zon die alles overgiet met haar spetterend licht.

    Vertellen van de natuur die er uitziet als een nieuw aardsch Paradijs ; een nieuw Paradijs waar alleen schoone menschen zijn zonder zonde noch onedel bedrijf, waar alleen engelen en heiligen zijn die klaroenen den jongen feestelijken zomerdag.

    Aan die vertelling is hij begonnen in 't jaar 1911. Zij is niet ontstaan in één geut, in één haal van de pen.

    Hij liep er mee in het hoofd, een gansche, volle maand ongeveer. Het was die zalige tijd dat zijn open, ontvankelijke ziel rechtstreeks de schoonheid en de weelde dronk van den komenden Zomer.

    « Het was de Lente die openberstte, de eerste verroering van het leven der aarde ».

    Zag hij een boom, hij wou er opklimmen ; stond hij voor een beek, hij wou er doorwaden ; rook hij, door een openstaande tafel, een wafelenbak, hij zat er in zijn verbeelding aan tafel ; hoorde hij uit van een kapelleke een gebed opklinken, hij bad mee in opperste begrip.

    Hij leefde in een door-durend genot, in een bewust-wording van zijn nieuw bestaan. Dauw en regen, zon en wolken, stilte en deemstering, donder en onweer, lach en grap, mensch en dier, muziek en dans, gebed en wierook, kermis en processie, 't kwam al tot hem in duidelijkste aanvoeling en klaarste besef.

    En 't bleef niet bij een simpele vaststelling, bij een eenvoudige opname in zijn aan-grijpend gemoed. De verbeelding stond in laai ! Wat stil en teeder tot hem kwam, werd innerlijk een rijke weelde. Wat bescheiden en gering was, groeide en nam feller afmetingen. Een enkele reeks boomen met wat schaduw op den grond, hij dacht zich in een weelderig, lommerrijk bosch. Een enkele vogel die schuchter kweelde, en Timmermans hoorde een weelderig orkest van velerhande instrumenten. Een nietig beekje met wat kabbelend water, en Timmermans was aan 't baden en voelde het genot van een weelde-uur aan zee. Een windeke, zacht en frisch, over het warme gelaat en Timmermans meende een zegetocht te doen op een volbloedig paard, hoog, doorheen de waaiende wolken aan den hemel.

    De minste gebeurtenis uit het dagelijksch leven, 't wordt hem steeds nieuw voedsel en nieuw vleesch voor zijn scheppingsdrang. Met open zintuigen vangt hij alles op, gulzig, en geeft het verderen groei in zijn verbeelding.

    Een gezellig samenzijn met de vrienden, waar aan tafel, wat geëten en gezongen wordt, en Timmermans weet er uit op te bouwen een overdadigheid van worsten en rijstpap en taarten.

    Een vrouw roept van uit de keuken haar man die buiten aan de deur zit, een gazet lezend :

    « Ga eens om wat groensel voor de soep » ; de man gaat er om, naar de groenselmarkt, blootshoofds, in zijn hemdsmouwen ; doch een vriend lokt hem binnen en... van d'eene herberg naar de andere... drie dagen aan een stuk... en komt dan, doodbedaard, thuis met zijn boodschap : « Maak nu eens een goede soep gereed, Sophie ! »

    En daarmee heeft Timmermans een nieuwe type voor zijn verbeelding en voor zijn wordend boek....

    Verbeelding dus ! Louter verbeelding. Maar een verbeelding die zoo frisch, zoo rijk, zoo feestelijk alles wist op te bouwen, doordat het inwendige leven van den dichter ook zoo jong, zoo vurig, zoo hartstochtelijk oplaaide.

     

         Na die eerste innerlijke spanning, na dien schoonen tijd der eerste bezieling, moest nu het werk met de pen gebeuren. Ook dat is niet vanzelf gegaan. Van 1911 tot 1914 is het een periode geweest van schrijven en herschrijven, van veranderen en verbeteren. De algemeene lijn en het grootere plan, waren wel klaar ; doch landschap en lieden moesten nu meer bepaald, meer omlijnd geraken.

    Luister hoe Timmermans te werk ging : « Als ik zeg vier jaar er aan gewerkt te hebben, dan is dat niet dag aan dag, en 't is er ook zoo niet in een geut uitgeloopen lijk het gedrukt staat.

    Er is aan geschreven en herschreven, uitgelaten en bijgedaan. De geest van het werk bleef het zelfde, maar de uitwendigheden veranderden veel.

    Het is dus alles verbeelding, maar die dingen schrijf ik zoo maar niet. Die moet ik eerst op mijn oogen geschilderd hebben, zien in den geest, en kan ik dat, dan is 't schrijven een niemendal meer. Dan schrijf ik wat ik zie. Alles wat ik schrijf, de minste kleur, het minste woord, elk gebaar van mensch en dier, 't beweeg van boom en wolken, een rimpel op de Nethe, ik moet het eerst kristal-duidelijk in mijn verbeelding zien.

    Dat komt al peinzende, al schrijvende, al droomende, en soms terwijl ik met andere dingen en menschen bezig ben.

    Schrijf ik weinig of veel over iets, 'k moet het alles eerst duidelijk zien ».

    Alzoo is Pallieter geboren ! Pallieter, het geweldige sprookje van een geweldige verbeelding. Pallieter - zoo heet de held van het boek - is de overkrachtige natuurmensch die het leven geniet met al zijn geweld en zijn heerlijkheid, die met al zijn gulzige zinnen de jubelende vreugde van een overweldigende natuur in zich opneemt.

     

    PALLIETER, DE DAGENMELKER...

     

         God schept den dag, en Pallieter profiteert er van ! Dat de wereld geen droom, geen sprookje is, daar denkt Pallieter maar geen oogenblik aan. Het leven is een weelde, een roes, en Pallieter heeft zijn zinnen om te drinken van den lokkenden rijkdom der geneuchten.

    Pallieter maakt met speeksel zijn wijsvinger nat, steekt hern in de lucht en als hij voelt dat zijn vinger koel wordt langs den Zuiderkant, dan schiet hij in een luiden lach, want... 't zal nog eens goed weer worden....

    Zoo stapt Pallieter over de wereld, omdaverd door zon en lucht, gespijsd door vruchten en sappen die geen werk vragen, in een omgang met menschen die last noch zonde kennen... Pallieter is de natuurmensch die noch winst noch verlies berekent maar alleen geniet, geniet met overmaat van den eersten morgenglans tot de laatste ster, geniet van de eerste Lente tot den laatsten Zomer.... Ziet hoe Pallieter een nieuwen dag aanvangt :

         « Hij stopte zijn pijp, en haalde uit den stal den geweldigen geitebok. Deze was pikzwart van koleur met een blauwe glans erover, droeg gele hoornen en had twee groote licht-grijze oogen. Zijn naam was Lucifer.

    Als het beest buiten kwam, snoof het een stond de frissche buitenlucht op en wilde dan met zijwippen vooruit, maar Pallieter greep hem bij de horens, sloeg zijn beenen scherlings over den hoogen rug, stak zijn pijp aan, en reed dan, gemakkelijk gezeten op Lucifer, die den kop onstuimig vooroverboog, den hof door. Pallieter klapte in zijn handen, en daar kwamen de vijf honden aangebast en liepen met lange pooten dol vooruit. Lucifer droeg Pallieter door het achterpoortje dat op de Nethe uitgaf, en volgde dan den slingerenden waterdijk.

    Langs alle kanten opende zich nu in een nieuwe heerlijkheid het wilde, zonnige, meigroene land dat heel in de verte in zilveren misten verblauwde ».

     

    PALLIETER KENT GEEN ZORGEN....

     

         Hoe zou Pallieter zich bezorgd maken over brood of slaapgelegenheid, over kleed of woon ? Hij heeft maar te gaan en te nemen, zich neer te leggen en te rusten, uit zijn bed te wippen en er op uit te trekken.... 't Ligt alles klaar en wacht hem ! Zoo paradijselijk is hem de wereld dat zorg noch ziekte, last noch wee hem bekruipen kunnen.

    Wanneer hij dorst en honger kreeg, dan trok hij naar « de vette weiden, overgoten reeds van zware sterke zon, en bevlekt met bruine, witte en zwarte koeien. Hij ging door het losse gers, en de opgekomen honger deed hem zien naar de roze uiers, die vol zoete, warme melk hingen. Het water kwam hem in den mond. Hij had maar te trekken om ervan te genieten.... Hij rolde een stuk papier tot een puntzak, zette zich onder een koe, trok met eene der tepels, en zie ! de straal witte melk spoot ruischend en schuimend in 't papier. Als 't vol was, dronk hij hem leeg, en het bekwam hem zoo goed dat hij er drie zakskes van tapte. Hij hoorde de naar boter smakende melk in zijn holle maag boebelen ; het lekte van zijn kin tot in zijn hals, en hij zei tot de koe : O wandelende herberg, wees gedankt ».

     

    PALLIETER IS DICHTER....

     

         Wanneer Pallieter het eene beu is, vindt hij zonder veel zoeken het andere. Het is een leven van afwisselend, nooit verzwakkend, altijd durend genieten ! Wanneer bij voorbeeld de oververzadigde kermisgasten heen zijn, na de verovering der tafels vol vlaaien en schuimende glazen, gaat deze genotsmensch een poosje dichter zijn en weemoedig mijmeren in het maanlicht :

         « Heel ver in de stad was er nog kermismuziek, en een nachtegaal floot dicht bij hem.

    Hij zag hem zitten met den staart scherp geteekend op den zilveren manebol. Hij floot kort, beluisterde lang zijn eigen, maar elke klank was goud waard. Zoo zat Pallieter daar lang met den schijn der maan op zijn handen, en de nacht sprak tot zijn hart,

    Hij ging wandelen.

