Foto
Over mijzelf
Ik ben Karel D'huyvetters
Ik ben een man en woon in Werchter (Vlaams-Brabant, België) en mijn beroep is gepensioneerd universiteitsambtenaar.
Ik ben geboren op 16/01/1946 en ben nu dus 66 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: cultuur, literatuur, muziek, klokken, astronomie en tijdrekening, etymologie, koken, talen, levensopvatting, typografie en drukkunst, poëzie, kruiden, boeken, internet.
Mijn blog is mijn hobby, mijn uitlaatklep, mijn blik op de wereld, mijn intellectuele uitdaging, mijn contact met de buitenwereld. Ik hoop dat mijn lezers er ook iets aan hebben.
Categorieën
  • etymologie (64)
  • ex libris (31)
  • God of geen god? (112)
  • historisch (19)
  • kunst (1)
  • levensbeschouwing (103)
  • literatuur (18)
  • muziek (58)
  • natuur (1)
  • poëzie (41)
  • samenleving (124)
  • spreekwoorden (10)
  • tijd (10)
  • wetenschap (30)
  • stuur me een e-mail

    Druk op de knop om mij te e-mailen. Als het niet lukt, gebruik dan mijn adres in de hoofding van mijn blog.

    Zoeken in blog

    Blog als favoriet !
    interessante sites
  • U.K. database English fiction authors & books
  • tweedehandse boeken
  • Vladimir Nabokov
  • Edge
  • The Secular Web
  • Spinoza
  • Investigating Atheism
  • de blog van Lut
  • Boutique Karel
    Archief per maand
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 01-2010
  • 12-2009
  • 11-2009
  • 10-2009
  • 09-2009
  • 08-2009
  • 07-2009
  • 06-2009
  • 05-2009
  • 04-2009
  • 03-2009
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 12-2008
  • 11-2008
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 12-2007
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 04-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 12-2006
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 06-2006
  • 05-2006
  • 04-2006
  • 03-2006
  • 02-2006
  • 01-2006
    Kroniek
    mijn blik op de wereld vanaf 60
    Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
    Elke week zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
    Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geďnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
    Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1000! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
    Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
    Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
    21-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eitjes en zaadjes

    M

    ijn eerste seksuele voorlichting kreeg ik verscheidene jaren na mijn seksueel ontwaken. De gekleurde platen met ovaria en testes stonden zo ver af van de levende wezens om mij heen, dat ik er niet de minste belangstelling kon voor opbrengen. De biologie van de menselijke voortplanting was toen het laatste van mijn zorgen of mijn nieuwsgierigheid. Over seksualiteit praatte men niet.





    Dat maakt dat ik tot vandaag bitter weinig afweet van de biologische processen die zich bij onze voortplanting afspelen. Dat bleek nog maar eens tijdens een gesprek daarover met Jacques, mijn internetvriend uit ’s Hertogenbosch. Omdat geen van ons precies wist hoe het eraan toe gaat, kreeg ik als opdracht om dat ‘even’ na te kijken.

    Op Wikipedia vind je massa’s informatie; het is dan de kwestie om het kaf van het koren te scheiden. Ook gewoon begrijpen wat er staat is al een hele klus: het wemelt van wetenschappelijke termen die bovendien allemaal erg op elkaar lijken. Toen ik besloot om er een stukje over te schrijven, heb ik me voorgenomen om geen enkel moeilijk woord te gebruiken. Ik hoop dat het lukt.

    Wij planten ons seksueel voort. Eenvoudig gezegd betekent dat, dat we met zijn tweeën moeten zijn, een mannetje en een vrouwtje. Elk van beide brengt voortplantingsmateriaal voort, het vrouwelijke eitje en het mannelijk zaadje. Die verenigen zich en dat bevruchte eitje groeit uit tot een baby. Dat lijkt evident, maar het heeft wel ‘even’ geduurd voor zelfs de wetenschap daarachter gekomen was; 150 jaar geleden was dit nog een veronderstelling.

    Sindsdien weten we er veel meer over. De eitjes en de zaadjes zijn heel bijzonder: ze bevatten maar de helft van de informatie die een normale menselijke cel heeft, het zijn dus halve cellen. Door de samenvoeging van twee halve cellen, vormt zich een nieuwe volledige cel, het bevruchte eitje.

    Het aanmaken van die ‘halve’ cellen gebeurt op een eigenaardige manier. Bij de mens zijn er in elke (volledige) cel 23 paar dragers van kenmerkende eigenschappen. In een voortplantingcel niet. Van elk paar wordt telkens slechts één van de beide dragers genomen, de ene of de andere, willekeurig, de linkse of de rechtse, zeg maar.





