NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Foto
Inhoud blog
  • De Vroolijkheid in de Kunst - Carel Scharten
  • Adagio - Felix Timmermans
  • Hoe ik verteller werd - Felix Timmermans
  • Pallieter wordt honderd jaar - Bertje Warson
  • Openingstoespraken - Timmermans-Opsomerhuis 1968
  • Toespraak Artur Lens Archivaris - 1968
  • Toespraak Hubert Lampo - 1968
  • Timmermans als Schilder en Etser - Eloris Van Reeth
  • Felix Timmermans, Dichter und Zeichner seines Volk.
  • Felix Timmermans - Theo Rutten
  • Gesprek onder vier ogen - Fred Bogaerts 70 jaar
  • Timmermans over De Pastoor in den bloeienden Wijngaerdt
  • Tooneel te Brussel
  • De vroolijkheid in de Kunst
  • Stamboom van Felix Timmermans
  • Timmermans over "De Pastoor uit den Bloeienden Wijngaert
  • Felix Timmermans over den Vlaamschen humor
  • Adagio - Lia Timmermans
  • De nachtelijke Dauw - Felix Timmermans
  • Felix Timmermans geschilderd door Tony Claesen - 2018
  • De Nood van Sinterklaas - Felix Timmermans
  • De Vlietjesdemping te Lier - Felix Timmermans
  • Pallieter naast Boerenpsalm
  • Pallieter in het klooster - Cees Visser
  • Info FT Genootschap
  • F T Fring bestaat 25 jaar
  • verksken
  • Timmermans en de Muziek - Daniël De Vos
  • Fons De Roeck
  • Is Timmermans Groot ? - Felix Morlion O.P.
  • Renaat Veremans vertelt - José De Ceulaer
  • Vacantie bij de oude boeken - Gaston Durnez
  • De Pastoor uit den Bloeyenden Wijngaerdt
  • Brief Gommer Lemmens - 11/06/2013
  • 70 jaar geleden ....
  • Overlijden van de Fé
  • covers tentoonstelling
  • Luisterspel Pallieter 2016
  • Bibliotheek van de stad Lier
  • Anton Thiry - Gaston Durnez
  • Een Mandeke Brabants fruit
  • Beste bezoeker
  • Clara Timmermans overleden
  • Covers van Pallieter
  • Pallieter en Felix Timmermans
  • Toespraken 25/6/2016 - Kevin Absillis, Kris Van Steenberge en Gerda Dendooven
  • De Lierse Lente - Ronald De Preter
  • Felix Timmermans - Emiel Jan Janssen
  • Pallieter honderd jaar - Gaston Durnez
  • Adagio - Frans Verstreken (Hermes)
  • Pallieter, een aanval en verdediging
  • Driekoningen-Tryptiek - Jacques De Haas
  • Over Pallieter (25/01/1919)
  • Timmermans' werk in het buitenland
  • De Eerste Dag - Felix Timmermans
  • Het Kindeke Jezus in Vlaanderen
  • Fred Bogaerts - Felix Timmermans
  • De Harp van Sint Franciscus - Gabriël Smit
  • Timmermans en Tijl Uilenspiegel
  • Felix Timmermans ter Gedachtenis
  • De Vlaamse Timmermans - Paul Hardy
  • Timmermans was Einmalig - José De Ceulaer
  • Levenslied in schemering van de dood - Gaston Durnez
  • Expositie in De Brakke Grond te Amsterdam
  • Bij de Hilversumsche Gymnasiastenbond
  • Timmermans als schilder en tekenaar - W.A.M. van Heugten
  • De onsterfelijke Pallieter - Tom Vos
  • Soldaten, Dichter en boeken
  • Karel Van den Oever te Averbode gehuldigd
  • Aan Karel van den Oever - Felix Timmermans
  • Karel van den Oever gehuldigd - Felix Timmermans
  • Timmermans' werk in het buitenland
  • Lier Gegroet - nog duizend pluimen op uw hoed
  • De vroolijkheid in de kunst - Carel Scharten
  • Pallieter door Felix Timmermans, Tiende druk
  • Rembrandt-prijs aan Felix Timmermans - Frans Vanel
  • De Bende van de onzichtbare Hand - Felix Timmermans
  • Felix Timmermans en De Witte
  • De Triomf van Timmermans' Mirakelspel in Nederland
  • Baron Isidoor Opsomer - Felix Timmermans
  • Beste Mejuffrouw Lyra - Felix Timmermans
  • Het Geheim - Felix Timmermans
  • De eerste opvoering van De Ster
  • Pallieter van Felix Timmermans - Peter van Arkel
  • Een Fransche Pallieter - 1929
  • De Liersche Zimmer-Ommeganck 1930
  • Het feest van Felix Timmermans
  • In het Land van Pallieter - Eduard Veterman
  • Felix Timmermans - Tony Van Tichelen
  • Bij Felix Timmermans
  • Zijn kinderverhalen
  • Timmermans en Schoon Lier - V. Wouters
  • Beschrijving van een stad - Frans Eerens
  • Gustaf uit De Roode Kat - Felix Timmermans
  • Hoe Anne-Marie ontstaan is - André Demedts
  • Een ras-schrijver overleed...
  • Ereburger van de stad Lier - Gaston Durnez
  • Timmermans vertelt over Pallieter
  • Liefde voor al wat leeft - Pieck en Timmermans
  • Een boek van Pallieter - Erik Dams
  • Eeuwfeest Tony Bergmann
  • De Sterre in Frans-Vlaanderen - Jan Hardeman
  • Felix Timmermans over zijn werk en de Vlaamschen humor
  • Felix Timmermans als schilder - Georg Hermanowski
  • Timmermans en Schoon Lier - V. Wouters
  • Pallieter verboden - 2/11/1920
  • Timmermans over het verbod van Pallieter
  • Fred Bogaerts, de Liersche Breugel
  • Vlaamschen brieven van Felix Timmermans
  • Over Pallieter - Lezing door Felix Timmermans
  • Een Vlaamsch Kunstwerk - Vincent Cleerdin
  • Pijp en Toebak - E. Elias
  • Tooneel in een kleine stad - Felix Timmermans
  • Openingswoord tentoonstelling 1957 - Leo Arras
  • De Leefkamers van Felix Timmermans - Frans Verstreken
  • Het weergalooze Lier - Jeanne De Bruyn
  • Felix Timmermans te Lier gehuldigd
  • Werklust tot den laatsten dag
  • Lot er ons de sijs van aflakke - Jos Borré
  • Een brave burger uit het vrome Lier - Stefaan Praet
  • De Pastoor in den bloeienden Wijgaard
  • De Meimaand mint de nachtegaal - Guido Defever
  • Lie (r) ver groot - Reuzen erfgoed onder de loep
  • Schreiben is wie beichten... - Karlheinz Pieroth
  • Zij die wij bewonderen... - Risoto
  • Een ongekuiste Pallieter in Geitenleer verpakt
  • Bij de Breugelplaten - Felix Timmermans
  • De Harp van Sint Franciscus - Antoon Van Duinkerken
  • Franck Mortelmans vriend van Oscar Van Rompay
  • Het boek van den Boer - A.J.D. Van Oosten
  • Timmermans dwingt je te kijken - Jaak Dreesen
  • Voordracht Felix Timmermans, in den Bijenkorf
  • Felix Timmermans nog erg geliefd
  • Ter herinnering aan Pastoor Ignaas Dom
  • Walter Arras
  • Felix Timmermans, ook tekenaar en schilder
  • Homilie Eucharistieviering 1986 - Herman-Emiel Mertens
  • Een briefkaart uit 1927
  • Pallieter en Marieke - werk van Bertro
  • Timmermans' Krabbenkoker - Maurice Roelants
  • Een praatjes met den populairen Vlaming.
  • Met Felix Timmermans door Lier - Jan Lampo
  • Toespraak Timmermansjaar - Jos Borré
  • Er gebeurt iets... - Jos Borré
  • Felix Timmermans - Jozef Muls
  • Het ontstaan van mijn werk - Felix Timmermans
  • De Gestoorde Bloedprocessie - Felix Timmermans
  • De Processie in Brugge - Felix Timmermans
  • De Domper, Pallieter op de index
  • De Zeven Zusters - Felix Timmermans
  • Het Filmspel van St. Franciscus
  • Isidoor Opsomer werd zeventig jaar
  • En als de ster bleef stille staan... - Felix Timmermans
  • Ontslag als Gildemeester - brief van Timmermans
  • Honderd jaar Felix Timmermans - W. Peeters-Somers
  • Het Oude Lier - Felix Timmermans
  • Bloemenhulde Felix Timmermans - Louis Vercammen
  • Renaat Veremans en Felix Timmermans - Tom Bouws
  • Pallieter - W. Van den Broeck
  • De Goede Fee - Jaak Dreesen
  • Lier herdenkt zijn grootste zoon - François Thijs
  • De Kreatie van Boerenpsalm te Lier - José De Ceulaer
  • Met de woonwagen bij Felix Timmermans
  • Onze grote schrijver Felix Timmermans
  • Felix Timmermans op audientie bij de Paus
  • Pallieter op den Index
  • Pallieter - Gerard Brom
  • Oorlogtribulaties die de Fé doormaakte
  • Felix Timmermans, Belgie - la Belgique 1830-1930
  • Boerenpsalm - Gabriël Smit
  • Mijn Kinderverdriet - Gommaar Timmermans
  • De Eeuwige stilte - Felix Timmermans
  • Lierke Plezierke en Pallieter
  • Flaemische Weinachts Gesellen
  • Hij moest de grapjas blijven - Dirk Goster
  • De Pelgrim te Antwerpen
  • Timmermans als scenario-schrijver
  • Felix Timmermans, Mens, Schrijver, Schilder en Tekenaar
  • Boudewijn - Karel Van den Oever
  • De Hemelsche Salome - Wies Moens
  • Het Verken als Kluizenaar - Felix Timmermans (1)
  • Het Verken als Kluizenaar - Felix Timmermans (2)
  • Felix Timmermans' Pieter Bruegel - JH François
  • Felix Timmermans en Ernest Claes - M. Roelants
  • Bij Felix Timmermans - Annie Hirsch
  • Felix Timmermans redivivus - José De Ceulaer
  • De Driejaarlijksche prijs voor Letterkunde
  • Hoe Felix Timmermans begon te schrijven, 15 jaar oud
  • Het Kindeke Jezus in Vlaanderen - Gaston Durnez
  • Tu felix eris - Anton Van Wilderode
  • Over Levenshumor
  • Felix Timmermans vijftig jaar
  • En waar de Ster bleef stille staan...
  • Veel klappen en uitleggen - Della Bosiers
  • De erfenis van Timmermans
  • OL Vrouw in de Doornkens - Henri Ghéon
  • Eerste opvoering van De Hemelsche Salomé
  • Felix Timmermans is niet meer - Frans Verstreken
  • Een pen in stilte gedoopt - Marcel Janssens (deel1)
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Felix Timmermans
    Vlaamse schrijver, dichter en schilder * 1886 - 1947 *
    02-04-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Fe

    Felix Timmermans
    5 juli 1886  -  24 januari 1947.


    (Foto door Nestor Gerard 1897 - 1996)

    Felix Timmermans via het Internet

     

                Hoe ik een Timmermans’ Fan ben geworden en bij het Genootschap en de Kring terecht ben gekomen is zoals bij velen van ons een verhaal appart. Misschien kan er een soort vervolgverhaal over geschreven worden want ik denk dat er geen enkel geval hetzelfde zal zijn en het een al specifieker dan het andere.

    Mijn eerste boek van Timmermans, was de omnibus “Met Timmermans door Vlaanderenland , met de verschillende verhalen er in, mooi om mee te beginnen.

    Pallieter, Schoon Lier en Bij de Krabbekoker  stonden ook redelijk vlug in de boekenkast en wat daarna volgde ging in een snel tempo verder.

     

                Er bestaan bij mijn weten nu nog twee officiële organisaties die de Lierse schrijver hoog in hun vaandel dragen, met name :

    het Felix Timmermans Genootschap

    de  Felix Timmermans Kring

     

                De Fé kreeg ondertussen in Lier zijn eigen plein en wel pal naast het belangrijkste plein van de stad, de Grote Markt. Straat- en pleinnamen worden uit zijn werken geplukt. Pallieter en Symforosa staan in het stadsbeeld te pronken en het Timmermanspad doorkruist Lierke Plezierke. Waarom zou Timmermans in het, zich vlug ontwikkelende, electronische tijdperk zijn plaats niet krijgen op het WWW. Het Genootschap beschikt nu al over een degelijke website met de meest elementaire info er op.

     

                Dat er in het digitale tijdperk, op dat gebied, niet meer te vinden was motiveerde mij om eens te kijken hoe we op deze snelle en moderne manier de liefhebbers kon bereiken met de info die verzameld kon worden op één blog of web-site.

    Het was op aandringen van een goede vriendin, die zelf ook reeds jaren actief is met een blog, een gemakkelijke manier om een soort web-site te maken, die mij er toe heeft aangezet om de info die er zoal te vinden is te bundelen tot een geheel.

     

                Heel voorzichtig werd gestart met de bibliografie en een korte biografie van de Fé te plaatsen op het blog, dit onder de eenvoudige maar veel zeggende titel : “Timmermans Fan”

    Het nodige startmateriaal kon ik zonder moeite vinden in de verschillende jaarboeken van het genootschap en het Gesellschaft, maar erg nieuw en baanbrekend was deze info uiteindelijk niet. Het is dan ook meer dan verwonderlijk wat men mits enig zoekwerk zoal kan vinden op het internet. De befaamde zoekmachiene, Google, werd in gang gezet en het gevolg liet zich al raden. De vele uren voor het scherm zijn ondertussen niet meer te tellen, maar ik kan jullie verzekeren dat het uiteindelijk de moeite waard is.

     

                Verslagen, boekbesprekingen, samenvattingen, teveel op ze allemaal op te noemen komen via de downloads?? gemakkelijk op het scherm terecht en mits een weinig aanpassing en schikking in een degelijke vorm op het blog.

    De reacties bleven niet uit, en lezers van het blog waren er van overtuigd dat de maker hiervan wel een “specialist” moest zijn, met als gevolg dat de eerste vragen om te helpen via de electronische briefwisseling (E-mail) binnen kwamen. Hier begon een andere wending in het geheel. Opzoeken wat de lezers wilde weten was geen gemakkelijke opdracht en ik kon (gelukkig maar) al gauw de echte Timmermans’ kenners raadplegen. Deze kenners zoals Gaston Durnez, Etienne De Smedt, Fons De Roeck, Gommaar Timmermans om er maar enkele te noemen, zijn er ieder op hun vlak steeds in geslaagd om mij de helpende hand (brief, nota of telefoon) toe te steken.

    Enkele reacties via het gastenboek :

     

     

    Titel: Stadsgids van Lier.

    He ... hartelijk bedankt voor je knappe website.

    Ik ben stadsgids van Lier (nog maar pas) en zocht wat info op ivm de verhalen van Timmermans om mijn gidsbeurten te kleuren en dat zal nu wel lukken ...

    Bedankt he,

     

     

     

    Geachte,

    Ik werk in de animatieploeg van rusthuis Dijlehof, hartje Leuven. Wij lezen regelmatig voor uit het werk van Timmermans en dat valt ongelooflijk goed in de smaak! Mijn vraag is of leden van jullie kring voordrachten geven over de auteur en zijn werk.De bewoners zouden daar zeker van genieten. Eén van onze bewoonsters is nog goed bevriend geweest met Lia en Clara Timmermans( ze zaten op dezelfde school in Antwerpen!).

    Ik wacht op een positief antwoord en groet jullie vriendelijk,

    Clara Schurmans - Rusthuis Dijlehof - Minderbroedersstr 9b 3000 Leuven

     

     

     

    Mijnheer,

    Prachtige site voor een groot Vlaams schrijver.Heb de bewondering en waardering van de schrijver als mens doorgekregen van ,mijn helaas vroeg overleven vader ,die steeds is blijven geloven in de vlaamse toekomst en waar ik nog steeds in geloof.Ben in het bezit van ( volgens informatie) een borstbeeld van Timmermans gemaakt door A.Moortgat.Daar zouden maar 7 exemplaren van bestaan .Kan je mij hierover meer informatie geven?Dit borstbeeld kocht mijn vader in de jaren 1950.Ben eveneens in het bezit van practisch al zijn vroege werken. Hartelijk dank voor de informatie die je mij misschien kan geven.

     

     

     

    Awel Mon,

    dat laatste artikel, de wandeling, prachtig gedaan, daar kunnen veel mensen van genieten en niet alleen de echte Lierenaars maar ook vele die uw Blog bekijken kunnen merken dat ons begijnhof de moeite waard is om eens te komen bezoeken. Doe zo verder en uw blog geraakt bekend over heeeeeel ons land. Prachtig!!

     

     

                Wat mij de dag van vandaag meer en meer verwonderd is dat er toch wel aardig wat liefhebbers van de Fé zijn die dagdagelijks de website (blog) bezoeken. Via de statistieken van het blog kan ik goed volgen hoe de interesse verloopt.

    Zo waren er in de maand december 2013 maar liefst 1755 verschillende bezoekers en zoals de jaar-grafiek het laat zien blijft de variatie toch wel  mooi om te volgen.

     

    Als het zou kloppen dat de gemiddelde ouderdom van de Timmermans’ liefhebbers aan de hoge kant ligt, dan kan men uit de gegevens toch twee mogelijkheden naar voor brengen.