    De Nethe was stil, en slechts nu en dan lekte de maan een guldene plooi in het donkere water.

    De beemden lagen vol doom en het gers was nat van den dauw.

    De stilte was heilig.

    Pallieter wandelde langzaam voort, plukte een natte bloem, die hij tusschen de tanden wiegelen liet, en zijn schaduw wandelde met hem mee.

    Hij kwam in het veld waar de vruchten roerloos in den lagen nevel stonden.

    Het koren glom, strunken bogen maanbelicht over met witte bloemen begroeide grachtjes, en de berkeboomen ritselden blinkend hun ijlen blarenregen. Na al het rumoer en de uiterlijke vreugde van dezen kermisdag was hij door dezen volle-maanbelichten nacht geroerd tot in de ziel, en zijn hart smolt van ongekende goedheid in zijn lijf ».

     

    ALLES IS PALLIETER EEN VREUGD....

     

         Pallieter wist van alle vuur een feestvuur te maken, van alle lied een triomflied, van alle eetgelegenheid een kermismaal. Niet alleen de zon was hem een glorie, ook de sneeuw, en het ijs, en het winterlandschap.... Eens bleef de sneeuw een tijdje weg, toen het reeds vele dagen winter en stilte was.

    En Pallieter morde « Ne winter zonder snie is lak ne zomer zonder zon... »

    Maar in den nacht voor Kerstmis was de sneeuw gevallen, zacht en ongezien, in dikke, vette vlokken, aanhoudend en menigvuldig, tot het morgend werd.... Pallieter reed met de slee naar de kerk, klom den killen wenteltrap op naar den toren, want hij wou de sneeuw zien, heinde en verre.... Verroerd riep hij toen uit : « De aarde bidt ! Laat alle klokken los ! »

    En : « Pallieter liep naar de klokken, zette zich op den houten balk, duwde en duwde ; en de klok begost te zwieren, de klepel ronkte tegen het brons, nog een klank, en plots was het in vollen gang. Het klokkengelui vulde de torenkamer en viel langs de galmgaten over de wijde, witte wereld met een zot gejubel. Pallieter was lijk dronken, de klanken gonsden en ronkten door hem heen, en bij elk omhooggaan zag hij door de galmgaten de wereld wit in sneeuw !»

     

    PALLIETER ZIET DEN HEMEL....

     

         Deze Pallieter voor wien elken dag overgoten werd met den toren van overvloed, overvloed van zinnelijke geneuchten, kon toch ook wel eens tot stillen inkeer komen bij het aanzien van hooger, nobeler dingen. Er kon ook event jes een edeler verrukking over hem neerdalen en een inniger vreugde. Tusschen het overdadig zinnen-genot was ook al eens plaats voor een vromer ziele-genot. Eventjes toch maar....

    De kruisprocessie gaat door de velden, om den zegen af te smeeken over de vruchten. Pallieter trekt mee — op zijn paard, natuurlijk ! — achter de roode misdienaars met rinkelende bellen en geurigen, blauwen wierook, achter den pastoor in gouden-purperen koorkleed met het sprenkelend wijwater : « Pallieter bad innig mee. Hij was vol licht en leven. 't Kraakte in hem van geestelijken wellust. Hij had willen vlaggen zwaaien en mede rollen in den wind.

    Het bidden was hem te stil en hij verhief zijn stem en zong zoo luid hij kon met de Priesters : De profundis clamavi ad te Domini !.. »

    Het was heerlijk al dat bloeiende wit op de boomen !... De groote, blijde wind zoefde door de lucht en bromde in de boomen....

    Verder gingen de kruisen, wit en rood, langs de blonde wegen, en overal sloegen de molens lijk de priesters kruisen over 't veld.... »

     

         Pallieter, het boek, is bijna onmiddellijk een succes geworden. Het was eerst verschenen, broksgewijze, in een Nederlandsch tijdschrift De Nieuwe Gids. Maar toen het in 1916 in boekvorm van de pers kwam was 't werkelijke « een blijde intrede » met gejuich en hoera !

    Niet één letterkundige maar velen, zeer velen meenden het aldus : « Pallieter was niet alleen een verrassing. Het was een openbaring. Er is maar één stem opgegaan in Vlaanderen en Holland om dit merkwaardigste boek der laatste tientallen van jaren te noemen ; ja, men zou ver in de geschiedenis moeten opklimmen om een werk te ontdekken dat zulken ophef maakte, niet alleen door de groote schoonheidsverdiensten, maar vooral met zijn eigenaardigen geest ».

         Dat was de meening der heeren die rond 1917 verslag moesten uitbrengen over den Staatsprijskamp voor de Vlaamsche Letterkunde.

    Het boek dat siddert van verrukking voor de natuur, dat op elke bladzijde het leven bruisen doet, viel dus algemeen in den smaak. Bij ons, en ook buiten onze grenzen, waar het onmiddellijk in vele landen vertaald, gedrukt en herdrukt werd.

    Zeer begrijpelijk ! Het was een boek dat het leven deed inzien in al zijn jolijt en in al zijn kracht, het was een boek dat genoemd mocht worden : het hooglied van het natuurleven.

    — De taal was daarbij zoo kleurig en zoo volksch, zoo zwierig en zoo sappig, zoo frisch en zoo rijk aan beeld en geluid ; een taal die doortrokken en doortinteld was van fel en lustig leven, zooals ook Pallieter zelf een hartstochtelijkheid en een zinnengeweld was. —

    En daarbij nog, dit boek verscheen op het passend oogenblik ; de menschen hadden nood aan opgewektheid en nieuwen moed, aan een verlossenden lach en een blijden klank : want gekneusd en gebroken lagen zij onder de ellende van den gruwelijken wereldoorlog....

    Pallieter heeft dus, inderdaad, en zeer begrijpelijk, een triomf gekend over de gansche wereld ; ja, over de gansche wereld !

     

         En toch !...

    Wij hebben zeer openhartig en eerlijk het Pallieter-boek in zijn wording en in zijn beteekenis uiteengezet. Timmermans doen kennen, zonder te spreken over dat machtig boek, ware een onmogelijkheid. Timmermans zonder zijn Pallieter zou de ware Timmermans niet zijn. Daarom, nog eens gezegd, hebben wij over dit werk uitvoerig willen spreken.

         We kennen nu, in de groote lijnen, den inhoud en de schoonheid van dit werk. We weten nu voldoende hoe Pallieter altijd de natuurmensch is die zijn leven ongebreideld en spetterend uitviert, en hoe Pallieter daar geteekend staat in een springlevende, kleurrijke taal.

    Doch dit, vrienden van de Letterkundige Jeugdbibliotheek, weze u thans voldoende !

    We zeggen voor het overige, doch met nadruk : Handen af van dat boek !

    Want, er zijn vele redenen daartoe....

         Het boek is in zijn natuurliefde te sterk. De mensch is ten slotte heel wat anders dan een natuurdier.... Het is wel waar dat O. L. Heer ons geplaatst heeft te midden van den heerlijken bloei zijner velden en bosschen. Doch de natuur, en niets dan de natuur : 't is verkeerd !

    Genieter zijn, en almaardoor genieten is ook een noodlottige filosofie. En van die verkeerde filosofie is Pallieter, de dagenmelker, de zinnenmensch, zeker het slachtoffer. Het leven kan niet zijn, mag niet zijn een slampamperij. Aanzitten aan een feesttafel, wil nog niet zeggen dat die tafel moet doorwegen van de bergen worsten, rijstpap en fruit. Het moet er heel wat evenwichtiger gaan in deze wereld, óók als het feest is !

     

         Het boek is soms ook te ruw, te plat. Geweldigaards letten niet altijd op hun woorden ; zoo klinkt het niet, zoo botst het. En Pallieter is van die kategorie. Hij houdt geen blad voor den mond, en fijn of grof, hij flapt het er uit. Overdadig in zijn genot, is hij ook meer dan eens overdadig in zijn woorden ! Ongebonden in zijn leven, is hij ook ongebonden in zijn zeggen !

    Omdat Pallieters lofzang aan de natuur al te dikwijls in zulke ruwe, realistische bewoording klinkt, laten wij dat boek verder dus gesloten.... Hij wil altijd het woord dat effect geeft ! Maar... dat is gevaarlijk ; want wie geen Pallieter is voelt een verkeerd effect.

    Duidelijke woorden zijn niet altijd kiesche, nobele woorden....

    Timmermans meende dat zijn Pallieter een hymne ging beteekenen aan Hem die al die weelde en al die schoonheid geschapen had.... Dan is het toch een averechtsche hymne !

     

         Om die redenen, vrienden van de Letterkundige Jeugd-bibliotheek, is het boek Pallieter, in zijn geheel genomen, voor u absoluut een ongepaste lezing ! En we begrijpen dan heel goed waarom de geestelijke Overheid dit boek, vooral de eerste uitgaven, « voor de zielen zeer gevaarlijk » heeft geheeten.

    Handen af daarom ! Met vuur spelen is een gevaarlijk bedrijf !

    Heb dus karakter en laat dit boek ter zijde liggen....

    Het moet !

     

    *****

    21-05-2012 om 21:53 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    15-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mijn Blog - deel 1

    Inhoud van het blog over Felix Timmermans


    Op onderstaande lijst zijn de data bij ingevuld zodat ge, via de maand en het jaar, in het archief desbetreffende teksten of artikels kan terug vinden.

    2012

    De Fé

    Laatste aanpassingen van het blog : zijn geel aangemerkt, ook eventueel verder door in deze tabellen.


