NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Foto
Inhoud blog
  • De Pastoor uit den Bloeyenden Wijngaerdt
  • Brief Gommer Lemmens - 11/06/2013
  • 70 jaar geleden ....
  • Overlijden van de Fé
  • Openingstoespraken - Timmermans-Opsomerhuis 1968
  • Toespraak Hubert Lampo - 1968
  • Toespraak Artur Lens Archivaris - 1968
  • Luisterspel Pallieter 2016
  • Bibliotheek van de stad Lier
  • Anton Thiry - Gaston Durnez
  • Een Mandeke Brabants fruit
  • Beste bezoeker
  • Clara Timmermans overleden
  • Covers van Pallieter
  • Pallieter wordt honderd jaar - Bertje Warson
  • Pallieter en Felix Timmermans
  • Toespraken 25/6/2016 - Kevin Absillis, Kris Van Steenberge en Gerda Dendooven
  • De Lierse Lente - Ronald De Preter
  • Felix Timmermans - Emiel Jan Janssen
  • Pallieter honderd jaar - Gaston Durnez
  • F T Fring bestaat 25 jaar
  • Info FT Genootschap
  • Adagio - Frans Verstreken (Hermes)
  • Pallieter, een aanval en verdediging
  • Driekoningen-Tryptiek - Jacques De Haas
  • Over Pallieter (25/01/1919)
  • Timmermans' werk in het buitenland
  • De Eerste Dag - Felix Timmermans
  • Het Kindeke Jezus in Vlaanderen
  • Fred Bogaerts - Felix Timmermans
  • De Harp van Sint Franciscus - Gabriël Smit
  • Timmermans en Tijl Uilenspiegel
  • Felix Timmermans ter Gedachtenis
  • De Vlaamse Timmermans - Paul Hardy
  • Timmermans was Einmalig - José De Ceulaer
  • Levenslied in schemering van de dood - Gaston Durnez
  • Expositie in De Brakke Grond te Amsterdam
  • Bij de Hilversumsche Gymnasiastenbond
  • Timmermans als schilder en tekenaar - W.A.M. van Heugten
  • De onsterfelijke Pallieter - Tom Vos
  • Soldaten, Dichter en boeken
  • Karel Van den Oever te Averbode gehuldigd
  • Aan Karel van den Oever - Felix Timmermans
  • Karel van den Oever gehuldigd - Felix Timmermans
  • Timmermans' werk in het buitenland
  • Lier Gegroet - nog duizend pluimen op uw hoed
  • De vroolijkheid in de kunst - Carel Scharten
  • Pallieter door Felix Timmermans, Tiende druk
  • Rembrandt-prijs aan Felix Timmermans - Frans Vanel
  • De Bende van de onzichtbare Hand - Felix Timmermans
  • Felix Timmermans en De Witte
  • De Triomf van Timmermans' Mirakelspel in Nederland
  • Baron Isidoor Opsomer - Felix Timmermans
  • Beste Mejuffrouw Lyra - Felix Timmermans
  • Het Geheim - Felix Timmermans
  • De eerste opvoering van De Ster
  • Pallieter van Felix Timmermans - Peter van Arkel
  • Een Fransche Pallieter - 1929
  • De Liersche Zimmer-Ommeganck 1930
  • Het feest van Felix Timmermans
  • In het Land van Pallieter - Eduard Veterman
  • Felix Timmermans - Tony Van Tichelen
  • Bij Felix Timmermans
  • Zijn kinderverhalen
  • Timmermans en Schoon Lier - V. Wouters
  • Beschrijving van een stad - Frans Eerens
  • Gustaf uit De Roode Kat - Felix Timmermans
  • Hoe Anne-Marie ontstaan is - André Demedts
  • Een ras-schrijver overleed...
  • Ereburger van de stad Lier - Gaston Durnez
  • Timmermans vertelt over Pallieter
  • Liefde voor al wat leeft - Pieck en Timmermans
  • Een boek van Pallieter - Erik Dams
  • Eeuwfeest Tony Bergmann
  • De Sterre in Frans-Vlaanderen - Jan Hardeman
  • Felix Timmermans over zijn werk en de Vlaamschen humor
  • Felix Timmermans als schilder - Georg Hermanowski
  • Timmermans en Schoon Lier - V. Wouters
  • Pallieter verboden - 2/11/1920
  • Timmermans over het verbod van Pallieter
  • Fred Bogaerts, de Liersche Breugel
  • Vlaamschen brieven van Felix Timmermans
  • Over Pallieter - Lezing door Felix Timmermans
  • Een Vlaamsch Kunstwerk - Vincent Cleerdin
  • Pijp en Toebak - E. Elias
  • Tooneel in een kleine stad - Felix Timmermans
  • Openingswoord tentoonstelling 1957 - Leo Arras
  • De Leefkamers van Felix Timmermans - Frans Verstreken
  • Het weergalooze Lier - Jeanne De Bruyn
  • Felix Timmermans te Lier gehuldigd
  • Werklust tot den laatsten dag
  • Lot er ons de sijs van aflakke - Jos Borré
  • Een brave burger uit het vrome Lier - Stefaan Praet
  • De Pastoor in den bloeienden Wijgaard
  • De Meimaand mint de nachtegaal - Guido Defever
  • Lie (r) ver groot - Reuzen erfgoed onder de loep
  • Schreiben is wie beichten... - Karlheinz Pieroth
  • Zij die wij bewonderen... - Risoto
  • Een ongekuiste Pallieter in Geitenleer verpakt
  • Bij de Breugelplaten - Felix Timmermans
  • De Harp van Sint Franciscus - Antoon Van Duinkerken
  • Franck Mortelmans vriend van Oscar Van Rompay
  • Het boek van den Boer - A.J.D. Van Oosten
  • Timmermans dwingt je te kijken - Jaak Dreesen
  • Voordracht Felix Timmermans, in den Bijenkorf
  • Felix Timmermans nog erg geliefd
  • Ter herinnering aan Pastoor Ignaas Dom
  • Walter Arras
  • Felix Timmermans, ook tekenaar en schilder
  • Homilie Eucharistieviering 1986 - Herman-Emiel Mertens
  • Een briefkaart uit 1927
  • Pallieter en Marieke - werk van Bertro
  • Timmermans' Krabbenkoker - Maurice Roelants
  • Een praatjes met den populairen Vlaming.
  • Met Felix Timmermans door Lier - Jan Lampo
  • Toespraak Timmermansjaar - Jos Borré
  • Er gebeurt iets... - Jos Borré
  • Felix Timmermans - Jozef Muls
  • Het ontstaan van mijn werk - Felix Timmermans
  • De Gestoorde Bloedprocessie - Felix Timmermans
  • De Processie in Brugge - Felix Timmermans
  • De Domper, Pallieter op de index
  • De Zeven Zusters - Felix Timmermans
  • Het Filmspel van St. Franciscus
  • Isidoor Opsomer werd zeventig jaar
  • En als de ster bleef stille staan... - Felix Timmermans
  • Ontslag als Gildemeester - brief van Timmermans
  • Honderd jaar Felix Timmermans - W. Peeters-Somers
  • Het Oude Lier - Felix Timmermans
  • Bloemenhulde Felix Timmermans - Louis Vercammen
  • Renaat Veremans en Felix Timmermans - Tom Bouws
  • Pallieter - W. Van den Broeck
  • De Goede Fee - Jaak Dreesen
  • Lier herdenkt zijn grootste zoon - François Thijs
  • De Kreatie van Boerenpsalm te Lier - José De Ceulaer
  • Met de woonwagen bij Felix Timmermans
  • Onze grote schrijver Felix Timmermans
  • Felix Timmermans op audientie bij de Paus
  • Pallieter op den Index
  • Pallieter - Gerard Brom
  • Oorlogtribulaties die de Fé doormaakte
  • Felix Timmermans, Belgie - la Belgique 1830-1930
  • Boerenpsalm - Gabriël Smit
  • Mijn Kinderverdriet - Gommaar Timmermans
  • De Eeuwige stilte - Felix Timmermans
  • Lierke Plezierke en Pallieter
  • Flaemische Weinachts Gesellen
  • Hij moest de grapjas blijven - Dirk Goster
  • De Pelgrim te Antwerpen
  • Timmermans als scenario-schrijver
  • Felix Timmermans, Mens, Schrijver, Schilder en Tekenaar
  • Boudewijn - Karel Van den Oever
  • De Hemelsche Salome - Wies Moens
  • Het Verken als Kluizenaar - Felix Timmermans (1)
  • Het Verken als Kluizenaar - Felix Timmermans (2)
  • Felix Timmermans' Pieter Bruegel - JH François
  • Felix Timmermans en Ernest Claes - M. Roelants
  • Bij Felix Timmermans - Annie Hirsch
  • Felix Timmermans redivivus - José De Ceulaer
  • De Driejaarlijksche prijs voor Letterkunde
  • Hoe Felix Timmermans begon te schrijven, 15 jaar oud
  • Het Kindeke Jezus in Vlaanderen - Gaston Durnez
  • Tu felix eris - Anton Van Wilderode
  • Over Levenshumor
  • Felix Timmermans vijftig jaar
  • En waar de Ster bleef stille staan...
  • Veel klappen en uitleggen - Della Bosiers
  • De erfenis van Timmermans
  • OL Vrouw in de Doornkens - Henri Ghéon
  • Eerste opvoering van De Hemelsche Salomé
  • Felix Timmermans is niet meer - Frans Verstreken
  • Een pen in stilte gedoopt - Marcel Janssens (deel1)
  • Een pen in stilte gedoopt - Marcel Janssens (deel2)
  • De andere kant van een vermaard verteller
  • In het voetspoor van Timmermans - Jules Kockelkoren
  • Timmermans anno 1972 - Hubert Lampo
  • Voordracht van Felix Timmermans
  • Felix Timmermans over Pieter Breugel
  • Uit het Timmermansjaar - Hans Vandevoorde, Jaques Lust
  • Een Minnezangers-leven
  • Felix Timmermans litterair debuut
  • Macht en onmacht van Felix Timmermans - F. Morlion
  • De schakel en Felix Timmermans
  • De Wilgen - Felix Timmermans
  • Het werk van Albert Saverijs - Felix Timmermans
  • Een Vlaamsche Kluite - Felix Timmermans
  • 25 jaar Pallieter - Bert Ranke
  • Gesprekken met Felix Timmermans - Eugeen Yoors
  • Felix Timmermans en de Nederrijn - Ignaas Dom
  • De ouverture tot Pallieter - Marcel Janssens
  • Pallieter - Marcel Janssens
  • De Herfst blaast op den Hoorn - Stefaan Magerman
  • Een literaire Kanthandelaar - Kees Fens
  • De Processies in Vlaanderen - Felix Timmermans
  • Toespraak in 1957 - Jose De Ceulaer
  • Felix Timmermans en Godfried Bomans - Daniël De Vos
  • Isadrolda - redactie Ons Land ( I - IV - MCMXXXIII )
  • Timmermans op het spoor - Bernard Kemp
  • De goede Fee van vader Van Kampen - Gaston Durnez
  • Felix Timmermans en de Rembrandtprijs - Jef Van de Wiele
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Felix Timmermans
    Vlaamse schrijver, dichter en schilder * 1886 - 1947 *
    18-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Door het Begijnhof

    Schets van een wandeling

     

    FELIX TIMMERMANS EN HET LIERS BEGIJNHOF

     

     

    De Begijnhofpoort, die eenmaal pruisisch-blauw is geweest, is altijd schilderachtig, van waar ge haar ook bekijkt. Aan haar zijde blikt het nachtpoortje als een kleuter naar zijn moeder op.

    Zij staat er fier en trots in een renaissancelijst van grijs arduin. Twee blokzuilen schragen een fraai bewerkte boog met daarboven een zware kroonlijst die op zijn beurt een tabernakelvormige nis draagt. In die nis troont het beeld van de H. Begga, in terracotta en wit van kleur en heiligheid. Het arduinen sieraad dateert uit de zeventiende eeuw.

    Als de poort en de minipoort open staan, wordt ge bekoord door het perspectief en het koloriet van muurtjes, gevels en daken.

     

    Hier is het.


    Hier is de ingang van het legendarisch Pallieterland. Dit begijnhof was een van de grote inspiratiebronnen en zovele jaren de rustige werkplaats van de schilder en schrijver Felix Timmermans.

    Hier werden vele werken ontworpen en geschilderd of geschreven. Het is een oase van stilte en vroomheid. Ook nu nog.

    Laat uw auto's en brommers buiten, want hier moet ge wandelen, zoals «de Fee» en zijn Muze hier hebben gewandeld.

    Naast de poort, in een nis, achter glas, staat een gepolychromeerd lievevrouwebeeld «uit Holland langs de baren der zee, hier aangespoeld en in ons stad gevaren...» zoals een rijmpje onder de nis het zegt.

    Dit vrij grote mirakelbeeld heeft Felix Timmermans geïnspireerd tot een novelle, «Onze-Lieve-Vrouw der Vissen», verhaal over een «bootvisser» die het beeld ontvreemdt maar het daarna uit schrik in de Nete gooit, met als resultaat dat er weldra een wonderbare visvangst plaats heeft. ..

    De novelle, die door Timmermans werd gefantaseerd maar waarin enkele Lierse volkstypen voorkomen ontstond in 1924. Zij werd voor de Vlaamse televisie verfilmd door de Lierse cineast Frans Verstreken. In het verhaal zowel als in de film werd het beeld veel kleiner voorgesteld.

    In «Pallieter» laat Timmermans de Lievevrouw ook in de begijnhofprocessie meedragen.

     

    De wandelaar die het hof betreedt stoot met zijn. blik vlak op het grote rode gebouw van het weeshuis. Dat wordt bestuurd door de gasthuiszusters van Lier, maar de begijnhofbewoners en andere Lierenaars noemen ze «Marollekens». Dat is de verbastering van «Maricollen», de naam van de zusterkens met de antieke kappen die jaren geleden de weesmeisjes onder hun strenge vleugels hielden. Timmermans beschrijft ze eveneens in «Pallieter» als de begijnhofprocessie uittrekt.

    Als u even doorloopt vindt u aan de linkerhand de verrassing van de schilderachtige kalvarieberg: een langwerpig hofje met een poortje en aan het. eind een witte piëta onder een blauwgeverfde portiek, overschaduwd door drie lindebomen. Het hofje is ingesloten in een decorum van antieke gevels en kleine voorhofjes met houten afsluitingen.

    Geen enkel toerist kan er aan weerstaan zijn fototoestel op dit hoekje te richten. Ook de «Fee» heeft het in prent vereeuwigd. Hier was het dat «Mademoiselle de Chanterie» woonde, de dochter van de schatrijke Franse bankier, die zijn bezittingen verloor, zelfmoord pleegde, zijn enige dochter achterliet. Deze zocht haar toevlucht in de stilte van het Lierse begijnhof, waar ze haar verdere leven doorbracht met naai- en borduurwerk en waar ze iedere zondag een brief schreef aan haar beminde, die nooit meer van zich liet horen. Die brieven werden ook nooit gepost maar zorgvuldig opgeborgen in een kistje.

    Het verhaal verscheen in het boek «Pijp en Toebak» (nr. 244 uit de Volksreeks van het Davidsfonds, in 1933). Voor de toerist die van data houdt: de kalvarieberg is pas in 1695 aan het begijnhof toegevoegd. Nu kunnen wij door de tweede poort gaan en aan de waterkant staan mijmeren.

    De Schapenkoppenstraat, het paviljoen en de Zimmertoren die we hier zien zijn nieuwe elementen in dit stadsbeeld. Enkele jaren geleden was de weg naar de Zimmertoren van hier uit ondenkbaar wegens de logge massa van de fabriek en de stenen muur die tot aan het water reikte. Aan de overkant van het water zien wij achter de bomen het gerestaureerde Hof van Geertrui waar een Timmermansmuseum wordt ondergebracht. Wij lopen eventjes de dijk op en hebben een kijk op het ongerepte synthetisch beeld van de achtergevels en daken waar het frivole begijnhoftorentje boven uitkijkt. De begijnenbeemd was in de voorbije jaren dooraderd met grachten, o.m. een spoelgracht en een paardegracht. Er was een bleekveld waar de begijntjes en de begijnhofbewoners hun linnen kwamen bleken. In deze buurt zien we Pallieter herleven. Hier gaat hij zwemmen of trekt in de winter over het ijs. Zijn huis «De Reynaert» kunnen wij situeren achter de begijnenvest, tussen de Nete en de vaart. De voorgevel was naar het begijnhof georiënteerd en de tuin werd aan de achterzijde begrensd door de Netedijk. Pallieter leeft met zijn begijnhof mee. De pastoor is zijn buurman en goede vriend. Charlot kent het wel en wee der begijntjes. Wanneer de begijnhofprocessie over de vest trekt, stapt Pallieter er ontroerd achter met een brandend «keerske».

    Na afloop van de processie stoeien de kinderen in de begijnenbeemd, dansen in de ronde met de jonge begijntjes en doen een spelletje met de vrolijke pastoor, die er toevallig bij komt.

    Vanuit haar keuken kan Charlot dit prettig tafereel volgen. Ze staat er bij te lachen «dat de tranen over haar gezicht lopen».

    Verderop liggen de velden en de zogenaamde «bossen» van het Pallieterland.

    Wij, Lierenaars, zien het Pallieterland zich uitstrekken van achter het begijnhof tot aan het Hof van Ringen.  

                     
    Wij weten dat daar de wandelingen van Timmermans en zijn vrienden plaats vonden in de tijd dat het meesterwerk ontstond. Wij keren op onze stappen terug uit nieuwsgierigheid naar het stratenperspectief dat wij daarstraks terzijde hebben laten liggen. Eerst bekijken wij nog even de achtergevels van de huizen 7 en 8 van de kalvarieberg, die met hun hofmuurtjes de Schapenkoppenstraat begrenzen. Dat zouden vroeger, voor de uitbreiding van het hof, de voorgevels van de pastorij zijn geweest.

    Wij naderen de kerk, onze blik in de rechte St. Margaretastraat.

    De kerk der begijnen is een merkwaardig gebouw in Vlaamse barokstijl. Zij werd plechtig tot de eredienst gewijd op 12 mei 1671 en honderd jaar later bekroond met gevel en toren. Vlak naast de kerk, onder een leien luifel, bevindt zich een Ecce-Homobeeld waar dag en nacht een rood lichtje brandt.

    Hierdoor hebben Timmermans en Thiry zich laten inspireren in hun begijnhofsproken, wanneer ze het verhaal «Ecco Homo en het bange portiereske» schreven (1909).

     

    Op het pleintje voor de kerk, werd de Fee destijds gekiekt in gezelschap van de aristocratische pastoor Biermans, de begijnenherder, die vijfentwintig jaar lang de geschiedenis van het begijnhof heeft bestudeerd en de archieven ging uitpluizen om ons het boekje na te laten «Het Begijnhof te Lier». De foto staat op het kaft van het boek waarvoor Timmermans de inleiding heeft geschreven.

    Nu komen wij bij het Pompstraatje, met zijn fotogeniek hoekje en de met ijzersmeedwerk versierde pomp, zijn arabeske van gekalkte muurtjes, de dominerende massale gevel, die ons frontaal aankijkt, nog geaccentueerd door de driehoek van het uitstekend horizontale dak.

     

    Het straatje heeft Timmermans vaak tot het hanteren van de tekenstift verleid. De kunstenaar was begaafd met een sterk visueel geheugen en hij had een scherp waarnemingsvermogen voor pittige details die wij in zijn schilderachtige, haast primitieve, kinderlijke tekentechniek terugvinden. Die tekeningen zijn niet steeds iconografisch getrouwe kopieën van de realiteit. Hij verplaatste wel eens een af ander element van het ene prentje naar het andere, maar wist altijd het karakteristieke van iedere prent te bewaren, zelfs nog te versterken.

     

    De rood-witte banden die het perspectief van de Pompstraat begrenzen, wekken onze nieuwsgierigheid. Zo worden wij naar de deftige Grachtkant gebracht. Het is een brede straat met een lange rij gelijkvormige gevels. Deze huizen zijn in de jaren 1721-1726 gebouwd.

    In het eerste huis van de geüniformde rij, in nummer vier, heeft Timmermans kort na de eerste wereldoorlog, zijn werkkamer gehad. Hier schreef hij «Naar waar de Appelsienen groeien» (1926) en heeft hij veel getekend en geschilderd.

    Menig kunstenaar heeft in deze straat en kamer betrokken of een atelier ingericht. Maar de beschrijving van het begijnhof als artiestenoord valt buiten het bestek van dit bescheiden gidsje.

     

    Het smalle Hemdsmouwke is de attractie van het begijnhof. Aan de zijde van de Grachtkant ligt het breedste gedeelte van de bovenarm. Naar de St. Margaretastraat toe, vernauwt het tot de breedte van één persoon.

    Timmermans laat hier in zijn verbeelding een vlietje op het begijnhof stromen. Zo hoort Pallieter op een romantische zomeravond de pastoor in zijn tuin cello spelen. Hij drijft met zijn schuitje langs het smalle Hemdsmouwke het begijnhof op tot aan het hek. Als de pastoor even ophoudt met musiceren en vraagt af er iemand is, roept Pallieter : «Ikke !»

    Van de Grachtkant ziet men recht op de typische puntige achtergevel boven de lage muur met op de voorgrond een hoge pereboom. In de tweede wereldoorlog had Timmermans een werkkamer in het eerste huis, naast het Hemdsmouwke, nummer elf, aan de achterkant. Van op onze standplaats hebben wij precies het raam van die kamer in ons vizier.

    Wij wandelen verder tot aan het einde van de Grachtkant om in de hoek het «Soete Naemke» te bekijken, een historisch geworden begijnhofzicht, zo vaak geschilderd en afgebeeld.

    Wij hebben nu de weg gevolgd die Zuster Symforosa aflegde toen zij de kruisweg deed en in het Hellestraatje belandde waar Felix Timmermans Martienus laat wonen.

    (De Zeer Schone Uren van Juffrouw Symforosa, Begijntjen, 1918).


    Langs het Hellestraatje komen wij in de Sint-Margaretastraat. Als wij in de rechte straat kijken, zien wij het bekende begijnhofprentje met de kerktoren, een deel van het kerkschip boven het kleurige decoratieve spel van puntgevels, daken en, muurtjes, met het meisjesweeshuis, de Wezenstraat en de pittoreske huisjes op de achtergrond.

    Links lezen wij op een straatnaambord : «Martienushoek». Deze naam is zeer recent. De straat werd zo gedoopt na de dood van de Lierse auteur. Toen hij nog leefde, was dit de verlengde Bodegemstraat en in de mond van de begijnhofbewoners heette het specifieke hoekje met het ziltige okerachtige muurtje, waarin een rond poortje is uitgesneden en dat in het midden het sieraad van een arduinen pompje draagt, het «Piepenholleke».

     

    Als wij ons met het aangezicht naar de blauwe poort van de begijnenvest wenden, aanschouwen wij nog zo een van die vrolijke, stemmige close-ups, met als merkwaardige architectonische reliek het kleine torenhuisje dat als uitkijkpost op de brede St.-Margaretastraat staat.

    Wij kennen de houtsneden en tekeningen die Timmermans hiervan maakte. Enkele jaren geleden had dit stemmig decor nog een prachtig groen gordijn als achtergrond. Nu is het weg omdat de bomen op de begijnenvest werden afgezaagd, uit schrik voor de olmenziekte. Jammer voor de driebeukige katedraal zoals Timmermans de dreef noemde.

     

    In de hoek rechts staat het gebouw van het Konvent, waar achter de lage rode muur een fris binnenhofje verborgen ligt en waar onvermoede schilderijen-in-potentie klaar liggen voor een schildershand.

    Dit gebouw werd opgetrokken in 1595 en hersteld in 1712. Het was de verblijfplaats der novicen.. De oude kapel en de keuken zijn thans gehuurd door een Lierse kunstkring die de naam van het gebouw heeft aangenomen en er een galerij ingericht heeft.

    De vier kinderen van Felix Timmermans, allen met literaire of plastische talenten begaafd, behoren tot deze kring.

     

    Wij kunnen nu onze wandeling beëindigen langs de Symforosastraat, die vroeger Nieuwstraat heette en tegelijk met de Martienushoek haar nieuwe naam kreeg, naar het Oude Kerkhof toe, om zo langs de Wezenstraat het hof weer te verlaten.

    Toen Felix Timmermans hier wandelde, werkte en droomde, groeiden er nog geen tv-antennen op de daken. Toch is er nog veel te proeven van de vroegere atmosfeer, als ge wandelt over de oude kasseitjes van het einde der zeventiende eeuw.

    Hier en daar vinden wij nog onder schaliën luifels tegen gevels of muurtjes een statie van de kruisweg, door Bernard Janssens helemaal herschilderd

     

    Onder het pastoraat van de zeereerwaarde heer Biermans was Timmermans begonnen aan het ontwerpen van en nieuwe kruisweg, maar de kunstenaar en de geestelijke renaissancegeoriënteerde herder werden het niet eens over de uitvoering.

    Wel bestaan er nog enkele van de ontwerpen.

     

     

    Felix Timmermans hield veel van zijn Liers begijnhof. Niet alleen gebruikte hij het als decor om zijn verhalen te illustreren, maar het was werkelijk de bron waaruit hij de stoffering van verscheidene werken putte

     

     

    Uitgegeven ter gelegenheid van de tentoonstelling “Timmermans en het Liers Begijnhof”

    Kunstkring Kovent  -  1967

    ************

    18-10-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (15 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    10-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zachte Keel - Stijn vanclooster

    Een verhaal rond De zachte keel

     

    Door Stijn vanclooster

     

    Met de publicatie van De zachte keel zorgt de Felix Timmermanskring voor een primeur. Voor het eerst immers verschijnt dit toneelstuk in het Nederlands. De basis voor de uitgave is het nagelaten typoscript van de auteur.

    Zeventig jaar geleden, in 1937, werd er van Timmermans' tekst wel een Duitse versie uitgegeven, Die sanfte Kehle. Komödie in drei Akten, bij het Dr. Heinrich Buchner Verlag te München.

     

    Die sanfte Kehle is de vrucht van een samenwerking met Karl Jacobs, Timmermans' goede vriend uit Essen. Jacobs heeft verschillende werken van Timmermans in het Duits vertaald. Op toneelgebied had hij eerder Leontientje in het Duits omgezet (1934) en later zou hij samen met Timmermans de roman Pieter Bruegel voor toneel helpen bewerken, een bewerking die hij in hetzelfde jaar zou vertalen (1943). Verder maakte hij van Het kindeke Jezus in Vlaanderen een Duitse toneeltekst (1933), die Timmermans zelf terug in het Nederlands vertaalde (1938). Bekend is Jacobs bij de Timmermansliefhebber ook als auteur van het gedenkboek Felix Timmermans. Lebenstage und Wesenszüge eines Dichters (1949) alsmede als vertaler van het Mercatorboek Felix Timmermans. Der Mensch, der Dichter; der Maler; der Zeichner (1973) en van Lia Timmermans' Mein Vater: Ein Erinnerungsbuch an Felix Timmermans ( 1952). Uit deze boeken en vele andere publicaties over Timmermans blijkt hoe diep Jacobs zijn Lierse vriend vereerde. Die verering was begonnen met de lectuur van Pallieter en zijn eerste bezoek aan de auteur thuis te Lier in 1927 betekende de start van een relatie die Timmermans' carrière in Duitsland sterk zou beïnvloeden. (1) Jacobs was de eerste die Timmermans uitnodigde om in Duitsland over zijn werk te spreken, een initiatief dat zou gevolgd worden door meer dan driehonderd lezingen, tussen 1928 en 1939. Als vertaler zou Jacobs zich behalve voor Timmermans' werk overigens voor dat van nog andere grote Vlamingen inzetten: o.a. Stijn Streuvels, Karel van de Woestijne en Ernest Claes.

     

    Hoe weinig toneelwerk Timmermans uiteindelijk heeft voortgebracht, toch was de Lierenaar sterk geboeid door de bühne. Jacobs wist dat: 'Zoo dikwijls wij in den schouwburg zaten en ik vragen opwierp die mij bij het schrijven van eigen tooneelwerk ingevallen waren, ondervond ik hoezeer deze kwesties ook hem bezighielden en hem steeds tot nieuwe gedachten en ingevingen aanspoorden. Toen hij mij dadelijk daarop vroeg of ik, als zijn langjarige medewerker en als Neder-Rijnlander, met hem dit tooneelspel schrijven wilde, heb ik in dit voorstel dadelijk toegestemd.' (2) Op 24 december 1935 schrijft Timmermans aan Jacobs dat het eerste bedrijf van 0rpheus - zoals de auteur zijn stuk aanvankelijk noemde, naar de naam van een Lierse zangvereniging - af is. In maart 1937 verblijft de Lierenaar tijdens een tournee in Duitsland bij Jacobs en schrijft hij aan zijn vrouw en kinderen dat 'De zachte keel morgen zal veerdig zijn. Het [stuk] komt goed, heel natuurlijk en plezant'.(3 ) In 1937 verschijnt het toneelstuk dan in het Duits, maar als Timmermans in mei 1939 zijn manuscript aan zijn Nederlandse uitgever P.N. Van Kampen stuurt, ziet deze van publicatie af, 'hoewel hij het "amusant" vond.(4)

     

    Wat was het aandeel van beide auteurs in het werk? Karl Jacobs heeft daar zelf over verteld : 'Wij werkten in den beginne streng van elkaar afgezonderd. Hij [Timmermans] heeft de geschiedenis ontworpen en ik heb het dramatische gegeven uitgebouwd. Hij zou de dialogen schrijven, ik zou ze samenvoegen. Maar reeds zeer spoedig liep het anders. Iets dat groeit en leeft, is niet met palen af te grenzen, dat ondervonden wij beiden even snel. Daar ik het geluk had den oorsprong der personen, zoowel in- als uitwendig door en door te kennen, ging ik weldra met hen om als met eigen geesteskinderen en zij groeiden in mij en ontwikkelden zich, zonder de minste tegenspraak van den schepper. Van den anderen kant had de schrijver zulke buitengewone en voor de compositie zulke geschikte ingevingen dat zij zonder meer ingelascht moesten worden. En zoo is uit onze dualiteit een groote eenheid ontstaan. (5)

     

    De stof voor het stuk putte Timmermans als vaker uit het eigen Lier, meer bepaald uit verhalen over het wereldje van de zangverenigingen die er sinds jaar en dag de ronde deden. Lierenaars hebben in De zachte keel dan ook figuren uit hun dagelijkse leefwereld herkend: 'amateurs van liederen zowel als van het liederlijke leven, een pochhans van een dirigent die de kleinsteedse rust komt verstoren en de hartstochten hoog laat oplaaien, notabelen en middenstanders die uit hun deftige rol vallen... (6)

    Het schrijven aan het stuk gebeurde met lange tussenpozen, afwisselend bij Jacobs en bij Timmermans thuis. In Lier gingen de auteurs wel eens op bezoek bij hun nietsvermoedende modellen, bijvoorbeeld bij de burgemeester of in winkeltjes van bakkers of schoenlappers. 'Niet zeggen wat wij gaan doen,' zei Timmermans, ‘Als de mensen hier zien wat daar in voorkomt, durf ik mij niet meer op straat te laten zien.’(7) Het stuk groeide inderdaad uit tot een soort chronique scandaleuse, vol couleur locale, waarin bepaalde groepen uit de Lierse samenleving satirisch werden gehekeld. Ingrediënten daarbij : een dirigent die zich een don Juan en muzikaal genie waant en de hartstochten in het rustige Netestadje doet oplaaien, een verstrooide en karikaturale burgemeester, behaagzieke vrouwen en flirters, liefdesverwikkelingen, gewichtigdoenerij, vermomming, bedrog en schandaaltjes, zonderlinge situaties... Dat het geheel bedoeld was als een komedie, lezen we in de inleiding tot de Duitse versie. Daarin schreven de auteurs: 'De personages van dit blijspel zijn grote kinderen, lief en stout. En zoals echte kinderen, moeten zij zichzelf erg au sérieux nemen. Aldus zullen zij de lachlust opwekken, wat de bedoeling is van de auteurs '(8) De Lierse cineast Frans Verstreken heeft erop gewezen dat de komedie een geknipt libretto zou vormen en dat de opbouw van het stuk herinnert aan de structuur van een zangspel. (9)

     

    De eerste opvoering van De zachte keel vond plaats op 6 oktober 1937  in de stadsschouwburg van Keulen. Regisseur was Vitus de Vries en C.G. Fiirstner tekende voor de muziek, die gebaseerd was op Vlaamse volkswijsjes. Timmermans had zelf de decors en kostuums gemaakt. De Duitse première, die in het Keulse theatertijdschrift (10) met veel enthousiasme werd aangekondigd, kreeg veel weerklank, ook in de Vlaamse pers. Zo schreef De Standaard er vrij uitgebreid over en citeerde de krant enkele erg lovende recensies uit Duitse bladen. Volgens De Standaard was de voorstelling 'een gebeurtenis geworden op tooneelgebied. De Keulsche bladen als de Kölnische Zeitung [...], Westdeutscher Beobachter, Neue Tag, enz. wijden gansche kolommen aan deze opvoering die een uitbundigen bijval heeft genoten'. Uitvoerig werd de Kölnische Zeitung aangehaald, waarin Die sanfte Kehle werd gekaderd in het hele werk van Timmermans: 'Gedurende lange jaren heeft het eerste groote werk van Felix Timmermans, Pallieter, den indruk van de overige boeken overschaduwd: de vreugdeschenkende kracht van den Dagenmelker van de Nethe werd door den lezer in de eerste plaats gezocht en gevonden in de overige verhalen van den Vlaamschen schrijver. Wat aan verholen tragiek, aan toewijding en opoffering in deze werken stak, werd verhuld door hartelijke blijheid. Terwijl Timmermans' boeken in Duitschland hoe langer hoe meer breederen en dieperen weerklank vonden, werd de schrijver in zijn vaderland bestreden door een deel der jongere schrijvers: de profeet werd niet geëerd in zijn land omdat hij het schilderde in den Zondagsvrede en niet in den harden arbeid van het dagelijksch leven. Timmermans beantwoordde deze aanvallen niet door tegenaanvallen doch door nieuwe en vernieuwde scheppingen: in den Boerenpsalm behield de schrijver weliswaar de verguldende kracht, doch hij bracht ook halve en geheele schaduwen en donkere tonen... Door dit werk [...] bewees Timmermans dat hij niet is blijven stilstaan doch met innerlijke zekerheid zijn weg voortzet. Een nieuw bewijs daarvan vinden we in de comedie Die Sanfte Kehle'.(11)

     

    Verder werd de Westdeutscher Beobachter aangehaald, waarin E. Hollerbach lovend schreef :

    ' Door de uitbundige levenskracht der personages [...] overtreft Timmermans met dit stuk heel ver al hetgeen er deze laatste jaren als volksstukken op het Duitsch tooneel is opgevoerd. Zoo moeten de menschen in Lier geaard zijn, zooals zij daar voor ons stonden, in de kleine Vlaamsche stad die door haar burger Felix Timmermans wereldberoemd is geworden. En die menschen zijn toch niet photografisch trouw geschilderd. Timmermans ziet ze op gansch persoonlijke wijze, met plastischen humor. En zoo zien we ook in dit werk wat een eminente kunst Timmermans bezit als schilder en verteller, zonder daarom te kort te komen aan de beheersching der scenische middelen, waarbij hij trouwens uitnemend wordt bijgestaan door Karl Jacobs.'

     

    Gebaseerd op die Duitse recensies tekende De Standaard verder aan dat 'de bijval der eerste opvoering [...] overweldigend' was. 'Van het begin af en herhaaldelijk kregen de spelers een open doekje terwijl op het einde Timmermans en Jacobs samen met spelers en spelleider voor het voetlicht moesten verschijnen en onbedaarlijk werden toegejuicht.' Ten slotte drukte de krant de hoop uit dat het stuk gauw op de Vlaamse planken zou worden gebracht.

     

    Even na het artikel in De Standaard stond ook Herman Teirlinck in Het Tooneel (12) stil bij het succes van de Keulse voorstelling. Hij haalde daarbij eveneens uitvoerig een aantal Duitse kranten aan. Zo citeerde bij de Westfälische Landeszeitung die het stuk omschreef als 'een levenskrachtige comedie uit het dagelijksche leven verdicht [...]' waarbij 'alles [...] van volkschen humor doorademd' is. En verder: 'Een "fabulieren" over de kleine dingen van het bestaan over de menschen met hun zwakheden, nooit bitter of sarkastisch, steeds karakteristiek en met humor overglansd. Zoo heeft Breughel zijn landgenooten gezien, zoo worden ze uitgebeeld door zijn vriend en vereerder Timmermans.' De eerder genoemde Westdeutscher Beobachter heette het succes na de heropvoering 'overweldigend' en van een 'ongewone hartelijkheid'. Die Rheinische Landeszeitung schreef dat Timmermans op dichterlijke wijze de diepere zin van het leven getroffen heeft en even ook de tragische motieven daarin heeft laten opklinken. Volgens de Kölnische Zeitung wist Timmermans 'iets van den geest van het poppenspel in zijn werk levendig [...] te behouden', waarbij de krant het blijspel 'in den titel van de zeer lovende recensie' karakteriseerde als 'Gezang, Biedermeyer en Liefdegeluk'.(13) Tot hier het overzicht van de Duitse pers door de ogen van Herman Teirlinck, die afrondend vooruitblikte naar de komende Vlaamse opvoering van Die sanfte Kehle: het 'zou wel eens het gedroomde Nieuwjaarsstuk zijn kunnen'.

     

    In de periode 1937-1939 werd het stuk in Duitsland meer dan honderd keer opgevoerd.(14) De succesvolle reeks werd plots afgebroken op een wenk van hogerhand. Een reden voor de stopzetting werd niet gegeven, maar wellicht was het feit dat Timmermans bij eerdere toneelstukken had samengewerkt met de jood Eduard Veterman de oorzaak. (15)

     

    De première in Vlaanderen kwam er op 8 januari 1938  in de Koninklijke Nederlandsche Schouwburg te Antwerpen. Timmermans woonde de galavoorstelling bij. De regie was van Joris Diels en de rollen werden bezet door de beste spelers uit de toenmalige K.N.S.: Robert Marcel, Jan Cammans, Edward Gorlé, Lize van Camp, Gella Allaert, Remi Angenot, Frans van den Brande, Jeanne de Coen en Greta Lens. De spelers kregen nadien veel lof, maar in het algemeen werd het spel in de Vlaamse pers, in tegenstelling tot in Duitsland, negatief ontvangen.

    Het Antwerpse blad De Dag (l6) schreef dat, ondanks de schitterende regie, het 'prachtspel van onze artisten' en het suggestieve decor van Lon Landau, De zachte keel 'met veel minder glans de vuurproef doorstaan heeft' dan vroegere toneelstukken van Timmermans, zoals De Ster of Het kindeke Jezus in Vlaanderen. De krant vermoedde dat de verwachtingen te hooggespannen waren geweest en had het over 'een gemis aan diepere uitbeelding van de karakters', 'goedkoope effecten', 'langgerokken scenes' en 'het laag bij de grondsche sukseszoeken [sic]'. Opvallend is dat Timmermans ook werd verweten zijn personages 'schromelijke boekentaal' in de mond te hebben gelegd. De krant vond dat De zachte keel geschikter zou zijn als novelle, 'vergeten we tevens niet, dat de romans en novellen van Timmermans zich niet gelukkig leenen bij het bewerken voor het tooneel: dat ondervond destijds ook Veterman'.

