Ik ben Karel D'huyvetters
Ik ben een man en woon in Werchter (Vlaams-Brabant, België) en mijn beroep is gepensioneerd universiteitsambtenaar.
Ik ben geboren op 16/01/1946 en ben nu dus 66 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: cultuur, literatuur, muziek, klokken, astronomie en tijdrekening, etymologie, koken, talen, levensopvatting, typografie en drukkunst, poëzie, kruiden, boeken, internet.
Mijn blog is mijn hobby, mijn uitlaatklep, mijn blik op de wereld, mijn intellectuele uitdaging, mijn contact met de buitenwereld. Ik hoop dat mijn lezers er ook iets aan hebben.
mijn blik op de wereld vanaf 60 Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin. Elke week zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geďnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1000! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating. Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
21-02-2012
Eitjes en zaadjes
M
ijn
eerste seksuele voorlichting kreeg ik verscheidene jaren na mijn seksueel ontwaken. De gekleurde
platen met ovaria en testes stonden zo ver af van de levende wezens om mij
heen, dat ik er niet de minste belangstelling kon voor opbrengen. De biologie van
de menselijke voortplanting was toen het laatste van mijn zorgen of mijn
nieuwsgierigheid. Over seksualiteit praatte men niet.
Dat maakt
dat ik tot vandaag bitter weinig afweet van de biologische processen die zich
bij onze voortplanting afspelen. Dat bleek nog maar eens tijdens een gesprek daarover
met Jacques, mijn internetvriend uit ’s Hertogenbosch. Omdat geen van ons
precies wist hoe het eraan toe gaat, kreeg ik als opdracht om dat ‘even’ na te
kijken.
Op Wikipedia
vind je massa’s informatie; het is dan de kwestie om het kaf van het koren te
scheiden. Ook gewoon begrijpen wat er staat is al een hele klus: het wemelt van
wetenschappelijke termen die bovendien allemaal erg op elkaar lijken. Toen ik
besloot om er een stukje over te schrijven, heb ik me voorgenomen om geen enkel
moeilijk woord te gebruiken. Ik hoop dat het lukt.
Wij planten
ons seksueel voort. Eenvoudig gezegd betekent dat, dat we met zijn tweeën
moeten zijn, een mannetje en een vrouwtje. Elk van beide brengt voortplantingsmateriaal
voort, het vrouwelijke eitje en het mannelijk zaadje. Die verenigen zich en dat
bevruchte eitje groeit uit tot een baby. Dat lijkt evident, maar het heeft wel ‘even’
geduurd voor zelfs de wetenschap daarachter gekomen was; 150 jaar geleden was
dit nog een veronderstelling.
Sindsdien
weten we er veel meer over. De eitjes en de zaadjes zijn heel bijzonder: ze
bevatten maar de helft van de informatie die een normale menselijke cel heeft,
het zijn dus halve cellen. Door de samenvoeging van twee halve cellen, vormt
zich een nieuwe volledige cel, het bevruchte eitje.
Het aanmaken
van die ‘halve’ cellen gebeurt op een eigenaardige manier. Bij de mens zijn er
in elke (volledige) cel 23 paar dragers van kenmerkende eigenschappen. In een
voortplantingcel niet. Van elk paar wordt telkens slechts één van de beide
dragers genomen, de ene of de andere, willekeurig, de linkse of de rechtse, zeg
maar.
Aangezien
wij helemaal gemaakt zijn uit zo’n samengevoegde cel, dragen wij dus allemaal het
materiaal van onze ouders. De helft komt van onze vader, de andere helft van
onze moeder. Maar let nu even goed op: bij elk zaadje en eitje is er die
willekeurige keuze tussen de linkse en de rechtse drager, een die we van onze
vader hebben of een van onze moeder. Er zijn dus heel wat combinaties mogelijk,
namelijk 2 tot de 23ste macht, of 8.388.608 verschillende
mogelijkheden.
Het is dus
niet zo dat wij altijd identiek hetzelfde voortplantingsmateriaal aanleveren in
onze zaadjes en eitjes. Dat zorgt voor de aanzienlijke variatie die we in onze
kinderen zien; ze lijken in het beste geval wel op elkaar, maar ze verschillen
ook heel sterk, naargelang de combinatie van kenmerken in het zaadje en het
eitje waaruit ze ontstaan zijn.
Er is nog
een tweede belangrijk moment bij de overdracht van de kenmerken. Dat gebeurt
bij de samenvoeging van het eitje met het zaadje. De twee halve cellen voegen
zich niet naadloos bij elkaar, de 23 kenmerken van de vader gaan niet netjes naast
die van de moeder liggen, nummer 1 naast nummer 1 enzovoort. Het gebeurt wat
meer rommelig. Bovendien zorgt de samenvoeging voor conflicten in elk paar: nu
eens is het kenmerk van de vader overheersend, dan weer dat van de moeder. Daardoor
is het niet vooraf te voorspellen welke kenmerken het kind uiteindelijk zal
hebben.
Die vrij
ingewikkelde toestand heeft zijn voordelen. De overdracht van negatieve
kenmerken wordt zo min of meer vermeden en die van goede veeleer bevorderd.
Het kan ook
fout lopen en wel in beide processen. Het eitje of het zaadje, of zelfs allebei,
kunnen fouten vertonen. Dat kan de samenvoeging verhinderen, of het kan leiden
tot een onvolmaakt kindje, bijvoorbeeld het syndroom van Down. Maar ook ‘volmaakte’
zaadjes en eitjes kunnen op een onvolmaakte manier samensmelten en ook dat kan
resultaten geven die veel minder dan goed zijn.
Dit lijkt me
al meer dan genoeg voor vandaag. We onthouden dat al onze cellen afkomstig zijn
van onze vaders en onze moeders, elk voor de helft. Maar bij het aanmaken van de
zaadjes en eitjes gebeurt er een willekeurige keuze tussen elk gegevenspaar,
zodat we nu eens een kenmerk doorgeven dat we van onze moeder hebben, dan weer
een van onze vader. Zo zit er verschil op de eitjes en zaadjes die een persoon
aanmaakt en dat verschil zie je ook in onze kinderen.
Ik heb geprobeerd
om een vrij ingewikkeld proces begrijpelijk voor te stellen, zonder moeilijke
woorden. Ik hoop dat ik erin geslaagd ben, maar ik hoop vooral dat mijn uitleg
ook klopt, dat ik de geleerde uitleg goed begrepen heb. Als iemand het beter
weet, dan hoor ik dat graag.
Categorie:wetenschap Tags:wetenschap
19-02-2012
Spinoza's Theologisch-politiek tractaat
D
e
voorbije weken heb ik nuttig
en aangenaam doorgebracht in het gezelschap van Spinoza’s Tractatus Theologico-Politicus.
Ik gebruikte
daarvoor:
Spinoza, Theological-Political
Treatise, Edited by Jonathan Israel, Translated by Michael Silverthorne and
Jonathan Israel, Cambridge Texts in the History of Philosophy, Cambridge UP,
2008˛, xlvi + 280 pp., paperback, € 19,90 nieuw.
Steven Nadler, A
Book Forged in Hell. Spinoza’s Scandalous Treatise and the Birth of the Secular
Age, Princeton UP, 2011, xviii + 279 pp., hardcover, $ 29,95, ong. € 20
nieuw
In het
Nederlands is er
Akkerman, F., Spinoza: Theologisch-Politiek Traktaat
(uit het Latijn vertaald, ingeleid en van verklarende aantekeningen voorzien),
Wereldbibliotheek, 1997.
Klever, Wim:
Definitie van het Christendom: Spinoza’sTractatus theologico-politicus, Opnieuw vert. en toegel. door Wim
Klever, Eburon-1999, 396 blz.
Ik zou me
hier kunnen uitputten in een bloemrijke loftuiting van zowel de TTP, zoals de Tractatus bekend staat bij
Spinoza-liefhebbers, als de uitstekende introductie en vertaling van Jonathan
Israel, The Master himself, als de even
meesterlijke toelichting van die andere specialist, Steven Nadler. Ik ga dat
niet doen, want dan zou ik alleen maar in herhaling vervallen van wat ikzelf en
vele anderen al hebben gezegd en geschreven over Jonathan Israel, Steven
Nadler, Spinoza en de Tractatus.
Ik zeg dus
alleen maar dit: lees de Tractatus,
in welke taal en presentatie ook. Het zal je allicht enige moeite kosten, maar
het is die moeite meer dan waard. En het is veel minder moeilijk dan het lijkt,
zeker als je gebruik maakt van de uitstekende toelichtingen die nu volop
voorhanden zijn.
Bij zijn anoniem
verschijnen in 1670 werd de Tractatus
vrijwel onmiddellijk verboden in heel Europa en verguisd als een obsceen,
hemeltergend, godlasterlijk boek, een boek gesmeed in de hel. Vandaag, bijna
350 jaar later, heeft het niets van zijn originaliteit en zijn oproerige kracht
verloren. Ondanks het ruime hedendaagse aanbod van subversieve vrijzinnige atheďstische
literatuur, is er maar weinig dat kan wedijveren met dit bescheiden boekje. Het
is een van de belangrijkste werken ooit in de geschiedenis van de filosofie, in
het religieus en politiek denken en zelfs in Bijbelstudie (Nadler, p. 240).
en zal mij niet kunnen verwijten dat ik niet nagedacht heb over God en het (christelijk)
geloof, dat ik mij niet geďnformeerd heb, dat ik het bestaan van God en de
waarde van het geloof en de kerk zou verwerpen zonder te weten waarover ik
spreek. Ik ben ook altijd bereid om andere meningen te beluisteren en ze
ernstig te nemen wanneer ze zelf ook ernstig zijn.
Het overkomt
me voortdurend dat ik me afvraag of een of ander aspect van het Godsgeloof toch
niet een reële waarde zou kunnen inhouden, wanneer men het grondig bekijkt en
andere interpretaties overweegt dan de voor de hand liggende, traditionele of
letterlijke betekenis. Spinoza heeft dat ook gedaan: hij spreekt voortdurend
over God en verzet zich heftig tegen de beschuldiging van atheďsme. Dat heeft
helaas geen enkele kerkelijke instantie verhinderd om van zijn naam een synoniem
te maken van atheďsme, ongeloof, blasfemie en al wat ingaat tegen God en Kerk.
Is Spinozisme
en atheďsme dan misschien niets anders dan Godsgeloof onder een andere naam? Ik
denk vaak dat het inderdaad zo is. Als we theologische concepten zoals God en
openbaring goed verstaan, dan zijn er ten hoogste nog nuanceverschillen, zo al niet
identiteit, tussen atheďsme en Godsgeloof. Dat liet Spinoza toe om letterlijk te
stellen: Deus sive Natura, waarbij
hij kernachtig duidelijk maakte dat voor hem God en de Natuur een en hetzelfde
zijn.
Laten we dat
even toepassen op de openbaring. Letterlijk en zoals het ons is voorgehouden
door de kerk, betekent het dat God zich aan de mensheid openbaart. Dat gebeurt
op verscheidene manieren. Hij heeft zich op een bijzondere wijze gemanifesteerd
aan zijn uitverkoren volk, Israël. Vervolgens heeft hij zijn eigen Zoon mens
laten worden en zo als het ware zelf tot de mensheid gesproken. De volgelingen
van Christus hebben dan een kerk gesticht om zijn werk voort te zetten en Gods Geest
staat hen bij in hun verkondigingswerk.