    Aangezien wij helemaal gemaakt zijn uit zo’n samengevoegde cel, dragen wij dus allemaal het materiaal van onze ouders. De helft komt van onze vader, de andere helft van onze moeder. Maar let nu even goed op: bij elk zaadje en eitje is er die willekeurige keuze tussen de linkse en de rechtse drager, een die we van onze vader hebben of een van onze moeder. Er zijn dus heel wat combinaties mogelijk, namelijk 2 tot de 23ste macht, of 8.388.608 verschillende mogelijkheden.

    Het is dus niet zo dat wij altijd identiek hetzelfde voortplantingsmateriaal aanleveren in onze zaadjes en eitjes. Dat zorgt voor de aanzienlijke variatie die we in onze kinderen zien; ze lijken in het beste geval wel op elkaar, maar ze verschillen ook heel sterk, naargelang de combinatie van kenmerken in het zaadje en het eitje waaruit ze ontstaan zijn.

    Er is nog een tweede belangrijk moment bij de overdracht van de kenmerken. Dat gebeurt bij de samenvoeging van het eitje met het zaadje. De twee halve cellen voegen zich niet naadloos bij elkaar, de 23 kenmerken van de vader gaan niet netjes naast die van de moeder liggen, nummer 1 naast nummer 1 enzovoort. Het gebeurt wat meer rommelig. Bovendien zorgt de samenvoeging voor conflicten in elk paar: nu eens is het kenmerk van de vader overheersend, dan weer dat van de moeder. Daardoor is het niet vooraf te voorspellen welke kenmerken het kind uiteindelijk zal hebben.

    Die vrij ingewikkelde toestand heeft zijn voordelen. De overdracht van negatieve kenmerken wordt zo min of meer vermeden en die van goede veeleer bevorderd.

    Het kan ook fout lopen en wel in beide processen. Het eitje of het zaadje, of zelfs allebei, kunnen fouten vertonen. Dat kan de samenvoeging verhinderen, of het kan leiden tot een onvolmaakt kindje, bijvoorbeeld het syndroom van Down. Maar ook ‘volmaakte’ zaadjes en eitjes kunnen op een onvolmaakte manier samensmelten en ook dat kan resultaten geven die veel minder dan goed zijn.

    Dit lijkt me al meer dan genoeg voor vandaag. We onthouden dat al onze cellen afkomstig zijn van onze vaders en onze moeders, elk voor de helft. Maar bij het aanmaken van de zaadjes en eitjes gebeurt er een willekeurige keuze tussen elk gegevenspaar, zodat we nu eens een kenmerk doorgeven dat we van onze moeder hebben, dan weer een van onze vader. Zo zit er verschil op de eitjes en zaadjes die een persoon aanmaakt en dat verschil zie je ook in onze kinderen.

    Ik heb geprobeerd om een vrij ingewikkeld proces begrijpelijk voor te stellen, zonder moeilijke woorden. Ik hoop dat ik erin geslaagd ben, maar ik hoop vooral dat mijn uitleg ook klopt, dat ik de geleerde uitleg goed begrepen heb. Als iemand het beter weet, dan hoor ik dat graag.


    Categorie:wetenschap
    Tags:wetenschap
    19-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Spinoza's Theologisch-politiek tractaat

    D

    e voorbije weken heb ik nuttig en aangenaam doorgebracht in het gezelschap van Spinoza’s Tractatus Theologico-Politicus.

    Ik gebruikte daarvoor:

    Spinoza, Theological-Political Treatise, Edited by Jonathan Israel, Translated by Michael Silverthorne and Jonathan Israel, Cambridge Texts in the History of Philosophy, Cambridge UP, 2008˛, xlvi + 280 pp., paperback, € 19,90 nieuw.




    Steven Nadler, A Book Forged in Hell. Spinoza’s Scandalous Treatise and the Birth of the Secular Age, Princeton UP, 2011, xviii + 279 pp., hardcover, $ 29,95, ong. € 20 nieuw

    In het Nederlands is er

    Akkerman, F., Spinoza: Theologisch-Politiek Traktaat (uit het Latijn vertaald, ingeleid en van verklarende aantekeningen voorzien), Wereldbibliotheek, 1997.

    Klever, Wim: Definitie van het Christendom: Spinoza’s Tractatus theologico-politicus, Opnieuw vert. en toegel. door Wim Klever, Eburon-1999, 396 blz.

