NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Foto
Inhoud blog
  • De vroolijkheid in de Kunst
  • Stamboom van Felix Timmermans
  • Timmermans over "De Pastoor uit den Bloeienden Wijngaert
  • Felix Timmermans over den Vlaamschen humor
  • Adagio - Lia Timmermans
  • De nachtelijke Dauw - Felix Timmermans
  • Boekenverkoop van het archief
  • Felix Timmermans geschilderd door Tony Claesen - 2018
  • De Nood van Sinterklaas - Felix Timmermans
  • De Vlietjesdemping te Lier - Felix Timmermans
  • Pallieter naast Boerenpsalm
  • Pallieter in het klooster - Cees Visser
  • Info FT Genootschap
  • F T Fring bestaat 25 jaar
  • verksken
  • Timmermans en de Muziek - Daniël De Vos
  • Fons De Roeck
  • Is Timmermans Groot ? - Felix Morlion O.P.
  • Renaat Veremans vertelt - José De Ceulaer
  • Vacantie bij de oude boeken - Gaston Durnez
  • De Pastoor uit den Bloeyenden Wijngaerdt
  • Brief Gommer Lemmens - 11/06/2013
  • 70 jaar geleden ....
  • Overlijden van de Fé
  • Openingstoespraken - Timmermans-Opsomerhuis 1968
  • Toespraak Hubert Lampo - 1968
  • Toespraak Artur Lens Archivaris - 1968
  • covers tentoonstelling
  • Luisterspel Pallieter 2016
  • Bibliotheek van de stad Lier
  • Anton Thiry - Gaston Durnez
  • Een Mandeke Brabants fruit
  • Beste bezoeker
  • Clara Timmermans overleden
  • Covers van Pallieter
  • Pallieter wordt honderd jaar - Bertje Warson
  • Pallieter en Felix Timmermans
  • Toespraken 25/6/2016 - Kevin Absillis, Kris Van Steenberge en Gerda Dendooven
  • De Lierse Lente - Ronald De Preter
  • Felix Timmermans - Emiel Jan Janssen
  • Pallieter honderd jaar - Gaston Durnez
  • Adagio - Frans Verstreken (Hermes)
  • Pallieter, een aanval en verdediging
  • Driekoningen-Tryptiek - Jacques De Haas
  • Over Pallieter (25/01/1919)
  • Timmermans' werk in het buitenland
  • De Eerste Dag - Felix Timmermans
  • Het Kindeke Jezus in Vlaanderen
  • Fred Bogaerts - Felix Timmermans
  • De Harp van Sint Franciscus - Gabriël Smit
  • Timmermans en Tijl Uilenspiegel
  • Felix Timmermans ter Gedachtenis
  • De Vlaamse Timmermans - Paul Hardy
  • Timmermans was Einmalig - José De Ceulaer
  • Levenslied in schemering van de dood - Gaston Durnez
  • Expositie in De Brakke Grond te Amsterdam
  • Bij de Hilversumsche Gymnasiastenbond
  • Timmermans als schilder en tekenaar - W.A.M. van Heugten
  • De onsterfelijke Pallieter - Tom Vos
  • Soldaten, Dichter en boeken
  • Karel Van den Oever te Averbode gehuldigd
  • Aan Karel van den Oever - Felix Timmermans
  • Karel van den Oever gehuldigd - Felix Timmermans
  • Timmermans' werk in het buitenland
  • Lier Gegroet - nog duizend pluimen op uw hoed
  • De vroolijkheid in de kunst - Carel Scharten
  • Pallieter door Felix Timmermans, Tiende druk
  • Rembrandt-prijs aan Felix Timmermans - Frans Vanel
  • De Bende van de onzichtbare Hand - Felix Timmermans
  • Felix Timmermans en De Witte
  • De Triomf van Timmermans' Mirakelspel in Nederland
  • Baron Isidoor Opsomer - Felix Timmermans
  • Beste Mejuffrouw Lyra - Felix Timmermans
  • Het Geheim - Felix Timmermans
  • De eerste opvoering van De Ster
  • Pallieter van Felix Timmermans - Peter van Arkel
  • Een Fransche Pallieter - 1929
  • De Liersche Zimmer-Ommeganck 1930
  • Het feest van Felix Timmermans
  • In het Land van Pallieter - Eduard Veterman
  • Felix Timmermans - Tony Van Tichelen
  • Bij Felix Timmermans
  • Zijn kinderverhalen
  • Timmermans en Schoon Lier - V. Wouters
  • Beschrijving van een stad - Frans Eerens
  • Gustaf uit De Roode Kat - Felix Timmermans
  • Hoe Anne-Marie ontstaan is - André Demedts
  • Een ras-schrijver overleed...
  • Ereburger van de stad Lier - Gaston Durnez
  • Timmermans vertelt over Pallieter
  • Liefde voor al wat leeft - Pieck en Timmermans
  • Een boek van Pallieter - Erik Dams
  • Eeuwfeest Tony Bergmann
  • De Sterre in Frans-Vlaanderen - Jan Hardeman
  • Felix Timmermans over zijn werk en de Vlaamschen humor
  • Felix Timmermans als schilder - Georg Hermanowski
  • Timmermans en Schoon Lier - V. Wouters
  • Pallieter verboden - 2/11/1920
  • Timmermans over het verbod van Pallieter
  • Fred Bogaerts, de Liersche Breugel
  • Vlaamschen brieven van Felix Timmermans
  • Over Pallieter - Lezing door Felix Timmermans
  • Een Vlaamsch Kunstwerk - Vincent Cleerdin
  • Pijp en Toebak - E. Elias
  • Tooneel in een kleine stad - Felix Timmermans
  • Openingswoord tentoonstelling 1957 - Leo Arras
  • De Leefkamers van Felix Timmermans - Frans Verstreken
  • Het weergalooze Lier - Jeanne De Bruyn
  • Felix Timmermans te Lier gehuldigd
  • Werklust tot den laatsten dag
  • Lot er ons de sijs van aflakke - Jos Borré
  • Een brave burger uit het vrome Lier - Stefaan Praet
  • De Pastoor in den bloeienden Wijgaard
  • De Meimaand mint de nachtegaal - Guido Defever
  • Lie (r) ver groot - Reuzen erfgoed onder de loep
  • Schreiben is wie beichten... - Karlheinz Pieroth
  • Zij die wij bewonderen... - Risoto
  • Een ongekuiste Pallieter in Geitenleer verpakt
  • Bij de Breugelplaten - Felix Timmermans
  • De Harp van Sint Franciscus - Antoon Van Duinkerken
  • Franck Mortelmans vriend van Oscar Van Rompay
  • Het boek van den Boer - A.J.D. Van Oosten
  • Timmermans dwingt je te kijken - Jaak Dreesen
  • Voordracht Felix Timmermans, in den Bijenkorf
  • Felix Timmermans nog erg geliefd
  • Ter herinnering aan Pastoor Ignaas Dom
  • Walter Arras
  • Felix Timmermans, ook tekenaar en schilder
  • Homilie Eucharistieviering 1986 - Herman-Emiel Mertens
  • Een briefkaart uit 1927
  • Pallieter en Marieke - werk van Bertro
  • Timmermans' Krabbenkoker - Maurice Roelants
  • Een praatjes met den populairen Vlaming.
  • Met Felix Timmermans door Lier - Jan Lampo
  • Toespraak Timmermansjaar - Jos Borré
  • Er gebeurt iets... - Jos Borré
  • Felix Timmermans - Jozef Muls
  • Het ontstaan van mijn werk - Felix Timmermans
  • De Gestoorde Bloedprocessie - Felix Timmermans
  • De Processie in Brugge - Felix Timmermans
  • De Domper, Pallieter op de index
  • De Zeven Zusters - Felix Timmermans
  • Het Filmspel van St. Franciscus
  • Isidoor Opsomer werd zeventig jaar
  • En als de ster bleef stille staan... - Felix Timmermans
  • Ontslag als Gildemeester - brief van Timmermans
  • Honderd jaar Felix Timmermans - W. Peeters-Somers
  • Het Oude Lier - Felix Timmermans
  • Bloemenhulde Felix Timmermans - Louis Vercammen
  • Renaat Veremans en Felix Timmermans - Tom Bouws
  • Pallieter - W. Van den Broeck
  • De Goede Fee - Jaak Dreesen
  • Lier herdenkt zijn grootste zoon - François Thijs
  • De Kreatie van Boerenpsalm te Lier - José De Ceulaer
  • Met de woonwagen bij Felix Timmermans
  • Onze grote schrijver Felix Timmermans
  • Felix Timmermans op audientie bij de Paus
  • Pallieter op den Index
  • Pallieter - Gerard Brom
  • Oorlogtribulaties die de Fé doormaakte
  • Felix Timmermans, Belgie - la Belgique 1830-1930
  • Boerenpsalm - Gabriël Smit
  • Mijn Kinderverdriet - Gommaar Timmermans
  • De Eeuwige stilte - Felix Timmermans
  • Lierke Plezierke en Pallieter
  • Flaemische Weinachts Gesellen
  • Hij moest de grapjas blijven - Dirk Goster
  • De Pelgrim te Antwerpen
  • Timmermans als scenario-schrijver
  • Felix Timmermans, Mens, Schrijver, Schilder en Tekenaar
  • Boudewijn - Karel Van den Oever
  • De Hemelsche Salome - Wies Moens
  • Het Verken als Kluizenaar - Felix Timmermans (1)
  • Het Verken als Kluizenaar - Felix Timmermans (2)
  • Felix Timmermans' Pieter Bruegel - JH François
  • Felix Timmermans en Ernest Claes - M. Roelants
  • Bij Felix Timmermans - Annie Hirsch
  • Felix Timmermans redivivus - José De Ceulaer
  • De Driejaarlijksche prijs voor Letterkunde
  • Hoe Felix Timmermans begon te schrijven, 15 jaar oud
  • Het Kindeke Jezus in Vlaanderen - Gaston Durnez
  • Tu felix eris - Anton Van Wilderode
  • Over Levenshumor
  • Felix Timmermans vijftig jaar
  • En waar de Ster bleef stille staan...
  • Veel klappen en uitleggen - Della Bosiers
  • De erfenis van Timmermans
  • OL Vrouw in de Doornkens - Henri Ghéon
  • Eerste opvoering van De Hemelsche Salomé
  • Felix Timmermans is niet meer - Frans Verstreken
  • Een pen in stilte gedoopt - Marcel Janssens (deel1)
  • Een pen in stilte gedoopt - Marcel Janssens (deel2)
  • De andere kant van een vermaard verteller
  • In het voetspoor van Timmermans - Jules Kockelkoren
  • Timmermans anno 1972 - Hubert Lampo
  • Voordracht van Felix Timmermans
  • Felix Timmermans over Pieter Breugel
  • Uit het Timmermansjaar - Hans Vandevoorde, Jaques Lust
  • Een Minnezangers-leven
  • Felix Timmermans litterair debuut
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Felix Timmermans
    Vlaamse schrijver, dichter en schilder * 1886 - 1947 *
    02-04-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Fe

    Felix Timmermans
    5 juli 1886  -  24 januari 1947.


    (Foto door Nestor Gerard 1897 - 1996)

    Felix Timmermans via het Internet

     

                Hoe ik een Timmermans’ Fan ben geworden en bij het Genootschap en de Kring terecht ben gekomen is zoals bij velen van ons een verhaal appart. Misschien kan er een soort vervolgverhaal over geschreven worden want ik denk dat er geen enkel geval hetzelfde zal zijn en het een al specifieker dan het andere.