     

    Ofwel zijn er nog steeds jongeren die via het internet met de info over Felix Timmermans zich kunnen vinden of anders is het toch wel mogelijk dat meer en meer senioren zich bezig houden met het surfen en zoeken naar informatie. Spijtig genoeg kan ik die gegevens niet terug vinden in de statistieken. Laat mij met deze de liefhebbers van Felix Timmermans, en uiteraard ook alle andere liefhebbers, uitnodigen om toch een schuchtere poging te wagen op de onderstaande links.

     

    http://blog.seniorennet.be/timmermans_fan

    http://www.felixtimmermans.be/

     

     

    Tevens wil ik nog maar eens een oproep doen om mee te helpen aan de uitbouw van het blog en eventuele nieuwe info, liefst info die nog niet zou bekend zijn, aan mij te laten bezorgen zodat we samen nog meer kunnen genieten van de meest gelezen schrijver van bij ons. Gemakkelijk gaat dit niet want de ondervinding leert mij dat mensen niet altijd geneigd zijn om info, teksten, foto’s en dergelijke te delen met anderen.

    Goed, maar ik blijf proberen. Voor meer info over het blog kan men mij steeds contacteren.

     

    Groeten uit het Pallieterland

     

     

    Gemiddeld aantal bezoekers per dag : 34

    Gemiddeld aantal bezoekers per week : 236

    Gemiddeld aantal bezoekers per maand : 1027

     

    Aantal bezoekers per jaar :

    PER JAAR

     

    Jaar

    Paginaweergaves



    Bezoekers

    2016
    2015

    2014

    2013

    2012

    8.975
    16.976

    33.607

    21.080
    27.491

    5.962
    11.140

    26.912

    13.167
    15.533

    2011

    20.520

    12.661

    2010

    18.482

    12.799

    2009

    18.333

    13.384

    2008

    15.185

    10.030

    2007

    12.424

    7.517

    2006

    4.370

    1.941

     

     

     

    Inhoud van het blog over Felix Timmermans

     

    Aan de bezoekers van dit blog

     

    Geachte mevrouw, mijnheer

     

    De inhoud van het ganse blog kan je vinden via het "archief per maand" (rechtsboven van het scherm).

    Klik op de onderste regel : 01-2006 en je krijgt een overzicht, een lijst, van de artikels en foto’s die op het blog zijn geplaatst. Via de maand en het jaar, kan je in het archief de desbetreffende teksten of artikels terug vinden.

     

    Bijvoorbeeld : het artikel  -  Fred Bogaerts - Willy Feliers   (15/08/2012) kan je vinden als je in het archief op 08-2012 klikt.


    Je kan ook aan de linker zijde een artikel aanklikken, maar hou er rekening mee dat deze lijst maar de laatste twee jaar weergeeft. Er is dus heel wat meer te bekijken dan deze lijst alleen.

    02-04-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (55 Stemmen)
    >> Reageer (5)
    12-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Vroolijkheid in de Kunst - Carel Scharten

    De vroolijkheid in de kunst

    Door Carel Scharten  -  Uit De Telegraaf 12/08/1916

         Pallieter dan, van Felix Timmermans, is inderdaad een heerlijk boek. In lang niet had men van een boek zoo gul genoten; een genot dat u beurtelings een peut van pleizier gaf in de maagstreek, of de weelderigste zoetheid stuwde rond het hart, beurteling luidop deed lachen of stil worden om een in dit sanguinisch verhaal te dieper verwonderende en ontroerende, maagdelijke teerheid. Pallieter, een molenaar, ergens in Vlaanderen, is de onbewuste dichter, die in alles de schoonheid ziet, en de ongebreidelde levensgenieter in den volsten zin van het woord.
    Want geen enkel vooroordeel van overbeschaving, van comfort, van stemmings-precieusheid of wat ook van gansch dien bezwaarlijken beschavings-last, die ons het volle, natuurlijke levensgenot onmogelijk maakt, breidelt Pallieter in zijn overdadig, zijn onmatig levensfeest. Gij vindt regen onaangenaam, niet waar? tenminste, om erin uit te gaan. En moet ge uit, dan sopt ge op uw overschoenen en onder uw paraplu gebogen, verdrietig voort.
    Maar Pallieter weet den regen nog op zijn recht en prijs te stellen!

    Luister maar eens :
    "En klets! daar viel de regen"
    Ja, mor dor van geproffeteerd! Riep Pallieter. Hij liet de toerten (tulbanden) staan en liep naar buiten in den hof. Op een omzien stond hij uit te lekken lijk een waterhond en 't deed hem deugd, lijk aan een kouden bedelaar warme melk met korentenbrood. De koele, malsche regen ruisente frisch, over het land, begoot de boomen en de planten, kleste op het water en kletterde op het dak. 't Was een symphonie van water! De duiven en de kiekens sloegen hun vlerken over hun kop, om de warme puttekens van hun zwingen nat te laten worden.
    Petrus de ooievaar stond roerloos met zijn wijf, elk op één been, in zijn nest en de eenden lagen op den blijk met open vleugels bijeen geklodderd. Pallieter was twee dagen te voren 't haar rats nevens het hoofd afgesneden en nu kletterde en blonk de regen er op lijk op een steenen bol.
    Het regende, regende!...... En, terwijl hier het water stroomde, kwam er een balk zonnestralen door de wolken geboord, en daar was een vinnige plek lichtgroen land ginder achter in het veld. Het licht zifte door den vallenden regen, en nu was 't goud dat er viel, allemaal boonen goud. Pallieter keek zijn oogen uit.
    "Da's manna!" zei hij, en hij wierp zijn kop achteruit, opende den mond en liet er de gouden droppelen invallen.

    En daar kwam weer een straal, en ginder nog een, en 't was alsof de eerste frissche, groene Lente met gauwte teruggekomen was. Ginder, boven den veldbuik, rees het uitgewaterd einde van de vlaag omhoog en de helft van het land schitterde in de zon, wijl het donkere gedeelte nog ruischte van den regen.
    "Da’s plezant, hé" schampte Charlot, "oe zoe late beregene! " "Och meske (meisje), zwijgt, 'k ben er ne voet mee gegroeid", zei Pallieter, en hij ging een zuiver hemd en een ander broek aandoen.

    't Is overigens nog maar een kleinigheid, dat Pallieter den regen aandurft en, met kinderen en dichters, de sneeuw verrukkend vindt Wat durft hij nièt aan, en wat vindt hij niet verrukkelijk, kan men eerder vragen. Zelfs de naargeestige stemming na een feest, wanneer de gasten vertrokken zijn en alleen de trieste resten blijven, is voor hem niet naargeestig:
    "In den hof rook het naar verbrand papier van 't afgestoken vuurwerk. De maan scheen en lichtte op stukke flesschen en tellooren (borden), in het gers (gras), door het spuitende fonteintje, en op de ordelooze glazen, eetgerief en vruchten op de tafel. "Pallieter vond het schoon. Hij zette zich op eene bank en zat het stil te bezien." Men kan dit schamper "optimisme" noemen. Doch men zou ook een aldus reagerende geest ruim en gezond en daardoor altijd weer versch kunnen heeten.

    De waarde van dit optimisme is, dat de bezitter voor alle levenopenbaring openstaat, immer bereid het leven te doorproeven, in een argelooze overgave, die geen cultuur-onderscheidingen maakt, en de stoutste stemmings-wisselingen volbrengende, zonder daarvan meer te bespeuren dan dat hij gaat van deugd tot deugd en wandelt in de schoonheid.
    Als Pallieter, blij om het mooie weer, met "den pastoer" heeft zitten drinken en, opgewonden, een toertje met hem door de kamer gedanst, krijgt hij, de pastoor vertrokken, "goesting" in een psalm, en hij leest er een, luidop, voor het open raam. Wat volgt er nu? "Pallieter sloeg het boek toe.
    Hij had onder het lezen goesting naar den smaak van honing gekregen en hij at hem op een donkerbruin beschuitje." Zelden heb ik zoo iets kostelijks gelezen, omdat aldus, in den vrijen, onschuldigen geest, alle leven heilig blijkt, en wederom het heilige in 't volle leven staat. Denkt Pallieter, dat het gebak voor het feest gaar zal zijn, dan, waar hij op den oven toegaat, staat er : " 't Was alsof hij een heilige kast opende, zoo stonden zijn oogen nieuwsgierig gerpannen. God! wat 'n warme, zoete reuk van eieren, bloem en melk sloeg hem bedwelmend in 't gezicht."
    Maar gaat de kerkelijke ommegang door het dorp, dan heet het Allerheiligste........"de Baas van hierboven, die de processie kwam sluiten"; wat niet wegneemt, dat Pallieter "er een krop van in zijn keel" kreeg!
    Dezelfde weelderige overdaad en dezelfde vol-natuurlijke wisselwerking tusschen zinnen en geest, op het stuk van liefde. Pallieter heeft Marieken al lief als hij, hoog op een hooiwagen met een ander "meske" huiswaarts kerend, zijn zoenen niet oppot: "en hij zei tot zijn eigen: onvoorziene liefde smokt het best. En zal hij met Marieken trouwen gaan, – dat verhindert niet zijn dollen dans met de maaister, in het allerkostelijkst hoofdstuk van het mislukte honig-brengen naar het klooster en de geweldige bier-zuiperij.

    Maar geen kuischer episode dan waar Pallieter Marieken badende vindt,en geen ontroerender teerheid, dan de nachtwandeling, waarbij zij neergelaten in een hooischelf, insluimeren : — Pallieter heeft, naar de sterren liggen kijken en hij wil het Marieken wijzen : Maar Marieke sliep zachtkens in zijn armen.

    "Wa geluk", zei hij seffens. Hij vond het zoo schoon, zoo één en zuiver met den grooten, vredigen nacht, en een plotse teederheid welde in hem op. Hij gaf haar een pluimlicht kusken van bewondering en ontroering. "t Was te schoon en te innig om het te storen, en hij maakte de ligging van zijn voet over haar been voorzichtig wat lichter, opdat het haar niet zou hinderen......

    Hij snoof versche geuren op, en de maan bedekte twee naar elkander verlangende sterren.

    En zie, door den gezuiverden hemel dreef nog een eenzaam wit wolksen. Het kwam aarzelend verder en 't werd als aangetrokken door de maan. Het sneed er juist onderdoor, en zie, het gleed seffens vol ijle, roze, groen en mauve kleuren...... Maar 't gleed verder, verloor weer plots zijn zoete toonen, wierd wit en dreef aarzelend voort, alleen door den nacht.

    't Was lijk een glimlach van den nacht geweest......

    De oneindige stille suisde, en 't was alsof men de manestralen schijnen hoorde. Het gers was wak en verroerde niet. Bibberend van den morgendauw, worden zij wakker, overgelukkig. En zij loopen naar huis "frisch "lijk salaad, en verlangden naar versche kleeren en heete koffie. Een herder toette op zijn horen en de klokken begonnen te luiden, 't Was dag."
    Zijn er geen "schaduwzijden" aan dit boek? Zeer zeker; en de bedenkelijkste "schaduwzijde" blijkt juist deze, dat er aan dit levensbeeld geenerlei schaduw is. Vreugden stapelt het op vreugden, in een al te overdadigen overvloed. En terwijl door dat veel-te-veel de heugelijke eerste indruk ten slotte, verzwakt wordt ook de hoogste vreugde nergens gevonden; de hoogste vreugde, die immers alleen bereikt kan worden dóór duisternis en strijd. 
    Over-klankrijk, over-kleurrijk, vermoeit het geluid van dit boek ten leste; en de diepste accenten worden er niet in aangeklonken. Gelijk hetgeen aan het zomersche Italiaansche landschap de diepste en warmste vreugde geeft, noch de zilveren olijven zijn of de azuren hemel, noch de saffieren rivieren of de turkooizen meren; maar het zijn de zwarte pijnen en de brandende cypres.
    Langs welke situatie het verhaal zich beweegt, het is telkens weer verrassend mooi, maar ook altijd opnieuw van eenzelfde overvolheid, waarbij geen enkel register van Pallieter 's vreugden-orgel gesloten blijft; op elke bladzij vinden wij zijn ganschen motieven-voorraad "au grand complet"; geen opspoorbare kleur, geen geur, geen bloem, geen wolk, geen vogel, en geen zonne- of maanlichteffecten, die ons gespaard zouden mogen worden.

    De zaak is, dat Felix Timmermans, de wijsheid der diepe levensvreugde ontdekt eenmaal hebbend, zijn Pallieter al te mooi heeft willen maken. Men merkt het vrij spoedig en maar al te duidelijk; want het schaadt niet weinig aan de zuiverheid, aan de gaafheid, ja soms zelfs aan de echtheid van het boek.
    Zoo is het een lief verzinsel, om zijn molenaar de een of andere muziek te laten maken op een stemmingvol uur. Maar Pallieter, behalve dat hij telkens de liedjes zingt, die Timmermans kwijt wou zijn, bespeelt de harmonika, de doedelzak of kornemuse, de hobo, het klokkenspel, en de mondharmonika...... voor zoover ik het noteeren bijhield. Telkens wordt hem iets anders te bespelen gegeven; dat staat alweer rijker en kostelijker. Zoo ook moet Pallieter, op een plaats, waar het volmaakt overbodig is, bellenblazen; maar hij doet het zoodanig, dat wie het vak van bellen-blazen verstaat, er weinig van gelooft. Van die soort loopt er, helaas, door het, overigens zoo malsch-vreugdige boek, nogal wat gezochte en bij-gemaakte fraaiigheid, die in de lotgevallen zelve soms tot aanmerkelijke onwaarschijnlijkheid voert.
    Dit voorbehoud, dat den toekomstigen Pallieter-lezer op zijn hoede moest maken tegen wat kleine teleurstellingen, het mocht niet achterwege blijven. Doch meen daarom niet, dat er over het boek niet méér goeds te zeggen zou zijn dan ik deed.

    Al was het alleen maar om Charlot, de vette Vlaamsche meid, bigot en grof, maar tegelijk zoo danig goed en week van hart. Charlot, als mensch-schepping, overtreft èn Pallieter-zelf èn Marieken verre.
    Maar dan is daar bovendien dat gansche, volle Vlaamsche boerenleven met al zijn goedmoedige oubolligheid, en de verwonderlijk plastische en atmosferische omdichting dier welige Vlaamsche aarde, die – vóór dezen gevloekten oorlog – als een teelgrond van sappige natuurkracht, als een oase van weelderige en vrome zinnelijkheid, lag den oever van dit bedorven en duister Europa.

    **************

    12-11-2018 om 14:22 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    11-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Adagio - Felix Timmermans

    ADAGIO

    Het volgend jaar wordt een Felix Timmermans jaar. Als een eerste bijdrage in de voorbereiding bieden we aan onze lezers een beschrijving van het boek « ADAGIO ». Bij die gelegenheid kunnen we reeds verklappen dat de K.S.A. een Timmermanskalender voorziet voor het jaar 1957.

    Dit laatste geschenk van Felix Timmermans aan de mensheid is geen open boek, ook niet een gesloten schrift, maar veeleer de mysterievolle verklanking van zijn eigen levenswerkelijkheid, het gebed van zijn bestaan. Ieder leven is mysterieus. Alleen jong-hartige mensen hebben de kracht om op het spiegelvlak van hun bestaan de ontmoeting met het mysterie te plaatsen als brandpunt. Ontmoeting is avontuur om kracht. De levenskracht is een evenwicht-zoekende resultante tussen de anderen en onszelf ; zij voedt zich voortdurend met de versmelting van beide polen zonder ooit de diepte van een van beide te peilen.

    Deze opgave is de enige grond van onze rust en van onze onrust :

                      Het diepste lied zingt binnenin
                      onaangerand van woorden ;
                      daar ruischen aarde en hemel in
                      en zwelt de ziel ten boorde,

    Ieder leven blijft dat diepste lied. Ook de ontmoeting met het leven van de Fee is als de ontdekking van een slapende bloemknop. Bloemenknoppen worden niet opengebroken zonder ze te schenden : bloemen zijn eerbiedwaardige onbekenden. Alleen het geloof in het opbloeien van de botten behoedt hen voor ruwe handen. Met dit voor ogen, benaderen we het levensgeheim van Timmermans : het is niet mogelijk in 'n aantal volzinnen de kontoeren van zijn geestelijke en religieuze persoonlijkheid te schetsen ; noch zullen we pogen het raadsel van zijn godsdienstige evolutie op te lossen ; maar we trachten slechts duidelijk te maken dat de opdelving van iemands levenshouding uit enkele nagelaten verzen niet onfeilbaar is. Misschien is dit beeld iets-zeggend : Adagio is een gerooid nest ; de vogel is weg en slechts enkele pluimen liet hij achter. Wij houden de pluimen voor wat ze zijn : kleine dingetjes door een grote vogel nagelaten. Door de wet van de innerlijkheid zelf wordt men tot uiterlijkheid beperkt : in een eerste gedeelte handelen we achtereenvolgens over het ontstaan van Adagio, de algemene tendens, en een oppervlakkige situering ; in het tweede deel geven we een meer uitgebreide bloem-lezing met gedichten uit dit werk, gerangschikt naar een synthetisch schema.

    HOE IK WERD?
    Vele mensen, zelfs talrijke Timmermans-lezers, is dit boekje Onbekend gebleven. Het aan de openbaarheid prijs te geven was waarschijnlijk ook niet de bedoeling van de schrijver : gebeden worden niet gepubliceerd. Voor wie de dood een toevallige bezoeker is, is het dokument dan eveneens eerder toevallig tot stand gekomen : gedichten hier en daar in de boeken en op de schrijftafel van de dode teruggevonden werden door de levenden bijeen gelezen, uitgehuwelijkt aan het drukkerspapier en op de markt gebracht.