    Ik zou me hier kunnen uitputten in een bloemrijke loftuiting van zowel de TTP, zoals de Tractatus bekend staat bij Spinoza-liefhebbers, als de uitstekende introductie en vertaling van Jonathan Israel, The Master himself, als de even meesterlijke toelichting van die andere specialist, Steven Nadler. Ik ga dat niet doen, want dan zou ik alleen maar in herhaling vervallen van wat ikzelf en vele anderen al hebben gezegd en geschreven over Jonathan Israel, Steven Nadler, Spinoza en de Tractatus.

    Ik zeg dus alleen maar dit: lees de Tractatus, in welke taal en presentatie ook. Het zal je allicht enige moeite kosten, maar het is die moeite meer dan waard. En het is veel minder moeilijk dan het lijkt, zeker als je gebruik maakt van de uitstekende toelichtingen die nu volop voorhanden zijn.

    Bij zijn anoniem verschijnen in 1670 werd de Tractatus vrijwel onmiddellijk verboden in heel Europa en verguisd als een obsceen, hemeltergend, godlasterlijk boek, een boek gesmeed in de hel. Vandaag, bijna 350 jaar later, heeft het niets van zijn originaliteit en zijn oproerige kracht verloren. Ondanks het ruime hedendaagse aanbod van subversieve vrijzinnige atheďstische literatuur, is er maar weinig dat kan wedijveren met dit bescheiden boekje. Het is een van de belangrijkste werken ooit in de geschiedenis van de filosofie, in het religieus en politiek denken en zelfs in Bijbelstudie (Nadler, p. 240).

    Doen!


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:levensbeschouwing
    18-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Openbaring zonder God?

    M

    en zal mij niet kunnen verwijten dat ik niet nagedacht heb over God en het (christelijk) geloof, dat ik mij niet geďnformeerd heb, dat ik het bestaan van God en de waarde van het geloof en de kerk zou verwerpen zonder te weten waarover ik spreek. Ik ben ook altijd bereid om andere meningen te beluisteren en ze ernstig te nemen wanneer ze zelf ook ernstig zijn.

    Het overkomt me voortdurend dat ik me afvraag of een of ander aspect van het Godsgeloof toch niet een reële waarde zou kunnen inhouden, wanneer men het grondig bekijkt en andere interpretaties overweegt dan de voor de hand liggende, traditionele of letterlijke betekenis. Spinoza heeft dat ook gedaan: hij spreekt voortdurend over God en verzet zich heftig tegen de beschuldiging van atheďsme. Dat heeft helaas geen enkele kerkelijke instantie verhinderd om van zijn naam een synoniem te maken van atheďsme, ongeloof, blasfemie en al wat ingaat tegen God en Kerk.




    Is Spinozisme en atheďsme dan misschien niets anders dan Godsgeloof onder een andere naam? Ik denk vaak dat het inderdaad zo is. Als we theologische concepten zoals God en openbaring goed verstaan, dan zijn er ten hoogste nog nuanceverschillen, zo al niet identiteit, tussen atheďsme en Godsgeloof. Dat liet Spinoza toe om letterlijk te stellen: Deus sive Natura, waarbij hij kernachtig duidelijk maakte dat voor hem God en de Natuur een en hetzelfde zijn.

    Laten we dat even toepassen op de openbaring. Letterlijk en zoals het ons is voorgehouden door de kerk, betekent het dat God zich aan de mensheid openbaart. Dat gebeurt op verscheidene manieren. Hij heeft zich op een bijzondere wijze gemanifesteerd aan zijn uitverkoren volk, Israël. Vervolgens heeft hij zijn eigen Zoon mens laten worden en zo als het ware zelf tot de mensheid gesproken. De volgelingen van Christus hebben dan een kerk gesticht om zijn werk voort te zetten en Gods Geest staat hen bij in hun verkondigingswerk.





    Als we dat op een naďeve, kinderlijke en dus zeer antropomorfe manier bekijken, hebben we ergens in de wolken een God die boodschappen en boodschappers stuurt naar de mensen hier op aarde: profeten, engelen, zijn Zoon, zelf ook God in eenheid met de Vader, apostels en evangelisten, kerkgeleerden en onfeilbare kerkvorsten die rechtstreeks door Hem Zelf geďnspireerd worden. Zij zijn slechts de spreekbuis van God, wat zij vertellen en neerschrijven hebben zij niet uit zichzelf, zij zijn vol van de Geest van God, God houdt de hand vast van de evangelisten in een soort van écriture automatique. De kerk wordt op wonderbaarlijke wijze geleid door God zelf, in die mate dat het opperste gezag van de kerk, de paus, een gewone mens, door het opnemen van zijn functie zonder meer onfeilbaar wordt, precies omdat hij door Gods Geest aangestuurd wordt en dus niet meer zijn eigen mening verkondigt, maar het Woord van God.