     

    De kritiek van De Dag zou terugkeren in andere kranten: de regisseur en acteurs kregen heel wat lof toegezwaaid, maar het toneelstuk zelf was in de ogen van de recensenten minder geslaagd. (17) Typerend was de kritiek van Lode Zielens in De Volksgazet (18). Zielens vond dat Timmermans zich 'had vergist' en kon nauwelijks geloven dat de Lierenaar na 'den schoonen Boerenpsalm' 'zulk op meer dan een oogenblik uitdagend naïef en onbeholpen stuk' had geschreven. De Antwerpse auteur ging ervan uit dat het stuk gespee1d werd wegens Timmermans' naam, die 'een aantrekkelijken klank bij het publiek' heeft, terwijl de regisseur de regie- en spelmogelijkheden 'om ter schitterendst heeft benuttigd en laten benuttigen door zijn acteurs'. 'De Zachte Keel heeft twee vaders,' schreef Zielens, maar 'laten wij er twee andere bijbrengen: Diels en het gezelschap van den Nederlandschen Schouwburg'. Deze laatsten hadden het stuk gered, dat anders 'onherroepelijk door de planken gezakt' zou zijn.

     

    Dat was ook de mening van Gerard Walschap, die een uitvoerig artikel schreef in zijn Hooger Leven .(19 Ook naar zijn overtuiging had 'een minder sterke groep [...] met het stuk waarschijnlijk een teleurstelling opgeloopen.' Zoals Zielens meende Walschap dat De zachte keel van vele jaren eerder dateerde, omdat het stuk 'zoo speelsch, [...] kritiekloos geschreven is, in een zoete, verteederde herinnering aan de argelooze vrolijkheid waaraan de schrijver zich vóór een jaar of tien nog kon overgeven en die, blijkens zijn 1aatste werk, niet meer zijn deel is.' Walschap had teveel onwaarschijnlijkheden gezien op de bühne. Volgens hem zou de tekst een uitstekend libretto kunnen vormen voor een operette, 'waar - in immers de waarschijnlijkheid van geen tel meer is. Maar in een tooneelstuk, het zij dan ook een blijspel, is een opschroeving van de karakters in het karikaturale, zooals het hier gebeurt, ternauwernood aanvaardbaar.' Toch stelde Walschap vast dat het publiek zich 'doorloopend goed geamuseerd' had en dat 'Timmermansche zetten [...] op gul gelach onthaalt' werden. Niettemin zou het stuk slechts een week de Antwerpse planken houden. Pas in 1968 werd het heropgevoerd, door het Verbond der Lierse Toneelkringen.(20) Het spel kreeg een onverhoopte bijval, wat o.a. te danken was aan een soepeler gemaakte en dialectisch ingekleurde taal, die de Lierse acteurs aan natuurlijkheid deed winnen. Evenveel succes had de heropvoering in het Timmermansjaar 1972.

     

     

    We treffen bij het onthaal van De zachte keel een parallel aan met de ontvangst van de andere toneelstukken van Timmermans: allemaal maken ze duidelijk dat de Lierenaar niet in de eerste plaats een toneelschrijver was, steeds weer wijzen critici en kenners op verschillende onvolkomenheden van de stukken, maar telkens weer lopen de schouwburgen bij de opvoeringen vol. Timmermans werd kennelijk meer dan iemand anders vergeven.

    Zegt dit niet minstens evenveel over zijn zogenaamde 'topboeken' dan over zijn werk voor de bühne? Dankzij deze uitgavereeks, die met onderhavige vijfde editie gesloten wordt, is dit theaterwerk weer volop beschikbaar. De Timmermansliefhebber kan nu werkelijk elk werk van de Fe in eigen bezit koesteren.

     

     

     

    Bronnen

    (1) Over het eerste bezoek van Jacobs te Lier schreef Gaston Durnez in Felix Timmermans. Een biografie. Tielt, Lannoo, 2000, p. 406-409.  In dit boek gaat het vanzelfsprekend op verschillende plaatsen over Jacobs.

    (2) Karl Jacobs, in Programmabrochure KNS 1937-1938.

    (3) José de Ceulaer, Kroniek van Felix Timmermans 1886-1947. Brugge, Orion-Desclee De Brouwer, 1972, p. 147.

    (4) Ibidem.

    (5) Karl Jacobs, in Programmabrochure KNS 1937-1938.

    (6) Gaston Durnez, Felix Timmermans. Een biografie. Tielt, Lannoo, 2000, p. 564.

    (7) Ibidem. Vgl. ook Frans Verstreken, 'De zachte keel'. In: Timmermans ten tonele. Jaarboek 1982 van het Felix Timmermans-Genootschap. Beveren/Nijmegen, Orbis en Orion/Gottmer, 1982, p. 97. ,

    (8) De zachte keel' p. 98

    (9) Ibidem.

    (10) Die Tribüne. Halbmonatschrift der Bühnen der Harnsestadt Köln, jg. 11, Dr. 3.

    (11) Otto Brües in de Kölnische Zeitung geciteerd in De Standaard van 23 oktober 1937.

    (12) Het Tooneel van 30 oktober 1937.

    (13) Enkele andere citaten uit Duitse recensies van het stuk zijn te vinden in het aangehaalde artikel van Frans Verstreken, p. 99-100. Daar vindt de lezer ook een inventaris van de Duitse kranten die Die Sanfte Kehle besprak.

    (14) Volgens brieven van Karl Jacobs aan Frans Verstreken, d.d. 13 mei 1972 en 17 juni 1972, vermeld in Frans Verstreken, 'De zachte keel', p. 100, voetnoot 14. Opvoeringen in Duitsland kwamen er behalve in Keulen en Essen ook in o.a. Duisburg, Zwickau, Hamburg, Gladbach-Reydt, Stuttgart, Wiesbaden, Oldenburg, Leipzig en Mannheim.

    (15) Frans Verstreken gaat daarvan uit ('De zachte keel', p. 100-101); Gaston Durnez volgt hem (o.c., p. 564).

    (16) De Dag, 9 januari 1938.

    (17) Besprekingen verschenen verder in Gazet van Antwerpen (9-1-1938), Volk en Staat (9-1-1938), De Morgenpost (10-1-1938), De Standaard (10-1-1938), De Nieuwe Gazet (10-1-1938), De Volksgazet (10-1-1938), L 'Indépendance BeIge (10-1-1938), De Zweep (11-1-1938), Nieuwe Rotterdamsche Courant (12-1-1938), De Zondagsvriend (13-1-1938), Ons Land (15-1-1938), Het Tooneel (16-1-1938), Hooger Leven (22-1-1938) en Ons Lier (30-1-1938).

    (18) In De Volksgazet van 10 januari 1938.

    (19) 22 januari 1938.

    (20) Cf. Frans Verstreken, 'De zachte keel', p. 103.

     

    ******************

    10-10-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    09-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Leontientje - Stijn vanclooster

    Een verhaal rond Leontientje

     

    Stijn Vanclooster

     

    Leontientje (1926) is het derde en laatste toneelstuk dat Felix Timmermans schreef in samenwerking met Eduard Veterman. Het betreft, net als Mijnheer Pirroen en En waar de ster bleef stille staan, een bewerking van een eerder verschenen boek, dit keer De pastoor uit den Bloeyenden Wijngaerdt (1924). De titel van het toneelstuk verwijst naar een centrale figuur uit deze roman: Leontientje, de vrome nicht van Wijngaerdt-pastoor Benedikt Serneels, die ten onder gaat aan haar liefde voor de ongelovige Isidoor. Timmermans vertelde dat hij de personages en motieven uit dat boek aan de werkelijkheid had ontleend. 'Maar ik neem ze niet zoo maar uit het leven over, zij dienen enkel als vertrekpunt. Den pastoor met zijn wijnmystiek heb ik gekend. De liefdeshistorie gebeurde te Lier, hier heb ik ook een meisje gekend waaraan ik dacht toen ik het boek schreef. De omgeving is het burgerlijke Lier dat af en toe een perel afwerpt als "Leontientje". De menscben die ik als uitgangspunt nam kunnen gerust het boek lezen zonder zich te herkennen.' (1) 


     
    Timmermans schreef met De pastoor een boek over twee onderwerpen die hem nauw aan het hart lagen: het geloof en de liefde - universele thema's waarrond zoveel groot literair werk is gebouwd en die ook twee hoofdthema's in het oeuvre van de Lierenaar zouden worden. Die twee themata worden in De pastoor innig met elkaar verweven. De roman culmineert in de opoffering door Leontientje van zichzelf, omdat ze geen verkering mag en wil hebben met een ongelovige, die ze niettemin liefheeft met heel haar hart en ziel. Een roman over het conflict tussen geloof en liefde dus, over hoe het geloof die liefde onmogelijk maakt. Maar het boek toont hoe niet alleen het geloof maar ook de liefde uiteindelijk overwint: Leontientje wil haar geloof niet opgeven aan haar liefde en sterft, maar haar liefde blijft intact en wordt door haar geloof nog sterker. Isidoor van zijn kant is tegen het einde van het verhaal gelovig geworden - 'Hij voelt de aanwezigheid Gods in en over alle dingen' -: zijn liefde voor Leontientje heeft hem dichter bij het geloof gebracht.
    (2) Aan het doodsbed van Leontientje weet hij 'dat hij haar nooit zo puur en hoog heeft liefgehad als thans.' Veel meer dan over het conflict tussen geloof en liefde gaat het ' boek van geloof ', zoals Timmermans zijn roman noemde, dus over iets anders: veeleer heeft Timmermans willen aangeven hoezeer beide, als ze echt zijn, elkaar niet teniet zullen doen maar pijlers zijn van elkaar. Zowel in hun geloof als in hun liefde zijn beide hoofdpersonages naar het einde van het verhaal alleen maar gegroeid.

     

    Daarbij is de evolutie die de pastoor doormaakt niet de onbelangrijkste. Zijn geloof wordt danig op de proef gesteld en op het einde van het boek ziet hij in dat zijn leven 'al te rechtlijnig en gezapig is verlopen, in het zalige genot van de goede dingen der aarde en de zekerheid van een wenkende hemel' .(3) Het offer van Leontientje doet hem beseffen dat het in zijn eigen leven aan offervaardigheid heeft ontbroken. Ook hij - vooral hij?, vraagt Gaston Durnez - had een bekering nodig. Als Isidoor in het voorlaatste hoofdstuk van de roman beseft: 'het leven is niet met de handen open, genietend onder een honinglek van geloof te staan; het leven is een strijd van het licht tegen de duisternis', dan kan deze gedachte net zo goed in de pastoor omgaan. Deze laatste had kort tevoren verzucht : ' Wat heeft Leontientje veel ruiten uitgegooid, en veel lichtjes uitgeblazen in mij! '. Maar uiteindelijk loopt het boek uit in aanvaarding en blijheid. Isidoor vindt een licht bij de pastoor en 'de hemelen druppelen in de oude man zijn hart'.

    Wie het leven van Felix Timmermans een beetje kent, begrijpt maar al te goed hoezeer De pastoor autobiografische wortels heeft en naar de schemeringentijd van de auteur verwijst. 'Ik houd van dit werkje', schreef de auteur toen hij het op papier zette. 'Het is een uitschrijven van den strijd naar geloof.'(4)

    Twee jaar na publicatie van De pastoor werd er de toneelversie van uitgebracht, hoewel de auteur in een interview had beweerd dat de roman minder geschikt was voor het toneel.(5)  1926 was een druk jaar voor Timmermans: behalve Leontientje publiceerde hij ook Naar Waar de appelsienen groeien en Het hovenierken Gods alsook een vertaling van een toneelstuk van Henri Ghéon, hij werd gevraagd voor vele bijdragen in tijdschriften en voor interviews, hij hield talloze lezingen in binnen- en buitenland, er verschenen verschillende vertalingen van zijn werk en, vooral, hij werkte druk aan zijn grote roman over Pieter Bruegel.

    1926 was verder ook het jaar waarin de Lierenaar kandidaat was voor de Nobelprijs.

     

    De auteur woonde de première van Leontientje bij op 6 november 1926  in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag, door het Rotterdamse Hofstadtoneel onder leiding van Cor van der Lugt-Melsert. De regisseur nam de rol van de pastoor voor rekening; Jan van Ees die van Isidoor, Annie van Ees, de echtgenote van de regisseur, die eerder in De Ster optrad, speelde de titelrol en kreeg na de voorstelling uit handen van Timmermans een zilveren beker ter huldiging van haar 12,5 -jarig toneeljubileum.(6) Even later verscheen de tekst van het stuk bij Timmermans' huisuitgever P.N. Van Karnpen in de reeks Zilveren Verpozingen, versierd met een handtekening van de auteur. Het boekje, dat 120 bladzijden telde van 15 bij 10,5  cm. en 1,25 gulden kostte, was opgedragen ' Aan Annie van der Lugt Melsert -van Ees, die het Leontientje onzer droomen tot een ontroerende werkelijkheid bracht '. Timmermans vertelde even later dat hij De pastoor voor tonee1 had bewerkt op vraag van deze Annie van Ees, 'die het boek gelezen had en in Leontientje een rol vond voor haar' (7). Intussen besloot de Gazet van Antwerpen haar aankondiging van Leontientje met de stellige bewering: 'De bijval van dit werk is verzekerd' en kondigde Boekzaal het stuk aan als 'een simpele tooneelvertelling, die [...] het wel doen zal op het tooneel'.(8) De première voor Vlaanderen vond plaats op 9 februari 1927  in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg te Brussel.

    Voor de KVS speelden Irma de Veirman Leontientje, Arie van den Heuvel de pastoor en Gaston Vandermeulen Isidoor.

    De handeling in het toneelstuk vertoont nauwelijks verschillen met die van. de roman. Het overgrote deel van de toneeldiaIogen zijn letterlijk uit de roman overgenomen. Een belangrijk verschil op scénisch-compositorisch gebied vormt wel het slot van het toneelstuk, waardoor de klemtoon minder op de bekering van Isidoor komt te liggen. Het slot op het toneel is geheel gewijd aan het stervende Leontientje, terwijl de roman na haar dood onder meer nog een meesterlijk hoofdstuk rond de confrontatie tussen de pastoor en de bekeerde Isidoor biedt. Dit is het romanhoofdstuk waar Gerard WaIschap over geschreven had: ' [...] ge moet het hele boek lezen en nog eens lezen. En dan nog eens lezen, ,dus drie keren, hoofdstuk XXIX, want gij denkt misschien nog, als velen, dat die kunst van Felix Timmermans dan toch, ja, nog wat onvolledig is, dat zij het hoogste en diepste niet aandurft. Daar zult ge eerst goed voelen dat ge mis zijt en wat groot vol werk we nog te verwachten staan '.(9) En kort daarvoor, in dezelfde recensie, noteerde de auteur die in het geheugen zal blijven als de schepper van de machtige Houtekiet-figuur: 'Hoe vast is dit boek geschreven, zonder een aarzeling, zonder oponthoud, zonder verzwakking. Elke zin is een sobere pracht, glanzend van eenvoud en natuurlijkheid. Een zuiver monument van de taal.'

     

    Over het toneelstuk was WaIschap, die behalve over De pastoor ook over vele andere boeken van Timmermans lovende woorden heeft geschreven, aanzienlijk minder enthousiast. In zijn tijdschrift Hooger Leven schreef hij over de opvoering van Leontientje door het Vlaamse Volkstoneel, waarin een aantal beroemde namen uit de toenmalige Vlaamse bühne-wereld speelden: in een regie van Johan de Meester vertolkten Staf Bruggen en Antoon van der Plaetse respectievelijk de rollen van de pastoor en Isidoor. WaIschap had een voorstelling in Antwerpen bijgewoond en was er niet opgetogen over: 'Ge hadt moeten zien hoe schoon was het decor [...], een blijde, joviale pleistering van kleuren', zo vangt zijn recensie aan.(10) Maar dan gaat hij verder: 'En het werk, wel dat is bij lange zoo goed niet.' Voor WaIschap had de cast, en in het bijzonder Staf Bruggen, de voorstelling gered. We zien ook hoe nauw het katholieke element de toenmalige Pelgrim nog aan het hart lag: ' Aan het uitstekende spel van Staf Bruggen danken wij dat de verheven hardheid van de katholieke moraal haar beslag van menschelijke mildheid krijgt. Wij bestatigden dit met uitdrukkelijke erkentelijkheid jegens de leiding. "Leontientje" stond in tint en toon en atmosfeer passend bij dit ondanks zijn jovialiteit zeer delikaat werk. Want dit is niet alleen een delikaat probleem met veel rechtzinnigheid en kieschheid aangedurfd, maar zie ook eens wat een wonderschoone ziel Timmermans heeft gestoken in zijn pastoor [...]. Ik geloof niet dat ergens een groep die finesse van het werk in 't licht zal zetten gelijk het Volkstooneel dat heeft gedaan. Daar ben ik wel zóó van overtuigd dat ik zeggen zou: laat alleen het Volkstooneel ,;Leontientje” spelen, want zooaIs Staf Bruggen zei : "Leontientje met die liefde moet dat uit en amen zijn, gedaan", zoo heilig en zoo menschelijk, zoo kategoriek en zoo mild, zoo schoon doet het hem géén na. Minderwaardige acteurs zullen door die scène 't heele stuk bederven, of liever de heele katholieke dracht ervan. Nu stond die beteekenis zeer hoog en onaantastbaar.'

     

    In dezelfde bespreking schreef Walschap: 'Het Vlaamse Volkstoneel en de naam Felix Timmermans hebben het hele Leontientje gered. Ik geloof niet dat iemand anders hier moet proberen een ... drakerig slot als de sterfscène van Leontientje te schrijven.' Over dit slot was Timmermans zelf niet tevreden, zoals blijkt uit een interview van eind 1927, waarin hij zei 'dat hij 't einde van 't stuk, zo 't derde bedrijf, niet naar z'n zin vond en 'n verandering wilde aanbrengen'.(11) De auteur suggereerde dat de schuld voor het miserabele einde bij Eduard Veterman lag, de toneelrnan en artistieke duizendpoot uit Den Haag die samen met de Lierenaar voor de bewerking tekende. Voor de Hagenaar, met wie hij al eerder had samengewerkt, voelde hij overigens veel bewondering: ‘De naam van Veterman wordt wel eens vergeten, en dat betreur ik zeer. Veterman heeft veel kennis van zaken en levert zeer flink werk. Er domineert misschien iets van mij, maar dat komt alleen doordat wij steeds werkten naar een boek dat door mij geschreven werd, en dat ik dan nog aan de bewerking meedoe.’(12) Het schrijven voor toneel beviel Timmermans trouwens zozeer, dat in die tijd het plan rijpte voor De Hemelsche Salomé (1930), het enige toneelstuk dat de auteur apart zou schrijven - maar dat geen succes zou zijn; Veterman zou hem op een aantal gebreken wijzen.

     

    In Walschaps Hooger leven verzorgde toneelman Willem Putman jarenlang een toneelkroniek. In zijn oordeel over Leontientje stond hij op dezelfde lijn als Walschap: hij was weinig enthousiast, vooral ook over het slot van het stuk. 'Echte ontroering was er niet in de zaal,' schreef hij. De reden daarvan was dat, volgens Putman, het stuk ongeloofwaardig was. Hij vond dat Leontientje mooi begon - 'het stuk bekoorde bij den aanvang zeer' - maar dat het gaandeweg ontaardde en beneden peil eindigde: ' gaandeweg verslapte de aandacht en gedurende de laatste tafereelen schenen de toeschouwers zich bepaald te vervelen. Het melodramatische slot van dit spel joeg dan iedereen uit de zaal met spijt om den verloren avond [....] ' Ingegeven werd Putmans kritiek door zijn ergernis omtrent de stelling die het stuk (ongeloofwaardig) scheen te verdedigen. 'Wat moeten we 3 bedrijven lang zien gebeuren? [...] twee zeer christelijke mensen, vader en pastoor, laten Leontientje sterven van verdriet, liever dan toe te stemmen in haar huwelijk met een jongen, die naar hun eigen getuigenis de edelste jongen van de wereld is, maar die niet gelooft zooals zij. Is deze stelling wel katholiek? In elk geval zij ergert ons en bij het melodramatische slot rond Leontientje 's sterfbed wenschen wij van harte dat de op dit oogenblik bijgeroepen lsidoor recht zou springen en die twee christe1ijke menschen in 't gezicht slingeren dat zij allesbehalve edelmoedig zijn.' Putman eindigde zijn bespreking met enkele geestige regels rond het slot van het stuk. 'Wat jammer dat al deze schoone dingen gedurig werden gestoord door menschen in de zaal die rechtstonden en er uittrokken om hun laatste tram niet te missen. Het pleit altijd tegen een stuk als de toeschouwer voor het stuk zijn laatste tram niet wil missen.' En samenvattend heette het: ‘Och nee, de melodramatische slotscène van “Leontientje” kon den toeschouwer niet overtuigen. Hij heeft nog wel eens meer gezond verstand dan men denkt, de toeschouwer...’ .

     

    Het neemt niet weg dat Putman in Leontientje ook enkele mooie dingen had ontdekt. Al bij al was hij slechts ‘min of meer treurig’ .’Ik zeg: min of meer’ aldus Putman, want natuurlijk is in dit stuk ook iets moois te vinden. de aanvang bijvoorbeeld, de drie eerste tafereeltjes, waar de toneel-bewerker het dichtst bij den roman blijft. en die zijn als levend geworden beeldekens uit Timmermans’ boek. Hier vergeleek Putman met eerdere toneelstukken van Timmermans: .Ook in “Mijnheer Pirroen” stelden wij een goeden aanvang vast - en het eerste bedrijf van "Waar de ster bleef stille staan..." is een goed gebouwd. mooi afgerond toneelstuk, dat ons zoowaar een van de innigste momenten schonk. die wij ooit in een schouwburg beleefden. Ook het eerste bedrijf van "Leontientje" geeft eenige echt-ontroerende tooneeltjes [...]'.

     

    In maart 1927 verscheen Leontientje op het repertoire van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Antwerpen. Joris Diels tekende als regisseur, Jenny van Santvoort speelde de titelrol, Arthur Van Thillo was de pastoor, August Maes  Isidoor. In het Antwerpse weekblad Studio verscheen naar aanleiding van de voorstelling door de KNS een uitgebreide bijdrage.(13) Het artikel zette vooral de melancholische inslag van het toneelstuk in de verf en had het ook over een afwezigheid van het geweten bij Leontientje: .Over gansch het werk, van af het 2de tafereel hangt een adem van onzeggelijken weemoed; Leontientje ’s zwijgende offer wekt een oneindig medelijden op; in dat bewuste wegkwijnen van een schoone jeugd, die alleen naar leven snakt, trilt een simpele doch schrijnende tragiek. Het is deze tragiek die het Leontientje-figuur verheft tot op een hooger plan, tot een diep-menschelijker filozofie, boven het banale gedoe of het sectarisme dat haar omgeeft; het is deze tragiek die stelt het eeuwig-onvergankelijke van het menschelijke hart tegenover de kunstmatige wil van den geest. Een strijd waarin echter het Geweten geen deel schijnt te nemen. [...] Het is alsof de schrijver machteloos staat tegenover die lotsbeschikking; niets zal hij beproeven om het arme meisje te redden: hij laat haar wegsterven als om haar nog grooter smarten te besparen, ze makend in haar zachte vroomheid tot een kleine heilige. Juist uit die exaltatie van doodeswijding groeit de wrange melancholie die siddert door het werk als een mineur-toon.'

     

    Al bij al was dit een neutrale tot positieve bespreking. Er waren echter ook ronduit lovende recensies, ook vanuit niet-katholieke hoek. In het vrijzinnige tijdschrift De Vlaamsche Gids bijvoorbeeld schreef Ernst W. Schmidt over de tekstuitgave van het toneelstuk: 'Ik beken eerlijk dat de lezing van dit verrukkelijk stuk gemoedskunst mij een waar genot is geweest. Leontientje is een wereld van goedheid en beminnelijkheid. van patriarchale eenvoud en kinderlijkheid. Hier is nu wat wij in het werk van sommige andere katholieke toneelschrijvers missen: eenvoud des harten, deemoed en innigheid. Leontientje is een pure engelenfiguur, niet van deze wereld. Van eerstaf ligt een zilveren bovenaardse glans op haar wezen...(14).

     

    In 1934 verscheen Leontientje in een Duitse vertaling door Karl Jacobs.(15)  De eerste Duitse opvoering vond plaats in Bonn op 6 maart van dat jaar.(16)  Uit de enkele recensies die José de Ceulaer heeft nagelezen, blijkt duidelijk enig voorbehoud bij de beoordeling van het stuk. Toch zou Leontientje ook verschillende jaren in Duitsland op de planken worden gebracht.

    Op vandaag wordt Leontientje nog maar zelden gespeeld. José de Ceulaer noteerde al in 1982 dat het stuk in de zeven voorgaande jaren slechts zeven keer werd opgevoerd en dat zal er nadien wel niet veel beter op geworden zijn.(17)  Toch heeft Leontientje - ondanks de kritiek, die er van bij het begin was - tientallen jaren honderden en honderden toneelliefhebbers naar de schouwburg gelokt. In Nederland werd het stuk in twee jaar tijd 100 keer opgevoerd en begin 1937 bracht het Hofstadtoneel zijn 150ste voorstelling.(18)  De rode draad door de talloze persbesprekingen was de eenvoudige vaststelling van het Journal des théatres bij een voorstelling in 1927: ' Le public nombreux accueillit  l' oeuvre avec enthousiasme.' Dertig jaar na de première, in 1956, werden die woorden door De Standaard naar aanleiding van een zoveelste opvoering herhaald: 'Er was veel en dankbaar applaus van een tevreden publiek.' (19)  Het succes bleef decennia intact.

    De bijval voor Leontientje versterkte het succes van de grondtekst De pastoor uit den Bloeyenden Wijngaerdt; die veel positieve recensies kreeg en meteen op een groot lezerspubliek kon rekenen. Net zoals bij nog ander werk van Timmermans zou de titel van het boek spoedig een begrip worden. Het toneelstuk heeft daar alleen maar toe bijgedragen.

     

    BRONNEN

    Voor de receptiebeschrijving van Leontientje werd in hoofdzaak gebruikt gemaakt van de rijke Timmermans-verzameling in bet AMVC-Letterenhuis (signatuur T 3465). Andere bronnen zijn in de voetnoten aangegeven.

     

    (1) "Leontientje" door Felix Timmermans en Eduard Veterman.' Anoniem en ongedateerd krantenknipsel in de mappen - Timmermans in het AMVC-Letterenhuis [1927].

    (2) Geciteerd wordt naar: Felix Timmermans, De pastoor uit den Bloeyenden Wijngaerdt. Leuven, Davidsfonds, 1990.

    (3) Gaston Durnez, F'elix Timmermans; een biografie. Tielt, Lannoo, 2000, p. 324.

    (4) Felix Timmermans in een brief aan Rik Cox d.d. 23 december 1922, geciteerd in Gaston Durnez, o.c., p. 336.

    (5) Interview in De Maasbode van 25 maart 1926.

    (6) Gegevens ontleend aan José de Ceulaer, Kroniek van Felix Timmermans. Brugge, Orion, 1972, p. 98.

    (7) 'Leontientje van Timmermans en Veterman.' Anoniem en ongedateerd krantenknipsel in de mappen - Timmermans in bet AMVC-Letterenhuis [1927].

    (8) 'Leontientje', in: Gazet van Antwerpen. Anoniem en ongedateerd krantenknipsel in de mappen - Timmermans in het AMVC-Letterenhuis [1927]. 'Felix Timmermans, Eduard Veterman, Leontientje', in: Boekzaal 1927, nr. 3.

    (9) Gerard Walscbap, 'Felix Timmermans III', in: Hooger Leven, 17 juli 1927.

    Geciteerd in: Gaston Dumez, o.c., p. 326.

    (10) Gerard Walscbap, 'Leontientje te Antwerpen.' In : Hooger Leven, 20 maart 1927.

    (11) John Schilte, "n Kletspraatje met Timmermans', in: Boekenschouw, december 1927.

    (12) "'Leontientje" door Felix Timmermans en Eduard Veterman.' Anoniem en ongedateerd krantenknipsel in de mappen -Timmermans in het AMVC-Letterenhuis [1927].

    (13) 'Leontientje. Toneelspel in 3 bedrijven (10 tafereelen) door Felix Timmermans en Eduard Veterman', in; Studio, 26 maart 1927.

    (14) Ernst W. Schmidt in: De Vlaamsche Gids, jan. 1928. Geciteerd in: José De Ceulaer, '

    Het onthaal van het toneelwerk van, met en naar Felix Timmermans', in: José De Ceulaer, Timmermans ten tonele. Jaarboek 1982 van het Felix Timmermans-Genootschap. Beveren/Nijmegen, Orbis en Orion/B. Gottmer, p. 27.

    (15) De vertaling verscheen bij bet Val. Höfling Verlag te Miinchen onder dezelfde titel als de in 1927 uitgegeven roman Der Pfarrer vom blühenden Weinberg, de vertaling door Peter Mertens van De pastoor uit de Bloeyenden Wijngaerdt.

    (16) Gegeven ontleend aan José De Ceulaer, 'Het onthaal van het toneelwerk van, met en naar Felix Timmermans', in: José De Ceulaer, Timmermans ten tonele. Jaarboek 1982 van het Felix Timmermans - Genootschap. Beveren/Nijmegen, Orbis en Orion/B. Gottmer, p. 26.

    (17) José De Ceulaer, 'Het onthaal van bet toneelwerk van, met en naar Felix Timmermans', in: José De Ceulaer, Timmermans ten tonele. Jaarboek 1982 van het Felix Timmermans- Genootschap. Beveren/Nijmegen, Orbis en Orion/B. Gottmer, p. 27.

    (18) José De Ceulaer, 'Het onthaal van bet toneelwerk van, met en naar Felix Timmermans', in: José De Ceulaer, Timmermans ten tonele. Jaarboek 1982 van het Feixu Timmermans- Genootschap. Beveren/Nijmegen, Orbis en Orion/B. Gottmer, p. 24.

    (19) De citaten komen respectievelijk uit: Journal des théatres, 1-4-1927 en De Standaard,

    12-1-1956

     

    *********************

    09-10-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    08-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pirroen - Stijn Vanclooster.

    Een verhaal rond Pirroen

    Uitleiding bij de heruitgave van Mijnheer Pirroen van Felix Timmermans

    Stijn Vanclooster


    'In zijn stil stadje Lier legt Felix Timmermans op 't ogenblik de laatste hand aan het toneelstuk Mijnheer Pirroen, dat binnenkort in Den Haag vertoond zal worden.' Zo introduceert het Algemeen Handelsblad van 19 maart 1922 de intussen populaire Lierenaar, die de lezer iets vertelt over zijn op stapel staande nieuweling, de toneelversie van zijn even tevoren verschenen roman Anna-Marie (1921).

    Het kernthema van dat boek had Timmermans al beziggehouden in de tijd toen hij aan Schemeringen van de dood werkte: de mogelijkheid van een zuivere, vergeestelijkte verhouding van mens tot mens, de liefde als hogere vriendschap.[1] In een boek, dat wel eens omschreven werd als een 'romantiekerig bedenksel' verwerkte Timmermans aldus een fundamentele problematiek. Willem Kloos, die indertijd Timmermans' roem in Nederland had helpen vestigen, noemde Anna-Marie daarom 'wezenlijk-grote, want diepe en klare, innig-bewogen en toch rustige kunst'. Maar de beoordelingen die de roman te beurt vielen, waren niet onverdeeld lovend. Typerend was de bespreking van het genoemde Algemeen Handelsblad: 'Tot op de hoogte van het monumentale der Pallieterschepping komt deze Anna-Marie-compositie niet, al vinden wij er de gave ongebondenheid, de warmbloedige overgave van een merkwaardig kunstenaar in terug.' Gerard van Hulzen daarentegen omschreef Anna-Marie als Timmermans' 'meest eigene, aan zijn ziel verwante werk', want, zo gaat hij verder, 'Men schijnt het nog aldoor niet te weten, dat het diepste wezen van Felix Timmermans niets met de uitbundigheid en de levenszwelling van een Pallieter uitstaande heeft'.[2]

    Toch zou Anna-Marie velen Pallieter voor de geest roepen. Op de meeste recensenten had het personage van Pirroen een sterkere indruk nagelaten dan de titelfiguur Anna-Marie. Vreemd is dit niet, aangezien Anna-Marie in het boek minder op de voorgrond treedt en minder scherp en origineel wordt getypeerd dan Pirroen. Die laatste werd bij het lezerspubliek op korte tijd zo populair dat zijn naam algauw een begrip werd. Pirroen herinnerde vele recensenten aan Pallieter, en zoals de naam van deze levensgenieter het werkwoord 'pallieteren' in het leven had geroepen, zo ontstond algauw de nieuwvorming 'pirroenen'. De populariteit van de nieuwe Timmermansfiguur werd sterk in de hand gewerkt door het toneelstuk waarin Pirroen de titelrol kreeg.[3]

    Al op 23 oktober 1919, nog voordat de roman was afgewerkt, noteerde Timmermans in zijn dagboek: '[...] aan het in toneelzetten van Anna-Marie, maar getiteld Mijnheer Pirroen'.[4] En op 7 mei 1920 klaagde hij aan Flor van Reeth: 'Ik kan bijna niet meer beschrijven. Ik zou willen toneel maken, een andere vorm nemen om mij uit te drukken'.[5] Timmermans had dus al vlug ingezien dat zijn nieuwe, ietwat karikaturale personage misschien wel bij uitstek geschikt was voor de bühne.

    Wie dezelfde mening was toegedaan, was Eduard Veterman. Deze jongeman uit Den Haag vroeg Timmermans in de herfst van 1921[6] om zijn roman Anna-Marie tot een toneelstuk te mogen omwerken. De Lierenaar, die daar zelf al mee begonnen was, stemde daar onmiddellijk mee in en toen in 1922 Mijnheer Pirroen verscheen, stond naast de naam van Timmermans ook die van Veterman op de kaft.

    Eduard Veterman (Den Haag 8-1-1901–Amsterdam 28-6-1946), toneelman in hart en nieren, was zowat het tegenbeeld van de Lierenaar: een gedreven, uiterst modieus geklede, verfijnde estheet, een dandy en poseur die al op jonge leeftijd zijn leven wilde wijden aan Cultuur met een grote C, die zich in het grootstadsleven stortte en zijn avonden in de theaters doorbracht.[7] Toch zou Veterman het pad van Timmermans nog een paar keer kruisen. Hun samenwerking zou behalve Anna-Marie nog twee toneelstukken naar Timmermans voortbrengen, namelijk En waar de ster bleef stille staan (1925, naar Driekoningentryptiek) en Leontientje (1926, naar De pastoor uit den Bloeyenden Wijngaerdt). Volgens een interview met Veterman in 1934 stond er zelfs nog een vierde stuk op stapel, maar daar zijn nadien geen sporen van gevonden.[8] Timmermans en Veterman hanteerden een strakke taakverdeling. Veterman zorgde voor de verhaalstructuur, de enscenering en gaf de dramatische actie aan, terwijl Timmermans veelal de dialogen schreef.

    Deze laatste zijn in Mijnheer Pirroen, in vergelijking met Anna-Marie, veel snediger en humoristischer. Een ander verschil betreft de tekening van de karakters, die in het toneelstuk veel oppervlakkiger is. Maar de belangrijkste aanpassing ligt elders. De verhaalstructuur en de dramatische stof ontwikkelen zich in het toneelstuk rond slechts twee personages — Pirroen en Césarinne — terwijl in de roman de verhouding tussen Anna-Marie en Corenhemel haast evenveel aandacht krijgt. In het toneelstuk zijn de taferelen rond de andere figuren — de liefdesgeschiedenis tussen Corenhemel en Anna-Marie, de bijeenkomsten van de Dolfijnen enz. — met andere woorden sterk ondergeschikt aan de intrige rond Pirroen en Césarinne. Timmermans beweerde zelfs dat hij Anna-Marie enkel in het toneelstuk had behouden omdat 'zij een persoon is die mee helpt het vreemde karakter van Pirroen te laten uitkomen'.[9] Op het inhoudelijke vlak betreft het belangrijkste verschil tussen de roman en het toneel het slot: in Mijnheer Pirroen keert Anna-Marie naar Italië terug, terwijl ze in de roman in het water sukkelt en sterft.

    De première van Mijnheer Pirroen vond plaats in Nederland, meer bepaald op 10 oktober 1922  in de Rotterdamse Schouwburg. Regisseur was Nico de Jong; Jules Verstraete speelde de rol van Pirroen, Martha Walden die van Anna-Marie. In Vlaanderen ging het stuk twee weken later in première: op 23 oktober in de Lierse stadsschouwburg, in een opvoering door het Vlaamse Volkstoneel onder leiding van Oscar de Gruyter. De toneelvertoning, met in de titelrol Maurits Hoste, was het slot van een Timmermanshulde ter gelegenheid van de bekroning van de auteur met de Driejaarlijkse Staatsprijs voor letterkunde.[10] In de Rotterdamse Schouwburg werd Mijnheer Pirroen aangekondigd als een 'blijspel in vier bedrijven'. Een brief van Timmermans aan zijn in Nederland verblijvende vriend Rik Cox laat zien dat de Lierenaar daar niet zo gelukkig mee was: '[...] het is verkeerd geweest het een blijspel te noemen. Dat hebben de Rotterdammers gelapt. Het stuk moet zijn: een vrije verbeelding. Het gaat er om een type te laten zien, in zijn doen en laten.'[11]

    Vele jaren later heeft Timmermans z'n Anna-Marie nog omgewerkt tot een libretto. De gelijknamige opera, gecreëerd door Renaat Veremans, ging op 22 februari 1938  in de Koninklijke Vlaamse Opera in première. Toen de K.V.O. in mei van datzelfde jaar met Anna-Marie te gast was in het Opernhaus van Keulen, was de pers zo enthousiast, dat de belangrijke Duitse filmmaatschappij UFA het werk onmiddellijk wilde verfilmen. Omdat Timmermans noch Veremans akkoord gingen met enkele voorgestelde scenario-ingrepen, is daar evenwel niets van gekomen.