Als we dat
op een naďeve, kinderlijke en dus zeer antropomorfe manier bekijken, hebben we ergens
in de wolken een God die boodschappen en boodschappers stuurt naar de mensen
hier op aarde: profeten, engelen, zijn Zoon, zelf ook God in eenheid met de
Vader, apostels en evangelisten, kerkgeleerden en onfeilbare kerkvorsten die
rechtstreeks door Hem Zelf geďnspireerd worden. Zij zijn slechts de spreekbuis
van God, wat zij vertellen en neerschrijven hebben zij niet uit zichzelf, zij
zijn vol van de Geest van God, God houdt de hand vast van de evangelisten in
een soort van écriture automatique.
De kerk wordt op wonderbaarlijke wijze geleid door God zelf, in die mate dat
het opperste gezag van de kerk, de paus, een gewone mens, door het opnemen van
zijn functie zonder meer onfeilbaar wordt, precies omdat hij door Gods Geest
aangestuurd wordt en dus niet meer zijn eigen mening verkondigt, maar het Woord
van God.
Het lijkt
gemakkelijk, en dat is het ook, om bij zoveel fantasie gewoon de schouders op
te halen en te zeggen: nee, zo is het niet. Er is helemaal geen God, er is geen
enkele reden om aan te nemen dat er zo een God zou zijn, het is allemaal
verzonnen, het is totaal ongeloofwaardig.
Maar we
kunnen die traditionele voorstelling ook anders bekijken. We kunnen dieper
graven dan die kinderlijke voorstelling en ons afvragen of daaronder geen
diepere waarheid schuilgaat. Ongetwijfeld hebben vele gelovigen zo geredeneerd.
Kerkleiders, begeesterde gelovige denkers en verstandige theologen en filosofen
hebben altijd geprobeerd om aan die fundamentele gelovige houding een diepere
inhoud te geven, met wisselend succes, binnen en buiten de kerk.
Wanneer we echter
vertrekken van een atheďstische opvatting, dan zeggen we dat er geen God is die
zich aan de mens openbaart. Wat is het gevolg voor wat men de openbaring noemt?
Al de vermeende boodschappen van God verdwijnen daarmee niet in het niets. Het
Oude Testament blijft bestaan, de geschiedenis van Gods volk wordt de
geschiedenis van Israël, opgetekend door mensen. Christus wordt een charismatische
mens, de evangelisten en Paulus ook, en Hieronymus, Augustinus, Thomas Aquinas,
Erasmus, Luther, Calvijn enzovoort. Ook de leer van de kerk, opgesteld door
theologen en kerkvorsten, wordt een neerslag van wat verstandige en
geëngageerde mensen in de loop van de eeuwen hebben gedacht. Gods openbaring
wordt mensenwerk dat we niet zomaar moeten verwerpen, wanneer we op een goede
dag stellen dat er geen God is die erachter zit.
Het is een
beetje een Copernicaanse omkering: de openbaring is er wel degelijk, maar ze
komt niet van God, ze is niets anders dan het inzicht dat de mensheid zelf heeft
verworven, haar eigen wijsheid en ervaring. Meteen verdwijnen dan al de
moeilijkheden die veel verstandige mensen hebben met het kinderlijk Godsbeeld.
God is niets anders dan de menselijke beschaving die zich realiseert. Hegel en
Schopenhauer en zelfs Nietzsche hebben dit aangevoeld en uitgesproken. Het is ook
de basisgedachte van Spinoza: God is de Natuur, de Wereld, het Al. Dus geen
wonderbaarlijke toestanden, geen goddelijke inspiratie, geen heilige boeken, geen
onfeilbaarheid, geen starre onderdanigheid aan traditie en gezag. We kunnen weer
de hele omvangrijke en diverse christelijke literatuur gaan lezen en daaruit
waardevolle inzichten putten.
Er zijn
evenwel enkele moeilijkheden met een dergelijke benadering, dus wacht nog even
voor je enthousiast naar je Bijbel, Koran of hymnenbundel grijpt, of de
verzamelde werken van Bossuet, Sint Jan van het Kruis of Hildegard von Bingen.
Vooreerst is
de kerk het niet eens met deze interpretatie: indien ik dit zou neergeschreven
hebben in vroegere tijden, dan was ik op de brandstapel beland en ook nu
riskeer ik nog altijd excommunicatie voor dergelijke uitspraken. God is
helemaal geen fictie, geen manier van spreken, geen metafoor. De kerk verwerpt
die opvatting formeel en met alle kracht. Ze heeft dat altijd gedaan en doet
dat nog steeds onverminderd. Dit is Spinozisme en dat staat voor de kerk gelijk
met atheďsme en godloochening en het misleiden van de gelovigen. Er is voor
deze opvatting geen plaats binnen de gemeenschap der christenen. Het is
verboden om zo te denken, het is een afschuwelijke dwaling, een ketterij.
Dat is een.
Maar goed, stel dat je daarbij de schouders ophaalt en zegt: wat dan nog, de
kerk kan me gestolen worden, ik behoor toch niet tot dat instituut, ik wil mijn
eigen interpretatie geven aan het christelijk erfgoed, ook als dat het
kerkelijk gezag niet zint.
Lieve lezer,
ook dan kan ik je geen tuin vol rozen beloven. Neem om het even welk joods of christelijk
document en probeer het te lezen met je nieuw verworven inzicht in wat de
openbaring echt is: de ontplooiing van het menselijk denken. Je staat dan voor
een quasi ondoordringbare mist van begrippen, uitdrukkingen, concepten, dogma’s
en leerstellingen, mystieke ontboezemingen, filosofische en theologische
haarklieverijen en klinkklare nonsens die het zo goed als onmogelijk maken om
ook maar enigszins de menselijke waarden te onderkennen die achter deze geschriften
schuilgaan.
Ik heb hier
in mijn Kroniek al herhaaldelijk Bijbelse teksten geanalyseerd, uit het Oude
Testament en het Nieuwe, niet vergezochte en esoterische, maar de meest
bekende: het Onze Vader en het Weesgegroet; de Tien Geboden en de Vijf geboden;
het Credo en het Gloria; het kerstverhaal en de passie; het offer van Isaac en
nog veel meer. Telkens bleek het zelfs met de beste wil van de wereld niet
doenbaar om ook maar een zweem van menselijke waarden te ontdekken, zeker niet
voor deze tijd. Het probleem met de christelijke literatuur is dat ze zich
vastgepind heeft op de kinderlijke manier om over God te denken. Men heeft zich
louter bezig gehouden met het verzinnen van een uitleg voor dingen die niet uit
te leggen zijn, zoals het bestaan van God, zijn Zoon en zijn Moeder, zijn
Geest, engelen en duivelen, hemel en hel, zonde en vergiffenis, dood en
verrijzenis, het eeuwig leven…
De zeldzame personen
die ooit op een andere manier over deze dingen hebben durven spreken, hebben
het meestal niet overleefd, hun geschriften zijn met hen verbrand. Ze zijn
verketterd en doodgezwegen. Er is in het Westen enkel een verborgen traditie
van dit alternatief denken, die ook vandaag nog maar schuchter in de
openbaarheid treedt. De macht van het kerkelijk gezag is nog steeds
aanzienlijk, de stem van de oppositie komt nog maar nauwelijks aan bod.
Een
alternatieve lezing van de christelijke literatuur is niet iets dat je geredelijk
kan aanpakken: je zal grotendeels zelf het werk moeten doen. En dan zal je
vaststellen dat het nauwelijks de moeite loont. De aanzienlijke inspanningen
die je je moet getroosten, zullen je niet alleen uitgeput maar ook zwaar
teleurgesteld achterlaten: is het maar dat? Is dat die fameuze onderliggende christelijke
boodschap? Want het komt neer op slechts dit: behandel je medemens zoals je zou
willen dat je zelf behandeld wordt, of: bemin uw naaste zoals uzelf. God
beminnen is niets anders dan u gedragen als een eerlijk en rechtvaardig mens.
Al de rest is bijzaak, ballast, folklore, bijgeloof of, erger nog: onzin.
Het is een
ontnuchterende gedachte. De christelijke levensbeschouwing en haar Joodse
voorgeschiedenis samengevat in één simpele gedachte en dan vaststellen dat men
zich vierduizend jaar heeft bezig gehouden met die te verpakken in een gedrocht
van een ideologie en een godsdienst, waarover men dan met een aan waanzin
grenzend fanatisme onder elkaar en met de ‘heidenen’ ten strijde is getrokken,
in weerwil van de onderliggende boodschap. Je tegenstanders uitroeien in naam
van de naastenliefde, mooi is dat.
Het is zo
jammer. We verliezen onze tijd met twisten over bijzaken en vergeten dat we
slechts eventjes hier zijn en dan weer niet meer. We zouden beter de korte tijd
die we hebben, gebruiken om gelukkig te zijn en anderen gelukkig te maken.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheďsme
17-02-2012
Salaris
S
alaris is best een vreemd woord, het klinkt
ook vreemd. Niet te verwonderen, want het heeft Latijnse wortels.
Van Dale
zegt dit over de oorsprong: teruggaand op
Lat. salarium (zoutrantsoen, salaris), van sal (zout); vroeger dienden gestandaardiseerde
hoeveelheden zout als betaalmiddel.
Dat deed me
de wenkbrauwen fronsen. Zout was ook toen niet bepaald een luxeproduct, de
zoutwinning was al eeuwen bekend en het is een vrij eenvoudig en dus goedkoop
proces, namelijk verdamping van zouthoudend water, zoals zeewater. Als je
iemand, bijvoorbeeld legioensoldaten in zout uitbetaalt, zou je dus heel veel
zout moeten geven, meer zout dan iemand kan verbruiken of nodig heeft.
Bovendien kende men toen al het gebruik van edele metalen voor muntstukken, er
was dus al geld, ook om vrij kleine bedragen uit te betalen. Ik heb nergens een
bevestiging gevonden van het verhaal van Van Dale. Ik heb ook geen weet van
archeologische resten van dergelijke zoutblokken als betaalmiddel.
Nochtans
heeft het Latijnse woord voor zout sal, wel
degelijk iets te maken met salaris. Alleen weten we niet goed wat. Misschien
was een deel van het loon dat aan soldaten uitbetaald werd, de soldij, bestemd
om zout te kopen, waarmee men allerlei vleeswaren kon pekelen: vlees, bonen… Misschien
was het een van de talrijke bonussen die soldaten kregen. Andere bronnen
stellen dat het gaat om de soldij van soldaten die de wegen bewaakten waarlangs
zout vervoerd werd, de via salaria.
Plinius de Oudere (GaiusPliniusSecundus (23 AD – 25 augustus 79 AD) schreef in zijn encyclopedische
werk Naturalis Historia dat de Romeinse
soldaten oorspronkelijk (dus niet toen hij dat schreef) in zout uitbetaald
werden en dat salarium daarvan
afkomstig is.
Sommigen
beweren dat ‘soldaat’ en ‘soldij’ ook afgeleid zijn van sal dare, zout geven, maar het is veel waarschijnlijker dat die woorden
afgeleid zijn van de Romeinse solidus,
een gouden muntstuk waarvan geweten is dat men er soldaten mee betaalde.
Overigens
waren er in de oudheid maar heel weinig mensen die een salaris kregen, een
geldsom als beloning voor gepresteerde arbeid. De meeste arbeid werd verricht
door slaven en die kregen enkel kost en inwoon. Wel was het zo dat Romeinse magistraten
en beambten die zich dienden te verplaatsen een salarium kregen, een vergoeding van hun kosten en onkosten. Dat is
de betekenis die het woord heeft in het klassiek Latijn. Van daar is het
overgenomen in zowat alle westerse talen voor een wedde of loon, toen meer
arbeiders en bedienden op die manier vergoed werden.
