Ik ben Karel D'huyvetters
Ik ben een man en woon in Werchter (Vlaams-Brabant, België) en mijn beroep is gepensioneerd universiteitsambtenaar.
Ik ben geboren op 16/01/1946 en ben nu dus 66 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: cultuur, literatuur, muziek, klokken, astronomie en tijdrekening, etymologie, koken, talen, levensopvatting, typografie en drukkunst, poëzie, kruiden, boeken, internet.
Mijn blog is mijn hobby, mijn uitlaatklep, mijn blik op de wereld, mijn intellectuele uitdaging, mijn contact met de buitenwereld. Ik hoop dat mijn lezers er ook iets aan hebben.
mijn blik op de wereld vanaf 60 Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin. Elke week zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1000! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating. Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
16-05-2012
het grote misverstand
E
r verschijnen steeds vaker
publicaties waarin wetenschappers
aller aard en ook filosofen de rol benadrukken die onze hersenen spelen in ons
denken. Dat leidt sommige mensen ertoe om verbolgen te reageren: herleidt men
op die manier immers ons denkvermogen niet tot iets dat louter materieel is? De
triomf van de materie over de geest! Materialisme!
Ik kan die
verontwaardiging maar moeilijk begrijpen. Of ons denken nu gebeurt door onze
hersenen of door onze geest, wat is ten slotte het verschil? De wetenschap is
er helemaal niet op uit om onze geestelijke prestaties te minimaliseren, in
tegendeel zelfs. Zij ontrafelen steeds beter onze denkprocessen en onze emoties,
met als gevolg dat zij de talloze problemen die zich op dat vlak voordoen met
groeiend succes kunnen omschrijven en behandelen. We moeten elkaar goed
begrijpen: het is niet omdat men zegt dat er in de mens niet zoiets is als een
geest, dat men ook maar iets afdoet van wat een mens vermag. Het is enkel zo,
dat wat men vroeger toeschreef aan onze geest, nu resoluut wordt toegeschreven
aan ons lichaam, met de hersenen als centraal orgaan.
Het voordeel
van deze copernicaanse revolutie (ik weet het, het is een cliché, maar dit is
wel de gelegenheid bij uitstek om het gepast te gebruiken) is dat wij op een
wetenschappelijk verantwoorde manier over ons lichaam en dus ook over onze
hersenen kunnen spreken, daar waar het spreken over de menselijke geest steeds onvermijdelijk
warrig en onnauwkeurig is: we weten zelfs niet eens waarover we het eigenlijk hebben
als we het over onze geest hebben. Het zijn vooral kwakzalvers, mediums,
adepten van het paranormale, goeroes, sekteleiders en ja, godsdiensten die vasthouden
aan het bestaan van een geest of geesten. Aan de universiteiten bestudeert men geen
geesten, maar de mens en alles wat met mensen te maken heeft.
Een van de
belangrijkste aspecten van dit onderscheid is dat mensen, zoals al het leven op
aarde, sterfelijk zijn, terwijl men van geesten aanneemt dat zij dat op een of
andere manier niet zijn. Het geestelijke is per definitie niet lichamelijk,
niet materieel en dus niet onderhevig aan verval en vernietiging. Het is ofwel
eeuwig, dat wil zeggen dat het altijd al bestaan heeft en altijd zal blijven
bestaan, ofwel onsterfelijk, dat wil zeggen dat het ooit is beginnen te bestaan
en nooit meer kan vergaan. In die zin is God eeuwig, terwijl de ziel of de geest
van de mens onsterfelijk is.
Hoe weten we
dat er iets is dat eeuwig of onsterfelijk is? Omdat ‘men’ dat zegt. Er zijn
altijd al mensen geweest die dat op een of andere manier hebben beweerd. Maar
dat is dan ook alles. Wij hebben geen enkele concrete aanwijzing, laat staan
een sluitend bewijs, dat het zo is. We moeten dat geloven, of aannemen, onszelf
of anderen ervan overtuigen enzovoort, maar we kunnen het niet bewijzen.
We hebben het
bestaan van geesten echter helemaal niet nodig om de wereld om ons heen te
begrijpen en naar onze hand te zetten. In onze dagelijkse bezigheden houden wij
geen rekening met geesten, we doen alsof ze er niet zijn. En als wij, of
sommigen onder ons, ons toch laten verleiden om het bestaan van geesten aan te
nemen, dan blijkt er geen duidelijk voordeel verbonden aan die
veronderstelling, maar wel een hele boel nadelen, zowel op wetenschappelijk
gebied als emotioneel en sociaal. Het is nu eenmaal ontiegelijk moeilijk om met
elkaar te praten over iets zo vaags als geesten. Er zijn geen twee mensen die
er hetzelfde over denken en dus is het een bron van onenigheid en twisten, ja
van eindeloos geweld en verschrikkelijke terreur en oorlogen.
Is er dan
niets geestelijks? Is alles materieel?
Het is maar
hoe je het bekijkt en welke definities je gebruikt, het is een kwestie van
afspreken onder elkaar. Ikzelf en vele anderen met mij maken een belangrijk en
evident onderscheid tussen ‘dode’ materie en ‘levende’ wezens. Zelfs als de
grens tussen die twee soms flinterdun is, twijfelen we er in de praktijk
eigenlijk nooit aan of iets leeft of niet. Gans het universum bestaat uit
identieke subatomaire partikels, die in de tijd een quasi oneindig aantal
vormen kunnen aannemen, van zeer eenvoudige tot uiterst complexe. Sommige van
die vormen zijn passief: zij ondergaan de inwerking van hun omgeving, zonder
daartoe zelf enig initiatief te nemen. Maar er is hier op aarde vrij kort na haar
vorming een soort materie ontstaan die in dat contact met de omgeving een
actieve rol is gaan spelen. Dat is begonnen op een onooglijke manier: een subtiele
gevoeligheid voor licht, warmte, vochtigheid, vijandige of gunstige elementen
in de omgeving. Nog een kleine stap verder en bepaalde elementen zijn gaan
samentroepen omdat ze daaruit voordeel haalden. Zo is er samenwerking ontstaan,
werden de eerste cellen geboren die zich voedden en die zich deelden. Het enige
dat een cel wil, zegt men wel eens, is twee cellen zijn.
Een steen
denkt niet (behalve in het Duits, heb je hem?). Maar alle leven ‘denkt’, alle
leven is ‘bezield’, alle leven is ‘geestelijk’. Leven is denken, je kan het ene
niet hebben zonder het andere. Van zodra iets leeft, is er ook een activiteit
die dat leven in stand probeert te houden. Spinoza noemt dat de conatus, de levensdrang zou je kunnen
zeggen. Zoals het leven ontelbare vormen aanneemt, is die levensdrang net zo oneindig
gedifferentieerd. Hij is aanwezig in de kleinste bacterie en in het grootste
zoogdier, de blauwe vinvis. Uit die eerste gevoeligheid voor de omgeving is op
een volstrekt natuurlijke wijze een ongelooflijke variëteit van leven ontstaan,
waarbij dat leven zich steeds beter probeert aan te passen aan en gebruik te
maken van zijn omgeving. Vandaag maken we een inventaris op van die veelheid in
verscheidenheid en wij verbazen er ons elke dag steeds meer over.
Er is in die
lange evolutie sinds het ontstaan van het leven heel veel gebeurd, maar het is
een ononderbroken lijn, het leven is nooit helemaal uitgestorven en opnieuw
begonnen, hoewel er ontelbare individuen zijn vergaan en vele soorten uitgestorven
zijn. Er zijn belangrijke momenten geweest in die evolutie, maar er is nooit
een breuk geweest en nooit een fundamentele wijziging. Het leven is één. Al te
lang hebben wij gedacht dat de mens uniek is, het enige levend wezen dat denkt,
een bewustzijn heeft, gevoelens, een verstand, een ziel, een geest. Dat is niet
zo, zo blijkt. Wij hebben misschien wel een beter verstand, we denken beter en
vaker, we hebben een abstracter zelfbewustzijn, maar dat is slechts een hogere
graad van iets dat in andere levende wezens eveneens aanwezig is, op een andere
manier, soms in mindere mate, soms in veel hogere volmaaktheid voor bepaalde
aspecten, zoals de reukzin bij sommige dieren, hun zicht, hun
oriënteringsvermogen, hun snelheid en kracht, hun weerstand aan omgevingsfactoren
enzovoort.
Er is dus
geen reden om aan te nemen dat de mens totaal anders is dan de andere dieren.
Wij zijn bijzonder, maar niet anders. De evolutie is bij ons op het punt van de
hersenen en van de intelligentie het verst gegaan. Wij hebben relatief gezien
de grootste hersenen en ook de meest complexe en we hebben ze gebruikt om een
beschaving te ontwikkelen die ons in staat stelt om met zeer velen te overleven
op een aarde met beperkte mogelijkheden. Wij verschillen daarin niet essentieel
van andere levende wezens, zoals bacteriën, insecten, vissen enzovoort. Wij
zijn levende wezens zoals alle andere; als wij aan de andere levende wezens
geen bijzondere kenmerken toeschrijven, zoals een geest, dan kunnen wij die
evenmin opeisen voor onszelf. Indien wij ontkennen dat dieren een geest hebben,
dan hebben wij er ook geen. Onze hersenen zijn groter en beter, we kunnen er
meer mee, maar er is in de mens niet iets anders, niets geestelijks, dat de
dieren niet hebben. Zo simpel is het.
Doen we
daarmee afbreuk aan de geweldige prestaties van de mensheid? Neen, hoezo? Al
wat ik zeg is dat er geen eeuwige God is en geen onsterfelijke ziel of geest in
de mens. De mens blijft wat hij is, wat hij altijd geweest is en al wat wij
verwezenlijkt hebben blijft even belangrijk en waardevol (en vaak ook heel wat
minder dan dat). De mens wordt niet minder omdat hij sterfelijk is, omdat hij
op een ogenblik ophoudt te bestaan als mens en weer uiteenvalt in zijn
samenstellende moleculen, zoals alle levende wezens.
De mens
wordt anderzijds helemaal niet meer of beter als we hem een vage, onduidelijke
geest toedichten, hij kan plots niet meer dan wanneer hij die niet zou hebben.
Mensen vallen niet plots dood als ze ontdekken dat ze geen ziel of geest
hebben. Ze beginnen niet te moorden, stelen en verkrachten wanneer ze tot de
overtuiging komen dat er geen hiernamaals is. Ze plegen geen zelfmoord uit
wanhoop wanneer ze afscheid nemen van de ongerijmde idee dat er een God zou
zijn. Merkwaardig genoeg zijn het veeleer de gelovigen en de mensen die ervan
overtuigd zijn dat er een niet-materiële geest is, die verscheurd worden door
twijfels en fanatieke waanideeën en die zichzelf en hun medemensen meesleuren
in een paroxisme van zinloos geweld.
Wij moeten
leren leven met de simpele gedachte dat wij een diersoort zijn die zich
probeert in stand te houden en voort te planten op deze aarde en die geëvolueerd
is tot wat we nu zijn, met de hoogtechnologische beschaving die we uitgebouwd
hebben, met alle voor- en nadelen van dien. Het is werkelijk niet zinvol om het
leven op een andere manier te bekijken, het helpt niet, het is zelfs schadelijk,
dat zouden we nu toch al moeten door hebben. Twee of vijfduizend jaren ervaring
met godsdiensten allerhande hebben de vooruitgang van het leven op aarde op
alle gebied alleen maar enorm belemmerd en hebben honderden miljoenen menselijke
slachtoffers geëist. Wij hebben onze omgeving, inclusief het andere leven op
aarde, op een schandelijke manier misbruikt en vernietigd.
Het wordt
tijd, hoog tijd dat we het roer omgooien. Het zou een goed begin zijn als we voor
onszelf en voor anderen zouden durven erkennen dat God, geesten, hemel en hel een
groot misverstand is, dat het enige dat telt het leven op aarde is, alle leven,
waarmee wij als evenwaardige mensen mogen samenleven, als sterfelijke
individuen.
Emeritus Professor
Dr. Wim Klever (°1930) is de auteur van meer dan honderd publicaties over
Spinoza, waaronder een tiental boeken. Hij heeft zeer veel gedaan voor de vroege
verspreiding van het gedachtegoed van Spinoza in het Nederlandse taalgebied en
ver daarbuiten en is ook vandaag nog een algemeen gewaardeerd Spinoza-kenner.