    Reeds meerdere gebeden bleken opgetekend te zijn voor de laatste en langdurige ziekte van de maker. Zijn ingetogenheid van de laatste jaren was algemeen bekend.
    In die periode schijnt hij geboeid te zijn door de studie van de Oosterse wijzen en de grote mystiekers :

                     'k Zocht U achter d'hemelrondten,
                     in der sterren harmonij
                     in profeten, in 't doorgronden
                     en in 't zoeken
                     wat de boeken
                     en de wijzen ons verkonden.

    De inspiratie van de Veda's en van de eigen middeleeuwse mystieke traditie is wel terug te vinden. Een vergelijking met werk van gelijkaardige mensen - eveneens door het Oosten bekoord - zoals dat van Leopold en Van Eeden zou nuttig zijn : het is met hen en met heel de mystieke wereld trouwens dat hij het cosmisch gevoel en het gevoel van de eenheid tussen mensen en dingen gemeen heeft.

                      En luister nu, hoe alle dingen zingen,
                      en alles zingend in elkaar vervliedt,
                      de mensen en de dingen,
                      de vreugd, het kwaad en het verdriet,
                      lijk duizendschoon acoorden
                      van een en 't zelfde lied !

    Voor wat de kern van Adagio betreft, bleef de inhoud van de buitenwereld tenslotte stiefmoederlijk. De dichter zélf spint de draad van zijn innerlijkheid :

                      'k Zocht U altijd buiten mij.
                      tot het leven mij verwondde,
                      en ik U, o zaalge stonde,
                      in mij zelven heb gevonden !

    Vooral de doodsgedachte en de wil om het « bereidschap », die hem voorzeker de laatste maanden blijkbaar hevig bezig hielden, geven aan de bundel een zeer persoonlijk aksent. Dat aksent wordt nog nadrukkelijker, wanneer men zich het levenseinde van die mens indenkt : tweemaal door eigen volk geboeid in eer en ziekte, is hij maandenlang bedlegerig met de zekerheid dat « zijn tijd daar is ». Toch moest hij leven : de meeste gebeden zitten gevierkant in het raamkozijn van zijn zielekamer. de kleine belokenheid van de « teerling van het huis » kontrasteert fel met de wijde huif van het firmament daarbuiten en met binnen alle dingen de pittige kern. Gods stilte.
    Timmermans' ingelokenheid is geen pose, maar het echte, levensbelangrijke tweegevecht, waarvan God en de mens de polen zijn. De dood dekte deze strijd met onsterfelijkheid toe. De ontdekking van deze sprankels en de reaktie op hun uitgave ontstaan, riep een gevoel op dat zich klasseert tussen verrassing en openbaring : men had het gevoel voldaan te zijn op een onverwachte wijze.

    HOE IK BEN ?
    De titel van het bundeltje, uit de tweede hand door de familie aangeboden, is « Adagio ». Voor zover dit woord op een muzikale term duidt, is het welsprekend : de schrijver is in al zijn werken een zingende, lyrische, stemmige mens. Voor zover echter die term in de muziek gebruikt wordt om een langzaam, traag tempo aan te duiden, lijkt de titel minder gelukt : de synthese van het God zoekend leven is geen « adagio », maar een drama, even diep en hoog als de werkelijkheid die het benadert :

    Was man in Ihm (Gott) erkennt, dass muss man selber sein. (Silesius)

    Wellicht wordt het maximum en minimum van Timmermans' levenskurve niet beter uitgedrukt dan in dit gedicht van Goethe :

                     Des Menschen Seele
                     gleicht dem Wasser :
                     vom Himmel kommt es,
                     zum Himmel steigt es,
                     und wieder nieder
                     zur Erde muss es,
                     ewig wechselnd.

    Ewig wechselnd : Adagio is alleen het scherm waarop die kringloop « Himmel-Erde-Himmel » weergegeven wordt. De plaats, die het in de rij van dergelijke menselijke getuigenissen inneemt, is paradoksaal omdat ze zowel enig is als algemeen. Beide werden reeds uiteengezet : we vermeldden de Oosterse inspiratiebronnen en daarnaast het persoonlijk aksent. Voor Vlamingen en Timmermanslezers wordt de schoonheid van die gebeden nog geïntensiveerd doordat zowel de draad van de eigen traditie wordt opgenomen als met de mystieke grondtoon van vroegere werken (zoals « De harp van Sint-Franciscus») wordt verder geschilderd.
    In het kort kan deze inleiding als volgt worden samengevat : Adagio is het onverwacht uiterlijk getuigenis over de innerlijkheid van een grote persoonlijkheid, die men echter nooit zal doorgronden.

    * * * * *

    WIE KAN U NOEMEN BIJ UW NAAM ?
    Onder deze hoofding groeperen we thans een reeks motieven uit Adagio, die cirkelen rond de goddelijke werkelijkheid op zichzelf. Een volgend deel « God van de mensen »,van ieder en allen, zal het tweegevecht schilderen tussen de Engel, Gods kracht, en de eigen levenswil. Een derde tenslotte zal gewijd zijn aan de mens, door godsverbondenheid geadeld en verheven. Zo zullen in een soort triptiek de voornaamste tema's van Adagio in het licht worden gesteld.
    Een initiaal gedicht is dit :

                      'k Zou van mijn woorden, van mijn taal
                      een glinsterende schaal
                      van 't puurste maaksel willen gieten.
                      waarin ik Uwen eeuwgen naam
                      met al zijn diepte en schoonheid saâm
                      zou kunnen laten vlieten,
                      en Hem als kostelijken wijn
                      aan andren doen genieten.
                      Aan hen die dor en dorstig zijn,
                      die donker zijn van smart en pijn
                      en om Uw klaarte smeken...
                      Zo wijs en wonder zij mijn zang.
                      Maar ach, mijn God, ik ben zo bang,
                      het is te veel wat ik verlang,
                      de woorden breken.

    De woorden breken. God stijgt onze alledaagse menselijke begrippen van « goedendag » en « tot ziens » te boven. Hij gaat ons verstand te boven. Zijn werkelijkheid is zó, dat een dissektie met woorden dodend is :
    haar adjektieven zijn « onnoembaar », « onmededeelbaar », « anders ». Diezelfde gedachte komt voor in een rei der engelen in Lucifer van Vondel :

                     Want ieder draagt zijn eigen naam,
                     behalve Gij ; Wie kan U noemen
                     bij Uwen naam ?

    God heeft geen naam tenzij deze schijnbare tautologie s God is God. « Er ist Er », zegt Guardini. Alleen onze logische beelden hebben enige suggestiviteit voor die « andersheid » van de Schepper. Hij heeft iets van de arend, de condor, de paradijsvogel : Niemand weet waar hun nest staat, en toch zijn ze dicht bij ons, duiken ze plots op achter het schip waarop wij varen. Evengoed echter is Hij de stilte, de benauwdheid, de eenvoud van een pad.
    Dit zijn beelden uit Adagio :

                      God is als de bliksem, die door rotsen slaat,
                      als perzikbloesem, die traag opengaat,
                      een bergmeer tegen avond,
                      of als een vallend blad,
                      een dauwdrop koel en lavend ;
                      soms als een verre, witte stad,
                      of als een kinderlied,
                      soms als... maar ach, mijn ziel, ik weet het niet
                      ik heb ineens zo'n schoon verdriet.

    Hij is de grootste paradoks : geweld naast tederheid, rotsen naast bloemen, bliksemschicht naast een lentische traagheid. De rotsen van het menselijk geslacht slaat Hij tot altaarstenen stuk : Abraham, Isaak, Jacob en gans het volk. De Golgotha-berg van de komende geslachten wordt door het Nieuw-Testamentische Kruis geloof en ongeloof, eenheid en verdeeldheid gespleten in twee. Toch blijft Hij weer de kleine, de trage als de perzikbloesem, als het bergmeer... De ware God is bescheiden : die bescheidenheid en traagheid zijn het onderpand van onze vrijheid, die immer weer, als naar een kinderlied, heimweet naar God. De grootste grootheid vraagt het grootste verdriet. Al deze paradoksen zijn slechts sobere bevestigingen van de waarheid dat de godheid zó verheven is boven de mens, en dat zijn wegen 's mensenwegen niet zijn. « Boven Oost en West » wordt datzelfde mysterie niet ontsluierd, maar aanbeden.

    Gezelle dicht :

                      'k Aanbidde U, groote God,
                     onbeschrijfbaar, onbeschreven,
                     en onbegrijpelijk, 't en zij alleen
                     van U, die al dat was, dat is, dal zijn zal, even
                     begrijpelijk omvat. Mij al te kleen
                     bekenne ik, om iets meer als enkel schaduw
                     van Uw groot licht te zien !
                     maar, zie ik niet, ik rade U
                     aan 't werk dat Gij gedacht, gewild hebt en gedaan,
                     aan 't Godlijk speur, daar Gij
                     zijt in voorbijgegaan.

    Het enige antwoord op onze vraag « Wie is God », in de spelonk van het mysterieuze geroepen is de echo « God ». Ook deze echo heeft iets van de bekoorlijkheid van alle echo's : hij boeit en wil niet uitsterven. God boeit door « ’t Godlijk speur, daar Gij zijt in voorbijgegaan ». Het geheim van de Schepper wordt de innerlijkheid van de schepping, vooral van mezelf. De godheid is in de dingen bevangen.

                     God rolt de zonnen door zijn handen
                     zoals de boer het zaad.
                     De ruimte kent geen randen
                     en eindloos staat
                     de sterrentuin te branden.
                     Als dauwdrop aan der aarde bloeme
                     weerspiegel ik het al.
                     Ik hoor de spheren zoemen.
                     Gans ’t sterrendal
                     probeert Uw naam te noemen.
                     't Geheim blijft tot de nacht bekoren,
                     waarin ik ben ontstaan,
                     tot, opgeslorpt, in schijn verloren,
                     in 't licht vergaan
                     in U ik word herboren !

    De majesteit van de Heer in de dingen is zijn beroepsgeheim. De ontdekking ervan is binnengeleid worden tot de zin van het bestaan : het is onze opgave « Wistik » te zijn. Is God enerzijds in zijn werk bevangen, anderzijds overstijgt Hij het in voltooidheid en volkomenheid, in zijn en heilig zijn. Het Opperwezen is de Grote Eenzame, « der Andere », die buiten of beter boven de kategorieën staat. "Boven rozen en sterren staat Hij, de Voltooide : zij bloeien voor Hem even lang, zoals er voor Hem geen verschil bestaat tussen één tas water en de zee. Voor zijn eigen volkomenheid is de innerlijke natuurlijke waarde van ieder mens gelijkwaardig, nul.

                     De sterren ranken rond mijn venster
                     rein met de rozen saam.
                     Soms valt een bladje van hun kelken,
                     en soms een genster
                     van zuur, voorbij mijn raam.
                     De rozen, ook de sterren, zullen eens verwelken.
                     De rozen vragen niet veel tijd,
                     de sterren bloeien wel een eeuwigheid ;
                     ook dat is slechts een splinter van den Tijd.
                     En Tijd is slechts een schaar in 's Heren hand,
                     waarmede Hij de bloemen snoeit en snijdt,
                     die Hij in d'hemelen en op aarde plant.

    Toch is deze boven-tijdsheid niet een afsluiting buiten het domein van het leven, maar zij is juist de pool die de oneindige interesse van God voor het detail, voor de sekonden en voor de mensen oproept : niemand staat dichter bij de tijdelijkheid dan De Tijdloze. Deze overdenking van Gods geïnteresseerdheid, aanwezigheid, was een der bekeringsmotieven van Fr. Van Eeden. En voor ons is het de grond van ons vertrouwen, van de deugd der Hoop. Met de vier gegeven gebeden trachtten wij een schets te geven van het Godsbesef, in Adagio vervat. Het literair aspekt werd totaal verwaarloosd om te vermijden de verzen nog meer van hun dichtheid of innerlijke geladenheid te ontnemen.


    **********

    11-11-2018 om 20:15 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    08-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hoe ik verteller werd - Felix Timmermans

    Hoe ik verteller werd

    Timmermans erzählt, Leipzig 1935.

    Aan vertellingen beleef ik een bijzondere vreugde, hetzij ik ze van anderen hoor of ze zelf op het papier zet. Dat ligt mij in het bloed. Een roman moet een roman zijn, een novelle een novelle. Maar een vertelling mag alles zijn, ze kent geen wetten; ze mag een brok leven zijn of een droom, ze mag leven en droom samen zijn. Voor haar is het wonder geen wonder meer, het wonder wordt leven en het leven een wonder. Alles is mogelijk, alles is echt. Op een vingerknip daalt de hemel tot ons neer, schillen engelen patatten. Onze-Lieve-Heer wandelt over de smalle veldwegen, zit ergens op een gevallen boomstam en eet een gebedelde boterham. Sterren zijn ogen of kinderen. 's Zomers spelen en zingen zij met de bloemen aan de kant van een beek.

    De regenboog kan spreken, dieren schrijven boeken, bomen zijn denkende wezens en een kinderpop heeft haar heimelijke liefdesgeschiedenis. Een meisje is in het water gesprongen. Volgens de gazet is de smart der ouders onbeschrijflijk. Het is een alledaags bericht, maar de vertelling maakt van dit bericht een brok leven. Zij ontdekt in het water een kracht, die verband houdt met de wanhoop van dit meisje.
    Zij kijkt in het hart der ouders.
    De vertelling zoekt naar het leven achter de dingen, ze leest tussen de regels van het leven. Zij vindt schoonheid, waar schijnbaar slechts leegte en lelijkheid heersen. Maar haar ontgaat evenmin het wenen, dat zich achter een lach verbergt. Zij onderzoekt alle kanten van het leven en weet ons dan mee te delen — hetgeen tenslotte de bedoeling van het verhaal is — dat het leven in elke vorm toch een geweldig wonder is. Ja, ik hou veel van vertellingen en vertel zelf gaarne. Mijn jeugd was van de meest curieuze vertelsels doordrenkt en levendig vervuld van figuren, die daarin een rol hebben gespeeld. De vele herinneringen dringen naar voor, en elk wil graag eerst op het papier.
    De vertellingen van mijn vader moet ik wel vóór alle andere vermelden. Hij vertelde ieder verhaal zo, dat hij er zelf in optrad. Hij was voor alles een gelegenheidsverteller. Zo vertelde hij ons vanaf het begin van de advent tot driekoningendag over het stalleke van Betlehem, de herders, de koningen uit de Morgenlanden, de moord der onnozele kinderen. Ook dat had hij zelf meegemaakt.
    Op een winterdag bij de invallende duisternis spoedde hij zich door de sneeuw in een naburig dorp. Onderweg ontmoette hij een oude man die een ezeltje voorttrok, dat op zijn rug een bleke vrouw droeg. In de plooien van haar kapmantel verborg zij een schreiend kindeke. De oude man vroeg mijn vader: 'Baas Timmermans, gij kent toch iedere binnenweg, omdat gij overal uw kanten mutsen verkoopt. Kunt gij me niet de weg naar Egypte wijzen?' Mijn vader wees die avond aan de heilige familie de weg naar Egypte. 

    Als hij ons ꞌs avonds voor het slapengaan zijn verhalen vertelde, kregen wij daar nooit genoeg van. Hij wel. Dan zei hij: 'Luister kinderen, nu zal ik u eens een schoon lied zingen in drieënveertig strofen.' En dan zong hij zo langzaam en slepend, dat wij nooit de vierde strofe gehoord hebben. Een van die liederen luidde:

    Wij zijn de drie koningen met hun ster
    Wij komen gerezen van zo ver.
    Wij gingen en zochten overal, over berg en over dal.
    En waar de ster bleef stille staan
    zijn we alle drie binnengegaan.

    Wij kenden slechts enige brokskens van dat lied, dat ik dikwijls heb meegezongen, toen wij, enige vrienden en ik, in de kersttijd met een kartonnen ster van deur tot deur trokken. Daar ik het beste negergezicht had, moest ik altijd de zwarte Melchior voorstellen. We kregen dan suikerkoek, speculaas of bollen.
    Er waren ook twee mannen, die ieder jaar met een ster onderweg waren en zongen: 'Wij zijn de drie koningen...' We zijn ze dikwijls tegengekomen en moesten meer dan eens wegens de concurrentie op de loop gaan. Het waren de leutige palingvisser Pitjevogel en de bedelaar Schrobberbeeck met stoppelbaard en zwerende ogen. Zij kregen geen koek, maar geld dat gladweg in jenever opging. Ik heb ze meer dronken dan nuchter gezien. Over hen deed onder meer volgend verhaal de ronde:

    Zij wilden een jeneverhandel beginnen. Zij spaarden en bedelden zolang, tot ze voor twintig frank een vaatje jenever konden kopen. Daarmee trokken zij naar de dorpen, waar zij de kostelijke drank aan de boeren wilden verkopen tegen drie kwartjes de borrel. Het was al middag geworden en nog hadden zij niets verkocht. Dan zocht Pitjevogel zolang in al zijn zakken en onder de voering van zijn jas tot hij een muntstuk had gevonden. 'Daar koop ik een borrel voor , riep hij, betaalde en dronk. Nu had Schrobberbeeck het geld. 'Ik koop mij ook een borrel', zegde hij, betaalde en dronk. 'Ik zou er nog een willen', verklaarde Pitjevogel. Zo hebben die twee man met drie kwartjes voor twintig frank jenever gedronken. De beide koppen, die veel gelijkenis vertoonden met de herdersfiguren van Hugo van der Goes, zijn mij steeds bijgebleven en ik was altijd blij, wanneer ik van hun wonderbare avonturen hoorde.
    Mijn vader leerde ons schone oude volksliederen en speelde voor ons met een kleine poppenkast Faust, de Leeuw van Vlaanderen, Maria-Hemelvaart en andere dingen. Maar weldra speelde ik met mijn vrienden deze stukken zelf, gewoonlijk op een zolder of in een karrenkot.