‘Wedde’ is
ook maar een raar woord, vind ik. We weten wel wat het is, maar het heeft op
zichzelf, als woord, geen evidente betekenis. Aan een kind hoef je niet uit te
leggen wat een pannenkoek is, of een lekstok. Maar wat een wedde is? De wortel,
zoiets als ‘wed’ vinden we in verscheidene oude en moderne westerse talen
terug. Oorspronkelijk sloeg het op een onderpand dat werd geëist of gegeven bij
een wettelijke overeenkomst. Dat kon een zakelijk akkoord zijn, of een
huwelijksovereenkomst; ook een weddingschap valt daaronder, de inzet, de som
waarvoor men wedt, is dan het onderpand. Omdat een dergelijk onderpand meer en
meer in geld werd gegeven, kreeg ‘wedde’ de afgeleide betekenis van ‘geld’ en
kon het woord ook specifiek gebruikt worden, zoals vandaag het geval is, voor
het maandloon dat men ontvangt.
‘Loon’
klinkt bekender in de oren, we zien het ook in ‘beloning’ en ‘lonen’; het
oorspronkelijke oerwoord ‘laun’ betekende al wat ‘loon’ nu nog zegt: een
vergoeding.
Als we het
wat chiquer willen, dan spreken we van een honorarium. Aanvankelijk was dat een
eergeschenk aan een ambtenaar bij zijn ambtsaanvaarding, later en nu nog elke
vergoeding die men uitbetaalde aan een hoger geplaatste, zoals een dokter, een
advocaat, een geleerde spreker…
In onze
moderne maatschappij speelt het salaris, de wedde, het loon of het honorarium
een belangrijke rol. Wie een lagere functie uitoefent, krijgt daarvoor minder
geld, maar er zijn wel minimumlonen, vastgelegd door de staat. Daarnaast zijn
er ook afspraken per bedrijf of per sector van tewerkstelling. Daarover wordt
voortdurend onderhandeld. Als het in een sector goed gaat, bijvoorbeeld de
productie van auto’s, dan zullen de lonen daar ook goed zijn. De arbeiders
delen zo in de winst die de bedrijven maken. Het omgekeerde is ook waar. Als
een bepaald beroep een lange voorbereiding vraagt, of bijzondere vaardigheden
of kennis vereist, of lastig of gevaarlijk is: dat zijn allemaal factoren die
bepalend zijn voor de verloning. Dat is een van de principes van onze
vrijemarkteconomie, het liberaal kapitalisme, waarin vooral vraag en aanbod spelen.
Wie iets uitzonderlijks kan of bijzondere eigenschappen heeft, kan daarvoor veel
geld vragen, althans indien er voldoende vraag naar is. Denk aan topatleten,
managers, acteurs, fotomodellen, uitvinders enzovoort. Wie niets kan, moet dom
en belastend werk doen en krijgt daarvoor het laagste loon, amper voldoende om
te overleven.
Het
communisme en het socialisme vertrekken van andere principes. De wedde hoeft
niet afgestemd zijn op wat je doet, maar op wat je nodig hebt als lid van de
maatschappij. Iedereen heeft dezelfde rechten en krijgt dus van de staat
hetzelfde loon: de havenarbeider, de onderwijzer, de dokter, de universiteitsprofessor.
Er kunnen beperkte verschillen zijn, maar die zijn verwaarloosbaar in
vergelijking met het kapitalistisch systeem, waar het verschil tussen de
hoogste vergoedingen en de laagste spectaculair groot is.
Wij leven
hier in een gemengd systeem. De staat heeft allerlei manieren om de hoogste
wedden te beperken, onder meer door er de hoogste belastingen op te heffen, en
om de laagste lonen te beschermen, door minima te bepalen en ze minder te
belasten of zelfs belastingsvrij te maken. Maar de verschillen blijven aanzienlijk.
Wij hebben
hier bij ons net een staking achter de rug van de zee- en rivierloodsen.
Niemand zal ontkennen dat het om een gevaarlijk en lastig beroep gaat, waarvoor
lang moet gestudeerd worden, dat een hoge kennis en vaardigheid vereist, een
grote tegenwoordigheid van geest. Loodsen dragen ook een enorme
verantwoordelijkheid: bij een verkeerde beslissing kan de schade enorm zijn. De
druk waaronder de loodsen gebukt gaan is dan ook groot en dat heeft
ongetwijfeld een weerslag op hun gezondheid, net zoals de gevaarlijke en
onregelmatige werkomstandigheden.
Om al die
redenen zal de wedde, het salaris, het loon of het honorarium van deze mensen
in onze maatschappij relatief hoog zijn. De staat heeft ervoor gekozen om dit
werk toe te vertrouwen aan staatsambtenaren, om te vermijden dat vrijbuiters
minder goed werk zouden afleveren. In ruil voor een vaste betrekking en een
behoorlijk loon, doen de loodsen ten minste gedeeltelijk afstand van hun recht
op vrije onderhandelingen met hun werkgever over hun loon. Zij kunnen niet als
zelfstandige werken, of als werknemer bij een commerciële onderneming.
Dat is zo
voor alle staatsambtenaren. Het is een essentieel onderscheid in onze
maatschappij. Ofwel werk je voor een vast loon voor de staat en heb je
werkzekerheid, ofwel werk je ‘in de privé’, waarbij je over je loon kan
onderhandelen en je meer kan verdienen naargelang je vaardigheden, kennis,
inzet enzovoort. Het is een keuze waarvoor ieder van ons geplaatst is en die
eenieder maakt op grond van eigen afwegingen.
De loodsen
in Vlaanderen spelen het echter dubbel. Het zijn ambtenaren en dus hebben ze
een vast loon en vast werk. Daarbij houdt men rekening met hun grote
verantwoordelijkheden en hun arbeidsomstandigheden. Als de staat geen goed loon
zou aanbieden, dan zouden er geen kandidaten zijn om dat werk te doen, ook al
heeft de staat het monopolie van het loodsen. Bekwame mensen zouden dan voor
een ander beroep kiezen, waar ze meer kunnen verdienen.
Maar de
loodsen zijn niet tevreden met hun toch al aanzienlijk loon, noch met de
bijkomende voordelen die ze in de loop van de jaren bedongen hebben. Zij
vergelijken zichzelf met collega’s die commercieel werken in min of meer
vergelijkbare omstandigheden, bijvoorbeeld kapiteins van schepen. En dus eisen
een minste een vergelijkbaar loon en vergelijkbare sociale voorzieningen,
bijvoorbeeld wat het pensioen betreft. Zij zetten hun eisen kracht bij door te
staken. Omdat ze een cruciale functie vervullen in de Antwerpse haven, kunnen
ze ondanks hun beperkt aantal, toch onoverzienbare economische gevolgen
creëren. Hun onderhandelingspositie is dus zo goed als onbeperkt. Zij kunnen op
hun eentje zowat de hele Vlaamse economie platleggen.
Wie als
ambtenaar aan het werk gaat, doet dat altijd, bewust of onbewust, vanuit een
zekere overtuiging, een solidariteitsgevoel. Men ziet het als een dienst aan de
gemeenschap. In ruil daarvoor krijgt men een min of meer bescheiden loon,
vastheid van betrekking en goede sociale voorzieningen, vooral ook een goed en
vroeg pensioen. De staat kan op die manier een aantal belangrijke diensten in de
maatschappij verzekeren, zoals het onderwijs, de post, het openbaar vervoer
enzovoort, zonder daarvoor commerciële lonen te moeten betalen.
Het is
echter precies daar dat het verkeerd is gegaan. De staat is zich meer en meer
gaan opstellen als een commerciële instelling. Er zijn topmanagers aangesteld
die dezelfde toplonen moeten krijgen als in de privé, anders komen ze niet. Een
zo verder naar beneden: directeurs, diensthoofden en zelfs specialisten
allerhande: de staat moet hen op dezelfde manier betalen als in commerciële
instellingen, anders gaan ze daar werken. Er is dus geen sprake meer van de
typische instelling van de ambtenaar, die voor een matig loon hard werkt. Alle
ambtenaren, bijvoorbeeld ook het onderwijzend personeel, willen een wedde die
vergelijkbaar is met mensen die gelijksoortig werk doen in commerciële instellingen.
En die privé bedrijven lokken de mensen met goede lonen, maar ook met
pensioenplannen die nog veel rooskleuriger zijn dan die van de staat. Er is een
wederzijds opbod, tot niemand nog het verschil ziet tussen een ambtenaar m/v en
een werknemer m/v in de privé.
Zo komen we
terug bij onze loodsen. Zij onderhandelen met de staat alsof zij geen
ambtenaren zijn, maar werknemers in een privé bedrijf. Zij storen zich niet aan
hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, zij kijken alleen naar hun eigen job
en zien geen enkele reden waarom zij minder zouden verdienen dan hun collega’s
in privé bedrijven in binnen- of buitenland. Zij onderhandelen in volledige
vrijheid. Daarbij vergeten zij dat de staat hun beroep heeft gemonopoliseerd
precies opdat de maatschappij geen commerciële prijs zou hoeven te betalen voor
hun noodzakelijke en precieuze diensten.
Het oude
systeem van de ambtenarij heeft in de praktijk afgedaan. Een ambtenaar heeft
geen gezag meer, boezemt geen ontzag meer in, heeft geen sociaal aanzien meer.
Een ambtenaar ziet men meer en meer als een sukkel, een schlemiel, iemand die
niet goed genoeg is om in een commerciële omgeving te werken. De staat werkt
daaraan mee door in zijn diensten louter commerciële waarden voorop te stellen:
efficiëntie, doelstellingen halen, evaluatie, functioneringsgesprekken, vijfjarenplannen…
Ook het laatste taboe is nu bespreekbaar: de vastheid van betrekking. Wie een
negatieve evaluatie krijgt, kan afgedankt worden.
Wij zullen
vroeg of laat weer de klassieke vragen moeten stellen. Wat voor maatschappij
willen we, een liberaal-kapitalistische of een socialistische. Het ziet ernaar
uit dat wij nu regelrecht afstevenen op een commerciële, individualistische,
marktgestuurde maatschappij en dat de idealen van communisme en socialisme
afgedaan hebben. Wie nu nog spreekt over ambtenaren, maatschappelijke inzet,
solidariteit, dienst aan de gemeenschap, verbondenheid met de minder gegoeden, onbaatzuchtige
samenwerking, dat is een onrealistische dromer. Iedereen, zelfs de
socialistische partijen sinds Tony Blair, denken en spreken nog enkel in termen
van vraag en aanbod en persoonlijke verrijking als motor van de maatschappij.
Het is enkel
wanneer we geconfronteerd worden met acties als die van de loodsen en de
luchtverkeersleiders en de bruggenwachters dat we het gevaar zien dat om de
hoek loert als we alles privatiseren, ook de kerntaken die tot voor kort
toevertrouwd waren aan de staat en zijn ambtenaren. Een ongeremd kapitalisme
belooft ons wel de hemel op aarde, maar er is geen enkele reden om blindelings aan
te nemen dat het zijn beloften kan waarmaken, evenmin als de extreme
communistische, socialistische en nationalistische experimenten dat konden. Wij
hebben de debacle van beide systemen gezien in de twintigste eeuw en nu ook in
het begin van de eenentwintigste. Je zou dus kunnen hopen dat we er wijzer door
geworden zijn, maar dat lijkt vooralsnog niet het geval.
Wellicht
moeten er eerst nog zwaardere crisissen komen, zoals in IJsland, Ierland, Portugal,
Spanje, Italië, Griekenland…
Categorie:samenleving Tags:maatschappij
16-02-2012
Mens sana in corpore sano?