    Mijn eerste boek van Timmermans, was de omnibus “Met Timmermans door Vlaanderenland , met de verschillende verhalen er in, mooi om mee te beginnen.

    Pallieter, Schoon Lier en Bij de Krabbekoker  stonden ook redelijk vlug in de boekenkast en wat daarna volgde ging in een snel tempo verder.

     

                Er bestaan bij mijn weten nu nog twee officiële organisaties die de Lierse schrijver hoog in hun vaandel dragen, met name :

    het Felix Timmermans Genootschap

    de  Felix Timmermans Kring

     

                De Fé kreeg ondertussen in Lier zijn eigen plein en wel pal naast het belangrijkste plein van de stad, de Grote Markt. Straat- en pleinnamen worden uit zijn werken geplukt. Pallieter en Symforosa staan in het stadsbeeld te pronken en het Timmermanspad doorkruist Lierke Plezierke. Waarom zou Timmermans in het, zich vlug ontwikkelende, electronische tijdperk zijn plaats niet krijgen op het WWW. Het Genootschap beschikt nu al over een degelijke website met de meest elementaire info er op.

     

                Dat er in het digitale tijdperk, op dat gebied, niet meer te vinden was motiveerde mij om eens te kijken hoe we op deze snelle en moderne manier de liefhebbers kon bereiken met de info die verzameld kon worden op één blog of web-site.

    Het was op aandringen van een goede vriendin, die zelf ook reeds jaren actief is met een blog, een gemakkelijke manier om een soort web-site te maken, die mij er toe heeft aangezet om de info die er zoal te vinden is te bundelen tot een geheel.

     

                Heel voorzichtig werd gestart met de bibliografie en een korte biografie van de Fé te plaatsen op het blog, dit onder de eenvoudige maar veel zeggende titel : “Timmermans Fan”

    Het nodige startmateriaal kon ik zonder moeite vinden in de verschillende jaarboeken van het genootschap en het Gesellschaft, maar erg nieuw en baanbrekend was deze info uiteindelijk niet. Het is dan ook meer dan verwonderlijk wat men mits enig zoekwerk zoal kan vinden op het internet. De befaamde zoekmachiene, Google, werd in gang gezet en het gevolg liet zich al raden. De vele uren voor het scherm zijn ondertussen niet meer te tellen, maar ik kan jullie verzekeren dat het uiteindelijk de moeite waard is.

     

                Verslagen, boekbesprekingen, samenvattingen, teveel op ze allemaal op te noemen komen via de downloads?? gemakkelijk op het scherm terecht en mits een weinig aanpassing en schikking in een degelijke vorm op het blog.

    De reacties bleven niet uit, en lezers van het blog waren er van overtuigd dat de maker hiervan wel een “specialist” moest zijn, met als gevolg dat de eerste vragen om te helpen via de electronische briefwisseling (E-mail) binnen kwamen. Hier begon een andere wending in het geheel. Opzoeken wat de lezers wilde weten was geen gemakkelijke opdracht en ik kon (gelukkig maar) al gauw de echte Timmermans’ kenners raadplegen. Deze kenners zoals Gaston Durnez, Etienne De Smedt, Fons De Roeck, Gommaar Timmermans om er maar enkele te noemen, zijn er ieder op hun vlak steeds in geslaagd om mij de helpende hand (brief, nota of telefoon) toe te steken.

    Enkele reacties via het gastenboek :

     

     

    Titel: Stadsgids van Lier.

    He ... hartelijk bedankt voor je knappe website.

    Ik ben stadsgids van Lier (nog maar pas) en zocht wat info op ivm de verhalen van Timmermans om mijn gidsbeurten te kleuren en dat zal nu wel lukken ...

    Bedankt he,

     

     

     

    Geachte,

    Ik werk in de animatieploeg van rusthuis Dijlehof, hartje Leuven. Wij lezen regelmatig voor uit het werk van Timmermans en dat valt ongelooflijk goed in de smaak! Mijn vraag is of leden van jullie kring voordrachten geven over de auteur en zijn werk.De bewoners zouden daar zeker van genieten. Eén van onze bewoonsters is nog goed bevriend geweest met Lia en Clara Timmermans( ze zaten op dezelfde school in Antwerpen!).

    Ik wacht op een positief antwoord en groet jullie vriendelijk,

    Clara Schurmans - Rusthuis Dijlehof - Minderbroedersstr 9b 3000 Leuven

     

     

     

    Mijnheer,

    Prachtige site voor een groot Vlaams schrijver.Heb de bewondering en waardering van de schrijver als mens doorgekregen van ,mijn helaas vroeg overleven vader ,die steeds is blijven geloven in de vlaamse toekomst en waar ik nog steeds in geloof.Ben in het bezit van ( volgens informatie) een borstbeeld van Timmermans gemaakt door A.Moortgat.Daar zouden maar 7 exemplaren van bestaan .Kan je mij hierover meer informatie geven?Dit borstbeeld kocht mijn vader in de jaren 1950.Ben eveneens in het bezit van practisch al zijn vroege werken. Hartelijk dank voor de informatie die je mij misschien kan geven.

     

     

     

    Awel Mon,

    dat laatste artikel, de wandeling, prachtig gedaan, daar kunnen veel mensen van genieten en niet alleen de echte Lierenaars maar ook vele die uw Blog bekijken kunnen merken dat ons begijnhof de moeite waard is om eens te komen bezoeken. Doe zo verder en uw blog geraakt bekend over heeeeeel ons land. Prachtig!!

     

     

                Wat mij de dag van vandaag meer en meer verwonderd is dat er toch wel aardig wat liefhebbers van de Fé zijn die dagdagelijks de website (blog) bezoeken. Via de statistieken van het blog kan ik goed volgen hoe de interesse verloopt.

    Zo waren er in de maand december 2013 maar liefst 1755 verschillende bezoekers en zoals de jaar-grafiek het laat zien blijft de variatie toch wel  mooi om te volgen.

     

    Als het zou kloppen dat de gemiddelde ouderdom van de Timmermans’ liefhebbers aan de hoge kant ligt, dan kan men uit de gegevens toch twee mogelijkheden naar voor brengen.

     

    Ofwel zijn er nog steeds jongeren die via het internet met de info over Felix Timmermans zich kunnen vinden of anders is het toch wel mogelijk dat meer en meer senioren zich bezig houden met het surfen en zoeken naar informatie. Spijtig genoeg kan ik die gegevens niet terug vinden in de statistieken. Laat mij met deze de liefhebbers van Felix Timmermans, en uiteraard ook alle andere liefhebbers, uitnodigen om toch een schuchtere poging te wagen op de onderstaande links.

     

    http://blog.seniorennet.be/timmermans_fan

    http://www.felixtimmermans.be/

     

     

    Tevens wil ik nog maar eens een oproep doen om mee te helpen aan de uitbouw van het blog en eventuele nieuwe info, liefst info die nog niet zou bekend zijn, aan mij te laten bezorgen zodat we samen nog meer kunnen genieten van de meest gelezen schrijver van bij ons. Gemakkelijk gaat dit niet want de ondervinding leert mij dat mensen niet altijd geneigd zijn om info, teksten, foto’s en dergelijke te delen met anderen.

    Goed, maar ik blijf proberen. Voor meer info over het blog kan men mij steeds contacteren.

     

    Groeten uit het Pallieterland

     

     

    Gemiddeld aantal bezoekers per dag : 34

    Gemiddeld aantal bezoekers per week : 236

    Gemiddeld aantal bezoekers per maand : 1027

     

    Aantal bezoekers per jaar :

    PER JAAR

     

    Jaar

    Paginaweergaves



    Bezoekers

    2016
    2015

    2014

    2013

    2012

    8.975
    16.976

    33.607

    21.080
    27.491

    5.962
    11.140

    26.912

    13.167
    15.533

    2011

    20.520

    12.661

    2010

    18.482

    12.799

    2009

    18.333

    13.384

    2008

    15.185

    10.030

    2007

    12.424

    7.517

    2006

    4.370

    1.941

     

     

     

    Inhoud van het blog over Felix Timmermans

     

    Aan de bezoekers van dit blog

     

    Geachte mevrouw, mijnheer

     

    De inhoud van het ganse blog kan je vinden via het "archief per maand" (rechtsboven van het scherm).

    Klik op de onderste regel : 01-2006 en je krijgt een overzicht, een lijst, van de artikels en foto’s die op het blog zijn geplaatst. Via de maand en het jaar, kan je in het archief de desbetreffende teksten of artikels terug vinden.

     

    Bijvoorbeeld : het artikel  -  Fred Bogaerts - Willy Feliers   (15/08/2012) kan je vinden als je in het archief op 08-2012 klikt.


    Je kan ook aan de linker zijde een artikel aanklikken, maar hou er rekening mee dat deze lijst maar de laatste twee jaar weergeeft. Er is dus heel wat meer te bekijken dan deze lijst alleen.

    02-04-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (54 Stemmen)
    >> Reageer (5)
    13-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De vroolijkheid in de Kunst

    De vroolijkheid in de kunst

    Door Carel Scharten  -  Uit De Telegraaf 12/08/1916

    Pallieter dan, van Felix Timmermans, is inderdaad een heerlijk boek. In lang niet had men van een boek zoo gul genoten; een genot dat u beurtelings een peut van pleizier gaf in de maagstreek, of de weelderigste zoetheid stuwde rond het hart, beurteling luidop deed lachen of stil worden om een in dit sanguinisch verhaal te dieper verwonderende en ontroerende, maagdelijke teerheid.

                     

    Pallieter, een molenaar, ergens in Vlaanderen, is de onbewuste dichter, die in alles de schoonheid ziet, en de ongebreidelde levensgenieter in den volsten zin van het woord. Want geen enkel vooroordeel van overbeschaving, van comfort, van stemmings-precieusheid of wat ook van gansch dien bezwaarlijken beschavings-last, die ons het volle, natuurlijke levensgenot onmogelijk maakt, breidelt Pallieter in zijn overdadig, zijn onmatig levensfeest. Gij vindt regen onaangenaam, niet waar? tenminste, om erin uit te gaan. En moet ge uit, dan sopt ge op uw overschoenen en onder uw paraplu gebogen, verdrietig voort.
    Maar Pallieter weet den regen nog op zijn recht en prijs te stellen!
    Luister maar eens :

    "En klets! daar viel de regen"
    Ja, mor dor van geproffeteerd! Riep Pallieter.
    Hij liet de toerten (tulbanden) staan en liep naar buiten in den hof. Op een omzien stond hij uit te lekken lijk een waterhond en 't deed hem deugd, lijk aan een kouden bedelaar warme melk met korentenbrood.
    De koele, malsche regen ruisente frisch, over het land, begoot de boomen en de planten, kleste op het water en kletterde op het dak. 't Was een symphonie van water! De duiven en de kiekens sloegen hun vlerken over hun kop, om de warme puttekens van hun zwingen nat te laten worden. 
    Petrus de ooievaar stond roerloos met zijn wijf, elk op één been, in zijn nest en de eenden lagen op den blijk met open vleugels bijeen geklodderd.
    Pallieter was twee dagen te voren 't haar rats nevens het hoofd afgesneden en nu kletterde en blonk de regen er op lijk op een steenen bol.
    Het regende, regende!...... En, terwijl hier het water stroomde, kwam er een balk zonnestralen door de wolken geboord, en daar was een vinnige plek lichtgroen land ginder achter in het veld. Het licht zifte door den vallenden regen, en nu was 't goud dat er viel, allemaal boonen goud. Pallieter keek zijn oogen uit.
    "Da's manna!" zei hij, en hij wierp zijn kop achteruit, opende den mond en liet er de gouden droppelen invallen.
    En daar kwam weer een straal, en ginder nog een, en 't was alsof de eerste frissche, groene Lente met gauwte teruggekomen was.
    Ginder, boven den veldbuik, rees het uitgewaterd einde van de vlaag omhoog en de helft van het land schitterde in de zon, wijl het donkere gedeelte nog ruischte van den regen.