    Een uitbundige Lofzang - Rob De Graeve       (21/05/2012)
    Kindeke Jesus in Vlaanderen - Feliox Timmermans     (11/05/2012)
    Pionier in het Haiku-genre  -  Clara Timmermans     (29/04/2012)
    Schoon Lier - Felix Timmermans      (28/04/2012)
    Lier 800     (27/04/2012)
    Cyriel Buysse en Felix Timmermans - René Goyvaerts     (15/04/2012)
    't Nonneken Beatrijs - Felix Timmermans      (5/04/2012)
    Die Flämischen Weinachtsgesellen  -  Maurice Van de Putte     (2/04/2012)
    Schoonheid door Blijdschap - Flor Van Reeth     (20/02/2012)
    Felix Timmermans, de diep gelovige - D. De Pauw     (20/02/2012)
    Tussen rijstpap en paternoster - Bert Peleman     (19/02/2012)
    In Memoriam Felix Timmermans - Denijs Peeters    (19/02/2012)
    De goede Fee - Renaat Veremans     (18/02/2012)
    De blijvende Felix Timmermans - Emiel Janssen SJ     (18/02/2012)
    Felix Timmermas de Biograaf - Armand Boni     (17/02/2012)
    De Vlaming Felix Timmermans - Louis Vercammen     (17/02/2012)
    Gesprekken met Felix Timmermans - Eugeen Yoors     (16/02/2012)
    Felix Timmermans, de kinderlijk eenvoudige - Jef Crick     (16/02/2012)
    De dichter Felix Timmermans - José De Ceulaer           (4/02/1212)
    Uit Zilveren Verpozingen-F.T. Kring - Etienne De Smedt  (3/02/2012)
    Al mijn Dagen, Felix Timmermans - Ingrid van de Wijer      (1/02/2012)

    Timmermans' Boerenpslam - Urbain Van de Voorde      (6/01/2012)
    Felix Timmermans, 50 jaar - Filip De Pillecijn    (4/01/2012)
    Lezing en herdenking - P.N. Van Eyck  + 3 gedichten van de Fé  (4/01/2012)
    Lof van Felix Timmermans - Menno Ter Braak         (3/01/2012)
    Lezing door Jaap Nicolai - deel 1 en deel 2      (2/
    01/2012)

    2011

    De ster van de Fee - Kerstmis in de wereld van Timmermans    (10/01/2012)
    Kaligrafie - Willy De Loenen       (20/12/2011)
    Het Begijnhof - Felix Timmermans      (19/12/2011)
    Lierke Plezierke - Van een bruiloft en een Pallietestoet      (15/11/2011)
    Felix Timmermans, De Dichter - J. van de Wiele      (11/11/2011)
    Litle Baby Jesus in Flandren - Sylvain De Bleeckere      (10/11/2011)
    Inleiding bij De Familie Hernat - Gommaar Timmermans       (18/10/2011)
    Over een lange reis en een goed hart - J.L De Belder     (16/10/2011)

    Lof van een kleine stad - José De Ceulaer     (15/10/2011)
    De Wereldfaam van Felix Timmermans - José De Ceulaer      (13/10/2011)
    Dankrede - Felix Timmermans      (12/10/2011)
    Een nieuw boek over Timmermans - Hermes      (11/10/2011)
    Félix Timmermans et la francophonie - Joris Gerits      (19/09/2011)
    1986, année Felix Timmermans - Luc De Corte        (18/09/2011)
    Gedachten rond Timmermans - Godfried Bomans       (16/09/2011)
    Felix Timmermans, Le père de Pallieter     (15/09/2011)
    Hugo Verriest en Felix Timmermans        (14/09/2011)
    De groote Timmermans uit het kleine Lier - Gerard Smit     (13/09/2011)
    Een strijder voor Vlaanderen - R Van Haegenbroeck      (10/09/2011)
    Hoe Pietje Vogel aan zijn bijnaam kwam – Modest Geuens     (7/08/2011)

    De enige, de echte, de eeuwige felix Timmermans – J Callewaert     (6/08/2011)
    Felix Timmermans en Averbode - Renaat Veremans     (5/08/2011)
    Felix Timmermans De Pelgrim - Flor Van Reeth     (4/08/2011)
    Een Kleurvolle Ommeganck - krantenartikel uit 1928      (3/08/2011)
    Felix Timmermans Herinneringen - Jozef Muls    (2/08/2011)
    Pallieter naar Canossa ! - Frank Van Waes     (1/08/2011
    )
    Felix Timmermans, verteller met stift en penseel - Albe     (20/07/2011)
    Het jongste werk van Felix Timmermans - Paul Kenis     (19/07/2011)
    Felix Timmermans een Katholiek Romanschrijver - Leo Arras     (18/
    07/2011)
    Felix Timmermans zijn debuut in Vlaanderen - Leo Arras (R. Salorea)   (17/07/2011)
    Met Pen en Penseel - Jo Cooymans               (11/06/2011)

    Bruegelland – tentoonstelling schilderijen van Bruegel tot 2017       (10/06/2011)

    De Fé werd 125 jaar geleden geboren, kort overzicht  José De Ceulaer     (5/07/2011)

    In het spoor van Felix Timmermans – Tom Bouws               (8/06/2011)

    Op reis door de natuur - Lia Timmermans     (7/06/2011)
    Verhalenkalender voor 1932               (30/05/2011)

    Overzicht werken over Felix Timmermans (deel 1) – José De Ceulaer     (25/05/2011)

    Overzicht werken over Felix Timmermans (deel 2) – José De Ceulaer     (24/05/2011)

    Leven met Felix Timmermans - Karl Jacobs (23/05/2011)

    Mijn vriend Flor Van Reeth door Felix Timmermans          (22/05/2011)

    De weerklank van de Harp - José De Ceulaer          (21/05/2011)

    De Historiciteit van Adriaan Brouwer - Louis Vercammen (20/05/2011)

    Rust en Stilte in Palleiter - José De Ceulaer  (19/05/2011)

    Timmermans herlezen - Albert Westerlinck  (18/05/2011)

    Felix Timmermans en de Houten Mensen - Jozef Contryn               (17/05/2011)

    Oneerbiedig tov de Fé en de familie Timmermans  (krantenartikel)  (23/04/2011)

    Op bezoek bij de Fé  -  november 1941          (6/04/2011)

    Bij Marieke is de Fee nog thuis          (6/04/2011)

    Onstaan van Schoon Lier – deel 1 Marcel Cordemans        (5/04/2011)

    Onstaan van Schoon Lier – deel 2 Marcel Cordemans        (4/04/2011)

    Onstaan van Schoon Lier – deel 3 Marcel Cordemans        (3/04/2011)

    Timmermans de gelovige – Oscar Van der Hallen               (15/08/2011)

    Die Grootheid van Felix Timmermans – CM Van den Heever        (12/03/2011)

    Timmermans en het boek – Frans Verstreken          (11/03/2011)

    Felix Timmermans in Krefeld – Duitsland door Paul en Ingrid Wolters      (10/03/2011)

    Liersche Kunstschilders - Bernard Janssens  (voorwoord van Timmermans)             (9/03/2011)

    Toch Zingen - Clara Timmermans               (8/03/2011)

    De verdwenen 'Kathedrale' Begijnenvest - Arthur Lens      (7/03/2011)

    De Bronnen van de Familie Hernat  -  José De Ceulaer       (10/02/2011)

    In memoriam Felix Timmermans                    (5/01/2011)

        Grafrede  -   Oscar Van Rompay              (5/01/2011)

        De Goede Fé – Renaat Veremans            (5/01/2011)

        In memoriam - Lode Baekelmans (5/01/2011)

        Persoverzicht – Adriaan De Roover         (5/01/2011)

        In memoriam – Manu Ruys                       (5/01/2011)

    Felix Timmermans, een woord tot afscheid - Van Mierlo    (13/01/2011)
    In Memoriam Felix Timmermans - uit het tijdschrift Rommelpot    (12/01/2011)
    In Memoriam Felix Timmermans - Jos Ghijsen     (11/01/2011)
    Afscheid van Felix Timmermans – Ernest Van der Hallen  (3/01/2011)

    Wijsgerig Envoi – Anton Van de Velde        (3/01/2011)

    Beelden van de begrafenis  -  oude foto’s      (3/01/2011)

        In memoriam – Felix Heidental     (3/01/2011)

    Een Lepeltje Herinneringen  - Berten Verbeelen      (1/01/2011)

     

    2010

    Felix Timmermans : zijn Leven en Werk – José De Ceulaer     (21/05/2010)
    Felix Timmermans : Hoe hij ons volk en ons land ziet – Oswald Everaert     (20/05/2010)
    Felix Timmermans : als illustrator van zijn eigen werk – Frans Mertens     (19/05/2010)
    Felix Timmermans : Hoe hij schrijft – Paul Hardy     (18/05/2010)
    Felix Timmermans : Uit zijn werk     (17/05/2010)
    Felix Timmermans en de Opera Anna-Marie – Renaat Veremans     (16/05/2010)
    Felix Timmermans en de Hanzische Rembrandtprijs – Antoon Jacob     (15/05/2010)
    Felix Timmermans in vertaling – Bert Laenens     (14/05/2010)
    Felix Timmermans : Hoe hij begon     (13/05/2010)
    Felix Timmermans, de verteller – Ernest Van der Hallen     (12/05/2010)
    Al pratende met ... Felix Timmermans (1925) – GH Pannenkoek jr            (20/03/2010)

    Boekbeoordeling : Felix Timmermans van Theo Rutten       (19/03/2010)

    Adagio - De Herfst blaast op den Hoorn       (18/03/2010)

    Adagio - 'column' van Herman Janssens      (22/02/2010)