    Ik heb Faust gespeeld, Marino Marinelli, Clovis en zelfs Jezus. Doch met die rol kwam er een eind aan mijn toneelspelersloopbaan. Wij speelden de Passie van Ons Heer in het karrenkot van een stadshovenier.

    Alle wagenbanken waren vol bezet. Ik stelde Jezus voor, had een witte slaapjapon aan en lange pruik, die mijn oudere broer vroeger in een St-Gommarusstoet had gedragen. Het kruis was uit twee latten van een spekkist samengetimmerd. Mijn jonge zuster speelde Veronica. Zij had een handdoek, waarop een vuistgroot Christushoofd was geschilderd. Een andere zuster met lang haar was Maria Magdalena. Het dochtertje van de hovenier stelde de engel voor. Zij droeg haar eerste-communiekleed en de kelk, die ze mij in de Hof van Getsemane moest aanbieden, was een met zilverpapier omwikkeld bierglas.
    Het spel begon. Toen het gordijn, dat uit twee aaneengedriegde voorschoten bestond, openging, knielde ik op het toneel tussen twee bloempotten. De engel verscheen, iemand blies op een mondharmonica. Ik zegde mijn rol op en de engel gaf zijn antwoord. Daar trad Judas op, in een wijde mantel gehuld, met twee soldaten. Elk was met een knuppel en een broodmes gewapend. Een andere droeg een brandende kaars, omdat de scène s nachts speelde. Pas had Judas de kus gegeven, nauwelijks had ik tijd gehad een paar woorden te zeggen of een der soldaten gaf mij met zijn knuppel zo 'n hevige slag op de kop, dat ik het uitschreeuwde van de pijn, de pruik woedend op de grond smeet en wenend naar huis liep, terwijl de kinderen, ontevreden over het verloop van de voorstelling, hun inkomgeld terugvroegen.
    Zo zegde ik het toneel voor immer vaarwel.

    Vader vertelde dikwijls de avonturen van nonkel Rik. Nonkel Rik was de broer van mijn grootvader en een braaf fatsoenlijk man. Hij had geen vijanden, maar op een dag wou hij vijanden hebben, werd soldaat en trok mee een leger naar Sebastopol. Nu had hij een zee van vijanden, die hem dermate doorkogelden, dat hij naar mijn vader zegde, doorzeefd lijk een teems, naar huis terugkeerde. Hij was nog sterk genoeg gebleven om torenwachter te worden op de schoonste toren ter wereld, namelijk die van Mechelen. Iedere avond blies hij vanuit die plezierige hoogte met zijn koehoorn de vredige sluimer over de stille stad. Hij woonde zelf op deze toren en oefende daar het beroep van schoenmaker uit. Lang en dikwijls placht hij naar het oosten te kijken, waarheen hij zo ver was gekomen en waarheen het heimwee hem nog altijd trok. Uit deze vreemde verte had hij twee curieuze dingen meegebracht: een grote eetlust en een lust om te wedden. Die beide dingen hebben over zijn lot beslist. Was hij met vrienden samen en zag hij een vogel vliegen, dan riep hij: 'Gewed voor 100.000 frank dat die vogel naar Amsterdam vliegt!' Het ging altijd over dingen, die niet te controleren waren.

    Iedere woensdag maakte grootvader frikadellen met kriekensap. Daarvoor kwam nonkel Rik regelmatig te voet van Mechelen, drie uur heen, drie uur terug; onderweg zong hij soldatenliederen. Op een dag bij de frikadellenmaaltijd bemerkte hij op straat een pronte vrouw, die een volle wasmand droeg waarop een rozijnenbrood lag. Hij had eerst oog voor het brood, dan voor de vrouw. 'Wat een schoon rozijnenbrood en wat voor een knappe vrouw!', zegde hij. Grootvader die hem kende zei: 'En toch zal zij nooit aan een man geraken.' Bij nonkel Rik steeg meteen de appetijt en de wed-lust. 'Gewed om een konijn dat die vrouw nog dit jaar getrouwd is!', riep hij. De weddenschap werd aangenomen. Het jaar was bijna om en nog altijd was die vrouw niet getrouwd. Wat deed nonkel Rik? Om het konijn te winnen is hij er zelf mee getrouwd.
    Door vaders vertellingen heb ik mij het leven van Jezus steeds in Vlaanderen voorgesteld. Later vernam ik op school dat alles zich in Palestina had afgespeeld. Dat vond ik spijtig, omdat ik dat land met zijn onnatuurlijke bomen niet kon uitstaan. Maar aangenaam of niet, ik moest de mij vertrouwde voorstellingen opgeven. Intussen nam ik wraak op mijn Gewijde-Geschiedenis met zijn vervelende prenten, waarop de vrouwenfiguren in half-Romeinse, half-Arabische klederdracht stonden afgebeeld. Ik tekende om iedere vrouw een kapmantel, zoals mijn moeder er een droeg. Dan waren zij ineens veel echter, gemoedelijker en vertrouwder. Ik herinner mij hoe moeder mij dikwijls onder haar kapmantel meenam, als zij ꞌs avonds nog haastig een boodschap moest doen. Ik vond het altijd heerlijk, men wist nooit waar men was, en moeder kondigde dan vol zorg aan: 'Een trede omlaag, een trede omhoog!'
    De vrije uren na schooltijd of tijdens de vakantie bracht ik door ofwel aan de hoek van het Lollepotstraatje ofwel bij Kaluiken. Het Lollepotstraatje lag schuins tegenover ons huis.

    Het was een steegje dat naar het Kruisbogenhof leidde, waar wij in het karrenkot onze toneelstukken opvoerden. Op de ene hoek woonde een beenhouwer, op de andere een schoenwinkel. Wij stonden en zaten meestal aan het huis van de beenhouwer, alleen als er ruzie was, ging de zwakste groep naar de schoenwinkel over. Waren er gewichtige plannen te smeden, dan hokten wij samen aan de poort van de hovenier, spraken allerlei grappen af, stichtten een repenclub of een toneelmaatschappij en troffen er aanstalten voor lange wandelingen. De hoek van het Lollepotstraatje was een echte speelplaats. De verhalen en leugens die hier ten beste werden gegeven, zouden een dik boek kunnen vullen.
    Waren wij daar niet te vinden, dan zaten we zeker bij Kaluiken, een arme schoenlapper. Het gebeurde soms dat zijn enige broek gewassen werd en in de hof aan de waskoord hing. Dan bleef hij binnen bij zijn reparatie en droeg zolang een rok van zijn vrouw. Zijn zonen behoorden tot mijn vrienden en wij lieten ook onze schoenen bij hem verzolen. Hij had een tamelijk goede stem, was niet alleen voorzitter van de zangmaatschappij De zachte Keel, maar leidde ook de uitvoeringen, hoewel hij geen noot muziek kende.

    Desondanks haalde De zachte Keel bij menige zangwedstrijd eerste onderscheidingen en vergaarde veel geldprijzen, die dan door de medeleden bij een vrolijke konijnen-souper verteerd werden. Kaluiken was trommelaar bij de soldaten geweest en wist uit die tijd de ongelooflijkste avonturen te vertellen. Hij had er zijn plezier in ons de gekste dingen wijs te maken. Een van die verhalen luidde ongeveer zo: 'Koning Leopold II liet mij op een dag roepen. Hij had van mijn trommelaarskunst gehoord. Ik kwam in het paleis, waar de koning op zijn troon zat, moest op een fluwelen stoel daarvoor plaatsnemen en een trommelsolo spelen. De koning was zo aangedaan, dat de tranen over zijn gezicht liepen. 'Kaluiken, mijn brave soldaat, zei hij, dat is zo schoon alsof Beethoven orgel speelt. Kom, daar drinken wij een fles op.' Een knecht met witte kousen en gouden tressen brak dadelijk een kist champagne open. Leopold II zong voor mij een lied en ik moest hem met de trommel begeleiden. Hij zong het lied van de Drie Tamboers en stapte daarbij de kamer op en af.

    Als we zo gemoedelijk onze champagne dronken, vertelde mij de koning wat een last hij had met zijn vrouw, zijn kinderen en zijn soldaten. Daar zag ik een biljart staan. 'Speelt gij ook biljart, meneer de koning?ꞌ, vroeg ik. 'En of!, zei hij, speelt gij ook, Kaluiken?' 'En of, meneer de koning, antwoordde ik, vijftig carambols achtereen.' 'Geweldig, zei de koning, willen wij dan eens een partieke spelen?'
    Wij speelden een partij. Ik had gemakkelijk kunnen winnen, maar uit pure beleefdheid liet ik mij kloppen. Een koning is gelijk een kind, aan beiden moet men toegeven. Maar plots wierp zijne majesteit de biljartstok woedend op de grond en riep: 'Ik kan wel honderd carambols maken, als ik in mijn Kongo maar het olifantenkerkhof kon ontdekken. Om dit olifantenkerkhof heb ik toch de Kongo gekocht. 
    Omwille van het ivoor, ziet ge, Kaluiken? Daar moet ivoor zijn, dat duizend jaar oud is. Daaruit zou men biljartballen kunnen draaien, die zo droog afketsen en zo licht rollen, dat men met één stoot drie carambols kan maken. Maar wie vindt voor mij dat ivoorgraf? Zelfs de vernuftige Stanley is eraan voorbijgelopen. Waar sterven de olifanten? Zij sterven toch ook en nergens vindt men een olifantengeraamte, waar het zo wemelt van olifanten. Zulk een geraamte is niet van krijt of koekendeeg. Dus gaan die beesten ergens naartoe om te sterven. Maar waar, waar? Ach, daar ligt ivoor in overvloed, duizenden scheepsladingen, eindeloze treinen. Dan zou men biljartballen kunnen draaien! Ik heb een miljoen uitgeloofd aan wie voor mij dit kerkhof ontdekt.'

    'Tot uw dienst, majesteit', zei ik.

    En dan vertelde Kaluiken dagenlang van zijn avontuurlijke reis door de zwarte Kongo op zoek naar dit olifantenkerkhof. Hij had het natuurlijk gevonden, maar waar en hoe, dat bleef een geheim tussen Kaluiken en koning Leopold II. 'En het miljoen?', vroegen wij.
    'Alles aan arme mensen weggegeven', zei hij.
    Mijn moeder had een broer die jezuïetenpater was en doctor in theologie. Na een lang verblijf in Engeland en op het eiland Man trok hij naar Brits-Guinea [Guyana!], waar hij als vicaris-generaal gestorven is. Deze nonkel Louis had een Engels boekje over Lier geschreven en enige opstellen over theologische vraagstukken laten verschijnen. Ik heb van die geschriften nooit iets kunnen opsporen. Vóór zijn vertrek naar Brits-Guyana wilde hij zijn familie nog eens zien en kwam op zekere dag met een koets bij ons aan. Het was een lange magere man met hoog voorhoofd, zwarte krullen en grote donkere ogen. Hij boezemde ontzag en eerbied in. Er werd wijn gedronken en mijn vader bood hem een sigaar aan uit een mahoniehouten kistje, dat telkens als het werd geopend, een lieflijk muziekske liet horen. Er werd overeengekomen dat nonkel Louis tijdens zijn verblijf bij ons zou eten, maar in het huis van grootvader zou slapen.

    Grootvader was een oude smid, die nu zijn beroep niet meer kon uitoefenen, maar die daar zozeer aan hield, dat hij onder geen voorwaarde daartoe te bewegen was, de smidse in een kamer te veranderen. Grootvader zat meestal in de keuken en las de gazet. Hij had lang, wit haar en droeg een zijden boerenmuts. Hij rookte een lange stenen pijp en zijn zachte blauwe ogen volgden soms minutenlang de rook, die uit het deksel omhoogsteeg. Zo zien er soms de heiligen op oude prenten uit. Als hij zijn pijp had leeggerookt, at hij een stukje appel tegen het tabaksgif en stopte dan een nieuwe. Hij kon schone, lieve verhalen vertellen over St-Franciscus. Maar ik, mijn broers en zusters, wij hadden schrik van er naartoe te gaan. Hij was voor de derde maal getrouwd met een vrouw, die wellicht een heel braaf mens kan geweest zijn, maar voor wie wij bang waren. Ze was groot en mager, had vreselijke zwarte uitpuilende ogen en een snor. Wij noemden haar altijd de wolf van Roodkapje. Om de rust van die oude mensen niet te storen, at nonkel Louis elke dag bij ons. Hij zat dan alleen met vader in de beste kamer. Ze dronken wijn bij het eten en spraken bijna altijd Frans. Ik ging toen nog niet naar school, was echter helemaal verslingerd op boeken, waarin ik naar prenten zocht. Nonkel Louis beloofde mij uit het wilde vreemde land, waarheen hij op het punt stond af te reizen, een groot pak te sturen met de schoonste vertelsels en de heerlijkste prenten, die men zich dromen kan.

    Ik kon zijn vertrek nauwelijks afwachten. Als hij dan eindelijk na een drietal weken afscheid nam, zegde hij tot mijn vader: 'Ik heb hier nog een kist met boeken, die ik niet goed kan meenemen. Ik zou ze hier willen laten tot ik binnen tien jaar, als ꞌt God belieft, terugkom. Het is niet geraadzaam dat de kinderen erin lezen, daarom heb ik de kist op slot gedaanꞌ. Sedertdien stond er op onze zolder een kist met boeken, met boeken die de kinderen niet mochten lezen. Dat wil wat zeggen! Ik was nooit gaarne alleen op zolder, hoewel vaders duiven daar waren ondergebracht. Jarenlang heb ik gehoopt dat de postbode mij op een dag het beloofde pak uit verre landen zou brengen, maar nooit is die vurige wens vervuld... Zes of zeven jaar later bracht de briefdrager ons het bericht dat O.L. Heer niet gewild had dat nonkel Louis terugkwam. Hij was de eeuwige vrede ingegaan en lag begraven in het land der palmen en bananen.
    Dan eindelijk werd de kist geopend. De helft der boeken hadden de ratten helemaal opgeknaagd. Wat nog heel en leesbaar gebleven was, had voor mij noch voor de anderen enige betekenis: filosofie, theologie, Latijn, Les pensees de Mr. Oxenstiern enz. Ja toch, slechts een boekje was erbij, dat mij seffens bekoorde. Het was een toverboekje: Les secrets du Petit Albert.
    Daarin stond te lezen hoe men kon toveren, wat men doen moest om een meisje krankzinnig verliefd op u te maken, om plotseling onzichtbaar te worden, om rovers midden in een overval te verlammen en aan de grond te nagelen. Ik begon met de vrienden van het Lollepotstraatje deze geheimen te doorgronden. We gingen op zoek naar de koord van een gehangene, naar het hart van een maagdelijke vledermuis, naar het ei van een zwarte hen, die op de dertiende der maand op een vrijdag aan een wegkruising was doodgedaan, waarmee we een en ander konden teweegbrengen. Maar al die dingen waren niet te vinden.

    Ik herinner mij nog heel duidelijk dat ik in die dagen eens met mijn vrienden van het Lollepotstraatje ging wandelen naar het Papegaaienbos, als plots niet ver van ons een pistoolschot knalde. Bang en toch nieuwsgierig liepen wij er naartoe. Op een stoppelveld lag een heer met een pistool in de hand. In zijn rechterslaap was een klein zwart gat, waaruit bloed druppelde en waarop dadelijk een groene vlieg zoemend neerstreek. Zijn linkerbeen bewoog nog en wij liepen hals over kop naar de naaste hoeve. Onderweg zei een van de vrienden: 'Zouden we niet een weinig bloed meenemen om ons onzichtbaar te maken?'

    Zo kwam stilaan de tijd waarom men de vertellingen ook in de boeken wilde lezen. Een boekwinkel was er destijds in onze stad nog niet, maar er was een uitleenbibliotheek voorhanden, waar de volwassenen boeken konden halen. Op een zondagmorgen waagde ik mij er voor het eerst in. De boekerij bevond zich in een oud huis met een smalle trap. Het rook er naar schimmel.
    Een strenge oude heer met witte bakkebaarden drukte mij een oud versleten boek in handen:
    Op weg naar Frankrijk van Jules Verne. Ik voelde mij ineens geen kind meer. Ik las boeken uit de bibliotheek, ook al moest ik nog proberen de regels met de vinger te volgen.

    ꞌs Anderendaags wandelde ik fier met een boek onder de arm, gelijk ik dat bij de schoolmeesters gezien had, over de Begijnenvest... Daar kwam een lange magere man op mij af, aan wiens neus een helderblinkende druppel hing. Het was een leurder, die garen, lint en nestels verkocht. 'Manneken', zegde hij mij, terwijl hij met zijn arm de druppel afveegde, 'leest gij al in een boek? Ik kan niet lezen en toch lees ik in dit boek. Daarbij wees hij over het groene land. 'Ik vind mijn plezier daarin te lezen en altijd verder en verder te gaan, zonder einde.