Van zijn
hand las ik Een nieuwe Spinoza. In
veertig facetten, WereldbibliotheekA’dam, 1995, 176 blz., bibliografie, register;
paperback, tweedehands te koop voor ongeveer 10 euro.
Het is een
interessante reeks korte en aangenaam leesbare stukjes, columnsnoemt men dat heden ten dage, over
verschillende aspecten van leven en leer van Spinoza. Vandaag is de titel
ietwat voorbijgestreefd, nieuw is het beeld dat professor Klever hier van
Spinoza schetst nu niet meer, maar dat is in belangrijke mate zijn eigen grote verdienste.
De inhoud daarentegen is volkomen ongedeerd gebleven en vandaag dus nog steeds even
relevant als boeiend.
De auteur
behoort tot de groep van Spinoza-kenners die ik met een knipoog naar Jonathan
Israel ‘radicaal’ zou willen noemen. Zij zien in Spinoza een filosoof die te
gronde breekt met het religieuze wereldbeeld. Anderen, zoals Herman De Dijn, blijven
erbij dat Spinoza voldoende ruimte laat voor een transcendente God en de bijhorende
metafysica. Elke lezer van Spinoza moet daarover een eigen oordeel vellen.
Trouwe lezers van mijn Kroniek zullen
niet aarzelen om mij in het radicale kamp te situeren.
Het is goed
mogelijk dat wij daarmee Spinoza enig geweld aandoen en dat wij onze
hedendaagse inzichten projecteren in de gedachtewereld van Spinoza in de tweede
helft van de 17de eeuw. De radicale benadering legt de nadruk op wat
er vernieuwend en zelfs revolutionair is bij Spinoza, veeleer dan op wat hem
nog bindt met het verleden, met de godsdiensten, de kerken en een dualistische
benadering van de werkelijkheid, met een mens als gespannen tussen een
transcendente God en de dode, amorfe materie.
Het zou vermetel
zijn van mijn kant om ook maar enige kritiek te uiten op een auteur die wellicht
al meer vergeten heeft over Spinoza dan ik er ooit zal over weten. Ik vermeld
hier terloops twee niet-essentiële bemerkingen.
Op blz. 93
schrijft hij dat Uriël da Costa een einde maakte aan zijn leven met een
revolverschot. De revolver is een uitvinding van Samuel Colt, het patent
dateert van 1836. Een revolver heeft een ronddraaiende cilinder, waardoor
verscheidene kogels na elkaar kunnen worden afgevuurd zonder te herladen. Het
wapen dat da Costa gebruikte voor zijn wanhoopsdaad, was dus een pistool.
Op blz. 136,
in het essay dat handelt over zelfdoding, interpreteert hij een tekst van
Spinoza die ik citeer: ‘Een derde mogelijkheid ten slotte bestaat hierin dat
geheime uitwendige oorzaken iemands hersenen zodanig disponeren en zijn lichaam
zo slopen, dat het een geheel andere natuur krijgt, die aan de eerdere
tegengesteld is en daarin dus niet meer kan gedacht worden.’ Bij Klever wordt
dit: ‘door onbekende chemische oorzaken die de organen en functies aantasten
(ziekten).’ Ik wil hier niet al te lang bij stilstaan, maar de toevoeging van
het woord ‘chemische’ lijkt me hier te beperkend. Technisch gezien zijn de
processen in onze hersenen niet (louter) chemisch, maar ook elektromagnetisch,
meestal in een complexe combinatie.
De auteur gaat hier tevens voorbij aan de
oorzaken van die materiële verstoringen van onze denkprocessen, die zowel van
genetische, fysische of psychologische aard kunnen zijn. Hij komt gelukkig weer
op het juiste spoor wanneer hij aan het einde van de aangehaalde passage
spreekt van ‘depressie [die kan] uitmonden in benauwenis en angst die iemand
kan pressen tot een finale wanhoopsdaad, die voor hem de enige redding is.’ Het
was enkel mijn bedoeling te wijzen op het verschil tussen de ruimere blik die
Spinoza heeft (‘geheime uitwendige oorzaken’) en de nauwere interpretatie van
Klever (‘onbekende chemische oorzaken’). Het fysische aspect is reëel, maar ruimer
dan alleen maar chemisch. Het kan ook en misschien zelfs vooral veroorzaakt
worden door een psychische ervaring, bijvoorbeeld langdurige opsluiting,
marteling, vernedering, stress &c., of door een fysieke beschadiging van de
hersenen, bijvoorbeeld door een ongeval.
Deze detailopmerkingen
weerhouden mij er niet van om dit korte boekje met veel enthousiasme aan te
bevelen aan eenieder die geïnteresseerd is in Spinoza, zowel als eerste
kennismaking als voor wie reeds enigszins met zijn gedachtegoed vertrouwd is.
Professor Klever is een betrouwbare gids die het oog van de wandelaar in het
land van Spinoza met diepe kennis van zaken handig richt op belangrijke aspecten die ons anders
wellicht zouden ontgaan.
ls
je de nieuwsberichten volgt, ben je geneigd om Einstein gelijk te geven, wanneer hij stelt dat er
twee dingen zijn die oneindig zijn, het universum en de menselijke dwaasheid,
en van het eerste was hij niet eens zeker. Dit citaat is echter ook onzeker:
het wordt wel toegeschreven aan Einstein, maar er is geen betrouwbare bron voor
deze uitspraak. Wil je daarover alles weten, ga dan naar Wikiquote en kijk
onder Einstein, betwiste citaten.
De
nieuwsberichten belichten inderdaad overtuigend de menselijke dwaasheid en ook
onze wreedheid, onze heerszucht, eerzucht, hebberigheid, afgunst, geilheid…
Ware het niet dat Lut graag het journaal bekijkt, ik zou het allemaal aan mij
laten voorbijgaan. De media bieden immers geen fraai beeld van de mens, je
wordt er depressief van. Ze zijn erop gebrand om al wat verkeerd gaat dik in de
verf te zetten. Slecht nieuws is sensationeel en levert goede kijkcijfers op,
vandaar.
Op die
manier kan het niet anders dan dat mensen de indruk hebben dat het inderdaad
niet goed gaat en dat daaraan ook niet te verhelpen valt. Veel mensen hebben
een veeleer negatief wereldbeeld. Als ze erover praten, is het om te zeuren. In
gezelschap heb je daarmee altijd succes: straffe verhalen over hoe dingen fout
gaan doen het altijd goed. Maar als je dan de vraag stelt hoe het dan wel moet,
blijft men meestal het antwoord schuldig. Als er een oplossing was voor al onze
problemen, dan zouden we die toch al moeten gevonden hebben, zou je denken.
Sinds het
ontstaan van onze beschaving hebben sommige mensen het geloof in God en de
godsdienst binnen een kerkelijke gemeenschap als een remedie gezien voor al het
onheil van deze wereld. De almachtige en algoede God zorgt voor de zwakke en
verdorven mens. Maar daarvan is in de praktijk weinig te merken, stellen ook
gelovigen vast. God zorgt niet beter voor wie in hem gelooft dan voor de
anderen die dat niet doen. Niet getreurd, zegt de kerk dan: je zal je verdiende
loon krijgen in het hiernamaals, voor eeuwig verdoemd of eeuwig gelukzalig.
Er zijn ook
andere, meer optimistische mensen. Zij leggen de nadruk op al het goede en het
mooie in deze wereld, op het menselijk vernuft en op onze artistieke gaven, op
de liefde onder de mensen, op onze wonderbaarlijke beschaving, onze cultuur,
onze welstand, ons gezond en lang leven. De mens is het toppunt van de
schepping, een machtig wezen dat de hele aarde en straks het hele universum aan
zich onderwerpt. We moeten op onszelf vertrouwen, al onze capaciteiten ten
volle aanwenden en dan komt het wel goed. Kijk maar naar de geschiedenis: het
gaat steeds in stijgende lijn, er zijn nog nooit zoveel mensen geweest en ze
hebben het nog nooit zo goed gehad als nu. De wereld behoort aan de mens toe. Niets
kan ons tegenhouden. Als we ons lang en hard genoeg inspannen, kan het hier een
hemel op aarde worden. De mens is gemaakt om volmaakt gelukkig te zijn, dat
ligt in ons bereik, dat is onze toekomst, onze eindbestemming.
Dat
optimisme is even overdreven en onrealistisch als het godsdienstig pessimisme,
dat het heil uitstelt tot na de dood.
Is er dan
een derde weg? Ik meen van wel. Om die te ontdekken, moeten we teruggaan naar
onze oorsprong, naar het ontstaan van het eerste leven op aarde, toen de
materie zich begon aan te passen aan haar omgeving: licht, warmte, voedsel,
bescherming. Die aanpassing heeft zich over miljarden jaren voltrokken en heeft
geleid tot de bonte verscheidenheid die de wereld nu is. Dat moeten we steeds
voor ogen houden: wij zijn ‘maar’ materie, een tijdelijke verzameling van identieke
subatomaire partikeltjes. Dat is de essentie van de zaak.
De verhalen
over God zijn slechts dat: verhalen die wij verzonnen hebben. Ze zeggen niets
over onze oorsprong of onze evolutie, ze gaan hooguit enkele duizenden jaren
terug en gaan niet lang mee. Ze kunnen ons bestaan niet verhelderen, ze maken
het alleen maar ingewikkelder en minder zinvol. Ze zijn een oorzaak van
verdeeldheid en strijd.
Op dezelfde
manier heeft het ook geen zin om de mens tot koning van de schepping te kronen.
Het leven hier op aarde is veel complexer en rijker dan dat. Het gaat niet om
de mens alleen, wij maken deel uit van een veel groter geheel, waarin wij al
bij al een beperkte rol spelen. De wereld is er niet slechts voor de mens, wij
moeten rekening houden met het geheel, ook als we aan onze eigen toekomst
werken. Wij moeten alle leven respecteren en het hele milieu waarin we leven.
Nu we zo talrijk zijn, brengt dat spanningen mee: de natuurlijke rijkdom is
beperkt en ook ongelijk verdeeld. Mensen kunnen alleen overleven als ze
samenwerken. Als ze elkaar bestrijden en van elkaar stelen, verliest de
mensheid als geheel.
Stilaan
groeit dat bewustzijn. De oude Godverhalen spreken niet meer aan, de kerken
lopen leeg. Ook de oude ideologieën doen het niet meer: communisme, socialisme,
kapitalisme, liberalisme, we stellen keer op keer vast dat ze er niet in slagen
om oplossingen te bieden op langere termijn en de maatschappij steeds weer naar
de rand van de afgrond leiden. Meer en meer mensen stellen zich de vraag hoe
het dan wel moet. We zoeken naar een derde weg, los van God, los van de
dwaalwegen van onze ouders.
Sommigen
menen dat we nieuwe leiders nodig hebben om ons de weg te wijzen. We zouden
beter moeten weten. Elke radicale oplossing uit het verleden is een vergissing
gebleken, elke grote leider een slechte gids. We moeten veeleer naar elkaar
luisteren in een ruime democratische dialoog, niet naar één enkele stem, maar
naar iedereen, zoals we ook met iedereen moeten samenwerken. Niet wie het
hardst schreeuwt heeft gelijk, niet wie het meest belooft, niet wie zijn wil
aan anderen opdringt. Laten we luisteren naar de rustige stem van mensen die
niet zichzelf op de voorgrond plaatsen maar ideeën, veel ideeën, zoveel mogelijk
zelfs. Laten we dingen uitproberen, geleid door onze wetenschap en met behulp
van onze technologie. Kennis is macht, alleen met kennis kunnen we samen vooruitgang
maken, niet met geweld.
Dat is de
derde weg. Laten we hem samen zoeken.
Categorie:samenleving Tags:maatschappij
01-05-2012
Consequent?
V
oor
de grap schrijf ik wel eens ‘consequent’ of ‘konsekwent’ en ‘inkonsequent’
of ‘inconsekwent’. Je ziet wat ik bedoel: in het ene geval ben je consequent in
je spelling, in het andere opzettelijk niet.
Wij mensen
hebben het moeilijk met consequent zijn. Ons woord is afgeleid van het Latijnse
werkwoord consequi en dat betekent
ondermeer ‘iets of iemand volgen, een regel of voorschrift naleven’. Consequent
handelen doen we als we volgens onze principes handelen, als wat we doen in
overeenstemming is met de rest van ons leven en met ons denken. En daar is
precies de moeilijkheid gelegen. We zijn het vaak eens over de principes, maar
als ze moeten toegepast worden, dan gaat het wel eens fout.