Een
vriendelijke lezer stelde me pertinente vragen over mijn fysiek: wat doe ik om
mijn lichaam in goede conditie te houden? Dat behoor ik volgens hem wel te
doen, overtuigd als ik ben van de eenheid van lichaam en geest. Hoe kan een
geest goed functioneren in een slecht onderhouden lichaam?
Mijn
correspondent, die mijn belangstelling en bewondering voor Spinoza deelt, haalt
er zelfs de Ethica bij (II, 13,
commentaar) Ik citeer in de vertaling van Henri Krop:
Wel valt in het algemeen op te merken
dat naarmate een lichaam beter in staat is om veel tegelijk te doen of te
ondergaan, zijn geest meer tegelijk kan begrijpen. En naarmate de handelingen
van een lichaam meer van dat lichaam zelf afhangen en het aantal andere
lichamen dat ermee samenwerkt om hetzelfde tot stand te brengen kleiner is, is zijn
geest beter in staat om onderscheiden te kennen. Hieruit kunnen wij verder
afleiden dat de ene geest voortreffelijker is dan de andere en de reden zien
waarom wij van ons lichaam alleen verwarde kennis hebben.
Niemand zal vandaag
nog ontkennen dat lichaam en geest een zijn. Dat is ook wat Spinoza ons steeds
voorhoudt. Zoals wel vaker confronteert hij ons met nogal paradoxale
stellingen, ideeën die op een uitdagende wijze iets poneren dat bij een eerste
benadering niet klopt of niet overtuigend is. In de toelichting blijkt dan dat
we iets verder moeten nadenken, tot op het bot, tot bij de eerste beginselen,
en dan blijkt de stelling evident.
Dat is ook
hier weer zo. Er zijn knappe koppen en mensen die het denken liever aan anderen
overlaten. Er zijn genieën en er zijn mensen die verstandelijk gehandicapt zijn.
Spinoza stelt doodleuk: een lichaam dat veel tegelijk aankan, zal een geest
herbergen die veel kan begrijpen.
Nou… We
hoeven maar naar mensen als Steven Hawking te kijken om toch even te aarzelen
bij die uitspraak. Met zijn handicaps kan Hawking ogenschijnlijk nauwelijks
iets presteren met zijn lichaam, hij kan zelfs niet meer zelfstandig praten.
Als je een instelling voor mentaal beperkte mensen bezoekt, zie je dan weer dat
die wel over een ogenschijnlijk normaal werkend lichaam beschikken, maar niet
over een geest die tot veel in staat is.
Het is pas
wanneer we ophouden met dualistisch te denken en terugkeren naar Spinoza’s basisintuďtie,
dat zijn uitleg begrijpelijk wordt. Hij zegt en herhaalt voortdurend dat
lichaam en geest één zijn en ondeelbaar; dat het lichamelijke en het
geestelijke aspecten zijn van hetzelfde, in dit geval een mens. Als we enkel het
lichaam van Steven Hawking beschouwen, dan is dat zeer onvolmaakt, terwijl zijn
geest, ook afzonderlijk beschouwd, tot de scherpste behoort die de mensheid
ooit heeft voortgebracht. Maar dat mogen we niet doen, dat apart beschouwen.
Hawking is een persoon, geen (fabuleuze) geest (gevangen) in een (inferieur) lichaam.
Zijn geest is zijn lichaam en zijn lichaam is zijn geest, je kan die niet
scheiden of afzonderlijk bekijken en beoordelen. Denken doet hij (vooral) met
zijn hersenen en die behoren tot zijn lichaam, dat is gewoon zijn lichaam.
Communiceren doet hij met zijn lichaam, zij het met behulp van allerlei gadgets
en veel computers.
Wat Spinoza
hier zegt, is alleen maar juist als we het basisprincipe toepassen, de eenheid
van lichaam en geest. Vanaf het ogenblik dat we dat uit het oog verliezen en
ons gaan uitspreken over een van beide, los van het andere, klopt wat Spinoza
hier zegt niet meer.
Deze redenering
gaat ook voor personen met een mentale beperking. Als je hun lichaam afzonderlijk
bekijkt, dan lijkt daarmee niets aan de hand. Het de werking van hun geest die deficiënt
is. Maar dan vergeten we dat hun geest niet een of ander mysterieus ‘ding’ is
dat ergens in dat lichaam rondhangt en dat om een of andere reden min of meer
goed werkt. Nee, die geest is niets anders dan de werking van dat lichaam, waarbij
de hersenen de belangrijkste rol spelen.
Wat Spinoza
hier zegt is niets anders dan een tautologie: lichaam en geest zijn één en dus geldt
alles wat men over het ene kan zeggen onverminderd ook voor het andere. En dus
is Steven Hawkings ‘lichaam’ net zo knap als zijn ‘geest’. Ja?
Overigens
heeft Spinoza het hier niet specifiek over de kwalitatieve verschillen tussen
de geestelijke kwaliteiten van de ene mens tegenover de andere. Uit de context
blijkt veeleer dat hij het heeft over het onderscheid tussen de mens en andere ‘lichamen’
zoals planten en dieren. Zijn stelling is dan dat de mens, die meer tegelijk
aankan met zijn ‘lichaam’, ook meer aankan met zijn ‘geest’ dan een dier, zeg
maar een schildpad. En dat is evident, zeker wanneer wij beiden in hun eenheid
en eigenheid beschouwen en niet gaan onderscheiden tussen lichaam en geest,
want dan zou een hond bijvoorbeeld op lichamelijk gebied beter zijn dan een
mens qua reukzin en gehoor, een adelaar beter qua zicht, een olifant beter qua
tastzin en een rat (ik zeg zo maar wat) beter qua smaakzin.
Het is dus
een simplistische en foutieve redenering om te zeggen dat een fysiologisch op
alle punten superieur lichaam ook over een betere geest zou beschikken. Een
topatleet die net een herseninfarct heeft opgelopen, beschikt over een
uitstekend lichaam (op die kleine bloedklonter na…), maar hij is wel
hersendood.
Is er dan
geen enkel verband tussen de twee? Is mens
sana in corpore sano onzin?
Ja en nee.
Uit het bovenstaande zal het duidelijk zijn dat er geen onmiddellijk en rechtstreeks
verband is tussen de fysieke conditie van een persoon en zijn geestelijke of verstandelijke
kwaliteiten. Je kan prachtige atleten hebben die niet eens hun naam kunnen
schrijven en je hebt wetenschappers die enkel met massale medicatie en dure
apparaten in leven blijven. Een topconditie op het ene gebied is dus geen noodzakelijke
noch voldoende voorwaarde voor topprestaties in het andere. Is er dan
geen enkel verband? Dat ook weer niet. Kinderen die vanaf hun geboorte sterk
gestimuleerd worden, blijken zich mentaal sneller en breder en dieper te
ontwikkelen dan andere. Opvoeding en milieu hebben een invloed op de
intelligentie. Als je pijn hebt, kan je minder helder denken. Als je dronken bent,
denk je nog nauwelijks. Als je een hersenletsel hebt, accidenteel of congenitaal,
is je geest belemmerd.
In het
algemeen kan je dus wel stellen dat een ‘gezond’ lichaam een noodzakelijk voorwaarde
is voor een gezonde geest. Er mag vooral met de hersenen niet veel verkeerd
gaan voor onze geest verstek laat gaan. Ook een goede fysieke conditie draagt
bij tot een goede werking van de geest. Een gezonde, fitte persoon is, algemeen
gesproken, beter in staat tot helder nadenken dan een zieke, door overgewicht
geplaagde verstokt rokende alcoholverslaafde die nooit de deur uitkomt. Wie
zich goed verzorgt, heeft ook betere overlevingskansen. Het is dus zeker
wenselijk dat men zorgt voor een gezond lichaam, ook vanuit het standpunt van
de geestelijke gezondheid. Maar het lijkt me niet zo dat bijvoorbeeld het
aankweken van spiermassa door intensieve training ook maar enigszins zou
bijdragen tot een verhoogde intelligentie. Het tegendeel blijkt helaas al te
vaak bewaarheid.
Laten we
besluiten en onze theoretische beschouwingen toetsen aan de praktijk. Een van
de hedendaagse auteurs die ik het meest bewonder is Steven Nadler, een vermaard
specialist in Spinoza en de Vroegmoderne periode. Hij is ook een fervent
langeafstandsloper, hij heeft zelfs deelgenomen aan de Iron Man. Ik heb hem eens ontmoet en hij straalde inderdaad gezondheid
uit, terwijl hij een zeer interessante en geleerde toespraak hield aan het
Hoger Instituut Wijsbegeerte in Leuven. Heeft het een te maken met het andere?
Is zijn genie en zijn indrukwekkende wetenschappelijke productiviteit het
resultaat van zijn fysieke inspanningen en conditie? Ik weet het niet zeker,
maar ik denk: toch in zekere mate.
Dat is voor
mij voldoende om te concluderen dat een goede fysieke conditie belangrijk is.
Anderzijds kan men ook zonder dergelijke wel zeer doorgedreven inspanningen een
behoorlijke fysiek opbouwen en onderhouden. Het ene lichaam kan al wat meer
hebben dan het andere en wat voor de ene een peulschil is, is voor de andere
een onoverkomelijke opgave.
Voor mezelf
heb ik uitgemaakt dat het voldoende is als ik mijn fysieke inspanningen beperk
tot wat natuurlijk is en tot mijn dagelijkse gewoonten behoort. Ik doe dus geen
inspanningen die geen functie hebben in mijn dagelijks leven. Als ik fiets, is
dat om ergens naartoe te gaan: de bakker, de bank, de apotheker, het
postkantoor, de bibliotheek, een vriendenbezoek enzovoort. Zomaar gaan fietsen
ervaar ik als een zinloze bezigheid. Wandelen: net zo, al laat ik me al eens
verleiden om een toertje te doen, zo mogelijk in gezelschap; in mijn eentje is
dat telkens een beproeving. Er doet zich dan een conflict voor in mijn kop
tussen het doen en het denken, omdat ik iets doe zonder doel. Het verre en vage
doel, mijn fysieke gezondheid bevorderen, is niet voldoende om me in gang te
krijgen.
Ik poets
wekelijks het huis en doe ook wat klusjes in en rond het huis. Dat geeft me wat
beweging, maar niet veel, toegegeven.
Ik beoefen
dus ook geen sport. Ook dat komt me te kunstmatig over en verstoken van zin. Met
een tennisraket op een bal kloppen, bij voorbeeld, wat ik enkele jaren gedaan
heb, lijkt me totaal zinloos op zichzelf. Ik kan er werkelijk geen prioriteit
aan geven, er zijn zoveel andere dingen die ik wel interessant vind en dus veel
liever doe. Dat die meestal vanuit mijn luie zetel gebeuren, neem ik er maar
bij.
Ik ben nu 66 en de aftakeling is al geruime tijd ingezet, dat merk ik maar
al te goed, ik moet me maar vergelijken met zeg maar twintig jaar geleden. Ik
weet dat ik daaraan iets kan doen door vaker, meer intensief en meer gericht te
bewegen. Maar ik kan het niet opbrengen, niet uit luiheid, maar mentaal, ik ben
niet voldoende gemotiveerd om het te doen. Mocht mij dokter me zeggen dat ik
elke dag een uur moet gaan wandelen of wekelijks moet sporten als ik niet
binnenkort wil doodvallen, dan zou ik dat ongetwijfeld doen. Maar zo ver is het
nog niet. Ik heb geen echte hinder van mijn fysieke conditie en zolang dat niet
het geval is, doe ik er ook geen bijzondere inspanningen voor. Ik neem aan dat
ik niet de enige ben die zo redeneer.