    Hoe werd Mijnheer Pirroen nu ontvangen? Na de première van het toneelstuk schreef de gezaghebbende Nieuwe Rotterdamsche Courant dat 'de eenheid ontbrak. De tweeledigheid lijkt ons van Mijnheer Pirroen de groote fout. [...] Zoo is Mijnheer Pirroen een blijspel geworden met voortreffelijke brokken, doch zonder de eenheid, die de aandacht der toeschouwers pakt, tot het laatste. Nu zaten velen te wachten, totdat Caesarine dan toch maar eindelijk mocht komen.' De krant besloot met: 'Na Schemeringen van den dood, somber als een obsessie, kwam Pallieter, de uitbundige. Mijnheer Pirroen heeft van beiden wat, doch te zeer vallen de samenstellende deelen van dit tooneel-potpourri uiteen.'[12] Een aantal weken later schreef de Hollandsche Revue in dezelfde lijn: 'Ware het blijspel uitsluitend en dan in lichten, luchtigen stijl opgetrokken rondom den kostelijken meneer-Pirroen-ten-voeten-uit, dan was het tenminste een geheel geworden. Nu blijft het zo'n beetje "allerhande", niet onsmakelijk opgediend, maar... onbevredigend.'[13]

    Kritiek op de opbouw en de eenheid van het stuk zal in de besprekingen, die Mijnheer Pirroen door de tijd heen ten deel vallen, een rode draad blijken te zijn. Maar steeds opnieuw wordt in de recensies ook gewezen op de grote bijval van het publiek. Zo opende het tijdschrift De Schelde van 8 maart 1926 haar bespreking van een nieuwe opvoering als volgt: 'Een macht van volk in "De Burgersbond" gisteravond voor de opvoering van "Mijnheer Pirroen", een zoo gekende comedie die steeds nieuwe belangstelling wekt.' Vijftien jaar later — Mijnheer Pirroen was ondertussen tientallen malen ten tonele gebracht — recenseerde Het Vlaamsche Land een nieuwe vertoning: 'Er waren slechts een paar rijen [...] open gebleven in den stadsschouwburg [van Antwerpen] voor de vertoning van "Mijnheer Pirroen"' [...] Het publiek beleefde een echt gezelligen namiddag en was dan ook niet zuinig met het applaus.'[14] In 1959 — bijna zevenendertig jaar na de creatie van het stuk — wist Het Handelsblad na een nieuwe opvoering: '"Anne-Marie draagt de sporen van de aanpassing, want het is zeker geen model van konstruktie.' Maar de recensent was geboeid door de personages, die allen de stempel dragen van Timmermans' oubolligheid. [...] we zouden kunnen zeggen dat Timmermans er een soort persoonlijk surrealisme op nahield. Zijn personages worden lichtjes vervormd: in plaats van de kontoeren te verscherpen dikt hij sommige details aan, zodat zijn personages ons soms doen denken aan kunstig gesneden spekulatieventjes. Zij bestormen ons gemoed, en met middelen die bij ieder ander auteur kinderachtig zouden wezen, houden ze ons in de ban, brengen ons een eigen levensbeeld, persen een glimlach uit ons wezen en ontroeren ons al verzetten we er ons als "grote mensen" tegen. Dit spel van personages is onweerstaanbaar, zelfs nu nog.[15]

    Begin de jaren zeventig, andermaal ruim een decennium later, schreef het gezaghebbende De Standaard nadat het stuk een zoveelste keer op de planken was gebracht:

    Veterman zal wel de animator zijn geweest. Maar dat vergeet men als men het stuk ziet; men ziet alleen Timmermans, de oubollige Fé die zijn peperkoekenventjes een ziel gaf zodat ze uit het raam van de vertelling sprongen en den schijn van de realiteit aannamen. In deze tijd van de maanreizen wil men zich ertegen verzetten, maar het lukt niet, notaris Pirroen en zijn kornuiten zijn ons te sterk, zij betokkelen in ons een romantischer snaar die we reeds lang gebroken waanden, en achter die haast onwaarschijnlijke eenvoud van die marionetten zien we toch levende mensen. [...] Een schitterende voorstelling die ons de wereld van deze tijd heeft doen vergeten. Een therapeutisch middel tegen de milieuvervuiling [!].'[16]

    Ondanks de voortdurende — daarbij opvallend gelijklopende — kritiek stond Mijnheer Pirroen decennialang op het repertorium van heel wat theatergezelschappen in Vlaanderen. De jongste vijfentwintig jaar wordt het stuk alleen nog opgevoerd door amateurkringen, maar voordien tekenden geregeld ook professionele gezelschappen als de K.N.S. of de K.V.S. voor de voorstellingen. De schouwburgen liepen telkens vol. Wellicht rechtvaardigt alleen dat al de heruitgave van deze toneeltekst, die nu weer binnen het bereik van de lezer komt.

    Noten

    ·  1. Cf. Gaston Durnez, Felix Timmermans. Een biografie. Tielt: Lannoo, 2000, p. 302-303.

    ·  2. De citaten uit de besprekingen van Anna-Marie zijn ontleend aan het overzicht van José de Ceulaer, 'De receptie van Anna-Marie', in: Louis Vercammen (samenst.), Omtrent Anna-Marie. Jaarboek 18 van het Felix Timmermansgenootschap. Beveren/Nijmegen: Orbis en Orion/B. Gottmer, 1990, p. 104-116.

    ·  3. Gaston Durnez, o.c., p. 306.

    ·  4. Ingrid van de Wijer, Al mijn dagen. Dagboek en archief Felix Timmermans. Wommelgem: Den Gulden Engel, 1986, p. 139.

    ·  5. José de Ceulaer, Kroniek van Felix Timmermans. Brugge: Orion-Desclée De Brouwer, 1972, p. 56.

    ·  6. Cf. Gaston Durnez, o.c., p. 306.

    ·  7. J.W. Regenhardt, Het gemaskerde leven van Eduard Veterman. Amsterdam: Balans, 1990, p. 58.

    ·  8. Cf. Hans Roest, 'Eduard Veterman en Hyacinth Hermans', in: Louis Vercammen (samenst.), Omtrent Anna-Marie. Jaarboek 18 van het Felix Timmermansgenootschap. Beveren/Nijmegen: Orbis en Orion/B. Gottmer, 1990, p. 38.

    ·  9. Felix Timmermans, 'Mijnheer Pirroen', in: Algemeen Handelsblad, 19-3-1922. Opgenomen in: Louis Vercammen (samenst.), Omtrent Anna-Marie. Jaarboek 18 van het Felix Timmermansgenootschap. Beveren/Nijmegen: Orbis en Orion/B. Gottmer, 1990, p. 129.

    ·  10. Premièregegevens voor Vlaanderen en Nederland ontleend aan José de Ceulaer, 'Het onthaal van het toneelwerk van, met en naar Felix Timmermans', in: José de Ceulaer (samenst.), Timmermans ten tonele. Jaarboek 1982 van het Felix Timmermansgenootschap. Beveren/Nijmegen: Orbis en Orion/B. Gottmer, 1982, p. 8 en Gaston Durnez, o.c., p. 307.

    ·  11. José de Ceulaer, aangehaald artikel, p. 7.

    ·  12. Nieuwe Rotterdamsche Courant van 11-10-1922.

    ·  13. Hollandsche Revue van 25-11-1922.

    ·  14. Het Vlaamsche Land van 14-1-1941.

    ·  15. Het Handelsblad van 28-2-1959.

    ·  16. De Standaard van 10-5-1972.


    © Stijn Vanclooster & CTB

    Deze tekst verscheen als Stijn Vanclooster. 'Een verhaal rond Pirroen.'

    Uitleiding bij de heruitgave van Mijnheer Pirroen van Felix Timmermans.' Wijnegem :

    Felix Timmermanskring, 2003, p. 87-91.

    08-10-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Ster - Stijn Vanclooster.

    EEN VERHAAL ROND DE STER

     

    Stijn Vanclooster

     

    'De ook bij ons ruim bekende Driekoningentryptiek uit Vlaanderen heeft de grote schrijver Felix Timmermans ons als novelle en toneelstuk nagelaten. Zij is sinds meer dan zestig jaar rond de kersttijd niet van de Vlaamse bühne weg te denken, net zoals in de Duitse huiskringen in deze periode kribbe en kerstboom niet kunnen ontbreken. Zonder haar zou Kerstmis in ons buurland zoveel armer zijn.' Aldus opent een lang Duitstalig artikel over Timmermans' bekende toneelstuk in de Kirchenzeitung für das Bistum Aachen (1), aflevering 1 van het Timmermansjaar 1986.

    En waar de ster bleef stille staan zou inderdaad al kort na de creatie in 1925 immens populair worden en tot op vandaag in alle hoeken en uithoeken van Vlaanderen op de planken worden gebracht. Het werkje is ontegensprekelijk uitgegroeid tot het beroemdste toneelstuk van Timmermans. Misschien is het zelfs een onlosmakelijk deel van het collectieve Vlaamse volkspatrimonium geworden, aangezien de echtgenoot van Timmermans' oudste dochter Lia ooit te horen kreeg dat de Ster geen auteur had, dat het stuk gewoon ' bestond '.

    Anton Kippenberg, de directeur van het Insel Verlag, die Timmermans' werk in het Duitse taalgebied uitgaf, had het veel vroeger voorspeld in een brief aan de Lierenaar : 'Felix, dat is een werk dat ge niet zult bijhouden: het zal u ontgroeien en de gemeenschap zal het in zich opnemen. Dat zal blijven, gelijk een Marieken van Nymegen of een zuster Beatrijs en de Mirakelspelen der Middeleeuwen. Dat gebeurt alleen met echte grote kunst. Het werk blijft; de rest verdwijnt.' (2)

     

    En waar de ster bleef stille staan heeft natuurlijk wel degelijk een auteur, in zekere zin zelfs twee. Het stuk is de vrucht van de samenwerking tussen Timmermans en Eduard Veterman, de toneelman uit Den Haag die eerder al samen met de Lierenaar Mijnheer Pirroen (naar de roman Anna-Marie) had vormgegeven.(3) Met de Ster hadden de twee een toneelversie gemaakt van Driekoningentryptiek, het prozaverhaal dat Timmermans een jaar eerder, in 1923, had uitgebracht. In verband met de samenwerking met Veterman schreef de auteur eind 1924 aan de Nederlandse criticus Jan Greshoff: ' De opbrengst van de stukken als Mijnheer Pirroen en AIs de sterre stille staat wordt door Veterman en mij steeds in de helft gedeeld. [...]

    De uitleg " Als de sterre stille staat ", Kerstlegende door Felix Timmermans, gedramatiseerd door Eduard Veterman, bevredigt mij niet ten volle. Daar ik mee gedramatiseerd heb, wil ik er dan ook mijn naam bij hebben, evenals ik er Ed. Veterman bij wou.' (4)

     

           img101/6553/driekoningentryptiekmedxw2.jpg                img101/763/destermediumqa4.jpg

    Van de Ster verscheen een eerste fragment in februari 1924  in het door Wies Moens geleide katholieke tijdschrift Pogen.
    (5) Een tweede fragment werd aan het einde van hetzelfde jaar afgedrukt in het kerstnummer van het Nederlandse katholieke weekblad De Nieuwe Eeuw. Het toneelstuk verscheen het jaar daarop, in 1925 , in boekvorm bij P.N. Van Kampen & Zoon, sinds Pallieter (1916) Timmermans' vaste uitgever. Het was een druk jaar voor de Lierenaar : van januari tot december stonden tal van spreekbeurten in heel Nederland en Vlaanderen op de agenda; de auteur maakte een reis naar Italië en publiceerde daar een verslag van; hij werd benoemd tot briefwisselend lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde en publiceerde, naast enig werk van kortere adem, de hymne aan zijn geboortestad Schoon Lier. Daarnaast gingen 'gewone' bezigbeden, zoals tekenen en het bijhouden van een dagboek, gewoon voort.

     

    De creatie van de Ster kwam er dankzij notaris Prosper Thuysbaert uit Lokeren, die Timmermans om een mirakelspel voor zijn amateur-gezelschap verzocht. Toch werd het stuk het eerst in Nederland op de planken gebracht. Op 5 februari 1925 tekende daarvoor in de Koninklijke Schouwburg van Den Haag het Verenigd Rotterdams Hofstadtoneel, onder regie van Cor van der Lugt Melsert, die zelf de hoofdrol van de schaapherder Suskewiet voor zijn rekening nam.

    Twee dagen eerder had Timmermans over zijn stuk een artikel in Het Vaderland gepubliceerd, dat een dag later ook in de Haagsche Courant verscheen. De auteur vertelde daarin wat de creatie van de Ster beïnvloed had : in de eerste plaats was dat het Driekoningengebeuren uit zijn kindertijd, speciaal de volksliedjes die hij toen hoorde zingen en waar zijn verbeelding mee aan de slag ging, en later, de ' twee zeer schoone Mirakel-spelen ' De arme onder de trap en De Heilige tegen goesting van Ghéons. In tegenstelling tot Ghéons werk echter vindt het mirakel in Timmermans' stuk niet plaats bij heiligen, maar juist bij eenvoudige mensen, ' in menschen uit ons landschap, menschen die ik kende, gewone, boterbam-gewone menschen,' zoals Timmermans die noemde. In Het Vaderland heeft de auteur ook de tendens van En waar de ster bleef stille staan aangegeven: ' Ik wou er mee uitdrukken hoe zelfs op de verworpendste en onaanzienlijkste menschen God genade kan neerdauwen en er overal plaats is voor heiligheid. ' De zwarte Pitje Vogel, de herder Suskewiet, de bedelaar Schrobberbeeck : elk hebben ze een ruwe mystieke kiem in zich. Op een kerstnacht, wanneer ze Drie Koningen spelen, raakt de kiem ' aan het bersten en aan het groeien. ' ‘Als het eenmaal begonnen is, is er geen tegenhouden meer aan,’ schrijft Timmermans, ‘en waar de Ster bleef stille staan, zijn ze een voor een naar binnengegaan.In het blanke licht van den geest. ’


          
     

    Na de première volgden in Den Haag nog drie voorstellingen, waarna de productie naar Rotterdam verhuisde. Telkens kenden de opvoeringen een massale toeloop. De pers was evenwel allesbehalve eensgezind in haar oordeel. Over de grenzen kopte De Standaard (13 febr.) : 'Een toneelgebeurtenis. De Triomf van Timmermans’ [sic] Mirakelspel in Nederland'. Onder deze titel volgde een kopie van het verslag dat Pater Hyacinth Hermans eerder in de Nederlandse Maasbode had gepubliceerd en waarin o.m. te lezen stond dat het stuk was ' uitgegroeid tot een spel van zulk een aangrijpende algemene menselijkheid, dat het als het meest voldragen Shakespeare-stuk over tijden en seizoenen zal heenreizen.'

    Deze woorden waren natuurlijk overdreven. De meeste andere besprekingen waren veel bezadigder maar volgden de positieve lijn die Hermans had uitgetekend. Zo zag het katholieke weekblad De Nieuwe Eeuw in Timmermans' stuk ‘schilderachtige taferelen uit een toverlantaarn’ en ‘een folkloristisch mirakelspel met een eigen Vlaams karakter’.(6)

    Ook Ons Volk Ontwaakt (8 maart) blies hard de loftrompet: '[...] het “Vereenigd Rotterdamsch Hofstadtooneel” [...] heeft met de vertolking van “Als de ster bleef stille staan” te Den Haag en Rotterdam een bijval behaalt [sic], die, naar de Nederlandsche bladen zeggen, sedert lange jaren in Nederland zijn weerga niet vond. Daarmede is ook de gelukkig Felix Timmermans in onze Vlaamsche tooneelliteratuur op een voorplan getreden en we zijn er zooveel te blijer om daar zijn werk overvloeit van warmen Roomschkatholieken geest, en tevens zoo door en door schilderachtig en Vlaamsch is. 'n Eigen toon in onze christelijke volksspelen, wij hebben er lang naar verlangd. En die spreekt luid uit dit werk van Timmermans.' Sommige critici wezen enkele zwakke plekken in het stuk aan, en een enkele liet zelfs een ronduit negatieve stem horen.

    Zo schreef Henri Borel in Het Vaderland (6 febr.) dat men vermoedelijk 'fervent catholique' moest zijn om ‘ het dwaze bijgeloof ’ in het stuk nog te slikken en dat bepaalde 'malligheden' nog alleen voor ‘wel erge plattelanders’ genietbaar zouden zijn. Toch had hij 'de vrome intentie en plechtige wijding van enkele zuivere taferelen' met ontroering aangevoeld en in het mirakelspel 'heel wat Bruegel, Hauptmann en zelfs een ietsje Goethe' ontdekt. Ondanks de kritische geluiden - die een minderheid vormden - bleef het publiek in de schouwburgen toestromen.

     

    Dat was in Vlaanderen niet anders. Beneden de Moerdijk kwam de Ster pas op de planken op 22 september 1925,  in de Antwerpse schouwburg Sint-Willibrordus. Het Vlaamse Volkstoneel tekende voor de voorstelling, die plaatsvond in een regie van Johan de Meester en met een ploeg bekende acteurs (o.m. Staf Bruggen en Lode Geysen) die optraden in kostuums die Timmermans zelf had ontworpen. We haalden eerder al de artikelen van De Standaard en Ons Volk Ontwaakt bij de voorstellingen in Nederland aan. Een week voor de Vlaamse première liet De Standaard (13 sept.) weer van zich horen. De krant blikte veelbelovend vooruit: 'Er wordt nu weer veel gesproken over het kristelijk legendespel "En waar de Ster bleef stille staan..." van Felix Timmermans, omdat het "Vlaamsche Volkstooneel" er dezen winter het Vlaamsche land zal mee afreizen nadat Holland er verleden seizoen de primeur heeft van weggekaapt en Cor van der Lugt er de Hollanders een hoop Vlaamsche gezondheid, gemoedelijkheid, oprechte populaire vroomheid en meer dan een heelen hoop Vlaamsche kleur heeft mee geschonken.' Verder schreef de krant dat ' het spel in Holland zoo 'n ontstellend groot succes behaalde en de Hollandsche katholieken twee meter hoog sprongen van blijdschap omdat een door-en-door Roomsch werk als dit van Timmermans het vermocht heel dat verdorde Hollandsche tooneelleven weer eens geweldig te doen opflakkeren [...] '. De andere persgeluiden sloten allemaal bij deze lovende woorden aan. Alleen de Gazet van Antwerpen tekende bezwaar aan tegen wat ze de 'naïeve' inhoud noemde en liet weten dat er 'menige uitdrukkingen in het stuk [...] voor katholieke toeschouwers niet zouden mogen uitgesproken worden.' Deze kritische noot, in Vlaanderen een uitzondering, sloot aan bij een bepaald bezwaar in de Nederlandse katholieke pers.

    Jos Vandervelden had namelijk in het weekblad Nieuw Nederland (1925, nr. 7 geschreven dat hij niet tegen het verhaa1 van Timmermans protest aantekende, ‘maar tegen het misbaksel dat ervan gemaakt is’ .(7) Volgens Vandervelden waren de ‘onverk1aarbare explosie van enthousiasme’ en de ‘onbekookte lofprijzingen’ die het stuk te beurt vielen geen redenen om te juichen. .‘De waarheden van ons geloof,’ aldus Vandervelden, ‘de objecten onzer verering, onze mysteries, onze tradities, zijn er niet enkel om als rekwisieten in de poppenkasterij van het moderne toneel gebruikt te worden.’(8)

     

    De kritiek op het dramatische niveau van de Ster is de rode draad door de (weinige) negatieve besprekingen die het stuk ten deel vielen. Nog voor het toneelstuk werd opgevoerd, werd daar in de eerder geciteerde aflevering van De Nieuwe Eeuw al op geanticipeerd : het stuk werd een ‘panoramaspel’ genoemd, ‘vlak-dramatiek’, waarvan Teirlinck ‘de patroon’ is. ‘In dramatisch meesterschap is Teirlinck de auteurs van dit Kerstspel ver de baas,’luidde het verder;

    ‘De contouren zijn bij de eerste scherper en vaster. Teirlinck is als dramaturg veel beweeglijker, maar ook killiger en spitsvondiger [...] Timmermans doet geen moeite het tempo van die moderne tovenaar bij te houden. Hij maakt met aandacht zijn kleurige oubollige plaatjes. Hij houdt het bij de goeie ouderwetse toverlantaarn, die misschien eventjes archaïstisch aandoet, maar altijd weer het kinderoog verbaasd laat staren naar zijn wonderen. Zó moet men dit eenvoudige Kerstspel bezien in de kalme voorbijgang van zijn vrome, schilderachtige taferelen, zonder dramatische diepte, maar met de kinderlijke zingende credo van een primitieve legende-toon.’(9)

     

    Elders in de pers werd geschreven dat ‘het stuk, ondanks schone costumes en mise-en-scène, geen week de planken zou houden’ .Timmermans moest daar evenwel om lachen: ‘Wacht maar, zelfs met lelijke costumes en zonder mise-en-scène zullen ze het spelen’.(10) Hij heeft overschot van gelijk gehad. Begin 1930 bracht het Vlaamsche Volkstooneel al zijn honderdste voorstelling van het stuk in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel. Nog steeds zetten, elk jaar opnieuw, rond Kerstmis, vele toneelgezelschappen de Ster op hun affiche. In zijn tachtigjarige geschiedenis werd het stuk door alle gerenommeerde gezelschappen in hun repertoire opgenomen en door nog veel meer kleinere kringen op de planken gebracht, zowel in Vlaanderen, Nederland, Duitsland, Frankrijk als Oostenrijk - er waren zelfs plannen voor opvoeringen in New-York en Zuid-Afrika.

    De Ster werd ook verschillende keren voor radio en televisie bewerkt. De vele succesvolle opvoeringen, tot op vandaag, en de talrijke lovende persbesprekingen over de decennia heen, bevestigen dat de recensent van De Vlaamsche Linie in 1949, vijfentwintig jaar na de creatie, de Ster terecht ' het overbekende en ons dierbaar geworden toneelwerk van Felix Timmermans ' noemde."

     

     

     

    (1) Karlheinz Pieroth, 'Und wo der Stern blieb stille stehn. Zu Besuch bei den Heiligen Drei Königen in Flandern'. Timmermans' Driekoningentryptiek (1923) werd in 1926 door Anton Kippenberg in het Duits vertaald onder de titel : Das Spiel von den heiligen drei Königen.

    De Duitse vertaling van het fragment uit de Kirchenzeitung is van mij.

     

    (2) Lia Timmermans, Mijn vader. Wommelgem, Den Gulden Engel, 1986, p. 59. )

     

    (3) Zie daarvoor het nawoord bij onze vorige toneeluitgave, Mijnheer Pirroen (Felix Timmermanskring, 2003).

     

    (4) Zie ook José de Ceulaer, Kroniek van Felix Tirnmerrnans. Brugge, Orion-Desclee De Brouwer, 1972, p. 84. De brief van Timmermans aan Greshoff dateert van 9-12-1924.

    Zie voor de kwestie rond de samenwerking Timmermans - Veterman ook Ingrid van de Wijer, AI mijn dagen. Dagboek en archief Felix Timmermans. Wommelgem, Den Gulden Engel, 1986, p. 155.

     

    (5) Pogen II, p. 45-48. Het fragment droeg toen de titel 'En als de ster bleef stille staan'.

    Cf. José de Ceulaer, Kroniek van Felix Timmermans, p. 81.

     

    (6) Gaston Durnez, Felix Timmermans, een biografie. Tielt, Lannoo, 2000, p. 369.

     

    (7) José de Ceulaer, 'Het onthaal van het toneelwerk van, met en naar Felix Timmermans', in:José de Ceulaer (samensteller.), Timmermans ten tonele. Jaarboek 1982 van het Felix Timmermansgenootschap. Beveren /Nijmegen,

    Orbis en Orion / B. Gottmer, 1982, p. 13.

     

    (8) Ibidem.

     

    (9) Idem, p. 10-11.

     

    (10) Geciteerd uit Ons Volk, 21-1-1%2,jg. 45, nr. 1.

     

    (11) De Vlaamsche Linie, 30-12-1949.

    07-10-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De hemelsche Salomé - Stijn Vanclooster

    Een verhaal rond Salomé

    Stijn Vanclooster


                                 dehemelschesalom.jpg

    Na ruim zeventig jaar werd onlangs Timmermans' vergeten toneelstuk De hemelsche Salomé weer op de planken gebracht. Het gezelschap Rust Roest uit Leest bij Mechelen voerde het in het najaar van 2001 op ter gelegenheid van zijn tachtigjarige bestaan.

    Is de keuze voor dit stuk op zich al opmerkelijk, nog opvallender waren de ruime publieke belangstelling en het warme onthaal die de opvoering te beurt vielen. Het succes was vooral te danken aan de klasrijke acteurs en de regisseur, die het stuk door enkele ingrepen op een hoger plan tilden. Bij de literaire kwaliteit van de oorspronkelijke tekst kan de hedendaagse lezer immers zijn bedenkingen hebben. Ook de eerste opvoeringen, begin 1930, waren geen groot succes geweest. In een interview ruim tien jaar later, in 1941, verklaarde de auteur die kritiek als volgt: 'Ik heb mij te zeer gehouden aan de historische feiten. Ik had ze moeten vergeten.'

    Die historische feiten betreffen het leven van Catharina van Siëna (1347-1380). Want al doet de titel iets anders vermoeden, De hemelse Salomé handelt over het leven van deze middeleeuwse heilige. Samen met Franciscus van Assisi is Catharina van Siëna sinds 1939 patroonheilige van Italië. Beide heiligen leerde Timmermans kennen via de biografieën van de Deense bekeerling Jens Johannes Jörgensen (1866-1956) en de twee figuren zouden hem zijn leven lang boeien. De hemelse Salomé ontstond overigens in een periode toen de auteur ook aan De Harp van Sint-Franciscus begon te schrijven. De hagiografische toon van Jörgensens boeken heeft Timmermans in zijn stuk aangehouden.

    Voor een titelverklaring kan de lezer in het werk zelf terecht, met name bij het begin van het vijfde 'tafereelke': 'Zooals Salomé, een zondares, door haar dans het hoofd van een Heilige won, Sint-Jan de Doper, zo won Catharina, die een heilige was, het hoofd van een zondaar, door haar gebed, dat de dans der ziel is.' Felix Timmermans was al veel langer geboeid door de figuur van Salomé. Zo had hij het bijvoorbeeld over haar in het verhaal 'Om het hoofd van Johannes', dat voor het eerst verscheen in twee bijdragen in Het Vaderland van 21 december 1919 en 18 januari 1920  in de reeks 'Uit mijn rommelkas'. Daar kreeg het de titel Salomé en de mededeling 'Een vertelsel van Peterus door mij met letterkunde overgoten.' Later zou dit verhaal in het Winterboek 1934-1935 van het Comité van arbeiders en werkloze intellectuelen opnieuw verschijnen, lichtjes bewerkt en met een andere titel.

    De hemelse Salomé is de enige toneeltekst die Timmermans zelfstandig schreef. Hij begint eraan in september 1929 en op 20 november van dat jaar zegt hij in een interview dat het stuk voltooid is. In januari 1930 verschijnt de tekst in de reeks 'Zilveren Verpozingen' bij P. N. Van Kampen en op 24 februari van dat jaar wordt hij voor het eerst op de planken gebracht. Dat gebeurde door het Vlaamsche Volkstoneel, in een regie van Anton van de Velde. Plaats van uitvoering was zaal De Valk aan de Grote Markt te Lier. Acteurs waren o.a. Greta Lens (Catharina), Tilly Van Speybrouck (Lapa), Staf Bruggen (Raymond van Capua), Anton van der Plaetse (kardinaal/Neri/stem van Jezus), Renaat Verheyen (Nicolaas Van Tuldo), Renaat Grassin (duivel) en Maurits Hoste (Jacob).

    Van de Velde had evenwel zijn twijfels over de kwaliteit van het stuk. Hij maakte die niet rechtstreeks aan de auteur bekend, waardoor Timmermans enigszins ontstemd was. In dit verband richt Timmermans zich een maand voor de première tot de regisseur.

    Ik verneem langs verschillende zijden, dat gij mijn stuk De hemelsche Salomé niets vindt. Indien dit waar is dan vind ik het spijtig, besten Broer, dat gij dat niet aan mij gezegd hebt, die het toch in de eerste plaats weten moet. Het kan natuurlijk heel waar zijn dat gij het niet goed acht. Doch waarom dan geen woordeken in alle openhertigheid schrijven. Gij als directeur en tevens regisseur zoudt mij toch het eerste moeten wijzen naar wat er te zwak te veel of te kort aan mijn werk is, dan kon ik dat nog altijd bewerken als ik er goesting voor had.

    Hoewel de plaatselijke pers over de opvoering van het stuk erg geestdriftig was geweest, stond regisseur Van de Velde niet alleen met zijn kritiek. Gerard Walschap bijvoorbeeld vond het spel 'technisch zeker geen meesterwerk'. Het uitvoerigst lichtte toneelauteur en -recensent Willem Putman zijn commentaar toe. Hij achtte een onderwerp als het leven van Catharina van Siëna weinig geschikt voor toneel en vond dat het stuk hier en daar ontaardde in 'misselijke sentimentaliteit'. Vooral had hij zijn bedenkingen bij de opbouw van het stuk, die hij 'veel minder evenwichtig' vond dan Timmermans' vroegere toneelwerk.

    De hemelse Salomé is opgebouwd rond 'zeven tafereelkens', waarbij elk tafereel wordt ingeleid door een monoloog van broeder Raymond van Capua, biograaf en biechtvader van Catharina. Soms onderbreekt hij ook het spel om het publiek of de lezer in te lichten. De gebeurtenissen worden dus niet in een doorlopende actie uitgebeeld, wat het geheel ietwat gekunsteld doet overkomen. Dit was ook de kritiek van Edward Veterman, de Nederlands-Joodse toneelman, met wie Timmermans eerder succesvol had samengewerkt. Na lectuur van het stuk schreef hij aan de auteur:

    Ik heb uw Catharina gelezen, en er veel schoonheid in gevonden. Alleen de spreker stoort mij. Dat is juist wat het tooneel vijandig is. Zoodra iemand iets komt vertellen, bewijst dit, dat de handeling te kort schiet. De tafereelkens worden daardoor illustratie van een verhaal, en tooneel is niet de illustratie van een verhaal, maar de belevenis er van. De spreker ware trouwens niet noodig geweest, vooral niet bij een zoo markante figuur als Catharina van Siëna.

    Timmermans nam de kritiek van zijn vriend ter harte. Hij voelde dat Veterman het goed voor had en begon zijn tekst te herwerken. De auteur heeft die arbeid overigens niet tot het einde volgehouden, waardoor de bewerking niet tot een nieuwe uitgave of opvoering heeft geleid. Het overgeleverde handschrift van de bewerking, dat wij dankzij Gaston Durnez op kopie konden inzien, is een curieus document. Er blijkt uit dat Timmermans de rol van Raymond van Capua sterk wilde inperken, verscheidene lange monologen duchtig inkorten en enkele dialogen grondig wijzigen.

    Een andere aanpassing betreft de titel van het stuk. Timmermans wilde die namelijk veranderen in 'De Heilige en haar moeder'. Hij wilde zo de figuur van Lapa sterker doen uitkomen. Dit zou een terechte ingreep zijn geweest, want Lapa is niet alleen in talrijke scènes prominent aanwezig, maar maakt bovendien een opvallende ontwikkeling door. Aanvankelijk is zij de volksvrouw met 'het gezond verstand', die zich om Catharina's gedrag schaamt en zich afvraagt 'wat de mensen gaan denken', maar geleidelijk verandert haar houding: 'Kind, wat moet ik u toch bewonderen', zegt ze in het vijfde tafereel. Toch aarzelt zij in de volgende scène opnieuw. Als Catharina het schavot opklimt, roept Lapa: 'Dat wil ik niet. Kom er af! Zijn dat streken?' Maar even verder spreekt zij: 'Kind, bid voor mij... vraag aan God dat Hij het mij niet kwalijk neemt, dat ik zoveel verdriet heb, omdat gij van mij weggaat... en omdat ik zonder verdriet Zijn heilige wil niet kan aanvaarden... Een moeder mag toch verdriet hebben?' Lapa is zowaar bekeerd! Op het einde richt zij zich tot God: 'Gij hebt ze mij gegeven en Gij neemt ze terug, en dan zal het wel goed zijn. Gezegend zijt gij God, en ook omdat ik hare moeder mocht zijn...'

    De daadkracht van Catharina van Siëna beeldt de sterkte uit van de menselijke wil. Ondanks felle tegenkanting van haar moeder, gaat Catharina een vroom leven leiden. Meer nog: ze brengt haar moeder tot bekering. Omdat zij wil, weerstaat zij aan de verzoekingen van de duivel en slaagt zij erin de paus naar Rome terug te halen. Op het schavot zegt zij, wanneer zij Nikolaas' hoofd in haar handen houdt: 'Ik wil'. Als een rode draad lopen deze twee woorden door het hele stuk.

    Catharina verwijt de paus zijn aarzelend gedrag en wrijft de kerk corruptie aan. Typerend is echter haar gehoorzaamheid: 'Al was de paus ook de duivel in eigen persoon, dan zou ik toch het hoofd niet tegen hem mogen verheffen. Hij is en blijft de zoete Christus op aarde.' Herkennen wij hierin Timmermans' eigen trouw aan de kerk – ook als diezelfde kerk het hem soms niet makkelijk maakte?

    Als Catharina zegt dat voor haar de paus 'Christus op aarde' is, dan blijkt hieruit haar gerichtheid op Christus. In de visioenen die zij krijgt, ziet zij niet God, maar Jezus Christus. Zoals in de hagiografie gaat Christus met Catharina een 'huwelijk in het geloof' aan en ontvangt Catharina de stigmata. Herman-Emiel Mertens heeft er overigens op gewezen dat dit christocentrisme contrasteert met de algemene teneur van Adagio, waar slechts in twee gedichten Christus uitdrukkelijk wordt genoemd.

    Maar, huwelijk in het geloof of niet, tot de veroordeelde Nikolaas van Tuldo spreekt Catharina: 'Ik ben van vlees en bloed en zondig als alle mensen. Ik heb misschien wel één ding wat meer, dat is dat ik bovenal mijn Jezus bemin'. Zij blijft echter uitgesproken sociaal geëngageerd, wat tot uiting komt in haar dienstbaarheid aan de kerk (taferelen III en IV) en aan haar evennaaste Nikolaas (taferelen V en VI). Wanneer zij de ongelovige veroordeelde wil doen biechten, heeft zij het niet over een of ander hiernamaals, maar begint zij met te zeggen: 'Ik heb u lief'. Op haar sterfbed spreekt de heilige van Siëna Jezus' eenvoudige woord: 'Hebt elkander lief'. In De hemelse Salomé heeft Felix Timmermans zijn diepste overtuiging uitgebeeld, die tegelijk de kern van het katholieke geloof omvat: de liefde voor onze medemens maakt onze verhouding tot God waar.


                                  dehemelsesalom.jpg
    Bronnen

    * AMVC-Letterenhuis, Antwerpen, Documenten en Knipsels Felix Timmermans.

    * José de Ceulaer, Kroniek van Felix Timmermans 1886-1947. Brugge: Orion/Desclée De Brouwer, 1972.

    * Daniël De Vos, 'Een "hemelse" Salomé in Leest'. In: Zilveren Verpozingen, nr. 22, december 2001.

    * Gaston Durnez, Felix Timmermans. Een biografie. Tielt: Lannoo, 2001.

    * Herman-Emiel Mertens, 'De hemelsche Salomé'. In: Timmermans ten tonele. Jaarboek 1982 van het Felix Timmermansgenootschap. Beveren/Nijmegen, Orion/Gottmer, 1982.

    * Felix Timmermans, De hemelsche Salomé. Amsterdam: P.N. Van Kampen en Zoon, 1930.

     

    © Stijn Vanclooster

    Deze tekst verscheen als Stijn Vanclooster, 'Een verhaal over "Salomé". Uitleiding bij de heruitgave van De hemelse Salomé van Felix Timmermans. Wijnegem: Felix Timmermanskring, 2002, p. 69-75.

    06-10-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (11 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    05-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Felix Timmermans - Gaston Durnez

    …Felix Timmermans was een der populairste en meest geliefde kunstenaars van Vlaanderen.

    Zijn Pallieter werd voor velen een zinnebeeld van Vlaamse levenslust. In de eerste grote biografie van de kunstenaar sinds dertig jaar werpt Gaston Durnez een nieuw licht op de geestelijke en artistieke evolutie van Felix Timmermans, op zijn flamingantische houding, op zijn vrienden en tijdgenoten en op de dramatische oorlogsjaren en zijn dood. Hij baseert zich daarbij op tal van studies, maar ook op ongepubliceerde correspondentie, op getuigenissen van Timmermans’ echtgenote, familie en vrienden en op handschriften van de kunstenaar, waaronder een jeugdroman en andere ongekende teksten. De figuur van de kunstenaar komt zo naar ons toe als veelzijdiger en diepzinniger dan velen hem dachten te kennen…


    img223/6771/gdmediumso6.jpg
     

    Felix Timmermans : een biografie

    door Gaston Durnez

    Bespreking

     

    Felix Timmermans, de "schilder met de pen, verteller met het penseel", is onbetwist een van de meest vooraanstaande figuren in de Vlaamse letteren van voor de Tweede Wereldoorlog, ook al werd hij in de tweede helft van deze eeuw door de jonge beeldenstormers wel eens verweten dat hij té Vlaams was, te veel heimat-gericht en al te zeer doordrongen van een christelijke levensbeschouwing, om aanspraak te kunnen maken op een ruime belangstelling en waardering van nieuwe generaties. Dat deze visie deels het gevolg is van een diepgewortelde vooringenomenheid bewijst de biograaf door zich te beroepen op zowel nieuw feitenmateriaal evenals revelerende getuigenissen die zijn onderwerp in een nieuw daglicht plaatsen. Er is de biograaf ondertussen een resem aan studiegenoten (o.a. J. de Ceulaer, L. Vercammen en M. Tralbaut) voorafgegaan en vele aspecten in leven en werk van Timmermans werden reeds besproken in publicaties van het Felix Timmermans Genootschap, maar het is beslist de grote verdienste van Gaston Durnez dat hij zowat alle feiten en gegevens over leven en werk heeft samengebracht en één groot overzichtelijk geheel heeft gemaakt -- interessant voor de literatuurkenner en bevattelijk voor de leek -- opgesteld in een glasheldere en boeiende journalistieke stijl.

     

    Deze biografie pretendeert niet 'officieel' of 'officieus' te zijn, maar zij is ongetwijfeld de meest volledige. In zijn voorwoord stelt Durnez: "Dit levensverhaal heb ik geschreven in opdracht van de Vlaamse uitgeverij Lannoo. Een vererende opdracht. Ik heb geprobeerd hem zo objectief mogelijk uit te voeren, schrijvend over de donkere levensdagen zowel als over de zonnige. Zonder te verbergen dat ik sinds mijn jeugd, zoals zovele generatiegenoten, grote eerbied en liefde voor de kunstenaar heb gevoeld en blijf voelen. Ik hoop de oude mening te mogen tegenspreken dat een biograaf 'eigenlijk' geen vriend van zijn onderwerp mag zijn. Liefde is niet blind, liefde geeft je ogen licht."

    Diezelfde liefde, maar gericht door de objectieve onderzoekszin van de journalist, zet de biograaf aan zijn onderwerp vrij te pleiten van een uitgesproken culturele collaboratie met de Duitse bezettingsmacht, een verwijt ontsproten aan diens aanvaarding van de Rembrandtprijs in 1942.  In die zin stelt Gaston Durnez zich op één lijn met historicus Bert Govaerts, die de thesis huldigt dat Timmermans naar het einde toe de gevangene van zijn roem is geweest, en dat de kunstenaar niet langer meer beschikte over de fysieke kracht om zich weerbaar op te stellen tegen een regime dat hem niet aan het hart lag. In deze optiek kan men Timmermans dus bezwaarlijk meer verwijten dan het merendeel van Vlaamse auteurs gedurende deze donkere periode (E. Claes, G. Walschap en S. Streuvels incluis).

     

    Wie deze biografie leest, zal inzien dat boeken als Pallieter en Adriaan Brouwer op geen enkel lectuurlijstje of overzicht (zij het katholiek of vrijzinnig) mag ontbreken.

    De biografie is voorzien van talrijke foto's, een uitgebreide bibliografie en een namenregister.

    ISBN : 90-209-4112-7

    05-10-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    04-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bespreking Biografie Felix Timmermans van Gaston Durnez

    De onschuld van Felix Timmermans

    Biografie – Lier het middelpunt van de wereld

     

    Door Elke Brems – 11/01/2001

     

    Zijn Duitse connecties maken van Felix Timmermans een nog altijd omstreden figuur. Gaston Durnez had zich blijkbaar voorgenomen om met zijn Timmermans-biografie voor eens en voor altijd zijn onschuld onomstotelijk vast te stellen. Timmermans' privé-leven interesseert hem niet, zijn denkbeelden des te meer. Door de uitvoerige context is Felix Timmermans. Een biografie niet alleen een levensbeschrijving maar ook een tijdsdocument geworden.

                De biografie van Felix Timmermans is even spekbuikig als haar onderwerp, om het op zijn Timmermans' te zeggen, of op zijn Durnez' natuurlijk, want de biograaf spreekt in dit boek volmondig de taal van zijn geliefde auteur. In het voorwoord is de biograaf zelf het hoofdpersonage en komt de verhouding tussen Durnez en Timmermans goed tot uiting. Durnez laat er geen twijfel over bestaan: ,,Ik hoop de oude mening te mogen tegenspreken dat een biograaf 'eigenlijk' geen vriend van zijn onderwerp mag zijn. Liefde is niet blind, liefde geeft je ogen licht.''

                Durnez doet een beroep op onze tolerantie en ruimdenkendheid, in timmermansiaanse vermomming: ''liefde'', ''ogen'', ''licht'', allemaal spilwoorden in het vocabularium van Timmermans. Zo krijg je in het voorwoord niet de gebruikelijke scheiding tussen de twee stemmen, maar eerder een versmelting, expliciet en impliciet. Durnez besluit zijn voorwoord met de woorden: ''Tot ziens in het Belofte Land, herberg!'' Daarmee lokt hij ons zijn boek in, waarvan het eerste hoofdstuk inderdaad ''Het Belofte Land, herberg'' heet.