    Maar 't liefst van al als er in de verte een beetje nevel hangt. Dan word ik triestig en ben ik blij omdat ik triestig ben...' Prenten, boeken en dingen van het dagelijks leven, alles hielp mij bij het vertellen : de werksters die bij ons thuis hun kant kwamen afleveren, de duivenmelkers die haast elke zondag bij mijn vader, die een beroemd duivenmelker was, samenhokten. Rijk en arm verdrongen zich, een katholieke miljonair en een socialistische borstelmaker, nonkel Soo die in de kerk zong, nonkel Gust die gevelschilder was, de vlaaikensbakker, twee beenhouwers, de barbier die nog altijd met twee vingers inzeepte en vele anderen. Ze zaten tot op de trap, rookten, vertelden en discuteerden over duiven en politiek, tot er plots een telegram uit Frankrijk kwam: Duiven om zeven uur gelost! Dan stoven ze allen holderdebolder naar huis.
    Omdat de kanthandel veel werk vroeg, werd ik als klein kind overdag meestal uitbesteed in de herberg In het Sneppeken bij vader Jan en moeder Lies. Het was een stille, zonnige herberg, gelijk De Braekeleer ze liefst schilderde, met gekleurde ruiten in de kast, appelsienschillen op jenever en rammenas op de toog. Alleen zondags kwam er volk. Daarom werden de maaltijden in de gelagzaal genomen en ook vader Jan had hier zijn werkplaats. Hij was kleermaker, een dikke bleke man met lang zwart haar en donkere priemende oogjes.
    Hij speelde bombardon in de grote harmonie. Wanneer er ergens in de stad een schandaaltje uitbrak, maakte hij er een liedje op. Ik heb hem nooit zien lachen, maar om eens hartelijk te lachen kwamen de mensen naar hem.

    Hij had zo een droge manier om de dingen geweldig overdreven te vertellen. Ik voelde mij daar zeer goed, vooral 's namiddags, als in het stadje een middeleeuwse rust heerste en vader Jan na zijn middagdutje weer als een Boeddha op zijn kleermakerstafel zat. Dan stelde hij mij de meest dwaze dingen in het vooruitzicht : schepen die vanzelf varen konden, poppen die de hele dag babbelden en dies meer. Voor iedere voorbijganger had hij meteen een spotrijm bij de hand. Ik hoorde hem altijd gaarne, als hij op zijn bombardon blies. Elke avond werd ik afgehaald en dan liet vader Jan nooit na een glazen trompet uit de kas te nemen en er voor mij een vrolijke afscheidsgroet op te blazen.
    Onder de kantwerksters die bij ons in en uitgingen, was er een die doorgaans Marie Liter werd genoemd. Het was een levenslustige vrouw met lange neus. Zij kende wel over de honderd liederen, meestal over jagers en jachtgodinnen of over nonnen die wegens een liefdesgeschiedenis uit het klooster waren weggelopen. Ook het vreselijke lied van Heer Halewijn kende zij en wist het zo dramatisch voor te dragen, dat ons de haren ten berge rezen, 's Winters vertelde zij altijd over spoken en heksen. Wanneer de wind de deur vaak op een spleet openduwde en ieder zwijgend toekeek, stond zij op en sprak met diepe stem in de bange stilte: 'Kom binnen, meneer de wind!' Dat was om van schrik omver te vallen.

    De schoonbroer van een vrouw, die voor ons dikwijls duiven plukte, was een tovenaar. Hij woonde buiten de stad. Omdat mijn moeder tamelijk veel aan de maag leed en pillen noch poeders hielpen, werd er ook de tovenaar bijgehaald. Hij gaf haar bittere kruiden te drinken, die in melk dienden gekookt. Deze man kon prachtig vertellen over al, wat hij in zijn beroep had beleefd. Hij sprak altijd heel snel, zonder punten of komma's. Ik bezocht hem gaarne en kon hem urenlang beluisteren. Toen hij korte tijd getrouwd was en geen werk vond, ving hij puiten in de weiden en verkocht kikkerbillekens in de stad. Op zekere dag werd hij door een zwaar onweer verrast en ging schuilen in een hoevetje. Daar zat een oude vent, die in een toverboek las en zo het onweer bezwoer. Het was een afgezette pastoor, die zich aan de zwarte kunst had begeven. Van de schoonbroer van de duivenplukster maakte hij een leerling en gaf hem raad en toverboeken. Sedertdien verdiende deze de kost voor vrouw en kinderen met overlezen en bezweringen, met de verkoop van allerhande zalven om mens en dier van de kwade hand te verlossen.

    Het zeldzame en krachtige Lanci-Christi-kruid wist hij te vinden en te plukken. Hij was danig fier op zijn beroep, maar omdat hij niet geleerd was, verstond hij dikwijls niet de betekenis van hetgeen hij in zijn boeken las. 'Ja, stoefte hij, ik ben de geleerdste man van zeven uren in den ronde met mijn verstand kan ik alle geleerden zo plat in het zand leggen dat ge nog geen schaduw van hen ziet de mensen denken dat de duivel zo groot is als een levend mens ach wat ze zijn nauwelijks groter dan een meikever en eens heb ik er honderdduizend van de berrie van mijn wagen met een zweep weggeslagen ik moet maar een woord zeggen en er komt een mandragoorke uit een kaske gekropen een ventje zo groot als mijn duim met vurige groene ogen dat op mijn schouder klimt en mij alle geheimen van de mensen vertelt als ik mijn hand op uw kop leg ziet ge Jupiter en als ik mijn hand omdraai zit het veld van mijn gebuur vol slakken.ꞌ Urenlang kon hij honderden mogelijkheden en trucs verzinnen. Een verbeeldingskracht die ik zelden ontmoet heb.
    In mijn familie was er nooit een kunstenaar geweest, uitgenomen wellicht mijn oudste broer, die goed op weg was een voortreffelijk kunstschilder te worden, maar door de omstandigheden werd belet.

    Hij schilderde veel en snel: landschappen, zeestukken en stillevens, vol zwier en stemming. Wanneer hij naar den buiten trok om ergens iets af te schilderen, was het altijd mijn grootste genoegen voor hem het schildergerief te mogen dragen. Onderweg en tijdens het werk maakte hij mij opmerkzaam op de schoonheid van de tinten en schakeringen van de natuur en spoorde mij aan eveneens te schilderen. Het stond dan ook voor mij vast dat ik schilder zou worden. Maar op een dag, nadat ik een boek van Conscience had gelezen, kreeg ik goesting zelf een verhaal te schrijven. Bij ons thuis vond men het prachtig en een van mijn broers toonde het aan een bevriend schoolmeester, die mij gelukwenste.
    Zo ervoer en schreef ik altijd nieuwe vertelsels en vond er mijn vreugde in.
    Ik ben begonnen met liefdesgedichten, driemaal achtereen met liefdesgedichten. Dan verhalen en novellen en eindelijk toneelstukken, epen, kritieken, romans en tragedies. Boven op mijn zolderkamer staat een oude rommelkas, waarvan de laden volgepropt zijn met alles wat ik in de loop der jaren geschreven heb. Daar ligt ook nog een drama in zeven bedrijven en zevenduizend verzen.

    Over zo'n groot werk kon ik mij geen eigen oordeel vormen, daarom stuurde ik het naar Hugo Verriest, de vriend en kenner van al wat schoon was, de beroemde leerling van de grootste Vlaamse dichter Guido Gezelle. 
    Hugo Verriest zag klaar in jeugdige zielen. Daarom verwachtte ik een scherp maar leerrijk oordeel. Na een jaar had ik nog altijd geen antwoord. Ik drong aan en dan kwam er een kaartje van hem, waarop hij mij zijn oordeel over het grote werk in twee woorden meedeelde. En die twee woorden luidden: Te lang!
    Ik heb dan vijf bedrijven geschrapt en de twee overgebleven in één bedrijf in proza versmolten. Intussen had ik Hugo Verriest gevraagd of ik hem een bezoek mocht brengen. Hij stemde toe. Het was alsof ik naar een koning ging. In die tijd droeg ik nog een hoge hoed en een baard. Toen ik door de velden stapte naar het dorpje waar Verriest woonde, vroeg ik onderweg aan een boerin de weg naar de pastorie. Ze bekeek mij even van kop tot teen en vroeg verschrikt: 'Maar meneer doktoor, is onze paster ziek?ꞌ Sedertdien heb ik geen hoge hoed of baard meer gedragen.

    Verriest had een lekkere fazant in de pot en nodigde mij aan tafel. Hij sprak, gelijk alleen hij dat kon, over de schone Vlaamse taal en het heerlijke Vlaamse volk. Over mijn stuk geen woord! En ik durfde er niet naar vragen, omdat ik vreesde daardoor de smaak van de fazant te bederven. Eerst als ik vertrekkensgereed stond, maakte ik een schuchtere opmerking. En dan zei hij: 'Er steekt geen ritme in uw personages. Een bos heeft zijn eigen ritme, of er een bries over streelt of de storm er doorheen raast. De zee heeft haar eigen ritme, bij zonneschijn, bij kalm weer, bij een orkaan. Het is altijd het geluid van de zee. Alles in de natuur heeft zijn eigen ritme, zijn oereigen onmiskenbare uitdrukking. Uw personages spreken altijd op eendere wijze, of zij kwaad, triest, blij of wanhopig zijn. Voor ons is een kudde schapen een willekeurige hoop, waarbij het ene schaap op het andere lijkt. Voor de herder is ieder schaap een apart wezen met zijn eigen trekken, kenmerken en gewoonten. Niets in het leven is volmaakt. Geen mens lijkt op een andere. Zo is het ook bij dier en plant, hoewel wij dat op het eerste gezicht niet willen geloven. Bij alles en allen ontbreekt ergens iets. En dat maakt juist de schoonheid van het leven uit, zijn humor.

    Het geluk bestaat uit duizend kleine dingen, waaraan altijd iets tekort is. Daarom niet treuren of pessimistisch zijn, dat is humor. Want de humor begint pas daar, waar er iets tekort is.' Zo ongeveer luidde de les, die Hugo Verriest mij gaf. En ik heb ze in mijn hele leven en in mijn kunst nooit meer vergeten.

    Pieter Bruegel heeft als eerste het menselijk tekort ontdekt. Hij maakte het zich eigen. En daarom straalt er van zijn met geweldige tragiek vervulde werk zulke vreugde uit.

    Men heeft dikwijls gezegd: Hoe kan Timmermans nu de geschiedenis van St-Franciscus schrijven? Hij is daarvoor te dik, hij heeft niets van de ascetische geest van de heilige. Wel als ik mijn ogen toedoe, heb ik iets van de franciscaanse armoede. Enige jaren geleden was ik op een feest, dat tot in de vroege uurtjes duurde. Het was intussen zondag geworden en ik ging meteen van de feesttafel naar de eerste mis, om dan de hele dag te kunnen uitrusten. Ik zette mij achteraan in de kerk, plaatste mijn hoed tussen de knieën en... sliep weldra in. Toen ze mij wakker maakten, lagen er veertien muntstukken in mijn hoed.
    Omgeving, landschap, religie, stad en mensen, zij helpen mee aan het werk van de dichter. Daarom heb ik mijn werkkamer zo gekozen, dat ik zoveel mogelijk van daaruit kan zien. Ik mag zeggen heel de stad komt in mijn kamer. Het edel schip van de gotische kerk drijft als een kostelijk galjoen op de baren van de rode daken, waaronder de mensen wonen.

    Onder de dunne, tweevinger-dikke dakpannen wonen de vertellingen der mensen. Zij vullen de huizen van de kelder tot de zolder, voedzaam als koren, droefgeestig als motregen of kostelijk riekend als appelen. Hun enige wens is verteld te worden. De meeste mensen raken ze dikwijls vluchtig aan, meestal met boos inzicht om de zondag of de avond dood te krijgen. Het is alsof ze weren dat ik naar hen luister, eerbiedig stilzit op hen wachtend, want de vertellingen der mensen moeten als zeepbellen behoedzaam behandeld worden. En zo komen ze in mijn kamer en vragen dat ik ze voortvertel. Ze komen uit de schouwpijpen, door de sleutelgaten, de keldervensters, ze zitten op mijn tafel in afwachting dat ik ze verder vertel. Maar ik schrijf ze niet zo aanstonds op. Ik moet er eerst over slapen, ze doordromen. De volgende morgen hebben ze dan wat van mijn bloed en mijn geest ingezogen en ben ik met hen één geworden. Zo worden zij de omhulsels, waarin ik mijn hart tonen of ook verbergen kan.

    ******

    08-11-2018 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-09-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pallieter wordt honderd jaar - Bertje Warson

    Pallieter

    Honderd jaar geleden in 1916 stuurde Felix Timmermans zijn  Pallieter de wereld in. Zijn sprankelende figuur werd een ode aan het leven en aan de Netestad.
    Zijn boek werd wereldberoemd en in dertien talen vertaald.
    Pallieter is op vandaag nog altijd dé inspiratiebron van Lier.

    In het Timmermans-Opsomerhuis, het museum van de Lierenaars, kan je het gigantisch oeuvre van Felix Timmermans, Raymond de la Haye, Renaat Veremans, Baron Isidoor Opsomer en Lodewijk Van Boeckel bekijken.
    Helaas maar voor even want de stad sluit dit museum in 2018.

    De kunstenaars verhuizen naar het Stadsmuseum in de Florent van Cauwenberghstraat.

    Pallieter wordt honderd jaar
    Ik zou moeten feesten
    en mijn klak van blijdschap
    de blauwe lucht in gooien

    Lachen en taart eten en ….
    Maar ik kan het niet
    ik kan het niet

    Mijn hart is droef
    droef van weemoed en verdriet

    Lang geleden vluchtte ik uit Lier
    voor een spoorweg
    met mijn witte huifkar
    de wijde wereld in…

    Nu word ik uit mijn huis
    het Timmermans-Opsomerhuis
    verbannen
    verbannen voor altijd

    Voor de tweede maal
    zal ik Lier verlaten
    en ditmaal voorgoed

    Het spel is nor de knoppe!...

    Mijn geestesvader Felix Timmermans
    creeërde en boetseerde mij
    blies mij adem in
    voor de mooiste stad van Vlaanderen
    en we zongen:

    Lier, Lier, ge meugt er zijn,
    Mé à Katozes, à Klozeplein,
    Mé à Begijnhof, à bloemekesvest,
    de Zimmertoren en al de rest.

    Lier, Lier, ga zagged mijn,
    zolfs als de Neet stinkt, meugder nog zijn.
    Stadje van voetbal, van vlokes en bier,
    ge meugter zijn Schoen Lier

    Mijn adem stokt…
    ik kan niet meer zingen
    want het hart van de Fé bloedt
    zelfs Got is er ziek van

    Ben aangedaan tot in het klokhuis van mijn ziel…”
    Waar is de ziel van Lier?
    de stad kreunt onder zoveel gepalaver
    zinloze zinnen zonder inhoud

    Ze zijn op zoek naar hét verhaal van Lier
    IK Pallieter ben het verhaal
    samen met vele Lierse kunstenaars

    Het Timmermans Opsomerhuis is ons huis
    ons Lier
    Oh land! Z’ ontnemen oe oeuw kroen!”

    Maar in de stad weerklinken stemmen van schilders,
    schrijvers en kunstenaars
    steeds luider en luider

    Hun woorden en daden glinsteren in miljoenen parels
    in de Nete die steeds komt en gaat

    Wie zal Schoon Lier bewaren?

    Door Bertje Warson - 2016

    **********

    06-09-2018 om 10:24 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    27-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Openingstoespraken - Timmermans-Opsomerhuis 1968

    Beste Lierenaars, Schapenkoppen en/of Pallieters...

    Lees hieronder de drie openingstoespraken die men heeft gehouden toen op 26 juni 1968 het Timmermans-Opsomerhuis plechtig geopend werd. Als je de teksten leest springen de  gensters van de fierheid in het rond. Helaas... het is nu anders.

    De toenmalige verantwoordelijke van de Stad Lier zullen zeker niet gedacht hebben dat 50 jaar later men de bedoeling heeft om het museum te sluiten. Om in de huidige context te blijven van het internationale nieuws, is het een feit dat zij die op dit ogenblik onderdak hebben nu de status van asielzoeker bekomen.
    Waar gaat men deze kunstenaars, die Lier op de kaart hebben gezet, dumpen?

    Het Timmermans-Opsomerhuis is een museum gelegen te Lier. Het museum is sinds 1968 gevestigd in het classicistische landhuis "De Groote Hofstadt" aan de Netelaan.

    Zij die het voor het zeggen hebben gaan dit sluiten en verkopen !!

    Het is wat de verzameling betreft een museum van de geschiedenis van het Lierse 19e- en eerste helft 20e-eeuwse cultuurleven. Het is gewijd aan het leven en werk van kunstenaars die in Lier leefden en werkten en is dan ook sterk verweven aan hun biologische patrimonium, waaronder:
    Felix Timmermans (1886-1947): werk in verschillende uitgaven, vertalingen, tekeningen, etsen, brieven, manuscripten, foto's, drukproeven, personalia, schilderijen, literatuur over leven en werk.
    Isidoor Opsomer (1878-1967): schilderijen, tekeningen, etsen, brieven, foto's, literatuur  over leven en werk, personalia.
    Raymond de la Haye (1882-1914): schilderijen, tekeningen, etsen.
    Flor Van Reeth (1884-1975): schilderijen, tekeningen, documenten, foto's.
    Renaat Veremans (1894-1964): documenten, personalia.
    Anton Bergmann (1835-1874): werk in verschillende uitgaven, vertalingen, brieven, manuscripten, drukproeven, personalia.
    Lodewijk Van Boeckel (1857-1944): smeedwerk.
     


