Landschap
De Groote Peel ligt in een geologisch dalingsgebied, de Centrale Slenk. Het grootste deel van die slenk daalt met meer dan twee centimeter per eeuw, maar de Groote Peel behoort tot een gedeelte van de slenk dat minder snel daalt. Het lijkt net alsof dit deel van de Centrale Slenk min of meer vast zit aan de Peelhorst, die grotendeels met eenzelfde snelheid daalt en plaatselijk zelfs stijgt.
Net als bij de Deurnsche Peel is ook bij de Groote Peel in de laatste ijstijd zoveel dekzand ingestoven, dat bovenlopen van de Aa en haar zijrivieren werden afgedamd. De instuivende dekzandruggen zorgden er voor dat het toch al geringe eroderende vermogen van de bovenloop van de Aa met zijtakken nog geringer werd. Daardoor waren deze riviertjes niet in staat om de op geringe diepte onder het maaiveld aanwezige leem- en veenlagen van de Formatie van Asten (gevormd in de warmere periode tussen de laatste en de voorlaatste ijstijd) weg te eroderen, zoals dat in de rest van de Centrale Slenk wel bijna overal gebeurde. Deze afzettingen in de Groote Peel verhinderden later dat het regenwater gemakkelijk in de (diepere) ondergrond kon doordringen. Gedurende de laatste ijstijd werd in de Groote Peel bovendien plaatselijk 'Brabantse leem' gevormd, dat eenzelfde vernattend effect had. Uiteindelijk ontstonden reeksen afzonderlijke depressies, met een bodem van leem- en veenlagen en wanden van dekzandruggen. Na het ontdooien van de permafrost aan het eind van de ijstijd vulden deze kommen zich met water, waarin laagveenvorming op gang kwam. Daar bovenop ontstond overgangsveen en uiteindelijk hoogveen. Het hoogveen rees als het ware de afzonderlijke pannen uit, meters tegen de omliggende dekzandruggen op. Waar die niet te hoog waren, groeiden de venen er helemaal overheen. Op de naden tussen elkaar rakende hoogvenen ontstonden plaatselijk meerstallen, zoals de Zeven Meren waar het dorp Someren zijn naam aan dankt.
Eeuwenlang staken de bewoners van omliggende dorpen hun turf in de Groote Peel, die daardoor vanaf de randen geleidelijk aan kleiner werd. Net als bij de Deurnsche Peel en de Mariapeel bleef daarbij aan de buitenranden een moerassige heide met vennen over, van het eigenlijke hoogveen gescheiden door een zone turfputten.
In die ring van boerenkuilen liepen tal van parallel lopende karrensporen of peelbanen dood in het veen. In 1889 begon in de Astense Peel de eerste grootschalige turfwinning. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw bleven hier verveningsmaatschappijen actief. In het grootste deel van de Astense Peel komt van de oorspronkelijk meters dikke veenpakketten nu nog hoogstens enkele decimeters restveen voor. In de Ospelse Peel ging de boerenvervening door tot na de Tweede Wereldoorlog. Tussen de veenputten in bleef daar veel meer veen aanwezig, plaatselijk nog enkele meters dik.
In 1937 werd besloten dat een groot Peelreservaat zou worden gespaard: de Groote Peel. In de jaren 1950 begon Staatsbosbeheer met de aankoop van de eerste stukken Groote Peel, een proces dat nog steeds niet is afgerond. Er liggen nog tal van particuliere snippers in de Ospelse Peel. Eind jaren vijftig van de vorige eeuw begon Staatsbosbeheer met het dichten van oude en de aanleg van nieuwe dammen. Daardoor ontstonden grote oppervlakten water, zoals het ven Aan 't Elfde en het Steltlopersven.
De condities voor hoogveenherstel in het gebied zijn niet gunstig. Door het grotendeels ontbreken van weerstandbiedende veenlagen in met name de Astense Peel kan het neerslagoverschot gemakkelijk de zandondergrond in dringen. Vanwege de ligging in een ontgonnen en gedraineerde omgeving zakt het grondwater in de Groote Peel 's zomers dan ook op veel plaatsen veel te diep weg voor hoogveenvorming. Daar komt nog bij dat de lagere terreindelen vlak vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog over grote oppervlakten door het Nederlandse leger zijn geïnundeerd met voedselrijk Maaswater. De gevolgen van die eutrofiëring zijn nog steeds merkbaar.