Categorie:levensbeschouwing Tags:maatschappij
15-02-2012
Jozua en de stilstaande zon
Het verzet
van de (katholieke) kerk tegen de theorie van Copernicus over ons zonnestelsel
is berucht. Galilei was ook een slachtoffer van die hetze.
In wat men
daarover leest, verwijst men steevast naar een Bijbels argument. Dit is de tekst
die dan wordt aangehaald (Jozua 10):
7 Hierop trok Jozua met zijn hele
leger, geen enkele soldaat uitgezonderd, vanuit Gilgal ten strijde. 8 De HEER zei
tegen hem: ‘Je hoeft voor die koningen niet bang te zijn, want ik lever ze aan
je uit. Geen van hen zal tegen je kunnen standhouden.’ 9 Jozua wist de vijand
vanuit Gilgal in één nachtelijke mars te bereiken, en hij verraste hem in een
plotselinge aanval. 10 Toen de soldaten van de vijand het leger van Israël
zagen verschijnen, zaaide de HEER paniek in hun gelederen, zodat de Israëlieten
hun bij Gibeon een zware nederlaag konden toebrengen. Ze achtervolgden hen tot
aan de pas van Bet-Choron, en nog verder – ja, ze sloegen hen zelfs vlak voor
Azeka en Makkeda nog neer. 11 Toen hun vijanden de pas van Bet-Choron
afvluchtten, wierp de HEER vanuit de hemel grote hagelstenen op hen, tot aan
Azeka toe. Er stierven meer soldaten door die hagelstenen dan door de zwaarden
van de Israëlieten. 12 Want op die dag, de dag dat de HEER de Amorieten aan
Israël overleverde, had Jozua gebeden tot de HEER. In aanwezigheid van Israël
sprak hij:
‘Zon,
sta stil boven Gibeon,
maan, blijf staan boven
de vlakte van Ajjalon.’
13 En de zon stond stil
en de maan bleef staan,
tot Israël zijn
vijanden had afgestraft.
Dit staat opgetekend in het Boek van
de oprechte. De zon bleef een volle dag
boven aan de hemel staan voordat ze onderging. 14 Het is voor noch na die
dag ooit voorgekomen dat de HEER op die manier gehoor gaf aan de bede van een
mens, maar de HEER streed dan ook voor Israël. 15 Na deze overwinning keerde
Jozua met het hele leger terug naar het kamp bij Gilgal.
Ik heb het
altijd al een dwaasheid gevonden om de Bijbel, een boek zonder
wetenschappelijke pretenties, in te roepen in een wetenschappelijke discussie. Maar
zelfs als we daaraan voorbijgaan, lijkt het me vreemd om Copernicus’ theorie af
te wijzen op grond van wat we hier lezen. Het gaat hier duidelijk om een
wonder, een mirakel, een afwijking van het normale verloop van de natuur. De
zon ging niet onder, maar bleef aan de hemel stilstaan, en ook de maan. Dat is wat
er staat. Indien men aanneemt, zoals de kerk deed, dat de zon om de stilstaande
aarde draait, dan is die zon- en maanstilstand inderdaad een wonder.
Maar wat als
men Copernicus en Galilei volgt?
De aarde
draait dan om de zon en om haar as en het is die laatste beweging die voor het
verloop van dag en nacht zorgt. Als de Bijbel zegt dat de zon tijdelijk stilstond,
dan blijft het evengoed een wonder in de veronderstelling dat de aarde om haar
as draait. In plaats van de zon tegen te houden, heeft God dan de aarde
tegengehouden, dat is alles. Het wonder blijft, de Bijbel heeft nog altijd
gelijk. Wat is dan het probleem?
Ongetwijfeld
hebben de kerkgeleerden toen ook daaraan gedacht, zo dom waren ze nu ook weer
niet. De scholastiek heeft wel andere Bijbelse ongerijmdheden logisch
verklaard, dit is in vergelijking daarmee een koud kunstje.
Het ziet er
dus naar uit dat men Copernicus theorie niet verwierp op Bijbelse gronden, op
die paar zinnen die ik hierboven citeerde. Galilei werd niet vervolgd en
veroordeeld omdat hij stelde dat de aarde om de zon draait. Zelfs dan kan ze
immers het centrum zijn van het Universum, zoals de kerk stelt. Wat maakt het
uit welke beweging de aarde maakt?
Wat was dan
wel het probleem?
Het was een
conflict over gezag. De kerk verdedigde de opvattingen van een andere geleerde,
Ptolemaeus (90-168), die overigens slechts herhaalde wat zijn voorgangers
hadden gesteld. Dit was de gevestigde opvatting onder geleerden gedurende de
Oudheid en de Middeleeuwen en de kerk sloot zich daarbij aan. De waarnemingen
die Copernicus en anderen deden, leidden echter tot anomalieën: als de zon rond
de aarde draait, dan zijn er allerlei verschijnselen die men niet kan
verklaren, in het bijzonder de beweging van de planeten (die aan die ogenschijnlijk
chaotische beweging hun naam danken van planeten, of ‘zwervers’ in het Grieks).
Het was om een verklaring te vinden voor de schijnbare bewegingen van de planeten
dat Copernicus uiteindelijk voorstelde om de zaak om te draaien: als de aarde
om de zon draait, net zoals de andere planeten, dan klopt alles als een bus.
De kerk
hoefde niets anders te doen dan Copernicus en na hem Galilei te benoemen tot
pauselijk astronoom om zo met de eer te gaan lopen, zonder enig
gezichtsverlies. Haar lot was immers niet gebonden aan Ptolemaeus, niet eens
een christen, wat zowel Copernicus als Galilei wel waren.
Maar nee,
hoor. De kerk heeft altijd gelijk en wat zij beweert, heeft eeuwigheidswaarde.
De paus kan zich niet vergissen, is onfeilbaar. Door dus een standpunt in te
nemen in een puur wetenschappelijke kwestie, had men zich vastgezet op een
verloren positie. Indien men zou toegeven dat men al eeuwen lang ten onrechte
had gesteld dat de zon om de aarde draaide, dan zou men, zo dacht men, een mal
figuur slaan. Als de kerk zich daarin had vergist, dan was het uit met de onfeilbaarheid.
Dus hield men vast aan die ene wetenschappelijke theorie en verwierp de andere.
Niet omdat die in strijd was met het geloof of met de tekst van de Bijbel, want
noch in het ene noch in het andere geval is dat zo. De plaats van de aarde in
het zonnestelsel heeft niets te maken met het geloof, het mirakel van Jozua is
niet minder spectaculair in Copernicus’ theorie dan in die van Ptolemaeus.
Ongetwijfeld
heeft ook het kenmerkend conservatisme van elke gezagsconcentratie meegespeeld.
In Rome zaten een aantal machtige kerkvorsten bijeen, overtuigd van hun gelijk
en hun eigen intelligentie en bezorgd om het behoud van hun macht en hun gezag.
Het was dan ook teveel gevraagd van hun niet geringe maar door hun
machtspositie verstarde verstandelijke vermogens, om aan te nemen dat een
obscure monnik beter wist hoe de wereld ineen stak dan zij, met al hun kennis
en intelligentie, of de onfeilbare paus.
En dus
beging Rome nog maar eens een cruciale vergissing, door vast te houden aan een ongegronde
opvatting lang nadat de wetenschap had aangetoond dat ze onjuist was. Het ging
duidelijk niet om wie er gelijk had, op wetenschappelijk gebied. Het ging ook
niet om een botsing tussen de Bijbel, het Woord van God, en de wetenschap. Het
ging erom wie er bepaalde wat juist was: de kerk of de wetenschap.
En dat is
best vreemd, want de kerk was in feite helemaal niet afkerig van de wetenschap.
Gedurende de Middeleeuwen en de Renaissance en ook nog lang daarna was de
wetenschapsbeoefening geconcentreerd in kerkelijke instellingen, in kloosters
en daarna in kerkelijke universiteiten. De kerk was altijd sterk geďnteresseerd
in de wetenschappen en in het onderwijs. Gedurende lange tijd waren alle
wetenschappers priesters en religieuzen. Hoe komt het dan dat het toen zo
vreselijk verkeerd is gegaan?
Omdat de
wetenschappers hun eigen gang wouden gaan. Ze wilden de dingen zelf onderzoeken,
zonder enige betutteling, ze wilden zelfstandig zijn, alleen vertrouwend op hun
eigen inzichten en die van hun collega’s. Ze wilden kunnen aanvaarden wat ze
ontdekten, ook als dat niet overeenkwam met wat de kerk zei. Ze wilden autonoom
zijn, en dat kan natuurlijk niet in een almachtige kerk, waar alleen het
hoogste gezag gelijk heeft en bepaalt wat waar en goed is. Het was de opstand
van het individu tegen het gezag, van de rede tegenover het geloof.
Wanneer de
kwestie van Copernicus en van Galilei nog eens ter sprake komt, bedenk dan dat
het helemaal niet ging om die ene Bijbeltekst en ook niet om de plaats van de
aarde en de zon in ons zonnestelsel, maar om de plaats en de rol van de
godsdienst en het individu in de maatschappij. Dat zijn vragen die ook vandaag
bijzonder actueel zijn. In Antwerpen is een imam veroordeeld omdat hij de
godsdienst boven de burgerlijke maatschappij en het individu stelt. In Iran en
in andere moslimlanden maar ook in sommige christelijke gebieden zoals Amerika en
ook in Engeland gebeurt het omgekeerde: daar wil men de godsdienst weer als het
hoogste gezag installeren en de wetenschap en het individu verknechten.
’t Is maar
dat je het weet.
Categorie:levensbeschouwing Tags:maatschappij
13-02-2012
Emoties, justitie en de sharia
Emoties
kunnen, zo zegt ons het cliché, soms hoog oplaaien. We vergelijken ze zo met
een verzengend vuur dat gevoed door brandbaar materiaal en voldoende zuurstof voor
enorme hitte en vlammen zorgt.
Ik ben veeleer
iemand die probeert zijn emoties te beheersen.
Dat is iets
anders dan ze te ontkennen of te vermijden of te verdringen. Ik sta open voor
alle spontane emoties, ik laat ze toe in mijn leven, ik verheug me erover, want
ze tonen aan dat ik leef. Ik ben dus geen stoďcijn, die het geluk zoekt in het
vermijden van emoties. Dat lijkt me een zielige bezigheid. Het geluk ligt niet
in de afwezigheid van smart, net zomin als ongeluk gelegen is in de afwezigheid
van vreugde; voor beide is veel meer nodig. Een mens die geen emoties kent, is
geen mens, zo simpel is het.
We hebben
onze emoties nodig. Het zijn onmisbare mechanismen die de evolutie ons heeft
aangereikt om gepast te reageren op allerlei omstandigheden. Ons lichaam
reageert spontaan op prikkels, lang voor ons verstand dat in de gaten heeft.
Het zou dus dwaasheid zijn om die waardevolle signalen te negeren, zowel in
vreugde als in pijn. Wie geen verdriet heeft, nooit uitgelaten is, niet
verliefd wordt, geen medelijden kent, geen tranen in de ogen krijgt, tja, wat
voor leven heeft zo iemand?
Anderzijds
is het niet goed om je door je emoties te laten overweldigen. Wanneer het
vooral of bijna uitsluitend je gevoelens zijn die je leven bepalen, dan ervaren
we dat als een minder goede toestand waar we moeten zien uit te geraken.
Wegzinken in ons verdriet, overmoedig worden door ons succes, alles in de
waagschaal werpen omwille van een verliefdheid: het gebeurt en terwijl we het
zelf misschien niet zo erkennen en ervaren, zal de buitenwereld hoofdschuddend
zeggen: dat loopt niet goed af.