Bijna alle rokers
geven toe dat het slecht is voor hun gezondheid (en die van hun omgeving), maar
wereldwijd rookt meer dan een miljard mensen. Elk jaar sterft een half miljoen
mensen aan ziekten die aan roken te wijten zijn. Het aantal mensen dat alcohol
drinkt schat men op twee miljard; voor ongeveer 75 miljoen mensen gaat het om
een ernstige verslaving met zware gevolgen voor hun gezondheid. Indien men zou
vaststellen dat een bepaalde stof gevolgen zou hebben die ook maar een
duizendste van de risico’s zou hebben die tabak en alcohol met zich meebrengen,
dan zou die onmiddellijk en volledig verboden worden. Dat is onder andere
gebeurd met de overigens zeer efficiënte insectenbestrijder DDT. De zoetstof
stevia is tientallen jaren lang verboden gebleven in Europa, zonder enige
ernstige aanwijzing van schadelijke effecten. Maar wie de tabaks- en
alcoholindustrie wil aanpakken, weet dat hij tegen de bierkaai zal vechten en
dat zijn inspanningen in rook zullen opgaan.
Wij zijn
niet consequent, we kunnen het niet opbrengen en we vinden dat men het ook niet
van ons mag verwachten. Niemand heeft het recht om ons te dwingen in alles
consequent te zijn. We vinden consequente mensen ook niet prettig in de omgang.
Wij nemen, zeker voor onszelf, genoegen met minder dan het volmaakte. De
volmaaktheid is niet van deze wereld, zeggen we dan, schokschouderend.
Het is ook
niet nodig dat we in alles consequent zijn. Het maakt in feite niet uit hoe ik
dit woord schrijf, iedereen weet toch wat ik bedoel. Zelfs in belangrijke zaken
is een beperkte inconsequentie niet meteen dodelijk: iemand die slechts heel uitzonderlijk
een sigaartje opsteekt zal daarvan waarschijnlijk nooit ernstige gevolgen van
ondervinden. Een glas rode wijn af en toe blijkt zelfs goed te zijn voor je
gezondheid. Maar dat is het nu juist. Consequent zijn betekent dat je niet
afwijkt van je principes, ook niet één keer. Niet omdat het je directe schade
kan berokkenen, maar uit principe. Als roken en drinken globaal gezien
schadelijk zijn, dan zouden we het principieel moeten laten, ook al is het niet
zeker dat het ongezond is in ons persoonlijk geval. Dat is consequent handelen.
In de
praktijk ligt dat heel moeilijk. Er roken zoveel mensen, dat je de rook nooit
helemaal kan vermijden, zelfs als je gewoon op straat loopt. Er wordt zoveel
drank aangeboden, vaak zelfs gratis, dat het heel moeilijk is om altijd nee te
zeggen. Alcohol is maatschappelijk zo algemeen aanvaard, dat je je min of meer
aanstelt als je zegt dat je niet drinkt.
Ik ben als
jonge knaap beginnen roken toen ik nog geen tien jaar was en vanaf mijn
twaalfde was ik een regelmatig roker. Ik heb dat volgehouden tot ongeveer mijn
dertigste en dan ben ik ermee gestopt, zonder veel moeite, omdat ik ervan
overtuigd was dat het schadelijk was voor mij en mijn omgeving, en omdat ik
niet het slechte voorbeeld wou geven aan mijn kinderen. Met alcohol is mijn verhaal
minder consequent. Ik ben er heel vroeg mee begonnen en dronk vrij occasioneel stevig,
dat wil zeggen teveel, tot ik rond mijn vijfendertigste besliste om geen
druppel meer aan te raken. Dat heb ik ongeveer twintig jaar volgehouden.
Sindsdien drink ik lange periodes bijna nooit, op een symbolisch half glas na.
Dat wisselt af met periodes waarin ik meestal een half glas rode wijn drink bij
het avondmaal. Meer dan dat drink ik nooit meer. Principieel, consequent.
Mensen in
mijn omgeving hebben het daar moeilijk mee. Zij drinken meer tot veel meer.
Blijkbaar zien ze in mijn consequente houding een vorm van afkeuring, ook al
bedoel ik dat niet zo en al zeg ik daar niets over. Het is voldoende dat ik
niet rook en niet drink om hen op de zenuwen te werken. Soms gaan ze zo ver om
mij te verwijten dat ik niet sociaal ben, dat ik hun plezier bederf, dat ik een
spelbreker ben, dat ik geen plezier kan maken, dat ik me niet kan laten gaan.
Ik wil hier
openlijk en eerlijk bekennen dat er in mijn aanvoelen niets is dat zo zielig is
en me met een zo intense afkeer vervult, als rokende en drinkende en zwetsende mensen.
Ik heb het zelf ook lang genoeg gedaan, ik weet wat het is om ervan te ‘genieten’.
Ik weet ook dat het een verslaving is die je gezondheid schaadt en die, wat
alcohol betreft, je gedrag negatief beïnvloedt: dronken mensen verlagen hun culturele
en morele drempels aanzienlijk, ik weet het uit eigen ervaring.
Laatst zijn
we naar een concert geweest van een plaatselijk jazzcombo, in een café in het
dorp. Het was mijn eerste bezoek aan dat café in de twaalf jaar dat ik hier
woon. Ik voelde me helemaal niet op mijn plaats. Er werd tijdens het optreden
volop gedronken, iedereen trakteerde iedereen, je kreeg de pinten sneller en
zelfs ongevraagd voor je neus geschoven dan je ze kon uitdrinken. Ik weigerde
van meet af aan en bedankte vriendelijk bij elk rondje en ja, ik was weer de
asociale, geen mens om mee op café te gaan. Nochtans genoot ik van de muziek en
van het gezelschap, babbelde ik enthousiast mee en was spontaan vriendelijk
tegen iedereen. Het feit dat ik niet meedeed aan de collectieve intoxicatie was
voldoende om mij af te zonderen als ‘ne rare’.
Dat stoorde
mij, ik vond de beschuldiging onterecht. Ik had helemaal niet de indruk dat ik
iets miste of dat ik tekortschoot op welk gebied dan ook. Integendeel zelfs.
Naarmate de avond vorderde, werd de stemming steeds meer uitgelaten. Naar het
einde toe was er een snel groeiende groep die niet meer naar de muziek
luisterde, maar in verhitte gesprekken verwikkeld was over de meest banale
onderwerpen. Met praatte alsmaar luider en meer opgewonden, men lachte om het
geringste, er werd geflirt en gegeild…
We hebben
het allemaal al meegemaakt, ik hoef er geen tekeningetje bij te maken. Na het
concert zijn we meteen naar huis gewandeld. Onderweg hebben we gepraat over onze
ervaring en vastgesteld dat het heel moeilijk is om consequent te zijn, in de
dubbele betekenis: de meeste mensen hebben het moeilijk om consequent te zijn
en anderzijds hebben ze moeite met mensen die consequent zijn.
Ik heb toen
gedacht: dat is dan hun probleem, niet het mijne.
Ik wens niet
te roken, te drinken, overdadig of duur te eten, noch op vakantie te gaan of
verre reizen te maken. Ik ga niet naar concerten, bezoek geen belangrijke tentoonstellingen
of sportmanifestaties. Ik leef een teruggetrokken leven, ik schuw het publieke vertoon.
Ik verkies meer diepgaande individuele ontmoetingen, die ons de gelegenheid
geven om te praten over dingen die echt belangrijk en interessant zijn, voor
onszelf en voor de mensheid. Dergelijke ontmoetingen zijn helaas uitermate
zeldzaam. Je kan in elke straat wel een café vinden voor een hilarisch tooggesprek
en er zijn duizenden verenigingen, maar gelegenheden waar mensen ongestoord met
elkaar kunnen praten zijn er nauwelijks.
Nochtans
hebben we allen behoefte aan dergelijke gesprekken. Dat ervaar ik telkens bij
mezelf en bij gesprekspartners met wie het lukt. We willen met elkaar praten,
maar doen er vervolgens alles aan om dat gesprek onmogelijk te maken. We hokken
met teveel volk bijeen in luidruchtige ruimten, we drinken zoveel dat elk
zinvol gesprek onmogelijk is en we vermijden angstvallig om te spreken over de
dingen die ons echt ter harte gaan en zeuren eindeloos over dingen waaraan we
toch niets kunnen veranderen. En we luisteren niet naar elkaar. En we schuwen
de stilte.
Dan vraag ik
me af: wie is er dan asociaal?
Categorie:samenleving Tags:maatschappij
25-04-2012
geld
Soms kan ik
er nog moeilijk aan uit.
In onze maatschappij
lijkt alles gericht op het beste, het meeste, het hoogste. Je moet de slimste
zijn van de klas. Middelmatig, daar spreken we niet over. De laatste van de
klas wil niemand zijn. Ook zo in bedrijven: wie het meest verdient, is baas. De
meest succesvolle zakenman of –vrouw is hij of zij die het meest geld verdient.
De belangrijkste persoon op aarde is de rijkste. Iedereen wil rijk worden op zo
kort mogelijke tijd, met zo weinig mogelijk inspanningen. Dat daarbij af en toe
onverkwikkelijke praktijken te pas komen, dat lijkt minder belangrijk. Zolang
de regels min of meer gevolgd worden, is er niets aan de hand. Er staat geen
limiet op de winst die men mag maken. Je kan het groot lot winnen, je aandelen
verkopen met 1000% winst, je bedrijf overlaten voor een fabelachtig bedrag, een
contract afsluiten voor een uitvinding of een boek enzovoort: hoe meer je
verdient, hoe beter.
In het nastreven
van persoonlijk gewin zijn er blijkbaar geen grenzen. Of toch? Als individu mag
je doen wat je wil, binnen de perken van het systeem. Maar je moet er wel
rekening mee houden dat je deel uitmaakt van een samenleving en dat je daarvoor
een prijs moet betalen. Dat noemt men belastingen. Grote winsten worden zwaar belast,
tot vijftig procent of nog meer. Natuurlijk probeert iedereen daaraan te
ontsnappen en dat lukt de rijksten uiteraard het best. Maar er zit iets
ongerijmds in het systeem zelf.
Enerzijds moedigen
we iedereen aan om zoveel geld te verdienen als mogelijk, anderzijds nemen we
de helft weer af. Dat stemt tot nadenken. Als je weet dat een groot deel van je
winst toch voor jou verloren gaat, waarom je dan nog inspannen? Je wordt belast
naargelang je inkomen. Op je eerste euro betaal je geen belastingen, op je
laatste: vijftig procent. Maar voor die laatste euro moet je wel even hard
werken als voor de eerste, zelfs harder en langer, want jobs met een laag
salaris zijn er genoeg en ze zijn zelden veeleisend, terwijl hoge salarissen
zeldzaam zijn en niet voor iedereen weggelegd.
Het gevolg
is, dat heel wat mensen zich geremd voelen in hun inspanningen. Ze werken niet
meer voor zichzelf, maar voor de gemeenschap, zoals dat heet, of voor een groot
aantal niet-werkenden die een uitkering krijgen zonder er iets voor te (mogen) doen.
En dus proberen ze te ontsnappen: ze gaan in Monaco wonen, of verbergen hun
geld op een of andere manier en proberen onbelast winst te maken.
Er zijn twee
systemen aan het werk: ongelimiteerd individueel gewin aan de ene kant,
herverdeling aan de andere. Hier bij ons weegt de herverdeling steeds zwaarder
door. In de Verenigde Staten ligt de nadruk meer op het ongebreideld en
onbelast geld verdienen. In communistische systemen, zoals de vroegere
Sovjet-Unie werd alles herverdeeld en was niemand rijk (in principe). Overal
ter wereld zoeken politici naar de meest efficiënte formule om de maatschappij
te organiseren en de mensen te motiveren om te werken. Moet het door een
beperkt aantal mensen zeer rijk te laten worden als aanlokkelijk voorbeeld voor
de anderen? Of betalen we iedereen een zelfde loon?
Op dit
ogenblik blijft het zowat overal mogelijk om zeer rijk te worden: topmanagers
verdienen verschrikkelijk veel geld en wij vinden dat alsmaar minder
aanvaardbaar. Maar dan moeten we beseffen dat als de mogelijkheid om grote
winsten te maken niet zou bestaan, diezelfde mensen allicht niet dezelfde
inspanningen zouden leveren. Wij hebben in het Sovjetsysteem gezien tot welke
misstanden dat leidt: algehele verpaupering en de totale ineenstorting van alle
beschaving, de triomf van de armoede, materieel en geestelijk.