    Aan dat beloofde land heeft Timmermans zijn tekenend en schrijvend leven gewijd, het was voor hem ''Lier, het middelpunt van het Land van Ryen en van de wereld.'' Voor Durnez is het beloofde land dan Lier in de tweede graad, namelijk het timmermansiaanse universum, het beeld dat de schrijver geschapen heeft van ''het middelpunt van de wereld''. Het beloofde land waar Durnez op zijn beurt de lezer naartoe wil lokken, is dan een derde graad: zijn eigen weergave van de wereld van Timmermans, zodat de spekbuiken elkaar niet toevallig lijken te spiegelen: het spekbuikige Brabant in de spekbuikige Timmermans in de spekbuikige biografie. En in vierde instantie uiteraard: een spekbuikige recensie.

                Felix Timmermans (1886-1947) moest eigenlijk Leopold heten, naar Leopold II, aan wie vader Timmermans op de zeedijk van Oostende zijn paraplu had geschonken toen het plots begon te regenen. Zijn moeder verkoos dan weer Maximiliaan, naar de avontuurlijke Oostenrijkse prins die als keizer van Mexico gefusilleerd werd. Maar omdat zijn oudste zus Clara een stiekeme hulde wilde brengen aan haar toenmalige vlam Felix, werd dat zijn derde naam en roepnaam. Zo begint het levensverhaal van de jonge held al met een kleurrijke anekdote, met drie personages voor de prijs van één.

    Op school was Felixje geen al te beste leerling, zijn moeder zorgde ervoor dat de rekenles als laatste van de dag werd gegeven zodat ze haar zoontje ervoor kon komen afhalen.

    Ook opstellen, toch vaak de eerste momenten van glorie voor toekomstige schrijvers, kreeg hij vaak terug met de opmerking ''Slecht, Felix!'' of ''Laat te wensen over''. Over veel verbeelding beschikte hij blijkbaar niet als kind. ''Op een keer moesten de jongens een opstel schrijven over 'Met de vlieger spelen'. Felix gaf een papier af met de mededeling: 'Ik kan daar niets over zeggen, want ik speel er nooit mee.''

                Enkele jaren later, rond 1901, kwam hij toch op gang, hij las alles wat hij kon te pakken krijgen en begon ook te schrijven. Durnez heeft die probeersels ingekeken, ''relikwieën van een tiener die bezig is de magie van de letters te ontdekken, vechtend met de woorden die nog niet van hemzelf zijn.'' De clichés kwamen misschien van Conscience, maar de spelling kwam van Timmermans en was abominabel (dat is nooit helemaal veranderd). Een zonsopgang kon in zulke schetsen bijvoorbeeld niet ontbreken: ''Het licht nam toe en een kleurenmangsel zette zich aanstonds in beweging. Het roodkleurige veranderde in purper, gele vlekken trok het dan zich over, de lucht schakkeerde zich in verdere tinten.''

    Zijn artistieke ontdekkingen gingen in snel tempo: van Bruegel over Streuvels, Omer Karel de Laey, Marie-Metz Koning, Victor Remouchamps en anderen tot Maurice Maeterlinck, die op de jonge Timmermans nog het meeste invloed heeft uitgeoefend. Timmermans belandde in een mystieke periode waarin hij de dichter een magiër waande en zich alvast ter bevestiging daarvan hulde in een wijde, zwarte mantel en lange haren droeg. Zijn schilderende vriend Raymond de la Haye wijdde hem in de theosofie en het occulte in en kreeg hem zelfs zover enkele jaren vegetariër te worden, tot ontsteltenis van zijn familie.

    Hij las alles wat maar enigszins mystiek aandeed: Blavatsky, Ruusbroec, Carlyle, Thomas a Kempis.

    In die tijd sloot hij belangrijke vriendschappen: Antoon Thiry, Flor van Reeth, Isidoor Opsomer, René Veremans. Ze stichtten een kunstkring, de ''salon'', die voor Timmermans een verwarrende leerschool werd, die hem beurtelings enthousiast en diepbedroefd maakte.

    Zijn ouders grepen in het stuurloze leven van de jonge Felix in en stuurden hem naar kennissen in Vloesberg om ''op zijn effen te komen''. Mooie brieven tussen moeder en zoon kwamen door die scheiding tot stand: ''Gy moet maer veel chocolade nemen om te eten te drinken, dat is heel verstraffent. Koopt wat u smaekt, en ik zal alle maenden u geld genoeg geven om al eens te snoepen,'' schreef moeder hem op 31 oktober 1907. Van Felix zelf is uit die periode een lange brief bewaard gebleven waarin hij zijn ouders duidelijk maakte dat hij voortaan voor de kunst zou kiezen. ''Een uniek document is dit,'' juicht Durnez en dat is het ook. Je krijgt toegang tot de ontroerende hoogdravendheid, de artistieke ernst en de plechtige intimiteit van de adolescent.

                In de winter van 1910-1911 werd Timmermans ernstig ziek. Zijn lichamelijke genezing bracht een soort geestelijke ommekeer met zich mee, die hem uit de ''kelderluchtperiode'' haalde. Van de weeromstuit schreef hij zijn succesroman Pallieter , die in hoofdstukken werd voorgepubliceerd in De Nieuwe Gids van Willem Kloos. In boekvorm geraakte hij niet zo gemakkelijk uitgegeven omdat intussen de Eerste Wereldoorlog was uitgebroken. Lier werd een van de centra van het activisme en Timmermans nam daarin mee het voortouw. In die periode legde hij zijn eerste Duitse contacten, met de Vlaamslievende uitgever Anton Kippenberg. De toenmalige militaire Duitse veroveringstocht viel zo samen met het begin van Timmermans' literaire veroveringstocht van Duitsland. Zijn boeken werden alle haast onmiddellijk in het Duits vertaald en Timmermans hield honderden lezingen in het buurland. Zijn literaire successen en talrijke connecties in Duitsland hebben mee geleid tot de verdenking van collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog.

    Na de Eerste Wereldoorlog moest hij zoals vele activisten lange tijd naar Nederland uitwijken. Verscheidene van zijn vrienden werden bij verstek ter dood veroordeeld en weken voorgoed uit.

    Intussen was Timmermans' literaire talent op zijn hoogtepunt geraakt, met boeken als Het kindeken Jezus in Vlaanderen (1917) en De zeer schone uren van juffrouw Symforosa, begijntje (1918). Met zijn literaire reputatie groeiden uiteraard ook de kritiek en de polemiek, niet zelden van ideologische of ethische aard. De zedelijke bezwaren tegen zijn werk wogen soms zeer zwaar door, zoals bleek uit de problemen die zijn Pallieter in Nederland ontmoette. Het boek werd door het episcopaat verboden aan de katholieken, ook al kwam het niet op de Index. Het werd ''gequalificeerd als de wellust der zinnen strelend, de godsdienstige ceremonieën op oneerbiedige wijze behandelend, terwijl het de waarheden des Geloofs zelfs als het ware bespottelijk maakt.'' Timmermans, die terugdeinsde voor zulke conflicten, zuiverde het boek dan maar (zij het pas tien jaar later).

                Durnez maakt veel plaats voor de samenvatting van de verhalen en romans van Timmermans, hun ontstaansgeschiedenis en ontvangst. Een literair-kritisch beeld van Timmermans' œuvre krijg je niet. Dat niet elk werk even geslaagd was, steekt Durnez nochtans niet onder stoelen of banken. Hij heeft aandacht voor het typische taalgebruik in de Timmermans-receptie (''sappig'', ''kleurrijk'' et cetera), een spoor dat zeker nog uitdieping verdient.

    De liefde van Felix Timmermans voor zijn stad Lier krijgt een belangrijk deel van Durnez' aandacht, zelf ook een (ingeweken) Lierenaar. Het beloofde land was zijn inspiratiebron bij uitstek en de twee oorlogen die Lier gedeeltelijk verwoest hebben, hebben daardoor ook Timmermans verwond. Toen de stad zich gedeeltelijk tegen hem keerde na het activistische avontuur, viel hem dat enorm zwaar en dacht hij er zelfs even over naar Antwerpen uit te wijken. Die lust verging hem echter al snel en in 1924 schreef hij Schoon Lier , een lofzang op zijn geboortestad. De anekdote luidt dat hij op de vraag wat hij nu het mooiste vond aan zijn reis naar Italië, antwoordde: ''Het mooiste? Dat was toen onze trein Lier binnenreed.''

    Hoe belangrijk de band tussen Timmermans en Lier ook was, het eerste hoofdstuk van dit boek, dat integraal gewijd is aan de groei en bloei van de stad Lier, is misplaatst. Na het voorwoord verwacht je de geboorte van Felix Timmermans, maar dat is de man en de lezer pas gegund in het tweede hoofdstuk. Het eerste hoofdstuk verslapt meteen de aandacht en laat bovendien niet veel goeds vermoeden. Zinnen als ''Ja, Lier luistert nog naar de echo's van zijn geschiedenis'' en ''Een oude stad leeft van markten en verhalen'' doen vrezen voor een grootvaderlijke, melancholische toon die niet-ingewijden uitsluit.

    Gelukkig blijkt die vrees ongegrond zodra je aan het levensverhaal zelf toekomt.

                Tussen de oorlogen wierp Timmermans zich in het literaire leven. Hij zetelde in verenigingen, hield lezingen en kreeg prijzen. Hij maakte in 1928 zelfs kans op de Nobelprijs. Hij stichtte in 1925 mee De Pelgrim , een katholieke kunstenaarsbeweging waar hij veel van verwachtte, maar waar nauwelijks iets van terechtkwam. In 1934 stichtte hij de Scriptores Catholici , waar de katholieke belangen de Vlaamse overstegen.

    Als succesvolle auteur en als strijdbare katholiek en Vlaming kreeg Timmermans almaar meer verplichtingen. En hij kon niet ''neen'' zeggen. Zijn ''ja'' was dikwijls ook maar half, want hij gaf vaak geen eenduidig antwoord en bovendien was zijn handschrift behoorlijk onleesbaar. Dat leidde ook meermaals tot vergissingen bij het drukklaar maken van zijn manuscripten. Zo sloop in de gezuiverde versie van Pallieter , die uitkwam in 1930, een nieuwe fout. Timmermans had aan de tekst toegevoegd dat Pallieter op zondagochtend nog gauw naar 't zevenurenmiske ging, maar dat is '''t zeemeerminneken'' geworden.

    Die slordigheid kwam ook tot uiting in zijn correspondentie, die vol taal- en spelfouten stond. Zijn persoonlijke correspondentie, bijvoorbeeld de vele brieven en kaartjes die hij vanop zijn talrijke reizen naar huis stuurde, zijn ''eenvoudige getuigenissen over de openbare gang van zaken''. Er zijn intieme brieven noch politieke bij.

                Over Timmermans' privé-leven komen we opvallend weinig te weten in deze lijvige biografie. Het leven met zijn vrouw, drie dochters en één zoon, blijft grotendeels onverteld. Het dichtst naderen we hen als ze zich in 1939 terugtrekken in Minneke Poes, een bungalow in de Kempen, omdat Timmermans tot rust moet komen. Sedert 1936 werd hij immers geplaagd door een hartkwaal.

    In de jaren dertig bewoog er heel wat in het proza in Vlaanderen: Walschap, Roelants en consorten vernieuwden de roman en wilden weg van het provincialistische sfeertje en de beschrijvingsmanie. Tot ieders grote vreugde en verbazing sloeg Felix Timmermans mee het pad van de vernieuwing in. Zijn roman Boerenpsalm uit 1935 werd dan ook heel enthousiast onthaald. Meteen sloeg ''het andere kamp'' alarm. Iemand als Jef van de Wiele (DeVlag) zag plots zijn mascotte voor een extreem-rechtse Duits-Vlaamse verbroedering van het rechte pad afwijken. ''Hij verweet Felix Timmermans in Boerenpsalm te offeren aan de foute literaire mode van de jonge, moderne prozaschrijvers die, om hun gevoelsarmoede te verbergen, schreven over verbluffende onderwerpen en over seksueel abnormalen!'' Het leidde tot een boeiende, bitsige polemiek tussen Van de Wiele en Walschap, wiens œuvre volgens sommigen het grote voorbeeld was geweest voor Boerenpsalm .

    Zeer typerend voor de tijdgeest, waarin literatuur en politiek voortdurend uit hun wankel evenwicht werden gebracht, is een voorval dat uitgever Kippenberg meemaakt naar aanleiding van de Duitse vertaling van Boerenpsalm . De Duitse chemische industrie maakte bezwaar tegen Boer Wortels negatieve uitlatingen over ''chimiek'' in de landbouw: ''Bij mij komt er nooit chimiek in huis. [...] Natuur, geen zwelpoeders! En laat mijn patatten dan wat kleiner vallen dan die van de Ossekop, ik heb ze toch eerlijk uit de grond gehaald zonder truken en zonder vergif.'' Kippenberg moest sussen en veranderde de passage. Durnez: ''En de I.G. Farbenindustrie kon rustig verder werken aan haar chemische producten waarvan men enkele jaren later in de Tweede Wereldoorlog de dramatische resultaten zou zien.''

                Timmermans was niet geïnteresseerd in partijpolitiek, daarvan weet Durnez te overtuigen. Wel hield de Vlaamse kwestie hem zijn hele leven bezig. Het doodbloeden van het activisme na de Eerste Wereldoorlog betreurde hij ten zeerste en de Vlaams-nationalistische tendensen die in de jaren dertig vanuit verschillende hoeken kwamen aanzetten, kregen zijn belangstelling en inzet. De verrechtsing die zich daar hoe langer hoe meer mee verstrengelde, bekeek hij veeleer met argusogen.

    Eén keer heeft hij zich verder gewaagd in de politiek. In 1938 kwam hij op voor de gemeenteraadsverkiezingen op een van de toen typische, flamingantische concentratielijsten van het VNV samen met onafhankelijken. Hij stond achttiende op de lijst en kreeg slechts 43 voorkeurstemmen. Zijn vrienden en kennissen keurden deze korte politieke carrière scherp af. Ze zien er een al te grote sympathiebetuiging aan het nazi-regime in. Zo schreef Lode Zielens schertsend: ''Ik zie U nog altijd niet staan in die stramme heil-houding, al krijgt gij, stillekes aan, naar den Lichame, Goeringafmetingen.'' Uiteraard heeft Durnez gelijk als hij in een motto bij deze biografie verklaart dat de biograaf ''niet de voor die persoon nog onbekende toekomst kan oproepen als getuige á charge'', maar het nationaal-socialisme en zijn verwantschap met het Vlaams-nationalisme waren in 1938 geen onbekende toekomst meer, maar bekend feiten.

    De oorlog brak uit toen Timmermans in Amsterdam was voor een tentoonstelling van zijn schilderwerk. De vlucht per auto naar Lier was een bijna-doodervaring voor Timmermans. Zijn dochter getuigde dat het een slag was ''dien hij nooit meer helemaal te boven zou komen.''

    Tijdens de oorlog werd Timmermans opnieuw voorgesteld voor de Nobelprijs, maar door de omstandigheden werd die niet uitgereikt en daarna waren zijn kansen voorgoed verkeken. Wel kreeg en aanvaardde hij tijdens de oorlog de Duitse Rembrandtprijs, wellicht dé reden voor velen om hem van collaboratie te verdenken. Durnez ziet het anders. Zijn conclusie loopt gelijk met die van de socialistische burgemeester van Antwerpen, Camille Huysmans, die na de oorlog een verontwaardigde brief schreef aan de minister van Justitie: ''Timmermans n'a jamais été pro-allemand. Mais il ne sera jamais un héros, ni de la guerre, ni de la paix.'' Timmermans had niet de moed om de prijs te weigeren en kon het geld (nu zo'n 2,5 miljoen) goed gebruiken.

                Durnez besteedt heel uitvoerig en nauwgezet aandacht aan de Duitse avonturen van Timmermans, zijn connecties, zijn ideologische houding en zijn kleine misstappen. Dat hij overtuigd is van Timmermans' onschuld steekt hij niet onder stoelen of banken. Het motto geeft dat al vóór het begin van het boek aan en verraadt meteen dat dat een van de centrale kwesties van het boek zal zijn. Hoewel je wel overtuigd raakt van Timmermans' onschuld, is het mijns inziens niet nodig om Timmermans' ziekte en overlijden kort na de oorlog zo tendentieus te verbinden met de schokken van vermeende collaboratie en onrechtvaardige epuratie, of om een aantal gevallen waarin Timmermans zijdelings betrokken was bij de bescherming van joden, zo uitvoerig te verhalen.

    Gaston Durnez heeft een meesterwerk geschreven, daarover kan geen twijfel bestaan. Behalve over Timmermans gaat het boek ook over de hele literaire en maatschappelijke context waarin Timmermans leefde en werkte. Er zijn talloze nevenbiografietjes van mensen met wie Timmermans in aanraking kwam, talloze nevenverhalen die stukjes geschiedenis schrijven van de eerste helft van de twintigste eeuw. Het boek is groots van opzet en struikelt niet over die hoge inzet.

                Als levensverhaal van Timmermans is de toon, zoals al vermeld, bewust instemmend. Durnez stemt in met Timmermans en met diegenen die instemmen met Timmermans. Zo is er bijvoorbeeld de Nederlandse literatuurcriticus Anton van Duinkerken die De harp van Sint-Franciscus onmatig veel lof toezwaait, waarop Durnez besluit: ''Wellicht is er in Nederland geen literatuurkenner geweest die Timmermans zo juist heeft begrepen als de Noord-Brabander Van Duinkerken.'' Het idee dat er een ''juist'' en een ''fout'' begrip van Timmermans zouden zijn, doet even de wenkbrauwen fronsen. Durnez is wellicht iets te monolithisch in zijn beeld van Timmermans. Over datzelfde boek schrijft hij ook: ''De eerste zin uit De harp van Sint-Franciscus is de mooiste beginzin die Felix Timmermans voor een van zijn verhalen heeft geschreven, de meest timmermansiaanse.'' Zulke gelijkschakeling van het mooiste met het meest typische is een subtiele poging om Timmermans te vereenzelvigen met zijn beste werken en de verantwoordelijkheid voor de mindere af te wentelen. Het duidt ook op de essentialistische geest van deze biografie: op zoek naar de kern van Timmermans, het timmermansiaanse in Timmermans.

    Opvallend is bijvoorbeeld een - uiteraard badinerende - zin als: ''Van in zijn wieg was de kunstenaar omringd door onderwerpen die ongeduldig wachtten om door hem verteld te worden.'' Alleen in en door Timmermans bestaat de wereld. Nochtans wordt die visie op de vaste kern en de auteur als zingend centrum ontkracht door Timmermans zelf, die het laatste woord krijgt:

    De kern van alle dingen

    is stil en eindeloos.

    Alleen de dingen zingen.

    Ons lied is kort en broos.

     

    Gaston Durnez, Felix Timmermans. Een biografie , Lannoo, Tielt, 820 blz.

     

    *********

    04-10-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    02-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Pallieterkalenders, jaar in, jaar uit

    Marc Somers

    Overgenomen uit het jaarboek 2002 van het Felix Timmermans Genootschap.

     

     

    DE PALLIETERKALENDERS.

    HUN ONTSTAANSGESCHIEDENIS OP BASIS VAN DE CORRESPONDENTIE TIMMERMANS - DE BOCK

     

    Over de acht kalenders van FT die tussen 1926 en 1933 bij uitgeverij De Sikkel in Antwerpen en bij Em. Querido in Amsterdam verschenen werd bijna nooit iets gepubliceerd. Over de totstandkoming ervan weten we erg weinig.

    Denijs Peeters in Felix Timmermans, tekenaar en schilder (1956, p. 175-182) geeft wel een uitgebreide beschrijving van de kalenderprenten, maar vertelt niets over de ontstaansgeschiedenis.


    De enige coherente archivalische bron is de briefwisseling van FT aan de Antwerpse uitgever De Sikkel Eugene de Bock (1889-1981), van wie het persoonlijk archief met de brieven van FT in het AMVC-letterenhuis in Antwerpen berust. De brieven die De Bock richtte aan FT zijn naar alle waarschijnlijkheid verloren gegaan. Contracten zijn evenmin bewaard. Alle hieronder geciteerde brieven van FT bevinden zich in dossier T3465/B.

    Het formaat en het materiele uitzicht van de kalenders bleef tussen 1926 en 1933 uniform: een kartonnen achterplaat van 37 x 22,5  cm, met bovenaan een lintje voor de ophanging; de kalenderplaten van 33,5 x 19,5  cm werden met drie ijzeren nietjes op het karton vastgehecht.

    (De formaten kunnen onderling enkele millimeters verschil vertonen.) De precieze oplagecijfers zijn bij gebrek aan bronnenmateriaal niet bekend.

     

    De eerste zeven kalenders zijn met waterverf ingekleurd, de achtste is in steendruk uitgevoerd, zo getuigt Eugene de Bock in zijn Een uitgever herinnert zich (De Sikkel, 1979, p. 51), wanneer hij het afsluiten van de reeks aanhaalt: "Er zal een eind aan komen wanneer de laatste, op aandringen van prof. Kippenberg die een grote verering had voor Timmermans en ze ook in Duitsland wilde verspreiden, in steendruk zal uitgevoerd zijn in plaats van met de hand gekleurd, een ontaarding die door het trouwe cliënteel niet wordt aanvaard. Dat met de hand kleuren had ik in Parijs ontdekt: aan een lange tafel een aantal povere vrouwtjes, ieder met haar eigen kleur aan 't schilderen."

    De werkelijkheid is enigszins anders: de onderlinge vergelijking van verscheidene exemplaren van elke kalender leert ons dat de kalenders 1926 - 1931 (nrs. 1-6) en 1933 (nr. 8) in steendruk in zwart-wit werden uitgevoerd en daarop manueel met waterverf ingekleurd. De koppen van de Verhalenkalender voor 1932 (nr. 7) daarentegen werden volledig in kleurenlitho gedrukt.

    Wij twijfelen niet aan de verdienste of de ernst van Eugene de Bock als uitgever, maar stippen wel aan dat zijn herinneringen verschenen meer dan 45 jaar na de feiten. De dalende verkoop door de economische crisis - de Verhalenkalender kostte 45 frank! - veroorzaakte ongetwijfeld de stopzetting van de reeks. Uit een brief van FT aan De Bock van 1 mei 1936 blijkt dat Kippenberg de resterende voorraad wil overnemen, maar dat was meer dan drie jaar na het verschijnen van de laatste kalender. Uit De Bocks uitlating over het inkleuren in Parijs kan men niet met zekerheid afleiden of daar ook de Timmermans kalenders werden ingekleurd. Ons medebestuurslid Frans Verstreken vernam destijds in de vriendenkring rond FT dat het inkleuren wel eens bij Kempische kloosterzusters gebeurde. Maar of dat opgaat voor de zeven kalenders...


    Pallieterkalender voor 1926 (De maanden door de seizoenen heen)

    1926i.jpg

    Een geïllustreerde kalender vergt heel wat voorbereiding en de verkoopstijd ervan is relatief kort. Het product moet immers minstens enkele maanden voor Nieuwjaar op de markt zijn, zodat de promotie en de distributie op vrij korte tijd hun beslag kunnen krijgen. Daar komt nog bij dat de kalender van 1926, als eerste in een reeks, niet kon bogen op een grote naambekendheid, al stond FT' naam ook inzake plastisch werk borg voor kwaliteit.

    Op 9 februari 1925 schrijft FT aan Eugene de Bock: "Ik hoop na deze maand aan de platen te beginnen." Een maand later moet hij toegeven: "Aan de kalender nog niets kunnen doen. Dat wordt vast April." (2 maart 1925). De Bock port hem ongetwijfeld aan, want op 9 maart zegt FT: "Ik zal vast probeeren voor paschen uw teekeningen af te krijgen. Deze week ben ik in den dag niet thuis." Half april heeft hij nog maar twee tekeningen klaar. Wat nu ? Hij vraagt uitstel, want de Romereis wenkt, met alle voorbereidingen daaromtrent. Op 18 april 1925 jammert hij bij De Bock: "Maar ik kan het niet verhelpen, het gaat zoo moeilijk! Ik heb nu twee teekeningen af die ik U hierbij stuur. Ik hoop dat ge [ze] zoo goed vindt. Maar het is voor mij een slecht formaat. Ik moet iets bijna vierkantig hebben of langer dan hoog. Ik heb me met vreugde aan 't werk gezet, maar elke minuut heeft men er mij op d'een of d'andere manier afgetrokken, dan weer voor- drachten, drukproeven, correspondentie, boodschappen met het oog op de reis naar Italië. Ja, en nu staan er nog twee voordrachten op het plan, en donderdag a.s. vertrek ik naar Italië ! Zeg eens kan er geen weg gevonden worden dat ge met die dingen in Juny kunt reizen, voor een almanak is april en mei toch nog te vroeg ? Ja ik zit in groote verlegenheid, ik ben bang van uw antwoord. Maar ik heb zoo mijn best gedaan, en ik ben er niet mogen in gelukken het verder dan twee teekeningen te brengen Natuurlijk maak ik de anderen ook, maar 't zal toch niet te laat zijn ? Als ik ze U nu vast in de maand mei lever. Is er dan [no]g tijd, schrijf mij het honingwoord. Ja! Ik zit te bibberen voor uw antwoord, en 'k zweet er van !"

     

    Ter hoogte van zijn uitroep dat april en mei toch nog te vroeg zijn voor promotie noteerde De Bock in de marge "neen".

    Na de 'appelsienenreis' neemt hij opnieuw contact op met zijn uitgever: "Terug uit Italië. Ik wil di[re]kt aan de teekeningen beginnen. Maar me rap het formaat gemeld ! Moet ik voortgaan zooals die twee ? Of moeten ze minder hoog zijn. Indien ze minder hoog moeten zijn, zend dan die twee terug, dan snijd ik er een stuk af. Zoo niet, dan kunnen die twee al dienen. Ik verwacht rap nieuws, hoe rapper [ni]euws, hoe rapper de teekeningen komen."

    Een maand lang werkt hij dapper door, zodat hij op 23 juni kan melden. "Vandaag acht dagen hebt ge alles. Ik hoop dat g'er zult van tevreden zijn. Over de koleuren die U soms niet aanstaan zouden, kunnen wij dan nog praten, hoe ze goed te krijgen :

    Op 2 juli 1925 spreekt FT het verlossende woord. "Eindelijk zijn ze af ! Ik had vast gemeend Dinsdag alles af te hebben, maar die carrokens en die prutserij hebben zooveel tijd gevraagd als de groote dingen. Ik hoop nu maar dat g' er ook content van zijt ! Er zijn er enkelen bij met purper. Als ge dat niet wenscht, daar het toch in steendruk gaat, dan kan die kleur veranderd worden. Maar als ge rood en blauw drukt, verkrijgt ge toch purper. Allo schrijf mij eens een woordeken ! Ik ga rap ne slok koelen wijn drinken, want ik ben muug !"

    De Bock reageert enthousiast, waarop FT in een briefkaart van 10 juli met hem nog enkele afspraken voor de druk van de kalender maakt. "Vooreerst doet het mij geno[eg]en dat ge tevreden zijt. Spijtig dat ge niet gezegd heb[t] van dit zwart-wit. Waarom dit niet gezegd bij het terugsturen van Jan. En Mei. Ik zou voorstellen ze zelf te calceeren, maar ik mis er de moed en den tijd. Want ik zit danig in 't werk. Laat ze maar calceeren. Dat gaat uitstekend. Het zijn meestal toch groote lijnen. Het boekske "Er was eens" is ook gecalceerd en het is [ze]er, zeer goed gelukt! Dit boekske is bij Rik Van Tichelen uitgegeven. Spreek hem eens aan voor een calceerder : Het boek van Van Tichelen is het kinderboek met illustraties van FT: Daar was eens. ..vertelsel - rijmkens (1924), een van de drie boeken die tot stand kwamen in de samenwerking tussen FT en Van Tichelen.

    De afwerking van de kalender heeft evenwel nog wat voeten in de aarde. Aan de titelplaat wordt in augustus nog gewerkt. Aan De Bock meldt hij op 26 augustus: "Ik wil die tittelplaatletters (sic) [t]eekenen, als ik zie dat ik het formaat niet meer heb. Geeft me dus formaat der breedte en lengte van 't blad. Dan hebt ge overmorgen die teekening."

    Pas na een maand stuurt hij een ontwerp, dat De Bock duidelijk niet voldoet, daar die een andere titelplaat tekent, of laat tekenen, een stuk dat later evenmin als het ontwerp van FT werd gebruikt. Op 30 september schrijft FT: "Hierbij dan eindelijk de voorplaat. Ik weet niet dat ze goed is. Ik kan geen letters teekenen of geen lijntjes trekken. Zie maar eens wat roode kladden ! Doch die kunt ge door den clicheerder wel laten wegnemen zeker ?

    Wanneer krijg ik de teekeningen terug ? Ik heb er reeds van beloofd, en ze manen er mij om !"

     

    Pallieterkalender voor 1927 {Religieuze en folkloristische feesten)

     

    img245/9513/1927mediumip5.jpg

    In de lente van 1926 zetten FT en De Bock de tweede kalender op stapel. Uit een brief aan de uitgever blijkt dat FT op 8 mei 1926  al ver is gevorderd. "Heel serieus, ik moet nog 2 teekeningen maken. Die doe ik morgen. Maandag zend ik U de teekeningen. Maar de getallen heb ik nog niet kunnen maken. Stuur mij een almanak van 1927, want als ik die niet heb, doe ik duizend fouten in die cijfers. Er komen nu nog zeven teekeningen April, Mei, Juny, July, Oogst, Sept, October, November. Daarvan moet October en November nog geteekend worden morgen. Zorg nu maar rap dat ik die almanak van 1927 krijg."

    Twee dagen later, op 10 mei, bereikt hij de eindstreep en kan hij aan De Bock schrijven: "Hierbij de zeven andere platen. De processie van Mei, die gij reeds hebt moet de maand Augustus worden. Ik heb met heel de serie van 12 maanden, getracht tafereelkens te maken geput uit de volksgebruiken met geestelijken grondslag, of beter verkleedingen, spelen. Nu toekomend jaar als de omstandigheden het toelaten, misschien niets dan gezichten van Begijnhoven en steden en dorpen, in hunnen seizoenendosch, of anders uw vroeger voorstel: 52 weken, kleine stukskens, maar dan in kleur (anders niet), dat zou dan zoo van alles zijn. Een koei, een speculatievent, een stuk Begijnhof, een mandeken fruit, een uithangbord, een kinderspel, 't portret van Napoleon, een schip, alle in een woord zoo wat van alles. Daar spreken wij dan nog wel eens over. Vindt g'het noodig, dat ik in de cijferskaders, de naam van deze voorstelling geef ?

    B.V.B. JANUARIE   -  DE 3 Koningen.

    Stuur mij rap, den almanak van 1927, voor geen verwarring in de cijfers te krijgen." De kalender van 1927 is de enige waar onder de aanduiding van de maand nog een extra titel is aangebracht.

    In Ons Vaderland ( 12 december 1926) verschijnt een recensie in verhaalvorm. De criticus vertelt hoe hij door vrouw en kinderen enthousiast wordt onthaald wanneer hij met een Pallieterkalender thuis komt. "En toen ik hun zei dat dit nu een kalender was en dat ie het heele jaar op de plaats zou hangen die de Noordstar-kalender had ingenomen, toen blonken de oogen van den oudste: 'En elke maand een prentje afscheuren, Pa ? En zijn die prentjes dan voor mij ?' Maar de anderen lieten zich het gerant* niet afnemen, ze eischten hun deel op en dan hebben we ten slotte en ten einde raad verloot wie van het Sint-Niklaasprentje en de St-Joris, en de Meiboom en al de andere kostelijkheden de titularis zou zijn. En nu ga je denken een kalender voor kinderen ! Neen, want moeder vond er zooveel pret in als de kinderen en vader vindt hem niet minder leuk als moeder. En als je voor 27 een mooie kalender wil, koop dan deze Pallieteruitgave."

    (*) gerant: deel dat iemand toekomt.

     

    Pallieterkalender voor 1928 (Het Begijnhof van Lier)


    img84/9969/1928mediumoo6.jpg
     

    Met de voorbereiding van de derde kalender, gewijd aan het Lierse Begijnhof, start FT al in februari 1927. Op 28 februari meldt hij De Bock de voltooiing van drie tekeningen: "Meer kon ik niet af krijgen. Ge kunt er mee voort. Zooals ge ziet het wordt de schoonste van de drie. Absoluut nu niet vouwen of plooien, en er schoone zorg voor dragen. Plak er nu tijdelijk de kalender onder van 't vorig, of van 't overvorig jaar. Later teeken ik er dan bij. In april ben ik heelemaal weer vrij. Dit Begijntje is Januarie. Die versierde tafel is Augustus, het druivelaarken is Juny. Ge kunt ze ook noemen. "Op Boodschappen." "De groeiende Wijngaerdt." "De processie komt." Ik hoop dat g'er van tevreden zijt. Ja het geld stuurt ge mij maar over de post."

     

    Het stadje. Pallieterkalender voor 1929 (Stadsgezichten van Lier)

     

    img132/5123/1929mediumzo4.jpg

    De voorbereiding voor de vierde kalender start al in januari. Op 27 januari 1928 zegt FT aan De Bock: "Ik kan niet eerder aan den almanak beginnen dan in maart. Maar dan hebt gij hem ook op 14 dagen heelemaal ! Hartelijk dank voor de vermeerdering van 't honorarium.

    Bij de productie van de kalender van 1929 duikt tijdens de lente van 1928 een misverstand op tussen de auteur en de uitgever over de reproductie van de kalender bij een steendrukker. Op 12 maart 1928 schrijft FT: "Dat is een abuis van u! Ik moet van die kalender de voorwaarden niet eerst kennen. Ik bedoelde, dat ik zal wachten tot gij den prijs weet van den steendrukker (een prijs waar ik niets mee te maken of te weten heb). Want als die man te veel vraagt [aa]n U, komt er van die kalender niets. Dus schreef ik, "ik wacht tot gij den prijs weet." Ik hoop dat gij dit dus goed begrepen hebt."

    De kalender 1929 was in het najaar van 1928 al van de pers. Op 19 oktober maakt FT bij De Bock zijn beklag: "Tot mijn groote verwondering en spijt zag ik eergisteren in Holland mijnen nieuwen kalender voorliggen ! En ik heb nog niets vernomen of ontvangen ! Noch mijne presentexemplaren, noch mijne origineele teekeningen ! Wat betekent dat ? [I]k hoop ze dan ook voor zondag te ontvangen. Doe er 10 ex. bij die ik U betaal tegen de verminderde prijs."

    Eind 1928, op 22 november, schrijft FT aan De Bock: "Over dit kleinere alman[ak]sken spreken we eens. Daar is me van de standaard ook naar gevraagd." Een plan dat niet werd gerealiseerd, niet bij De Sikkel van De Bock en niet bij de uitgeverij van De Standaard - Boekhandel. Ook het plan om de eerste kalender opnieuw uit te geven werd niet uitgevoerd. Op 19 december 1928 schrijft FT nochtans aan Pieter Van den Broeck (1866-1941), gepensioneerd onderwijzer in Hamme: "Over de heruitgave van den eersten Pallieter-Kalender zal ik bij gelegenheid eens met den uitgever spreken."

    In Toerisme (jg. 8, nr. 1), het blad van de Vlaamse Toeristenbond, verschijnt op 1 januari 1929 een lovende recensie van L.D.B. "A1s de trippelende klokkenklanken uit den goeden St. Gummarustoren, zoo fladderen U onmiddellijk bij het omslaan van het titelblad een regenboog van schitterende kleuren uit de teekeningen van Felix Timmermans toe." Na een beschrijving van alle kalenderbladen zegt hij: "Koop den Pallieter-kalender, en kies dan zelf het mooiste uit.

     

    De bespreking in Boekengids (1928, nr. 2) door B.G. is vrij positief: "Een teekenaar en kritisch aangelegd kijker zal zeker allerlei bezwaren vinden tegen Timmermans' teekenprocédé - in zoverre dit woord kan gebruikt worden. Persoonlijk hebben we wel iets tegen de werkelijk wat te bonte en gewilde kleurencombinaties. Of Timmermans dan wel de drukker hiervoor aansprakelijk is kan ik niet uitmaken. Maar alles bijeen is het een prettig hoekje kleur aan den wand en een beetje Pallieteriaansch-mystieken geest in de kamer."

    Het flamingantische tijdschrift Vlaanderen is uitermate lovend (24 december 1927): "Elke maand lacht ons van den schalkschen humorist een Pallieteriaansch gekleurd hoekje van het beroemd geworden Baggijnhof van het oude Vlaamsche stadje of gemoedelijk tafereeltje uit het leven zijner eenvoudige, vrome bewoonsters toe, terwijl 's kunstenaars fijne verbeelding de overtollige vakjes van den datumrooster met allerlei geestige penteekeningen vulde, waarvan de ont- cijfering telkens weer eenige stonden van stille pret doet beleven. Een kalender voor kunstenaars en fijnproevers, waarvan de uitvoering den uitgever tot eere strekt."

      

    Het landschap. Pallieterkalender voor 1930


    img172/4936/1930mediumot5.jpg
     

    Met het nieuwe jaar vangen ook ditmaal de werkzaamheden voor de (vijfde) kalender aan.

    FT weet dat De Bock hem in het voorjaar aan de mouw komt trekken, zodat hij al op 22 februari 1929 aan zijn uitgever schrijft: "De Pallieterkalender kan eerst in maart gemaakt worden."

    Drie dagen later licht hij zijn plannen toe: "De volgende kalender zullen landschappen zijn. Hij heet: Het blijde land." Voor het eerst duikt in de correspondentie een cijfer over het honorarium op. Op 4 maart 1929 vraagt FT: "Heb in orde uw afrekening ontvangen. Ik zie daar voor Pallieter-kalender 1929 - 780.00 fr. Had ge mij vroeger niet geschreven dat U mij 1000.00 fr. voortaan zoudt betalen ? Kijk daar eens naar ? Ik ga nu weer wat op reis. Maar van af 20 maart blijf ik t' huis en ga dan de kalenders teekenen."

    Over de kalender van 1930 schrijft FT op 4 juni naar zijn vriend De Bock: "Deze week is de kalender in 't zwart af." Inmiddels hadden de vrienden het plan opgevat om een kalender met koppen en verhalen uit te geven, wellicht bedoeld voor 1931. Uiteindelijk zou die pas eind 1931 als kalender voor 1932 verschijnen.

    Hij werkt onverdroten voort aan de 'koppenkalender'. Aan het eind van de maand, op 28 juni, schrijft hij aan De Bock: "Ja de proef is goed meegevallen. Ik ben nu bezig koppen aan 't teekenen. Ik maak de definitieve vertelsels naar de koppen. Het beste is dat ik eerst de koppen afmaak en ze u dan ter inzage zend. Is dat niet het beste ?" "Ik ontvang daar even de kalender in 't zwart. 't Is goed meegevallen. Een dezer dagen kleur ik hem."

     

    Franciscuskalender voor 1931

    img171/1193/xxmediumzj3.jpg

     
    Na de verschijning van de kalender voor 1930 werkt FT verder aan de koppen. Het is enigszins onduidelijk of die moeten dienen voor een kalender: in de bestaande reeks of voor een publicatie in boekvorm. Op 22 januari 1930 geeft FT aan De Bock zijn jaarplanning door: "Voor dit jaar heb ik dus voor u een heele boel werk te doen. 12 koppen met een blz. vertelsel er bij. Een almanak die voorstelt 12 taferelen uit het leven van St-Franciscus, en dan een kinderboek van 12 plaatjes. Zorg nu dat er niets bij komt."