    Ten huize van ... Renaat Veremans              (22/02/2010)

    Ten huize van ... Reimond Kimpe     (20/02/2010)

    Ten huize van ... Flor Van Reeth      (19/02/2010)

    Wat heb ik nog aan Pallieter - Marcel Janssens        (18/02/2010)

    Pallieter - Boekbespreking door Jan De Vries – 1917           (8/02/2010)

     

    2009

    Van Boudewijn tot Breugel - Marc Somers              (15/04/2009)

    Felix Timmermans in Waalwijck – Arthur Lens       (14/04/2009)

    Felix Timmermans in Antwerpen – José De Ceulaer            (13/04/2009)

    Toneelwerk van Timmermans - Lode Monteyne       (2/04/2009)

    Timmermans en Veterman - De Ster (1928)       (2/04/2009)

    Timmermans en Veterman - Leontientje (1927)        (2/04/2009)

    Timmermans en Veterman - Mijnheer Piroen (1926)     (2/04/2009)

    Timmermans en het toneel                  (2/04/2009)

    Anton Pieck en Timmermans  - Artur Lens      (1/04/2009)


                                                              ***************

    15-05-2012 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    14-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mijn Blog - deel 2

    2008
    Klankbeeld : 3 juli 1961          (6/10/2008)

    Een nieuw museum in Lier     (15/09/2008)

    Lezing in het Huis van Oscar - Gaston Durnez     (14/09/2008
    Oscar Van Rompay door Felix Timmermans    (13/09/2008)

    Kunstschilder Oscar Van Rompay - Arthur Lens       (12/09/2008)

    De zucht naar het zonnige zuiden - Leo Arras           (11/09/2008)

    Felix Timmermans over Oscar Van Rompay     (10/09/2008)

    Oscar Van Rompay over de Fé           (9/09/2008)

    Felix Timmermans und Oscar Van Rompay                 (8/09/2008)

    Kleuren op de witte Vredeberg - Gaston Dyrnez         (7/09/2008)

    In Memoriam Oscar Van Rompay - Arthur Lens          (6/09/2008)

    Felix Timmermans en Iconografie                  (19/06/2008)

    Ledendag F T- Kring 13 april 2008 – Scherpenheuvel           (18/06/2008)

    Verslag van de 40ste ledendag Felix Timmermans Kring        (6/06/2008)

    F T Fring bestaat 20 jaar         (5/06/2008)

    Felix Timmermans Kring - Ledendagprentjes            (4/06/2008)

    Felix Timmermans en Camille Melloy (1)                  (25/03/2008)

    Felix Timmermans en Camille Melloy (2)                  (24/03/2008)

    Felix Timmermans en Camille Melloy (3)                  (23/03/2008)

    Felix Timmermans en Camille Melloy (4)                  (22/03/2008)

    Felix Timmermans en Camille Melloy (5)                  (21/03/2008)

    Een overzicht door José De Ceulaer (juni 1947) (deel 1)     (17/03/2008)

    Een overzicht door José De Ceulaer (juni 1947) (deel 2)     (16/03/2008)

    Paaschtijd                    (14/03/2008)

    In de hof van mijn vader – Clara Timmermans       (25/02/2008)

    Het huis van mijn vader- Lia Timmermans              (24/02/2008)

    De literaire betekenis van Felix Timmermans – Hubert Lampo        (23/02/2008)

    Getuigenissen en herinneringen – Gerard Walschap            (22/02/2008)

    Oorlogsherinneringen – Staf Weyts               (21/02/2008)

    Mijn afscheid van Felix Timmermans – Albe       (20/02/2008)

    Bedenkingen van een bewonderaar – Louis Vercammen     (19/02/2008)

    Timmermans’ werk in het buitenland       (18/02/2008)

    Het genoegen te kunnen schilderen – José De Ceulaer        (17/02/2008)

    De humor van Felix Timmermans - Gaston Durnez        (16/02/2008)

    Timmermans en het korte verhaal - Herman Vos                  (15/02/2008)

    Timmermans verfilmen - Frans Verstreken       (14/02/2008)

    Polleke van Mher - een gedicht uit 1909          (5/02/2008)

    Hulde door Ernest Claes – 1957       (3/02/2008)

    Herinneringen aan d’n Fé – Rogier Van Aerde – 1957        (2/02/2008)

    Timmermans Herdacht – 1957  -  A. Westerlinck                 (2/02/2008)

    Herdenking Felix Timmermans  -  1957     (’t Land van Rijen)          (1/02/2008)


    2007
    Little baby Jesus of Flandr’  -  2010               (28/12/2007)

    Film – En waar de Sterre bleef stille staan ...    (27/12/2007)

    Musical De Ster – herneming              (26/12/2007)

    Musical : De Ster        (25/12/2007)

    Houten Mensen           (28/10/2007)

    Clara Timmermans schrijft, schildert en zingt            (28/10/2007)

    Felix Timmermans en het Poppentheater        (2/10/2007)

    De Fe in Oostduinkerke          (10/06/2007)

    Boerenpsalm – Oostduinkerke - Frans Verstreken              (9/06/2007)

    Ledendag Felix Timmermans Kring 2007      (14/05/2007)

    Sankt Nicolaus in Not       (13/05/2007)

    Felix Timmermans en Antwerpen       (6/03/2007)

    O L Vrouw der Vissen                       (5/03/2007)

    De Familie Hernat - Lode Monteyne        (1941) (2/03/2007)
    Pallieter eindelijk weer bloot              (1/03/2007)

    De Musical Pallieter                (1/03/2007)

    De oorspronkelijkheid van Felix Timmermans - José De Ceulaer                 (28/02/2007)

    100 jaar Felix Timmermans                 (21/02/2007)

    ….‘ de lucht is natzilver als de rug van vis ’….          (31/01/2007)

    Het wonder in de Kerstnacht             (30/01/2007)

    Wij herdachten Felix Timmermans op 24 januari 2007          (24/01/2007)


    2006

    Filatelie           (28/11/2006)

    Flach-Backs in zwart-wit                    (28/11/2006)

    Felix Timmermans Gesellschaft – Duitsland                  (24/11/2006)

    Jahrbuch FT Gesellschaft - inhoud ( 1-7 )               (23/11/2006)

    Jahrbuch FT Gesellschaft - inhoud ( 8-15 )             (22/11/2006)

    Jahrbuch FT Gesellschaft - inhoud ( 16-21 )           (21/11/2006)

    Lierse Kunstkalender 2007 – Tonet Timmermans               (22/10/2006)

    Door het Begijnhof                 (18/10/2006)

    De zachte Keel - Stijn vanclooster                (10/10/2006)

    Leontientje - Stijn vanclooster                      (9/10/2006)

    Pirroen - Stijn Vanclooster.               (8/10/2006)

    De Ster - Stijn Vanclooster.              (7/10/2006)

    De hemelsche Salomé - Stijn Vanclooster        (6/10/2006)

    Felix Timmermans - Gaston Durnez         (6/10/2006)

    Bespreking Biografie Felix Timmermans - Elke Brems     (5/10/2006)
    De Pallieterkalenders, jaar in, jaar uit        (2/10/2006)

    Pallieterstoet 11 en 17 juni 1928         (12/09/2006)

    Een krantenartikel uit 1934                 (4/09/2006)

    Pallieter, een hardnekkig archetype – Julien Vermeulen      (1/09/2006)

    Bespreking : Boerenpsalm      (25/08/2006)

    Bespreking : Pallieter              (25/08/2006)

    Bespreking : De Pastoor uit den Bloeyende Wijngaerdt        (25/08/2006)

    Vanuit een ander standpunt – Knuvelder      (21/08/2006)

    Timmermans - Opsomer Museum                   (2/08/2006)

     

    Zilveren Verpozingen - FT kring – (  1 – 23 )            (11/07/2006)

    Zilveren Verpozingen - FT kring – ( 24 – 38 )           (10/07/2006)

    Zilveren Verpozingen - FT kring – ( 39 – 42 )           (9/07/2006)

     

    Info FT Genootschap                        (30/06/2006)

    FTG Jaarboek 1973   (1) - korte inhoud  -  Voor drie frank geluk     (3/06/2006)

    FTG Jaarboek 1974   (2) - korte inhoud  -  Getuigenissen                (3/06/2006)

    FTG Jaarboek 1975   (3) - korte inhoud  -  Franciscus en Timmermans     (3/06/2006)

    FTG Jaarboek 1976   (4) - korte inhoud  -  Pallieter van nabij      (4/06/2006)

    FTG Jaarboek 1977   (5) - korte inhoud  -  Eerste Pennevruchten        (4/06/2006)

    FTG Jaarboek 1978   (6) - korte inhoud  -  De Grijze Jaren        (4/06/2006)

    FTG Jaarboek 1979   (7) - korte inhoud  -  Het Dertiende Kind         (5/06/2006)

    FTG Jaarboek 1980   (8) - korte inhoud  -  De Herfst blaast op den Horen      (5/06/2006)

    FTG Jaarboek 1981   (9) - korte inhoud  -  Pallieter in Holland        (6/06/2006)

    FTG Jaarboek 1982 (10) - korte inhoud  -  Timmermans ten Tonele        (6/06/2006)

    FTG Jaarboek 1983 (11) - korte inhoud  -  Een Mandeken vol Bloemen      (6/06/2006)

    FTG Jaarboek 1984 (12) - korte inhoud  -  Bruegel tussen de Regels      (6/06/2006)

    FTG Jaarboek 1985 (13) - korte inhoud  -  Leven in zijnen Asem            (6/06/2006)

    FTG Jaarboek 1986 (14) - korte inhoud  -  100 jaar Felix Timmermans      (6/06/2006)