Een zekere
ongelijkheid lijkt dus wenselijk. Mensen werken harder en slimmer als ze er meer
geld kunnen mee verdienen, als hun inspanningen beloond worden. Als er weinig
of niets te verdienen valt, vertonen ze minder ijver, initiatief en
vindingrijkheid en nemen ze minder risico’s en dat zijn nu juist de drijfveren
van de economie. Staatsdirigisme is als ideaal misschien denkbaar, maar in de
praktijk werkt het vernietigend.
Wij zitten
gewrongen tussen de twee systemen. Wij laten ons zwaar betalen voor onze
arbeid, zodat we er goed kunnen van leven. De massale herverdeling door de
staat voegt daar nog een heleboel voordelen aan toe onder de vorm van kosteloze
gemeenschappelijke voorzieningen. Er is dus een zeer gegoede middenklasse.
Daarnaast laat het systeem toe dat sommigen zich buitensporig verrijken. In de
marge is er een groep van mensen die niet passen in het systeem en die hebben
moeite om te overleven.
Dat is de
wereld waarin we leven. We hebben geen duidelijke ideeën over hoe het verder
moet, we modderen maar wat aan. Er zijn ontelbare instanties die proberen om
het systeem bij te sturen, maar het gaat voortdurend fout, met desastreuze
gevolgen voor heel wat mensen, de armsten in de eerste plaats. We weten niet
wat het beste systeem is: meer herverdeling of juist minder en meer winst laten
aan het individueel initiatief. Hoe zetten we het meest mensen aan het werk op
een menselijke manier? Hoe halen we het beste uit de mensen zonder ze uit te
buiten? Hoe vermijden we profiteurs? Hoe beperken we bedrog en oneerlijke
concurrentie? Is dat door meer wetten en reglementen en meer staatsinmenging,
of juist niet? Door op steeds grotere schaal beslissingen te nemen of door het
subsidiariteitsbeginsel toe te passen, dat wil zeggen de verantwoordelijkheid
op het laagst mogelijke niveau te houden?
Geen mens
die het antwoord weet. Wat mij zeer verontrust, is dat er zoveel mensen bezig
zijn met daarover te praten en zoveel mensen die ingezet worden om de fouten
van het systeem op te vangen, allemaal mensen die in feite niet productief zijn:
de talloze politici en hun medewerkers, de lobbyisten, consultants, experts,
studiebureaus; de sociale werkers en de enorme administratie van de sociale
voorzieningen en de staatsadministratie enzovoort.
Begrijp me
niet verkeerd: ik pleit allerminst voor eenzijdige oplossingen. We hebben die
gehad: Stalin, Hitler, Mussolini, Hirohito, Pol Pot, Mao, Videla, Pinochet,
Kadhafi en we hebben die nog: de ayatollahs, Hassad, de Kim dynastie, Castro…
Zo moet het niet, dat is wel duidelijk. Maar het zou toch moeten mogelijk zijn
om stilaan een beetje meer orde op zaken te krijgen, al was het maar op enkele
belangrijke punten: de honger in de wereld, de gezondheidszorg, vrede,
misdaadbestrijding, het probleem van de drugs, alcohol en tabak, zorg voor het milieu
en propere energie…
Het ziet er
niet naar uit dat het voor morgen is. Het zal een grootscheepse intellectuele inspanning
vergen om de mensheid te sensibiliseren voor echte oplossingen op langere
termijn. Maar we hebben niet eens een begin gemaakt met het ernstig zoeken naar
die oplossingen. We staan vandaag niet zo heel veel verder dan tweeduizend jaar
geleden. We verdoen onze tijd met ons te amuseren terwijl er zoveel op het spel
staat. Is dat niet schrijnend?
Categorie:samenleving Tags:maatschappij
24-04-2012
Seks als oorlog
The War of the Sexes is een van de geliefde onderwerpen
van de geniale humorist en cartoonist James Thurber. Maar die oorlog is veel
langer bezig, natuurlijk. Denk maar aan Aristophanes’ Lysistrata: de vrouwen
ontzeggen hun man seksueel contact om hen te dwingen het vechten op te geven en
vrede te sluiten. Blijkbaar kan men de seksuele verhoudingen tussen man en
vrouw in die polemische termen stellen, waarbij vrouwen iets ‘hebben’ dat
mannen willen, en de vrouwen hen dat weigeren. Derhalve moeten de vrouwen
veroverd worden, ook tegen hun zin.
Een dwazere
definitie van de liefde heb ik nog niet gevonden. Als liefde oorlog is, dan
hoeft het voor mij niet meer. En toch is er wel iets van aan.
Als man voel
ik mij seksueel aangetrokken tot vrouwen. Niet enkel tot mijn partner, maar ook
tot andere. Hoe je het ook draait of keert, als ik in contact kom met een
vrouw, dan speelt mijn seksualiteit daarin steeds een rol, zelfs bij de meest
zakelijke gelegenheden, zelfs gewoon op straat. Ik bedoel vanzelfsprekend niet
dat ik mij meteen verlies in de wildste fantasieën of dat ik telkens meteen
blijk geef van mijn gevoelens. Maar de manier waarop ik naar elke vrouw kijk,
is steeds min of meer seksueel gekleurd.
Ik heb er
geen idee van of ik nu een uitzondering ben of de regel, maar ik vermoed toch
eerder het laatste. In wat ik hier verder schrijf over dit onderwerp, zal ik
enkel over mezelf spreken.
In mijn omgang
met vrouwen moet ik mij altijd aanpassen. Ik moet mijn seksuele interesse als
het ware verbergen of negeren. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ik
vermoed dat vrouwen heel snel door hebben of ik dat soort belangstelling
vertoon, zelfs als ik mij daarvan zelf niet bewust ben. Ze zien waar mijn blikken
naartoe gaan, hoe ik zenuwachtig word, mij verspreek, overdreven vriendelijk
ben, dichterbij kom…
Ik begrijp
dat dit voor vrouwen vervelend kan zijn. Ik lees en ervaar dat vrouwen die
interesse niet hebben, of niet tegenover elke man. Zij slagen er blijkbaar wel
in om zakelijk te blijven, om hun job te doen en zich niet te laten afleiden
door het seksuele. Ik heb er geen idee van of dit zo is. Zijn vrouwen minder
seksueel dan mannen? Ik zou het niet weten. Maar ik ben bereid om het aan te
nemen. Dat verklaart dan waarom vrouwen vaak korzelig reageren op seksuele
avances van mannen. Er is een verschil van benadering. Bij de man is er een
seksuele geladenheid, bij de vrouw niet of minder. De vrouw zal dan de seksuele
belangstelling of toenadering als ongewenst of ongepast ervaren: zij is daar op
dat moment niet mee bezig.
Meteen
zitten we in de war of the sexes: de
mannen willen wat van de vrouwen, de vrouwen willen dat niet. Er is daarvoor een
fysische en genetische onderbouw: mannen kunnen op korte tijd enorme
hoeveelheden kleine zaadcellen produceren, vrouwen maandelijks één grote eicel.
Het zijn de vrouwen die zwanger worden, bevallen, zogen en het grootste deel
van de verzorging van de kinderen op zich nemen. Mannen kunnen hun genetisch
materiaal dus heel gemakkelijk verspreiden over verscheidene partners, vrouwen
niet. Zij hebben een veel beperkter aantal kansen, die ook nog veel meer
inspanningen vergen. Zij moeten meer investeren in hun nakomelingen. Vrouwen
zijn bijgevolg kieskeuriger in hun seksuele belangstelling. Zij zullen kiezen
voor goede genen en daarvoor afgaan op het uiterlijk van de man, maar ook voor een
zorgzame man, die zijn verantwoordelijkheid opneemt en bijdraagt in de
opvoeding op lange termijn. Genetisch gezien zijn mannen dus altijd
geïnteresseerd in seks, vrouwen niet; zij gaan meer selectief te werk.
Dit is een
zeer ruwe schets, die echter vrij goed overeenkomt met de werkelijkheid. Dat
merken we wanneer er weer eens een geval van ongewenst of ongepast seksueel
gedrag of seksuele intimidatie in het nieuws komt, omdat een van de betrokkenen
een bekende figuur is. Laten we even stilstaan bij de terminologie.
Er is een
verschil tussen ongewenst en ongepast seksueel gedrag. Als een vrouw niet geïnteresseerd
is, is het gedrag van de man ongewenst. Alles hangt dus af van de vrouw. Dringt
de man, ondanks duidelijke signalen van de vrouw, toch aan, dan is er sprake
van seksuele intimidatie. De man respecteert dan de duidelijke wil van de vrouw
niet. Hij dringt zijn eigen wil op en dat is altijd fout. Als dat gepaard gaat met
geweld, onder welke vorm ook, dan spreken we van verkrachting. Het gaat er hier
niet om wat de man doet of verlangt. Het is voldoende dat de vrouw te kennen
geeft dat ze het niet wil. Als zij het wel wil, dan zijn dezelfde handelingen
immers niet meer ongewenst en dan is er in feite niets aan de hand: zij hebben
samen beslist om seksueel contact te hebben.
Ongepast
seksueel gedrag verwijst naar normen en waarden en reglementen. Het gaat dan
niet over de vraag of de vrouw instemt, maar of bepaalde gedragingen op zich maatschappelijk
toelaatbaar zijn. Wanneer een man in de lift in de billen knijpt van een vrouw,
dan gaan we ervan uit dat dit ongepast is. Dat verwijst naar regels of
afspraken of gewoonten. Soms zijn die regels duidelijk, maar vaak ook niet.
Franstalige collega’s kussen elkaar dagelijks als ze aankomen op kantoor,
Vlamingen doen dat niet. Als je als Franstalige dus je Vlaamse collega’s begint
te kussen bij de ochtendlijke begroeting, is dat ongepast. In sommige bedrijven
is het verboden om relaties te hebben met collega’s op de werkvloer. Doe je dat
toch, dan is dat ongepast en zelfs ontoelaatbaar. Wat ongepast is, hangt af van
de heersende gewoonten, van wat men als normaal beschouwt. Meestal weten we
zeer goed waar de grens ligt. Maar dat is niet altijd voldoende om ons ervan te
weerhouden die grens te overschrijden.
Het kan behoorlijk gecompliceerd worden. Vrouwen kunnen geïnteresseerd
zijn of niet. Hoe kan je dat weten? You
can’t blame a guy for trying, zegt men. Je doet een poging en de vrouw reageert
daarop zoals ze wil, aarzelend, instemmend of afwijzend. Je stemt je gedrag
daarop af en er is niets aan de hand, denk je dan. Maar dat is niet zo. Zelfs
gewoon proberen kan ervaren worden als storend, hinderlijk, beledigend, onaanvaardbaar.
Als een getrouwde man een andere vrouw benadert, dan is dat volgens bepaalde
wetten, reglementen, gewoonten en gebruiken ongepast en zelfs ongewenst. Een
gehuwde vrouw mag ervan uitgaan, volgens die redenering, dat men haar niet zal benaderen
met seksuele voorstellen. Elke overtreding is meteen ongewenst en ongepast. Je
bent dus al fout als je het maar probeert.
In de
praktijk echter… Mannen en vrouwen gaan op allerlei manieren om met elkaar.
Vaak volgen we de regels, vaak ook niet. We vinden allemaal dat er regels
moeten zijn, maar als het erop aan komt, overtreden we ze zonder er lang bij
stil te staan. We doen wel eens dingen waarover we later spijt hebben. Ik
bedoel daarmee dat we dat soms samen doen, twee (of meer?) mensen die zonder echte
dwang dingen doen die ze beter niet zouden doen. Maar het kan ook zijn dat we
ons te buiten gaan aan ongewenst en ongepast seksueel gedrag, waarbij we
gebruik maken van onze machtspositie om seksuele handelingen te stellen met
partners die dat niet willen, die zich er niet kunnen tegen verzetten.
Er zijn ook
situaties waar de beide partners eventueel instemmen, maar waarbij we toch
moeten spreken van ongepast seksueel gedrag. De wet bepaalt de leeftijd voor
seksueel verkeer. Seks tussen volwassenen en minderjarigen is verboden. Seksuele
relaties tussen werknemer en werkgever en tussen opvoeders en hun leerlingen is
eveneens bijna steeds verboden. Incest, seks tussen nauwe bloedverwanten is
eveneens verboden. Deze verboden gelden los van de vraag of er instemming is of
niet.