Het komt er
dus op aan om al die spontane gevoelens niet te ontkennen of te verdringen,
maar ze volop en intens te beleven, maar dan op een evenwichtige manier. We
moeten een plaats geven aan onze emoties. We moeten er vooral voor zorgen dat ze
niet obsessief worden, dat ze alle andere gevoelens niet verhinderen en ons
opsluiten in een eenzijdige kijk op het leven.
Bij het
nemen van onze beslissingen laten we ons vaak leiden door onze emoties en dat
is normaal, dat is goed, dat is menselijk. Maar ook hier moeten we erop bedacht
zijn dat we niet een bepaald gevoel laten overwegen. Iemands verdriet kan zo
groot zijn, dat hij of zij er als het ware door verlamd is. We spreken dan al
gauw van een depressie, maar die kan natuurlijk ook andere oorzaken hebben dan
alleen maar verdriet, zoals stress, overbelasting, relationele problemen
enzovoort.
Wie zich
enkel door emoties laat leiden, zal zelden voor een rustig, evenwichtig persoon
doorgaan, of het nu een bepaalde emotie is of de vreemde chaos van emoties die
een mens in de loop van een dag, een week, een maand, een jaar of een leven
lang beroeren. Er moet nog iets anders zijn in ons leven dan alleen maar
spontaan en ongeremd reageren op emoties. Men noemt dat gemakshalve de rede,
het verstand.
Wanneer we
ons bewust zijn van onze emoties, wanneer we ze herkennen voor wat ze zijn,
wanneer we zien hoe ze ons leven ingrijpend veranderen zonder dat we er erg in
hebben, dan hebben we al een eerste stap gezet: we weten nu dat er iets aan de
hand is, dat we ons meer dan gewoonlijk laten leiden door onze gevoelens, dat
we anders reageren op de mensen en de dingen om ons heen. Dat kan bijvoorbeeld zijn
omdat we uit onze omgeving signalen opvangen die ons wijzen op ons afwijkend
gedrag. Het kan ook dat we als het ware onszelf observeren en enigszins
verbaasd vaststellen dat we anders handelen en denken dan anders. Ons lichaam
weet dat wij rouwen, verheugd zijn of verliefd lang voor wij dat voor onszelf
uitspreken. Pas wanneer de spontane reacties van ons lichaam ons beginnen op te
vallen, merken wij dat we ten prooi zijn aan een sterke emotie.
Dan is het
tijd om in te grijpen. Je kan dan toegeven aan je gevoelens, je eraan
overgeven, erin zwelgen, jezelf erin verliezen. Maar je weet, zeker als je geen
puber meer bent, dat dat geen oplossing is. Ofwel brengen die losgeslagen
emoties je naar de rand van de afgrond, ofwel komt er vanzelf een einde aan: de
tijd heelt alle wonden. In beide gevallen moet het evenwicht zich herstellen.
Je moet weer ontvankelijk worden voor andere gevoelens dan dat ene dat je
dreigt mee te sleuren. Je moet meer redelijk worden.
Emoties
kruiden het leven, een leven zonder is het leven niet waard. Laten we dankbaar
zijn voor al onze emoties, hoe verrassend en onverwacht of verontrustend ze ook
zijn. Maar we moeten ook leren hoe er mee om te gaan. Ze mogen ons niet
overmeesteren, ons de baas worden. We moeten ze ten goede aanwenden, ze mogen
niet destructief worden, voor onszelf noch voor de mensen om ons heen.
Deze morgen
werd ik sterk aangegrepen door twee nieuwsberichten. Ik werd meteen woedend en
erg opgewonden, temeer omdat ik met mijn reacties geen blijf wist. Er bleef dus
niets anders over dan enkele uren nadenken terwijl ik het huis de wekelijkse
poetsbeurt gaf, waarbij je verstand toch ongeveer op nul staat, je weet immers
wat je te doen staat, je hebt het al zo vaak gedaan. En van dat nadenken komt
bij mij het schrijven, dat merk je nu.
Het eerste
bericht ging over een Belgische gangster van vreemde origine. Bij een overval
waarbij slechts enkele honderden euro’s buitgemaakt werden, liep hij bij een
vuurgevecht met de politie een schotwonde op. Enige tijd later was hij een van
de daders van een zeer gewelddadige homejacking. Een jonge politieagente werd
daarbij zomaar neer gekogeld met een zwaar vuurwapen. Nu meldt een krant dat
deze man voor de verwonding die hij opliep bij de eerste overval een invaliditeitsuitkering
kreeg van een ziekenfonds en dat hij die nog steeds krijgt, nu hij in de
gevangenis zit voor de brutale moord op de politieagente.
Ik weet
zeker dat ik niet de enige ben die op zo’n bericht woedend reageer. Het is erg
dat die man een uitkering krijgt terwijl hij in de gevangenis zit, waar hij er
helemaal geen behoefte aan heeft. Het is terecht dat een politieke partij dat wettelijk
onmogelijk wil maken. Maar wat mij zo boos maakt, is het feit dat hij een
uitkering krijgt voor een letsel dat hij heeft opgelopen in een vuurgevecht met
de politie naar aanleiding van een gewapende overval. Eerlijk, dat begrijp ik
niet. Als je bij het sporten of gewoon in je huiskamer je been breekt en je
houdt daaraan een blijvend letsel over en je hebt geen (dure!) verzekering, dan
is dat het einde van het verhaal. De verzekeringsmaatschappijen zijn ervoor berucht
om de bewijslast voor uitkeringen zo zwaar mogelijk te maken. En dan verneem je
dit! Hoe is het toch mogelijk dat niemand er ooit aan gedacht heeft om
dergelijke perverse gevolgen van onze sociale zekerheid uit te sluiten? Hoe is
het mogelijk dat geen enkele ambtenaar of bediende, geen enkele raad van
bestuur beslist heeft om die uitkering te weigeren of aan te vechten? Zijn letsel was immers blijkbaar niet van die aard dat het hem verhinderde om zijn gewelddadige levensstijl ongestoord verder te zetten. Een brave burger verliest zijn uitkering voor veel minder.
Ik heb me
tijdens het nadenken en nu nog tijdens het schrijven voortdurend afgevraagd of
ik me niet teveel laat leiden door mijn emoties. Ik denk het niet. Ook nu mijn
woede al wat gekoeld is, zoek ik tevergeefs naar een goede reden om die
misdadiger een sociale vergoeding toe te kennen voor een letsel dat hij heeft
opgelopen bij een gewelddadige overval. Waarom zou de maatschappij sociale
voordelen toekennen aan iemand die de maatschappij zo brutaal belaagt en zoveel
schade toebrengt? Om nog te zwijgen over het feit dat die man in zijn hele
leven allicht nog nooit enige positieve bijdrage heeft geleverd aan de
maatschappij.
Ik begrijp
het niet en ik weiger het te begrijpen. Als we zo doorgaan, dan stemt
binnenkort iedereen op extreem rechtse en populistische partijen. En zullen de
politiemensen misschien beginnen denken dat ze maar beter ineens kunnen
schieten om te doden, zoals ook de gangsters zelf doen. Zo komen we zowel
politiek als politioneel in een onverantwoorde escalatie terecht waarvan het
einde voor beschaafde mensen zelfs niet denkbaar is.
Het tweede
bericht betrof een man van 48 die veroordeeld was tot een jarenlang rijverbod
nadat hij in dronken toestand een dodelijk verkeersslachtoffer had gemaakt en
vluchtmisdrijf had gepleegd. Sinds zijn veroordeling is hij nog herhaaldelijk
betrapt op het gebruik van zijn wagen, een Porsche Boxster. Dat heeft hem nu al
twee (!)veroordelingen opgeleverd tot levenslang rijverbod.
Het is
duidelijk dat die man het niet zal afleren. Hij zal altijd met zijn auto
blijven rijden en hopen dat men hem niet betrapt. Maar zelfs als men hem
betrapt: wat riskeert hij dan? Nog een veroordeling tot levenslang rijverbod?
Dat is toch onzin! Waarschijnlijk staat er op het overtreden van zo’n rijverbod
geen andere straf, of als er al gevangenisstraf zou op staan, dan zal dat een
heel beperkte zijn, enkele maanden voorwaardelijk misschien. En wat dan nog?
Hij kan gewoon doorgaan, voor hem is dat allemaal niets, hij doet gewoon waar
hij zin in heeft.
Staat de
maatschappij machteloos in dergelijke gevallen? Ik weet het niet, maar het
lijkt wel zo. De bestraffing is inefficiënt, ze bereikt het beoogde doel niet:
de man uit het verkeer houden omdat hij een gevaar is voor zijn medemensen. Wat
zou men kunnen doen, wat zou ik doen?
Na enig
nadenken ben ik tot deze conclusie gekomen: men had al bij de eerste
overtreding zijn wagen in beslag moeten nemen en verbeurd verklaren. Een
Porsche Boxster kost algauw een slordige 65.000 euro zonder BTW en andere
belastingen. Zelfs iemand met diepe zakken voelt dat. Wanneer hij nogmaals in
een wagen betrapt wordt, kan men hetzelfde doen; indien zijn nieuwe wagen
minder kost dan zijn eerste wagen, legt men hem een supplementaire boete op tot
hetzelfde bedrag. Als je bij elke overtreding 65.000 euro riskeert, dan ga je
misschien nadenken, zelfs als je zo hardleers bent als deze kerel.
Als we er
niet in slagen om met ons gerechtsapparaat zo’n mensen tot betere gevoelens te
brengen, als we hen niet met legale middelen kunnen uit het verkeer houden om
hen te verhinderen onschuldige slachtoffers te maken, dan zullen we ook hier
onvermijdelijk in een spiraal van geweld terechtkomen. Vroeg of laat zal men
dan naar het systeem van de sharia grijpen. Volgens de letter van de Koran hakt
men een dief eerst de rechterhand af en bij een tweede diefstal de linkerhand.
Stelen wordt dan inderdaad wel erg bemoeilijkt. De vraag is alleen of wij de
sharia willen, of er echt geen alternatief is. Ons huidig justitiesysteem is
dat in alle geval niet. Wij zullen er dus een beter moeten verzinnen, of
uiteindelijk ten onder gaan aan het geweld, dat van de misdaad of dat van de staat
en de godsdienst.
Categorie:samenleving Tags:maatschappij
08-02-2012
Eenvoud en complexiteit
De laatste
tijd had ik het hier al herhaaldelijk over het toeval. Dat is geen… toeval,
want het is best een moeilijk begrip, als je er wat dieper op ingaat. We hebben
vastgesteld dat echt toeval, namelijk iets dat op geen enkele manier
voorspelbaar is, niet bestaat. Alles wat gebeurt, heeft immers oorzaken en ook
gevolgen; indien we die allemaal zouden achterhalen, tot in het kleinste detail,
dan konden we alles perfect voorspellen.
Een
voorbeeld: in laboratoriumopstellingen kunnen bepaalde proeven onder identieke
omstandigheden uitgevoerd worden. De resultaten zullen steeds dezelfde zijn.
Dat maakt het mogelijk om vergelijkingen te maken. Zo kan men betonblokken van
verschillende samenstelling onderwerpen aan dezelfde druk om te zien welke de
sterkste is.
Ik zei: onder
identieke omstandigheden: dat is natuurlijk niet echt mogelijk, er zal altijd
wel een of ander miniem verschil zijn, in luchtdruk of luchtvochtigheid of zo.
Door die verschillen zo klein mogelijk te houden, kunnen we de invloed daarvan
op de proeven minimaliseren. Zo zien we dat het zeer moeilijk is om
omstandigheden te scheppen waarin de dingen echt voor de volle honderd procent
voorspelbaar zijn. Het is vrijwel onmogelijk om de dingen terug te brengen tot
de uiterste eenvoud op alle punten, een uiterste eenvoud die vereist is om de hoogste
voorspelbaarheid te bereiken.