          

    "Da’s plezant, hé" schampte Charlot, "oe zoe late beregene! "
    "Och meske (meisje), zwijgt, 'k ben er ne voet mee gegroeid", zei Pallieter, en hij ging een zuiver hemd en een ander broek aandoen.
    't Is overigens nog maar een kleinigheid, dat Pallieter den regen aandurft en, met kinderen en dichters, de sneeuw verrukkend vindt. Wat durft hij nièt aan, en wat vindt hij niet verrukkelijk, kan men eerder vragen.
    Zelfs de naargeestige stemming na een feest, wanneer de gasten vertrokken zijn en alleen de trieste resten blijven, is voor hem niet naargeestig:
    "In den hof rook het naar verbrand papier van 't afgestoken vuurwerk. De maan scheen en lichtte op stukke flesschen en tellooren (borden), in het gers (gras), door het spuitende fonteintje, en op de ordelooze glazen, eetgerief en vruchten op de tafel.
    "Pallieter vond het schoon. Hij zette zich op eene bank en zat het stil te bezien." Men kan dit schamper "optimisme" noemen. Doch men zou ook een aldus reagerende geest ruim en gezond en daardoor altijd weer versch kunnen heeten.

    De waarde van dit optimisme is, dat de bezitter voor alle levenopenbaring openstaat, immer bereid het leven te doorproeven, in een argelooze overgave, die geen cultuur-onderscheidingen maakt, en de stoutste stemmings-wisselingen volbrengende, zonder daarvan meer te bespeuren dan dat hij gaat van deugd tot deugd en wandelt in de schoonheid.
    Als Pallieter, blij om het mooie weer, met "den pastoer" heeft zitten drinken en, opgewonden, een toertje met hem door de kamer gedanst, krijgt hij, de pastoor vertrokken, "goesting" in een psalm, en hij leest er een, luidop, voor het open raam. Wat volgt er nu?

    "Pallieter sloeg het boek toe.

    Hij had onder het lezen goesting naar den smaak van honing gekregen en hij at hem op een donkerbruin beschuitje."

    Zelden heb ik zoo iets kostelijks gelezen, omdat aldus, in den vrijen, onschuldigen geest, alle leven heilig blijkt, en wederom het heilige in 't volle leven staat. Denkt Pallieter, dat het gebak voor het feest gaar zal zijn, dan, waar hij op den oven toegaat, staat er : " 't Was alsof hij een heilige kast opende, zoo stonden zijn oogen nieuwsgierig gerpannen. God! wat 'n warme, zoete reuk van eieren, bloem en melk sloeg hem bedwelmend in 't gezicht."
    Maar gaat de kerkelijke ommegang door het dorp, dan heet het Allerheiligste........"de Baas van hierboven, die de processie kwam sluiten"; wat niet wegneemt, dat Pallieter "er een krop van in zijn keel" kreeg!
    Dezelfde weelderige overdaad en dezelfde vol-natuurlijke wisselwerking tusschen zinnen en geest, op het stuk van liefde. Pallieter heeft Marieken al lief als hij, hoog op een hooiwagen met een ander "meske" huiswaarts kerend, zijn zoenen niet oppot: "en hij zei tot zijn eigen: onvoorziene liefde smokt het best. En zal hij met Marieken trouwen gaan, – dat verhindert niet zijn dollen dans met de maaister, in het allerkostelijkst hoofdstuk van het mislukte honig-brengen naar het klooster en de geweldige bier-zuiperij.

    Maar geen kuischer episode dan waar Pallieter Marieken badende vindt, en geen ontroerender teerheid, dan de nachtwandeling, waarbij zij neergelaten in een hooischelf, insluimeren : — Pallieter heeft, naar de sterren liggen kijken en hij wil het Marieken wijzen : Maar Marieke sliep zachtkens in zijn armen.
    "Wa geluk", zei hij seffens. Hij vond het zoo schoon, zoo één en zuiver met den grooten, vredigen nacht, en een plotse teederheid welde in hem op. Hij gaf haar een pluimlicht kusken van bewondering en ontroering.

    "t Was te schoon en te innig om het te storen, en hij maakte de ligging van zijn voet over haar been voorzichtig wat lichter, opdat het haar niet zou hinderen......
    Hij snoof versche geuren op, en de maan bedekte twee naar elkander verlangende sterren.
    En zie, door den gezuiverden hemel dreef nog een eenzaam wit wolksen. Het kwam aarzelend verder en 't werd als aangetrokken door de maan. Het sneed er juist onderdoor, en zie, het gleed seffens vol ijle, roze, groen en mauve kleuren...... Maar 't gleed verder, verloor weer plots zijn zoete toonen, wierd wit en dreef aarzelend voort, alleen door den nacht.

    't Was lijk een glimlach van den nacht geweest......

    De oneindige stille suisde, en 't was alsof men de manestralen schijnen hoorde. Het gers was wak en verroerde niet. Bibberend van den morgendauw, worden zij wakker, overgelukkig. En zij loopen naar huis "frisch "lijk salaad, en verlangden naar versche kleeren en heete koffie. Een herder toette op zijn horen en de klokken begonnen te luiden, 't Was dag."

    *-*-*

    Zijn er geen "schaduwzijden" aan dit boek? Zeer zeker; en de bedenkelijkste "schaduwzijde" blijkt juist deze, dat er aan dit levensbeeld geenerlei schaduw is. Vreugden stapelt het op vreugden, in een al te overdadigen overvloed. En terwijl door dat veel-te-veel de heugelijke eerste indruk ten slotte, verzwakt wordt ook de hoogste vreugde nergens gevonden; de hoogste vreugde, die immers alleen bereikt kan worden dóór duisternis en strijd.
    Over-klankrijk, over-kleurrijk, vermoeit het geluid van dit boek ten leste; en de diepste accenten worden er niet in aangeklonken. Gelijk hetgeen aan het zomersche Italiaansche landschap de diepste en warmste vreugde geeft, noch de zilveren olijven zijn of de azuren hemel, noch de saffieren rivieren of de turkooizen meren; maar het zijn de zwarte pijnen en de brandende cypres.
    Langs welke situatie het verhaal zich beweegt, het is telkens weer verrassend mooi, maar ook altijd opnieuw van eenzelfde overvolheid, waarbij geen enkel register van Pallieter 's vreugden-orgel gesloten blijft; op elke bladzij vinden wij zijn ganschen motieven-voorraad "au grand complet"; geen opspoorbare kleur, geen geur, geen bloem, geen wolk, geen vogel, en geen zonne- of maanlichteffecten, die ons gespaard zouden mogen worden.
    De zaak is, dat Felix Timmermans, de wijsheid der diepe levensvreugde ontdekt eenmaal hebbend, zijn Pallieter al te mooi heeft willen maken. Men merkt het vrij spoedig en maar al te duidelijk; want het schaadt niet weinig aan de zuiverheid, aan de gaafheid, ja soms zelfs aan de echtheid van het boek.

    Zoo is het een lief verzinsel, om zijn molenaar de een of andere muziek te laten maken op een stemmingvol uur. Maar Pallieter, behalve dat hij telkens de liedjes zingt, die Timmermans kwijt wou zijn, bespeelt de harmonika, de doedelzak of kornemuse, de hobo, het klokkenspel, en de mondharmonika...... voor zoover ik het noteeren bijhield. Telkens wordt hem iets anders te bespelen gegeven; dat staat alweer rijker en kostelijker. Zoo ook moet Pallieter, op een plaats, waar het volmaakt overbodig is, bellenblazen; maar hij doet het zoodanig, dat wie het vak van bellen-blazen verstaat, er weinig van gelooft. Van die soort loopt er, helaas, door het, overigens zoo malsch-vreugdige boek, nogal wat gezochte en bij-gemaakte fraaiigheid, die in de lotgevallen zelve soms tot aanmerkelijke onwaarschijnlijkheid voert.
    Dit voorbehoud, dat den toekomstigen Pallieter-lezer op zijn hoede moest maken tegen wat kleine teleurstellingen, het mocht niet achterwege blijven. Doch meen daarom niet, dat er over het boek niet méér goeds te zeggen zou zijn dan ik deed.
    Al was het alleen maar om Charlot, de vette Vlaamsche meid, bigot en grof, maar tegelijk zoo danig goed en week van hart. Charlot, als mensch-schepping, overtreft èn Pallieter-zelf èn Marieken verre.

    Maar dan is daar bovendien dat gansche, volle Vlaamsche boerenleven met al zijn goedmoedige oubolligheid, en de verwonderlijk plastische en atmosferische omdichting dier welige Vlaamsche aarde, die – vóór dezen gevloekten oorlog – als een teelgrond van sappige natuurkracht, als een oase van weelderige en vrome zinnelijkheid, lag den oever van dit bedorven en duister Europa.

    *************

    13-07-2018 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    12-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Stamboom van Felix Timmermans

    Felix Timmermans overleed zestig jaar geleden

    Door Gaston Durnez - Uit Het Teken - 79e jaargang, nr. 9, April 2007

    "God ontdekken is zo gemakkelijk als een ei recht zetten"

    Bijdrage van de auteur van de biografie "Felix Timmermans" en mede-stichter van het "Felix Timmermans Genootschap"

    "God ontdekken is zo gemakkelijk als een ei recht zetten"

    Felix Timmermans, "de goede Fé" overleed zestig jaar geleden

    "Ik heb gaarne geleefd, ik zal ook gaarne sterven": schreef Felix Timmermans op het einde van zijn leven in zijn dagboek.

    De succesrijkste Vlaamse letterkundige uit de twintigste eeuw was zestig jaar oud toen hij, zestig jaar geleden, op 24 januari 1947 overleed. Wij mogen gerust zeggen: "toen hij naar de Hemel ging". Hij was een vrome man die oprecht geloofde in de christelijke waarheid die hij in zijn artistieke werk heeft vertolkt. Na een korte crisis in zijn jonge mannenjaren groeide zijn geloof en werd het zijn grote sterkte, op het hoogtepunt van zijn roem in binnen- en buitenland zowel als in de bijzonder moeilijke laatste jaren van zijn leven, toen hij door een hartziekte en door het oorlogswee werd getroffen.

    ********

    12-07-2018 om 20:48 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Timmermans over "De Pastoor uit den Bloeienden Wijngaert
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Felix Timmermans over:

    De Pastoor in den bloeienden wijngaard.

    Uit de Gooi- en Eemlander van vrijdag 18 december 1925.

    In de groote zaal van Concordia, waar geen plaatsje onbezet was, heeft gisteravond Felix Timmermans voor de afdeeling Bussum van de Nederlandsche Vereeniging van Huisvrouwen een lezing gehouden onder den titel "De pastoor uit den bloeienden wijngaard".