    Het project van de 'koppenreeks' brengt nogal wat zorgen mee bij de materiele afwerking. Twee koppen zijn klaar voor reproductie. Op dat ogenblik zijn FT en De Bock al een tijdje in zee gegaan met een Brussels drukker, Phobel, die aan FT een bericht stuurt, dat vanuit Lier op 22 januari 1930 naar De Bock gaat: "Wij zijn verwonderd niets meer te hooren over het vervolg van deze uitgave. (Bedoeld wordt de twaalf koppen. - FT) Het ware ons zeer aangenaam geweest deze interessante collectie in vorm van boek, album of kalender te mogen voortdrukken. Wij zijn bereid U alle inlichtingen te bezorgen die U nog zoudt wenschen aangaande het teekenen op de plat. Hierbij laten wij U geworden enkele proeven van reproducties naar teekeningen Thiriard. Deze teekeningen waren door den teekenaar op gewoon teekenpapier uitgevoerd en werden door een ander procédé door ons gereproduceerd. Niets zou beletten dat er ook kleuren werden bijgevoegd." De afdrukken van Phobel stuurt FT door aan De Bock. FT voegt er als commentaar nog aan toe: "Voila! Dat is 't. Ik geloof beste Eugeen, dat er nu niet langer moet gezocht worden. En dan kunnen die twee koppen alvast gereproduceerd worden. Wat denkte ge er van."

    Gedurende een half jaar blijft het nu windstil inzake de koppen. De kalender voor 1931 is pas in augustus 1930 bijna klaar. Op 9 augustus meldt FT aan De Bock: "Daarmee hebt ge ook de getallen. Dat is weeral in orde. Ik ben blij dat ge de kalender schoon vindt. Druk hem nu maar rap." De nieuwe kalender is succesvol, zodat FT op 6 februari 1931 aan zijn uitgever kan melden: "Overal heeft de kalender in de pers de meesten bijval. Wat ik niet verwacht had. 't Is te wen- schen dat de verkoop er nu beter van gaat, voor u."

    De recensie in Boekengids (1931, nr. 3) door B.G. is enthousiast: "Timmermans is dit jaar afgeweken van zijn traditie, en heeft voor 1931 zijn Pallieterkalender veranderd in een Franciscuskalender. Ieder schijnt thans te willen gelooven dat die twee figuren tamelijk dicht bij elkaar staan. Persoonlijk ben ik van een ander gevoelen. Wel heeft de stemming en vooral het uitzicht van den kalender hiermee geen diepe wijziging ondergaan. Elke maand geeft een populaire scène uit de Fioretti. 't Is alles blekkerend en schel gekleurd, would-be naief gekleurd en devotelijk. Maar voor wie nu eenmaal van die dingen houdt kan ik aannemen dat deze kalender een kostelijk bezit is."

    Het boek in Vlaanderen (1930) vermeldt (p. 153) de kostprijs: 40 frank.

     

    Verhalenkalender voor 1932 (Koppen en volkstypen)

     

    1932.jpg

    Het 'koppenproject' is inmiddels niet gevorderd. De Bock is blijkbaar met een andere Brusselse drukker in onderhandeling. In de brief van 9 augustus 1931 zegt FT: "Heb de Heer van Brussel bij mij gehad. 't Is dezelfde procédé als bij Phobel. Dus geen avance ! In elk geval ik ga twee koppen op die zink teekenen. Als het gaat zal ik ook de andere maken.”

    Na een lange voorbereiding komt uiteindelijk de 'koppenkalender', de zevende in de reeks, in de loop van het najaar van 1931, tot stand.

    Het boek in Vlaanderen (1931) neemt een korte bespreking op: "In het bekende formaat, doch ditmaal in schitterenden veelkleurigen steendruk, twaalf menschengezichten met in één blz. tekst den roman van hun leven. Een nieuwe formule voor de bekende kalender-reeks. Men bestelle tijdig "' (p.140). De prijs is 45 frank.

    In het AMVC-Letterenhuis in Antwerpen bevinden zich in het handschriftendossier van FT (T3465/H) de typoscripten van De Burgemeester (januari) en De Majordomo (februari) en de handschriften van Het Riggereditje (maart), De koker (april), Het boerken van Henteren (mei), Mie het lammeken (juni), De profeet (juli), Pier van boekweit- strooi (september), Ster der zee (oktober), Mie Vogel-Petrol-Mie (november), Mieke Lieke (december). Op de versozijde van deze handschriften en typoscripten tekende FT ten behoeve van de uitgever een schets van de betreffende kop om zo de teksten en de koppen met elkaar te verbinden.

     

    Pallieterkalender voor 1933 (Landelijk leven)

     

    1933d.jpg

    In
    1932 werkt FT aan de achtste en laatste kalender in de reeks, al is hij zich op dat ogenblik daar nog niet van bewust.

    Op 4 juli 1932 meldt FT zich: "Deze week hebt ge alles in uw bezit. Moet ik ze ook kleuren ?", waar De Bock bij noteert "later".

    Op 8 juli gaat een nieuw bericht: "Ik zend u vandaag per zelfde post de teekeningen. Op welke manier nu moeten de dagen der maand er op gebracht worden. Met nummers alleen of zooals vroeger met teekeningskens erbij. Maar dat zal bezwaarlijk gaan, want het gaat nu over twee maanden en dan is de plaatsruimte te klein. Ik vind hier de afrekening over het jaar 1931. Heb ik daar het saldo in mijn voordeel 641,83 Fr. reeds van ontvagen? Ik vind er geen enkele aanduiding

    van.”

    Op 12 juli komen nog een paar aanwijzingen: "Zoo als ge verlangt moogt [ge] de afrekening regelen. Hierbij een model voor de cijferteekeningen. Is het zoo van grootte en schikking goed. Stuur het mij weer met uw goedkeuring of de noodige wijzigingen."

    Uit een ongedateerde briefkaart, blijkens een aantekening van De Bock door hem op 27 juli 1932 beantwoord, leiden we af dat FT blij is dat de jaarlijkse klus bijna is geklaard: "Hierbij dan eindelijk de cijfers. Zorg er nu voor dat dit in 't vervolg niet meer noodig is. Ik ben aan al die vodjes zoo wat uitgeput geraakt, en voor al ik ben het moe. Beter eenige flinke teekeningen, en daaronder een kalender gedrukt."

    De kalender voor 1933 is in augustus volledig klaar. FT "maakt nog plannen voor een volgende editie: "Ik heb het idee opgevat, (of kwam het vroeger al van U ?) de toekomende almanak, als g' het nog doet, van eens een ongekleurde te maken. Alleen wit en zwart. Ik denk dat daar iets in te doen is. Natuurlijk dan is 't uitzicht van zulke teekening niet als van een teekening die gemaakt is om gekleurd te worden. Denk er eens op. 't Zij zes of twaalf teekeningen."

    De kalender voor 1933 is inmiddels verschenen, terwijl plannen voor een opvolger nog geen concrete vorm hebben aangenomen. De crisis in de economie en de dalende omzet in de Vlaamse uitgeverijen doen zich voelen, waardoor de verkoop van de kalenders achteruit is gegaan.

    Op 4 januari 1933 stuurt FT zijn nieuwjaarswensen aan vriend De Bock en voegt er deze overweging aan toe: "'t Is te verstaan in dezen tijd, dat er zooveel kalenders niet meer verkocht worden. Wat nu gezongen? Iets nieuws brengen, of slechts honderden exemplaren. Iets nieuws is zeer moeilijk. We kunnen wel een scheurkalender maken van 52 weken, en daar een teekening (wit-zwart) op. Dat kan aardig zijn, maar ik voel mij op 't oogenblik niets geschikt om dit aan te vangen. Die teekeningen moeten toch een postkaart groot zijn. Dit vraagt heel veel tijd. En zou voor u van onkosten veel duurder komen. Begin al maar met de clichés! 52 clichés! 't Zou een duur ding worden. En dit moet ik op voorhand zeggen: daar iets bijschrijven, dat is niet te doen. Ik denk het beste eene oplage van enkele honderden exemplaren te maken. Ik maak nu 6 teekeningen in wit en zwart. Op eenige honderd exempl. gaat ge die zeker verkoopen. En dan stel ik zelf voor, er dan met die almanakken uit te scheiden. Over enkele jaren, als 't God belieft, kunnen wij dan weer eens iets anders doen. B.V driekleurendrukken. Dat zou het beste zijn."

    Het boek in Vlaanderen (1932) vermeldt (p. 71) de kostprijs: 25 frank.

    De kalender voor 1933 is de laatste in de reeks. De hele oplage gaat jaarlijks bijna volledig de deur uit. Bij ontstentenis van contracten of ander archiefmateriaal uit uitgeverij De Sikkel kennen we geen cijfers over de precieze oplage. Op 1 mei 1936 schrijft FT aan De Bock: "Een vraagje: hebt ge nog van mijn almanakken in voorraad ? De Heer Kippenberg van de Insel-Verlag in Leipzig zou die allen willen overnemen

     

    Onderaan de brief noteert De Bock volgende gegevens:

    1926 - 6

    1927 - 6

    1928 - 2 + 1 slecht ing[ebonden]

    1933 - 1 + 2

    1932- 367 + 500 zond[er] kart[on]

    Van de kalender 1932, verschenen op een ogenblik dat de verkoop daalt, zijn dus nog 867 exemplaren bij de uitgever. De overige uitgaven zijn op dat ogenblik uitgeput of in zeer geringe mate voorradig. Hoe groot moeten we de gebruikelijke oplage inschatten, wanneer we weten dat van de editie 1932 zich nog meer dan 800 exemplaren bij de uitgever bevinden. De oplage, die wellicht met de jaren is gestegen, zal naar alle waarschijnlijkheid een heel eind boven de duizend hebben gelegen, of bedroeg daar misschien een veelvoud van.

     

    ************************************** 

    02-10-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    12-09-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pallieterstoet 11 en 17 juni 1928

    Lierke Plezierke !

     

    Folkloristische stoet ontworpen door Felix Timmermans

    11 juni 1928 en 17 juni 1928

     

    We zijn altijd een volk geweest van stoeten, optochten en processies. Het moet ons dan ook niet verwonderen dat, bij het gouden huwelijksjubileum van Piet Van Peborgh en Netteke Verstraeten in 1928, de Lierenaars beroep deden op Felix Timmermans om een stoet te ontwerpen en een programmabrochure samen te stellen.

     

    Het werd een groot succes : de stoet ging tweemaal uit onder een geweldige belangstelling en de brochure, “Lierke Plezierke” , werd op een paar duizend exemplaren verspreid.

     

    De fotograaf vatte plaats langs het parcours en maakte zijn keuze van wat aan zijn lens voorbijtrok. Deze foto’s kwamen later op de markt onder de vorm van postkaarten, die al vlug een verzamelaars-item werden. Dank zij Walter Brioen uit Lier was ik in de gelegenheid deze reeks te kopiëren.

     

    Rasechte Lierenaars zullen op deze beelden meer opmerken dan de gewone ‘buitenlanders’ onder ons. Als hulp voor deze leken, een korte samenvatting.

     

    Zoals elke stoet die zich respecteert begint deze met de gendarmen te paard, gevolgd door een groep (noodzakelijke) keersters. Met op de kop de dragers van t Belofte Land, krijgen we nu enkele beelden uit het leven van Pallieter. Dan is het de beurt aan het in Lier wereldberoemde “ En waar de Ster bleef stille staan “. Het Timmermans gedeelte wordt dan afgesloten met personages uit “ Ann-Marie “

     

    Na de Maagd van Lier, Sint-Gummarus te paard en Sinterklaas te voet, volgen nu Lierse toestanden, Lierse verenigingen, Lierse folklore, kortom : “Lierke Plezierke” !

    Ook mochten de reuzen niet ontbreken.

    De stoet eindigt met datgene waarvoor hij is samengesteld : de jubilarissen in prachtige open koetsen.

     


    ********************************

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    12-09-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (8 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    04-09-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een krantenartikel uit 1934

    Bijvoegsel van een zaterdagnummer van een krant

    Literatuur  -  wetenschap  -  kunst  -  humor

     

    Zondag 4 maart 1934

     

    Nieuwe uitgave : De Krabbekoker door Felix Timmermans


     

    In de reeks “Het zilveren Bronneken” (uitgave ‘Het kompas’, Mechelen) verscheen de jongste spruit van den populairsten Fé in Vlaanderen : “De Krabbekoker”

    En nu we dit geschreven hebben, en nu we het jongste produkt dus hebben aangekondigd, blijven we een poos met het potlood in den mond zitten …

     

    Wat is er over het nieuwe boek van Timmermans te zeggen? Wat is er het goede van, wat het minder goede? En weegt het laatste niet zwaarder dan het eerste?

    De Fé zelf zal zich van volgende regelen niet veel aantrekken, zelfs niet van onze bescheiden kennisgeving aan zijn adres, dat hij toch zulke abominabele taalfouten maakt, zoodat wij eigenlijk de lezing van zijn boek aan de prille jeugd moeten afraden!

    (Waarom heeft Goossens deze uitgave van hem neit*  eens grammatikaal doorgenomen?)

    *Dit staat zo in het krantenartikel

     

    Maar, om nu op “De Krabbekoker” terug te komen: in dit boek grijpt Timmermans naar familieleden van die oude bekenden van hem en ons : Suskewit, Pietje Vogel en hun confrére, wiens naam ons momenteel ontschiet.

    De Fé heeft duistere bedreigingen geuit, wat hem inderdaad moeilijk afgaat. Hij zou over het Liersche volk en over de hoogere Liersche geestelijkheid gaan schrijven.

    In afwachting dat hij de hoogere geestelijkheid “behandelen” zal (en die kan inderdaad wel tegen het wachten, Felix) geeft Timmermans ons hier een boekske dat waarschijnlijk thuishoort bij de kategorie ‘volk’, ofschoon het eigenlijk verhaalt over landlopers, die gedeeltelijk tot rust gekomen zijn.

     

    De uitbeelding van den pittoresken kant van hun wezen is aan Timmermans veilig toevertrouwd. Wij aanvaarden deze lieden, die door ieder treffelijk burger tot het “uitschot der maatschappij” zullen gerekend worden, wij aanvaarden ze vooral uit genegenheid voor de Fé, die ons, met een lyrisme uit auteursliefde geboren, voorbrenkt(?)

    De Krabbekoker, hun bendeleider nl. is een sympathieke kerel zooals er meer zijn in de kategorie der uitschotten ; en dat we sympathie krijgen voor hem is werkelijk een sukses voor de auteur. Welhoe, die kerel laat zijn wijf heel haar leven op vergiffenis wachten, ja, vernietigd haar bestaan, en alleen omdat ze hem eventjes ontrouw is geworden!

    Hij ‘schenkt’ haar alleen maar vergiffenis als ze gaat sterven, dus als het bijna de moeite niet meer is! Maar Timmermans typeert hem en zijn kornuiten zoo kleurig, dat ze toch onze sympathie verwerven en we uit genegenheid voor hem, de vraag zelfs af en toe in onzen boezem smoren, de vraag, die ondanks alles toch oprijst: van wat leven die kerels? Waar halen zij het geld vandaan om zo maar te borrelen?

    Maar laat ons voortgaan: een groot moment is het als de Krabbekoker optreedt om de onschuld te wreken, den gehoornde komt dat inderdaad toe, en dat optreden valt zelfs min of meer in de lijn van zijn natuurlijke funkties! En wat een deernis hebben wij met hem als hij in zijn ‘tragieken’ opzet door de mand valt! Wel aandoenlijk heeft de Fé het weerzien tusschen heer en mevrouw Krabbekoker beschreven. Dat zijn naar het ons lijkt, wel zeer treffende bladzijden door Timmermans met veel schrijfkunst en veel hart geschreven …

     

    Maar, indien de uiterlijke kant van de personages, die dit boekske bevolken, ons nog al aanstaan, ofschoon ons toch wat te nadrukkelijk hoe ze van het borrelen houden, dan blijft nog altijd de draad van de geschiedenis, het verhaal. En dat is een penibele historie!

    Wij weten nu zoo zachtjes aan wel dat Timmermans geen groot psycholoog is, integendeel dat zijn talent ligt in ’t onbollige, kleurige, folkloristisch verhalen en typeeren. Maar de personen waarmede hij zijn boeken pleegt te bevolken, of ze nu Pallieter, Mijnheer Piroen, Breughel of zelfs Franciscus heeten, moeten in die boeken toch ook iets beleven! Het is niet voldoende dat zij door de bladzijden wandelen, pijpen smoren, eten, drinken, aan natuurlyrisme doen, zelfs schilderen of bidden. Dat zijn uitstekende … werkzaamheden (voor het bidden klinkt dat nog al oneerbiedig, maar het is niet zoo bedoeld) maar er moet toch iets gebeuren met  deze menschen, een of andere dramatische of komische gebeurtenis moet hen toch op het lijf vallen; zij moeten tocht iets ondergaan, dat ingrijpt op hun leven, dat zich ankert in hun ziel en oorsprong is van een of andere evolutie…

     

    Welnu, buiten de historie van den Krabbekoker en zijn vrouw, heeft Timmermans een verhaal in zijn boek geweven (de geschiedenis eener verleiding en de dramatische gevolgen bij de geboorte) dat al te melodramatisch is om ons niet af en toe wrevelig te stemmen. Wij vragen geen psychologische verklaringen, laat staan uitdiepingen. Wij aanvaarden grif dat een verteller nogal eens doordraaft, een goede verteller boeit eerst zichzelf, maar wij laten ons toch niet zoo beetnemen als Timmermans voorneemt ons te doen.

    Een jonge maagd wordt verleid. Haar papa gooit haar buiten.’t Schaap gaat zich verdrinken. Zij wordt door de Krabbekokers gered. En in hun kluis opgenomen. En door hun liefdevol verpleegd.

    Voor deze oude Jappen betekend zij de andere wereld, de jeugd, de schoonheid, de goedheid.

    En haar kind zal hun kind zijn. De broeder van haar verleider, die onder Krabbekokers bende is, wil zich waarschijnlijk om de familietraditie voort te zetten, ook aan haar vergrijpen, maar mislukt.

    Het pasgeboren kind sterft een vreeselijke dood. De vader treedt thans terug op, wil zijn dochter thans terug, afgezien van het feit dat zij met al de Krabbekokers  heeft gehokt. Zij weigert. Zij volgt een Krabbekoker naar Italië! Maar tusschen die twee bestaat evenwel niets!

    Als wij ons niet vergissen: hij kan haar vader zijn!...

     

    Er is bij Timmermans een idylliek in de voorstelling der feiten, der gebeurtenissen van het verhaal, die direkt naar Conscience  teruggaat. Frappant is dat bij den “Pastoor van den Bloeienden Wijngaerd”…En ook in “De Krabbekoker” is dat het geval. Het kan zijn dat het groote publiek daar nog zijn genoegen aan beleeft, wij helaas kunnen dat niet meer.

     

    Ondertekend door de initialen : L.Z.

     

     

    Tekst is integraal overgenomen van het krantenartikel uit 1934. Wie de reporter was is niet terug te vinden, evenmin de titel van de krant.

    Persoonlijk vind ik de kritiek te fel en niet gepast. Gelukkig is het grote publiek er ‘genoegen’ blijven in vinden. De meesten van ons nodig ik uit om het ‘boeksken’ toch eens te lezen en het verhaal te ervaren als … een gewoon goed gebracht verhaal over de levenservaring van een deel van de bevolking die hun eigen leven leiden. Misschien wel op de rand van de maatschappij, maar het is hun leven.

     

    Mon

    04-09-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (6 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    01-09-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pallieter, een hardnekkig archetype

    Pallieter, een hardnekkig archetype

     

    Overgenomen uit “ Streven ”,

    Cultureel maatschappelijk maandblad voor Nederland en Vlaanderen.

     

    **  Pallieter, een hardnekkig archetype  ** door Julien Vermeulen

     


    Pallieter is meer dan het type van de landelijke, breugeliaanse Vlaming. Hij is de incarnatie van universele motieven, zoals het eeuwige kind, de terugkeer naar het paradijs, de vereniging met Moeder Natuur. Timmermans' boek sluit aan bij de oude arcadische en picareske tradities, en herinnert aan de negentiende-eeuwse Amerikaanse literatuur (Emerson, Thoreau). Maar Pallieters mateloze drang naar vrijheid en intens verlangen naar geborgenheid zijn tegelijk weer bijzonder actueel

     

     

    'Hij moet verschijnen', schreef Timmermans op 4 augustus 1915 aan de Nederlandse uitgever Van Kampen. En op 31 mei 1916 kon hij effectief de laatste gecorrigeerde drukproeven van Pallieter naar Amsterdam terugsturen 1.

    Enkele weken later was de roman uitgegeven. Maar bijna een eeuw nadat de auteur zijn Pallieter concipieerde, moeten we met bijzonder gemengde gevoelens terugblikken op het resultaat van deze literaire onderneming. Hoe beroemd de titel ook is, toch wordt het verhaal vaak bestempeld als oppervlakkig, naïef, anti-feministisch, zwak gecomponeerd en in menig opzicht boertig provincialistisch. Daarom hebben velen geprobeerd het landelijke Pallieterimago zo rabiaat mogelijk uit hun cultuurprofiel te verbannen. Zowel de flowerpower-tegencultuur uit de jaren zestig als de gedreven ecologisten van enkele jaren later schuwden het Pallieterembleem : voor de zestigers was hij te oubollig Vlaams, voor de milieuactivisten miste hij iedere vorm van structureel engagement. Binnen het huidige debat over de multiculturele waarden ervaren we het al te enge Pallieterprofiel eveneens als een pijnlijk stigma: de agroromantische religiositeit en kritiekloze verheerlijking van eigen aard en bodem vinden moeilijk een plaats in onze rijkgeschakeerde cultuur. Ook het contemporaine pleidooi voor metatekstuele experimenten en voor een gelaagde literatuur met more brains herinnert ons eens te meer aan ons cultureel verleden waarin voor een rondhuppelende en schrokkende Simpelmans een hoofdrol was weggelegd. Met enige gêne hebben we voorts moeten toezien hoe bepaalde ideologische bewegingen dit personage tot een icoon hebben uitvergroot en hoe het soms als symbool van dé Vlaming in de nissen van de buitenlandse stereotypengalerijen is gaan functioneren. De vele onbepaalde plekken in het personage van Pallieter boden de adepten van het Vlaamse 'genie' bovendien voldoende ruimte om deze held als exponent van de vaak geroemde (en naar verluidt typisch Vlaamse) symbiose van exuberante levensvreugde en mystieke introspectie voor te stellen

     

    Motieven uit de orale traditie

    En toch. De roman Pallieter heeft meer dan dertig drukken gekend en is wereldwijd een van de meest verspreide Nederlandstalige werken. Vergeten we evenmin dat de grote gangmaker voor het aanvankelijke succes de Nederlander Willem Kloos is geweest en dat de eerste uitgave in het Noord-Nederlandse tijdschrift De Nieuwe Gids is verschenen. Evenmin kunnen we verdoezelen dat de roman zowat om de tien jaar op een of andere manier in de belangstelling komt, zodat de titel niet weg te branden is uit onze literaire canon 2.

    Onlangs zagen weer twee uitgebreide studies over Timmermans het licht: Gaston Durnez publiceerde een biografie van de auteur, en August Keersmaekers verzorgde een indrukwekkende tweedelige editie van alle beschikbare handschriften van Pallieter 3.

    Vooral tegen de achtergrond van deze laatste tekstgenetische studie lijkt het ons interessant enkele kritische vragen te stellen in verband met de blijvende fascinatie die van de figuur Pallieter uitgaat

    Vooraf dit : de tekst is niet zo transparant als men op het eerste gezicht meent. Op enkele plaatsen hanteert de auteur een symbolisch idioom dat de verwende lezer van vandaag een dankbare meerwaarde biedt. Door drie types van subtiele referenties plaatst Timmermans zijn roman in de internationale orale traditie. We identificeren opmerkelijke mythologische allusies, expliciete sprookjeselementen en duidelijk herkenbare picareske scènes. De titels van twee belangrijke hoofdstukken alluderen op mythologische personages en doorbreken zo de stijlregisters van de volkse spreektaal. 'Een saterachtige dag' zet ons op het spoor van de Griekse natuurdemonen die als symbool van de zinnelijke instincten de nimfen achtervolgden. In dit hoofdstuk dringt Pallieter immers door de 'wellustige overdaad van leven en groei' heen tot in het woud waar hij dagdroomt van Mariekes 'naakt lijveken met schoon geronde vormen'. De verwijzing naar Pan onderstreept een parallelle scène, het tafereel namelijk waarin de dansende Pallieter geniet van de weelde van een 'mollig lijf'. Deze referentie legt bovendien een link met de arcadische literatuur, die veelal op de natuurreligie geïnspireerd is en als zodanig vaak deze bosgod op het voorplan schuift 4. Een wilde rit te paard wordt tot een Walkurenrit uitvergroot en aan Wagner gekoppeld: 'Pallieter zat los op zijn paard; zwierde met zijn armen, en huilde uit zijn sterke keel het schetterende horenlied der Walkuren van Wagner. Het klonk lijk een trompet'. Deze passage komt op vrijwel identieke wijze in de vijf overgeleverde handschriften terug. In het eerste manuscript evenwel probeert de auteur deze scène op een kosmisch-muzikale wijze uit te werken: '<-Palieter zat los en En het donderde> En de stem van Palieter huilend daarboven uit het motief van Wagners Walkurenrit. "Tata-bon." <+tegen den donder in>' (GS 240)

     

    Het Netelandschap wordt expliciet een 'sprookjesland' genoemd en tientallen impressionistische beschrijvingen met allerhande pleonasmen suggereren een wereld 'vol abondanse'. Frequente verwijzingen naar sprookjesmotieven (luilekkerland, melk en honing, koningskinderen, kasteeltje, reus, kabouters, enz.) activeren een suggestief sprookjesidioom. Onverwachte personificaties (de aarde juicht, een paard lacht, het rood jubelde, de wind wandelt, de zon tuimelt, het huwelijk rolde ervanonder, de bloemen zingen, enz.) consolideren dezelfde sprookjesstijl die een wereld evoceert waarin planten, dieren en muziekinstrumenten in kleurrijke verscheidenheid wedijveren. De magische sfeer van een betoverde omgeving steunt op een stilistiek waarin de synesthesie belangrijk is (een zonnestraal rinkelde, brede geuren, het malse licht, zoete liederen, de hitte lag te denderen, men zag het gegalm, enz.). Het zijn allemaal facetten van een pastorale sprookjeswereld die uitmondt in het irreële slotbeeld van een huifkar die de wijde wereld in trekt

     

    Andere details koppelen de roman intertekstueel aan het genre van het schelmenverhaal dat aanleunt bij de orale overlevering. Pallieters woning draagt de naam 'De Reinaert' en enkele schalkse fratsen herinneren ons aan De Costers Uilenspiegel. De vergelijking van de opeenvolgende handschriften brengt inderdaad een graduele wegwerking van allerhande scabreuze en boertige scènes die aan de picareske tradities van Uilenspiegel en Pantagruel verwant zijn, aan het licht. Ook de picaro is een vrijgevochten outsider die zijn eigen weg gaat, wat meestal in een heel losse aaneenschakeling van episodische taferelen weerspiegeld wordt. De triviale kanonscène werd aanvankelijk door Willem Kloos gewraakt, maar haalde toch de eerste druk van 1916 en is verhaaltechnisch een courant motief uit de picareske traditie (the battle of wits). Het fragment met het bloot achterwerk werd zelfs aan de versie uit De Nieuwe Gids toegevoegd (GS 182), hoewel de auteur in de voorgaande manuscripten sterk snoeide in de breugeliaanse excessen van eten en drinken. Andere losse, anekdotische sequenties, zoals die van de jager en de koeientaart of van het gevecht met de paardenhandelaars, kunnen onder dezelfde picareske noemer geplaatst worden

     

    Wanneer we de intrige van Pallieter vanuit de orale traditie benaderen, komen we dicht bij een Jungiaanse invalshoek, waarbij we de held kunnen definiëren als een archetypische voorstelling van enkele frappante motieven uit het collectieve onbewuste. In die zin is de fascinatie die van een schijnbaar eenvoudig verhaal uitgaat, te duiden als een appel aan onze gevoeligheid voor bepaalde universele componenten. De vele naïeve tekeningen die Timmermans in zijn oeuvre opneemt, zetten ons op hetzelfde spoor. In hun simpele eenvoud zijn de tientallen illustraties in essentie scherp afgebakende archetypen: de madonna, de vliegende heks, de duivel, de drakendoder, de verleidende slang, de kindervriend, de levensboom, de zeemeermin, de opgaande zon, de dodendans, de bacchusfiguur, en vele andere. Vooral het vignet met de hoorn des overvloeds lijkt in deze context niet onbelangrijk. Dit is immers het attribuut waarmee Plutus (Gr. Ploutos) in de iconografie de aardse rijkdom personifieert. In meer dan één opzicht is Timmermans' Plutus echter een composietfiguur van archetypische elementen, en zowel in de nevenpersonages als in diverse losse verhaalsequenties vinden we ondersteunende motieven die dit profiel reliëf geven. In de volgende alinea's willen we enkele opvallende kenmerken van dit Pallieterarchetype belichten

     

    Het kind is vader van de man

    Zoals vele legendarische of picareske protagonisten is Pallieter een ouderloze held. Weliswaar heeft de auteur het motief van de moederlijke bezorgdheid enigszins geprojecteerd in een van de personages – Charlot –, maar de vaderfiguur is helemaal afwezig. In het eerste handschrift dat van Pallieter bewaard is, wordt de hoofdpersoon nog voorgesteld als klerk van een voddenkoopman in een kleinsteedse handelszaak. In deze eerste versie vinden we dus nog een vage afspiegeling van een vaderbeeld waartegen het ego zich moet afzetten vooraleer het zich in een pastoraal-idyllisch leven kan onderdompelen. In de latere handschriften wordt de handeling in medias res geplaatst: vanaf de eerste regels woont Pallieter reeds op de buiten, waar hij totaal bevrijd is van iedere vorm van werk, gebod of dwang. De beperkte normatieve instanties waarmee hij sporadisch in contact komt, worden inderdaad probleemloos terzijde geschoven. Zo wordt de zelfbevrijding gekoppeld aan een compleet verdringen van elke vorm van vaderlijk gezag. De afsplitsingen van de vaderfiguur die zich in enkele nevenpersonages aftekenen, worden honend weggelachen. In de ontmoeting met de dominante graaf trekt Pallieter zich met een schelmenstreek uit de slag: deze groteske kanonscène wordt in de eerste tien handschriften enigszins anders uitgewerkt, namelijk in een confrontatie met een officier naar aanleiding van een twist rond het concept 'vaderland'. Ook de geleerden en de filosofen maakt hij belachelijk, en de pastoor wordt slechts geduld in zoverre hij Pallieters vrijheid niet met een categorische imperatief bedreigt. Evenmin stoort hij zich aan de wet die hem door een veldwachter wordt opgelegd, of aan de pragmatische bezwaren die een koster oppert. Zelfs het godsbeeld wordt niet als een deus otiosus of als een oordelende macht ingevuld, maar wel als een mild schenkende 'Lievenheer'

     

    De motieven die men dus traditioneel met het vaderbeeld associeert (bezit, kennis, autoriteit, wet, macht, verbod, gebod) legt het hoofdpersonage moeiteloos naast zich neer. De tomeloze levenslust en het gevoel van euforische bevrijding kunnen dus gedeeltelijk geplaatst worden tegen de achtergrond van dit vaderloze verleden. Als een anti-Hamlet heeft Pallieter niet af te rekenen met een verstikkend superego, en hij erft niet de minste twijfels, scrupules, remmingen of onzekerheden, waardoor hij zich vrijwel teugelloos kan uitleven. In hoeverre we deze literaire interpretatie mogen funderen op de biografische realiteit waarin de roman tot stand is gekomen, is misschien niet voor iedereen duidelijk. Er is reeds vaak op gewezen dat Timmermans zich in zijn Pallieter bevrijd heeft van de overwegend sombere en occulte ideeënsfeer waarmee hij in zijn adolescentie dweepte, en dat de directe aanleiding tot het schrijven van het boek de problematische chirurgische ingreep was die hij in 1911 moest ondergaan. We moeten echter eveneens voor ogen houden dat de auteur in deze periode in een bijzonder gespannen verhouding leefde met zijn ouders, vanwege zijn partnerkeuze en de weinig florissante beroepsperspectieven die zich aanboden. Het lijkt derhalve best aanvaardbaar dat de auteur in deze vaderloze romanheld zijn eigen spanningen heeft pogen weg te schrijven: via een bepaalde vorm van katharsis is hij ermee in het reine gekomen

    Zelfs wie sceptisch staat tegenover een al te psychologiserende duiding van deze onderliggende vader-zoonthematiek kan er moeilijk bezwaar tegen hebben, de intrige van de roman als een psychisch proces te beschouwen waarin we vaak een onverhulde wensvervulling kunnen herkennen.

    Dit brengt ons bij een tweede kenmerk van het Pallieterarchetype : de overkoepelende thematiek van de regressie, van de terugkeer naar een jeugdig gedragspatroon, van het terugverlangen naar de geborgenheid van de kindertijd, van het herbeleven van een roes van zintuiglijke en orale genietingen. In dat verband zien we ook hoe het hoofdpersonage de stad en de mercantiele maatschappij de rug toekeert, hoe hij afstand neemt van rationele cultuurvormen en zich laveloos overgeeft aan de moederlijke en vrouwelijke natuur. Deze regressie vertakt zich in enkele afzonderlijke motieven, zoals de cultus van het eeuwige kind (puer aeternus), de verheerlijking van de ongerepte natuur (arcadia), de visie op de natuur als bron van alle leven (de positieve Magna Mater) waarin het individu opgenomen wil worden (return to the womb), het overstijgen van alle belemmerende tegenstellingen (coniunctio oppositorum), de platonische beleving van een alziel (de oversoul als variante van het collectief onbewuste) en de cyclische interpretatie van de tijd (de motieven van Aurora en van de renewal of seasonal life) die tevens de structuur van de roman bepaalt. De hergeboorte van de zomerse natuur valt samen met Pallieters vertrek, dat als een totale bevrijding van alle sociale restricties gelezen kan worden. Zo ontvlucht hij de normen van een georganiseerde samenleving en wordt hij de eeuwige reiziger: de everlasting voyager naar een never-never land. Wij gaan even dieper in op deze verschillende motieven die de regressiebeweging kenmerken en ondersteunen.

     

    Het syndroom van de eeuwige jongeling kan psychologisch gedefinieerd worden in termen van overoptimisme, van een ongebreideld beleven van de meest gedurfde verbeelding, van een verdediging van een uitgesproken idealisme en van het extravert openstaan voor buitensporige waagstukken of bizarre uitdagingen. Het is evident dat Pallieter fundamenteel een spelende mens is van wie het hele levensgedrag door het lustprincipe wordt gedreven. Zijn uitgesproken beweeglijkheid bepaalt mee de stijl, die een voorkeur heeft voor werkwoorden die mobiliteit uitdrukken (wipte, sprong, ritsten, dansten, rolde, enz.). Deze ongeremde beweeglijkheid lijkt een dramatisering van een totaal afwezig zijn van onbewuste remmingen of wilsconflicten. Op diverse punten benadert dit enthousiasme de meest kinderlijke eenvoud: de zeepbellensequentie en de rit op de bok zijn slechts twee bekende illustraties ervan. En rond het begrip kind vinden we een gamma van uitdrukkingen dat de stijl van het verhaal typeert: als een kind, lijk een kind, uitgelaten als een kind, lijk twee kleine kinders, lijk twee brave kinderen, van het kind, kinderlijk blij, kinderlijken eenvoud

     

    Opmerkelijker is Pallieters levensdevies 'lot er ons de sijs van aflakke', dat meteen alle varianten van orale genoegens oproept. Het lexicon dat een orale fixatie suggereert, is enorm uitgebreid: 'smakten en klakten lijk twee zuigende kinderen, smakkend uitklokte, met trage zeupkes uitzuigen, 't gesloeber van de vele monden, zog, gulzigen mond, gulzig ete, 't smokt zo goe, slurpten, het zog der aarde, duzend borste', enz. Deze obsederende oraliteit had in de eerste handschriften ook een uitgesproken anale pendant. We hebben reeds aangestipt hoe enkele residuen ervan als losse componenten in het definitieve verhaalverloop geschoven werden. In een handschrift uit 1911 wordt de stralende zon gepersonifieerd als '<-Zeed heur hemd oepgeheuve-> (GS 39) en in de eerste versie van het fameuze kanonduel lezen we: 'hief hij ras zijn rechterbeen op en liet een krakende <-port> prot uit zijn achterste losdonderen;' (GS 60). Het absolute hoogtepunt van fecalisch plezier vinden we in de bladzijdenlange, barokke evocatie van De Feest uit 1912 (GS 172-173). Dergelijke scabreuze passages zijn door sommigen gezien als een vorm van volkse profilering, soms zelfs als een teken van maatschappijkritiek, onlangs nog door G. Durnez. De obsessionele gedrevenheid waarmee de jonge Timmermans zich in deze anale retoriek verlustigt, strookt echter in eerste instantie met de regressiehypothese die we hier ontwikkelen

     

    De versgeploegde knaap

    Het arcadische motief van een adamitische man die naakt in Gods vrije natuur rondloopt is een kerngegeven van het Pallieterarchetype. Hij is een green-world-lover, een afgezwakte vorm van de noble savage voor wie het Netelandschap een mythisch paradijs lijkt. Toch geeft Pallieter zich niet totaal over aan een ongeciviliseerde oernatuur, want hij weet zich geborgen door de beschuttende en ruggensteunende aanwezigheid van de provinciestad. Zijn natuurexploraties blijven beperkt tot enkele tochtjes in de plooien van het hem vertrouwde en bejubelde Neteland. Toch is ook dat een onderdeel van de overkoepelende regressietendens. Pallieter keert terug naar de zuiverheid, de onschuld en de goedheid van een onbedorven natuur. De stad 'waar het stinkt naar <-vette>>loopende> vrouwen, asemriekende mannen, opwerpende magen, vuile hemden, zwarte zweetvoeten ontbonden vleesch en graten van visch' (eerste handschrift, GS 17) heeft hij achter zich gelaten. Onbelast door de (erf)zonde, vrij van materiële problemen en onbedorven door een overgeërfde cultuur geeft hij zich over aan een bucolisch leven waarin eten, drinken, zingen, dansen, het liefdesspel en de natuurverering centraal staan. 'Melk den dag!' is het enige wat Pallieter ooit geschreven heeft, en deze 'carpe diem'-slogan bezorgde hem het epitheton van dagjesmelker. Vreemd echter is dat deze passage, tekstgenetisch, pas voorkomt in de definitieve druk van 1916. Zowel in de tijdschriftpublicatie in De Nieuwe Gids als in de zes voorgaande handschriften komt deze typering niet voor (GS 371-385). Het ochtendlijke ritueel van het naakt zwemmen kan als een symbolisch knooppunt van het arcadische leven geïnterpreteerd worden: het is een bevrijdende overgave aan de natuur, een zuiverend doopsel, een cyclisch beleven van de hergeboorte van de dag en een symbolische terugkeer naar de voedende moeder. Van deze paradijselijke scène komen in de loop van de intrige verschillende varianten voor die samen een vast motief vormen

     

    Bijzonder opmerkelijk is de wijze waarop in deze roman de verzoening van de tegenstellingen (coincidentia oppositorum) vorm krijgt en in het verlengde van het geborgenheidsgevoel wordt geplaatst. Antipoden, gespletenheid of spanningen vinden we niet terug: niet in het individu, niet in de buitenwereld. De geëvoceerde werkelijkheid vormt één geheel, en dit verraadt een holistische werkelijkheidsvisie waarin alle antitheses opgeheven worden. De natuur is één: de regen dringt in de grond, de zon doet het zaad in de aarde openbarsten, het bos is als de zee. 'Dat is het leven: altijd maar geven en koppelen...' Ook lucht en aarde vormen een eenheid. Moeiteloos beklimt Pallieter bomen, torens en molens, en tijdens de vliegtuigscène wordt hij letterlijk opgenomen in 'het rijk der zon'. De rivier weerspiegelt de sterren, en het weidse besneeuwde landschap ervaart hij als de 'hemel ligt oep de wereld'.