Er zijn dus
zeer duidelijke regels die men verplicht moet naleven. Er zijn anderzijds een
aantal gewoonten en gebruiken die we het best niet verstoren, maar hier is er
een grijze zone, waarbinnen elkeen zijn gedrag zelf moet bepalen. Heel wat
mensen menen dat seks buiten het huwelijk kan. Er zijn geen wetten die het
verbieden, en als die er zijn worden ze hier bij ons omzeggens niet toegepast.
Vroeger was er de kerk die overspel als doodzonde beschouwde, maar aan de
morele regels van de kerk laten nog slechts heel weinig mensen zich ook maar
iets gelegen, terwijl ook vroeger de overtredingen ervan legio waren.
Wij moeten
dus in veel gevallen zelf uitmaken wat we willen doen en laten op het gebied
van seksualiteit. Een van de belangrijkste elementen in deze discussie is de recente
algemene beschikbaarheid van betrouwbare voorbehoedsmiddelen. Vroeger was seks
nauw verbonden met voortplanting: het risico op ongewenste zwangerschap was
zeer reëel. Dat weerhield een aantal mensen ervan om een seksuele relatie te
beginnen of occasioneel seks te hebben. Nu kan dat zonder gevolgen en dat heeft
een grote invloed op de spelregels. De genetische onderbouw, die helemaal gebouwd
is op de voortplanting, niet op seks op zich, is grotendeels verdwenen. Seks
die concreet gericht is op de voortplanting gebeurt in feite heel weinig. Wij
hebben weinig kinderen, tijdens een beperkte periode van ons leven. Het
grootste gedeelte van onze seksuele contacten heeft niets met de voortplanting
te maken. Seks heeft dan allerlei andere functies. Men heeft het over
recreatieve seks, casual sex of ‘terloopse’
seks, over seks als bindmiddel tussen partners, over therapeutische seks…
We leven in
een andere wereld dan onze ouders, een andere wereld dan toen wij jong waren.
Maar het is even wennen, de oude regels zijn er stevig in gehamerd, dat raak je
niet zomaar kwijt. We verkennen de nieuwe grenzen en verwerpen de oude verboden,
die nu zinloos zijn. We moeten leren leven met nieuwe maatschappelijke regels
en afspraken, of met het ontbreken daarvan.
We kunnen
vandaag gelukkig veel opener zijn over seks dan ooit tevoren. We hebben
afgerekend met het dwaze, perverse taboe dat de kerk op alle lichamelijkheid en
vooral op seks had gelegd. Aan iedereen die zich vragen stelt over een nieuwe
seksuele moraal zou ik deze raad geven: praat erover, op een eerlijke, open en volwassen
manier. Dat is waar het veelal mis gaat. Als je je aangetrokken voelt tot
iemand, zeg dat dan, op een beschaafde, vriendelijke, attente manier. Geef de
andere de kans om je even vriendelijk ja of nee te zeggen. Het zijn de
onhandige demonstraties van onze seksuele interesse die voor problemen zorgen:
steelse aanrakingen, veelbetekenende blikken, misbruik maken van situaties,
onstuimige toenaderingen, geweld… Wij zijn seksuele wezens, laten we dat
aanvaarden, daar is niets verkeerds aan, integendeel. Laten we over onze
gevoelens voor anderen praten, met henzelf, of met goede vrienden. Dat lijkt me
de beste manier om conflicten te vermijden. You
certainly can blame a guy for trying! Maar je kan iemand niet kwalijk nemen
dat hij of zij zich aangetrokken voelt tot een andere persoon. De beste manier
om daarmee om te gaan, is er openlijk voor uitkomen op een rustige, niet
agressieve manier. Wij zijn geen dieren, wij kunnen praten. In tegenstelling
tot wat wij vroeger dachten, zal erover praten de romantiek niet verbreken,
maar juist verhogen, omdat we elkaar dan meer als volwaardige mensen benaderen.
Zo kan er stilaan
een nieuwe seksuele cultuur ontstaan, waarin het respect voor de andere voorop
staat. Seks heeft een belangrijke plaats in ons bestaan. Laten we het niet
verknoeien, laten we er iets moois van maken.
Categorie:samenleving Tags:maatschappij
23-04-2012
de vogelen des hemels en de leliën in het veld
24 Niemand kan twee heren dienen: hij
zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn
aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon. 25
Daarom zeg ik jullie: maak je geen zorgen over jezelf en over wat je zult eten
of drinken, noch over je lichaam en over wat je zult aantrekken. Is het leven
niet meer dan voedsel en het lichaam niet meer dan kleding? 26 Kijk naar de
vogels in de lucht: ze zaaien niet en oogsten niet en vullen geen
voorraadschuren, het is jullie hemelse Vader die ze voedt. Zijn jullie niet
meer waard dan zij? 27 Wie van jullie kan door zich zorgen te maken ook maar
één el aan zijn levensduur toevoegen? 28 En wat maken jullie je zorgen over
kleding? Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld. Ze werken
niet en weven niet. 29 Ik zeg jullie: zelfs Salomo ging in al zijn luister niet
gekleed als een van hen. 30 Als God het groen dat vandaag nog op het veld staat
en morgen in de oven gegooid wordt al met zo veel zorg kleedt, met hoeveel meer
zorg zal hij jullie dan niet kleden, kleingelovigen? 31 Vraag je dus niet
bezorgd af: “Wat zullen we eten?” of: “Wat zullen we drinken?” of: “Waarmee
zullen we ons kleden?” – 32 dat zijn allemaal dingen die de heidenen najagen.
Jullie hemelse Vader weet wel dat jullie dat alles nodig hebben. 33 Zoek liever
eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere
dingen je erbij gegeven worden. 34 Maak je dus geen zorgen voor de dag van
morgen, want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg
aan zijn eigen last. (Mat.
6)
A
ls
ik naar de vogels kijk in
de tuin en op de voederplank, dan verbaas ik me inderdaad over de pracht van
hun pluimage. Een simpel meesje, de merel met zijn felle geelomrande ogen, de
Vlaamse gaai met de schitterende blauwzwarte sierveertjes, de plompe bosduif,
de pastelkleurige tortel, de onopvallende heggenmus, de schuwe goudvink, de
majestueuze reiger met zijn trage wiekslag… Ze zijn zoveel mooier uitgedost dan
de vreemde mensenstoet op een zaterdagnamiddag in een drukke winkelstraat. Als
een mens er naar mensennormen echt goed wil uitzien, staat hem of haar een
zware taak te wachten, tenzij je nog jong bent en een lijf hebt met volmaakte proporties,
dat nog het best naakt zijn pure schoonheid onthult.
Zorgt God
voor de vogels en voor de bloemen en planten? Heeft hij als een modeontwerper
hun oogstrelende pakjes bedacht? Voor ons plezier misschien? Kom nou…
Wij weten
goed genoeg dat een aantrekkelijke verpakking ons beïnvloedt. Wij maken
spontaan de band tussen mooi en goed. Een knappe man of vrouw heeft althans
dat: ze zien er goed uit en dus worden we tot hen aangetrokken. Misschien zijn
ze aartslui en gepatenteerde leugenaars en onverbeterlijke kleptomanen, maar
dat zien we later wel. Iemand met een verzorgd uiterlijk bewijst dat hij of zij
belang hecht aan zijn voorkomen; wie zich verwaarloost, stoot anderen af.
Waarom zijn
de dieren en de bloemen en de planten vanzelf mooi en wij niet? Laten we het eenvoudiger
stellen: waarom is de natuur mooi? Of nog beter: wat is mooi?
Uit alle
mogelijke variaties van een bepaald model kiezen wij spontaan voor dat
exemplaar dat de eigenschappen optimaal belichaamt. Dat heeft te maken met
symmetrie, met de onderlinge verhoudingen, met het benadrukken van de
essentiële kenmerken en functies, met opvallende of subtiele kleuren, met de
afmetingen binnen de soort, met uitzonderlijke combinaties… Kijk naar de
reclame, dan weet je wat ik bedoel. Wij laten ons verleiden door het zeldzame volmaakte,
niet door het minder geslaagde alledaagse. Dat betekent dat levende wezens die
het volmaakte het meest benaderen, een voordeel hebben bij de voortplanting.
Bij de
paradijsvogels heeft dat geleid tot merkwaardige toestanden. Op basis van het
principe van de grotere aantrekkelijkheid en dus het groter succes bij het
voortplanten, is er bij de mannelijke paradijsvogels en ware explosie ontstaan
van vormen en kleuren en afmetingen van hun veren, vaak ten nadele van andere functies,
zoals eten en drinken en vliegen en zich onopgemerkt verschuilen voor
roofdieren. Hoe mooier, hoe meer nakomelingen. Vanzelfsprekend zijn het niet de
vogels zelf die hun veren langer of veelkleuriger maken, zij hebben daarop geen
impact. Het zijn de kleine toevallige variaties bij de voortplanting, waardoor
een bepaald kenmerk wat meer uit de verf komt, die ervoor zorgen dat het
uiterlijk van de soort evolueert in een bepaalde richting, over duizenden
jaren. Kwekers van pluimvee en huisdieren weten dat perfect: door selectief te
kweken, kunnen zij bepaalde eigenschappen benadrukken of verdoezelen, tot ze uiterst
merkwaardige resultaten bereiken.
Het is dus
niet zo dat God de dieren geschapen heeft zoals ze zijn. Al het leven is
ontstaan uit onooglijke wezentjes en de verschillende soorten zijn geëvolueerd door
zich aan te passen aan hun omgeving, in een voortdurende competitie om te
overleven en zich voort te planten. Dat is de motor van het leven. Het meesje
is zo mooi geworden omdat het zo de beste overlevingskansen heeft en zich zo
het best kan voortplanten. Wat wij mooi vinden, zijn de succesverhalen van de
natuur. Wat er is, is noodzakelijk mooi en efficiënt, op een of andere manier, anders
was het er niet. Wat niet aangepast is aan de omgeving, heeft geen kans op
overleven en sterft onvermijdelijk uit.
En de mens?
De mens
verschilt in dit opzicht niet van de andere dieren. Wij zijn een succesvolle
soort. Minder geschikte exemplaren, zoals de Neanderthalers, zijn uitgestorven,
wij hebben hun plaats ingenomen. In de mens, als soort, is de strijd voor het
overleven en de voortplanting niet gesteund op onze uiterlijke lichamelijke
kenmerken alleen, al weten we dat we nog steeds heel ontvankelijk zijn voor die
signalen, we kunnen er nauwelijks aan weerstaan. Van alle dieren hebben wij het
beste verstand, de meest complexe en efficiënte hersenen. Die helpen ons veel
beter dan welk ander lichamelijk kenmerk. Onze zintuigen, ledematen en spieren,
heel ons lichaam is veel minder goed ontwikkeld dan de meeste dieren, die ons
op alle mogelijke punten overtreffen.
Met ons
verstand kunnen wij al onze handicaps overwinnen. Wij kunnen niet vliegen zoals
de vogels? Dat dacht je maar! Wij vliegen de hele wereld rond, de hele dag, zelfs
voor ons plezier, veel sneller en meer comfortabel, zonder zelf enige
inspanning te moeten doen. Wij zijn niet zo snel als een jachtluipaard? Vergeet
het: op de fiets of gemotoriseerd zijn we veruit de snelste, ook weer zonder
ons te vermoeien. Wij zien niet zo goed als een havik? Toch wel: we hebben verrekijkers
en telescopen en microscopen. Je ziet het patroon: wij zijn de machtigste
diersoort, niet omdat ons lichaam ontwikkeld is tot het meest efficiënte instrument
voor het overleven en de voortplanting, maar omdat we de grenzen van ons
lichaam overschreden hebben. De ontwikkeling van ons lichaam is niet het
voorbeeld van de paradijsvogels gevolgd, wij hebben hun veren niet, wij kunnen
ons niet met hen meten met ons ietwat onhandig en in vergelijking zelfs onaantrekkelijk
lichaam. Maar wij zijn alle andere dieren te slim af.