    ꞌt Was echter niet alleen over dat ééne werk, dat Timmermans ons vertelde, ook zijn boeken, die aan het schrijven daarvan vooraf gingen behandelde hij, omdat schrijven is als plukken, omdat een boek is als een oogst, het moet gerijpt zijn voordat het is, en de pastoor uit den bloeienden wijngaard is gerijpt uit de voorafgaande boeken. De invloeden werken reeds te voren en dan ten slotte zet men zich aan het werk. Timmermans vertelde van zijn eerste boek de "Schemeringen van den Dood", dat ziekelijk is, dat een paddestoelen-atmosfeer, een kelderlucht ademt. Daar tegenover staat "Pallieter", één jubeling, één stuk levensverheuging en kerngezond.

    "De Schemeringen van den Dood" zijn alléén tragiek; Pallieter is alléén levensvreugde, doch "De Pastoor uit den bloeienden wijngaard" is een mengeling van beide, is èn tragiek èn levensvreugde.
    Over den groei van die werken en zijn eigen innerlijke groei, dat hij twee zoo absoluut tegenstrijdige werken schrijven kon en daarna een boek, dat een evenwichtige samenvloeiing van die beide is, deelde Felix Timmermans ons een en ander mede, door te vertellen gebeurtenissen uit zijn jeugd en jongelingstijd, van zijn ouders, van zijn vader vooral en van menschen met wie hij in aanraking kwam.

    Hij verhaalde van zijn verlangen naar mystiek, toen daar een vriend kwam, een schilder, die wist en vertelde van allerlei "ismen" en Timmermans hoorde graag daar van. " ꞌt Was als een zomervijver, waar hij induikelde en — waar hij bijkans in verdronk". Hij kreeg een tegengoesting van te leven tot dat hij, na een zware operatie zijn eene oog opende — want na een zware operatie opent men niet twee oogen tegelijk — en zag aan het gebaar van het nonneke dat zijn toestand bedenkelijk was. Hij lag daar "met zijn tien teenen naar omhoog, alleen maar om asem uit te blazen" en toen ontwaakte in hem de wil om te blijven leven — "want wie zou er willen sterven?" — de lust om het leven te genieten; geen zoeken naar ismen meer, maar het leven aanvaarden, met beide handen het dankbaar aanvatten als een rijke gave Gods.
    Na zijn herstel stond hij als nieuw geboren in het bloeiende Nethe-land en " ꞌt was als een glasraam, zoo helder". 't Was zóó schoon, dat hij het schrijven wilde in een boek en hij zette zich aan den arbeid en schreef drie schoone bladzijden over het Nethelandschap en den volgenden dag één bladzijde slechts en toen niets meer: hij kon niet want het weer was hetzelfde gebleven, 't Was alles eender als den eersten dag. En terwijl hij zich afvroeg: wat moet ik beginnen als het nu 't heele jaar door zulk weer blijft?, begreep hij dat er een mensch ontbrak in zijn werk. Toen ontstond de figuur van Pallieter, de onsterfelijke levensgenieter.

    Timmermans heeft hem beschreven van zijn geboorte tot zijn dood in een manuscript dat 5 Kg. woog en dat nu rust onder stof op den zolder van zijn woning in het stedeken Lier. Vermakelijk was het, zooals hij vertelde, hoe hij zich Franso gedacht had als een mager man, een schilder, die boven in een molen werkte aan Breughelsche landschappen en hoe hij toen in de werkelijkheid zijn romanfiguur ontmoette, een schilder, die beneden in een molen aan landschappen werkte, maar...... een ton met schuimende krullen en een safraan puntbaardje.

    Van 1910 tot 1914 werkte Felix Timmermans aan Pallieter en juist een kwartierken had hij zijnen naam daaronder geschreven of hij hoorde een trompet en men zegde hem: De oorlog is verklaard. Maar Pallieter was af, gelukkig, want door den oorlog kraakte Timmermans terug in elkaar. Toch heeft hij tijdens den oorlog "Het kindeke Jezus in Vlaanderen" geschreven. Dat leefde onbewust reeds in hem, toen hij nog een manneke was van 7 jaar. Dat was de schuld van zijn vader.

    En Timmermans vertelde van zijn vader — die leek op Bismarck maar vaselienachtiger was —, die met een blauw buis en een rooden zakdoek met witte bollekens en de zijden muts op den kop, op een hondenkarreken ging kant verkoopen op Walcheren en hoe hij dan altijd thuiskwam met iets moois of iets bijzonders: een hoedendoos vol meikevers, of "Russische" rapen, "witte bollen met een staartje van onder en van boven huzaren loof ", die te Middelburg op de markt gekocht waren, maar toch zóó echt Russisch smaakten!

    Timmermans vertelde hoe Vader verhalen deed aan zijn zestien kinderen — waarvan hij zelf nummer 13 is (applaus) — verhalen van Ali Baba, van Moeder de Gans en vele anderen en hoe altijd Vader zelf in het verhaal een rol speelde en hoe hij steeds dan den kinderen een held toescheen. Vader vertelde eens, hoe hij op den weg een oud manneke met een ezeltje was tegengekomen. Op dat ezel zat een vrouw met een wijden kapmantel, waar onder een kindje krijtte. Het oude manneke vroeg vader naar den weg: "Baoske, kunde me ook zeggen waor Egypte is".

    Toen Felix later op school hoorde dat het verhaal gebeurd was in Palestina, kon hij dat niet geheel vatten en in zijn leerboek teekende hij het tafereel zooals 't in Vlaanderen geweest zou zijn. En toen, tijdens den oorlog, zijne schoonmoeder in den donker gebeden zeide: "En Maria ging over de heuvelen naar hare nicht. Wees gegroet. En de drie koningen gingen naar het Oosten. Wees gegroet..... ", toen herleefde vaders verhaal met die tafereelen en ze gebeurden allen voor Timmermans weer in Vlaanderen en met een naald van letterkunde reeg hij ze aaneen tot "Het Kindeke Jezus in Vlaanderen".

    Na de pauze vertelde Timmermans van "Anna Marie"; hoe een weemoedig lied, des nachts gezongen in de straten van Lier, hem bracht op het idee voor den roman, hoe hij de figuren van Pirroen en van v. d. Nast vond in een bijzonder inwoner van Lier en in een familielid nonkel Riek en tenslotte verhaalde hij van "Den Pastoor in den bloeienden wijngaard".

    De pastoor die tevreden leeft in zijn parochie en met zijn wijnkeldertje en die een nichtje heeft, dat een niet-katholieken jongen bemint. De pastoor poogt vergeefs den jongen te brengen tot het geloof en het meisje, vroom katholiek, offert zich op het altaar der liefde en sterft tenslotte.
    Uit dit boek las Timmermans een fragment voor, n.l. dat waar het nichtje Heeroom vertelt van hare liefde voor Isidoor.

    Aan het einde van zijn lezing vertelde Timmermansnog iets over zijn laatste werk. "En waar de ster bleef stille staan", dat ontstaan is naar aanleiding van een liedje dat zijn vader gezongen had en dat hij toen hoorde zingen door een bedelaar en een palingvisscher langs de huizen, Schrobberbeek en Pitje Vogel.
    Met een allergeestigst verhaal hoe deze laatsten voor 3 centen hun dorst leschten aan wel voor 20 franken jenever besloot de heer Timmermans zijne lezing.

    't Ging maar een heel klein beetje over "den Pastoor in den bloeienden wijngaard"; eigenlijk was het meer een lezing "over de werken van Felix Timmermans", maar what is in a name?

    't Was een mooie avond en aan het bestuur van de Bussumsche afdeeling der Nederlandsche vereeniging van Huisvrouwen komt alle eer toe, dat het een lezing van den heer Timmermans op het programma plaatste.

    Nu deze zulk een succes gehad heeft, zullen ongetwijfeld meerdere dergelijke volgen.

    **********

    12-07-2018 om 20:32 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    08-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Felix Timmermans over den Vlaamschen humor
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Felix Timmermans over zijn werk
    en over den Vlaamschen humor.

    Uit Leeuwarder Nieuwsblad van 30 oktober 1925


    Breed geschouderd, 'n vriendelijke forsche kop met 'n groote, zwarte krullebos en 'n paar heldere, telkens van uitdrukking wisselende bruine oogen, dat is Felix Timmermans, de groote Vlaamsche schrijver. En hij vertelde gemoedelijk, zooals hij dat in zijn boeken doet, maar zonder dat zoete, zachtvloeiende van taal, dat zijn geschriften kenmerkt en dat eens een bekend criticus aanleiding gaf hem een woord-virtuoos te noemen. — Zoo eenvoudig verhaalde hij van de boeken die hij "gemaakt" had (wij spreken altijd heel eerbiedig van scheppen) en hoe ze in zijn brein waren ontstaan.

    Hij vertelde van zijn vader, de kantenkoopman, van zijn zestien broers en zusters en van het eenvoudige, blijmoedige Vlaamsche land, zoodat de avond omvloog. Nog al lang bleef de schrijver stil staan bij "De schemeringen van den dood".
    Dat boek, zei Felix Timmermans, dat maakte ik door al dat gepraat van mijn vriend over occultisme, spiritisme en nog een heele massa "ismes" meer. Wat voelde ik me trotsch, ingewijd te worden in de geheimenissen van al die wetenschappen.

    Ik zag er de oplossing in van allerlei levensvragen, ik voelde me superieur, ver verheven boven al m'n stadsgenooten, die van al die mysterieuze dingen niets wisten. Ik ging naar het Trapistenklooster met een heel boekje vol "ismes" in mijn zak en naar het Bagijnenhof, waar ik woonde, keek ik er veel in. Mijn vrienden kwamen, deden de tafel dansen en de stoelen janken! Toen werd ik ziek, moest geopereerd worden en in mij kwam 'n groote angst voor den dood.
    — In die dagen was het, dat ik dat boek schreef. —Naast de vrees voor den dood kwam echter de vurige wensch om te mogen blijven leven in mij op en in dezen gemoedstoestand vielen alle "ismes" van mij af!
    — O, toen ik toen weer beter was, wat een vreugde om het leven steeg er in mij, wat was ik dankbaar en blij! En in die stemming schreef ik Pallieter. Ik heb er lang werk over gehad. Het boek dat gij kent, is n.l. niet de eenige Pallieter. Bij mij thuis, boven op den zolder, liggen nog een heeleboel andere Pallieters, maar dit leek mij tenslotte de beste.

    Na Pallieter schreef ik "Het kindeke Jezus in Vlaanderen". Dat kwam door mijn vader. Vader was een kantenkoopman en als hij terug kwam van zijn reizen, vertelde hij ons vele, mooie verhalen. De meeste menschen beginnen altijd met "Er was eens", maar mijn vader niet, die zei altijd: Ik was eens.
    Hij was de man die roodkapje redde en hij was de man, die de drie Koningen ontmoette in Vlaanderen. Later vertelde mijn leeraar mij, dat het in Palestina was en ik moest 't wel gelooven, anders kreeg ik geen prijzen.
    Maar toen vele jaren daarna in den bangen oorlogstijd mijn schoonmoeder bad: "De drie Koningen zagen den ster; wees gegroet", toen zag ik de drie Koningen niet in Palestina. Maar in Vlaanderen, zooals mijn vader mij vertelde, dat bij ze was tegen gekomen.