    De mens identificeert zich continu met de natuur : Pallieter omhelst een boom, wil zelfs een boom zijn, wil in de geploegde aarde bijten, kust de grond. Een zelfde identificatieritueel leeft ook in de scènes waarin hij de zon wil eten, de ziel der aarde wil drinken en 'één herteklop, één asem' wil worden met de aarde. Een versluierde variant van het motief van de heilige bruiloft (hieros gamos) vinden we terug in de sequentie waarin een 'zeer' zwangere vrouw het zaad in de vers geploegde akker strooit. Uit de vruchtbare aarde zou ook een mens geboren kunnen worden, want dan zou ze er 'iene make lak Marieke'. En in het hoofdpersonage worden de uitersten van exuberante levensdrift en innerlijke contemplatie met elkaar verzoend. Zo worden alle opposities overbrugd: man en vrouw, hemel en aarde, mens en natuur, leven en bovennatuur versmelten tot één dionysisch geheel dat continu door een stromend en vloeiend élan vital bezield wordt

     

    Met deze werkelijkheidsvisie komen we heel dicht bij R.W. Emersons concept van de Opperziel die schuilgaat achter de veelheid van al wat leeft. Het is bekend dat Timmermans het werk van Emerson bij zich had in het ziekenhuis toen hij er in 1911 geopereerd moest worden, en volgens tijdgenoten beschouwde hij de Sept essais d'Emerson levenslang als zijn 'brevier' 5. Verwijzingen naar de ziel lopen effectief als een rode draad door de tekst, waarbij dit begrip als de diepste gemeenschappelijke kern van de mens en de aarde gedefinieerd wordt: de ziel barst van liefde, de natuur vergroot de menselijke ziel, vruchten zuigen de ziel van de aarde op, de ziel van de aarde is het 'inwezen van de wereld', een religieuze ervaring krijgt de naam van 'zielebrand', en ontroering wordt gevisualiseerd in het beeld: ''t feest kwam aan de ziel'. De hymne aan de zon en aan het licht dat overal doordringt, kan als natuurlijke tegenhanger van dit spirituele begrip beschouwd worden. Deze opvatting drukt tevens een stempel op de stijlregisters van het boek, want tientallen licht- en schitterwoorden kleuren het idioom: blankte, beglansde, schitterde, spettering, zilveren tinteling, zonbeschenen goud, zondoorblonken, overheerlijk licht, enz. In navolging van Emerson poneert de auteur een fundamentele eenheid van de wereld en god, keert hij zich af van het formalisme van de kerk (de kwezels!) en pleit hij voor een intuïtieve religieuze ervaring die juist in de natuur een transcendente boodschap verneemt. Had men Timmermans' werk in de jaren twintig gelezen tegen de achtergrond van deze Amerikaanse literair-filosofische opvattingen, dan zou men de hele discussie rond het vermeende paganisme misschien serener hebben gevoerd

     

    De naam Emerson brengt ons bij die van zijn leerling H.D. Thoreau, een auteur die zich enkele jaren in de bossen van Massachusetts terugtrok en zijn ervaringen in Walden (1854) neergeschreven heeft 6. We kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat dit boek een sterke invloed gehad heeft op de genese van Pallieter. Tientallen scènes uit Timmermans' roman behandelen identiek dezelfde ervaringen als Thoreaus dagboek. Daar beide romantische werken gebouwd zijn op de spiraalbeweging van de seizoenen, ligt het misschien voor de hand dat diverse observaties gelijklopend zijn. Beide auteurs genieten intens van de natuur: van het uitbreken van de knoppen uit de schijnbaar dode takken, van de rijk gevarieerde dierenwereld die hen omringt en van het onbezorgde leven in een paradijs (Thoreau verwijst naar de Golden Age) waar men zich aan de natuur voedt. Maar ook een prachtige regenboog of een heerlijke bui, een bos dat klanken echoot of het licht dat 'pure, bright, beautiful' is, en zelfs een hevig onweer en een inslaande bliksem ontroeren hen. 'The Great Snow! How cheerful it is to hear of!' en 'the brilliant fruit was likewise food for my eyes merely' zijn uitroepen die met gemak in Pallieters vocabularium ingeschoven kunnen worden. Andere overeenkomstige details zijn bijvoorbeeld de beschrijvingen van een eenvoudig man die slechts twee boeken bezit en die zijn naam in de sneeuw schrijft, van een bejubeld landschap dat als de 'best room' (Timmermans' salon!) getypeerd wordt, van het baden in open lucht of van een vriendschap met een boom ('cousin to the pine', alias 'Bruur Boom'), die meer wijsheid bezit dan de geleerden. Beide auteurs schrijven ook vanuit een zelfde levensopvatting: de intens beleefde eenheid met de natuur die 'mother of humanity' is, het pleidooi voor een eenvoudig, kinderlijk leven ('Simplicity!') en de vrees dat de oprukkende beschaving de natuur bedreigt. Ook Emersons beleving van het religieuze in de natuur is bij beiden een constante: een bos dat Timmermans als een kerk ervaart is voor Thoreau een schrijn dat uitnodigt tot 'worship'

     

    Een schoongelogen vertelsel

    Deze neoplatonische benadering 7 neemt niet weg dat de natuur, en vooral de aarde, steeds ervaren wordt als een vruchtbaar en, zoals de eerste handschriften illustreren, ook als een uitgesproken sensueel-zinnelijk wezen. In de roman is een eigenlijke seksualiteitsbeleving afwezig. De huwelijksnacht wordt zedig herleid tot één witregel (alleen in een vroeger handschrift wordt de coïtus in bijbelse termen als een 'kennen' geformuleerd; GS 348). De sensuele geladenheid komt slechts enkele keren in erotische fantasieën of flirtpartijtjes op. Veelal wordt de seksualiteitswens in de natuur geprojecteerd. De zon-aardeverhouding wordt meer dan eens voorgesteld als een bevruchtende man-vrouwrelatie. In de vroegere versies van de roman vinden we deze verschoven zinnelijkheid heel expliciet terug. De vruchtbaarheid van de grote moeder aarde wordt in de tweede versie van het tiende hoofdstuk als volgt verwoord: '<+<-zij gaf zich aan de zon lijk de vrouw aan den man.> <+ en al heur <-krach> liefde kracht en heerlijkheid welde op uit haar hart. Zij gaf zich aan de zon lijk een kindverlang[en]de vrouw aan den man>'. In de derde versie vinden we hier nog een restant van terug: '...<Zij was echt vrouwelijk Zij gaf zich aan de zon lijk een rijpe vrouw aan den lang verwachten man>'. In de latere versies wordt deze expliciete metaforiek afgezwakt tot het beeld van de vruchtbare aarde. Bijbelse reminiscenties (manna, Abraham, het beloofde land) ondersteunen de evocatie van deze vruchtbaarheidscultus

     

    Het vrouwelijke wordt niet alleen in de natuur geprojecteerd, ook enkele nevenpersonages symboliseren diverse facetten van het vrouwelijke. We willen hier niet vervallen in een rigide extrapolatie van Jungs animabegrip, al kunnen we gemakkelijk enkele opvallende aspecten ervan identificeren. Charlot personifieert de moederlijke (en/of zusterlijke) bezorgdheid en is ondanks haar reputatie van kwezel toch een monument van vruchtbaarheid. De vitalistische typering van haar borsten die 'geweldig als dondertorens [...] in hun volle malse dikte naar voren op den grote buik' hingen, komt reeds vanaf de eerste handschriften voor (GS 281, 283, 288). Marieke is in haar onschuldige verschijning vaak het archetype van het zuivere engeltje ('Ge komt niks te keurt as vleugeltjes'). Een lichamelijke tinteling van het zinnelijk-vrouwelijke vinden we in enkele scènes met occasionele liefjes en in korte typeringen van zijn verloofde. Het spirituele Madonna-archetype ten slotte is heel dominant aanwezig in de cultus rond 'ons Luverijke'. Ondanks deze gevarieerde voorstelling van het vrouwelijke kunnen we in Timmermans' Pallieter toch een regelrecht anti-feministisch discours herkennen. Met Lucie Irigaray kunnen we stellen dat Pallieter een uitgesproken specimen is van het 'mannelijke schrijven' dat zolang onze cultuur gedomineerd heeft. De held van het verhaal is een man, en deze man is (ondanks zijn kinderlijke aanleg) dé grote held. De vrouw fungeert er in de context van een 'mannelijke seksuele economie' als ridiculiseerbare dienstmeid, als engelachtige geliefde ('e schoe kind!'), als gelegenheidsliefje, als een gehoorzame timide echtgenote (een bruid 'lijk een popje, stil en stijf...'), als vruchtbare moeder of als devoot radertje in een mannelijke kerkstructuur.

     

    De vrouwelijke geborgenheid en vruchtbaarheid vinden we tevens terug in een frequent terugkerende symboliek. De beelden van het (huwelijks)bootje dat volgeladen wordt met alle vruchten van een overdadige oogst, van de 'grote baarmoeder' waar alle sterren uit lijken voort te komen, van de 'gewillige aarde' die het zaad ontvangt en van de eeuwenoude boom die, opengebarsten, een zenuwknoop is van 'wild, barbaars en overtollig leven', zijn symbolenclusters die het verhaal van Timmermans structureren. Vanuit eenzelfde achtergrond moet ook het slot van de roman geïnterpreteerd worden. De beschermende beslotenheid van de huifkar (in combinatie met het motief van de drieling) vormt het slotstuk van deze symbolenreeks. De scène vormt bovendien geen open einde, zoals wel eens is beweerd, integendeel. Het wegtrekken uit de besloten biotoop van het paradijs is een expliciete exponent van het fantasiedenken en van de wensvervulling die achter elk detail van de intrige schuilgaan: ''t verlange oem overal en nieverans te wonen'. En ook dit literaire motief van de eeuwige Wanderer is eerder al geduid als een symbool van het individu dat blijvend op zoek gaat naar het vrouwelijke en het onbewuste.

     

    Wat schijnbaar een los gecomponeerde en hybridische roman is, steunt op een archetypisch patroon van eenheid scheppende motieven. Tussen de onbekende herkomst en de onbepaalde toekomst van de protagonist ligt een aaneenschakeling van universele motieven: de regressie naar het kinderlijke en het paradijselijke, de verzoening van alle tegenstellingen in een intuïtief beleefde alziel, het verlangen naar een fundamentele geborgenheid in het eeuwig vrouwelijke van een cyclische natuur en de uiteindelijke bevrijding van iedere vorm van autoritaire belemmering. De barokke taal waarin herhaling, pleonasme en synesthesie een grote rol spelen, is een perfecte weergave van een teugelloos beleven van de overdadige vruchtbaarheid en geeft de roman een stilistische eenheid

     

    Zoals de Amerikanen Emerson, Thoreau en Melville ontkent Timmermans in zijn Pallieter het overwicht van het intellect. In de hoofdpersoon wordt een uitgesproken regressie belichaamd: de eeuwige jongeling mist elke realiteitszin, wil geen compromissen sluiten en verwerpt resoluut de beperkingen van een patriarchaal systeem. Pallieter neemt afscheid van de autoritaire vader en keert euforisch terug naar het universeel-moederlijke. Het is juist deze dubbele beweging – de mateloze vrijheidsdrang gekoppeld aan het verlangen naar een intense geborgenheid – die nog steeds aanspreekt. Zonder de universele kracht van deze onderliggende psychische matrix en de ondersteunende motieven zou de roman, honderd jaar nadat de auteur hem gecomponeerd heeft, veel van zijn diepste aantrekkingskracht verloren hebben. C.G. Jung was geboeid door de complexe psychische processen en thematische constellaties die in sprookjes, mythen en sagen bezonken liggen. Op dezelfde manier is Timmermans' Pallieter slechts op het eerste gezicht een wonder van eenvoud, want achter dat 'schoongelogen vertelsel' gaat een rijke laag van nog steeds fascinerende archetypen schuil.

     


    1] Kopie van briefkaart aan uitgever Van Kampen opgenomen in: J. de Ceulaer (ed.), Pallieter van nabij. Jaarboek 1976 van het Felix Timmermans-Genootschap, Orion, Brugge / B. Gottmer, Nijmegen, 1976, blz. 140

     

    [2] M. Cordemans, 'De definitieve uitgave van Pallieter', in Handelingen van de Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, 1958, deel XII, blz. 23-42

    L. Vercammen, Vijftig jaar Pallieter. Een historische terugblik, Heideland, Hasselt, 1966

    L. Vercammen, Felix Timmermans. De mens. Het werk, Heideland-Orbis, Hasselt, 1971, blz. 55-62

    M. Janssens, De maat van drie. Essays over literatuur, Davidsfonds, Leuven, 1984, blz. 143-155

    F. Verleyen, De gezonken goudvis. Felix Timmermans en de moderne tijd, Globe, Groot-Bijgaarden, 1997, blz. 17-21 en 61-68

    G. Keersmaekers, 'Een "uitgehakt" begin uit Timmermans' Pallieter', in Vlaanderen, januari-februari 1997, blz. 29-32

     

    [3] A. Keersmaekers, Het geluk van een schrijver. Felix Timmermans en zijn 'Pallieter', KANTL, Gent / Pandora, Antwerpen (Cahier 6), 2000, blz. 216 en Het geluk van een schrijver. Felix Timmermans en zijn 'Pallieter'. Deel II. De teksten, KANTL, Gent / Pandora, Antwerpen (Cahier 7), 2000, 414 blz. (in het artikel afgekort als GS; de betekenis van de diacritische tekens: <-> weglating; <+> toevoeging; <a>>b>: vervanging van a door b).

    G. Durnez, Felix Timmermans. Een biografie, Lannoo, Tielt, 2000, blz. 160-212, 224-252, 284-296 en 438-455

     

    [4] L. Vercammen, 'Pallieter, Pan en Plutarchos', in J. de Ceulaer (ed.), op. cit., blz. 38-43

    A.Keersmaekers, Felix Timmermans. Wonder van eenvoud, Davidsfonds, Leuven, 1990, blz. 11-32, inz. blz. 27

     

    [5] R.W. Emerson, Essays and Poems, selected and arranged by G.F. Maine, Collins, London/Glasgow, 1954. Timmermans heeft Emersons werk leren kennen door de Franse vertaling van een selectie uit de First Series (1841) en de Second Series (1844) van de essays: R.W. Emerson, Sept essais d’Emerson (trad. par I. Will, avec une préface de Maurice Maeterlinck), Lacomblez, Brussel, 1894, 251 blz

    J. de Ceulaer, En toch. Spiegelbeeld van Felix Timmermans, Van In, Lier, 1967, blz. 81.

     

    [6] H.D. Thoreau, Walden, or Life in the Woods, Signet, Ontario/London, 1960 (1ste dr.: 1854). In 1902 is reeds een Nederlandse vertaling van de hand van Suze de Jongh van Damwoude verschenen: H.D. Thoreau, Walden met een voorwoord van Frederik van Eeden en een inleiding van W.H. Dircks, C.J.W. Grentzebach, Bussum.We vermelden enkele passages die in handeling, geest, verwoording of in bepaalde details met sommige fragmenten van Pallieter overeenkomen: blz. 78, 105-106, 108, 125-131, 132, 136, 150-154, 159, 162-168, 169-172, 179, 182, 184-191, 211-213, 222-223, 235-236, 241, 244-245, 249, 282-283, 291-296, 309, 330-331, 347, 353, 362-363. Het spreekt vanzelf dat we hier niet noodzakelijk een rigide vorm van plagiaat, ontlening of rechtstreekse beïnvloeding in hoeven te zien. Talrijk zijn immers ook de verschillen qua personages, vertelstructuur en stijl. Opvallend is wel dat de natuur in deze vertaling ook als 'Mijn "mooiste" kamer, mijn "salon"' getypeerd wordt (blz. 182). Andere karakteristieke aforismen van Pallieter zijn: 'Ik heb altijd betreurd, dat ik niet even wijs was, als op den dag, waarop ik geboren werd' (blz. 136); 'de echo is, in zekere mate, een oorspronkelijke klank, [...]; dezelfde gewone woorden en tonen door een woud-nymph gezongen' (blz. 162-163); 'Ik kom en ga, met een vreemde vrijheid, in de Natuur, een deel van haarzelf' (blz. 169); 'Als ik de vriendschap van de seizoenen geniet, vertrouw ik, dat niets het leven mij tot een last kan maken' (blz. 171); 'Toen de Natuur hem schiep, gaf zij hem een sterk lichaam [...], opdat hij zijn zestig jaren, en tien daar nog bij, als een kind kon uitleven' (blz. 187).

     

    [7] Tijdens een interview (Oostende, 23 september 2000) heeft Lia Timmermans een parallelle neoplatonische visie op de schoonheid en het esthetische verdedigd. Cf. J. Vermeulen, Lia Timmermans. Lichte lanen en donkere dreven, VWS, Brugge, 2000.

    01-09-2006 om 21:03 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (11 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    25-08-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bespreking : De Pastoor uit den Bloeyende Wijngaerdt

    Titel: De Pastoor uit den bloeyenden wijngaerdt

    Auteur: Felix Timmermans

    Periode: 1880 - 1916 (neo romantiek) 

    Samenvatting

    Dit boek gaat over een pastoor, Benedikt Serneels, die samen met Sophie de huishoudster, in de pastorie, de bloeiende wijngaard woont. Dit noemt hij zo omdat hij een enorme liefhebber van wijn is, een eigen wijngaard heeft en een enorme kelder vol van wijn. De soorten wijn geeft hij namen, hij noemt ze onder andere - ader van christus, spiegel der engelen, geestdrift van assisiën.- Meneer Pastoor koopt ook vaak wijn van meneer van Mol. Meneer Pastoor heeft een broer, Gommaar, een horlogemaker. Gommaar heeft een probleem. Zijn dochter, Leontientje is verliefd geworden op Isidoor, een ongelovige Geus. Men was er van overtuigd dat een relatie met een niet-katholiek voor God niet kan bestaan. Als meneer Pastoor aan Leontientje vraagt hoe ze verliefd zijn geworden verteld ze het hele verhaal: Isidoor kwam meerdere malen langs als Leontientje buiten zat te breien, hij laat horloges maken in de winkel van haar zoon, de vonk slaat over. Isidoor schrijft een brief aan Leontientje en die leest Gommaar. Gommaar brengt Leontientje naar meneer Pastoor, die of de liefde van Leontientje over moet laten gaan of Isidoor gelovig moet krijgen. De liefde van Leontientje blijkt echter niet over te gaan, dus moet Isidoor gelovig worden. De pastoor besluit Isidoor een brief te schrijven, waarin staat dat Isidoor naar de pastorie moet komen. Leontientje bidt veel tot God of Isidoor alstublieft gelovig mag worden. Als Isidoor in de pastorie komt, gaat de pastoor met Isidoor praten over al de katholieke symbolen, de natuur, het geloof enzovoort. Isidoor luistert aandachtig en eerbiedig. De pastoor vindt Isidoor erg sympathiek. Isidoor wil erg graag gelovig worden, maar het lukt niet. Hij kan niet blindelings geloven. . Leontientje wil dit niet geloven, want Isidoor luistert altijd zo geboeid naar haar oom. Meneer Pastoor twijfelt echter wel, want hij ziet dat het Isidoor gewoon echt niet lukt. Op den duur vraagt de Pastoor aan Isidoor of hij het nu echt niet kan geloven. Isidoor zegt: “ik kan het niet geloven, zelfs haar liefde voor haar doet het mij niet geloven… Ik ga weg… Ik dank u...” De pastoor zegt dat hij MOET geloven, maar Isidoor kan niet doen alsof. Isidoor vertrekt, zonder afscheid te nemen van zijn Leontientje.

     

    Mieke Zand zorgt voor het eenzaam gelegen kapelletje. Leontientje kwam vaak in het kapelletje om voor Isidoor te bidden, dus zo kennen zij elkaar.

    Leontientje vertelt het hele verhaal van Isidoor aan Mieke en Mieke verteld haar geschiedenis aan Leontientje. Ze verteld dat ze verliefd was op een jongen, waar ze tegen de zin van haar familie mee trouwt. Als ze echter met hem getrouwd is (alleen voor de wet, het trouwen voor de kerk vond haar man op het laatste moment toch maar niks) slaat haar man haar. Als ze zwanger van hem raakt gaat ze er vandoor, ze zijn toch maar alleen voor de wet getrouwd. Als ze het kind echter heeft, eist haar man het kind terug, Hij heeft er volgens de wet recht op dus nu is ze haar zoontje, Jaaske kwijt. Als Mieke uitverteld is vraagt Leontientje of ze Isidoor een brief mag schrijven waar onder ze dan Miekes adres zet, zodat Isidoor naar dat adres terug schrijft en de Pastoor er niets van te weten komt. Mieke vindt dit goed. In haar brief schrijft ze dat ze het niet meer uithoud zonder hem, dat hij moet proberen te geloven en dat hij terug moet schrijven. Isidoor schrijft terug, maar als Leontientje met de brief bij de pastoor binnenkomt, ziet hij dat ze de brief bij zich heeft, hij pakt hem af en leest hem. In de brief staat dat hij heel erg naar Leontientje verlangt en dat hij wel wil geloven maar het niet kan. Hij kan wel doen alsof maar daar is hij te eerlijk voor.

    Als de pastoor de brief uit heeft zegt hij tegen Leontientje dat Isidoor waarschijnlijk nooit gelovig zal worden. De liefde moet over zijn. Leontientje schrijft dan weer een brief aan Isidoor, waarin ze heel zakelijk meedeelt dat het over is, omdat zij niet met iemand kan trouwen die ongelovig is. Leontientje schrijft deze brief niet omdat dit van haar oom moet, maar omdat ze zelf ook vindt dat je geen relatie kan hebben met een ongelovige.

    Meneer Pastoor denkt echter dat haar liefde ook over is, maar dit is niet het geval. Meneer pastoor zegt ook tegen Mieke dat Leontientjes liefde over is, zij gelooft hem niet want zo’n sterke liefde kan toch niet opeens over zijn. Leontientje wordt steeds magerder en onder de mis valt ze flauw. Ze wordt steeds zieker. Dokter Bos zegt dat ze in bed moet en stevig moet eten. Meneer Pastoor heeft niet door dat Leontientje ziek is van liefdesverdriet. Leontientje wordt steeds zieker. Meneer Pastoor drinkt en koopt geen wijn meer. De vader van Leontientje, Gommaar komt ook naar de pastorie. Als Leontientje echt op haar uiterste ligt vraagt ze aan meneer Pastoor of ze Isidoor nog één keer mag zien. Nu begrijpt Meneer Pastoor pas dat ze nog steeds van Isidoor houdt. Hij belooft haar dat Isidoor komt, al moet hij hem persoonlijk gaan halen. De pastoor schrijft Isidoor een brief waarin hij schrijft dat Leontientje heel ziek is en dat hij onmiddellijk moet komen. Het gaat steeds slechter met Leontientje. Ze ziet engelen die haar komen halen. Als dokter Bos zegt dat het nu echt nog maar even duurt, ziet meneer Pastoor Isidoor aan komen. Als hij aankomt, pakt Leontientje zijn hand en zegt: “nu kan ik sterven”. Als Leontientje sterft ziet er heel gelukkig uit, hier in ziet Isidoor het hoogste geloof. Isidoors hard stroomt vol van genade. De pastoor ziet licht om hem heen. Isidoor is tot geloof gekomen.

    Leontientje wordt begraven, de familieleden zijn gekomen voor de uitvaart. Nu voelt Isidoor dat hij Leontientje echt kwijt is. Hij dwaalt wat rond en hij komt meneer Pastoor tegen, hij verteld hem dat hij door Leontientjes door gelovig is geworden. De pastoor is hier heel dankbaar voor.

    Als in oktober de druiven rijp zijn gaat meneer Pastoor samen met meneer Mol, Sophie en de hovenier druiven plukken voor de wijn.

    Ze praten wat. Dan komt er een herder langs, die vraagt of het gelukt is met de druiven. De herder krijgt wat wijn en loopt dan verder met zijn kudde en zijn hond de heuvels op die weelderig omkranst zijn van herfst en van zon.

     

    Auteur

    Leopold Maximiliaan Felix Timmermans (5 juli 1886 – 24 januari 1947) is een van Vlaanderens meest vertaalde auteurs, met een uitgebreid oeuvre.

    Timmermans werd geboren te Lier. Hij is het dertiende kind uit een gezin van veertien kinderen. Timmermans schreef toneelstukken, romans met een historisch karakter, novellen, religieus getinte werken, en gedichten.

    Timmermans schreef ook onder het pseudoniem Polleke van Mher.

    Naast schrijver was Timmermans schilder en tekenaar. Hij illustreerde zijn eigen boeken.

    Op 12 Oktober 1912 trouwt hij met Marieke Janssens. Dit huwelijk brengt 3 dochters voort, Cecilia ook bekent als Lia (1919) en Clara (1922), Tonet (1926) en 1 zoon Gommaar (1930). Deze kinderen waren ook actief in de kunstwereld.

    Ze illustreerden o.a. werken van hun vader en schreven diverse biografieën over hem.

    Vlak voor de Eerste Wereldoorlog schrijft hij zijn bekendste werk Pallieter dat in 1916 wordt uitgegeven en wordt door velen als zijn meesterwerk gezien.

    In 1921 wordt dit in het Duits vertaald en uitgegeven.

    Na de Eerste Wereldoorlog week Timmermans uit naar Nederland omdat hij van activisme beschuldigd werd. In 1922 krijgt hij de Staatsprijs voor Literatuur.

    In 1936 wordt zijn 50-jarige verjaardag zowel in Vlaanderen, Nederland als Duitsland met veel aandacht gevierd.

    Tijdens de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog was Timmermans redacteur van het Vlaams-nationalistische Volk.

    In 1942 ontving hij aan de Hamburgse universiteit de Rembrandtprijs.

    Als Vlaams-Nationalist en ook in Duitsland gekende schrijver was hij een graag geziene figuur bij Duitse officieren tijdens de Duitse bezetting.

    Op 6 augustus 1944 werd hij getroffen door een kransslagadertrombose.

    Na de bevrijding van Lier op 4 september 1944 werd hij verdacht van collaboratie en hij werd bijgevolg onder huisarrest geplaatst.

    De aanklacht werd zonder gevolg geseponeerd op 22 december 1946.

    Timmermans stierf te Lier op 24 januari 1947.

     

    Literaire periode

    Dit boek is geschreven in de literaire periode 1880-1916. Dit boek hoort thuis in de neo-romantiek.

    Kenmerken van de neo-romantiek zijn:

    - ontroerende woorden

    - veel natuuromschrijvingen

    - geluksverlangen, zonder verlangen is het leven ondragelijk

    - een weemoedige toon, omdat het verlangen vaak onbevredigd blijft

    - hoofdpersonen zijn vaak dromerige mensen die zuiver willen leven

     

    Dit boek is dus duidelijk een boek uit de neo-romantiek.

    - Er worden heel ontroerende woorden gebruikt (ik moet u schrijven, ik moet iets van u weten, want mij hart stikt van angst en lang verdriet)

    - De natuur wordt vaak beschreven (de heuvelen die omkranst zijn van herfst en van zon)

    - Het geluksverlangen van Isidoor en Leontientje speelt een grote rol in dit verhaal, ze hebben elkaar nodig.

    - In dit boek wordt vaak een weemoedige toon gebruikt (De pastoor zit met hangend hoofd voor zich uit te staren. Dokter Bos wandelt rond met de handen op zijn rug, hij is wat minder hoekig door de inzakking van meneer Pastoor)

    - De hoofdpersonen willen zuiver leven, ze willen geen relatie hebben met een ongelovige omdat dit van God niet mag. Ook zijn ze erg dromerig (de pastoor verzint namen voor zijn wijnen, Leontientje en Isidoor praten nogal dromerig)

     

    Titel en motto

    De titel van dit boek is: de pastoor uit den bloeyenden wijngaerdt. In dit boek draait het om de pastoor. Hij woont in een pastorie die hij de bloeyenden wijngaerdt noemt. Deze naam geeft hij aan de pastorie omdat hij een wijngaard bij zijn huis heeft, en hij helemaal gek is op wijn. Hij heeft ook een wijnkelder. Die staat vol met allerlei soorten wijn, die de pastoor zelf namen geeft.

    Dit boek bevat geen motto.

     

    Mijn mening

    Ik vond het boek vrij lastig om te lezen, je leest dit boek niet even uit aangezien het taalgebruik vrij ingewikkeld is. Ik vond het begin van het boek wel humoristisch, met die namen voor die wijn enzovoort. Het eind vond ik erg zielig, omdat als Isidoor eindelijk gelooft, Leontientje overlijdt. De liefdesbrieven vond ik wel erg kwijlerig, maar dat zal wel bij die tijd passen. Isidoor vond ik een interessante persoon, aangezien hij graag wil geloven, hij doet echt zijn best, maar het lukt hem niet. Ook de pastoor vond ik erg grappig, hij heeft leuke humor en hij heeft het goed met de mensen voor. Het was een kort boekje, ik vond het dan ook niet langdradig.

     

     

    (De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude. )

     

    25-08-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bespreking : Pallieter

    Pallieter

     

    Drieendertigste druk.

     

    Korte inhoud

    Een echt verhaal is er in "Pallieter" niet. Het boek beschrijft de avonturen van een volwassen boerenrekel. Pallieter woont in de "Reynaert" met zijn huishoudster Charlot, zijn paard Beiaard, zijn hond Loebas, de ooievaar Peterus en enkele andere dieren. Ter gelegenheid van de kermis is er een groot feest voor de hele familie.

    Ook het frisse petekind van Charlot, Marieke, wordt uitgenodigd.

    Pallieter wordt verliefd op haar. Wanneer Pallieter verneemt dat er een spoorlijn zal worden aangelegd doorheen het stuk land waarvan hij zoveel houdt, besluit hij de wijde wereld in te trekken. Maar eerst nodigt Pallieter Marieke uit, verklaart zijn liefde en vraagt haar ten huwelijk. Hij trouwt met haar in september. Hun jonge huwelijksliefde beleven Pallieter en Marieke in een huwelijksschuit. Samen blijven ze nog in het Netheland wonen, tot Pallieter de uitbundige vader wordt van een drieling. Dan trekt het jonge gezin samen met Charlot de wijde wereld in.

     

    Motief en thema

    De spil van het hele verhaal is de uitbundige verheerlijking van het leven. In een roes van bewondering en zonder enige rem drukt Pallieter vol eerbied zijn gevoelens uit voor al de heerlijkheden van het leven. Pallieter staat in een innig en direct contact met de natuur doorheen de wisseling van de seizoenen.

    Dit wordt in het boek weergegeven door de kinderlijke verwondering van Pallieter bij het wisselen van de seizoenen. vb. hfdst. "Sneeuw" p. 192. Hij kan niets zeggen van aandoening en geluk. Sneeuw, sneeuw, overal witte, dikke sneeuw! Zijn hert sprong op, juichend schoot hij zijn broek aan en holde van de trap roepend: "Het geluk, het geluk!"

     

    Met een naïeve inzet neemt Pallieter het op voor bedreigde bomen en mishandelde oude paarden. vb. hfdst. "Een grijze, natte dag" p. 181. Er scheurde iets in Pallieter. Hij ging naar den vent en gaf hem een klets vlak in ‘t gezicht. "En als ge nij die peerde nog slaagt, eet ‘k elle oep! Bieste!"

    Niet alleen het wonder van de natuur wordt weergegeven maar ook het besef en de pijn van de vergankelijkheid. vb. hfdst. "Korengalmen" p. 174. Zij vertelden hem dat er een spoorweg ging over de Nethe. Het sloeg hem in de benen. Pallieter vloekte dat het donderde: "Adieu schoon land! ... In zo’n land blijf ‘k ni wone!"

     

    Tijd

    Felix Timmermans schreef het boek juist voor de Eerste Wereldoorlog. Hij schreef het na een sombere periode in zijn leven, waarin hij op sterven na dood was. Toen hij beter werd, kwam ook een nieuwe levenslust over hem die in Pallieter gestalte kreeg.

      

    Volgorde

    Het verhaal presenteert de gebeurtenissen in chronologische volgorde. Het verhaal begint in de meimaand en doorloopt de verschillende seizoenen. De schrijver grijpt niet terug naar vroegere gebeurtenissen en loopt niet vooruit op komende feiten. Wel vertelt Pallieter in een dialoog over een komende gebeurtenis. vb. p. 174. "... Maar in zo’n land blijf ‘k ni wone! Dan trekken w’er uit ..."

     

    Ritme

    Wanneer we de verhouding tussen tijd van de geschiedenis en tijd van het verhaal nagaan, onderscheiden we verschillende mogelijkheden :

    - Timmermans maakt veelvuldig gebruik van dialoog. Hier is de tijd van de geschiedenis gelijk aan de tijd van het verhaal.

    - Versnelling of samenvatting van de gebeurtenissen komen ook voor in het boek. De tijd van de geschiedenis is dan groter dan de tijd van het verhaal.

    vb. p. 69. ‘t Was al wat na de kermis ... p. 84. Marieke was gekomen! Ze bleef er al drie dagen

    - Weglating van een gedeelte van de geschiedenis komt niet voor in het boek.

    - Vele beschrijvingen nemen een groot aantal bladzijden in beslag (vertraging) vb. hfdst. "Zomerregen" p. 96 tot en met 100, hfdst. "Regen" p. 145 tot en met 153.

     

    Ruimte

    Fysische ruimte

    "Pallieter" speelt zich af in het "Netheland", in de omgeving van Lier. p. 6. Hij dacht aan de zon. Morgen zou ze opnieuw het zoete Netheland beschijnen. p. 90. Hij tikte op haar handen en wees haar de vier torens die men van hier kon zien liggen: Duffel, Mijlstraat, Huut en Mechelen.

     

    Sociale ruimte

    Het boek beschrijft het Vlaamse plattelandsleven en de belevenissen van de kleine "luiden". In vrijwel al de werken van Timmermans speelt het leven op het platteland een grote rol. Hoewel hijzelf geen boerenzoon was, had Timmermans een grote bewondering voor het zware, toen nog niet gemechaniseerde werk van boeren en boerinnen. Zijn boek "Pallieter" gaat niet over een kleine keuterboer maar over een welstellende boer die een overvloed heeft aan eten, drinken en plezier. Hfdst. "De feest" p. 61 tot en met 68. Vele passages doen denken aan Breugheliaanse taferelen.

     

    Culturele ruimte

    Er heerst een grote samenhorigheid en openheid tussen de bevolking van het "Netheland". Hoogtepunten in hun leven zijn de processies, kermissen en huwelijksfeesten. Eten en drinken zijn heel belangrijk. De godsdienstbeleving speelt een belangrijke rol in het boek. vb. p. 20: Pallieter leest voor uit de bijbel. p. 58-59: de processie.

    Timmermans’ werk is ook geillustreerd met naieve, religieuze tafereeltjes die hijzelf tekende. vb. p. 9: tekening van Maria met opschrift "Ave Maria".

     

    Personages

    Pallieter is het hoofdpersonage. De schrijver heeft gestalte gegeven aan een adamische figuur, een mens van voor de zondeval, die kommerloos met al zijn zintuigen geniet van de schepping. Het "Netheland" wordt door Pallieter ervaren als een paradijselijk landschap waarin hij iedere dag volgens het ritme van de seizoenen leeft. Pallieter wordt in het boek een "dagjesmelker" genoemd. vb. p. 180. Hij kwam om winterhout te kopen, en kocht een boom. En met zijn lierenaar schreef hij in de schors het enige wat hij ooit geschreven heeft: "Melk den dag." Maar naast momenten van uitbundigheid wordt hij ook vaak aangegrepen en ontroerd door niets anders dan de stilte in de natuur. Hij is zowel vatbaar voor de geestelijke vreugde van de beschouwing als voor het genot dat hij met al zijn zintuigen beleeft.

     

    De ontmoeting met Marieke, het nichtje van zijn huishoudster Charlot, maakt zijn leven nog mooier. Marieke Janssens, de vrouw van Felix Timmermans, stond model voor het vrouwelijk hoofdpersonage uit het boek. In het boek staat zij symbool voor de onschuld en aanhankelijkheid. Door haar wordt het geluk van Pallieter volmaakt. Vol verrukking roept Pallieter in zijn boek uit: "O Marieke, gij hebt mijn leven zo schoon en groot gemaakt."

    De bewoners van het "Netheland" worden beschreven als simpele mensen die in een voor zichzelf sprekende solidariteit naast elkaar leven en soms ongebreideld hun levenslust vieren.

     

    Perspectief

    Felix Timmermans heeft voor "Pallieter" een verteller gekozen die buiten de vertelde gebeurtenissen staat: een hij-vertelinstantie. Via de verteller treden we het verhaal binnen. Hij regeert als een alwetende schepper over de romanwereld. Hij kent de personages door en door. De verteller treedt op als een waarnemer. Hij vertelt de gebeurtenissen, maar hij gaat niet zover dat hij ze ook beleeft. Pallieter is wel de mens die Timmermans had willen zijn tijdens de periode waarin hij het boek schreef, als gevolg van de omstandigheden die aan het schrijven voorafgingen (ernstige ziekte). Ten onrechte heeft men de auteur met zijn schepping willen vereenzelvigen. Felix Timmermans was helemaal niet zo uitbundig als Pallieter. Timmermans had een rustig temperament, volkomen in overeenstemming met zijn lichaamsbouw.

     

    Stijl en taal

    Pallieter is eerder een lyrisch dan een episch prozastuk. Het is een verheerlijking van alles wat hij bewondert in de natuur, in hoofdzaak van de schoonheid en de vruchtbaarheid.

    In zijn werk gebruikt Timmermans veelvuldig dialectvormen, vooral in zijn dialogen.

    vb. p. 11. "Der zadde te vet veur! Waroem ette ni wa minder?"

    p. 34. "Wat e schoen dinge, ‘t is zonde da’k da’ni on man plafon kan hange!"

    Ook buiten de dialogen gebruikt hij vele dialectwoorden.

    vb. p. 17 smoor (rook), p. 79 heur (haar), p. 79 ievers (ergens), p. 141 purpel (paars), p. 163 lawijd (lawaai), ....

     

    Zijn beschrijvingen zijn ongemeen plastisch en kleurrijk, zijn stemmingsbeelden zeer suggestief. Hij schrijft een barokke taal. Vb. p. 219-220: beschrijving van de boomgaard: Ze stonden er allemaal vreemd, de bomen, in hun naakt en zwart geraamte, met hun rotgeschoten, gewrongen en gekronkelde takken als ineens uit den grond gefonteind, omhoog gesperteld, en alzo verhard en verhout in den eerste wip van hun levensgeweld. Maar zij waren gevoelig en gewillig als ‘t vlees van een jonge vrouw. Allen hadden ‘t leven gewaar geworden, en de blijde kitteling ervan gevoeld. Er waren daar onder andere scheefliggende, geholde appelaars bij, die als rotsen hard schenen te zijn, dood voor de wereld, stookhout, maar de eerste lauwe wind had niet gewaaid, of ze hadden zich verroerd, hun hout gebroken, en speldekopkleine bottekes gegeven, even vlug en veel lijk het jongeste abrikozeboomken.

     

    Het boek is bijzonder rijk aan vergelijkingen.

    vb. p. 11. Ze smakten en klakten lijk twee zuigende kinderen. Mijn billen worden licht als strooi en omhoogwillend lijk sprinkhanen. p. 150. Charlot kwam, druipend lijk een teems, zuchtend binnen. p. 215. En de verten waren daardoor lijk oude tapijten. p. 7. En ginder over de Nethe was de grote, tomatrode zon als een lustige verrassing uit al die witheid opengebloeid.

     

    Sommige zinnen klinken als poezie door de alliteraties.

    vb. p. 68. Het koren glom, strunken bogen maanbelicht over met witte bloemen begroeide grachtjes, en de berkebomen ritselden blinkend hun ijlen blarenregen.