In de
praktijk zijn de dingen zelden eenvoudig, er is altijd een groot aantal
factoren in het spel, die de eenvoud in de weg staan. Eenvoud is zeldzaam,
complexiteit heerst alom. Hoe groter de complexiteit, hoe moeilijker het is om
voorspellingen te doen. Als er wolken te zien zijn, is er kans dat het regent,
dat kan je met het blote oog vaststellen. Maar er zijn zeer krachtige computers
nodig om te voorspellen of het ook echt zal regenen en zelfs die voorspellingen
zijn niet echt betrouwbaar.
Complexiteit
maakt voorspelbaarheid, moeilijk, maar niet onmogelijk. In principe kunnen we
alles berekenen, als we lang en hard werken, desnoods miljoenen jaren en met de
beste computers. Maar dat is niet eens nodig. We kunnen ons ook tevreden
stellen met benaderende cijfers, met voorspellingen die geen zekerheid bieden,
maar slechts waarschijnlijkheid. We hebben niet altijd zekerheid nodig, een
grote graad van waarschijnlijkheid is ook al heel nuttig. Als je klaarstaat
voor een dagje naar zee, en de weerkundige dienst geeft een grote kans op
regen, dan kan je daaruit je conclusies trekken. Als je thuisblijft en achteraf
hoort dat het toch niet geregend heeft aan de kust, dan haal je even de
schouders op.
Voor heel
veel zaken moeten we genoegen nemen met die waarschijnlijkheid. De wereld is
veel te complex voor absolute voorspelbaarheid.
We hebben het
begrip ‘toeval’ dus bijgesteld: het gaat niet om dingen die zomaar gebeuren,
tegen alle natuurwetten in, maar om gebeurtenissen die afwijken van de
waarschijnlijkheid.
De kans dat
je tijdens je uitstapje naar zee na vijftig jaar plots een oude bekende tegen
het lijf loopt, is vrij gering. Maar het kan gebeuren en dan noemen we dat een
toevallige ontmoeting. We weten ook wel dat er niets toevallig is aan die ontmoeting:
jij bent die morgen vertrokken met jouw bestemming en hij ook, elk op een
bepaald moment, en elk heeft er een bepaalde tijd over gedaan, steeds totaal
binnen de grenzen van de natuurwetten. Op basis van die gegevens, kon het niet
anders dan dat jullie elkaar ontmoetten. Het is alleen omdat jullie die
gegevens niet kenden, dat je zo verrast bent elkaar weer te zien na al die
jaren. Het was onwaarschijnlijk dat het zou gebeuren, maar er is niets
bijzonders aan het feit dat het gebeurde. Niet alleen wat waarschijnlijk is,
gebeurt; ook het onwaarschijnlijke gebeurt, alleen gebeurt het minder vaak, of
misschien zelfs helemaal niet, net zoals het waarschijnlijke.
Ik haalde
hier het voorbeeld aan van de trekking van de loterij. Om helemaal zeker te
zijn dat het winnende getal door het ‘toeval’ zou bepaald worden, creëren we
omstandigheden die door hun complexiteit de voorspelbaarheid zo goed als
uitsluiten. Wij hebben immers vastgesteld dat complexiteit voorspelbaarheid
bemoeilijkt. Een eenvoudige opstelling zou zijn: kruis of munt; dan heb je
slechts twee mogelijkheden, bijvoorbeeld 0 en 1. Je kan dan een getal
samenstellen uit nullen en enen, door voor elk cijfer kruis of munt te gooien. Een
dobbelsteen geeft al meer mogelijkheden en twee dobbelstenen nog meer. Maar we
willen de indruk vermijden dat een mens ermee gemoeid is en dus maken we
machines om de beweging uit te voeren en vullen die met ballen met de cijfers
op, of zelfs getallen, dan zijn er nog meer mogelijkheden. Je ziet wat er
gebeurt: we sluiten menselijk opzet uit en we creëren een complex systeem. En
dat noemen we toeval.
Maar als er
een systeem is, dan kan in principe ook het resultaat berekend worden, als we erin
slagen om alle elementen in rekening te brengen. Zo is het (waarschijnlijk?)
onmogelijk om, zelfs met de grootste computers, lukrake getallen te produceren.
Met kruis of munt heb je 50/50 kans, met een dobbelsteen is het al moeilijker,
maar perfect berekenbaar, zelfs met een kaartspel kan je nauwkeurig berekenen
hoeveel kans je hebt om een bepaalde kaart te trekken. Een computer is een
rekenmachine; als je die programmeert om at
random cijfers of getallen te produceren, dan is er nog steeds jouw
programma dat de volgorde van die getallen bepaalt en dus is het mogelijk om
dat programma te ontdekken uit de resultaten, want de resultaten hangen af van
het programma.
Toeval is
dus principieel onmogelijk. Een zeer hoge onwaarschijnlijkheid is het enige
denkbare.
In de natuur
heb je van alles: zeer voorspelbare zaken en uiterst onwaarschijnlijke. Dat
maakt het zo fascinerend.
Zijn er dan
geen zekerheden? Is alles alleen maar of ten hoogste waarschijnlijk?
Neem nou een
driehoek. De som van de binnenhoeken is, dat ‘weten’ we, 180°. Je kan dat met
het blote oog zien: teken een vierkant en trek een diagonaal. In een vierkant
heb je vier rechte hoeken, dus 4 x 90= 360°. Een rechthoekige driehoek is de
helft van een vierkant, dus zijn de hoeken ervan samen 180°. Je kan nog verder
gaan: aangezien een rechthoekige driehoek een rechte hoek heeft van 90°, is de
som van de andere twee hoeken ook 90° en aangezien ze gelijk zijn, zijn ze elk
45°. Ja?
Dat zijn zekerheden,
het kan niet anders zijn.
Ja, maar dat
is de theorie. Alleen in theorie bestaan er volmaakte vierkanten en driehoeken
en cirkels. In de praktijk kan ik geen perfecte geometrische figuur tekenen en
jij ook niet en een computer ook niet. Er zullen altijd minieme verschillen
zijn. Als je ooit geplaveid hebt of tegels geplaatst, dan weet je dat wel. Onze
geometrische figuren zijn begrippen, geen ‘dingen’. Begrippen kunnen perfect
zijn, dingen niet, die zijn slechts benaderend en dus onvolmaakt en dus is de
berekening van de afmetingen altijd veel moeilijker dan we denken, veel
complexer en de uitkomst dus veel minder voorspelbaar.
Wij mensen
zijn voortdurend heen en weer geslingerd tussen die twee: complexiteit en
eenvoud; voorspelbaarheid en waarschijnlijkheid.
Twee
voorbeelden die mij al lang intrigeren.
Van
kindsbeen af ben ik gefascineerd door mechanische uurwerken en hoe meer ik
erover verneem, hoe groter mijn verwondering en bewondering. Met enkele
eenvoudige middelen, een slinger, enkele radertjes, een anker, een gewicht of
een veer, slagen we erin een resultaat te bereiken dat zowel complex als
eenvoudig is. Wat we willen bereiken is de absolute eenvoud van een zichzelf perfect
herhalende beweging, zonder enige afwijking: tiktak, tiktak. Lang voor het
eerste mechanische uurwerk er was, dacht Aristoteles dat de tijd kon gemeten
worden met een cirkelvormige en dus repeterende maat. Dat is precies wat een uurwerk
doet: de tijd in kleine gelijke stukjes onderverdelen en het voortschrijden
ervan aanduiden door een cirkelvormige beweging van de wijzers.
Maar elke
uurwerkmaker en elke liefhebber weet dat dit eenvoudig principe in de praktijk
hels moeilijk te realiseren is. Een mechanisch uurwerk dat helemaal gelijk
loopt, bestaat niet. Ik heb een tiental mechanische uurwerken en klokken in
huis en er zijn er geen twee die gelijk lopen en geen een die juist loopt. Er
is altijd een afwijking, te wijten aan de machine zelf, ook al is die slechts
een seconde op bijvoorbeeld honderd jaar. De prijs van zo’n uurwerk is
astronomisch hoog, wat erop wijst dat de absolute eenvoud in de praktijk
onbereikbaar is. En toch proberen we het altijd weer. We hebben duizend
manieren om gratis te weten hoe laat het is, maar de verkoop van peperdure
mechanische uurwerken heeft geen last van crisissen, in tegendeel.
Om een zeer
eenvoudig resultaat te bereiken, een beweging die zichzelf gewoon maar herhaalt,
hebben we een uiterst complexe machine nodig, gebouwd met de allergrootste
nauwkeurigheid, wat ook weer ongelooflijk complexe machines vereist, door
uiterst bekwame technici, ontworpen door vindingrijke ingenieurs…
Mijn tweede
voorbeeld is het biljartspel. Als knaap keek ik met grote ogen naar de
volwassenen die aan het biljartenwaren in chique cafés of gezellige verenigingslokalen.
Drie ballen op een grote tafel met een groen laken. Een keu waarmee je de ene
bal achtereenvolgens tegen de twee andere doet botsen. Telkens vormen de drie
ballen een andere figuur, die de volgende carambole moeilijker of gemakkelijker
maakt. De opgave is eenvoudig: een carambole maken, zo mogelijk twee of meer.
De praktijk is uiterst complex, sommige caramboles zijn alleen theoretisch
mogelijk, in de praktijk heb je als ongeoefend amateur geen kans, terwijl een
kampioen onwaarschijnlijke stoten uithaalt.
Biljarten is
de wetten van de fysica in de praktijk. De zwaartekracht, de beweging, oorzaak
en gevolg. Hoe beter je kan spelen, hoe meer je ingrijpt op die wetten: je kan
de ballen allerlei effect meegeven en ze op vele manieren raken, zodat ze afwijken
van hun natuurlijke beweging. Je probeert de ballen te dwingen om te doen wat
jij wil, wat vereist is: een carambole maken, de eenvoud zelf: tiktak. Maar wat
je daarvoor moet doen varieert van de eenvoud zelf tot een voor onmogelijk
gehouden kunststoot.
Ik kan het
niet laten om er nog een derde voorbeeld aan toe te voegen, terwijl ik tijdens
het schrijven luister naar strijkkwartetten nrs.1, 2 en 4 van Béla Bartók: de
muziek! Wellicht is dat het meest subtiele spel dat wij mensen daar spelen met eenvoud
en complexiteit, regelmaat en afwijking, met het opwekken van verwachtingen en
het doorbreken van patronen.
Wij zijn
gefascineerd door de eenvoud en de complexiteit die er nodig is om die te
bereiken, door de altijd verrassende afwisseling tussen het voorspelbare en het
onverwachte.
Categorie:wetenschap Tags:wetenschap
06-02-2012
Geluksmachines
Iedereen wil
gelukkig zijn. Alleen verschillen we van mening over wat geluk is en hoe het te
bereiken. Als wij beelden zien van een haveloze junkie die zich in een verlaten
pand inspuit met een of ander goedje, dan kunnen wij onmogelijk begrijpen dat
hij bezig is met het zoeken naar geluk, maar toch is het zo. Die junkie is een
mens en hij bevredigt op dat moment zijn hoogste verlangen, resultaat gegarandeerd,
of toch voor eventjes, kostprijs slechts enkele euro’s.