    * * *

    Anne-Marie schreef ik na het "Kindeke Jezus in Vlaanderen". Het kwam eigenlijk door een oud portret en een man, die een lied zong in den nacht, stuurde het eerste gedeelte naar Kloos maar die zei heel wat anders dan gewoonlijk, wanneer hij mijn werk ontvangen had; hij zei, dat hij geen tijd had. Dat rook naar iets, ik begreep, dat ik mis was, dat ik den waren draad niet te pakken had. Maar het motief: een vrouw, die van een man houdt, maar moet ervaren, dat hij getrouwd is, bleef en na een tijdje begon ik toch weer met de uitwerking.
    Aan den notaris Pirroen zou ik aanvankelijk maar twee regels te wijden, maar in plaats van die twee regels heb ik het halve aan hem gewijd en ik heb er geen oogenblik spijt van gehad. Hoe ik aan Pirroen gekomen ben? Heel eenvoudig. Ik liep over de markt te Lier en zag een man over den markt stappen, kort en vierkantig als een doos was hij gebouwd. — Dat is mijn notaris dacht ik, daar heb ik hem heelemaal!

    De bij-figuren Van de Nast, Livinus, Corenhemel zijn gedeelten uit menschen die ik gekend heb.

    Timmermans vertelt dan in 't kort den inhoud van "Anne-Marie", dit prachtig werk, vol echt Vlaamsche humor waarin zonder zwaarwichtigheid zonder moeizaam-kervende psychologie, de verborgen roerselen van het zoo ingewikkelde menschenleven worden blootgelegd.
    Anne-Marie is een adellijke jonge vrouw, die, meer nog gedreven door weemoed dan door de erfeniskwestie waarom notaris Pirroen haar naar Lier roept, besluit naar Vlaanderen te gaan en daar een jaar in het stille stadje te gaan wonen. Ze ziet daar onder de Dolfijnen een club van mannen, onder voorzitterschap van notaris Pirroen een die haar bizonder aantrekt, van wien ze gaat houden — te laat echter verneemt zij dat hij getrouwd is — Daar tusschen door speelt de geschiedenis van den notaris, die 20 jaar en langer wacht op zijn Cézarine!

    Na de pauze sprak Felix Timmermans over den Vlaamschen humor, die voor hem niets anders is dan de uitbloeseming van het leven, de kunst om een traan met een lach te vermengen. 'n Vriend van mij heeft 't eens zoo mooi en juist gezegd, zei Felix Timmermans. Hij zei: De humor schiet zijn wortelen in de tragiek van het mensenleven. Het Vlaamsche volk nu is altijd overkarnd geweest met tragiek, het is altijd overheerscht geworden door vreemden, er is veel gestreden en veel geleden. Maar het volk, het Vlaamsche volk bleef, ondanks al die ellende bestaan, omdat het als spek in het zout lag, met welk zout ik bedoel de levensvreugde, zonder welke het zeker ten onder zou zijn gegaan.
    De verpersoonlijking van die levensvreugde is "Reinaart De Vos", de verpersoonlijking van den echt Vlaamsche humor Tijl Uilenspiegel. En dan hebben wij nog Pieter Breugel. Wat 'n levensverheuging gaat er van hem uit!

    En nu ging Felix Timmermans eenige uitingen van echt Vlaamschen humor vertellen en de menschen lachten, lachten zooals erbij ’t Nut — Felix Timmermans sprak gisteren voor de maatschappij tot Nut van ’t Algemeen — in langen tijd niet gelachen is.

    Een voorbeeld: Twee mannen met een vaatje jenever 't veld in om de boeren die in 't hooiland stonden, n borrel te schenken, maar het ging regenen, de boeren trokken naar huis en hadden geen behoefte aan 'n borrel. De mannen rolden 't vaatje weer stadwaarts, hadden zelf verbazend veel trek in een glaasje, maar durfden 't elkaar niet bekennen. Eindelijk diepte de een drie centen — de prijs van ’n borrel — uit zijn broekzak en kocht er een glaasje van zijn makker, die, zoodra hij de drie centen had, voor dat geld 'n borrel van den ander kocht, die op zijn beurt voor dezelfde 3 centen weer een borrel van hem kocht en zoo ging 't door tot het vaatje leeg was!

    En wat is er gelachen om de grappen van pastoor Van Aken, die door zijn ambtsbroeders gewaarschuwd werd voor een vrouw, die altijd, altijd maar kwam biechten en nooit uitgepraat raakte. «Bij» mij komt ze maar één keer", zei pastoor Van Aken. De vrouw kwam, praatte drie kwartier aaneen en toen ze eindelijk vroeg: Hoe vindt u 't, mijnheer de pastoor? kreeg ze geen antwoord. Mijnheer pastoor hield zich slapende.

    Het Vlaamsche volk, besloot de heer Timmermans feest, feest altijd door, om iedere kleinigheid wordt alles en ieder bij elkaar getrommeld en men feest, Daar gewoonlijk hebben die feesten toch wel 'n godsdienstigen grondslag. Hartelijk toegejuicht verliet de heer Timmermans 't podium. — 't Nut had een prachtigen avond gehad.

    ***********

    08-07-2018 om 21:03 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Adagio - Lia Timmermans

    De "Adagio"-gedichten van mijn vader.

    Door Lia Timmermans - Tekst van een voordracht door schrijfster gehouden te Averbode op 3 October 1952.

    Vele mensen hebben gedacht dat vader in de laatste jaren van zijn leven een weemoedig, triestig, gebroken en ineengestort mens is geweest. Ik durf daar vlakaf op antwoorden dat juist in die laatste jaren van zijn leven en zelfs nog méér naarmate zijn einde naderde, vader het diepste en het meest echte geluk heeft gekend van heel zijn leven, en dit trots alle uitwendige moeilijkheden, ziekte en allerlei beproevingen. Moeder en wij hebben dat gezien en ondervonden, alhoewel wij toen niet wisten wat de oorzaak er van kon zijn.

    Deze bewering zou ik ook kunnen staven met aanhalingen uit dagboeken, uit annotaties en met woorden, die hij ons heel terloops heeft toevertrouwd. Vele daarvan zijn ons slechts achteraf duidelijk geworden, bijzonder als wij die onder elkaar zijn gaan verbinden, en meest nog als wij heel aandachtig de verzen van Adagio zijn gaan lezen.

    Die verzen van Adagio liggen ook in uw bereik, in ieders bereik en daarom wil ik ook alleenlijk over die verzen spreken.

    * * *

    Als wij de culturele geschiedenis van Vlaanderen ontleden en, zo ineengedrongen mogelijk trachten te resumeren, dan vinden wij bij de Vlamingen twee diepe karaktertrekken — en daar zijn alle cultuurhistorici het over eens: — de Vlaming is een natuurmens en een mystieker.
    Als ik zeg: een natuurmens, dan bedoel ik een natuurlijk mens, een mens die leeft volgens zijn natuur, die leeft zoals hij gemaakt is, iemand die zijn zintuigen gebruikt, zijn ogen en oren, zijn neus en mond, handen en voeten; een mens die tot de natuur gaat en ermee verbonden is.
    En een mystieker. Niet de mystiek in de profane, overigens valse betekenis, die het woord gebruikt om een romantisch-godsdienstige en half-mysterieuze atmosfeer te bedoelen. Maar wel de echte mystiek, die in haar kortste definitie eenvoudig wil zeggen: (althans voor het eerste stadium) het lijdelijk ondergaan van de werkingen der genade en in sommige bevoorrechte gevallen het bewustzijn van de tegenwoordigheid van God in de ziel.
    Deze twee elementen, natuur en mystiek zien wij vanzelfsprekend het best en het rijkst ontwikkeld in de meest glanzende periode van onze geschiedenis. Onze primitieve schilders hebben steeds in hun godsdienstige taferelen die natuur uitgebeeld met een rijkdom en een juistheid van zinnen nooit door vreemde schilders geëvenaard. Als ze op het voorplan de kruisafdoening voorstellen, staat er op het achterplan een hele stad gebouwd met torens en kantelen en uit de open stadspoort komen reeds Jozef van Arimathea en de heilige Vrouwen aandragen met de balsempotten en linnen windsels.

    Zit op het voorplan de Moeder van Smarten met haar dode Kind op de schoot, dan is de achtergrond een zomers, heuvelend, Brabants landschap.
    Van vóór : St. Jan op het eiland Patmos, verslonden in zijn apocalyptische vizioenen; achter hem: weiden en beekjes, en hoog in een berkenboom zit een vogeltje te fluiten.

    Onze middeleeuwse dichters en mystieke schrijvers van hun kant, hebben ook niet nagelaten in hun verheven gedachten en bespiegelingen steeds mens te blijven en zij gaan hun vergelijkingen zoeken in de natuur en in het dagelijks leven van de mensen. En hier denk ik te mogen zeggen dat ook vader in deze zin, op het einde van zijn leven, een volledig Vlaming geworden was.

    Dat vader een hevige bewonderaar der natuur is geweest en er in heeft meegeleefd weet iedereen.
    Zijn mystieke neigingen en zelfs, tijdens de laatste jaren, zijn mystieke toestand, vormen echter een onderwerp dat uit de aard der zaak altijd discreet en zelf secreet is gebleven. Zelden of nooit heeft hij daar iemand over gesproken. Over de meest intieme bewegingen van zijn ziel was hij toch altijd weinig mededeelzaam en heel gereserveerd — alweer een trek van de Vlamingen.
    En het is slechts op het einde van zijn leven, pas als hij het einde voelde naderen, dat hij daar een en ander van heeft willen vrijgeven. Het was met stukken en brokken dat hij nu en dan, als hij zich iets beter voelde, op een stukje papier, op een hoekske van de tafel of rechtzittende in bed, een klein gedichtje neerschreef.
    Over de poëtische waarde van deze gedichten zal ik hier niet spreken, maar alleenlijk over de inhoud.

    Vader heeft zich altijd geïnteresseerd voor de mystieke schrijvers in 't algemeen, wat gelezen in Joannes a Cruce, iets van Theresia van Avila, dan eens een stuk uit Ruusbroec, maar voor zover ik weet heeft hij nooit de mystiek bestudeerd als wetenschap.
    Over mystiek schrijven of mystieke beleving weergeven, vooral in de ik-vorm, veronderstelt ofwel een grondige studie der mystieke theologie ofwel persoonlijke ervaring .... Alle schrijvers zijn het daarover eens. Poulain zegt zelfs dat wij het onmogelijk kunnen zonder het ondervonden te hebben, daar de fouten en de verkeerde toon dadelijk zouden opvallen. Ook de verbeelding en voornamelijk de verbeelding is onmachtig de mystieke vereniging na te bootsen, vermits zij niets anders kan dan tastbare beelden weergeven, hetgeen volledig het tegenovergestelde is van de staat waarover het hier gaat.
    Het geheel van de mystieke elementen, als ik het zo mag uitdrukken, of liever de weergave van de verschillende kenmerkende elementen van de mystieke toestand is in Adagio nu zó gevarieerd en zó volledig en tegelijk zó verspreid over verschillende plaatsen van het boekje, dat het niets anders kan zijn dan de werkelijke weergave van een persoonlijke experimentele toestand.

    De persoonlijke ervaring en meteen het Vlaams karakter komen des te duidelijker naar voren daar de weergave van de mystieke bevindingen verweven is in een hele serie natuurintermezzo's.

    Ik bedoel hier de gedichten:

    "Met rood en blauw op gouden grond maal ik mijn engelen en Madonennen .... ";
    "De sterren ranken rond mijn venster rein met de rozen saam ...";
    "Maria zingt in gouden avondstond met blanke kele .  ..";
    het Hert van Sint Huybrecht, met het kruisbeeld in zijn gewei;
    het gedicht over Sint Franciscus en zijn stigmata;
    het gedicht van Sint Sebastiaan met pijlen doorboord;
    het gedicht van de Eremijt en dat over de Emmaüsgangers.