    Het werk van Timmermans is niet alleen figuurlijk kleurrijk maar ook letterlijk.

    vb. p. 6. Een grijze smoor, p. 7 tomatrode zon, roos als een roos in de witte nevelen, p. 8 de geel-koperen moor, hagelwitte plattekees, p. 9 den roden nek, p. 10 velden met blauwe bessen, p. 11 blauwbaaien rok en een rood slaaplijf.

    Opsommingen versterken de beschrijvingen. p. 62. En er kwam achtereenvolgens in overvloed: tarbot met aardappelen, hesp met labbonen, kalfsgebraad met aspergien, Kempische kiekens met salaad, een heel speenvarken, met bril voor de oogskes en appelsien in den snuit, honderd meters worst met witte kool en er werd daarvan gegeten, opgeladen en bijgeschept dat het zweet hun op het voorhoofd stond en in hun telloor lekte.

     

    Eigen mening en interpretatie

    Je moet "Pallieter" niet lezen omwille van de spanning en het verhaal. Toch heb ik het boek met veel waardering voor de schrijver gelezen. De beschrijvingen waren prachtig en hebben mij nooit aangezet om een paar bladzijden over te slaan. Ondanks de gebruikte dialectvormen, de soms foutief gebouwde zinnen en de taalfouten, vind ik "Pallieter" meesterlijk geschreven. Het boek klinkt daardoor zo spontaan en ongedwongen. Ik las dat de grootste wens van Felix Timmermans was "te kunnen schrijven zoals Pieter Breughel schildert."

    Volgens mij is hij daar schitterend in geslaagd.

    (De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude. )

    25-08-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (10 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bespreking : Boerenpsalm

    Boerenpsalm

    In Boerenpsalm (1935), een van zijn beste werken, schiep Timmermans de figuur van Wortel.

    Wortel was in zijn ogen de verpersoonlijking van de Vlaamse boerenmentaliteit.

    De roman

    A.) Handeling

    1. Fabel

    Het verhaal gaat over boer Wortel en zijn vrouw Fien. Ze hebben 11 kinderen waarvan er hun 4 ontnomen werden. Eén kind werd zelfs blind geboren.

    Wortel was de beste vriend van de pastoor. Hij vertelt wat er tijdens de verschillende jaargetijden gebeurt op de boerderij. Zijn zoon Fons had een eigenzinnig karakter. Na een woelig seksleven pleegt hij zelfmoord. Dat was zeer onchristelijk en een grote schande. Wortel hield het voor zich.

     

    Dan wordt Fien ziek. Een slap hart enerzijds en de voortdurende ongerustheid over Fons anderzijds zijn de oorzaken die tot haar dood leiden. Het werd een droge, hete zomer tot de avond van Fiens dood. Dan barstte er een hevig onweer los.

    Na een tijd huwt Wortel met Frisine, de eerste vriendin van zijn zoon Fons. Ze kregen uiteindelijk twee kinderen, het derde was op komst toen Wortel op een avond verdwaalde.

    Frisine ging hem samen met de andere dorpsbewoners zoeken, maar viel in het water. Door de opgelopen koude werd ze ziek, met de dood als gevolg.

     

    Vijf jaar na haar dood vond de pastoor een nieuwe vrouw voor Wortel, maar het geplande huwelijk ging niet door. Wortel zou immers afstand moeten doen van zijn boerenleven en dat kan hij niet. Dit werd hem kwalijk genomen door de pastoor waarop hun vriendschap eindigde. De uiteindelijke dood van de pastoor heeft hem zwaar aangegrepen maar toch dankt hij God voor alles wat hij gekregen heeft en vraagt Hem om nog lang te mogen leven en werken.

     

    2. Geleding

    a) Indeling in hoofdstukken : De roman is ingedeeld in 10 hoofdstukken:

            1. De ontmoeting met Fien

            2. Ontrouw en de redding van de kinderen

            3. Beschrijving van het zaaien, maaien, wieden en rooien

            4. Levenswandel van zoon Fons

            5. Gevang wegens stropen, dood van zoon Fons

            6. Overlijden van Fien

            7. Huwelijk met Frisine

            8. Frisine overlijdt

            9. Ruzie met de pastoor

          10. Overlijden pastoor

    b) Dieptepunt

    Het dieptepunt ligt bij hoofdstuk 5. Daar moet Wortel 8 maanden in het gevang. Hij denkt dan aan zijn vrouw en kinderen, maar in de eerste plaats aan zijn land. Voor een boer is dat het ergste wat hem kan overkomen.

    c) Open of gesloten einde?

    Het is een open einde.

    In elk hoofdstuk beschrijft Wortel de belangrijkste gebeurtenissen uit zijn leven. In het laatste hoofdstuk uit hij zijn dank aan God voor al wat hij gekregen heeft en wenst hij nog vele jaren te werken. Dit blijkt uit de volgende zin: en laat Uw Wortel als tegendank nog vele jaren op Uw veld in het zweet zijns aanschijns mogen werken! Dank op voorhand!

    Daarop stopt het verhaal en vernemen we niets meer over zijn verder leven. Er staan hem misschien nog verscheidene gebeurtenissen te wachten.

    d) Simultaan verloop

    De gebeurtenissen spelen zich niet tegelijkertijd af.

    De ene gebeurtenis volgt gewoon de andere op.

     

    3. Thema

    a) Centraal probleem

    * Zijn buurman, Ossekop, valt zijn vrouw lastig. Er vallen woorden. Maar wanneer Ossekop zijn kinderen redt van een op hol geslagen stier wordt het geschil bijgelegd.

    * Amelieke werd blind geboren ten gevolge van een maansverduistering.

    * De vriendin van zoon Fons was niet naar de zin van Wortel. Hij vond haar een Boheemse heks. Dit gaf problemen onderling, die nog erger werden toen zij zwanger werd.

    * Dochter Anna werd non en wou haar ouders niet meer kennen.

    * Wortels broer is pater en komt alleen langs als zijn klooster geld nodig heeft.

    * Zoon Fons komt op tegen het vaderlijk gezag. Hij vlucht weg en pleegt later zelfmoord. In die tijd was dit een onchristelijke daad.

    b) Titelontleding

    Boerenpsalm is een lofzang op de mens en het harde boerenleven, hetgeen niet altijd idyllisch is. De boer heeft een hard leven. Hij moet bijna constant werken, maar lijdt toch armoede, honger, leed en verdriet. Maar de boer klaagt niet. Hij houdt van zijn veld en alles wat daarbij hoort.

     

    4. Toepassing

    a) Centraal probleem

    Het centraal probleem is hier vooral van maatschappelijke aard.

    In die tijd was er vooral een standenverschil. Men had de boeren enerzijds en anderzijds de mensen die in het kasteel woonden. In het boek wordt dit standenverschil voortdurend aangehaald. Dit gebeurt door Wortel, die de mensen van het kasteel voortdurend bekritiseert.

    Vb. Wortel noemt de kasteelheer een pimpelmuis (blz. 18).

    Dit blijkt ook uit de volgende zin van Wortel: "De pimpelmuis van het kasteel, die van ons zweet korentenbrood zal eten, komt ginder in een open voituur met een parasolleke voorbijgereden."(blz. 36)

    b) Mogelijke zin:

    Een mens kan ook gelukkig zijn met eenvoudige dingen. Als boer is hij gelukkig als hij maar op zijn veld kan werken. Hij beschouwt het veld als zijn roeping, het doel waarvoor hij op de wereld is gezet.

     

    B.) Tijd

    a) Chronologisch?

    Het verhaal is één flash-back, waarin hij zijn levensverhaal vertelt. Deze flash-back verloopt volledig chronologisch (de verschillende gebeurtenissen volgen elkaar op). Soms denkt hij nog terug aan zijn vroegere jeugd (flash-back binnen een flash-back) Op het einde bedankt hij God voor de tijd dat hij hier op aarde heeft doorgebracht en wenst hij nog lang op aarde te werken en te leven.

    b) Continu?

    Het verhaal verloopt continu met tijdsverdichting.

    * De vertelde tijd loopt van zijn jeugdjaren tot zijn oude dag. Een heel mensenleven dus.

    * De verteltijd beloopt 137 bladzijden.

    * Tijdsversnelling: pag. 120: 5 jaar na de dood van Frisine. Bedoeling: hij vermeldt alleen de belangrijkste gebeurtenissen en neemt regelmatig sprongen in de tijd.

    * Tijdsvertraging: Er komen veel beschrijvingen voor in het verhaal. Deze zijn immers     kenmerkend voor een roman. Een goed voorbeeld is hoofdstuk 3 waarin verschillende          aspecten van het zaaien, maaien, en het oogsten overvloedig aan bod komen.
    Vb: Nu komen de donkere dagen, de regen kletst tegen de ruiten en onder de wilde nattigheid rukken wij de beet uit, en doen de selder, de parei en de patatten in de putten.

     

    C.) Ruimte

    a) Plaats

    Het verhaal speelt zich af op een boerderij, vlakbij de Nete. Aan het veld van Wortel grenst een ander veld, nl. datgene van Ossekop. Vroeger was het zo dat de verschillende velden naast elkaar lagen. Wortel gaat ook vaak naar het nabijgelegen dorp.

    Men had vroeger overal platteland. De velden lagen naast elkaar en de dorpjes lagen daar een eindje vandaan. Tegenwoordig is er veel veranderd: alles is uitgegroeid tot dorpen. Deze hebben het platteland verdrongen. Je kunt nu van het ene in het andere dorp lopen, zonder het te beseffen. Vroeger was zoiets onmogelijk.

    b) Plaatsveranderingen?

    Er zijn weinig plaatsveranderingen, daar men de boerderij nooit alleen kan laten. Men werd daar geboren, men werkte daar en men stierf daar. Dat was toen de gewoonte.

     

    MAAR :

    * Wortel gaat alle jaren te voet naar Scherpenheuvel, zoals elke gelovige mens. Daar ontmoet hij ook zijn eerste vrouw, Fien. Hij wordt hopeloos verliefd en wil indruk op haar maken.

    * Wanneer hij in de gevangenis zit, beseft hij dat hij niet zonder zijn veld kan. Hij mist ook zijn vrouw en kinderen. Hij heeft de indruk dat hij ze niet kan beschermen omdat hij vastzit. Het is daarom dat hij zich voorneemt om nooit meer te stropen.

    * Antwerpen: wanneer zijn zoon Fons dood wordt teruggevonden, moet Wortel hem        identificeren. Wortel herkent hem, maar hij zwijgt om de familie van een grote schande te     besparen. Hij zegt ook niets tegen Fien, die toen ziek was. Ze kan de waarheid niet aan.

    * Wanneer hij gaat trouwen met Angelik, moet hij alles achterlaten om een nieuw leven te  beginnen. Een welverdiende rust, maar Wortel kan het niet.

    c) Contrast tussen ruimte & handeling?

    Ja, vb.

    * Amelieke werd blind geboren omdat er op dat moment een maansverduistering plaatsvond.

    * Gedurende Fiens ziekte was er een periode van droogte. De nacht dat ze sterft, regent het pijpenstelen.

     

    D.) Personages

    Psychologische analyse

    * Het hoofdpersonage is Wortel. Hij is diepgelovig, bekommerd om zijn gezin en een beetje achterdochtig (vb. Hij verdenkt zijn tweede vrouw Frisine van ontrouw). Hij is gefascineerd door zijn platteland (plaatsgebonden) en is tevens een harde werker.

    * Pastoor: in die tijd speelde de pastoor een grote rol in het (boeren)leven. De mensen gingen vaak te biecht bij hem. Hij volgt en troost dan ook de ellende en de armoede van de boeren. Hij kende Wortel zeer goed en gaf hem geregeld raad: hij wil het beste voor hem.
    Vb. Hij zoekt een derde vrouw voor hem.

    * Fien: harde werkster en kent de boerenstiel.
    Ze is bezorgd om haar kinderen (in dit geval Fons).

    * Frisine: ze doet haar best maar ze moet nog veel leren over het boerenleven. Ze is wel een goede huismoeder en even bekommerd om de kinderen.

    * Fons: verzet zich tegen het vaderlijk gezag. Hij loopt weg en doet zijn eigen zin. Het loopt uiteindelijk slecht af met hem. Hij pleegt zelfmoord en laat hierbij zijn vrouw en kind achter.

    * Amelieke: Ze is de dochter van Wortel en is steeds vrolijk, ondanks haar blindheid. Wanneer Wortel van plan is om bij Angelik te gaan wonen, is Amelieke mistroostig. Ze is gebonden aan de boerderij omdat ze haar weg daar goed vindt.

     

    E.) Karakters statisch?

    Nee, Wortel is daar een duidelijk voorbeeld van: hij heeft Frisine nooit kunnen uitstaan. Maar na de dood van Fien kijkt hij met andere ogen naar haar. Hij begint van haar te houden. Uiteindelijk trouwen ze dan ook.

    a) Sociologische analyse

    Onderlinge beïnvloeding

    * Wortel zou zijn buurman, Ossekop, kunnen vermoorden omdat hij niet van Fien kon blijven. Zij kan hem echter tijdig tegenhouden. Maar wanneer Ossekop zijn kinderen redt, wordt de kwestie bijgelegd.

    * De priester beïnvloedt Wortel gedurende heel het verhaal.

    Vb. Nadat Wortel ontrouw heeft gepleegd, durft hij dit niet opbiechten. Wanneer de pastoor het onderwerp ter sprake brengt, biecht hij echter alles op.

    * Amelieke probeert Wortel onrechtstreeks te overtuigen, om niet met Angelik te trouwen. Vb. Ze kan haar wel verdragen, maar ze zou moeite hebben om zich aan een nieuwe omgeving aan te passen.

    b) Maatschappelijke context

    Periode: ± 1850.

    In die periode moest men harder werken om zijn kost te verdienen. Men deed het met minder en men was daar gelukkig mee. Vb. De gewone boer is gelukkig met zijn land, meer heeft hij niet nodig.

     

    F.) Taal en stijl

    a) Verteltrant

    Beschrijvingen :

    Er zijn beschrijvingen van de verschillende fases dat het veld van boer Wortel moet doormaken, evenals beschrijvingen omtrent handelingen en personages.
    Voorbeelden :

    * Frisine was precies een Bohemerse, met vet, zwart haar en ogen als kolen. Schoon van postuur maar niet voor een boerenjongen, wel zoiets voor een rondtrekkende harmonicaspeler, zo een echt gemeen, vrank stuk, een gaillard.

    * De dagen klaren wijd open, de zon zuigt alles omhoog. Ook het slecht, en nu is’t een gedurig vechten tegen het onkruid: wieden, rooien, en gedurig gekruip.

    Dialogen :

    Er komen regelmatig dialogen in voor, uiteraard in het dialect.

    Voorbeeld :

             «Wortel, Wortel, peins op uw kinderen, wordt in godsnaam toch geen moordenaar!»

             «Goed», riep ik. «Maar laat me dan iets kunnen breken of kapotslaan of ik stik!»

             «Hier zie, Wortel, sla ze maar kapot, jongen.»

    b) Zinsbouw

    Stilistische moeilijkheidsgraad

          - Blz. 6: een dres water, een klad zon, slekken, swenst

          - Blz. 36: overgietert, een open voituur, la vie sampetre, een kapper jenever

          - Blz. 85: den uitkom

          - Blz. 136: lutteur op een Herkulbaraksen uit het holleken van mijn hart.

     

    c) Zinstructuur

    Er komen afwisselend enkelvoudige en samengestelde zinnen in voor.

    Enkelvoudige zin: "Ginder in die hut ben ik geboren."

    Samengestelde zin: "Ik ben maar een arme boer en al heb ik veel miserie gehad, toch is het boerenleven het schoonste leven dat er bestaat."

    d) Zinstypes

    Er komen alle soorten zintypes in voor.

    e) Woordenschat

    Vreemde woorden:

    Geen voorbeelden. In die tijd leefde men rond zijn kerktoren en men stierf daar. Er is geen invloed van andere volkeren.

     

    Dialect: omdat het verhaal dateert uit een tijd waarin de mensen Oud-Nederlands spraken.

    Een bougie = een kaars

    De slekken = slakken

    Een dres water = een geut water

    Swenst = ondertussen, terwijl

    Wij waren met 15 open bekken= met 15 kinderen

    Een trossel kinderen = veel kinderen

    De schelf = de hooizolder

    Adjectieven: Doordat er uitvoerige beschrijvingen worden gegeven, komen er veel adjectieven in de zinnen voor.

     

    Eigen mening

     

    Zeer goed boek omdat er een grote periode beschreven wordt met veel gebeurtenissen die de aandacht erbij houden. Het boek is grappig en zet je aan tot nadenken over de opkomst van het atheïsme, het verlies van de steun van God. Hoewel de maatschappelijke achtergrond ver van onze werkelijkheid is gelegen, kan Timmermans door het gebruik van de Ik-persoon ervoor zorgen dat je echt mee terugreist in de tijd. Door zijn gebruik van het dialect wordt het voor de mens in de 21ste eeuw steeds moeilijker om het boek te lezen, wat natuurlijk een spijtige zaak is, maar dit is enkel te wijten aan het streven naar eenheid van de moderne mens, terwijl de meeste hun buren niet eens kennen. De vergelijkingen en beeldspraak van Timmermans is gewoon onvoorstelbaar goed en zorgt voor een ideale sfeerschepping van de omgeving en ook van Wortels innerlijk.

    (De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude. )

     

    *******

     

    25-08-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (10 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    22-08-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Timmermans - Opsomer Museum

    Timmermans-Opsomerhuis

     

    Netelaan  4

    2500  Lier

    03 / 8000 394

    musea@lier.be

    Conservator : Luc Coenen

     

    Het Timmermans-Opsomerhuis is een cultuurhistorisch museum.

    Werken van Lierse schrijvers en kunstenaars die hebben bijgedragen tot de culturele uitstraling van hun stad staan er centraal.

     

    Op het gelijkvloers toont het museum schilderijen, tekeningen en etsen van kunstschilder Isidore Baron Opsomer (1875-1967).

    Op de eerste verdieping worden aan de hand van biografische panelen, tentoonstellingskasten en schilderijen het verhaal over het leven en werk van de schrijver
    Felix Timmermans (1886-1947) gebracht. Romans, brieven, handschriften, foto’s, tekeningen, etsen en schilderijen worden tentoongesteld.

     

    In 1969 werd een zaal gewijd aan de Lierse kunstsmid Lodewijk Van Boeckel (1857-1944).

     

    In 1970 werd de permanente tentoonstelling verder uitgebreid met een zaal voor historicus en literator Anton Bergmann (1835-1874).

     

    Aandacht gaat ook naar dirigent en componist Renaat Veremans, architect en kunstschilder Flor Van Reeth

     

    Doelgroep : Kinderen, jongeren, volwassenen, senioren.

     

    Categorie : Schone Kunsten, Geschiedenis, Letterkunde

     

    Gemiddelde duur van het bezoek : 45 min.

     

    Dienstverlening

    Rondleidingen op aanvraag : 03/8000 393 (toerisme Lier).

    Rondleidingen, lezingen en nocturnes in het kader van tijdelijke tentoonstellingen

     

    Enkel het gelijkvloers is toegankelijk voor rolstoelgebruikers

     

    Open : Van dinsdag tot en met zondag, van 10 tot 12 uur en van 13 tot 17 uur

     

    Gesloten : Maandag, officiële feestdagen

     

    Toegangsprijs : 1 euro

     

    Kortingen : 0,50 euro: Leden "vrienden van de Lierse musea", groepen, personen tot 18 jaar en houders van reductiekaarten.
    Gratis: scholen.


    OPENING VAN MET TIMMERMANS-OPSOMERHUIS

     

    (Verschenen in : ‘t land van Rijen  -  kultureel Liers tijdschrift,        jaargang 18  -   1968.)

     

    Onder voomame belangstelling werd op 29 juni 1968 het Timmermans-Opsomerhuis geopend. Burgemeester Dr. Breugelmans zag in de talrijke opkomst van personaliteiten en kunstenaars een blijk van waardering voor het initiatief dat de stad had genomen, maar ook voor het werk van deze twee grote Lierenaars. Het lag niet in de bedoeling van het stadsbestuur van het Timmermans-Opsomerhuis een museum te maken, maar men beoogde een representatief beeld te geven van wat Timmermans en Opsomer voor Lier hebben betekend.

    Dankwoorden gingen naar allen die van dicht of van ver aan deze verwezenlijking hebben medegewerkt en aan de kunstkring 't Konvent, die een zaal inrichtte over Timmermans en het Liers begijnhof.

    Mevr. Felix Timmermans en Mevr. W. Opsomer knipten respectievelijk de linten door van de galerijen waarin de werken van beide Lierenaars werden ondergebracht. De Opsomer-galerij biedt een grote verscheidenheid van het massale oeuvre van deze grote Lierse kunstenaar. Zijn atelier is zo getrouw mogelijk in het complex gereconstrueerd. De Timmermans-zalen brengen een overzicht van de Fé zijn enorme veelzijdigheid. Naast zijn boeken, vertalingen e.z.m. wordt bijzondere aandacht besteed aan Felix Timmermans als boekillustrator en plastisch kunstenaar. Zijn werkkamer, met de voor de Fé veelzeggende souvenirs, wordt in deze zaien eveneens gereconstrueerd.

     

    In het stedelijk museum werd daarna de akademische zitting gehouden welke opgeluisterd werd met kamermuziek o.l.v. de heer J. Van Looy, directeur van de stedelijke muziekakademie. Burgemeester Dr. Breugelmans belichtte hoe Timmermans en Opsomer de faam van Lier tot ver over de grenzen hebben uitgedragen. ,,Baron Opsomer is in hart en ziel Lierenaar gebleven, want al woonde en werkte hij het groot deel van zijn leven te Antwerpen, toch heeft hij in zijn geest heel zijn leven te Lier en met Lier ,,zijn echte thuis" geleefd... Schilderen was zijn roeping... Het geluk te kunnen schilderen betekende voor Opsomer meer dan roem, eer, relaties en onderscheidingen... Lier deelt in de wereldfaam die Opsomer ons heeft bezorgd door zijn werk en door zijn naam."

     

    ,,Felix Timmermans hield hartstochtelijk van zijn geboortestad, waaraan hij, naar zijn zeggen, alles te danken had. Met zijn ,,Schoon Lier" heeft hij de poorten van onze stad opengesteld voor honderdduizenden bewonderaars... Timmermans was de kunstenaar met het groot hart voor de mens... Ook voor de Lierse mensen is hij steeds goed geweest, alhoewel hij niet altijd door iedereen naar behoren werd gewaardeerd... Nu beleven wij het moment dat ik reeds zo lang heb betracht om in een plechtige vergadering als deze, in bijzijn van zovele eminente personaliteiten, in mijn hoedanigheid als burgemeester van de stad, in naam van de Lierse gemeenteraad en als vertegenwoordiger van heel de Lierse bevolking aan Felix Timmermans de hulde te brengen die hem toekomt en hem de erkentelijkheid te betuigen voor de onschatbare diensten die hij bewezen heeft als kunstenaar van wereldformaat en ook als mens, aan zijn stad, aan zijn Lierenaars, aan het Vlaamse volk, aan de Nederlandse cultuur en aan de Wereldcultuur."

     

    De heer Walter Vanbeselaere, hoofdconservator van het Kon. Museum van Schone Kunsten te Antwerpen, sprak vervolgens over Opsomer. Het drama van de kunstenaar was volgens hem het feit dat hij tot zijn 50 jaar heeft moeten wachten om de erkenning als portretschilder te kunnen afdwingen. Zijn laatste jaren werd hij gekweld door de vraag of zijn werk zou blijven leven. Niemand, ook de eenzame vechter niet die hij was, kon deze vraag beantwoorden. Hoe dan ook, Opsomer heeft nooit enige toegeving gedaan ten opzichte van de artistieke wereld, noch ten opzichte van zijn kliënteel. Hij kon het portret tot leven brengen. Bloemstukken lieten hem zijn vreugde om kleuren uitzingen en als hartstochtelijk zeiler nam hij de gelegenheid te baat om riviergezichten op doek te brengen. Hij heeft nu zijn robust mannelijk werk overgelaten aan de enige rechter die een rechtvaardig oordeel kan vellen, namelijk de tijd.

     

    De heer Drs José De Ceulaer wees op de letterkundige waarde van Felix Timmermans. Het aantal vertalingen van zijn werken, de oplage en de verkoopcijfers ervan, bewijzen overtuigend dat Felix Timmermans zijn betekenis en waarde behouden heeft voor de lezers van gisteren en vandaag. Hij schreef impressionistisch toen het expressionisme doorbrak. Hij stond apart, zoals Multatuli apart stond en zoals L.P. Boon apart staat. Net als zij had hij een persoonlijke stijl die naar het stijlloze toeging. Zijn werk had altijd een meer lyrisch dan episch karakter en er was nooit een strenge gebondenheid in de vorm van zijn werk. Hij schreef niet over zijn eigen tijd, zijn werk was niet tijdgebonden. Het paste nooit bij het patroon dat in de mode was. Daarom werd hij door velen genegeerd en miskend, maar het bereikte niettemin een ruim lezerspubliek, omdat het geladen is met poëzie en een gevoelswarmte uitstraalt die de lezer gelukkiger maakt. Daarom heeft het zijn waarde en betekenis behouden.

     

    De heer Hubert Lampo, afgevaardigde van de minister van de Nederlandse Cultuur, zei dat Timmermans en Opsomer allebei een onuitwisbare stempel hebben gedrukt op hun tijd. ,,Opsomer's carrière was een réussite zonder weerga, die zelfs tot de status van hofschilder leidde... In het historisch perspectief van Opsomer's tijd wordt meestal de nadruk op de school van de Latemse expressionisten gelegd. Het was een geniale generatie. Het zou echter onrechtvaardig zijn, geen rekening te houden met een talent bij de genade Gods dat, afzijdig van toonaangevende stromingen in een serene, hyperindividuele zelfuitdieping stralend tot ontplooiing kwam. Ook Timmermans was een alleenloper. Ofschoon door de toenmalige critiek niet steeds op zijn echte waarde geschat, genoot hij als schrijver het ontzaglijke voorrecht zijn status minder afhankelijk te zien van een beperkte kring van zogenaamde deskundigen, dan van een tot in de honderdduizenden reikende lezersschaar in binnen- en buitenland... Ook vandaag wordt er nog geaarzeld, doch niettemin is het ogenblik nabij, waarop de meest-veeleisenden onder ons het laatste sceptisme zullen afleggen tegenover een genie zonder precedenten en ook vandaag de dag zonder gelijken."

     

    Als slot van deze geslaagde akademische zitting besloot spreker :

    ,,In onze huidige culturele constellatie is het Lierse Timmermans-Opsomerhuis een tot dusver onvoorstelbaar unicum, waarvan men slechts in het buitenland de weerga aantreft."

     

    Arthur  Lens

    Stad-archivaris

    (Lier 29 juni 1968)

    ************

    22-08-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (11 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    21-08-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vanuit een ander standpunt - Knuvelder

    Felix Timmermans (1886-1947)

                Timmermans debuteerde in 1910 met Schemeringen van den dood. In zijn jonge jaren hield hij zich danig bezig met de lectuur van occultistische en spiritistische geschriften. De invloed hiervan, samen met de indruk die Maeterlincks symbolistische drama's op hem maakten, resulteerde in, enerzijds, de quasi-mystieke Bagijnhofsproken (samen met Anton Thiry, 1911), en anderzijds, de Schemeringen van den dood (1910), dit laatste zijn eerste zelfstandige werk van langere adem; de ‘schemeringen’ zijn vol duistere geheimen en spokerijen. Weinig deden zij vermoeden dat Timmermans in zijn Pallieter (1916) de panische verheerlijker van het vreugdevolle leven van de zinnen worden zou, te gast gaande aan al het genot dat de natuur de ‘dagenmelker’ Pallieter schenken kon. Tegen de voorstelling dat de genotzieke, wel eens grof genietende mens-van-vlees-en-bloed bij uitstek de Vlaming representeren zou, hebben de Vlamingen zelf op de eerste plaats protest aangetekend.

     Pallieter heeft dan ook een geheel eigen betekenis in de Vlaamse letterkunde. Timmermans zelf heeft ervoor gewaarschuwd in zijn boek niet een weergave van werkelijkheid te zien, maar de uitbeelding van een ‘verlangen’; de landschappen erin zijn niet reëler dan de hoofdfiguur. Het is een verbeeldingswerk, dat in zekere zin de nieuwe tijd aankondigt, die van het expressionisme: de werkelijkheid vervormend, chargerende beeldspraak, een visie die niet realistisch, maar lyrisch en synthetisch te werk gaat, de schepping van een nieuw wereldbeeld.

     Het boek - aldus Lissens - is een weelderig brok natuur. Uit de Vlaamse, bepaaldelijk Lierse heimat ontstaan, breekt het krakend en vlammend door de waarneming van het milieu heen en wordt het een visioen, waarin men het laaiende sensitivisme niet meer kan onderscheiden van het beeldende en kosmische expressionisme. Van Nu en Straks is hiermee in de roman voorgoed voorbijgestreefd’. Wat de Van Nu en Straksers niet gelukte, gelukte Timmermans: een type scheppen dat uit eigen kracht voortbestaat.

     Die eigen kracht bestaat intussen stellig niet uitsluitend in een blind aanvaarden en genieten van het aardse en zintuiglijke zonder meer. Pallieter is een levensgenieter, een man die vreugdevol de goede gaven, ook de stoffelijke, van het leven van iedere dag aanvaardt. Maar hij aanvaardt die duidelijk als gaven Gods, gaven die zó, en niet anders, de mens ten dienste geschapen werden. Zijn boek is minder schepping van een karakter dan van een type; het is vooral hymnische lofzang op het door de schepper geschonken goede der aarde.

     

    A. Westerlinck heeft, in De innerlijke Timmermans, betoogd, en zijn betoog van argumenten voorzien, dat Timmermans-zelf bepaald niet de oppervlakkige levensgenieter was waarvoor velen hem op grond van zijn boeken hebben gehouden, maar dat deze boeken ook getuigenis afleggen van een rijke innerlijkheid en diepe gemoedsbewogenheid. Hij ziet in veel werk van Timmermans veeleer een romantische natuur dan een realistische. Uitgangspunt van zijn behandeling van dit thema is de gedichtenbundel Adagio (1947), maar van dit uitgangspunt uitgaande, wijst Westerlinck telkens op vanuit de gelijke gemoeds- en geestesbeweging geschreven oudere prozateksten. Het romantisch-religieus beleven kwam al bijna direct na Pallieter tot uitdrukking in het volgende grotere werk dat hij schreef Het kindeken Jesus in Vlaanderen (1918). Dit beleven wordt gekenmerkt door een sterk intimisme en een zuivere ingetogenheid. Daarnaast door de warmte die het leven als nabij doet gevoelen, en een krachtig plastisch uitbeeldingsvermogen.

     

    Om detailschoonheid en aantrekkelijke atmosfeer bekoort ook het bescheiden, sobere en gevoelige De zeer schoone uren van juffrouw Symforosa, begijntje (1918). Timmermans' levensliefde verdiepte en verinnigde zich verder, zodat uit zijn werk een vollediger levensaanvoeling ging spreken. De auteur bleef beschikken over een sterke kracht van waarneming, die met zijn innigheid van gemoed tot een zeer persoonlijke en aantrekkelijke eenheid versmolt.

    In Anne-Marie (1921) leeft de lezer mee met de liefdesidylle uit het kalm-burgerlijke gezelligheidsleven van de achttiende eeuw, in De pastoor uit den bloeyenden wijngaerdt (1923) met een liefdesconflict omwille van de religieuze verscheidenheid, maar vooral met de weelderig rankende fantasie van de zeereerwaarde heer die zijn eigen verbeeldingsrijk te scheppen weet. - Bezwaar kan men maken naar aanleiding van Pieter Breugel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken (1928): bij alle kleurigheid en oubolligheid van fantasierijke voorstelling doet het werk de grote innerlijke bewogenheid en de dramatiek van de Brabants-Vlaamse schilder niet geheel tot hun recht komen. Bóven zijn krachten ook greep de verteller met De harp van Sint Franciscus (1931) en het verhaal dat verscheen in de allereerste oorlogsjaren: het verhaal over een Vlaams geslacht De familie Hernat (1941), waarmee hij bedoeld zou kunnen hebben zijn volk moed in te spreken tijdens de bezetting: het verhaalt de geschiedenis van de familie tijdens de Oostenrijkse en de Franse bezetting, met de intermezzi van Brabantse omwenteling en Boerenkrijg, rampzalige gebeurtenissen die echter zijn voorbij gegaan. Postuum verscheen Adriaan Brouwer (1948).

     

    Het bezwaar dat tegen zijn werken gemaakt wordt is niet zozeer dat zij aan het anekdotische een ruime plaats toebedelen als wel dat door dit anekdotische - en niet zo heel veel meer - geen recht gedaan wordt aan het onderwerp dat zij geacht worden te behandelen. Kennelijk waren Timmermans' intellectuele vermogens niet toereikend om het niveau van de problematiek, die het onderwerp stelde, volledig tot hun recht te doen komen.

    Tegen zijn vijftigste levensjaar heeft hij echter nog eenmaal duidelijk een meesterlijk werk geschreven, zijn Boerenpsalm (1935): het verhaal van de aarde en van reële mensen op die vaste grond, mensen - met name boer Wortel - die het leven nu niet meer alleen vreugdevol aanvaarden zoals Pallieter deed, maar dit leven reeds in tal van aspecten doorleefd hebben: de zinnelijke en geestelijke aspecten ervan, vreugde en leed, zorgen en bevrijding. In wezen toch ook weer een lofzang op het leven, maar nu het leven in zijn volheid en met al zijn facetten, - lofzang, uiteindelijk, aan de eeuwige oneindige God die dit alles in het leven riep.

     

    Hiervoor werd al genoemd de gedichtenbundel Adagio (1947), die de neoromantische, inclusief religieuze geaardheid van Timmermans nadrukkelijk tot uitdrukking brengt. De strijd tussen het zintuiglijke genot en het zielsverlangen vindt niet zelden in angstgevoelens een weerslag, in schuldgevoel, en in het verlangen naar een uiteindelijk zuiver spirituele beleving. De bundel geeft de neerslag van dit verlangen in het ‘verzinken der ziel in het mysterie van haar eigen stilte en die drang van de dichterlijke intuïtie om achter de zinnelijke vormen de mystieke essentie van de bestaande dingen te ontdekken’.

    Ter uitdrukking van dit verlangen fungeren met name de motieven van de stilte, de nacht en de muziek. Timmermans miste echter de artistieke vormkracht om wat hij zeggen wilde in een eigen spraak te formuleren. Als dichtkunst zijn de gedichten dan ook niet van bijzondere waarde, ze dragen er wel toe bij een veelal nog vertekend beeld van Timmermans te corrigeren en de innerlijke te doen herkennen.

    Deze ‘innerlijke’ Timmermans heeft er ook voor gezorgd, dat hij niet alleen het reëel, maar ook het intiem beeld van Vlaanderen (Brabant) gaf; aan wat aan hem voorafgaande auteurs al hadden doen zien, voegde Timmermans de intimiteit toe, ‘waarin de mensen en het uitzicht der dingen tegelijk reëel en archaïsch verschenen, zodat wij weer plots bewust werden van onze oude adel en de verbondenheid aanvoelden met het beste dat hier tot stand kwam van Jan van Eyck tot Rubens’. Hij kon dit geven krachtens het hem aangeboren vertelvermogen. Hij is een der beste ‘vertellers’ van de zuidelijke Nederlanden, beschikkend over een uitzonderlijk gave om verbeeldingen en gemoedsbewogenheden, geestelijke en zintuiglijke ervaringen adequaat onder woorden te brengen. Zijn natuurlijk talent in dit opzicht heeft hij voortdurend verrijkt, doordat zijn persoonlijkheid verrijkt werd aan en door het leven. Hij is geen individualist in de moderne zin van het woord, maar beleeft het algemene leven zeer persoonlijk, gevoelig en bewogen. Deze persoonlijke beleving wordt gekenmerkt door haar natuurlijkheid, die, bij alle erkenning van de smartelijkheid van het leven en de tragiek die het bezit, wezenlijk gelooft ‘in de mens, in de natuur als filosofisch begrip van orde en zinrijkheid, en in God die de eeuwige zin en grond van heel de natuur is’. Daardoor leefde hij vanuit een zeker eenheidsgevoel, dat ook in toenemende mate berustte op een doorleefd gevoel van de verbondenheid van de geest met de menselijke natuur, (al was het angstgevoel, dat voortvloeide uit de ervaring van de menselijke gebrokenheid, hem zeer wel bekend). Men kan zich, zoals Westerlinck heeft opgemerkt, een harmonie denken die anders en ook rijker is dan die van Timmermans, een eenvoud waarin de geest ruimer aandeel heeft en waarin talrijker levenswaarden worden geïntegreerd, dit betekent allerminst dat die van Timmermans als primitief kan worden afgedaan. Hij gaf ‘de zuiverste uitdrukking van onzen aangeboren natuurlijken levenszin’, - ons, dat wil zeggen: de Brabantse Nederlanden uit de provincie Antwerpen. Hij is daarvan een der glories krachtens zijn ‘diepe en rijke zielsrijkdom’, krachtens zijn vermogen gewone dingen te zeggen ‘op een manier, waarop niemand anders ze zegt in onze taal en die dan toch de enige manier schijnt, waarop ze zuiver gezegd kunnen worden’.

     

    Herman Teirlinck noemt in zijn Uitvaart van Felix Timmermans van 1947 als de drie die ‘de fraaiste en meest spectaculaire worpen’ gedaan hebben naar een eigen stijl :

    Stijn Streuvels, Karel van de Woestijne en Felix Timmermans (zichzelf laat hij buiten beschouwing). Rijkelijk hebben zij, aldus Teirlinck, geput uit de eigen volkstaal: Streuvels uit de Westvlaamse, Van de Woestijne uit de Oostvlaamse, Timmermans uit de Kempische.

     

    Maar zij hebben er op uiteenlopende wijze gebruik van gemaakt.

    Bij alle kritiek echter die Teirlinck op Timmermans' stijlvermogen heeft, ruimt hij hem een royale plaats in binnen het kader van dit triumviraat.

     

    Overgenomen uit het Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde. Deel 4

    G.P.M. Knuvelder

    ************

    21-08-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    20-08-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zilveren Verpozingen - FT kring - ( 1-23 )

    Zilveren Verpozingen  -  Felix Timmermans Kring

    Stichtingsdatum : 30 november 1990

     



    Korte inhoud van de "Zilveren Verpozingen"

    Nr 1    Hooimaand 1991

    Voorwoord voorzitter              (Etienne De Smedt)

    Logo en Titelverklaring (Job Deckers)

    Verslag eerste ledendag te Lier            (Manu Wagner)

    Ledenlijst

    Inspiratiebronnen deel 1

    Varia

     

    Nr 2    Wintermaand 1991

    De herfst blies op den horen                (Etienne De Smedt)

    Verslag tweede ledendag te Averbode (Manu Wagner)

    Inspiratiebronnen deel 2           (Job Deckers)

    Opdrachten  +   colofons FT 1

    Hoe FT getekend werd deel 1

    Ledenrubriek

     

    Nr 3    Hooimaand 1992

    Het verschijnsel Timmermans   (Etienne De Smedt)

    Het liedje mijner kindsheid                   (Christina Engels-Wagner)

    Activiteiten  +  lezersbrieven

    Hoe FT getekend werd deel 2          (Job Deckers)

    Opdrachten  +  colofons                      (Etienne De Smedt)

    Toespraak aan het graf van Timmermans         (Clara Timmermans)

     

    Nr 4    Wintermaand 1992

    Villa Laagland … een hoogtepunt                    (Etienne De Smedt)

    Vierde ledendag te Oostduinkerke                   onbekend

    Het liedje mijner kindsheid                   (Gaston Durnez)

    Inspiratiebronnen deel 3                       (Job Deckers)

    Activiteiten en Rome aankondiging.