    Akademische zitting Timmermans-Opsomer
    Hulde - Museum

    Door Burgemeester Breugelmans - Lier 29/6/1968

    De aanwezigheid van de talrijke prominente personaliteiten bij de hulde die de stad Lier thans brengt aan twee van haar grootste kunstenaars, spreekt voldoende voor de ware betekenis van deze plechtigheid. Het gaat hier inderdaad niet over een zuiver lokale of regionale aangelegenheid. Als wij de eer hebben hier in ons midden te mogen begroeten de hoogste instanties uit de politieke wereld van ons land met naast zich de talrijke vertegenwoordigers uit de cultuur en kunstwereld, dan zie ik daarin het sprekend bewijs dat zij er aangehouden hebben zich aan te sluiten bij het huldebetoon dat de Lierse bevolking brengt aan twee van haar roemrijke ambassadeurs, die de faam van Lier, maar ook de roem van het Vlaams kunst- en Cultuurleven hebben rond gedragen ver buiten 's lands grenzen, ja tot in alle hoeken van de wereld.

    Wij heten U van harte welkom en danken U om de luister die U deze plechtigheid bijbrengt, om de eer die U betuigt aan Baron Opsomer en Felix Timmermans, aan de families Timmermans en Opsomer, aan de Stad Lier en aan heel de Lierse bevolking.
    Meteen vernoem ik hier de namen van de personaliteiten die zich lieten verontschuldigen!

    Mevrouwen,
    Mijnheren,

    Ik ga me niet wagen op het terrein van de kunstcriticus om U de waarde van Timmermans als letter kundige, tekenaar en schilder, en van Opsomer als kunstschilder te verduidelijken. Daarvoor deden wij beroep op mensen die hier met alle gezag en kennis daarover kunnen oordelen en die we seffens mogen beluisteren.
    Ik wil enkel onderlijnen wat Timmermans en Opsomer voor ons Lierenaars betekenen, en wat Lier aan beide kunstenaars verschuldigd is.


    Isidoor Opsomer en Burgemeester F. Breugelmans

    I.
    Op 21 oktober 1965 werd Baron Opsomer hier gehuldigd, ter gelegenheid van zijn 85ste verjaardag. Hij is ons ontvallen te Antwerpen op 31 mei 1967. Wij herhalen thans in piëteitsvolle herinnering postuum, de gevoelens van hulde, waardering en dank die wij de kunstenaar toedragen. Wat mij bijzonder is bijgebleven van mijn herhaalde bezoeken aan Opsomer de laatste jaren - en die bezoeken werden telkens door hem gerokke tot een stuk in de nacht – dat was zijn gemoedelijkheid, zijn liefde voor en zijn heimwee naar Lier, zijn interesse voor de kleine details in zijn geboortestad. Want al woonde en werkte hij het groot deel van zijn leven te Antwerpen toch heeft hij in zijn geest heel zijn leven te Lier en met Lier "zijn echte thuis'' geleefd.

    Welke hartstocht konden wij ontwaren - ook in zijn doffe, lijze stem de laatste jaren als hij het had over " het specifieke Lierse blauw " dat als het"Opsomer blauw '' vereeuwigd zal blij ven op onze Begijnhofpoorten. Hij is de grote poëet van het Lierse koleur " vertelt Timmermans over hem en verder waar de acteur het heeft over dat pronkerig vaasken met dat Liers tuiltje van kunstenaars, gaat het verder altijd Opsomer bedoelend " over hem wat meer, omdat hij het meest, het beste, het echte Lier vertolkt en vertegenwoordigt."
    Zeker is het dat zijn geboortestad hem menigmaal geïnspireerd heeft bij kunstwerken waarmee hij zijn wereldfaam gevestigd heeft. Ik heb zoveel succes gekend dat het me thans onverschillig laat zegde hij. Schilderen was zijn roeping en toch vond hij schilderen zo moeilijk. Hij leefde voor zijn kunst.

    ''Het geluk te kunnen schilderen betekende voor Opsomer meer dan roem, eer, relaties en onderscheidingen " lezen wij over hen. Maar Lier deelt in de wereldfaam die Opsomer ons heeft bezorgd door zijn werk en door zijn naam.

    II.
    En Timmermans! Hij hield hartstochtelijk van zijn geboortestad, waaraan hij - naar zij zeggen - alles te danken had. Timmermans die ook niet wist wat de hemel is, maar die wenste dat het een Schoon Lier zou zijn. Met zijn Schoon Lier heeft hij de poorten van onze Stad opengesteld voor honderd duizenden bewonderaars en heeft hij samen met zijn vriend Louis Zimmer, de basis gelegd voor het toerisme in onze stad die eens in 1968, door toedoen van Minister Piers tot "Toeristische Richtstad" zou worden uitgeroepen. Timmermans was de kunstenaar met het groot hart voor de mens.
    Waar ook ter wereld heeft hij zijn kunst toegankelijk gesteld op de eerste plaats voor de simpele mensen uit de straat. Millioenen onder hen heeft hij door zijn boeken weten te begeesteren, en ook nu nog doet het goed aan het hart in de drukte van het zwoele dagelijks gejoel zich te kunnen laven aan frisse, de gulle, gemoedelijke diepmenselijkheid, die opborrelt uit elke bladzijde van Timmermans' werk.

    Ook voor zijn Lierse mensen is hij steeds goed geweest, alhoewel hij niet altijd door iedereen naar behoren gewaardeerd werd. En nu beleven wij het moment, dat ik reeds zo lang heb betracht, maar waartoe de geschikte gelegenheid zich tot nog toe niet aanbood: om in een plechtige vergadering als deze in bijzijn van zoveel Eminente personaliteiten, in mijn hoedanigheid van burgemeester van da Stad, in naam van de Lierse Gemeenteraad en als vertegenwoordiger van heel de Lierse bevolking :
    Aan Felix Timmermans de hulde te brengen die hem toekomt en hem de erkentelijkheid te betuigen voor de onschatbare diensten die hij bewezen heeft als kunstenaar van wereldformaat en ook als mens, aan zijn stad. aan zijn Lierenaar, aan het Vlaamse volk, aan de Nederlandse Cultuur en aan de wereld Cultuur.

    Diezelfde hulde en erkentelijkheid betuigen wij aan Kunstschilder Baron Is. Opsomer voor het grote aandeel dat hij had bij het vestigen van de Lierse kunstfaam.
    Reeds vroeger hebben wij er voor gezorgd dat het portret van Timmermans geschilderd door Baron Opsomer een ereplaats werd voor behouden op ons Stadhuis.
    Vandaag hebben wij die doorlopende hulde aan bei
    de kunstenaars in woorden willen verklanken. Moge het Timmermans-Opsomerhuis dat we thans hebben ingehuldigd het succes kennen, dat wij er terecht van verhopen.

    Moge het voor de komende generaties uitgroeien tot een levende getuigenis van schoonheid en cultuur een voorwerp van fierheid en gehechtheid aan onze stad.

    ****

    27-08-2018 om 11:30 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    26-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Toespraak Artur Lens Archivaris - 1968

    OPENING VAN HET TIMMERMANS-OPSOMERHUIS

    (Verschenen in : 't land van Rijen - cultureel Liers tijdschrift.      Jaargang 18 – 1968.)

    Door Arthur Lens -Stads-archivaris Lier
    Onder voorname belangstelling werd op 29 juni 1968 het Timmermans-Opsomerhuis geopend. Burgemeester Dr. Breugelmans zag in de talrijke opkomst van personaliteiten en kunstenaars een blijk van waardering voor het initiatief dat de stad had genomen, maar ook voor het werk van deze twee grote Lierenaars. Het lag niet in de bedoeling van het stadsbestuur van het Timmermans-Opsomerhuis een museum te maken, maar men beoogde een representatief beeld te geven van wat Timmermans en Opsomer voor Lier hebben betekend.

    Dankwoorden gingen naar allen die van dicht of van ver aan deze verwezenlijking hebben medegewerkt en aan de kunstkring 't Konvent, die een zaal inrichtte over Timmermans en het Liers begijnhof.
    Mevr. Felix Timmermans en Mevr. W. Opsomer knipten respectievelijk de linten door van de galerijen waarin de werken van beide Lierenaars werden ondergebracht. De Opsomer-galerij biedt een grote verscheidenheid van het massale oeuvre van deze grote Lierse kunstenaar. Zijn atelier is zo getrouw mogelijk in het complex gereconstrueerd. De Timmermans-zalen brengen een overzicht van de Fé zijn enorme veelzijdigheid. Naast zijn boeken, vertalingen e.z.m. wordt bijzondere aandacht besteed aan Felix Timmermans als boekillustrator en plastisch kunstenaar. Zijn werkkamer, met de voor de Fé veelzeggende souvenirs, wordt in deze zalen eveneens gereconstrueerd.

    In het stedelijk museum werd daarna de akademische zitting gehouden welke opgeluisterd werd met kamermuziek o.l.v. de heer J. Van Looy, directeur van de stedelijke muziekacademie. Burgemeester Dr. Breugelmans belichtte hoe Timmermans en Opsomer de faam van Lier tot ver over de grenzen hebben uitgedragen. ''Baron Opsomer is in hart en ziel Lierenaar gebleven, want al woonde en werkte hij het groot deel van zijn leven te Antwerpen, toch heeft hij in zijn geest heel zijn leven te Lier en met Lier '' zijn echte thuis" geleefd...
    Schilderen was zijn roeping... Het geluk te kunnen schilderen betekende voor Opsomer meer dan roem, eer, relaties en onderscheidingen... Lier deelt in de wereldfaam die Opsomer ons heeft bezorgd door zijn werk en door zijn naam."

    ''Felix Timmermans hield hartstochtelijk van zijn geboortestad, waaraan hij, naar zijn zeggen, alles te danken had. Met zijn ''Schoon Lier" heelt hij de poorten van onze stad opengesteld voor honderdduizenden bewonderaars... Timmermans was de kunstenaar met het groot hart voor de mens... Ook voor de Lierse mensen is hij steeds goed geweest, alhoewel hij niet altijd door iedereen naar behoren werd gewaardeerd... Nu beleven wij het moment dat ik reeds zo lang heb betracht om in een plechtige vergadering als deze, in bijzijn van zovele eminente personaliteiten, in mijn hoedanigheid als burgemeester van de stad, in naam van de Lierse gemeenteraad en als vertegenwoordiger van heel de Lierse bevolking aan Felix Timmermans de hulde te brengen die hem toekomt en hem de erkentelijkheid te betuigen voor de onschatbare diensten die hij bewezen heeft als kunstenaar van wereldformaat en ook als mens, aan zijn stad, aan zijn Lierenaars, aan het Vlaamse volk, aan de Nederlandse cultuur en aan
    de Wereldcultuur."

    De heer Walter Vanbeselaere, hoofdconservator van het Kon. Museum van Schone Kunsten te Antwerpen, sprak vervolgens over Opsomer. Het drama van de kunstenaar was volgens hem het feit dat hij tot zijn 50 jaar heeft moeten wachten om de erkenning als portretschilder te kunnen afdwingen. Zijn laatste jaren werd hij gekweld door de vraag of zijn werk zou blijven leven. Niemand, ook de eenzame vechter niet die hij was, kon deze vraag beantwoorden. Hoe dan ook, Opsomer heeft nooit enige toegeving gedaan ten opzichte van de artistieke wereld, noch ten opzichte van zijn cliënteel.
    Hij kon het portret tot leven brengen. Bloemstukken lieten hem zijn vreugde om kleuren uitzingen en als hartstochtelijk zeiler nam hij de gelegenheid te baat om riviergezichten op doek te brengen. Hij heeft nu zijn robuust mannelijk werk overgelaten aan de enige rechter die een rechtvaardig oordeel kan vellen, namelijk de tijd.

    De heer Drs José De Ceulaer wees op de letterkundige waarde van Felix Timmermans. Het aantal vertalingen van zijn werken, de oplage en de verkoopcijfers ervan, bewijzen overtuigend dat Felix Timmermans zijn betekenis en waarde behouden heeft voor de lezers van gisteren en vandaag. Hij schreef impressionistisch toen het expressionisme doorbrak. Hij stond apart, zoals Multatuli apart stond en zoals L.P. Boon apart staat. Net als zij had hij een persoonlijke stijl die naar het stijlloze toeging.
    Zijn werk had altijd een meer lyrisch dan episch karakter en er was nooit een strenge gebondenheid in de vorm van zijn werk. Hij schreef niet over zijn eigen tijd, zijn werk was niet tijdgebonden. Het paste nooit bij het patroon dat in de mode was. Daarom werd hij door velen genegeerd en miskend, maar het bereikte niettemin een ruim lezerspubliek, omdat het geladen is met poëzie en een gevoelswarmte uitstraalt die de lezer gelukkiger maakt. Daarom heeft het zijn waarde en betekenis behouden.

    De heer Hubert Lampo, afgevaardigde van de minister van de Nederlandse Cultuur, zei dat Timmermans en Opsomer allebei een onuitwisbare stempel hebben gedrukt op hun tijd. ''Opsomer's carrière was een réussite zonder weerga, die zelfs tot de status van hofschilder leidde... In het historisch perspectief van Opsomer's tijd wordt meestal de nadruk op de school van de Latemse expressionisten gelegd. Het was een geniale generatie. Het zou echter onrechtvaardig zijn, geen rekening te houden met een talent bij de genade Gods dat, afzijdig van toonaangevende stromingen in een serene, hyperindividuele zelfuitdieping stralend tot ontplooiing kwam.
    Ook Timmermans was een alleenloper. Ofschoon door de toenmalige kritiek niet steeds op zijn echte waarde geschat, genoot hij als schrijver het ontzaglijke voorrecht zijn status minder afhankelijk te zien van een beperkte kring van zogenaamde deskundigen, dan van een tot in de honderdduizenden reikende lezersschaar in binnen- en buitenland...
    Ook vandaag wordt er nog geaarzeld, doch niettemin is het ogenblik nabij, waarop de meest-veeleisenden onder ons het laatste scepticisme zullen afleggen tegenover een genie zonder precedenten en ook vandaag de dag zonder gelijken."

    Als slot van deze geslaagde academische zitting besloot spreker : ''In onze huidige culturele constellatie is het Lierse Timmermans-Opsomerhuis een tot dusver onvoorstelbaar unicum, waarvan men slechts in het buitenland de weerga aantreft."

    ******

    26-08-2018 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Toespraak Hubert Lampo - 1968

    Openingsplechtigheid van het Timmermans-Opsomerhuis
    op zaterdag 29 juni 1968

    Rede, door de heer Hubert Lampo - vertegenwoordiger van de heer Minister voor de Nederlandse Cultuur - als slotwoord uitgesproken op de Akademische Zitting in het Stedelijk Museum.

    Geachte,
    Langs een vrij ingewikkelde omweg bereikte mij gisterenavond het bericht, dat mij de eervolle plicht te beurt viel, op deze plechtigheid mijn Minister te vertegenwoordigen.
    Op dat ogenblik wist ik niet, wat de heer Minister voor Cultuur er toe verplichtte, met ongetwijfeld ontzaglijke spijt, verstek te laten gaan. Toch ben ik zo vrij hier, op eigen gezag doch niettemin zonder enige kans op vergissing, te verklaren dat de man, die het Departement voor Cultuur onder zijn bevoegdheid heeft, vandaag, ongetwijfeld voor het eerst in zijn loopbaan aan de top, de weemoed kent van een hem door onvoorziene omstandigheden opgedrongen situatie.

    Voorwaar, ik mag niet lichtzinnig het oor lenen aan de neiging van de romanschrijver om de psychologische gesteldheid van anderen in te leven. Maar er is ook het gezond verstand. Het staat als een paal boven water, dat de heer Minister bij ons had willen zijn, niet alleen om zijn genegenheid te betuigen voor dit nobele Lierse initiatief maar eveneens omdat niet alleen voor de nieuw aangesteld gezagdrager, doch ook voor de mens, die hij is, een bijeenkomst als deze tot de uitzonderlijke, gulden stonden behoort, waarin om zo te zeggen tastbaar de ontroerende osmose gestalte verwerft tussen de verantwoordelijke op het hoogste vlak, de mensen van goede wil, die de handen op eigen initiatief aan de ploeg sloegen, - in casu het Lierse gemeentebestuur, - en, doorheen de op concrete wijze gehuldigde kunstenaars, ons ganse Vlaamse volk. Neen, twijfel er niet aan, in gedachten is de Minister aanwezig op deze manifestatie, die zo volkomen tot de wereld behoort, welke reeds jaren, maar meteen ook dagelijks, zijn hart vervult : het uitdragen van de cultuur in haar zuiverste, van demagogie verstoken vorm, naar de ganse gemeenschap in de geest van een democratische participatie, waarbij de overheid niet aarzelt haar verantwoordelijkheid op te nemen.

    Ondertussen is de man, die voor u staat, helaas, slechts een plaatsvervanger. Ieder plaatsvervanger is een slecht plaatsvervanger. Wat mij betreft is de situatie méér dan bedenkelijk, Toen mij destijds, als auteur, als particulier dus, een dan toch vererende plaats in het comité voor het Timmermans-Opsomerhuis werd aangeboden, heb ik geestdriftig toegezegd. Op het moment dat de eerste vergaderingen gehouden werden moest ik mij wegens bijzonder drukke bezigheden excuseren. Ronduit gezegd durfde ik mij daarna niet meer op de werkvergaderingen aanmelden. Voor dit menselijk tekort, waaraan inmiddels geen, zij het misplaatste schroom vreemd was, bied ik de betrokkenen mijn verontschuldigingen aan. Onmogelijk kon mijn Minister vermoeden, - doch ik ben er hem in elk geval onuitsprekelijk erkentelijk voor - dat hij mij, door de taak van plaatsvervanger te elfder ure aan uw dienaar toe te vertrouwen, een onverhoopte kans op rehabilitatie in de schoot placht te werpen.