    FTG Jaarboek 1987 (15) - korte inhoud  -  Een Timmermans – jaar        (6/06/2006)

    FTG Jaarboek 1988 (16) - korte inhoud  -  Tussen Demer en Nete        (7/06/2006)

    FTG Jaarboek 1989 (17) - korte inhoud  -  Over Boerenpsalm           (7/06/2006)

    FTG Jaarboek 1990 (18) - korte inhoud  -  Omtrent Anna-Marie       (12/06/2006)

    FTG Jaarboek 1991 (19) - korte inhoud  -  Timmermans en het Activisme   (12/06/2006)

    FTG Jaarboek 1992 (20) - korte inhoud  -  Gegroet, O Lier          (13/06/2006)

    FTG Jaarboek 1993 (21) - korte inhoud  -  Timmermans in Scandinavië       (18/06/2006)

    FTG Jaarboek 1994 (22) - korte inhoud  -  Nazaret aan de Nete       (19/06/2006)

    FTG Jaarboek 1995 (23) - korte inhoud  -  D ‘ Amandelboon van Lier        (20/06/2006)

    FTG Jaarboek 1996 (24) - korte inhoud  -  Timmermans in Beeld          (20/06/2006)

    FTG Jaarboek 1997 (25) - korte inhoud  -  Timmermans enerzijds        (20/06/2006)

    FTG Jaarboek 1998 (26) - korte inhoud  -  Timmermans anderzijds        (20/06/2006)

    FTG Jaarboek 1999 (27) - korte inhoud  -  In den Bloeyenden Wijngaerdt      (21/06/2006)

    FTG Jaarboek 2000 (28) - korte inhoud  -  Een vinger in de Hemel        (21/06/2006)

    FTG Jaarboek 2001 (29) - korte inhoud  -  Een Bloem van het Hart        (21/06/2006)

    FTG Jaarboek 2002 (30) - korte inhoud  -  De Jaren gaan voorbij        (21/06/2006)

    FTG Jaarboek 2003 (31) - korte inhoud  -  De Echo van een stem        (23/06/2006)

    FTG Jaarboek 2004 (32) - korte inhoud  -  Als de Blaren vallen           (23/06/2006)

    FTG Jaarboek 2005 (33) - korte inhoud  -  Het Witte huis                     (23/06/2006)

    FTG Jaarboek 2006 (34) - korte inhoud  -  ’ t Zal wel gaan             (24/06/2006)

    FTG Jaarboek 2007 (35) - korte inhoud  -  Houten Mensen           (25/06/2006)

    FTG Jaarboek 2008 (36) - korte inhoud  -  Lierke Plezierke          (26/06/2006)

    FTG Jaarboek 2009 (37) - korte inhoud  -  Verheug Elkander       (27/06/2006)

    FTG Jaarboek 2010 (38) - korte inhoud  -  Een Druppel zon          (28/06/2006)

    FTG Jaarboek 2011 (39) - korte inhoud  -  De vogel en de steen      (29/06/2006)

    Pallieter - A. Keersmaekers               (26/05/2006)

    Pallieter in het Japans vertaald            (25/05/2006)

    Voorwoord bij Pan II                         25/05/2006)

    Originele brief van de Fé                    (25/05/2006)

    Leven en werk van Felix Timmermans           (6/05/2006)

    Timmermans de gelovige - Louis Vercammen          (6/04/2006)

    Felix Timmermans door José De Ceulaer                  (6/04/2006)

    Felix Timmermans en Lierse kant                   (6/04/2006)

    Bibliografie                 (5/04/2006)

    Korte biografie            (5/04/2006)

    Vertalingen                 (4/04/2006)

    14-05-2012 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    11-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Kindeke Jezus - Felix Timmermans

    WAAROM IK HET KINDEKE JEZUS
    IN VLAANDEREN LIET GEBOREN WORDEN.

    Door Felix Timmermans

     

    DIE PALLIETER-ROES DUURDE NIET LANG.

         De oorlog kwam die natuurweelde en die levensvreugde geheel vergallen. Het was of ik van ontzetting weer ineenzakte. Ik had het leven fris en koleurig gezien, en altijd gehoopt dat de mensheid op weg was naar meer levensblijheid en broederlijkheid. Die hoop botste nu als een mooie zeepbel kapot. Uit ieder mens sloeg een vuil-rode wolk op van haat. Bijna iedereen werd moordenaar in zijn hart. Het was of de beschaafde wereld zijn droesem opsloeg.

    Toen heb ik gewanhoopt aan de mensheid.

         Lier lag niet veiliger dan welk ander plekje ook. Weldra werden wij door de Duitsers met furie bestookt. Waar hadden wij dat verdiend? Geen tijd tot nadenken. Vluchten was de boodschap. Overhaast ging het met pak en zak naar Kortrijk, om na een viertal weken terug te sukkelen. Wat was ons rustig stadje erg toegetakeld! Iedere straat vertoonde zijn puinen, ieder huis zijn wonden. De schrik hield de mensen weg, zodat de stad dood was en de meeste huizen zonder mensen. In de straten zag men niets dan klagende honden en hongerige katten. Fusilleren en wegvoeren was de dolle daad van iedere dag.

         Ik kreeg door al die gruwel een tegengoesting van de wereld en van de mensen. Ik wenste te leven ergens verloren in een woud, of in de bergstreek in de eenzame natuur.

         Heelder dagen zat ik achter de stoof, met de hond op mijn schoot, maar pijpen te roken, gewonnen verloren. Daarbij regende het en stormde het dag in, dag uit, en altijd uit de verte dit kanongedommel als een kloppende koorts in het hoofd.

    De avond kende geen vrede-brengende lamp, het glas was kapot, petrolie was haast niet te krijgen en de kaarsen zaten reeds in woekeraarshanden.

    Zo zaten wij 's avonds meestal in het donker, terwijl 't kanon in de schouw echode, de wind aan de deuren stiet, en de jacht door mijn hart ging.

    Dan, om wat licht te hebben, zetten wij het scheel van de stoof een weinig op zij, en dan hing er tegen de zoldering een rode klaarte als een vrucht van vrede.

    Dit licht zag ik in de ogen van mijn vrouw blinken, over het gerimpeld gelaat van haar moeder strelen, en in de natte neus van onze luie hond glanzen.

    Het gaf een tikje vrede in al die onrust, lijk een scheut wijn in een glas water.

    Wij spraken tot sufheid toe over de onmenselijke bloedaftapping, tot elk in gesloten stilzwijgen verviel. Het was de angst die de mensen dieper deed nadenken. Bang zijn, dat is zich smal en klein maken, dat is knielen dat het kwatst en dat is bidden.

    In de nood keert de mens weer tot God. Kerken en kapellen waren dagelijks volgepropt.

         Het was in die uren dat de moeder van mijn vrouw, een goed eenvoudig en vroom mens, haar paternoster uit de zak haalde en luidop de rozenkrans begon te bidden. Het gebed was ons een schone troost. Ze bad nog lijk de ouden van dagen het doen. Voor elk wees-gegroetje zei ze een tafereeltje uit de goddelijke mysterien : « Maria huppelde over de bergen naar hare nicht Elisabeth. »  « De drie koningen zagen de ster en knielden neder ter aarde. »

     

         Terwijl ik daar zo zat, kwamen er plots voor mijn geestesoog wondere beelden. leder weesgegroet was een schilderijtje. Ik zag ons stedeke daar liggen, verguld in een champagnezon. Ik hoorde van verre een klokske verroeren en de afgevallen bladeren ritselden over mijn schoenen. En daar zag ik Jezus met zijn kruis beladen over de ronde bruggen sukkelen, en het woest gepeupel daarachter weerspiegelen in 't water. Bij de kapel aan 't Begijnhof, aan die Gothische geveltjes, stonden daar straks de wenende vrouwen met gouden balsempotten in hun dunne handen. Ik voelde het goddelijke overal in ons landschap hangen. Is het nu van mij onzekerheid of onwetendheid, ofwel een grote liefde voor mijn land? Ik weet het niet, maar zo zag ik het.

         Natuurlijk was ik er mij duidelijk van bewust, dat het zo niet gebeurd was. Aan de hand van foto's en beschrijvingen kon ik mij het verhaal in Palestina wel voorstellen. Doch dat leefde niet in mij, dat was niet gemengd met mijn bloed en mijn hart. Mijn hart was immers hier. Hier kende ik al de geheimen van de lucht en van het weder, hier hadden mijn gedachten met de dingen gefluisterd.

         Zo was het mij ten andere van jongs af verteld, bezongen en bedicht. Maria woonde in het huizeke dat ik kende, bij de dennenbossen. Zij was aan 't kousen stoppen of in haar kerkboek aan 't lezen als de engel uit de hemel kwam, voor haar witte bloemen strooide en zei :

    « Maria, omdat gij altijd zo braaf geweest zijt, zal bij u het kindeke Jezus gebracht worden. »

    Ik kende dat huizeke en had er 's zomers de deur zien openstaan, het nederig koper zien blinken en de borden op het schouwberd zien prijken.

         Als ik groter werd, kreeg ik de gewijde geschiedenis in handen, en vader gaf mij uitleg over de plaatjes die ik met schreeuwende verven had overstreken. Ik hield er vandeeg aan dat Onze-Lieve-Vrouw een kapmantel droeg, zoals ons moeder, waaronder ik mij verscholen hield als ik bij wintertijd een boodschap mocht doen. Toen ik lezen kon, werd die gewijde geschiedenis voor mij een ontgoocheling. Die schrijftrant was veel te schraal en zonder koleur. Mijn verbeelding was gelukkig zo sterk, dat ze niet haperen bleef aan de plaatjes en er de gebeurtenissen overheen zag.