    Het zijn bijna allemaal taferelen zoals onze oude Vlaamse schilders die met voorliefde hebben behandeld. Van deze schilderachtige gedichten met godsdienstig onderwerp, die ik natuurintermezzo's heb genoemd omdat ze geen positief mystieke gedichten zijn en tussen deze laatste zonder orde verspreid liggen, zijn er toch nog een vijftal die eindigen met een toespeling op eigen zieletoestand en die, als tegen wil en dank, toch uitvloeien in eigen mystieke bevindingen.
    Zó b.v. het gedicht van "Het Hert van Sint Huybrecht", dat op het laatste ogenblik nog voor de dodende pijl is gespaard gebleven door de verschijning van het kruisbeeld in zijn gewei:

                   Nu ik U heb gekend en dienend mogen dragen

                   wordt mij de dood, dien ik steeds vreesde, zoet,

                 en loop ik fris en hopend door de dagen

                 de hoornengalmen tegemoet.

    En ook het gedicht van "De Eremijt" — het is een tafereel van Hieronymus Bosch.

                   Soms, als door d' hel en God uiteen gescheurd,

                 ben ik de speelbal van twee machten.

                 Ach, lijk de maan zich hoven d' aarde beurt,

                 zo lacht een rappe dood als troost in mijn gedachten.

                 Vergeef mijn zwakheid. Heer! Doch zo Uw hand

                 zich over mij houdt zal ik niet versagen,

                 want 'k wil de vlinder zijn, die zich in U verbrandt.

                 Maar ach, mijn God, wat zijt Gij zwaar om dragen!

    Steeds hier en daar in kleine details, temidden der zielservaringen vindt men nog de eigen beeldenkeuze, de eigen toets van vaders schrijfwijze:

                  "Een ganzendriehoek in de luchten

                 nu komt de wintertijd....".

                 "Ik ben de stenen pijp, die ieder uur kan breken,

                 en eiken dag voor U een nieuwe zeepbel blaast".

                 " 't Is of de dag in alle vlijt

                 met een oneindigheid van priemen

                 de grijze pij van mijnen deemoed breit"

    * * *

    De mystieke toestand is verschillend in ieder afzonderlijk geval en is anders bij elke mens. Hij is Gods werk.
    "Het is God, die de ziel tot de beschouwing roept. In deze heeft de ziel noch eigen initiatief noch eigen werkzaamheid. God werkt in haar terwijl zij zich passief houdt", zegt de Heilige Joannes a Cruce.
    De mystieke toestand is een proefondervindelijk kennen van God. Het essentieel bestanddeel ervan is de lijdelijkheid, de passiviteit, waar dikwijls nog aan toegevoegd wordt de genade van het bewustzijn van Gods tegenwoordigheid.
    Die passiviteit bestaat in de gebondenheid der vermogens van de ziel, de gebondenheid van de geest, van de verbeelding, van het redeneringsvermogen, van de opmerkingsgave en het geheugen.
    Dat wil daarom niet zeggen dat deze vermogens inactief zijn in de zin van "dood" of "ingeslapen", maar wel dat ze niet werken uit eigen initiatief; dat integendeel God de plaats van de mens inneemt als drijfvermogen van wat er in hem omgaat. Het is als het ware een "negatief zien"

    Bij die beschouwingen beleeft men tegelijk een tweevoudig gevoel: genot en angst.... Onuitsprekelijke blijdschap om de tegenwoordigheid van de goddelijke Gast en een bang beklemmend gevoel, wijl men hem nog niet volkomen bezit. Nu eens genot, dan weer angst. Nu eens duisternis, dan weer bovenmatige liefde tot God, die men niet onder woorden kan brengen. De beschrijving ervan blijkt onuitsprekelijk te zijn.
    Zulk een toestand kan natuurlijk niet bestaan zonder dat zekere voorwaarden vervuld zijn. Er is zuiverheid van hart nodig, progressieve onthechting aan alles, en zuiverheid van geest, want nieuwsgierigheid, verwarring en verstrooiing leiden de ziel af van haar gemeenschap met God. Er is een grote deemoed nodig en nederigheid, en dit intiem contact vraagt vroom stilzwijgen. Volgens Joannes a Cruce is het een doorslaand bewijs van naaste roeping tot mystieke beschouwing "wanneer de ziel haar behagen vindt met God alleen te zijn". Sprekend over deze gedichten van mijn vader, zal ik hier niet trachten uit te maken of hij verheven werd tot de eigenlijke passiviteit, zoals die door de mystici wordt beschreven, of dat hij nog maar gekomen was tot de toestand van "gebed van eenvoud".

    Het gebed van de ziel in die toestand wordt uiterst eenvoudig. De eenvoudige blik van de ziel wordt herhaaldelijk en bijna uitsluitend op God gericht en de ziel verkeert in een toestand van dorheid. Dorheid, die nu eens zacht en rustig is, doch meestal bitter en pijnlijk. Deze dorre rust wordt door de mystieke schrijvers gewoonlijk genoemd: de nacht der zinnen. Deze heeft tot doel de ziel aan al het gevoelige te onthechten. Bij deze dorheid komt een pijnlijke, altijd gevoelde behoefte aan een steeds inniger vereniging met God. Hierbij komen de beproevingen, die verschillen van mens tot mens en een algemene; loutering, voor iedereen dezelfde.
    In vaders geval waren het op het einde van zijn leven, een zware ziekte en vele moeilijkheden, die waarschijnlijk het uitgangspunt geweest zijn van die nieuwe richting in zijn leven.
    De ziel leert bij ervaring zichzelf en haar ellende kennen. Haar kennis van God wordt zuiverder.
    Nu en dan ontvangt zij geestelijke vertroostingen, waarvan de grootste en gelukkigste die is waarin God zijn tegenwoordigheid laat voelen.

    Dit gevoel kan zelfs zó ver gaan, dat het de indruk geeft van een doordringen, een versmelten en een verzinken in God, zoals Tauler dat uitdrukt in zijn Institutiones: "De geest is ondergedompeld en als opgeslorpt in de volle zee, in de afgronden van de goddelijke oceaan, zodat men wel mag uitroepen: God is in mij! God is buiten mij! God is overal rond mij. God is helemaal van mij en ik zie niets dan God! "

    * * *

    Er zijn natuurlijk nog vele andere vormen en verdere graden in de mystieke vereniging, want dit alles vormt nog maar slechts een begin.

    Laten wij nu terugkeren naar Adagio en het even doorbladeren. U zult zien dat vele van die gedichten tot God gezegd zijn. Of, als ze beginnen over een of ander bepaald onderwerp, verlaten zij dit al gauw om weer te eindigen met God aan te spreken. Dat is ook niet te verwonderen. Wij hebben immers altijd geleerd dat het gebed essentieel bestaat in het contact van de ziel met God. Gezien nu de mystiek hoofdzakelijk bestaat in de passiviteit en de bewuste tegenwoordigheid van God in de ziel, is het dus wel in het gebed dat die ziel de tegenwoordigheid van en de vereniging met God zal zoeken.

    Als deze gedichten dus op een gebed eindigen of helemaal in gebedsvorm geschreven zijn en anderzijds toch ook de stempel dragen der beproevingen en ziekte die vader in die jaren heeft ondergaan, is het wel een zeker teken dat zij zijn zielstoestand van die laatste jaren getrouwelijk weergeven, te meer daar wij er die klare ontwikkeling in kunnen volgen welke helemaal overeenkomt met de evolutie van de ziel zoals de mystieke schrijvers die gewoonlijk uitleggen.

    Ik ben er bijna zeker van dat vader er zich theoretisch hoegenaamd niet van bewust was en zelfs niet vermoedde in welke toestand of graad van mystieke vereniging hij zich bevond, wat voor hemzelf trouwens helemaal overbodig was. Daarom staan de gedichten door elkaar en moeten we, om de verschillende kenmerken van die mystieke toestand weer te vinden, van de ene plaats in het boekje naar de andere gaan zien. Het feit dat hij zich van die toestand niet bewust was, pleit nog eens voor de echtheid ervan.

    Er is eerst een grote introversie waar te nemen: de mens die zich naar binnen keert en ziet dat hij zo lang gewacht heeft om het juiste, echte licht te vinden en te laten ontvlammen: 

    "De blaadren rijzen door den stuggen nevel,

    er zijn geen klanken meer, er is geen lied,

    slechts in het dorre riet een vroom geprevel.

    Nu komt de tijd dat men naar binnen ziet. 

    Het leven vlood en das blijft in onz' handen,

    't verlangen stijgt om mede te vergaan.

    Doch in den weemoed blijft één lichtje branden, 

    het licht dat w' in den zomer overslaan,

    waarvoor wij slechts, tot onze scha en schande,

    rondom den wintertijd om olie gaan".

    Het is hier wel degelijk de opgang naar God:

    "Door de neevlen van den avond

    pint de horen van de maan.

    'k Wacht hier op de leege baan

    om met U, stil in Uw schaduw

    mee naar Emmaüs te gaan"

    Terzelfdertijd komt reeds het boven aangehaalde kenmerk mee te voorschijn:

    "die met der zon luidruchtigheid voor de ziel,

    in bont en dwaas gedoe verviel,

    en nu bezinkt, vervuld van spijt,

    en het berouw voelt kiemen ....

    't Is of de dag in alle vlijt,

    met een oneindigheid van priemen

    de grijze pij van mijnen deemoed breit".

    Die deemoed, die nederigheid is een eerste vereiste. Men kan God niet zien zolang men nog zichzelf in 't oog houdt:

    "Ach, ik weet het, 't kan niet helpen,

    eerst moet ik den trotsen muur

    van mijn eigen ik afbreken,

    en dan slaat dat zalig uur".

    Dat afbreken van het eigen ik moet vooral voor een kunstenaar, zoals U wel kunt vermoeden, bijzonder pijnlijk geweest zijn:

    "Dat is juist mijn angst en zorge,

    en dat is mijn laffe pijn,

    dat Gij dan te groot geworden

    ik mij zelf niet meer zou zijn".

    Eens echter dat hij een glimp van Gods schoonheid heeft kunnen bevroeden, dan valt de zelfverloochening niet zo zwaar meer:

     "De schoonheid droomt van boom tot boom,

    doch alle schoonheid zal verdwijnen,

    want alle schoonheid is slechts droom,

    maar gij zijt d' Eeuwigheid!

    Heb dank dat Gij mijn weemoed wijdt

    en zegen ook zijn vruchten"

    Die zelfverloochening en zuivering moet echter, lijk de mystieke leraars steeds beweren, de hele tijd van de evolutie doorgevoerd worden:

    "Mijn ziele, dwaas van zangen en verlangen

    geraakte in 't sterrenweb van Uwen nacht gevangen.

    O Heer!

    'k Voel mij verzengeld tussen aarde en Hemel hangen,

    en 't doet zo zeer".

    Zo ook komt heel natuurlijk verder in het boek ditzelfde thema weer:

    "Ik sta weer moederziel alleen,

    een arme mens in zak en asse,

    die angstig op zijn ziel moet passen,

    zo wordt zij door de stof verdwaasd.

    Hoe kan een mens zo in elkander steken?"

     Het wordt soms nog eens lastig en telkens is Gods hulp daarbij nodig:

    "Het ligt zo zwaar op mijn gemoed,

    alleen kan ik het niet bewerken;

    maar, als God mij een teken doet,

    zal mij dat troosten en versterken.