    Hoe dan ook, onmiddellijk vervulde het project van een blijvend, als museum opgevat monument voor twee grote, internationaal-befaamde zonen van Lier, mij met oprechte geestdrift. Of men het u ooit boudweg gezegd heeft, geachte toehoorders, weet ik niet. Weest zo vriendelijk het mij ten goede te houden, doch het is nu éénmaal zo, dat men wel eens de Lierenaren een zekere tegendraadsheid meent te moeten verwijten. De Antwerpenaar, die het woord tot u richt, is er zich ten volle van bewust, dat men dergelijke dooddoeners maar best onverschillig naast zich neerlegt. Diezelfde Antwerpenaar weet immers maar al te goed hoe vaak men ons de barokke zelfspot, deze door timiditeit ingegeven repoussoir voor tedere mildheid en emotionele kwetsbaarheid van mijn stadsgenoten, als een uiting van zelfingenomenheid en hoogmoed ten kwade duidt. Daarom valt het mij zo gemakkelijk de vermeende Lierse tegendraadsheid doorheen het onontbeerlijke, zo subtiel mogelijke perspectief tot een meer betrouwbare psychologische ontbinding in factoren om te zetten. De na een dergelijke bewerking overgehouden factoren noem ik : waardig individualisme, trouw aan een verleden, dat reikt tot de middeleeuwse vrijheidsdrang onzer gemeenten als eerste exponenten van een zijn weg zoekend democratisch streven, zelfrespect en trots op eigen aard in onze tijd, wiens nivellerende, ja, verbasterende tendensen onmiskenbaar de dynamische krachten van onze eigengeaarde congenitale volkskracht bedreigen.

    Als dàt geachte vergadering, uw tegendraadsheid is, dan zeg ik : leve die Lierse tegendraadsheid. Het is de tegendraadsheid van hen, die weten wat dankbaarheid en erkentelijkheid betekenen. Bij die vermeende tegendraadsheid voegt zich daarenboven nog iets méér. De Lierenaars zijn realisten. Geen realisten echter in de ontluisterende zin des woords. Ik zou hen realisten op het gebied van de liefde willen noemen. Waarmee ik bedoel, – afgezien van het feit dat het in Lier goed vrijen moet zijn - dat hun realisme, dat hun nuchterheid hen behoedt voor platonische, uiteraard goedkope want slechts op woorden drijvende betuigingen van erkentelijkheid. Op zekere dag b.v. vergewist men er zich in lier van, dat er daar een geniaal uurwerkmechanicus woont.
    In de meeste van onze steden, zo niet in alle, zou men, na zulks geconstateerd te hebben, tot de orde van de dag overgaan. Niet te Lier ! In plaats van neerbuigend te glimlachen om zo'n vreemde knutselaar, stelt men hem zomaar op zijn minst een ganse toren ter beschikking, opdat hij, ongecomplexeerd en onbelemmerd, zijn spel met de tijd, met de mysterieuze Chronos, zou kunnen botvieren, wat er finaal op uitloopt dat hij, door middel van bewonderenswaardige raderwerken, het mysterie van de ons omringende kosmos tot zichtbare equaties uitbalanceert. Kan men zich een indrukwekkender voorbeeld van realiteitszin en poëtische verhevenheid voor de geest roepen ?

    Vandaag werd het Timmermans-Opsomerhuis geopend.

    Zeker. Als bakermat van twee onzer grootste kunstenaars heeft de Nethe-stad op het stuk van de artistieke erfelijkheidsleer geluk gehad. Anderzijds zal niemand het betwisten, dat er ook elders in Vlaanderen grote schrijvers en schilders het levenslicht aanschouwden. Men kan hun geboorteplaats in een encyclopedisch woordenboek opzoeken. Soms kregen zij een nietszeggende gedenksteen in het huis waar zij ter wereld kwamen. Of een zerk in het erepark van een kerkhof. Een meer romantisch voorgeslacht dacht nog aan een standbeeld of een monument, met of zonder schaars geklede muze er naast. Vandaag de dag zijn dat kennelijk hindernissen voor het verkeer. Time is money, het leven gaat voort, artiesten zijn geen economische waarden, nietwaar, Paul Van Ostaijen, Floris Jespers, Willem Elsschot en al die vele andere dwazen, beroemde en geprezen artiesten, ach ja, maar toch ergens kerels van verdacht allooi, nietwaar ?

    Tegen deze mentaliteit is het dat een kleine, dromerige stad als Lier "neen" heeft gezegd. Voor mijn part uit tegendraadsheid. Doch ook van uit een diep en realistisch gevoel van eerbied voor zichzelf, zoals het een stad betaamt, die reeds met Anton Bergmann voorgoed op luisterrijke wijze de Nederlandse literatuurgeschiedenis is ingegaan.

    Men begrijpe mij niet verkeerd.
    Ofschoon ik het noodzakelijk acht er op te insisteren, dat men overal in dit land een grotere erkentelijkheid aan de dag zou leggen voor de kunstenaars, die er de grootheid van hebben bewerkt, is het onweerlegbaar zo, dat men hier te Lier een uitzonderlijk gunstige samenloop van artistieke omstandigheden heeft kunnen valoriseren voor de mensen van vandaag en morgen. Zowel Isidoor Opsomer als Felix Timmermans hebben een onuitwisbare stempel op het artistiek klimaat van hun tijd gedrukt. De mij voorafgaande sprekers hebben zulks voldoende duidelijk voor u gemaakt. Het is overbodig dat ik hun voortreffelijk betoog op mijn manier parafraseer. Niets weerhoudt er mij inmiddels van, nog even de aandacht op het verschijnsel te vestigen, dat zij exponenten zijn van het trotse Lierse individualisme, waarop ik daarstraks reeds zinspeelde.

    Opsomer' s carrière was een réussite zonder weerga, die zelfs tot de status van hofschilder leidde, zoals uit zijn portretten van o.m. Koning Albert blijkt. Nooit echter heeft deze Lierse dwarskop zich tot artistieke toegevingen laten dwingen. Ook wanneer hij de groten dezer aarde uitbeeldde was het duidelijk een kwestie van buigen of barsten voor het model. Hij portretteerde een koning, voor wie hij als mens blijkbaar een grote en overigens begrijpelijke sympathie koesterde, doch meteen hoorde die koning ook tevreden te zijn met de penetrante psychologische visie, waartoe hij de artiest inspireerde. In het historisch perspectief van Opsomer' s tijd wordt meestal de nadruk op de school van de Latemse expressionisten gelegd. Het was een geniale generatie. Het zou echter, bij het overschouwen van Opsomer' s carrière, een schromelijke onrechtvaardigheid zijn, geen rekening te houden met een talent bij de genade Gods dat, afzijdig van toonaangevende mode-stromingen en actuele kapelletjes, in een serene, hyperindividuele zelf-uitdieping stralend tot ontplooiing kwam.

    Ook Felix Timmermans was een alleenloper. Ofschoon door de toenmalige critiek niet steeds op zijn rechte waarde geschat, genoot hij als schrijver het ontzaglijke voorrecht zijn status minder afhankelijk te zien van een beperkte kring van zogenaamde deskundigen, dan van een tot in de honderdduizenden reikende lezersschaar in binnen- en buiten land. Destijds plachten onze Vlaamse minderwaardigheidscomplexen ons op grond van Timmermans' succes met achterdocht te vervullen. Het mij voorafgaande geslacht ontwaarde blijkbaar niet het onderscheid tussen zijn einmalige genialiteit en het door het betere doorsnee-talent op te brengen intellectualisme en toenmalige pseudo-kosmopolitisme. Ook vandaag wordt er nog geaarzeld en gemeesmuild, vrees ik. Doch niettemin is het ogenblik nabij, waarop ook de meest-veeleisenden onder ons hun zerpe frustratiegevoelens zullen afleggen tegenover een auteur van wie zelfs de gebeurlijke tekortkomingen facetten zijn van een genie zonder precedenten en ook vandaag de dag zonder gelijken.

    In onze huidige culturele constellatie is het Lierse Timmermans-Opsomerhuis een tot dusver onvoorstelbaar unicum, waarvan men slechts in het buitenland de weerga aantreft. De grootsheid en de internationale faam van de gehuldigde Lierse kunstenaars verheft het boven alles, wat naar het "esprit de clocher" zou kunnen zweven.

    Zonder overdrijving noem ik deze, in geen geval met provincialistische navelkijkerij te verwarren plechtigheid, een mijlpaal op onze moeizame, doch zegezekere weg naar een niet meer te stuiten Vlaamse aanwezigheidspolitiek in het door internationale osmose geconditionneerde Europa van een zeer nabije toekomst.

    *****

    26-08-2018 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    25-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Timmermans als Schilder en Etser - Eloris Van Reeth

    Timmermans als schilder en etser.

    Uit De Kroniek; geïllustreerd maandblad voor Noord- en Zuisnederland  jgr 7  -  01/07/1921

    Door Eloris Van Reeth

    't Was op een avond te Kortrijk, in een gezelligen famieliekring, dat de "Fée" zooals wij hem noemen als hij aan ꞌt vertellen gaat, de verschillende typen teekende, waarover het geestige verhaal ging. De waard en de waardin schokten van 't lachen, anderen proesten het uit in luid gegichel, terwijl de bijkomende gedurig om meer vroegen. — Dus, hoe meer hij al teekenend vertelde, des te raker en geslaagder het werd! De verschillende typen, die ik ook dus wel kende, defileerden om ter sappigst een voor een op het zwarte bord. Ik kon het wondere verschijnsel, die spontane veropenbaring niet te boven komen. Ik dacht dat ik droomde en om mij zelf nog meer te overtuigen van wat ik daar zag, vroeg ik met anderen ook om meer. Ik drong aan om typen, die ik moeilijk dacht om zoo maar neer te kletsen, zooals hij tot nu toe was bezig geweest. Ja maar, met telkens een gebaar van een-twee-drie kwam zijn verborgen talent eens te meer te voorschijn. — Tot het klassieke "kunt gij mij eens teekenen?", uit den hoek kwam. — Raf ! het stond er. — "En mij? " Het geleek! "En mij? " — nu ditmaal was het te slagend ! En zoo geraakten wij naar de kleine uurkens van den schemerenden morgen, al gichelend, gibberend en lachend dat het met luide galmen tegen muren en zoldering botste. Het was geestig en wij voelden ons als echte ridders eener plezante Vlaamsche vreugde.

    Zoo gebeurde het en daar bleef het bij. Eene natuurlijke gebeurtenis. Akademie of andere teekenschool, dat stond voor Timmermans als buiten zijn horizont. Daaraan dacht hij niet. Hij had daar geen behoefte aan en zonder de minste aanwijzing noch eenige teekenles ging de jonge kunstenaar zijn eigen gang, natuurlijk alles gezond beziende met een diep nagaan zooals niemand dat deed. En zoo werkte hij met den tijd, stillekens aan. Telkens ik hem kwam bezoeken, zag ik op zijne studietafel de eene of andere typieke kleine schets liggen.
    Het was altijd eene uitdrukking op eene manier zooals het niemand anders zou wagen te doen. Het waren simpele gebeurtenissen uit het leven gegrepen. Ik stond telkens paf voor dat koddige uitdrukken, die eigenaardige manier van dat zoo naïef-weg teekenen. Soms kon ik dan ook niet gelooven, dat het van zijne hand was, omdat het zoo schoon en echt was uitgedrukt.

    In eens, als bij tooverslag, kwam het succes van zijn tweede boek "Pallieter." Overal bonsden er als feestklokken om hem heen. Het was een bijval, zelden in de letterkundige wereld gezien, het was "Het Succes" !!
    Nu stond ik als geslagen. En de schilderij? Waar blijft de schilder, mijmerde ik. Toch waren er wederom van die geheimzinnige teekeningskens in het beroemde werk bijeen gekrabbeld, die mij dadelijk troffen.
    Maar, ongelukkig, waren wij toen ver van malkander. Het was de domme oorlog, die ons zoo onmeedoogend vaneen had gescheiden. Naderhand kwam de zegentocht in Holland en zoo meer.

    En, boek na boek, kwam zoo maar uit. "Het Kindeke Jezus in Vlaanderen," de tweede uitgaaf der "Schemeringen van den dood" de "Begijnhofsproken" die allen besausd waren met tafelreeltjes, door zijne kunst geïllustreerd.
    Het toppunt dier typieke teekenkunst is te zien in zijn boek "Boudewijn." Nu... komt hij er boven op, dacht ik.
    Ik snakte naar het oogenblik om hem te kunnen spreken, het hem nu eens te zeggen wat ik al zoolang gedwongen had gezwegen en zoo sterk voelde. Eindelijk kwam dat nooit te vergeten oogenblik, het was het blijde wederzien.
    Het was geweldig. Ik kreeg dan te zien de afgebeelde sterkwaterplaten. "De bekoring van Beatrijs," "Het zieke paardje," "De Herder," en zoo meer, te veel en te lang om op te noemen. Heel schuchter en als door een kind gevraagd, polste hij mijne verwondering. "Zou ik durven voortgaan ?.....

    Het oogenblik was nu plechtig voor mij. Het was als een ontwaken voor hem, toen ik hem begeesterd vertelde wat ik jaren en jaren in mij droeg. En niet zonder aandoening, samen gezeten in zijne schemerende studiekamer, bespraken wij de toekomst. Die toekomst dus, is nu werkelijkheid aan ꞌt worden. Als een geweldig "hoerra" botsen en borrelen er om ter meest doorvoelde tafereelen van uit zijn schildersgemoed op doek en papier. Slag op slag komen er nu teekeningen met bliksemsnelheid op het papier gebibberd en verschijnen er schilderijen als visioenen op het doek gesmeerd.
    Het is onuitputbaar, wat ik van hem reeds heb gezien, sinds dien aangehaalden plechtigen avond. Hoopen van onderwerpen, stof voor meer dan voor een menschenleven! Het tuimelt van uit zijn penseel of potlood en al lachende met gesloten oogen ziet hij als een visioennair de tafereelen voorbijschuiven. Hij hoeft enkel aan dien eindeloozen stoet halt toe te roepen om het dan gauw op papier of doek te zetten. En zoodoende teekent hij met pastel of enkel met zwart krijt — of griffelt hij het op eene plaat — of schildert hij het met olie of waterverf naar gelang het eerst onder de hand valt.
    Als schilder noem ik hem eene kracht met heel de syntethieke visie in hem onzer XVe en XVle eeuwers.

    Velen zullen deze teekeningen en schilderijen al monkelend bedien en het misschien uitmaken voor te overdreven komiek.
    Ongelukkig voor hen die het als caricatuur opnemen. Zij zijn totaal mis, zij vergissen zich.
    Die schilder-en teekenkunst berust niet op caricatuur en heeft er niet het minste mede te maken. Het is geen spotgeest, het algemeene van zijn werk is mystiek.
    Wie zou durven beweren dat volgende aanhalingen bespottelijk zijn. "Uwe kleederen, komende uit ivoren kassen, rieken naar mirre, aloë en kaneel: hetgeen de dochters der koningen opgewekt heeft om U te verheugen in uwe eer." — En verder." — Ik ben zwart maar schoon van gedaante, o dochters van Jerusalem: daarom heeft de koning mij lief gehad en mij geleid in zijne slaapkamer." — En nog. — " Hij zal zijn woord uitzenden en ze doen smelten, zijn wind zal waaien en de wateren zullen vloeien."
    En hier. — "Gelijk een gespeende zuigeling bij zijne moeder, zoo moet mijne ziel haar loon ontvangen " enz. enz.

     

    Dit schrijf ik letterlijk over uit het getijdenboek onzer stille begijnen, die dagelijks die mystieke zinnen namommelen en hunne ziel verlichten door hunne verbeelding als een vlinder te laten rond dwarrelen in de gouden eindelooze voorhoven van den Vrede. Die stille kinderen Begga's zien dan ook door die soort gymnastieke geestelijke verbeelding toestanden en visioenen die een mensch, die niet kontemplatief van aard of geestelijk aangelegd is, niet ziet, erger nog, niet zien kan.
    Het is dan ook door zulken tooverachtigen bril gezien dat Felix Timmermans zijne onderwerpen behandelt.
    Kalm en als een stilstaande witte vijver te midden van een plechtig eindeloos suizend bosch, zoo draagt deze gemoedelijke kunstenaar in hem als een gulden remonstratis den Geest van Ruysbroeck den Wonderbare.
    Maar daarnevens ook dat gevoel van stille wijde kille onderaardsche kelders, waarin mysterieuze en lang verleden, als weggestorvene, geluiden schuilen van voorgaande geslachten, die met volle potten goud alhier aldaar klassend, moesten vluchten. Zoo botste in zijn gemoed dan ook soms die vervaarlijke mystiek, die duivelachtige fanfaren met heel die vagevieren-atmospheer, door Górrer opgehaald.