Als we om
ons heen kijken, ligt het geluk op de meest onwaarschijnlijke plaatsen. Wij
zijn geneigd om te denken dat alle mensen zowat hetzelfde willen: een goede
gezondheid, een dak boven het hoofd, voldoende eten en drinken, werk of een
zinvolle bezigheid, een partner… Maar dan blijkt dat we daarmee zelden tevreden
zijn. We willen meer en andere dingen, het is nooit genoeg. Mensen die een
prachtig huis hebben, trekken er voortdurend op uit om op schier onbereikbare
plaatsen genoegen te nemen met een eenvoudige hut. Mensen met een mooi gezin
geven plots alles op om een nieuw leven te beginnen met iemand anders. Mensen
met een top job laten zich verleiden door de drank en drinken zich in de
vernietiging. Jonge mensen met een schitterende toekomst voor zich zoeken
vertier in drugs en weekeindplezier en rijden zich te pletter op een grauwe
zondagmorgen. Ogenschijnlijk evenwichtige mensen komen terecht in misdadige
sekten, waar ze een onwaarschijnlijk dwaas regime volgen van een idiote of
gehaaide goeroe.
De mens
beschikt over een brede waaier van genotsensoren: lekker eten en drinken, een
heerlijk parfum of de geur van de wassende zee, de roes van alcohol, seksuele
opwinding, de voldoening van iets te bezitten, de euforie van het succes, de verdwazing
van drugs, het artistieke genot, de voldoening van fysieke inspanning, de kick
van sport… Geluk is niet eenduidig, het is veelvormig.
En dus zijn
er geluksmachines, systemen om ons geluk te verzekeren. Dat kan door zoveel
mogelijk sensoren te prikkelen, door alle prikkels intens te bevredigen, een Bourgondisch
leven te leiden. Het kan ook door van zoveel mogelijk afstand te doen, alle
prikkels te vermijden en de rust op te zoeken van de eenvoud. Het kan door te
vluchten in religieuze waanzin, of door filosofisch naar de Waarheid te zoeken.
Het kan door zinvol te leven in een maatschappelijk verband, of net niet.
Er zijn duizenden
geluksmachines: een vibrator, een gevulde ijskast of wijnkelder, een tv of
stereoset, een computer, een gamebox, een fitnesstoestel, een bibliotheek, een
handboog, een fiets, een snelle wagen, penselen, verf en doek, beitels en steen,
een tube met vluchtige lijm, pijnstillers, drugs…
Wij zijn
bijzonder vindingrijk in ons streven naar geluk, we zoeken het op de gekste
plaatsen. Vijfduizend kilometer door sneeuw en ijs ploeteren op Antarctica zonder
bevoorrading, met enkel de wind als hulp. Als jong meisje op je eentje de
wereld rondvaren in een zeilboot. Te voet naar Compostella. Als gehandicapte de
hoogste bergen beklimmen. Lees het eens na in het Guinness Book of Records:
verbazingwekkend. Alsof we als individu of als groep niets anders te doen
hebben.
Godsdiensten
zijn ook geluksmachines, de grootste die er zijn. Ze beloven je geluk hier op
aarde en het eeuwig geluk in het hiernamaals, als je doet wat ze je voorschrijven.
En het werkt: er zijn mensen die zich goed voelen bij die recepten, of toch
niet slecht. Miljarden mensen bekennen zich tot een of andere godsdienst of
ideologie, die ze min of meer fanatiek beleven. Daar is in principe even weinig
op te zeggen als op andere geluksmachines, behalve als er dwang mee gemoeid is,
of bedrog, als het beloofde geluk uitblijft of compleet illusoir is.
Moeten we ieder
diertje zijn pleziertje laten? Mag elkeen op zijn manier het geluk nastreven?
Is dat een onvervreemdbaar recht, zoals in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring
staat: the pursuit of happines? Zijn
er hogere vormen van geluk en lagere? Is het belangrijk dat zoveel mogelijk
mensen het hoogste geluk bereiken, wat dat ook moge zijn? Moeten we de mensen wijzen
op de nadelen of gevaren van sommige geluksmachines, hen desnoods verhinderen
om gelukkig te worden op de manier die zij hebben gekozen?
Moeten we
iets doen om die junkie te ontwennen en terug op het rechte pad te brengen?
Moeten we een aan alcohol verslaafde collega of vriend terechtwijzen of helpen?
Moeten we het gebruik van soft drugs verbieden en bestraffen? Moeten we mensen
verhinderen om domme, nutteloze, dure en gevaarlijke dingen te doen bij het
nastreven van hun geluk? Of is elke mens vrij om zijn eigen geluksmachine te
kiezen?
Het zijn
vragen die we ons allemaal wel eens stellen.
Categorie:samenleving Tags:levensbeschouwing
05-02-2012
Vrij, of bevrijd?
Gisteren
gebruikte ik de scheidsrechter in het voetbalspel als voorbeeld in de discussie
over de vrije wil. Ik wil daar nog wat dieper ingaan, omdat het ons kan helpen
om te begrijpen hoe we echt vrij kunnen zijn.
Wat is een
goede scheidsrechter? Vooreerst moet hij de reglementen van het voetbal kennen.
Het heeft geen zin iemand het veld op te sturen die nog nooit van voetbal
gehoord heeft. Naast die theoretische kennis moet hij ook ervaring hebben.
Iemand met alleen maar theoretische kennis zal het in het begin niet echt goed
doen. Vandaar dat er in alle (goede) opleidingen behalve theorie ook praktijk
voorkomt. Wat je in de boeken geleerd hebt, moet je ook in de praktijk kunnen
brengen en dat kan alleen door ervaring op te doen. Op die manier wordt de
abstracte wetenschap een concrete en parate kennis. Uit de massa van
theoretische gegevens selecteer je dan die toepassingen die je het vaakst van
pas komen. Je leert ook snel reageren: er is immers geen tijd om lang na te denken,
het leven, zoals het voetbalspel, moet voortgaan.
Kennis en
ervaring zijn noodzakelijk, maar dat maakt je nog niet tot een goede
scheidsrechter. Er is nog iets anders nodig, namelijk onpartijdigheid. Het
ergste verwijt dat men een scheidsrechter kan toesturen, is wel dat hij
partijdig zou zijn. Het behoort tot de essentie van zijn functie dat hij niemand
bevoordeelt of benadeelt, maar zonder enige bijbedoeling of onderliggende reden
objectief oordeelt. Hij mag zich niet laten leiden door vooringenomenheid of
persoonlijke voorkeur. Hij mag ook niet impulsief of emotioneel reageren. Dat
is niet altijd gemakkelijk. Misschien kent hij sommige spelers persoonlijk, of
herkent hij hen van vroegere ontmoetingen. Hij kan daarbij een positieve of
negatieve indruk hebben opgedaan, maar dat mag niet meespelen. Ook als een speler
erg verbaal is en voortdurend kritiek spuit: de scheidsrechter mag zich door
niets of niemand laten beďnvloeden, ten goede of ten kwade. Ook niet door zijn persoonlijke
situatie. Dat zal niet altijd lukken, hij of zij is tenslotte ook maar een
mens.
Een goede
scheidsrechter is dus iemand die zich terdege heeft voorbereid op zijn taak,
die een ruime ervaring heeft en die zich niet laat beďnvloeden of afleiden.
Dit is geen
kwade leefregel voor elk van ons.
Wij zondigen
vaak tegen de regels die we net geschetst hebben. Wij durven wel eens oordelen zoals
men zegt: niet gehinderd door enige kennis van zaken of enige ervaring. Het
gebeurt maar zelden dat wij ons niet laten leiden door onze persoonlijke
voorkeuren en onze emoties. Wij zijn rancuneus en haatdragend, of verliefd, of
partijdig. We hebben een verborgen agenda, we zijn uit op eigen profijt of
willen per se gelijk halen. We zijn meestal niet erg objectief.
We zouden
dat ook anders kunnen formuleren: wij zijn niet vrij. Zoals een scheidsrechter
die zich laat omkopen of zich laat leiden door zijn persoonlijke voorkeuren of
zijn emoties niet vrij is. Vrij zijn is vrij zijn van al wat afbreuk doet aan de
objectiviteit, de onpartijdigheid en de eerlijkheid. Vrije beslissingen zijn
dus niet beslissingen die we zomaar nemen, onnadenkend. Dat is niet wat wij
bedoelen met echt vrij zijn, integendeel. Hoe beter wij voorbereid zijn, hoe vrijer
wij zijn om de juiste beslissing te nemen. Wie zich laat leiden door verkeerde
principes, wie zich niet terdege geďnformeerd heeft, wie impulsief en
emotioneel reageert, wie geen rekening houdt met zijn eigen ervaringen of die
van anderen, die is helemaal niet vrij, maar zeer onvrij. Wij moeten ons
bevrijden van onkunde, onervarenheid, onnadenkendheid, oneerlijkheid…
Mensen
worden niet kant-en-klaar geboren. In onze eerste levensjaren zijn we
hulpeloos, mentaal en fysiek. We kunnen alleen overleven dank zij anderen die
voor ons zorgen, die alles voor ons doen (maar dat vergeten we al te
gemakkelijk wanneer we ze niet meer nodig hebben en we herinneren het ons
helaas alleen maar wanneer ze er niet meer zijn, maar dat terzijde). Het duurt gemakkelijk
twintig jaar voor we een beetje op eigen benen kunnen staan en volleerd zijn we
nooit. Wij worden dus zeer onvrij geboren en blijven dat ook heel ons leven in
ruime mate. Vrijheid is iets dat we moeten verwerven, iets dat inspanning
vergt. We zullen nooit helemaal vrij zijn, maar we kunnen wel goede vorderingen
maken als we ook maar enigszins moeite doen.
Een leven
lang proberen en bijleren, dat is de boodschap. Met vallen en opstaan, door
schade en schande. Iedereen doet het op zijn eigen manier. De ene slaagt er al
wat beter in dan de andere. Het is ook niet zo dat je lang moet gestudeerd
hebben om jezelf te bevrijden van vooringenomenheid of oneerlijkheid: je kan dat
overal leren, in de school van het leven. Het is zeker niet zo dat de grootste
geleerden ook de meest vrije mensen zijn; het kan, maar het is geen garantie.
Sommige wetenschappers zijn doortrapte schurken in hun persoonlijk leven, soms
zelfs in hun wetenschap, wanneer ze hun resultaten vervalsen, gegevens stelen
van collega’s of zich laten omkopen om de belangen van anderen te dienen.
Over het
algemeen kunnen we stellen dat het altijd goed is om bij het nemen van belangrijke
beslissingen goed na te denken, je goed te informeren, niet impulsief te
handelen en rekening te houden met alle mogelijke gevolgen, voor jezelf en voor
anderen. Net zoals een scheidsrechter zullen we daarin ook ervaring moeten
opdoen, zodat we net als zij snel kunnen oordelen wanneer dat nodig is. Door
goede gewoonten aan te kweken en er goede principes op na te houden, kunnen we
daarop terugvallen wanneer we plots voor een probleem komen te staan.
Zo komen we
bij allerlei basisregels die de mensheid heeft opgebouwd: gij zult niet doden,
gij zult niet stelen, gij zult niet liegen… Of kleine hulpmiddeltjes: een ezel
stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen, of: always choose the lesser of two evils; of nog: beter een vogel in
de hand dan tien in de lucht.
Ik besluit.
Waar we aanvankelijk misschien dachten dat vrijheid neerkomt op beslissingen
die we persoonlijk en autonoom kunnen nemen zonder rekening te houden met wie
of wat dan ook, een soort van absolute vrijheid dus, zijn we tot de conclusie
gekomen dat we slechts vrij zijn in de mate dat we met zoveel mogelijk
elementen rekening houden en dat we ons ontdoen van al wat het nemen van de
juiste beslissing in de weg staat. Niet vrij zijn, maar bevrijd zijn.