    Dan wordt het goed! "

    Het wordt soms zelfs heel zwaar te dragen:

    "Soms, als door d' hel en God uiteen gescheurd,

    ben ik de speelbal van twee machten.

    Ach, lijk de maan zich boven d' aarde beurt,

    zo lacht een rappe dood als troost in mijn gedachten.

    Vergeef mijn zwakheid. Heer! Doch zo Uw hand

    zich over mij houdt zal ik niet versagen,

    want 'k wil de vlinder zijn, die zich in U verbrandt.

    Maar ach, mijn God, wat zijt Gij zwaar om dragen! "

    Het zware wisselt dan af met de vertroosting en alles wordt weer eenvoudig. Het is een klassiek verloop van zulk een toestand:

    "En luister nu, hoe alle dingen zingen,

    en alles zingend in elkaar vervliet,

    de mensen en de dingen,

    de vreugd, het kwaad en het verdriet,

    lijk duizend schoon accoorden

    van een en 't zelfde lied!

    O zalig uur, waarop de ziel, gerijpt

    van zangen, zonder beeld of woorden

    Gods wil begrijpt! "

    De kern van heel de zaak, de basis zoals wij hoger zagen, blijft immer de vereniging met God en de eerste stap, de eerste gewaarwording, als ik het zo mag zeggen, is het verlangen naar die eenwording:

    "Als betoverd aangetrokken,

    draai ik immer rond Uw schijn,

    aarzelend en toch verlangend

    vlam van Uwe vlam te zijn".

    Hij weet dat in die eenwording alles is vervat en alles is bereikt en het hoogst denkbare geluk geschonken wordt:

    "Met U zijn er geen verten meer

    en alles is nabij.

    Des levens aanvang glinstert weer,

    geen gisteren en geen morgen meer,

    geen tijd meer en geen uren,

    geen grenzen en geen muren;

    en alle angst voorbij,

    verlost van schaduw en van schijn,

    wordt pijn en smart tot vreugd verheven!

    Hoe kan het zo eenvoudig zijn,

    Hoe kan het leven Hemel zijn,

    met U, o kern van alle leven!"

    En ook in het volgende gedicht:

    " 't Geheim blijft tot de nacht behoren,

    waarin ik ben ontstaan,

    tot, opgeslorpt, in schijn verloren,

    in 't licht vergaan

    in U ik word herboren! "

    Het is wel helemaal zoals we het hoger aanhaalden uit Tauler en nu door vader op een meer dichterlijke manier wordt gezegd:

    "D' aarde slaapt vol donk're kracht,

    milde sterren blinken

    en de melkweg nevelt zacht.

    'k Voel mij diep in God verdrinken

    Ach, hoe heilig is de nacht".

    Hij moest dan zeker af en toe het geluk smaken dat op dit lang verwachten volgen moest, alhoewel deze bijzondere gaven steeds genade zijn, steeds onverdiend:

    "Ik heb zo lang naar U getracht,

    zoals de arme kranke wacht

    naar 't krieken van den morgen".

    Dat hij de tegenwoordigheid van God in zich werkelijk gevoeld heeft, blijkt uit verschillende bladzijden, waar hij schrijft:

    " 'k Zocht U altijd buiten mij,

    tot het leven mij verwondde,

    en ik U, o zaalge stonde,

    in mij zelven heb gevonden!"

    " ꞌk Huiver van ontzag en glorie

    als ik U in mij herken"

    En op een andere plaats:

    "Ik hoor U door mijn hart en door de rieten zuchten…"

    "Hij is in ons! In ons! Zo is het goed!

    En laat ons zwijgen en verlangen"

    En zelfs als tijdelijk dit godsgevoel verdwijnt, laat het nog steeds zijn zalige invloed na:

    "Dit was het wonder.

    Wij stonden weer alleen,

    doch vouwden blij onzꞌ handen.

    Het was alsof Hij door ons heen verdween

    en 't licht in ons is blijven branden.

    Blijf zo in ons, o Heer, de zon gaat onder! "

    En op een andere keer:

    "Nu 't stil is, wordt mijn ziel de zeekinkhoren

    waarin ik God, die door de Heemlen bruist,

    beluister, en zijn hoog bestaan kan horen!

    O broos geluk, dat in mijn ziele suist,

    en uit wat stilte en weemoed wordt geboren,

    maar door dit hart straks weer zo snel verhuist".

    Hier zou ook wel kunnen verwezen worden naar hetgeen de mystieke schrijvers gewoonlijk noemen "de vijf geestelijke zinnen", doch dit zou ons misschien te ver voeren als we dit hier in détails wilden uitzoeken en aantonen.

    Midden in dit alles komen steeds momenten en zelfs perioden van duisternis. Het wordt onverstaanbaar, het gaat op en neer:

    " 't Licht gaat uit en 't licht gaat aan...."

    Er is liefde, rust, er komt hoog geluk, er komt weer lijden. Er moet een lange weg worden gegaan:

    "Hoe loopt de weg door de woestijn

    naar Uw Beloofde Landen?

    Er is veel dorst, er is veel pijn,

    maar weinig troost voorhanden.

    Wij kwamen in 't begin der wegen

    de kloeke druivendragers tegen,

    en vroegen toen reeds: Is 't nog ver?

    Zij wezen met kort duimgebaar,

    alsof het nog een boogscheut waar,

    naar d' Avondster.

    En 't land werd niet gevonden.

    Maar ꞌt heimwee blijft, spijts twijfel, nood

    en ijdelheid en zonde.

    Begint het soms in 't aanschijn van den dood?

    Men zegt: Wie God wil zien moet sterven

    Of loopt de weg doorheen de grot

    van onze ziel, waarin Gij waakt, mijn God?

    Dan valt de schone hoop in scherven,

    want dan begint de weg van her....

    Dan was het nooit zo na, mijn God,

    maar ach, ook nooit zo ver! "

    En juist die toestand waarvan de Mystiekers spreken en welke in die perioden vaak voorkomt, geeft hij op een paar plaatsen weer:

    "Ik weet het niet, ik vind geen naam,

    ik krijg het met geen woorden saam

    wat er nu omgaat in mijn ziele.

    Is het soms blijdschap? Is 't verdriet?

    of allebei? En ook weer niet.

    Ik kan slechts zwijgend knielen".

    Maar als Gods genade blijft, dan kan er niets de opgang van de ziel nog stuiten:

    "Indien Gij U verborgen houdt,

    al lokkend achter 't doornenhout,

    't mag steken en 't mag kerven,

    dan zal ik dóór de dorens gaan,

    al kwam ik bloedend bij U aan,

    'k wil in Uw liefde sterven"

    En ook:

    "Uw schoonheid heeft mijn rust verstoord

    en jaagt mijn ziel gedurig voort.

    'k Ben niet meer 't zelfde wezen.

    Uw liefde steekt mij als een piek,

    O zoete pijn, zij maakt mij ziek;

    toch wil ik niet genezen"

    (Adagio in het Duits en Litouws)

    Zelfs wat de mystiekers "De nacht der zinnen" noemen zoals wij hoger hebben aangehaald, komt duidelijk in dit gedicht naar voren:

    " 't Gebergt ligt in den nacht verborgen,
    maar d' hoogste toppen zijn verlicht;
    zij zien het worden van den morgen
    in 't aangezicht.

    Zo glinsteren de kristallen tinnen
    van mijne ziel in Gods gelaat,
    terwijl zij zelf in nacht der zinnen
    verloren staat"

    En verder:

    "De nachtziel zingt haar levensdank,
    doorheen uw hart; gij zijt de klank,
    de fluit van haar refreinen;
    noch klokken, orgels of klaroen
    heeft zij voor instrument vandoen,
    gij zijt haar bidfonteine".

    Van deze aardse vereniging met God gaat heel natuurlijk de gedachte van de ziel en haar verlangen naar de vereniging met Hem in de hemel, die eeuwig duren zal:

    "O mocht mijn ziele hoog en zuiver branden

    zoals de maan thans neerblinkt op het dal,

    wanneer ik uit de nauwe wanden

    des levens, naar de landen

    van Uw Belofte stijgen zal".

     

    "De kern van alle dingen

    is stil en eindeloos.

    Alleen de dingen zingen.

    Ons lied is kort en broos.

     

    En donker zingt mijn bloed,

    van heimwee zwaar doorwogen.

    Ik zeil langs regenbogen

    Gods stilte tegemoet"

    Een laatste facet nog wil ik hier aantonen waaruit blijken mag dat vader — hij die gedurende zijn leven ons zoveel schone dingen gaf en van zijn rijkdom mededeelde — ons ook nu in zijn geluk wil betrekken:

    "De Geest waait waar hij wil

    en staat nooit stil.

    Nu eens bij u, dan bij een ander.

    Waarom bezien wij zo elkander?

    Zie, wat bij u is, is bij mij.

    't Komt uit hetzelfde klaar getij,

    gelijk de waatren van de beken

    zich voeden aan denzelfden stroom

    of uit dezelfde bronne breken.

    Wij zijn de takken van één boom,

    van 't zelfde huis de gangen,

    de aders van het eendre bloed.

    En of de geest met vlam en zangen

    bij u nu, dan bij mij verwijlt,

    of weer verterend naar een ander ijlt,

    Hij is in ons! In ons! Zo is het goed!

    En laat ons zwijgen en verlangen"

    En verder:

    " 'k Zou van mijn woorden, van mijn taal

    een glinsterende schaal

    van 't puurste maaksel willen gieten,

    waarin ik Uwen eeuw'gen naam

    met al zijn diepte en schoonheid saam

    zou kunnen laten vlieten,

    en hem als kostelijken wijn

    aan and'ren doen genieten"

    Op het einde van zijn leven heeft vader eens aan een vriend gezegd: "gedichten maken dat is bidden".
    Nu pas kan men dit begrijpen en kan men zeggen: Vaders gebeden zijn deze gedichten geworden. Gebed is contact met God. En het is juist omdat hij gekomen was tot zo een hoog gebed en het in dat contact met God zó ver heeft gebracht, dat hij deze gedichten heeft kunnen maken. Het zal misschien bij sommige mensen verwondering wekken en hun in 't eerst onverstaanbaar en onverenigbaar blijken, dat dezelfde mens, die Pallieter schreef, op zekere dag Adagio componeerde. Ik kan daar slechts op antwoorden in de zin van de oude Vlaamse spreuk; "Gods wegen zijn wonderbaar" De weg die vader heeft afgelegd is tamelijk lang geweest en wij kennen uit de geschiedenis meerdere gevallen waar de weg véél korter was of de twee uiteinden veel verder van elkaar af lagen. Het slot van Adagio heeft vader niet op het laatste blad geschreven maar op de titelpagina. Dit vers is de korte inhoud van Adagio; het is ook de korte inhoud van heel vaders leven en betrachten. Het is de finale en klinkt zo:

     "Ik ben een snaar op Uwe harp,

    en wacht naar 't roeren van Uw vingren,

    om ook mijn klank doorheen ’t gerank

    van Uwe symphonie te slingeren"

    *****************

    14-05-2018 om 21:44 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    20-04-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De nachtelijke Dauw - Felix Timmermans
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    DE NACHTELIJKE DAUW.

    Door Felix Timmermans uit Vlaanderen roept.
    Hoe betooverend deze aanvang van een sprookje, waarin een aardmannetje za
    l pogen de juweelen van het viooltje te stelen, — tot ze, in zijn hand, in een water druppel veranderen!