    Later kwam ik in het museum te Brussel en zag daar de werken van Bruegel en De Vriendt.          Zelden ben ik zo verschoten. Ik stond daar effenaf te rillen van geluk. Het was mij te moede alsof ik die dingen zelf geschilderd had.

    Alles was gezien met open zuivere ogen, met gulzige ogen, die veel vragen en alles laten zien: molens, rivieren, dorpen, kastelen, kapellen, weiden, schepen, dieren en mensen. Dit alles gezien tot in de kleinigheidjes, vol geestdrift, als door iemand die voor de eerste maal de schoonheid der aarde ontdekt, en alles immer zeggen wil, dronken van bewondering.

    Zo had ik de bijbel gezien in de oude kerkboeken en zo had ik het gedroomd in mijn gebed.

    Zo zou ik het ook neerschrijven.

    Want visioenen van frisse kleuren ontvouwden zich voor mijn geest. 't Geval overmeesterde mij zoetekens. Wellust kittelde in mijn vingers en weldra was ik genoopt te gaan schrijven. Dat was nu niet zo bijster moeilijk.

         Kunt gij u zo met de ogen toe Ons-Lieve-Vrouwke voorstellen met een blauwe kapmantel, waarvan de voering wit en purper gewafeld is, en met een kerkboek onder de arm?

    Ziet ge haar zitten in het Begijnhof, gebogen over het kantkussen, waar de stilte naar haar eigen zit te luisteren?

    Ziet gij in dat Nazarethhuizeke de porseleinen telloren, met bloemen en vogels beschilderd, en de koperen marmittekens in de zon blinken?

    Kunt gij u de grijze Simeon voorstellen als een eerbiedwaardig ouderling in wie de huiveringen van de Heilige Geest vaarden, die 's morgens opstond en dacht : « 't Is misschien voor vandaag, » en als hij ging slapen : « 't Zal wellicht voor morgen zijn. »

    Ziet gij de oude pastoor nevens de groene haag komen aanstappen? Van verre bemerkt hij Maria aan het open raam, en roept haar welgemoed een goedenavond toe. Dan komt hij door het scheef lattenpoortje over de blonde wegel naar haar toe.

    Ziet gij de engel stralen, als doorlicht van een hemels vuur? Hij blinkt als een kerkraam in de zon, met zijn ruisende pauwensteertvlerken. Er hangt een geur van paarse kruidnagels in de lucht. Maria durft de engel niet bezien en knielt neer in de madeliefjes en de driesenbloe-mekens van de weg.

    Wij knikken stilzwijgend het hoofd.

         « Inderdaad, als u dat zo vertelt, zien wij dat alles werkelijk. » Gij zult het nog duidelijker opmerken wanneer ik u enkele regels uit het werk voorlees. Dan komt meteen de ware geest van het werk over u.

    Hier hebt gij het bezoek van Maria aan haar nicht  :

    « Opgewekt huppelde ze voort. Nog nooit had ze de velden, de aarde en de lucht zo heerlijk en zo schoon gezien, nooit was er zoveel licht en waren er zoveel blijde koleuren.

    Zij zag de wereld door haar geluk en alles juichte in haar.

    Onder een warm blauwe hemel, met muziekwolken doorvlokt, stonden al de hoven en boomgaards in witte en roze bloei. De groene beemden lagen vol plassen goud van de boterbloemen, duiven toerden rond de rode nokken der daken, de merel zong, de nachtegaal zong en al de vogelen zongen hun blijde talen.

    Een zilveren windeke speelde door de lucht en rolde en wimpelde de zoetste reuken uiteen, en de molens sloegen kruisen van blijdschap naar de zon, die speelde met de schaduwwer-pende wolken.

         En zie, wat was er toch voor wonders te zien aan haar gering wezentje?

    Zij, ongekend en eenzaam in haar woonste, zag hoe bij haar aankomst de boeren op het veld hun ploeg stil hielden en haar een goedendag toeknikten, en hoe de paarden hun koppen naar haar omkeerden. Een zeilschip dreef voorbij, en de schipper en zijn vrouw bogen eerbiedig het hoofd. En zie, een manke herder, in een oud soldatenpak, knielde neer in 't gras tussen zijn schapen en ontblootte zijn kale schedel, murmelend : « Wees gegroet, Maria. »

         Waarom vlogen de zwaluwen rond haar hoofd en begosten de vogelen met luider kelen te zingen als zij voorbij de bomen kwam?

    Waarom sprongen de zilveren vissen telkens boven het water? En stegen t'allenkanten zoveel leeuweriken op?

    't Was al om de Heer... 't Was om haar te groeten en te loven, haar, de begenadigde boven die duizenden, haar, de uitverkorene. En zij hief haar olijfgroene ogen naar de hemel, en weer viel juichend van haar rode lippen : « Mijn ziel, mijn ziel verheft de Heer!.... »

    En hier ziet ge hoe de Kerstmis-gebeurtenis tot bij de herders doordringt :

    Als iedereen en alles sliep, en alle dingen in de nachtelijke stilte waren, als alleen de sterren wenkten, hoog en helder, boven de aarde in de sneeuw, zaten er arme herders bij een knappend vuur, op een der heuvelen hun kudden te hoeden.

         De vele schapen lagen rustig en warm bijeengewold onder het gezaalrugde strooien dak, dat langs alle kanten open was, en op alle windgaten de lichten van de nacht vertoonde.

    Van de herders die de waak hadden, terwijl de anderen de rust genoten tussen de vettige, wollen schapenlijven, zaten er vier nevens het vuur. Tegen een stijl van 't afdak stond de oude rechte Bienus tot over de oren in zijn driemantelige frak van geitenvellen gewikkeld, met houten priemen een saaien kaaien te breien. Op de schelft in de duisternis zat er een te dromen op zijn viooL Verder was het goed en stil onder die eenvoudige mensen, die roken naar mest en aarde, die dag in, dag uit met hun beesten leefden, en vergroeid waren met lijf en ziel, naar de rustige stilte der velden en de oneindigheid der hemelen...

    « Zie, 't weerlicht!... » Ze zagen allemaal omhoog : heel de stille hemel kwam in beroering, miljoenen sterren vielen uit de lucht, verlichtten de aarde als bij klaren dage, maar als afgesproken hield het plotseling stil....

    « De sterre met de steert!... » Er voer een rilling door die simpele mensen heen, de schrik viel op hun hert en degenen die sliepen, schoten wakker, en vervuld met vrees liepen zij naar de anderen.

    Alleen die daar hoog op zijn viool zoetjes te dromen zat, deed voort, en leefde met zijn ziel...

    Wat later knielden de herders neer in het stalleken; ook de blinde is er bij :

         Er kwam stilte, diepe stilte; de blinde glimlachte naar iets, en toen begon hij te strijken met een edel gebaar. Zijn rood gelaat wierd wit van aandoening en er gleed uit zijn viool een zang die gestolen scheen aan de engelen van daar straks. Heel het stalleken was er mee vervuld, en het kind zweeg, en al de boerenkoppen, die bijna nooit iets anders gehoord hadden dan wat zangerige muziek in de kerk of een polka op de kermis, wierden van zuiverheid vervuld, en er kwam lets over hen dat het schoonste was wat zij bezaten. Over die ruwe, ongeschoren, arme mensen straalde de koninklijke klaarte van hun ziel, en de blinde lekten de tranen van zijn kaken.

    En als 't gedaan was, en zijn strijkstok nevens hem hong, stond hij weer te glimlachen naar iets omhoog.

    « Ik heb het kind gezien, » snikte hij, « ik heb het gezien! Och, 't is zo heerlijk en zo schone! » Een zucht van ontspanning ontsnapt onze borst nu het gedaan is. Wij hadden inderdaad iets nieuws gezien, althans het oude gekende, maar veel mooier, zuiverder en inniger...

    ................

     

    Zelfs in dit boek ontbreekt de humor niet, zo gaat onze gastheer verder. Daar hebt ge de figuur van Kruisduit, de zwerver, die niet bijbels is, maar die ik om geen waarom kon ter zijde laten. Hij was het die met zijn zuurzoet gezicht op het gepaste moment de volkse noot wist te treffen. Ik ontdekte hem eerst toen ik eens bij toeval op de vesten een boek zat te lezen. Met zijn commerciebak, zijn knuppel zwaaiend en een lied hommelend kwam hij daar aan. Hij stak zijn neus over 't boek, zag mij aan met een tikje medelijden en zei : «He, manneke, gaat gij lettervreter worden?»

    Hij knoopte zijn broek met de koord vaster toe en zijn knokelige blinkende hand lei zich op mijn schouder.

    « Daar is geen boek zo schoon, als te zwerven en te marcheren, zo maar op goed valle 't uit. Maar het liefst stap ik door de regen, zo van die fijne dunne zeverregen, als 't in de verte zo grijs is. 'k Weet niet he, maar dan word ik zo een beetje triestig en dan ben ik blij omdat ik triestig ben. »

    ................

     

    Terwijl onze gastheer een nieuwe pijp opsteekt en wil opstaan, komt er ineens onder onze jas een exemplaar van het « Kindeke Jezus » te voorschijn.

    Zo draaien wij deze ontroerende bladzijde niet om. Zou de schrijver zijn eigen naam niet willen plaatsen op de voorpagina, met nog iets er bij?

    Dat gebeurt natuurlijk geredelijk en met veel plezier, en later zullen wij nog lezen en herlezen het gouden verhaal « van het Kindeke Jezus, zijn zoete moeder en zijn goede voedstervader, met wat letterkunde in groot genoegen omcierd... »

     

    **********

     

     

    11-05-2012 om 21:51 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    29-04-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Clara Timmermans - Haiku's

    Dochter Felix Timmermans


    Pionier in het haiku-genre.