Bij ons heeft
de evolutie vooral gewerkt op de hersenen en het gebruik ervan. Grotere
hersenen in verhouding tot de lichaamsomvang, meer gedifferentieerde functies
van de hersenen, dat was bij de mens de motor in de evolutie. Bij de
dinosauriërs was dat net andersom: machtige, reusachtige lijven, maar een
relatief klein verstand en dus veel kwetsbaarder, veel meer onderhevig aan de
wisselingen van het klimaat en natuurrampen. Wij hebben het overleefd, zij
niet. Wij zijn de diersoort die vandaag het aanschijn van de aarde bepaalt. Wij
hebben geen echte concurrenten meer, wij hebben het pleit gewonnen, misschien
zelfs definitief. De keerzijde van onze macht is, dat we ook in staat zijn om
onze wereld en onszelf voorgoed te vernietigen.
Als we de
tekst van Matteüs opnieuw lezen, dan valt het op hoe dwaas hij is, ondanks de
poëzie die hij uitstraalt. Als wij ons geen zorgen zouden maken over wat we
eten en drinken en hoe we gekleed gaan, kortom hoe we overleven, dan waren we
er niet meer. Als we als soort, zoals de paradijsvogels, zouden geïnvesteerd
hebben in het ontwikkelen van opzichtige veren, dan waren we nu… paradijsvogels.
Je kan je dan de vraag stellen wat je het liefst zou zijn, maar dat is onzin.
We zijn wie we zijn, we kunnen niet terug, we zijn uit het paradijs verjaagd,
of liever: we hebben het paradijs verlaten en hebben de hele wereld veroverd.
Dat is niet op alle punten een succes geworden, maar wie zou er ernstig aan
denken, mocht die keuze mogelijk zijn, om een paradijsvogel te worden? Of een
koi? Of een Vlaamse gaai?
Dieren
hebben geen beschaving zoals de mens. Zij leven een zeer eentonig en oninteressant
leven. Bekijk de koeien eens in de wei. Als dat iets is voor jou, nou, doe
maar, maar niet voor mij dank je wel! Ik zit hier op mijn laptop dit verhaal te
schrijven, luisterend naar een strijkkwartet van Schönberg, in een gezellig
verwarmd en verlicht huis, met een goed gevulde koelkast in de buurt,
uitkijkend over een aangename tuin, wachtend op de terugkeer van mijn levensgezellin,
die met de auto inkopen is gaan doen in de naburige stad; ik ben verzekerd
tegen allerlei onheil, ik kan beroep doen op allerlei diensten, de medische
verzorging is de beste ter wereld; als gepensioneerde ben ik financieel
onafhankelijk, ik heb niets tekort. Mijn huis staat vol boeken en cd’s en dvd’s
en schilderijen van Lut (en goedkope postuurtjes die ik verzamelde); via internet heb ik toegang tot de hele
beschaving en contact met mensen zoals ik… Zou ik een paradijsvogel willen
zijn? Wat denk je?
De natuur
zorgt voor de planten en de dieren, zou je kunnen zeggen. De natuur zorgt dus
voor zichzelf en dat is wat planten en dieren doen. Dat is ook het geval voor
de mens. De natuur heeft ons voortgebracht, na meer dan tien miljard jaar. Maar
het heeft geen zin om te doen zoals de Bijbelse vogelen des hemels en de leliën
in het veld. Wij zijn geen vogels en geen bloemen, we zijn mensen. Als wij niet
voor onszelf zorgen, dan doet niemand dat. Trouwens, het klopt ook helemaal niet
dat de vogels en de bloemen zich geen zorgen maken: het enige dat ze doen is
precies zorgen dat ze overleven en zich voortplanten, dat is het enige waarop
ze gericht zijn, veel radicaler dan wij. Wij hebben tenminste nog de
mogelijkheid om bewust uit de rat race
te stappen en momenten of periodes van rust en bezinning in te lassen. De
natuur zorgt niet voor de vogels en de planten als een zorgzame vader: de
natuur is een onverbiddelijke strijd op leven en dood, daar is geen liefde mee
gemoeid, wie dat zegt, kent de rauwe natuur niet.
Het is dus
geen nuttige boodschap die we bij Matteüs lezen. Wij kunnen niet vertrouwen op
een Hemelse Vader die weet wat wij nodig hebben en die het ons zomaar overdadig
zal schenken. Zelfs dat ene zinnetje aan het einde van deze perikoop: Zoek liever eerst het koninkrijk van God en
zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden,
helpt ons niet echt. Want wat is dat koninkrijk en wie is die God? Zelfs als
wij gerechtigheid nastreven, wil dat nog niet zeggen dat die er ook komt voor
iedereen. Het is weinig waarschijnlijk dat wij hier op aarde ooit in een
volmaakte maatschappij zullen leven, waarin niemand iets tekort heeft, niemand
iets misdoet, niemand ziek is, niemand verongelukt, niemand verdriet heeft… De
hemel bestaat niet, het is een onbereikbaar ideaal, nu en later. Het is
duidelijk wat we moeten doen: bezorgd zijn om de dag van morgen, want als we
dat niet doen, dan gaat het zeker fout.
Straks na
het middagmaal zal ik de kruimels van de tafel en de zwoerdjes eerlijk verdelen
tussen de voederplank en de vissen in de vijver, een klein extraatje bij wat de
Hemelse Vader hen geeft: de zaden van planten die zo een kans op voortplanting
missen, de insecten die ook liever in leven zouden blijven en de wormpjes en de
larven, allemaal levende wezens zoals wij, die ook allemaal gevoed worden door
de Hemelse Vader. Ach, wat al onzin!
Deze
Bijbeltekst behoort tot de meest geliefde van heel de christelijke cultuur.
Maar als je er dieper op ingaat, stel je vast dat je er niets mee kunt
aanvangen. Het klinkt goed, ook al omdat het ons zo vaak herhaald is dat we er
niet meer bij nadenken en zeggen: inderdaad, zo is het, laten we doen zoals de
vogels en de lelies. Het is een tekst als een paradijsvogel: mooi, maar niet
bepaald efficiënt. Het zet de wereld op zijn kop: de Natuur zorgt niet voor
ons, wij moeten voor de natuur zorgen. In deze Bijbeltekst zijn geen
levenslessen te rapen. Lees maar beter eens iets over Darwin. Of maak eens een
wandelingetje en kijk om je heen: daar is wijsheid te vinden voor mensen die
nadenken en bezorgd zijn om elkaar en om het leven op aarde. Mensen die geen
heren willen dienen, in de hemel of op aarde, maar elkaar genegen zijn.
Categorie:levensbeschouwing Tags:wetenschap
19-04-2012
Nescio: wat Spinoza niet wist
Het lezen
van de Ethica van Spinoza is een
bijzondere ervaring. Voortdurend stoot je op pareltjes die je zo zou willen
inkaderen. Een daarvan vind je in E III p22 s: Quo autem nomine appellanda sit Laetitia quae ex alterius bono oritur,
nescio. Ik vertaal vrij: ‘Hoe we echter de Vreugde moeten noemen die
ontstaat uit het goede van een ander persoon, dat weet ik niet.’
Spinoza die
iets niet weet en dat openlijk toegeeft, het doet je wel even opkijken. Bovendien
is wat hij beschrijft niet eens uitzonderlijk. Het is het goed gevoel dat je
hebt als je merkt dat iemand jouw lief en leed deelt. Vreugde die haar
oorsprong vindt in het goede dat je ondervindt van iemand anders, daar is toch
niets speciaals aan?
Het verrassende
probleem waarop Spinoza wijst, betreft niet dit gevoel, deze emotie, want die
kennen we allen. Hij merkt fijntjes op dat er voor dat nochtans bekende gevoel letterlijk
geen woorden zijn, het heeft geen naam, zoals ze in Antwerpen zeggen.
Spinoza zet
je altijd aan het denken. Door te stellen dat hij, die wel alles lijkt te
weten, iets niet weet, dwingt hij je om te proberen het wel te weten. Zo
moeilijk kan dat toch niet zijn? Het kan toch niet dat wij voor alles een naam
hebben bedacht, maar niet voor dat warme gevoel van gedeelde vreugde? Tot je het
zelf probeert…
Spinoza
vertrekt van de vaststelling dat wij emotioneel reageren op wat ons overkomt:
ofwel hebben we er een goed gevoel bij (Laetitia,
vreugde) ofwel niet (Tristitia, droefheid)
ofwel wekt het onze begeerte op (Cupiditas).
(E III p 15)
Als wij bij
iets een goed gevoel hebben, dan hebben wij dat ‘iets’ lief (amare). Indien niet, haten we het (odi). (E III p 15 c)
De gedachte
alleen al aan het voorwerp van onze liefde vervult ons met vreugde en de
gedachte dat er iets slechts mee zou gebeuren, maakt ons ongelukkig. (E III p
21)
Wanneer
iemand anders liefdevol staat tegenover het voorwerp van onze liefde, koesteren
wij positieve gevoelen tegenover die persoon. Staat die andere er negatief
tegenover, dan zullen wij die persoon haten. (E III p 22)
Deze
positieve of negatieve gevoelens tegenover de anderen worden dus veroorzaakt
door hoe zij staan tegenover de dingen die wij liefhebben of haten: wij zullen
hen haten omdat ze onze liefde en haat niet delen, of liefhebben omdat ze
dezelfde dingen als wij goed of slecht vinden. De reden van onze gevoelens
tegenover hen ligt dus buiten ons, ze ligt in de houding of de daden van de
andere. (E III p22 d)
Wanneer iemand
anders het voorwerp van onze liefde kwaad (damno)
berokkent, dan voelen we ons daar slecht bij, we beklagen ons beminde goed, het
wekt ons medelijden (commiseratio) op
voor het het voorwerp van onze liefde. Dat medelijden wordt geboren uit kwaad
dat een ander berokkent. Maar als iemand anders gunstig staat tegen ons geliefde
voorwerp en het goed behandelt, wat is het gevoel dat dit in ons opwekt? Wat is
dus het tegenovergestelde van commiseratio?
Dat is wat Spinoza vruchteloos probeerde te benoemen.
Het gaat dus
om het goed gevoel (Laetitia) dat wij
ervaren wanneer iemand anders onze liefde voor iets deelt. Het is niet meteen duidelijk
of Spinoza hier spreekt over onze gevoelens tegenover die andere persoon, dan
wel over onze gevoelens tegenover het voorwerp van onze liefde. Misschien maakt
dat niet veel uit, want zij zijn van dezelfde aard: we staan positief tegenover
wie onze voorkeur deelt, negatief tegen we ze niet deelt. Commiseratio, slaat echter niet op ons gevoel tegenover de andere
die onze voorkeur niet deelt; voor hem of haar voelen we geen medelijden, maar
haat. We mogen commiseratio dan niet
vertalen als medelijden, gedeelde smart, maar veeleer als intense droefheid
omwille van de schade die de ander ons berokkent.
We zoeken
dan een woord voor het goed gevoel dat we krijgen wanneer iemand anders net zo staat
tegenover wat wij goed en slecht vinden als wij. Spinoza geeft ons een aanzet,
wanneer hij onmiddellijk na zijn bekentenis van onwetendheid (nescio), verder gaat: ‘Verder (porro) is het zo dat de liefde die men
voelt voor iemand die een ander goed behandelt, we welwillendheid noemen (Favorem); de haat echter tegenover wie
een ander schade berokkent, noemen we verontwaardiging (Indignationem). (E III P 22 s)
Spinoza
lijkt ons hier in de richting te wijzen van onze gevoelens tegenover anderen,
maar dat is niet zo, meen ik. Enerzijds begint hij de zin met porro, wat een tegenstelling inhoudt:
het is veeleer ‘anderzijds’ dan een verklaring van het voorgaande. In de
volgende zin keert hij terug naar het gevoel dat we hebben tegenover het
voorwerp van onze liefde: ‘Ten slotte moeten we nog opmerken, dat wij niet alleen
droef zijn om wat wij beminnen, maar ook om wat ons voorheen onverschillig liet,
op voorwaarde dat wij het als iets van ons (similem)
beschouwen.’ Hier gaat het duidelijk om onze gevoelens tegenover datgene wat
wij beminnen, niet om de andere persoon.
Wij hebben
nu vrij goed voor ogen waarover Spinoza spreekt: het goed gevoel, de blijdschap
die wij zelf in ons voelen wanneer iemand anders positief staat tegenover onze eigen
voorkeuren. Het is het tegendeel van de droefheid die we ervaren wanneer iemand
het niet met ons eens is en onze zorgen en voorkeuren niet deelt. Het is een
blijdschap die haar oorzaak vindt in de verrassende vaststelling dat iemand dezelfde
belangstellingen, voorkeuren en ideeën heeft als wij.