    Toen de witte Winter gesmolten was en uit het land wegdreef langs de beken en de rivieren naar de zee, was het kaal, dor en verlaten over de wereld. O. L. Heer stuurde dan de Lente naar beneden, om aan bosch en beemd, veld en weide een schoon uitzicht te geven.
    De Lente is een vermenigvuldiging van kleine, lieve maagdekens, die bezonder uitbundig, onervaren en speelziek van aanleg zijn. Daardoor konden zij de opdracht van versieren en besmukken niet naar den juisten zin gedaan krijgen.
    Doch Moeder Zon kwam meehelpen, om met haar licht en hare warmte, de teere bloemen en broze gewassen te beschutten, die de lentemaagdekens zoo maar ordeloos en roekeloos aan de boomen en struiken gehangen, en in de bosschen en weiden gestrooid hadden.

    Men zou er anders wat van beleefd hebben.

    En als dan alles in schoonen bloei te pronken stond, gingen die mejuffrouwkes, moe van spelen en fikfakken, onbekommerd op een wolk liggen slapen, en lieten aan Moeder Zon alleen het verdere werk over. Zoo zijn nu eenmaal alle Juffrouwkens. Toen het dan avond wierd en Moeder Zon ook gaarne een oog had toegedaan, riep ze hare trouwe meid, Mie Maan, om over de schoone bloeisels te waken, en ze met het een of ander spel bezig te houden. En als Moeder Zon dan in hare slaapkamers was, riep Mie Maan haren ouden vriend Menheer van der Dauw, de diamantslijper, en ze vroeg of hij de bloemen en de kruiden eens zou willen versieren met zijn kostbare edelgesteenten.

    — Ik vraag niet beter, zei de grijze Mijnheer van der Dauw, en het duurde niet lang, of hij begon in het licht van Mie Maans gezicht zijn schitterende briljanten uit te deelen. De rozen in den tuin van het kasteel wilden de grootste en de meeste hebben. En ze kregen ze.

    Toch verwekte dit bij de andere bloemen niet de minste afgunst. Voor die andere bloemen zijn de fiere rozen slechts parvenus, nieuwe rijken, die hunnen tijd vergeten zijn, toen ze met hun takkken van zeven blaadjes (nu hebben ze er vijf, dat schijnt voornamer) met een simpel bloemkelksken, ergens aan een beek verloren stonden.

    Nu hangen ze de groote Madame uit, blazen zich op, voorzien zich van scherpe sporen als hanen of ridders, dragen een hooveerdige papillottenkrul, en laten zich zonder blikken of blozen «de koningin der bloemen» noemen. Ah! Ah!

    Allemaal valschen hoogmoed, want zonder hulp van menschenhanden, die hen snoeien, enten, koppelen, en wat nog allemaal, zijn ze niemendalle. Zie maar eens, als ze wat verwaarloosd worden door menheer de hovenier, de mensch die de bloemen anders wil, dan komt hunne wilde natuur weer boven en kunnen ze de teekens van hunne geringe afkomst niet verloochenen. Dan schieten er, van onder aan den stam, weer een of meer wilde scheuten te voorschijn, met takken van zeven blaadjes en met een bloemeken waar men meelij bij bekomt. Als niet eens komt tot iet! Neen, dan maar liever : zijn| wat ge zijt, en vrij en ongedwongen in de open en goede natuur op eigen handje zorgeloos open te bloeien.

    Geen rijker kroon dan eigen schoon!

    Doch voor Menheer van der Dauw is een bloem een bloem, en als ze maar niet van papier zijn, geeft hij zooveel juweelen als ze maar verlangen. « Ieder zijn smaak, » zegt hij in zich zelf.

    En zoo versierde hij de rozen in den tuin, de beemden, de bloemen aan de rivieren en trok het bosch in. Daar had hij ook zijn werk met uit te deelen. En weldra waren varens, sleutelbloemen, madeliefjes, lelietjes, en anderen, ieder naar zijnen stand en verlangen met de schoonste briljanten, die men zich denken kan, veredeld en versierd. Mie Maan goot daarover haar zilver licht, en al die edelsteenen blonken zoo geheimzinnig schoon, lijk de sieraden van een prinsesje uit een sprookje.

    — Moeder Zon zal blij zijn, zei Mie Maan tegen Menheer van der Dauw, als ze morgen wakker wordt, en al hare lievelingen zoo prachtig uitgedost ziet.
    — Zonder dank, steeds tot uw dienst, zei de oude diamantslijper en meende al voort te gaan. Maar hij bleef staan en snuffelde.
    — Wat is me dat voor een fijnen geur, zei hij. Hij zag rond, zocht, bukte zich, en daar zag hij in de diepe schaduw tusschen gras en kruid, een purper bloemeken weggedoken.
    — Wie zijt gij ? vroeg Menheer van der Dauw, zijt gij het viooltje niet?
    — Ja, menheer, zei een klein bloemeken, ik ben het viooltje.
    — Ik wist al niet wat ik miste, zei de oude, die schoone kleur en die uitgelezen reuk.

    Men moet waarlijk met zijnen neus over den grond kruipen om u te vinden.

    Waarom zit gij daar dan toch zoo stil verdoken, lief ding?

    — Wel, menheer, lei het viooltje uit, ik ben opengebloeid toen O. L. Heer met Goeden Vrijdag op het kruis gestorven is. Daarom heb ik een purper kleedje aan, dit is toch de kleur van het verdriet, en daarom zit ik in den donkeren te treuren.
    — Dat is heel schoon en lief van u, Goe-Vrijdag-bloemeke. Maar ge kunt toch niet eeuwig blijven treuren, omdat gij een purper kleed aan hebt. De Koningen zijn ook in het purper gekleed en dat zijn de gelukkigste menschen der wereld. En daarbij, zijt ge dan vergeten dat er na Goeden Vrijdag ook een Paschen geweest is, waarop O. L. Heer is verrezen?
    Och neen! dat wist het viooltje niet, en 't begon te glimlachen omdat het niet meer moest treuren.
    — Zoo is 't goed. Gij hebt de zuiversten balsem en de schoonste kleur, en daarom ga ik u versieren met de schoonste briljantjes, die ik in mijn bezit heb, zei menheer van der Dauw, die met zijnen rooden neus genietend het viooltje besnuffelde.

    En de oude diamantslijper haalde vanuit de witte watte van zijn juweelendoos de zuiverste briljantjes die hij ooit geslepen had. Hij stak het viooltje er een in ieder oor, en hing om het gouden hartje een brelokske van drie steentjes, lijk een klaverblad. Dan schoof hij het kruid en het gras opzij, zoodat een milde manestraal ongehinderd het viooltje kon verlichten.

    Hoe fijn, hoe edel blonken en fonkelden die briljanten boontjes op dit diep-donker purper fluweel! Menheer van der Dauw was er zelf door verrast. Hij wist niet dat de steentjes zoo schoon waren.
    Nu zag hij het eerst, en hij vond medeen zijnen stiel de schoonste stiel der wereld.

    Het viooltje huiverde van geluk als het zijn eigen bezag. En al de bloemen en kruiden waren één lof en bewondering. Ze rokken zich uit om het beter te kunnen zien, en de eene fezelde het voort aan de andere, het ging van bloem tot bloem, ook de woorden van Menheer van der Dauw wierden niet vergeten! En alhoewel het niet ter ooge, enkel ter oore van de hooveerdige rozen kwam, konden zij het zich toch goed voorstellen. Ze krobten zich op van nijd en afgunst, trokken een dubbele kin en haalden misprijzend de schouders op.

    Ze staken lijk een kat hunne nagels vooruit van jaloerschheid.

    Als Menheer van der Dauw dan weg was, riep de gemoedelijke Mie Maan, die het bloemenvolk een heele nacht van dienst wou zijn, eenige nachtegalen, om met hunne schoone liederen de bloemen te vermaken. Seffens kwamen er eenige aangevlogen, en zij weefden met hun gezang guirlanden van klankperelen in de boomen.

    De bloemen wiegden hun stengel en wiegden hun hoofdje op de maat van de muziek.

    Dat spel was zoo schoon, dat de luisterende sterrenhemel een heel eind naar beneden zakte om het beter te zien en te hooren. Ja, er waren er zelfs, die er zich uit de lucht lieten voor vallen, om er niets van te laten verloren gaan.

    Het madeliefje, dit vinnig dingeske, trilde met zijn kanten roksken als de eerste danseres van operaballet, de sleutelbloemen waggelden hunne bellekens, de paardebloem krulde zich open en toe, en ’t viooltje wiegde zacht, en liet zich heelemaal meegaan in de zaligheid van de muziek en in de zaligheid van zijn geluk.

    Mie Maan lachte omdat alles zoo schoon en lustig ging.
    Doch bij de rozen, die de vreugde daar beneden hoorden, was er geen plezier.
    Zij wiegden niet mee op den zang der nachtegalen.

    Dat was veel te gemeen voor kasteelvrouwen. Maar ze konden ook niet, want ze waren vast gebonden aan een beschilderde stok. Ze waren kwaad, ze konden het maar niet slikken dat het viooltje zoo zeer wierd geprezen om zijn schoonheid en zijne sieraden.

    Waren de rozen vrij lijk de dieren geweest dan zouden ze zeker met tijgerwoede heel dit lovend en bewonderend en lustig gespuis in flarden vaneen gescheurd hebben, en van het viooltje ware er natuurlijk niets meer overgebleven.

    *************

     

     

     

    20-04-2018 om 23:29 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    13-04-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Boekenverkoop van het archief

    Uitzonderlijke verkoop van dubbels uit het archief van Lier

    Eerste weekend van Mei

    13-04-2018 om 15:47 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    18-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Felix Timmermans geschilderd door Tony Claesen - 2018

    Dit portret is geschilderd door Tony Claesen

    Hij is een van de 3 Pete-kinderen van de Fé

    18-03-2018 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    18-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Nood van Sinterklaas - Felix Timmermans

    De Nood van Sinterklaas

    Onlangs zijn er twee nieuwe vertalingen vrij gegeven van het werk van Timmermans : De Nood van Sinterklaas. In het WAALS en in het PICARDISCH



    *****

    18-07-2017 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Foto

    Archief per maand
  • 07-2018
  • 05-2018
  • 04-2018
  • 03-2018
  • 07-2017
  • 06-2017
  • 05-2017
  • 04-2017
  • 03-2017
  • 02-2017
  • 01-2017
  • 11-2016
  • 10-2016
  • 09-2016
  • 08-2016
  • 07-2016
  • 06-2016
  • 04-2016
  • 03-2016
  • 02-2016
  • 12-2015
  • 11-2015
  • 10-2015
  • 09-2015
  • 08-2015
  • 06-2015
  • 04-2015
  • 03-2015
  • 02-2015
  • 01-2015
  • 11-2014
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 05-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 04-2009
  • 09-2008
  • 06-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 12-2007
  • 10-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 05-2006
  • 04-2006
  • 01-2006


    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Over mijzelf
    Ik ben Mon Van den heuvel
    Ik ben een man en woon in Lier (België) en mijn beroep is op pensioen.
    Ik ben geboren op 19/06/1944 en ben nu dus 74 jaar jong.
    Mijn hobby's zijn: Felix Timmermans - Geschiedenis van Lier in de ruimste zin genomen.

    Een interessant adres?

    Mijn favorieten websites
  • Thuispagina Louis Jacobs
  • Guido Gezelle
  • Ernest Claes Genootschap
  • Oscar Van Rompay
  • Felix Timmermans Genootschap
  • Schrijversgewijs
  • Kempens erfgoed

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!