     

    Letterlijk jong en oud zijn betrokken in een project rond de haiku's van Clara Timmermans. De tweede dochter van schrijver Felix Timmermans is een pionier van het genre.

    De nu negentigjarige Clara, dochter van de Lierse schrijver Felix Timmermans, heeft heel wat haiku's geschreven. Sommige daarvan behoren volgens kenners tot het beste wat het genre in Vlaanderen te bieden heeft.


              In de late herfst
              Haast geen bladeren te zien
              Maar wel de hemel

              Ik zit in mijn tuin
              En geniet van bloem en plant
              Mijn eksteroog steekt

    Vanaf 2 mei stellen de leerlingen van de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten in woonzorgcentrum Sint-Jozef een aantal werken tentoon die geïnspireerd zijn op de haiku's van Clara Timmermans.

    De tentoonstelling loopt van donderdag 3 mei tot en met 30 september.

    Het woonzorgcentrum Sint-Jozef is gelegen aan de Koningin Astridlaan 4 en is alle dagen toegankelijk van 14 tot 17.30 uur.

    Jong en ouder

    Lieve Pichal, leerling van de Stedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans, brengt op woensdag 23 mei een muzikale voordracht over jong zijn en ouder worden. Ook daarin spelen de haiku's van Clara Timmermans een grote rol. De voorstelling vindt plaats in de cafetaria van het woonzorgcentrum en begint om 14.30 uur.

    ********

    29-04-2012 om 16:42 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (1)
    28-04-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Schoon Lier - Felix Timmermans

    LIER,   SCHOON   LIER,

    GIJ STAD MIJNER DROMEN.

     

    Door Felix Timmermans

     

         Komt laat ons, vooraleer verder te vertellen, even op adem komen en een wandelingske maken in ons stadje.

    Ziet, ik houd van mijn geboortestad. Is het omdat mijn bestaan hier zijn rustig verloop kende? Is het om de oude trap- en krulgeveltjes of om de gulle gemoedelijkheid van die er wonen?

    Ik weet het zelf niet, misschien is het eenvoudig omdat ik hier geboren ben. In elk geval, als ik twee dagen uit Lier ben, komt er een geweldig heimwee over mij en ik moet terug om rust en vrede te vinden.

    Is het u niet opgevallen hoe rood en wit ons stadje daar ligt in zijn water en zijn groen?

    Hoe rustig het in zijn wallen zit op de scheiding van Brabant en Kempenland, fris en kleurig in de zon als een mandeken met mooi Brabants fruit waarvan de kerk de meloen is?

     

         Zefs het licht heeft hier een bijzondere tint. Er is een glans van water in, en het is daardoor sijpelend, mals als zilverdraad in oude tapijten.

    Komt, ik za u voorgaan, want in dit warnet van straatjes en steegjes loopt ge alvast verloren. Die straatjes, dat is echt iets typisch. Ze zijn niet aangelegd maar gegroeid naar de pleinen, naar de kerken, naar de stadspoorten, langs de kronkelingen der vlietjes. Ziet hoe proper zij zijn, alsof het morgen altijd Zondag gaat worden. Ze zijn belegd met gelige, bleke en bollige kasseitjes, waar soms op malse wijze gras tussen groeit. Ze liggen er profijtelijk als eieren. Het is een genoegen daar over te wandelen, bijzonder met klonen aan. Dat klinkt en kleppert lijk castagnetten in een Spaanse hand. De kasseikens zingen. Een kruiwagen hoort men in de stilte aankomen, achter een hoek. De mensen denken dat het de trommel van een harmonie is en men komt al aan de deur, men luistert... Neen, 't is maar een kruiwagen!

         Op de Grote Markt liggen de kasseikens in een enorme spiraal, die naar 't midden draaiend daar eindigt met een ronde blauwe steen. Daar heeft voor 't laatst het schavot gewerkt, doende vallen de koppen van de moordenaars van :

     

    Er is gebeurd bij de Pastoor van Nijlen

    Een wrede moord, een grote schelmerij...

     

    De meeste straatjes zijn scheef en krom, maar dit is een rechte straat. Vooruit dan maar, maar past op, want ginds botst gij op een witte krulgevel. Ziet hoe de straat versmalt en verbaasd komt gij terecht in 't portaal van de kerk. De enkele straten die echt recht zijn, doen het omdat ze niets tegenkwamen en ze vervelen er zich om.

         Maar van water zijn ze niet bang. Vlug de rug een beetje opgetrokken en er is een ronde brug; dan wip! en ze zijn er over. De straten wandelen en wij wandelen mee. Ze gaan eens zien naar wat er te zien is, draaien rond de kerken, flaneren langs een stadsbinnenveld, winkelhaken en buigen grillig, wisselvallig, verbreden, versmallen, bloeien open tot een pleintje, peinzen nevens een water, lopen dood op muren en tuinen, keren weerom, hebben plan noch opzet, echt gelijk de Lierenaar zelf en juist gelijk de Nete met haar water doet, hartelijk lijk de natuur.

         En hier hebben wij de oude Sint-Gummarus-toren in zijn leverworstkleur, dragend een gezellige peperbusmuts waarboven een koperen haan draait en een kruis peinst. Er zit iets vaderlijks in hem, een heerser zonder trots, die uitnodigt. Met zijn achtkantige kap, als een helm, waarop koperen toppekens blinken, zijn ronde zoldergaten als ogen, zijn horizontaal beplankte galmgaten, die als koorden op de borst van een lansier zijn, heeft hij het voorkomen van een gemoedelijke tamboer-majoor, die alle zeven minuten zijn klokken eens opschudt en op zijn zeven gemakken een liedeken uitgiet over de fameus-rode daken, om de Brabantse lust er in te houden, en om de stilte onder hem niet te laten verstenen.           

         Zingen is zijn stiel. Hij zingt heelder dagen en heelder nachten en doet aan alles mee.

    Hij zingt puur uit gewoonte. Hij is de grote muziekdoos en met de kermis steekt hij leutig een vaantje op zijn hoed. Hij is een goede, trouwe kerel. Er zit lach in hem. Hij doet aan geen filosofie. Hij draagt zijn kruis op zijn hoofd en wat God doet is wel gedaan en hij zingt.

    Hij zingt de eeuwen door, spijt nacht, regen, sneeuw, donder, bliksem en wind.

    Jammer dat vandaag de processie niet uitgaat. Dan hebt ge Lier op zijn mooist. Dan kraakt dit feest los in volle zwier. Dan vloeien de schatten naar buiten, lijk rozen opengaan na een zoele lentenacht. Dan is 't een wemelende luister van vlaggen en banieren, van kazuifels, koorkappen en gedreven draag-lantarens; de altaren staan open, kaarsen branden, al de vaatlampen hangen hun glansen uit, de zilveren relikwiekast blinkt als de maan, het orgel speelt met al zijn fluitjes en bombardons, de priesters zingen, de heiligenbeelden drijven boven de koppen der mensen, de kerkramen vonkelen en in de toren juichen alle klokken.

     

         En 't feestende, weelderige, vrome Brabant brengt God naar buiten. Dan is de kerk op haar hevigst. Ze davert van luister, als iemand die eindelijk op de top van een berg geklommen is en zijn gejubel naar de dalen zingt.

    Komt, steken wij nu over naar het oude stadsgedeelte. Want zonder fier te zijn, als was het gewoon en alledaags als een boterham, bewaart zij nog een heel schone ruiker van oude gebouwen en brokken en overschotten er van, die naar spannende vertelsels rieken.

    Ginds oude magazijnen op de werven, broeltorens waarin men nu een kloeke pint kan drinken, een kapel in toneelliefhebberstheater gestoken, stille kloosters in trompettende kazernen veranderd. Slanke torentjes van oude herenerven steken hun windvaantjes boven notebomen. Lage afspanningen met grote gelagzalen, veel vensters en linden langsheen de gevel, wachten ledig buiten de stadspoorten naar volle diligenties die niet meer komen.

         Er zijn buildragershuizekens, godshuizekens, schippershuizen, een handbooghof, gildenhuizen, een Gothische vleeshalle. En al die dingen waar iets van 't gemeenschapsleven indrong, hebben zich op hun zondags versierd. 't Een met uitgesneden deurstijlen, 't andere met een dakruitertje, met ijzeren balkon, ijzeren deurwaaier, met plezierige houten dakschoren, met ijzeren krollen op de schouw en overal grote, stelenswaardige koperen sloten op de deuren.

     

    Hier hebt ge de oude brouwershuizen : « In den Hazewind » - « In den Eenhoorn », waar vroeger de burgerlijke aristocratie woonde en waar ik Anne-Marie in gedroomd heb.

    Ziet ge dit uithangbord : « In 't beloofde Land »? Het inspireerde mij tot het schilderen van het gekende kleurige tafereeltje waarop twee mollige, kortgestuikte boertjes in een atmosfeer van overvloed, vette, zondoorgloeide druiventrossen dragen.

    En hier benaderen wij het heiligdom van Lier, het oude Begijnhof. De geur van 't geloof waait u tegen uit witte kappen, uit rode daken en oude muren, rustig en stil als een gedurige Zondag. Het Begijnhof is d'amandelboon van Lier. En om de smaak en de reuk goed te bewaren, ligt het wat bezijds onder de frisse gordijn der Begijnenvest, tegen de Nete, vlak in de waai der velden, maar omsloten en bewaakt met klimop-bewassen muren en zwaar gegrendelde poorten. Daarachter, onder het feestelijk torentje, in de oude huisjes, bloeit de blanke bloesem der vrome begijnenzielen.

