de zieke zoon...


|
. |
in de gujjen awen ta(eu)d, toen_at_t_er nog tellefons woare…
in de goede oude tijd, toen er nog telefoons waren
wir de mi(eu)ster_r_on den tellefon geroepe…
werd de leraar aan de lijn geroepen…
on de_n_aandere kaant van de la(eu)n zèj_j_iemaand
aan de andere kant van de lijn zei iemand:
'meni(eu)r, 't is v(eu)r te zegge da ma(eu)ne zoon vandoag ziek is,
'mijnheer, het is om te zeggen dat mijn zoon vandaag ziek is,
héj kan ni n(eu)r 't school kome!'
hij kan niet naar school!'
de mi(eu)ster vroeg dan: 'en mè wie spreek_k_ik astenblift?'
de leraar vroeg dan: 'met wie spreek ik alstublieft?'
waar(oe)p den beller aantwoorde:'
waarop de beller antwoorde:
mèj ma(eu)ne voader!'
'met mijn vader!'
.