     

    Nr 5    Kerst 1992

    Nummer buiten reeks

    Het lied mijner kindsheid                      (Gaston Durnez)

     

    Nr 6    Herfstmaand 1993

    Terugblik bij het eerste lustrum        (Etienne De Smedt)

    Inspiratiebronnen deel 4                       (Job Deckers)

    Vijfde ledendag te Lier             (Christina Engels-Wagner)

    Hoe FT getekend werd deel 3             (Job Deckers)

    Aankondiging van de 5de ledendag

     

    Nr 7    Kerst 1993

    Naar waar de Appelsienen nog steeds groeien             (Etienne De Smedt)

    Eerste grafische pennenvruchten van FT                      (Job Deckers)

    Zesde ledendag met Scheldetocht                    (Bert Peleman)

    Hoe FT getekend werd  deel 4                        (Job Deckers)

     

    Nr 8    Zomermaand 1994

    Zevende ledendag te Lier                     (Ward Corsmit)

    Mededelingen

    Wat gebeurde er met Zilveren verpozingen nr 5

    Tonet Timmermans en het Aards Paradijs                    (Etienne De Smedt)

    Renaat Veremans, zanger uit het Land van Rijen          (O. Van Aerde-Veremans)

    Over Timmermans  deel 1                               (Etienne De Smedt)

    Inspiratiebronnen  deel 5                                 (Job Deckers)

     

    Nr 9    Wintermaand 1994

    Lier – Zwolle – Lier, 8ste ledendag                   (Felix Coolen)

    Over Timmermans   (slot)                                (Etienne De Smedt)

    Inspiratiebronnen  deel 6                      (Job Deckers)

    Felix Timmermans, schrijver over schilders                  (Ward Corsmit)

    FT en Antoon Coolen, het verhaal van een vriendschap  deel 1                       (Etienne De Smedt)

    In memoriam José De Ceulaer             (Etienne De Smedt)

    Mededelingen

    Hoe FT getekend werd                       (Job Deckers)

    Felix Timmermans in het Frans             (Maurice De Jonghe)

     

    Nr 10  Hooimaand 1995

    Het land van Minneke Poes                 (Robin Hannelore)

    FT en Antoon Coolen, het verhaal van een vriendschap  deel 2            (Etienne De Smedt)

    Inspiratiebronnen  deel 7                      (Job Deckers)

    Bert Peleman  80                     (Etienne De Smedt)

    Een In memoriam Flor Van Reeth                    (Ward Corsmit)

    Zwanger … een moeilijk woord                      (Etienne De Smedt)

    De glanzende rust van elke dag                        (Etienne De Smedt)

     

    Nr 11  Vriesmaand 1995

    De Felix Timmermans Kring, een terugblik                   (Etienne De Smedt)

    Inspiratiebronnen                     (Job Deckers)

    In memoriam  Bert Peleman                 (Etienne De Smedt)

    Naar waar de appelsienen groeien  deel 2                    (Jef Vermeiren)

    Hoe FT getekend werd  deel 6                        (Job Deckers)

    Een feestelijke lustrumviering                (Marc Somers)

    Camille Melloy  deel 1             (Etienne De Smedt)

    Flor Van Reeth herdenking                  (Ronald de Preter)

    Kerst en Nieuwjaarswensen

     

    Nr 12  Hooimaand 1996

    Het Kindeke Jezus in Zeeland              (Gaston Durnez)

    Blijft Dhr Van Biesen archivaris van FTK                    (Job Deckers

    Korte berichten en varia

    De nood van Sinterklaas                      (Etienne De Smedt)

    Felix Timmermans en zijn vrienden                   (Job Deckers)

    Camille Melloy   deel 2                        (Etienne De Smedt)

    Duitse theologie beroept zich op FT                 (Ward Corsmit)

    Inspiratiebronnen   deel 9                     (Job Deckers)

    Auteurs en hun werk alfabetisch                       (Rik Van Biesen)

    Zilveren Verpozingen inhoud 1 -  10

     

    Nr 13  Vriesmaand 1996

    Wat hebben we ervan gesnoept – ledendag                 (Herman Emiel Mertens)

    Camille Melloy   deel 3 en slot             (Etienne De Smedt)

    Inspiratiebronnen   deel 10  -  Beatrijs             (Job Deckers)

    Herdenking  FT 50 jaar overleden

    Korte berichten

    O.L. Heer en de koe – 5 afbeeldingen             (Etienne De Smedt)

    De Kistprocessie                     (Job Deckers

    In memoriam Mandus De Vos en Max Wildiers

    Onbekende Timmermans                                 (Etienne De Smedt)

    Timmermansiaanse reminicensies                     (Ward Corsmit)

    Bespreking dichtbundel M. Braem                   (Job Deckers)

    3 Lino’s    -  vrome dagen 1922.

     

    Nr 14  Hooimaand 1997

    Op Leievaart  -  13de ledendag             (Gommaar Timmermans)

    Het fenomeen Timmermans                             (Etienne De Smedt)

    Inspiratiebronnen   deel 11                              (Job Deckers)

    Wie is het Visserke?

    Onvoltooid en onbekend                                 (Etienne De Smedt)

    Bert Peleman en Felix Timmermans onuitgegeven gedicht

    Timmermans en Tieland een paar appart                      (Etienne De Smedt)

    Varia en prijskamp

    Timmermans een religieus kunstenaar?             (Herman Emiel Mertens)

     

    Nr 15  Wintermaand 1997

    In memoriam Felix Timmermans                      (Georg Hermanowski)

    De Timmermanskring een ledendag = een vriendendag            (Daniël De Vos)

    Omtrent “Bij de Krabbekoker”                       (Etienne De Smedt)

    Inspiratiebronnen   deel 12                   (Job Deckers)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 1                   (Hans Masschelein)

    Herman-Emiel Mertens : een verjaardag                      (Etienne De Smedt)

    Herinneringen aan Bert Peleman en FT            (Jeffy Costeur)

     

    Nr 16  Juli 1998

    Boerenpsalm in Bokrijk                       (Louis vercammen)

    Hubert Lampo en Felix Timmermans               (Etienne De Smedt)

    Bouwstenen voor Pallieter  deel 2                    (Hans Masschelein)

    Ernest van der Hallen  1898  -  1948               (Katelijne van der Hallen)

    Gaston Durnez : een verjaardag                       (Etienne De Smedt)

    Felix Timmermans en de Scriptores Catholici               (Etienne De Smedt)

     

    Nr 17  December 1998

    Bijeen met de Kring                 (Bertus van den Belt)

    Naar waar de appelsienen groeien  deel 3                    (Jef Vermeiren)

    Berichten uit het paradijs                      (Etienne De Smedt)

    Mijn moeder                            (Mau Wagner)

    Het overlijden van Anton van Wilderode  -  priester Cyriel Coupé

    Overpeinzingen bij een foto                  (Etienne De Smedt)

    Een bittertje als aperitief                       (Fons De Roeck)

    Het overlijden van Rosalie H. Souza                (Etienne De Smedt)

    Onuitgegeven handschrift van FT ontdekt in Lier                      (Job Deckers)


    Nr 18  Juli 1999

    De Timmermanskring in Antwerpen                 (D. Lemmens)

    Bouwstenen voor Pallieter                   (Hans Masschelein)

    “Minneke Poes “ … de verloren droom                       (Etienne De Smedt)

    Te gast bij Gommaar Timmermans                   (Daniël De Vos)

    Hoe “de ster” van Felix Timmermans ontstond  deel 1             (Job Deckers)

    Bouwstenen voor Pallieter  deel 4                    (Hans Masschelein)

    Bert Peleman : De Oostduinkerkse gedichten               (Etienne De Smedt)

    Inspiratiebronnen  deel 13                    (Job Deckers)

     

    Nr 19  December 1999

    Naar Duitsland             (John Bel)

    Tienjarig bestaan van het FT Gesellschaft                     (Etienne De Smedt)

    Te gast bij Tonet Timmermans             (Daniël de Vos)

    Felix Timmermans en het wonder van de talen             (Etienne De Smedt)

    Bouwstenen voor Pallieter                   (Hans Masschelein)

    Herfstwandeling met Timmermans   deel 1                   (Johan De Coninck)

    De verzamelaars : Bertus van den Belt             (Daniël De Vos)

    Het woord te voeren past de jeugd!                 (Etienne De Smedt)

     

    Nr 19 bis        Juli 2000

    Op Scheldevaart                      (Katelijne van der Hallen)

    Te gast bij Clara Timmermans              (Daniël De Vos)

    Van een film … deel 1             (Etienne De Smedt)

    Op bezoek bij mevr. De Beukelaer – Michielsen                     (Boni Konings)

    Boustene voor Pallieter  deel 6             (Hans Masschelein)

    Wandelen met Felix Timmermans  slot             (Johan De Coninck)

    Hoogachtend ….Felix Timmermans - opdrachten                    (Etienne De Smedt)

    De verzamelaars : Greg Van Kampen              (Daniël De Vos)

    Inspiratiebronnen   deel 14                              (Job Deckers)

    Verrassend nieuws uit Leiden               (Job Deckers)

     

    Nr 20  December 2000

    Tien jaar Felix Timmermans Kring : een terugblik                     (Etienne De Smedt)

    Feestelijke viering 10 jaar FT Kring                 (Boni Konings)

    Lia Timmermans 80 jaar jong               (Daniël De Vos)

    Naar het land van de appelsienen                                (Omer Dombrecht)

    Van een film … slot                                         (Etienne De Smedt)

    Felix Timmermans, een biografie                                  (Gaston Durnez)

    De verzamelaars : Fons De Roeck                   (Daniël De Vos)

    Brief aan Felix Timmermans   deel 1                            (Johan De Coninck)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 7                               (Hans Masschelein)

    Inhoud Zilveren Verpozingen deel 11  -  deel 19 bis     (Rik Van Biesen)

    Inspiratiebronnen   deel 15                              (Job Deckers)

     

    Nr 21  juli 2001

    Melle-k de dag                        (Stijn Vanclooster)

    Testament van Camille Meloy                          (Etienne De Smedt)

    Antoon Coolen, Camille Melloy en Felix Coolen                     (Etienne De Smedt)

    Voor mij geen Zorro-masker                           (Herman-Emiel Mertens)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 8                   (Hans Masschelein)

    Door andere ogen gezien   deel 1                                (Etienne De Smedt)

    Brief aan Felix Timmermans   slot                    (Johan De Coninck)

    Felix Timmermans leeft nog in Duitsland                       (Ignaas Dom)

    In Assisi heb ik Timmermans ontmoet                          (Etienne De Smedt)

    De verzamelaars : Bonni Konings                                (Daniël De Vos)

    Ledendagen en Appelsienreizen – samenvatting                                   (Etienne De Smedt)

    Het bestuur van de Felix Timmermans-kring

     

    Nr 22  December 2001

    In Lier voor elk wat wils                                  (Stijn Vanclooster)

    Eduard Vetermns, de vreemde vriend  *1901 – 1946*                       (Etienne De Smedt)

    Een “Hemelse Salomé” in Leest                                   (Daniël De Vos)

    Originele brief aan de kleindochter van Stijn Streuvels

    Felix Timmermans en … Keetje Tippel                                   (Etienne De Smedt)

    Zilveren ontmoetingen bij Toon Tieland                                   (Daniël De Vos)

    Melle, Melle, steeds weer Melle !                                           (Etienne De Smedt)

    Door andere ogen gezien   deel 2                                            (Etienne De Smedt)

    Slenterend door Lier                            (Johan De Coninck)

    Zoals de regen in Lier tikt, zo tikt hij toch maar nergens ….

     

    Nr 23  Juli 2002

    Lenteledendag 2002                                                   (Stijn Vanclooster)

    Felix Timmermans en Ferdinand Toussaint                               (Etienne De Smedt)

    Karel Vingerhoets – resoect voor de Partituur             (Daniël De Vos)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 9                                          (Hans Masschelein)

    Een vruchtbare wisselwerking                                      (Johan de Coninck)

    Het afscheid  -  kaligrafie Juffrouw Symforosa             (Willy De Loenen)

    Schrijvers uit de tijd van FT  -  Lode Baekelmans                    (Stijn Vanclooster)

    De Hemelse Salomé : leiden en lijden van een regiseur       (Guido Hellemans)

    Binnenpretjes met “de Uilen van Minerva”                               (Daniël De Vos)

    In memoriam : Lia Timmermans  9/8/1920 – 15/6/2002

    Zoekplaatje … Zoekplaatje … Zoekplaatje                            (Etienne De Smedt)

    De Hemelse Salomé

    De haan kraaide met een kousenbandenstem               (Etienne De Smedt)

     

    20-08-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (7 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    19-08-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zilveren Verpozingen - FT kring - ( 24 - 38 )



    Nr 24  December 2002

    Scheldevaart naar Tolen                                              (Stijn Vanclooster)

    Clara Timmermans 80!

    Zilveren ontmoetingen : Line Lambert                          (Daniël De Vos)

    Juffrouw Symforosa in het Frans                                             (Johan De Coninck)

    Timmermans op de planken                                         (Etienne De Smedt)

    Gekoesterde replikten                                                 (Willy Ros)

    Schrijvers uit de tijd van FT : Karel van den Oever                              (Stijn Vanclooster)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 10                             (Hans Masschelein)

    Na regen komt … Maneschijn                                    (Cor van Dalen)

    De Hemelse Salomé : Hoe het groeide…

    Hoe Fekix Timmermans Wijnegem op de kaart zette               (Etienne De Smedt)

     

    Nr 25  Juni 2003

    Een zilveren dag te Oostmalle                                      (Stijn Vanclooster)

    Herdenking overlijdensdatum Felix Timmermans                      (Daniël De Vos)

    Gaston Durnez : “En toch muziek maken!”                               (Daniël De Vos)

    Van paters, schrijvers en een schilder                          (Etienne De Smedt)

    Schrijvers uit de tijd van FT : Emmanuel De Bom                    (Stijn Vanclooster)

    De stem uit Nederland                                     (Bertus van den Belt)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 11                             (Hans Masschelein)

    Weet je nog ?             De 25 ledendagen                                           (Etienne De Smedt)

    Van de rug af gezien                                                    (Etienne De Smedt)

     

    Nr 26  December 2003

    Wel Anna-Marie, waar gaat ge naar toe ?                                           (Stijn Vanclooster)

    Vijfde appelsienenreis                                      (Honoré Wils)

    Voor alle Chinezen …                                     (Etienne De Smedt)

    Voorwoord bij de derde druk

    Zilveren ontmoetingen : August Keersmaekers                         (Daniël De Vos)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 12                             (Hans Masschelein)

    Het betuur 2003

    Schrijvers uit de tijd van FT :Maurice Gilliams                         (Stijn Vanclooster

    De stem uit Nederland                         (Bertus van den Belt)

    Het heimwee naar de hemel                                         (Etienne De Smedt)

    Uit ons Timmermans-kring shoppingcentrum

    Timmermans op de planken                                         (Daniël De Vos)

    Tussen vrienden, ook na de dood                                (Etienne De Smedt)

     

    Nr 27  Juni 2004

    Op weg naar Minneke Poes                                        (Guido Hellemans)

    Minneke Poes, Hoe het groeide                                              (Etienne De Smedt)

    Timmermans op de planken                                         (Daniël De Vos)

    Schrijver uit de tijd van FT : Godfried Bomans             (Stijn Vanclooster)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 13                                        (Hans Masschelein)

    De stem uit Nederland                                     (Bertus van den Belt)

    Wij herdachten Felix Timmermans 24/01/2004                        (Etienne De Smedt)

    Waar Timmermans en G.Walschap de appelsienen zagen bloeien      (Etienne De Smedt)

     

    Nr 28  December 2004

    Een gezellige avond in Averbode                                             (Hans Masschelein)

    Pallieterjanus, een donderslag bij heldere hemel                       (Etienne De Smedt)

    Mijn vader, Bernard Janssens                                      (Daniël De Vos)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 14                                        (Hans Masschelein)

    Frlix Timmermans, illustrator van andermans werk                  (Etienne De Smedt)

    Ledendag in Bouwel                                        (Herman Van Looy)

    De stem uit Nederland                                     (Bertus van den Belt)

    Timmermans op de planken                                         (Daniël De Vos)

    Felix Timmermans naast Ernest Claes                          (Johan De Coninck)

    Houtsneden uit 1930 van de Duitse houtsnijder Heinz Kiwitz

    Holland                                               (Etienne De Smedt)

     

    Nr 29  Juni 2005

    Met de rode koning in Lier                                          (Honoré Wils)

    De vele gezichten van Juffrouw Syforosa                     (Etienne De Smedt)

    Timmermans op de planken                                         (Daniël De Vos)

    Schrijvers uit de tijd van FT : Antoon Thiry                              (Stijn Vanclooster)

    De stem uit Nederland                                     (Bertus van den Belt)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 15                                        (Hans Masschelein)

    Timmermans frontaal                                                   (Etienne De Smedt)

    Boerenpslam in Heist-Goor : een voltreffer                              (Daniël De Vos)

    Bert Peleman, een grote vriend van onze kring                         (Etienne De Smedt)

    Looimaand 24 januari  2005                                      (René Cox)

    In memoriam ; Francis Drijbooms                                           (Etienne De Smedt)

    Nog over Timmermans en Claes                                  (Johan De Coninck)

    Felix Timmermans in sz leesgroep                                (Daniël De Vos)

    In memoriam : Jozef De Belder                                    (Louis Van Leemput)

     

    Nr 30  December 2005

    De 30ste ledendag te Tongerlo                          (Suzanne De Clerck)

    Op Keizerlijk Japans                                                   (Etienne De Smedt)

    Timmermans op de planken                                         (Daniël De Vos)

    De stem uit Nederland                         (Bertus van den Belt)

    Schrijvers uit de tijd van FT : August van Cauwelaert               (Stijn Vanclooster)

    Voyage autour de ma Chambre                                   (Etienne De Smedt)

    Leontientje

    Inhoud Zilveren verpozingen deel 20  -  deel 29                       (Rik Van Biesen)

    Omtrent het verhaal “De Witte Vaas”                          (René Goyvaerts)

    Brochures en bijzondere uitgaven

    Timmermans en het Mechels Begijnhof                        (Johan De Coninck)

    Ledendagen en appelsienreizen

    Felix Timmermans in beeld                                          (Etienne De Smedt)

    In memoriam ; Line Lambert  1907  -  2005                (Etienne De Smedt)

    Antoon Thiry, nader bekeken en gecorrigeerd             (Louis Van Leemput)

    Caves, het bier van Lier                                              (Etienne De Smedt)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 16                             (Hans Masschelein)

     

    Nr 31 Juli 2006

    Warum ist es am Rhein so schön ?                               (André Mens)

    De negen levens van een kat                                        (Etienne De Smedt)

    Timmermans op de planken                                         (Daniël De Vos)

    De Goede Helpers van de Familie hernat                     (René Goyvaerts)

    De stem uit Nederland                                     (Bertus van den Belt)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 17                                        (Hans Masschelein)

    Sint Antonius, zo heb ik uit Timmermans werken geroken                    (Rik Bruloot)

    Voyage autour de ma Chambre   deel 2                                  (Etienne De Smedt)

    Hoe Felix Timmermans naar de hemel keek                             (Johan De Coninck)

    De nood van Juffrouw Symforosa, Begijntje                            (Etienne De Smedt)

    Nr 32 December  2006

    De 32ste ledendag : De Felix Timmermans Kring ‘Stirbt Nicht’       (Daniël de Vos)

     

    Ik neem de pen in de hand, De complete briefwiseling van FT aan de

    Gentse geneesheer De Wannemaecker 1923 - 1947       (Etienne De Smedt)

     

    De stem uit Nederland             (Bertus Van den Belt)

    Op bezoek bij Jan Bosselaers, een Lierenaar in Leuven      (Daniël De Vos)

    Over : De Zachte Keel

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 18        (Hans Masschelein)

    Pieter Bruegel, de 1ste druk geroken en gevonden        (René Goyvaerts)

    Bij het overlijden van Toon Tieland

    Lierse typen, een Beeldverhaal            (Etienne De Smedt)

    Een blijvend Sint Niklaasgeschenk            (Rik Bruloot)

    Hoogachtend … Felix Timmermans           (Etienne De Smedt)

    Uit ons Gulden Boek  I

    Een en ander over Symforosa              (Johan De Coninck)

    Op Keizerlijk Japans (aanvulling van ZV nr 30)          (Etienne De Smedt)

    Nr 33 Juni 2007

    33ste Ledendag – Onze kring te gast in het Witte huis van

    Oscar Van Rompay                                                       ( Daniël de Vos )

     

    Kloosterheide 24 januari 2007 – Timmermans herdacht         ( René Cox)

    Die Cronijken Vlaanderens            ( Etienne De Smedt )

    Op bezoek bij Mia-ke van de geburen               (Daniël de Vos)

    Voyage autour de ma Chambre   deel 3               (Etienne De Smedt)

    Jeroen Brouwers, een kind van Timmermans ?

    Aan de Flor, den alderbeste!

    Koleuren, koleuren is alles in alles                (Herman Van Looy)

    Uit ons Gulden Boek  II

    Minneke Poes van dichterbij                      (Etienne De Smedt)

    Felix Timmermans en de Film  (1)               (Daniël de Vos)

    Een historisch document                             (Etienne De Smedt)

    Vertalingen                                                 (Johan De Coninck)

    Zilveren Verpozingen : een gouden reeks           (Etienne De Smedt)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 19                  ( Hans Masschelein)

     

     

    Nr 34 December 2007

    Te gast in een huis schone Letteren                    (Daniël de Vos)

    Beste nonkel Hanri                                            (Willy De Loenen)

    Timmermans uit het leven gegrepen                    (Etienne De Smedt)

    Ik vond alles goed aan Felix

    Uit ons Gulden Boek  III

     

    Relaas van een aangekondigde laatste, allerlaatste,

    defintief laatste Appelsienenreis                           (Andrea Sterck, )

                                                                              (Romain Coppens)

                                                                              (Honoré Wils)

                                                                              ( Etienne De Smedt)

     

    Robin Hannelore, een schrijver uit de Kempen

    Een zachte Keel in Mortsel                                     (Daniël de Vos)

    Tafelrede in het Zwitsers hotel Alpenhof – Unterbäch            (Gaston Durnez)

    Een stem uit Nederland                          (Cees Visser)

    Capriooltjes                                            (Etienne De Smedt)

    Timmermans en de Film   (2)                      (Daniël de Vos)

    Hoe Timmermans naar de hemel keek  deel 2           ( Johan De Coninck)

    (petit) Voyage autour de ma Chambre                   (Etienne De Smedt)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 20                     (Hans Masschelein)

    Nr 35 Juni 2008

    Hoe onze kring heuren beeweg naar Scherpenheuvel deed     (Daniël de Vos)

    Uit onze Gulden Boek IV

    Hij leerde zijn vriend tekenen     (Etienne De Smedt)

     

    Schrijvers uit de tijd van Felix Timmermans

    Deel 8  -  Maurice Roelants     (Stijn Vanclooster)

     

    Uit : Oud worden, Haiku’s en Senriu’s     (Clara Timmermans)

     

    Houten Mensen en heimwee naar Lier

    Antoon Thiry en zijn “Meester Vindevogel”     (Cees Visser)

     

    Op bezoek bij Pier en Mie Boer … recht tegenover Minneke Poes     (Herman Van Looy)

    Waarom een blog over de Fé ?     (Mon Van den heuvel)

    Assisi : op zoek naar Franciscus     (Honoré Wils)

    Capriooltjes     (Etienne De Smedt)

     

    Te gast bij Johan De Coninck in Mechelen

    Timmermans’ gebreken worden in zijn pen verdiensten!     (Daniël de Vos)

     

    Nog over hemellichamen bij Timmermans     (Johan De Coninck)

    De levendige Historie van een Kistprocessie       (Etienne De Smedt

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 21     (Hans Masschelein)

    Nr 36 Juni 2008

    In Memoriam – Nicky Timmermans     (Etienne De Smedt)

    De Timmermanskring in de ban van Gummarus en Grimmelda     (Daniël De Vos)

    Gaan we terug naar goed bier en de lange pijp     (Etienne De Smedt)

     

    Bij mijn vriend    “In de kleine stad”

                Antoon Thiry over Felix Timmermans in 1908     (Cees Visser)

     

    De zwerftocht van een briefwisseling     (Etienne De Smedt)

     

    Timmermans op de planken.

                En waar de Ster bleef stille staan in de Antwerpse K.N.S.     (Daniël De Vos)

     

    Schrijvers uit de tijd van Felix Timmermans – Jeroen Brouwers     (Stijn Vanclooster)

    Petit voyage (catholique) autour de ma chambre      (Etienne De Smedt)

    Scherpenheuvel         (Walter Claes)

    Korneel Goossens, een Mechelse epigoon van Felix Timmermans     (Johan De Coninck)

     

    Van bundels, bloemlezingen en buitenbeentjes     (Etienne De Smedt)

    Timmermans in de krant – te Batavia in Nederlands-Indië     (René Goyvaerts)

    Capriooltjes      (Etienne De Smedt)

     

    Is, …en waar de Ster bleef stille staan, … een blijvend meesterwerk    (Etienne De Smedt)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 22      (Hans Masschelein)

    Nr 37 Juni 2009

    Een dagje Lier, overvloedig hemelwater in de prijs inbegrepen     (Daniël De Vos)

    Vivisectie van een bezoek     (Etienne De Smedt)

     Een stem uit Nederland : Lierke Plezierke     (Cees Visser)

    Capriooltjes     (Etienne De Smedt)

    Petit Voyage (littéraire) autour de ma Chambre     (Etienne De Smedt)

    Felix Timmermans in de Dagboeken van Ernest Claes     (René Goyvaerts)

     

    En het woord is aan … Felix Timmermans (deel 1)      (Etienne De Smedt)

    Schrijvers uit de tijd van Felix Timmermans (deel 10) Stijn Streuvels     (Stijn Vanclooster)

     

    Tom Seidmann-Freud en haar prentboeken     (Jan Schroven)

    In het spoor van Felix Timmermans     (Johan De Coninck)

    Over boeken gesproken : De Insel Bücherei     (Etienne De Smedt)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 23     (Hans Masschelein)

    Felix Timmermans en Abraham Hans     (Johan De Coninck)


    Goede waar prijst zichzelf ! :

    Hoe reclame werd gemaakt voor het werk van Felix Timmermans    (Etienne De Smedt)

     

    Nr 38 december 2009

    Als ’t weer Kerstmis wordt in Timmermansland     (Etienne De Smedt)

    Een stem uit Nederland : De Dofijnen van Walewijck     (Cees Visser)

    Petit Voyage (sucré) autour de ma Chambre     (Etienne De Smedt)

    Mijn vertalingen van  De Profeet     (Johan De Coninck)


    En het woord is aan ...Felix Timmermans (deel 2)     (Etienne De Smedt)

    Ontmoetingen     (Etienne De Smedt)

    20 jaar Timmermans Gesellschaft : onze kring was er bij     (Daniël De Vos)

    Molens van Lier – De molen van Fransoo     (Jan Schroven)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 24     (Hans Masschelein)

     

    Timmermans op de planken deel 2
         Het Kindeken Jezus in de Antwerpse K.N.S.     (Daniël De Vos)

     

    Felix Timmermans in de dagboeken van Ernest Claes (deel 2)     (René Goyvaerts)

    Capriooltjes     (Etienne De Smedt)

    Professor August Keersmaeckers   1920  -  2009     (Etienne De Smedt)

     

    Hoe ik de Fee en de Timmermanskring leerde kennen     (Suzanne De Clerck)


    19-08-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (7 Stemmen)
    >> Reageer (2)
    18-08-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zilveren Verpozingen - FT kring - (39 - 44)

    Nr 39 juni 2010

    Open deur in Minneke Poes      (Daniël De Vos)

    En het woord is aan  ... Felix Timmermans  -  deel 3     (Etienne De Smedt)

    Petit Voyage (allemand) autour de ma Chambre (voor mijn dochter Rika)     (Etienne De Smedt)

    Een stem uit Nederland : Timmermans en Kropholler  -  deel 1      (Cees Vissers)

    De molen van Pallieter   en iets over molens in ’t algemeen     (Johan De Coninck)

    Timmermans op de planken - deel 4 - Leontientje in Kongo     (Tine Balder en Daniël De Vos)

    Logboek van een Timmermans-cruise  -  21 mei 2010 tot 28 mei 2010     (Fons De Roeck)

     

    Vergelijking van Duitse vertalingen van enkele

    gedichten uit Timmermans’ Adagio  -  deel 1     (André Mens)

     

    Nog van Felix aan Marieke ...     (Etienne De Smedt)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 25     (Hans Masschelein)

    Felix Timmermans in goud en zilver      (Jan Schroven)

    Historisch Minneke Poes      (Herman Van Looy)

    Felix Timmermans via het Internet      (Mon Van den heuvel)

    Schrijvers uit de tijd van Felix Timmermans (deel 11) Curiel Buysse     (Stijn Vanclooster)

    Ten huize van ... Flor Van Reeth - uitzending op 12 juni 1959      (Joos Florquin)

     

     

    Nr 40 december 2010

    Fee-stelijke Ledendag van de jubilerende Timmermans-kring      (Daniël de Vos)

     

    Voor jou en voor elkaar ...

    ... Een zalige Kerst en een voorspoedig Nieuwjaar     (Cees Visser)

     

    Petit voyage (postale) autour de ma chambre     (Etienne De Smedt)

    Een stem uit Nederland : Timmermans en Kropholler  -  deel 2     (Cees Visser)

    En het woord is aan ... Felix Timmermans  deel 4     (Etienne De Smedt)

    Sint-Gommarus en Sint-Rombout     (Johan De Coninck)

     

    Vergelijking van Duitse vertalingen van enkele

    gedichten uit Timmermans’ Adagio  -  deel 2     (André Mens)

     

    René Cox  -  de laatste reis van een bestuurslid      (Etienne De Smedt)

    Felix Timmermans en het Lierse Stadsbestuur     (René Goyvaerts)

     

    Over luxe edities van Timmermansvertalingen

    Sur Hollande Van Gelder – Auf Büttenpapier – On Zerkall mould paper     (Etienne De Smedt)

     

    Hoe het groeide ... tekst op gevel herberg De Boekt

    Een capriooltje uit 1933          (een april-vis)     (Jan Schroven)

    Ten huize van ... Reimond Kimpe – uitzending op 23 oktober 1964     (Joos Florquin)

    Stemmen uit het verleden     (Etienne De Smedt)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 26     (Hans Masschelein)

    Nog van Felix aan Marieke – omtrent een liefdesbrief     (Etienne De Smedt)

     

     

    Nr 41 juni 2011

    Over een varkentje met een lange snuit ...     (Daniël De Vos)

    ... En een reeks Lierse snuiters...

     

    125 jaar Felix Timmermans

    Capriooltje – Over varkens gesproken      (Etienne De Smedt)

     

    Een stem uit Nederland : Timmermans en Kropholler  -  deel 3      (Cees Visser)

    En het woord is aan ... Felix Timmermans  deel 5      (Etienne De Smedt)

    Felix Timmermans en het Lierse Stadsbestuur - deel 2      (René Goyvaerts)

    Kalligrafie  uit de “De Familie Hernat”      (Willy De Loenen)

    Weet je nog : Boerenpsalm     (Etienne De Smedt)

    Nog iets over het menu     (Boni Konings)

    Frans Verschoren en het Begijnhof      (Johan De Coninck)

    De vlucht van Felix Timmermans      (Gerard Walschap)

     

    Dr. Oskar Jancke, een onbekende vriend van Felix Timmermans      (Jan Schroven)

     

    Schrijvers uit de tijd van Felix Timmermans (deel 12)      (Stijn Vanclooster)

    Karel Van de Woestijne

     

    Het poortje      (Herman Van Looy)

    Mini-capriooltje  -  Symforosa moet weg !       (Etienne De Smedt)

    Capriooltje  -  Van een vergeten Vlaamse schrijver      (Etienne De Smedt)


     

    Nr 42 december  2011

    Winter...  en wensen      (redactie)

    Overpeizingen bij een Kerstverhaal         (Johan De Coninck)

    Een Sterre-wonder-avontuur. Een stem uit Nederland       (Cees Visser)

     

    Die Flämischen Weihnachtsgesellen :

         Timmermans voor het goede doel       (Daniël De Vos)

     

    Ik zag Cecilia komen – kaligrafie      (Willy De Loenen)

    Boerenpsalm op goede Leest geschoeid!       (Daniël De Vos)

     

    Toen alles pas begon.Citaten uit brieven van :
          Lou Aspeslag aan Lia Timmermans     (Mon Van den heuvel -
    Etienne De Smedt)

     

    En het woord aan ...Felix Timmermans  -  deel 6 :

         Michel Angelo, de mens en de kunstenaar       (redactie)

     

    Hoogachend.... Felix Timmermans  -  deel 3      (Jan Schroven)

     

    Uit mijn Rommelkast  -  deel 1 :

          Van een brief die niet mocht gelezen worden       (Etienne De Smedt)

     

    Felix Timmermans en het Lierse Stadsbestuur  -  deel 3       (René Goyvaerts)

    Capriooltje – Juicht, België juicht!        (Etienne De Smedt)

     

    Ditjes en datjes en nog veel meer!        (Herman Van Looy  -  Etienne De Smedt)

     

    Petit voyage (poétique) autour de ma Chambre       (Etienne De Smedt)

    Bouwstenen voor Pallieter   deel 27        (Hans Masschelein)

    Schrijvers uit de tijd van Felix Timmermans – Menno Ter Braak     (Stijn Vanclooster)

    Zilveren verpozingen – korte inhoud van nr 30 tot nr 39       (redactie)


    Nr 43juni  2012

    In gezelschap van Pieter Breugel en een Vlaamse kerstgezel     (Daniël De Vos)

    Een stem uit Nederland : Felix Timmermans en Herman Heijermans    (Cees Visser)

    Over een boeiend document     (Etienne De Smedt)

    Kaliligrafie uit Pieter Breugel     (Willy De Loenen)

     

    Notities bij een koninklijke weg :

        Lia Timmermans als Eredame van Koningin Fabiola     (Mon Van den heuvel-Etienne De Smedt)

     

    Olé, olé, hier komt de Spaanse Fé     (Johan De Coninck)

    “De schat van Mon” of... wat iedereen dringend moet lezen     (Etienne De Smedt)

    Ledendagen en Appelsienreizen      (Etienne De Smedt)

     

    Emanuel Stickelberger, Zwitserse gastheer van Felix Timmermans      (Jan Schroven)

    Een capriooltje, Nomen est omen  -  What’s in a name      (Etienne De Smedt)

    Timmermans-Masereel of Masereel-Timmermans      (Stan Andries)

    Pallieter buiten Europa       (Johan De Coninck)

    Uit mijn Rommelkas  deel 2 : het woord te voeren past de man       (Etienne De Smedt)


    Lia Timmermans  1920  2002  2012       (redactie)

     

    Schrijvers uit de tijd van Felix Timmermans - Menno Ter Braak (deel 2)        (Stijn Vanclooster)

    Het woord is aan ... Felix Timmermans     deel 7      (Etienne De Smedt)

     

    Over een vrouw, een moto en een schrijver       (Mon Van den heuel -Etienne De Smedt)

                 Béatrice du Vinage 


    Gummarus van Lier, een boek om te hebben en te koesteren         (redactie)



    Nr 44 december 2012

    Zalig kerstfeest, kaligrafie     (Willy De Loenen)

    Gaston Durnez sprak met GoT     (   Daniël De Vos)

     

    Vertelsels voor Janneke en Mieke

          Felix Timmermans en de jeugdliteratuur     (Etienne De Smedt)

     

    Een stem uit Nederland : Pallieter in het klooster     (Cees Visser)

     

    Brieven uit de kostschool. Brieven van Lia Timmermans

          aan haar ouders vanuit Sint-Lutgardis     (Etienne De Smedt)

     

    Eugeen Yoors, Felix Timmermans en Antoon Thiry     (Johan De Coninck)

     

    En het woord is aan ... Felix Timmermans

          Minneke Poes of de zoektocht naar het juiste woord     (Etienne De Smedt)

     

    Uit Adriaan Brouwer, kaligrafie     (Willy De Loenen)

    Timmermans in de Bijenkorf     (Jan Schroven

     

    Uit mijn Rommelkas – deel 3

          Over één Adriaan Brouwer en twee schrijvers     (Etienne De Smedt)

     

    Zo tekende Felix Timmermans      (Etienne De Smedt)

    Timmermans en ik     (Johan De Coninck)

    Petit Voyage (cinématographique) autour de deux Chambres      (Etienne De Smedt)

    De geest van Felix Timmermans     (Hans Masschelein)

    Woorden bij een graf     (Etienne De Smedt)

     

    Schrijvers uit de tijd van Felix Timmermans

          Ernest Van der Hallen  -  aflevering 14  (deel 1)     (Stijn Vanclooster)

     

    Brochures en speciale uitgaven (zie hiervoor ook ZV nr 30)



    Nr 45 juni  2013

    Toen wij Godfried Bomans en Cecilia zagen komen     (Daniël De Vos)

    Van een psalm naar een requiem     (Etienne De Smedt)

    Marcel Van de Velde ontmoet Felix Timmermans     (Cees Visser)

    En waar een stem zei dat het goed was !      (Etienne De Smedt)

    Petit Voyage autour de ma Chambre      (Etienne De Smedt)

     

    Timmermans : de meester der meesters

                    Godfried Bomans’ grote sympathie voor zijn Lierse collega     (Daniël De Vos)

     

    Een mini-capriooltje     (redactie)

    Uit “De Pastoor uit den Bloeienden Wijngaerdt”, kaligrafie     (Willy De Loenen)

    Latijnse Psalmen voor een boer (deel 1)       (Jan Schroven)

     

    Uit mijn Rommelkas  (deel 4)       (   Etienne De Smedt)

    Holdijn, een vroeg toneelwerk van Timmermans      (Johan De Coninck)

    Felix Timmermans en de sport     (Herman Van Looy)

     

    En het woord is aan ... Felix Timmermans

                    En altijd naar Minneke Poes      (Etienne De Smedt)

     

    Zo tekende Felix Timmermans   deel 2      (redactie)

     

    Schrijvers uit de tijd van Felix Timmermans

                    Ernest Van der Hallen  (deel 2)      (Stijn Vanclooster)

     

    Timmermans voor jou geknipt, geknipt voor jou  (deel 1)      (   Etienne De Smedt)

     

    Over Adagio is reeds alles gezegd ... Neen dus !     (Etienne De Smedt  -  Mon Van den heuvel)

     

    Hemellichamen in de ogen van de jonge Timmermans     (Johan De Coninck)

     




    *****

     

    18-08-2006 om 00:00 geschreven door Mon

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Foto

    Archief per maand
  • 02-2017
  • 01-2017
  • 10-2016
  • 09-2016
  • 08-2016
  • 07-2016
  • 06-2016
  • 05-2016
  • 04-2016
  • 03-2016
  • 02-2016
  • 12-2015
  • 11-2015
  • 10-2015
  • 09-2015
  • 08-2015
  • 06-2015
  • 04-2015
  • 03-2015
  • 02-2015
  • 01-2015
  • 11-2014
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 05-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 04-2009
  • 09-2008
  • 06-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 12-2007
  • 10-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 05-2006
  • 04-2006
  • 01-2006


    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Foto

    Over mijzelf
    Ik ben Mon Van den heuvel
    Ik ben een man en woon in Lier (België) en mijn beroep is op pensioen.
    Ik ben geboren op 19/06/1944 en ben nu dus 72 jaar jong.
    Mijn hobby's zijn: Kano varen - Felix Timmermans - Geschiedenis van Lier in de ruimste zin genomen.

    Een interessant adres?

    Mijn favorieten websites
  • Thuispagina Louis Jacobs
  • Guido Gezelle
  • Ernest Claes Genootschap
  • Oscar Van Rompay
  • Felix Timmermans Genootschap
  • Schrijversgewijs
  • Kempens erfgoed

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!