         Moe van zoveel eeuwen te staan, hangen de muurkens voorover en als de kreunende poortjes opengaan, laten ze frisse hofkens zien. De stappen klinken in de smalle straatjes, verbaasd over hun eigen lawaai, en een begijntje dat achter een venster zit te borduren, weet niet of ze u moet goeiendag knikken. Ze zijn gewoon van slechts O. L. Heer en de stilte te groeten... Paasrode daken lachen in de lucht en er zijn er daarbij die helemaal groen befluweeld zijn van zacht mos... Oude druivelaars kaderen hun wijnzegen rond de vensters, klimop warmt zich rond de scheefgewassen schouwpijpen waarop de merels zo gaarne komen fluiten. En altijd die mussen, die ongenadig de ene eentonige snaar van de stilte betokkelen, tjip, tjiptjip...

    Ze dansen over de straat, wippen in de dakgoten, gaan drinken in de marmeren straatpompbakken.... Daar woont de nachtegaal, die 's nachts zijn koninklijke perelkransen over de begijnhofstilte dretst. En hoog boven die tevreden nederigheid jubelt de kerk hoog en groot, in volle Brabantse krullenweelde, als een galante markiezin.

    Elke begijn staat voor heur eigen potteken; zij kunnen zelf naar de markt en kruidenier hun erwtjes en Engelse vijgen halen. Zij hebben hun klein huishouden en hun nederige meubelen, hun hofken en hun koperen kandelaars te verzorgen en de grote tik-takhorlogie op te win-den...

         Hiernaast het enge « Hemdsmouwken »; 't is het huizeke waar zuster Symforosa woonde. Die kleine tuin werd in mijn verbeelding omgevormd tot een lustoord met bloemen en zilverwuivende fonteintjes, uitgevend op het hofje van Marinus, de goede tuinier.

    Tal van kunstenaars en schilders komen hier graag dromen op deze mijmerende plekjes. Geen schilderstentoonstelling of de begijntjes staan er gekonterfeit en de stille binnenhoven, de smalle steegjes en de rustige kapellekens prijken overal waar men van mooie doeken houdt.

    En hier nu is mijn eigen werkkamertje. Het is mijn schildersatelier en mijn schrijfkamer tegelijk. Let niet op die mooie wanorde van boeken, schetsen, verfpotjes, tekeningen en wat weet ik. Die grote schilderij aan de wand is niet van mij. Ze is van Saverijs. Ik houd van dat stuk. Ik ben ook schilder, maar buiten enige dingen kan ik mijn eigen werk niet verdragen.

    Ik heb ook een broer die schilderde, en ik heb dikwijls bijna een rammeling gekregen omdat ik zijn doeken niet goed vond.

         Waarom? Dat is moeilijk om zeggen. De musea hangen vol goede schilderijen, maar wij laten ze hangen en laten ons aanzuigen door slechts enkele werken, waar onze ziel voor openvouwt en zich volslurpt aan schoonheid en geestelijke weelde.

    Ik houd van Saverijs. Er is geen filosofenbaksel onder zijn verf. Hij heeft de dingen schoon gevonden, de lucht, de Leie, de verte, die makrelen en die suizende zee. Hij is dronken van kleuren geworden en hij moet dit uiten in een lied van tonen en tinten. Hij jubelt het uit, mannelijk, kloek, fors, maar immer edel en nooit grof en wij vinden het leven schoner dan anders...

         Maar komt, laat ons hier buiten de muren even in het gras neerzitten aan de lauwe Nete, de Jordaan en polsslag van het vette Pallieterland. Ziet gij die vele canada's staan in de wijde, effene beemden waar Gods heerlijkheid over uitgeschud ligt, met daarboven de diepe hemel met varende wolken en vechtende zonne?

    Mooie bezeilde schuiten komen statig voorbijgedreven. Hier nam Pallieter zijn morgenbad. Hier wandelen de vrome zindelijke begijntjes en hier waste Ons-Lieve-Vrouwke de doeken voor haar goddelijk Kind. Ziet gij hoe de stad als een juweel geknoopt ligt in de drie zilveren kronkels van de Nete ?...

    Niet alleen de hoekjes zijn hier typisch, maar ook de mensen. Men vindt er filosofen van alle slag. Herbergbazen, pintenpakkende rentenierkens, kerels van markt- en straatbedrijf, madam van de kruidenierswinkel zowel als Jefke Paljas en Polien de Zucht.

         Daar hebt ge Gommeerke, lid van het deftig gezelschap of beter, van de notabele vereniging der pijpensmoorders, waarvan Mijnheer Pontejour voorzitter is.

    Gommeerke uit d' Apostelstraat is gekend als de beste om-ter-langste-smoorder van de stad.

    Twee uren en half aan vijf gram toebak zonder dat zijn pijp uitging. Hij is het strafste lid van de smoordersmaatschappij : « Hoe langer hoe liever » met als kenspreuk : «Stillekens aan ». Het lokaal is hier, in 't Lievevrouwke, dat oud stamineeke juist achter het stadhuis. Ze hebben er goede faro.

         Desecretaris van de stad, Mijnheer Pontejour, die lange deftige meneer die juist zijn kop buitensteekt uit het raam, is de voorzitter van « Hoe langer hoe liever ». En nog veel andere deftige burgers zijn lid, o. a. de apotheker, en Majelleke, een gepensionneerd kapiteintje met twee scherpe punten aan zijn moustache. Een schoon maatschappijtje. Mijnheer Pontejour heeft het reglement geschreven, met gouden inkt. 47 artikelen! Het hangt in 't Lievevrouwke boven de schouw, te hoog om het te kunnen lezen. Maar Mijnheer Pontejour kent het van buiten. Een geleerd mens! « Weet gij wat ons artikel acht zegt? » kan hij soms vragen, of artikel negen of een ander. Elkendeen zwijgt dan en luistert naar het verstand van hun voorzitter en dan zegt hij met zijn ogen in zijn bier : « Artikel acht zegt : Het is den leden verplicht te smoren uit lange stenen pijpen waarvan den steel een weinig gebogen zal zijn, met zwarte poliering des mondstuks. De stelen zullen van dezelfde lengte zijn en de koppen even groot; het gaatje mag niet verstopt zijn. »

    Dat weten ze ook, zo van binnen, maar kennen het niet van buiten.

         Alle jaren met Verloren Maandag is 't souper met konijn en dan smoren ze uit pijpen met gouden papieren rozen rond. Alle weken is 't vergadering en oefening. Ze mogen ook alle dagen komen en ze komen.

    Iedere dag zitten ze daar met acht of tien, al naargelang het weer of het werk, aan de ronde tafel aandachtig te smoren, met de toebakspot en 't apothekersweegschaaltje in 't midden, zonder veel te vertellen en met weinig te drinken...

         Ziezo, wij zijn weer terug. Maar vooraleer de levensdraad verder aaneen te rijgen, wil ik u mijn naïeve groet aan mijn geboortestad herhalen.

     

    Begrijpen zult ge nu beter :

     

     

    « Gegroet, Lier van de zoete Sint Gummarus en de andere heiligen die er leefden, Lier der goede Lierse vlaaikens, der ronde bruggen, en der klaar weerspiegelende waterkens. Gegroet het gelovige Lier der gebeden, Lievevrouwen, beewegen en processies; Lier der klappeien; Lier der siroopstekken, der speculatieventen; Lier van Bruegel, van Teniers; Lier van het smakelijk bier, en van 't plezier en goede sier op een plezante manier. Lier der begijnen, der ommegangen, der worsten en der verkenskoppen en ook der schapekoppen. Lier van de schone blijde toren; Lier van de radijskens met plattekees en der kermissen. Lier der luidende klokken, zingende torens en der eeuwige beiaard; Lier der vermaarde smoorders, vogelpikmannen, vissers en moedige kegelaars. Lier der vetten en der toneelspelers en der soupers, der maatschappijen en der Ceciliazangers en der kinderspelen. Gegroet, Lier der kasseikens, der vesten, der heide, der duivenmelkers,

    der vasters, der kwezels. Gegroet, Lier der oude gevels, kerkskens, kloosters en borduressen, der koekebakken en der schone kant, der oude liedekens, der houtsnijplaten en rijmdichten en nieuwjaarsbrieven, der drie koningen die om ter slechtst zingen.

    Gegroet, Lier van Rubens, Tony en David en menig ander poëet en artist, zo van de besten als die in nesten.

    Gegroet, Vlaams Lier, de Vlaamste stad van Vlaanderen. Gegroet! »

     

     

    ******

    28-04-2012 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    27-04-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Lier 800
                    

                   

    27-04-2012 om 21:38 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)


    Foto

    Archief per maand
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 05-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 04-2009
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 06-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 12-2007
  • 10-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 06-2006
  • 05-2006
  • 04-2006


    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    <bgsound src="http://blog.seniorennet.be/Music/Bryan_Adams-Everything_I_Do.mid" loop="infinite">
    Foto

    Over mijzelf
    Ik ben Mon Van den heuvel
    Ik ben een man en woon in Lier (België) en mijn beroep is op pensioen.
    Ik ben geboren op 19/06/1944 en ben nu dus 67 jaar jong.
    Mijn hobby's zijn: Kano varen - Felix Timmermans - Geschiedenis van Lier in de ruimste zin genomen.

    Een interessant adres?

    Mijn favorieten websites
  • Met Timmermans door Lier
  • Felix Timmermans Gesellschaft
  • Ad Mol
  • Thuispagina Louis Jacobs
  • Guido Gezelle
  • Ernest Claes Genootschap
  • Oscar Van Rompay
  • Felix Timmermans Genootschap
  • Schrijversgewijs
  • Bruegelland

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!