Idem velle atque idem nolle, ea demum
firma amicitia est (Sallustius,
XX,4) ‘Hetzelfde willen en hetzelfde niet willen, dat is pas ware vriendschap’.
Maar amicitia slaat dan weer op de
verhouding tussen twee personen, de vriendschap die hen bindt. Amor, liefde eveneens. Toch meen ik dat
we het antwoord op het raadsel, of de radeloosheid van Spinoza daar moeten
zoeken.
Als wij ons blijven
concentreren, zoals Spinoza doet in deze passages uit de Ethica, op de gevoelens, de affecten die wij ervaren, dan lopen we
hopeloos vast. Er zijn duizend manieren om onze gevoelens te beschrijven en al
de woorden die we kennen volstaan niet om dat adequaat te doen. Commiseratio is maar een woord en het
kan op allerlei manieren worden verklaard en vertaald. Het tegenovergestelde
ervan? Dat hangt helemaal af van de vertaling. Tegenover ‘droefheid’ staat ‘vreugde’.
Spinoza heeft blijkbaar geen woord gevonden in het Latijn dat heel precies
aangeeft om wat soort droefheid het hier gaat. Zoals commiseratio maar één van de vele woorden is die je kan kleven op de
droefheid hij hier bedoelt, zo kan je een hele resem van woorden bedenken voor
het tegenovergestelde ervan: vreugde in de eerste plaats, blijdschap,
opgetogenheid, blijmoedigheid, vrolijkheid, genoegen, aangename verrassing,
uitgelatenheid; je kan er vele adjectieven aan toevoegen: diepe, intense,
ontroerende, plotse, onverwachte, onverdiende… vreugde &c.
Het gaat
daarbij steeds om het voorwerp van onze gedeelde liefde, maar onvermijdelijk ook
om de relatie met die andere persoon. Wanneer wij intens blij zijn omwille van
een andere persoon, dan noemen we dat ‘liefde’ (E III p 13 s). Over die beroemde
passage in de Ethica schreef ik
vroeger al, klik
hier als je het nog eens wil nalezen. Daar gaat het dus om: een mens is
maar gelukkig wanneer hij blij is. Vriendschap, liefde is gevoelens en
verlangens en idealen en bezorgdheden delen met iemand anders.
Net zoals
Spinoza’s definitie van de liefde geen wereldschokkende waarheid is en ook niet
de kern uitmaakt van zijn betoog, moeten we ook zijn verrassende en
intrigerende bekentenis van zijn onwetendheid niet zien als een diepzinnige
probleemstelling. Ik stel me voor dat hij bij het schrijven van deze tekst
plots vaststelde dat hij in het Latijn (dat hij niet volmaakt beheerste en vaak
op een zeer eigenzinnige manier gebruikte) niet onmiddellijk een woord vond dat
perfect weergaf wat hij bedoelde. Dat is niets bijzonders: misschien is er wel
degelijk een woord en kende hij het niet, misschien is er ook geen specifiek woord
voor en kunnen we het alleen maar met twee of meer worden zeggen, zoals Spinoza
zelf trouwens ook voortdurend doet.
Hoe minder
woorden je gebruikt, hoe raadselachtiger de tekst. Hoe complexer de gedachte en
hoe nauwkeuriger het onderscheid dat je wil maken, hoe meer woorden je nodig
hebt. Soms weten we perfect wat we voelen, maar slagen er niet in om het te
verwoorden. Dan nemen we onze toevlucht tot de aloude clichés: ik heb je lief,
ik zie u graag, ik bemin je… We laten het dan aan de andere over om de diepte,
de omvang en de complexiteit en de delicate subtiliteit van onze gevoelens te
vatten.
Het is niet
omdat we er geen woorden voor hebben, dat we niet kunnen zeggen wat we
bedoelen. Wij weten bijvoorbeeld allemaal wat leedvermaak is. In het Duits is
dat Schadenfreude. Ook Spinoza
spreekt daarover in stelling XXIV s van het derde deel van de Ethica: ‘Dergelijke vormen van Haat zijn
te herleiden tot de afgunst, die mensen ertoe brengt om zich te verheugen over
het onheil van anderen en zich ongelukkig te voelen bij hun voorspoed.’
Maar hoe zeg
je leedvermaak in het Frans? Of het Engels? Of het Latijn, inderdaad? Ik
althans zou het niet weten. Nochtans is leedvermaak alleszins niet beperkt tot
het Germaanse taalgebied. Eventjes dacht ik dat Spinoza verwees naar het
tegenovergestelde van leedvermaak, waar hij het heeft over Laetitia quae ex alterius bono oritur, ‘vreugde die ontstaat uit
het goede van een andere persoon’. Dat zou mooi zijn: we hebben wel een naam
voor onze kwalijke blijdschap, ons misplaatst plezier om het ongeluk van een
ander, maar niet voor onze terechte blijdschap om zijn of haar geluk. Dat is
ook zo, ik vind daar inderdaad geen woord voor, nescio et ego. Maar een aandachtige lezing van de tekst leert ons
dat Spinoza het niet daarover heeft, maar over iets helemaal anders, namelijk
de vreugde omwille van het ontdekken en herkennen in de andere van wat ons ook
ter harte gaat.
Zo zie ja
maar. Spinoza’s raadsel verbergt geen diepe geheimen. Voor mij was het een
goede gelegenheid om deze eigenzinnige, strak geformuleerde en complexe
bladzijden uit de Ethica nog eens te
lezen. De Latijnse tekst was daarbij mijn leidraad en vaste grond. De
Nederlandse vertaling van Henri Krop uit 2008 liet me helaas vaak in de steek.
Dat hoeft ons niet te verwonderen. Er zijn over deze passages dikke boeken
geschreven en elke lezer van Spinoza staat voor nieuwe ontdekkingen, inzichten,
paradoxen en contradicties. Het is mensenwerk, dat mogen we niet vergeten.
Spinoza was
geniaal, maar niet onfeilbaar of volmaakt. Hij was de eerste om ons te wijzen
op het gevaar van vermeende heilige boeken, toen hij in de Tractatus Theologico-Politicus de Bijbel zo deskundig ontluisterde.
We moeten Spinoza even kritisch lezen. Gelukkig hebben we daartoe heel wat minder
reden dan voor de Bijbel het geval is. Spinoza wou geen kerk stichten, geen
school vormen. Hij schreef voor zichzelf en voor enkele vrienden. Hij wenste,
net zoals Copernicus, niet gepubliceerd te worden, dat gebeurde pas na zijn
dood. Hij zocht het voetlicht niet op of de grote bekendheid. En toch hebben
zijn in omvang bescheiden geschriften en zijn levenswandel steeds talrijke mensen
gefascineerd en geïnspireerd. Ik prijs me gelukkig dat ook ik hem ontdekt heb,
zij het helaas laat in mijn leven. Augustinus citerend (Conf. 10, 27, maar hij
heeft het over zijn God) stel ik ook met spijt vast: sero te amavi! Al te laat heb ik jou leren kennen en liefhebben…
iefde.
Iedereen weet waarover het gaat, maar als we vragen wat het precies is, blijven we het antwoord
schuldig. Een vaste definitie van de liefde is er niet. Of liever: er zijn er
duizenden, miljoenen zelfs. Liefde is bezongen en beschreven door de eeuwen
heen, overal ter wereld. Iedereen heeft ermee te maken, een leven lang. Het
drijft ons denken, ons voelen en ons doen. En toch weten we niet echt te zeggen
wat het is.
Dat is toch
wel vreemd. Je zou denken dat wij mensen ons toch ernstig zouden bezig gehouden
hebben met dat vreemd verschijnsel. Dat we het niet zomaar zouden ondergaan
hebben, met zijn heerlijke en deerlijke momenten, maar ons vragen zouden
stellen over hoe het in zijn werk gaat, wat liefde eigenlijk is en vooral:
waarom wij liefhebben.
Toen ik als
jonge man voor een van de belangrijkste beslissingen stond voor de rest van
mijn leven, de keuze van een partner, vroeg ik me af: is het liefde? Het was
een ontredderende vraag. Ik kon er niet op antwoorden, omdat ik verbijsterd
vaststelde dat ik niet wist wat liefde was. Wat waren de criteria? Wanneer is
het liefde en wanneer niet? Hoe kon ik dat weten? Ervaring had ik niet en al
wat ik geleerd had, uit mijn omgang met anderen, uit de literatuur, de muziek,
de populaire cultuur, op school of waar dan ook, hielp me voor geen cent.
Verliefdheid, ja, dat kende ik, je lichaam vertelt je dat feilloos. Maar
verliefdheid is geen liefde, dat weet je, je kan immers op verscheidene mensen achtereenvolgens
verliefd zijn. Verliefdheid overvalt je. En gaat ook
voorbij… Plaisir d’amour ne dure qu’un
moment…
Mijn leven
lang ben ik ervan overtuigd gebleven dat we niet weten wat liefde is. We doen
alsof, we gebruiken en misbruiken het woord voor allerlei zaken. Het dekt vele
ladingen, het heeft geen eenduidige betekenis. Het is een zo goed als
onbruikbaar woord, maar dat belet ons niet om het voortdurend te bezigen, te
pas en te onpas.
De grote
ideologieën hebben het begrip of althans het woord ‘liefde’ geaccapareerd, ze
hebben er beslag op gelegd om alles te verklaren. Het christendom, de
belangrijkste ideologie van de laatste tweeduizend jaar, draait helemaal om de
liefde. De liefde van God voor de mens en vice versa. De liefde van de Vader
voor de Zoon en vice versa. Universele naastenliefde. Alles gebeurt uit liefde, liefde verklaart alles.
En dus verklaart ze niets, aangezien we niet weten wat ermee bedoeld is.
Bij Freud
gaat het eveneens om de liefde: de liefde van de moeder voor haar kind, de
ongepaste liefde van de vader voor zijn dochter en die van de zoon voor zijn
moeder.
Maar het blijft
een vage, onduidelijke uitleg. We weten niet waarover we het hebben. Er is geen
definitie, geen afdoende verklaring. Het zijn woorden in de wind.
Daarin is eindelijk
verandering gekomen toen men vanuit verscheidene deelwetenschappen naar de
liefde ging kijken en de resultaten bundelde: de psychologie, de sociologie en
de biologie. Men spreekt dan van evolutionaire psychologie, cognitieve
psychologie, neurowetenschap, sociobiologie. We kijken naar de mens als een
biologisch verschijnsel, verankerd in de evolutie, samen met anderen levend in
een milieu en in een maatschappelijk verband, in een beschaving. We bestuderen het
menselijk gedrag op een wetenschappelijke, verifieerbare manier. We benoemen de
zaken zoals ze zijn, zonder er doekjes om te doen. We spreken over emoties zonder
emotioneel te zijn. We zoeken naar het waarom van het menselijk denken, voelen
en handelen zonder vooringenomenheid, zoals we ook het dierlijk gedrag
bestuderen.
Het
resultaat is verrassend. Er blijkt een systeem te zitten in ons gedrag, een
fysische basis voor wat we vaststellen, een aannemelijke verklaring voor wat we
denken en voelen. Geen betwistbare interpretatie zoals bij Freud, geen mystieke
uitleg zoals bij het christendom, maar een vrij eenvoudige zakelijke maar
afdoende verklaring.
Mensen zijn gericht
op hun eigen instandhouding. Dat is een. Maar zij zijn er ook op gericht om
het leven zelf in stand te houden, over de grens van de eigen dood heen. Mensen
wensen zich voort te planten. Dat is twee en dat is in feite alles. Met die
twee principes moeten we het doen.
Als we dan
kijken hoe mensen zich voortplanten, dan stellen we vast dat dit op een
specifieke manier gaat. Man en vrouw brengen hun erfelijke kenmerken bijeen in
een nieuwe cel, die zich dan in het vrouwelijk lichaam ontwikkelt tot een
nieuwe mens. Man en vrouw zorgen elk op hun manier voor het overleven van het
embryo en van de jonge, hulpbehoevende mens. Het valt daarbij op dat man en
vrouw, zoals in het dierenrijk, eigenlijk op gericht zijn op het overleven hun
eigen erfelijk materiaal. Wij proberen dus om ons specifieke eigen individuele leven,
om wat en wie wij zijn, zo goed mogelijk over te dragen naar een volgende
generatie.