    Franciscus en eene Catharina Emmerich komen er dan al huppelend door als in eenen rondendans van een Angelico, maar dat alles wordt dan door hem als grootmeester besausd en overgoten met Brabantsche vettigheid en jovialen renaissance - devotiegeest.
    Over zijne ets en schilderij "De drie Koningen" die zoo gemoedelijk door de sneeuw wandelen. Dat is nu de daarstelling dier drie geestelijke mannen, waarover hij zoo plezant weet te vertellen in zijne voordrachten handelend over den bijzonderen Lierschen vertellingsgeest van zijne beeldrijken Vader. Het is een Oostersch tafereel op zijn Liersch gezien.
    De ets "Het zieke paardje" is eene kleine gebeurtenis uit het leven gegrepen; in al zijn belachelijkheid is het iets tragisch en gezien op zoo'n bijzondere wijze dat het u altijd bij moet blijven.

    Hetzelfde geldt voor de ets "de Herder." De expressie dier lompe hand doet de domme snoezigheid nog meer uitstralen van dien hollen schedel onder de klak op dien niet ziende schaapherderskop. De ets der bekoring van Beatrijs" met de weergeving dier snoeberende, snaterende, duiveltjes, waar de nijdigheid als kikvorschen zwabber op hunne lijvekens plakt. Het bidden van Beatrijs daarentegen is oprecht tragisch en beweeglijk. Verder op te merken de groepeering met die meeslepende domineerende lijn, die waarlijk als iets merkwaardigs mag worden beschouwd.

    De "Offerande der nederigen" is al eene heele schilderij, waarin het gebaar u weet aan te grijpen tot de aandoening. Die lieve offerande van die brave echte Liersche volkstypen is om met compassiegevoel u eene zindering door het lijf te jagen.
    Altijd die kinderlijkheid in de uitdrukking, zoowel in lijn als in kleur, is het bekoorlijke van zijn schilderen teekenkunst. En sprekende over de vele schilders die ik ken, en die jaren en jaren studeerenden naar levende modellen en naar de natuur, en die de plankenvloer van het hooger instituut van schoone Kunsten versleten, moet ik zeggen dat schilders, die zoo caracteristiek van uitdrukking kunnen zijn, schaarsch zijn. En zeggen dat zulks nog maar een begin is, slechts werk van enkele dagen.
    Ik weet hem bezig aan eene schilderij, die hij "De schilderij noemt en die nog moet dijen," zooals hij dat zoo geestig noemt. Nog eene heele reeks andere moeten nog voorafgaan, maar als deze gaat komen zal het eene evolutie zijn.

    Eloris Van Reeth

    **********************

    25-08-2018 om 16:08 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    18-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Felix Timmermans, Dichter und Zeichner seines Volk.

    Felix Timmermans, Dichter und Zeichner seines Volk

    Vlaanderen door Duitschers gezien.

    Door Adolf von Hatzfeld: «Felix Timmermans. Dichter und Zeichner seines Volkes».
    Uit Dietbrand  - maandblad, jrg 3, nr 4  -  01/04/1936

    Een der medewerkers van "De Geïllustreerde Pers" bracht een bezoek aan Felix Timmermans, den befaamden Vlaamschen schrijver. Gul en hartelijk — zooals dat bij Timmermans in zijn woning te Lier gebruikelijk is — werd hij ontvangen, en al spoedig ontstond er een interessant gesprek, waarvan hier de weergave volgt.
    Het is niet... ongevaarlijk, in het buitenland, met name in Duitschland, van een zekere skepsis tegenover de beroemdheid van Felix Timmermans blijk te geven. Het « gevaar » bestaat hierin, dat men er spoedig van verdacht wordt, ofwel den schrijver van « Pallieter » te benijden, ofwel geen oog te hebben voor de werkelijke kwaliteiten, de wezenlijke waarden van zijn werk. Vele jaren is het geleden, dat ik mijn eerste artikel over Timmermans schreef. Ik was student aan de Nederlandsche Universiteit te Gent en, al zeg ik het zelf. met even zooveel hart en vurigheid overgegeven aan de studie van taal en letteren als aan de zaak van het Activisme. Mijn stuk over « Pallieter » verscheen in het corpsorgaan « Aula ». Aan de strekking van het artikel heb ik ook nu niets af te doen. Laat ik hierbij verklaren, dat het er méér in ging tegen de eenzijdige levensverheerlijking, tegen het ontbreken van het element der droefheid, het element van het leed, in het gevierde boek, dan wel tegen datgene wat men er spoedig genoeg uit distilleeren zou als de essentie van « den Vlaamschen geest ». Herhaaldelijk heb ik, in latere jaren, mij moeten schrap zetten tegen de voorstelling van het Vlaamsche leven, van den «Vlaamschen aard», zooals die, op grond van Timmermans' geschriften èn van zijn lezingen, buiten de grenzen van de Zuidnederlandsche gewesten, die men onder den verzamelnaam Vlaanderen aanduidt, heerschende was.

    Dit verweer, waarin ik waarachtig niet alleen sta, heeft niets te maken met een ontkenning van de artistieke, de dichterlijke hoedanigheden bij Felix Timmermans ; het heeft, andersdeels, ook niets te maken met zijn bezwaren tegen zijn rammelende, trots een lange schrijversbedrijvigheid immer slordig-blijvende taal, waarin naast dialectische eigenaardigheden (die ik niet wil verwerpen) handvollen verfomfaaide vormen van het Nederlandsch voorkomen en met den zinsbouw wordt omgesprongen op een manier, die soms méér doet denken aan gruwelmoord dan aan acrobatie. De lezer van Timmermans' boeken in... het Duitsch heeft dit op ons voor, dat hij zich aan de taal niet hoeft te ergeren. In bepaalde kringen in Noord-Nederland, daar waar men ten opzichte van Vlaanderen een vage « stamverwantschap » belijdt, heeft de taal van Felix Timmermans en van sommigen onder zijn weggenooten aanleiding gegeven tot het sprookje, als zou het Vlaamsen toch eigenlijk iets anders zijn dan het Nederlandsch. Ik herinner mij, eens van een Dante-vertaler in het Noorden een brief te hebben gekregen, waarin deze mij vroeg, enkele verzen, die in den oorspronkelijken tekst van de « Divina Commedia » in het Provengaalsch geschreven zijn, en die de vertaler in keurig Nederlandsch had overgebracht, te willen « overzetten » in het oud Vlaamsen, of liever nog, zoo drukte de briefschrijver zich uit, in het nieuw Vlaamsch. Mijn antwoord luidde: Met oud Vlaamsen bedoelt U zeker Middelnederlandsch, en dat heb ik indertijd als student, bij wijze van oefening, wel eens nageschreven ; wat Uw verzoek betreft, om Uw tekst in nieuw Vlaamsch te transponeeren, dit is geheel overbodig, daar Uw tekst in perfect nieuw Vlaamsch, ik wil zeggen in goed hedendaagsch Nederlandsch is gesteld, — tenware U met nieuw Vlaamsch de « manier » van sommige auteurs in Vlaanderen bedoelde : in dat geval kan ik U niet helpen.

    Karel van den Oever, in een van zijn merkwaardigste kritieken, vond voor de visie op menschen en dingen in Vlaanderen, welke door sommige Fransch-schrijvende Vlamingen en later door Timmermans in menig geschrift werd uitgedragen, de treffende karakteristiek: Pseudo-Vlaanderen, daaronder vatte hij samen : « de gemaniëreerde toestanden, hun speelgoedachtige uitbeelding, hun beschrijvingen naar factuur van oud Vlaamsche schilderijen en Turnhoutsche prentjes, de kliekjes folklore hier en de restjes bijgeloof daar, het moesjikkengeloof der personnages », — al dat, kortom, wat niet kan nalaten, den indruk te wekken van een Vlaanderen «doodgeconserveerd onder de glazen stolp (eener) archaïsche achterlijkheid».

    De karakteristiek moge niet in haar volle beteekenis op de kunst van Timmermans toepasselijk zijn, onbetwistbaar is (de ervaring leerde het ons !), dat wie daar in het buitenland, ook in het zich als « buitenland » beschouwende Dietsche Noorden, Vlaanderen enkel en alleen kent uit de boeken van den Lierschen auteur, zich daarvan een beeld vormt als van een streek in Europa, waarop al dat wat men onder moderne ontwikkeling pleegt te verstaan, in socialen zoowel als in technischen zin, geen vat heeft gehad, een gewest waar de ziel der menschen niet werd aangeraakt door de groote stroomingen van den nieuwen tijd, een soort van rezervaat voor typen van een lang-voorbije, toch immer nog amusante oubolligheid, een landeke vol melk en honig, waar het altijd kermis is, elken dag processies door de straten trekken, het volk God looft « met een stuk spek in den mond » en, onbewust van zijn verleden en zijn toekomst, kinderlijk-naïef, snaaksch en vroolijk door het altijd even kleurige heden tuimelt.

    Het is merkwaardig  om na  te gaan. hoe deze « indruk » bij den samensteller van het royaal-uitgegeven, met vele afbeeldingen naar schilderijen en teekeningen van Timmermans verluchte boek « Felix Timmermans. Dichter und Zeichner seines Volkes », in botsing komt met het onmiddellijke beeld van Vlaanderen, zooals hij dat bij gelegenheid van een zomersche reis leert zien. Het moge dan ook maar een stuk van de werkelijkheid zijn, dat Adolf von Hatzfeld met eigen oogen èn eigen gemoed in zich opneemt. — dat staat al een heel eind van Timmermans' welbekende schilderingen af. Wel tracht Von Hatzfeld het zelf-geziene telkens weer met de visie van zijn « vriend uit Lier » in overeenstemming te brengen. — doch zijn eigen aanschouwing blijft grooter, dieper tevens, « doortrokken » als zij is van het zoeken naar den geestelijken èn dramatischen achtergrond der dingen. Bij den aanblik onzer trotsche belforten, onzer geweldige kathedralen, gaat de gedachte van den schrijver van het Timmermans-boek naar de bewogen geschiedenis van het volk hier, naar de « pracht en de macht uit vroeger dagen » en naar den strijd, die zich in den loop der eeuwen op den grond van Vlaanderen heeft afgespeeld.

    De worsteling in het heden brengt hem tot de vraag, welke plaats Felix Timmermans daarin dan inneemt. Onder de boeken van Timmermans vindt hij het verhaal van den ezel « Boudewijn » : dat is de neerslag van den volkskamp in den geest van den dichter, verklaart Von Hatzfeld, blij met zijn vondst, — terwijl hij zelf dezen kamp omschrijft als « den strijd der Vlamingen om hun cultureele zelfstandigheid in het kader van den Belgischen staat, om volksrecht en taal ». Laten wij aannemen, dat Von Hatzfeld, die, zooals ik reeds zei. De dingen in Vlaanderen toch wel groot vermag te zien, niet vermoedt, welke kleineering, welke vernedering eigenlijk dit begrip van den « Vlaamschen strijd », als van een kamp om cultureele zelfstandigheid (de schoone leuze, waarmee men volken en volksgroepen paait, die men politiek onmondig wenscht te houden!), voor het Dietsche volksdeel in den Belgischen staat bevat.

    Wat het boek « Boudewijn » betreft, zoo zullen wij ons veroorloven, dit met of zonder het goedvinden van Timmermans te interpreteeren als een (in oolijke kleuren gestoken) symbool van ons verzet tegen de Latijnsche onderjukking ; wij zullen het blijven lezen met onze herinnering zoo dicht mogelijk bij de activistische jaren, met onze gedachte zoo ver mogelijk van het « cultuur-flamingantisme », waarmee de meeste kunstenaars in het Dietsche Zuiden, bij gebrek aan n politiek-nationale overtuiging óf uit vrees om er mede voor den dag te komen, zichzelf en de anderen in slaap wiegen.

    Het beeld dat Adolf von Hatzfeld van Felix Timmermans, op grond niet enkel van dezes geschriften maar ook van zijn teekeningen en schilderwerk, in Duitschland wenscht te verbreiden, is dit van een man, een kunstenaar, in wien de ziel van « Vlaanderen », die ziel welke ergens door Von Hatzfeld als « afgronddiep » wordt gekenschetst, na eeuwen lang met stomheid te zijn geslagen geweest, plotseling weer stem heeft gekregen en zich volkrachtig aan de wereld openbaart. Wanneer wij dit beeld, zooals ook de gelijkstelling met Brueghel, afwijzen , dan beteekent dit niet (het zij hier uitdrukkelijk verklaard), dat wij de oogen sluiten voor de reëele schoonheid die Felix Timmermans ons geschonken heeft, voor de vele heldere glanzingen van zijn talent, voor zijn bizondere gave : zijn meesterschap in een soort van «populair expressionisme». Wij zijn niet ondankbaar (ik hoef dit in mijn persoonlijken naam. na wat ik vroeger over Timmermans schreef, niet te herhalen) voor het fijne, het hartelijke en verkwikkende, voor het aandoenlijke èn het ontroerende, voor het bloeiende, dat overal in de boeken van den Lierschen verteller te vinden is.

    Wij dragen alléén een te hooge, te dierbare idee in ons om van de Dietsche ziel en de Dietsche bestemming, om te kunnen aannemen dat de kunst van Timmermans daarvan in het gedeelte van ons vaderland, dat men gewoon is «Vlaanderen» te heeten, de wezenlijke, volwaardige uitdrukking zou zijn. Wij vergeten niet dat de kunst van Timmermans, dat zijn geschreven èn zijn gesproken woord, jaren lang bij tal van volksgenooten in het Noorden de voorstelling in de hand heeft gewerkt (welkom zoowel aan den klein-Hollandschen als aan den belgicistischen politicus !) van een Vlaamsche apartheid, waarvan de vermakelijke aantrekkelijkheden tot niets verplichten dan tot een bezoek aan de mallemolens en de mossel- en fritekramen in de dorpen, de stedekens van Vlaanderen, tot een gezellig biertje en babbeltje met den toch maar zoo geheel anders geaarden en gestemden « stamgenoot » ! Wij zijn zeker niet gesloten voor de overweging, dat in het buitenland, in Duitschland vooral, de boeken van Timmermans, en zijn voordrachten, telkens weer de aandacht naar Vlaanderen hebben doen uitgaan. Zijn blijde werkkracht, zijn stralende vitaliteit mogen er bij velen gelukkige associaties hebben opgewekt met de bekende voorspelling aan het slot van De Coster's vlammende Tijl-epos, — dit neemt niet weg, dat aan het « levende Vlaanderen ». het Vlaanderen van nu, zooals men dit uit Timmermans ging verstaan, heel wat ontbreekt om volledig te zijn: de tragiek van zijn strijd (n'en déplaise « Boudewijn ») en de diepte van zijn nood (Boer Wortel's armoe en tegenslagen niet te na gesproken) in de éérste plaats.

    Afgezien van het ontbreken dezer elementen, is daar aan het Vlaanderen van Timmermans dat onechte, fantaisistische, waarvoor men hierboven het woord van Van den Oever heeft kunnen lezen. Dit alles maakt, dat wij het werk van Timmermans kunnen zien — en waardeeren — als de uitdrukking van een bizonder temperament, van een bizondere gesteldheid tegenover leven en wereld, als een werk vol verrassende, opwekkende momenten, met een eigenaardig coloriet. enz.. — maar dat wij dat werk niet representatief kunnen heeten. noch voor de Vlaamsche werkelijkheid van dézen dag, noch voor de hoogere, boven de tijdsomstandigheden uitstralende realiteit van het volks-wezen. Aan het specifieke kunstenaarschap van Timmermans word hierdoor niet getornd ; wij komen alleen op tegen een interpretatie van zijn kunst, die slechts dengene in des dichters eigen land vermag te bevredigen, die, om het met een enkel woord te zeggen, aan den slappen kant staat. Want, of Timmermans het zoo bedoeld heeft of niet, dat zijn « Vlaanderen » slechts geestelijke beteekenis kan hebben voor den volksgenoot in wien de spanning van het gansche niet aanwezig is, oftewel voor hem die deze spanning niet aan-kan. niet aan-wil, is een onloochenbaar feit, — een feit dat aan schrille praegnantie wint, wanneer men het beschouwt in verband met de producten van Timmermansꞌ volgelingen, wien het, bij een min of meer handig nadoen, nooit gelukt, aan de spelingen der fantazie dat onbevangene te geven, hetwelk nu eenmaal de « eigenheid » is van den geboren artist.

    **********

    18-08-2018 om 20:56 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Foto

    Archief per maand
  • 11-2018
  • 09-2018
  • 08-2018
  • 07-2018
  • 05-2018
  • 04-2018
  • 03-2018
  • 07-2017
  • 06-2017
  • 05-2017
  • 04-2017
  • 03-2017
  • 02-2017
  • 01-2017
  • 11-2016
  • 10-2016
  • 09-2016
  • 08-2016
  • 07-2016
  • 06-2016
  • 04-2016
  • 03-2016
  • 02-2016
  • 12-2015
  • 11-2015
  • 10-2015
  • 09-2015
  • 08-2015
  • 06-2015
  • 04-2015
  • 03-2015
  • 02-2015
  • 01-2015
  • 11-2014
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 05-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 04-2009
  • 09-2008
  • 06-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 12-2007
  • 10-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 05-2006
  • 04-2006
  • 01-2006


    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Over mijzelf
    Ik ben Mon Van den heuvel
    Ik ben een man en woon in Lier (België) en mijn beroep is op pensioen.
    Ik ben geboren op 19/06/1944 en ben nu dus 74 jaar jong.
    Mijn hobby's zijn: Felix Timmermans - Geschiedenis van Lier in de ruimste zin genomen.

    Een interessant adres?

    Mijn favorieten websites
  • Thuispagina Louis Jacobs
  • Guido Gezelle
  • Ernest Claes Genootschap
  • Oscar Van Rompay
  • Felix Timmermans Genootschap
  • Schrijversgewijs
  • Kempens erfgoed

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!