Dat blijkt
uit allerlei waarnemingen en proefnemingen die men heeft gedaan bij mens en
dier. Wanneer een leeuw een leeuwin met welpen aantreft, zal hij die welpen
steeds meteen doden en de leeuwin zelf bevruchten. De leeuwin daarentegen zal
haar welpen verdedigen. Mannetjesdieren proberen steeds zoveel mogelijk
vrouwelijke dieren te bevruchten. Zij beschikken over een overdosis van
zaadcellen, die ze aan de lopende band produceren. De vrouwelijke dieren hebben
een zeer beperkte voorraad eicellen, die ze gedurende geruime tijd moeten
verzorgen, eerst in het eigen lichaam, daarna nog vele jaren daarbuiten.
Wat leert
ons dat over de liefde?
Liefde is
geen typisch menselijk verschijnsel, omdat menselijk gedrag niet erg typisch
is. Wij gedragen ons grotendeels zoals de andere dieren, omdat we nog steeds dieren
zijn, in de eerste plaats in de manier waarop wij ons voortplanten. Liefde
heeft alles met voortplanting te maken, met lichamelijkheid, met seksualiteit,
met samenleven tussen partners, en kinderen, en ouders en grootouders.
Wie zien wij
graag? In de eerste plaats onze kinderen, daarover bestaat weinig twijfel, het
is vanzelfsprekend. Maar waarom is dat zo? Als je het zakelijk bekijkt, zonder
emoties, dan kan je het zo stellen: een kind heeft de helft van jouw erfelijk
materiaal. Dat is de fysische, biologische grondslag van onze verhoudingen. Al
het overige is daarop gebouwd. Dat doet niets af van de waarde van de hele
emotionele en maatschappelijke structuur die daarop gebouwd is: verliefdheid,
erotiek, seksualiteitsbeleving, gezin, opvoeding enzovoort. Maar de basis is:
wij zijn met onze kinderen genetisch verbonden, zij dragen de helft van onze
genen in zich.
Onze
kleinkinderen beschikken volgens een eenvoudige berekening over slechts een
vierde van die genen en dat bepaalt onze houding tegenover hen even
fundamenteel.
Onze broers
en zussen hebben hetzelfde genetisch materiaal als wij. Ook dat is erg
belangrijk. Het maakt ons tot een groep: het gezin. Al de grote en kleine conflicten,
op zeer jonge leeftijd en als volwassenen, kunnen niet verhinderen dat wij
genetisch eender zijn en zo met elkaar bloedverbonden. Maar er is een
belangrijk verschil. Leven als broer en zus betekent: leven zonder seksuele
betrekkingen. Broers en zussen die vrijmoedig met elkaar opgegroeid zijn,
voelen zich niet tot elkaar aangetrokken, maar tot anderen buiten het eigen
gezin. Wij noemen dat het incestverbod, maar er hoeft niet eens een verbod te
zijn. Kinderen die samen opgroeien, ook als ze niet genetisch verwant zijn,
vermijden elkaar spontaan als seksuele partner. Pas wanneer men kinderen alle
seksualiteit en alle lichamelijk contact ontzegt, zullen zij elkaar opzoeken en
taboes doorbreken.
Broers en
zussen hebben dus wel dezelfde genen en dus zijn ze om elkaar bezorgd, maar zij
planten zich niet samen voort. Ons erfelijk systeem zit zo ineen, dat de kans
op fouten bij de voortplanting door incest aanzienlijk is. Het vermijden van
incest biedt dus een (zeer sterk) voordeel bij de voortplanting en is dus algemeen
verspreid, het is een van de meest krachtige taboes die we hebben. Voor onze
eigen voortplanting zijn onze broers en zussen, en ook onze eigen ouders en
grootouders, en zelfs neven en nichten, geen geschikte partners. Onze ‘liefde’
voor hen is dan ook navenant.
Stilaan
wordt duidelijk wat we met liefde zouden kunnen bedoelen. Het heeft alles te
maken met onze voortplanting, met de kans op voortplanting, met onze drang om
ons voort te planten, met de zorg om de overdracht van ons erfelijk materiaal in
andere mensen.
Wat dan met
onze partner, traditioneel en romantisch het eerste doel van onze ‘liefde’? We kiezen
met opzet een partner uit met wie we niet direct genetisch verwant zijn. Hoe
kan er dan sprake zijn van liefde?
Met onze
partner delen we de zorg om ons erfelijk materiaal. Wij kunnen ons erfelijk
materiaal niet voor de volle honderd procent overdragen naar onze kinderen,
maar voor vijftig procent. De andere helft komt onvermijdelijk van onze partner,
zo gaat het nu eenmaal, genetisch gezien. Man en vrouw hebben de helft van de
genen van hun kinderen. Onze kinderen hebben de helft van de genen van onze
partner, dat telt al voor iets. Wij zijn met elkaar verbonden door onze genen
die zich hebben verenigd in onze kinderen. Man en vrouw zijn onmisbaar voor de voortplanting
en voor de zorg tijdens de zwangerschap en lang daarna, een goede reden om elkaar
‘lief te hebben’.
Het is zeer
typisch dat heel wat huwelijken stranden wanneer de zorg om de kinderen wegvalt
om een of andere reden. Anderzijds beginnen (vooral) mannen nieuwe relaties
wanneer de zorg voor hun (jonge) kinderen verzekerd is: kinderen worden meestal
aan de moeder toegewezen, met (verplichte) externe steun van de biologische
vader. Als er kinderen komen in zijn nieuw huwelijk, zijn die kinderen hem even
dierbaar als die bij zijn eerste vrouw, omdat zij dezelfde genetische band
hebben met hem en met zijn nieuwe echtgenote, maar niet met zijn eerste: zij
zal die kinderen vooral als concurrenten zien voor ‘haar’ kinderen.
We kunnen zo
nog veel voorbeelden geven, maar ik laat het hierbij. Deze manier van denken
heeft mij overtuigd. Ze klopt met mijn eigen aanvoelen. Ze is gesteund op uitgebreid
en nauwkeurig wetenschappelijk onderzoek in uiteenlopende disciplines. De
bevindingen van de biologie en de geneeskunde stemmen overeen met die van het
sociologisch en psychologisch onderzoek. Met dit ‘systeem’ kunnen we de oude
waarheden en interpretaties opnieuw bekijken. Heel vaak stellen we vast dat ze heel
accuraat waren en bevestigd worden door de genetica, zoals het mythisch of
goddelijk verordend incesttaboe. Andere vallen door de mand, bijvoorbeeld het huwelijk
als een onverbreekbare band, of het freudiaans incestverlangen. Situaties die
voorheen onbegrijpelijk waren, krijgen plots zin wanneer we ze bekijken vanuit
ons nieuwe standpunt.
Vanzelfsprekend
is hiermee niet alles gezegd. De menselijke realiteit is veel complexer dan
dat. Het is evident niet zo dat kinderloze ouders niet tot liefde in staat
zouden zijn, noch dat men geen liefde zou kunnen voelen voor personen met wie we
niet genetisch verwant zijn, zoals adoptiekinderen, stiefkinderen, partners met
wie we zelf geen biologische kinderen hebben, of vrienden. Eens het ‘systeem’
van het liefhebben uitgebouwd is in de mensheid, in ons genetisch materiaal verankerd
is, kan het voor andere doeleinden gebruikt en ook misbruikt worden. Dat
verhaal maakt het grootste deel uit van onze artistieke erfenis. Maar het is
goed dat we weten en beseffen dat onze liefde geen waanidee is of een
romantische bevlieging, noch een goddelijke inspiratie, maar gegrond is in ons
diepste wezen, in wie en wat we echt zijn, voor onszelf en voor anderen.
Categorie:wetenschap Tags:maatschappij
13-04-2012
Gastgedicht: Ik weet niet waarom
Voor velen
onder ons is het internet een ontmoetingsplaats geworden. Dat is vaak eenzijdig,
wanneer we anoniem, als gluurders bijna, bekijken wat aangeboden wordt:
nieuwsberichten, aankondigingen, porno, Wikipedia, blogs… Meer en meer
ontdekken we een andere dimensie van de socialmedia: het interactieve. Dat vind je
vooral op de sociale netwerken, zoals Facebook en zo. De omvang van de inhoud
is daar minimaal, het contact, het gesprek is alles.
Ik beoefen
hier sinds zes jaar het bloggen. Ik bied mijn lezers teksten aan. Zo treed ik
naar buiten en ontmoet zo anderen. Ook dat blijft nogal eenzijdig. De overgrote
meerderheid van mijn lezers blijft anoniem, zij consumeren het aanbod en laten
het daarbij. Sommigen niet: zij reageren, meestal occasioneel, eenmalig zelfs,
en bondig. Af en toe ontwikkelt zich een gesprek, over het algemeen van vrij
korte duur, omdat het stilvalt of afgebroken wordt. Met enkele internetvrienden
blijf ik aan de praat. Dat gaat dan via mails over en weer, een telefonisch of
videogesprek, uitzonderlijk zelfs een ontmoeting bij mij thuis of bij hen.
Ik ben een
schrijvend wezen, ik schrijf de hele dag, heb dat mijn hele leven al gedaan,
ook in beroepsverband. Nu schrijf ik mijn blogteksten, maar ook heel wat andere
teksten en notities die het daglicht niet zien. Af en toe waag ik me aan een
reactie op iets dat ik lees op FaceBook of zo, maar daar kan je geen langere
commentaren kwijt. Met Twitter is dat nog meer zo, dus dat trekt me niet aan. Van
forums houd ik mij ver, de onverdraagzame agressiviteit en boertigheid die je
daar veelal ontmoet, schrikt me af.
Daarnaast
onderhoud ik zoals gezegd contacten met enkele correspondenten. Het zijn soms
vrij lange brieven die ik schrijf. Ik houd ervan om me zo uit te drukken, dat
ligt me, het geeft me veel voldoening.
Laatst kreeg
ik een heel mooie (e-mail)brief van iemand die toevallig op mijn Kroniek was
terechtgekomen bij het zoeken naar iets over Iris Murdoch, klik
hier als je die tekst nog eens wil nalezen. In haar reactie verwees ze naar
een gedicht dat ze had geschreven over deze auteur, die op het einde van haar
leven getroffen werd door de ziekte van Alzheimer. Omdat ik er zo door geraakt was,
vroeg ik haar of ik het gedicht hier mocht afdrukken en tot mijn grote
voldoening stemde ze daarmee graag in. Hieronder vind je het gedicht, een
gastbijdrage als het ware. Geniet ervan, en dank je wel, Hanneke Driever.
Ik weet niet waarom
ik zou niet weten waarom ik schrijven zou
heb ik
John, heb ik niet ooit geschreven, vraag ik hem, ik weet hem soms nog mijn man,
als hij me kan vinden en ik mezelf en mijn bril
mijn hele ik en dan de rest ervan kijkt naar hem op en vraagt even of ik het
ware
heb ik echt geschreven lieve John?
ik hoor zijn antwoord zittend in het zand dat alleen mijn hand zich nog
herinnert, waarheen hij me meegenomen heeft
maar ik weet niet waarom
het zand was vroeger los en niet zo solide als toen de klok plotseling
wil ik mijn platenboek
dus gaan we nu naar huis John, want de rommel weet ik daar en alles nog
en jij zet thee heet het platenboek?
thuis weet ik niet waarom mijn chaos niet vertrouwd, ineens onvast geworden is
en dan vouw ik me
wring me eruit ik ga op zoek naar vroegere oevers zonder netten
zijn ze niet meer van de zee
ik roep de hond: Apollo
Bacchus hier!
kijk, de man heeft me gevonden en zet thee
de graaf! ik weet hem
de hemel, lieve John, ik weet je weer, is een diep kasteel op zand gebouwd
soms weet ik Hartley oude vrouw en de meedogenloosheid van tijden
noch het onvermijdelijke alsmaar weer en overkomelijk verdriet
de wanen die monsters oproepen en andersom
en wat er tussen Socrates en Sartre was
ik kan er niets meer mee
het is negen uur en het ronde hoekt, breng me naar bed John
en blijf bij me of ik ga en als ik ga
zoek me dan maar niet
laat me mijn eervolle aftocht
drapeer de zee, drapeer de zee
die van vanochtend maar om mijn lijf dat pijn doet --ja zo-- ik dank je
zeg je beleefd goedenacht
ik ga van Bruno dromen