    Het lijkt gemakkelijk, en dat is het ook, om bij zoveel fantasie gewoon de schouders op te halen en te zeggen: nee, zo is het niet. Er is helemaal geen God, er is geen enkele reden om aan te nemen dat er zo een God zou zijn, het is allemaal verzonnen, het is totaal ongeloofwaardig.

    Maar we kunnen die traditionele voorstelling ook anders bekijken. We kunnen dieper graven dan die kinderlijke voorstelling en ons afvragen of daaronder geen diepere waarheid schuilgaat. Ongetwijfeld hebben vele gelovigen zo geredeneerd. Kerkleiders, begeesterde gelovige denkers en verstandige theologen en filosofen hebben altijd geprobeerd om aan die fundamentele gelovige houding een diepere inhoud te geven, met wisselend succes, binnen en buiten de kerk.

    Wanneer we echter vertrekken van een atheďstische opvatting, dan zeggen we dat er geen God is die zich aan de mens openbaart. Wat is het gevolg voor wat men de openbaring noemt? Al de vermeende boodschappen van God verdwijnen daarmee niet in het niets. Het Oude Testament blijft bestaan, de geschiedenis van Gods volk wordt de geschiedenis van Israël, opgetekend door mensen. Christus wordt een charismatische mens, de evangelisten en Paulus ook, en Hieronymus, Augustinus, Thomas Aquinas, Erasmus, Luther, Calvijn enzovoort. Ook de leer van de kerk, opgesteld door theologen en kerkvorsten, wordt een neerslag van wat verstandige en geëngageerde mensen in de loop van de eeuwen hebben gedacht. Gods openbaring wordt mensenwerk dat we niet zomaar moeten verwerpen, wanneer we op een goede dag stellen dat er geen God is die erachter zit.






    Het is een beetje een Copernicaanse omkering: de openbaring is er wel degelijk, maar ze komt niet van God, ze is niets anders dan het inzicht dat de mensheid zelf heeft verworven, haar eigen wijsheid en ervaring. Meteen verdwijnen dan al de moeilijkheden die veel verstandige mensen hebben met het kinderlijk Godsbeeld. God is niets anders dan de menselijke beschaving die zich realiseert. Hegel en Schopenhauer en zelfs Nietzsche hebben dit aangevoeld en uitgesproken. Het is ook de basisgedachte van Spinoza: God is de Natuur, de Wereld, het Al. Dus geen wonderbaarlijke toestanden, geen goddelijke inspiratie, geen heilige boeken, geen onfeilbaarheid, geen starre onderdanigheid aan traditie en gezag. We kunnen weer de hele omvangrijke en diverse christelijke literatuur gaan lezen en daaruit waardevolle inzichten putten.

    Er zijn evenwel enkele moeilijkheden met een dergelijke benadering, dus wacht nog even voor je enthousiast naar je Bijbel, Koran of hymnenbundel grijpt, of de verzamelde werken van Bossuet, Sint Jan van het Kruis of Hildegard von Bingen.

    Vooreerst is de kerk het niet eens met deze interpretatie: indien ik dit zou neergeschreven hebben in vroegere tijden, dan was ik op de brandstapel beland en ook nu riskeer ik nog altijd excommunicatie voor dergelijke uitspraken. God is helemaal geen fictie, geen manier van spreken, geen metafoor. De kerk verwerpt die opvatting formeel en met alle kracht. Ze heeft dat altijd gedaan en doet dat nog steeds onverminderd. Dit is Spinozisme en dat staat voor de kerk gelijk met atheďsme en godloochening en het misleiden van de gelovigen. Er is voor deze opvatting geen plaats binnen de gemeenschap der christenen. Het is verboden om zo te denken, het is een afschuwelijke dwaling, een ketterij.

    Dat is een. Maar goed, stel dat je daarbij de schouders ophaalt en zegt: wat dan nog, de kerk kan me gestolen worden, ik behoor toch niet tot dat instituut, ik wil mijn eigen interpretatie geven aan het christelijk erfgoed, ook als dat het kerkelijk gezag niet zint.

    Lieve lezer, ook dan kan ik je geen tuin vol rozen beloven. Neem om het even welk joods of christelijk document en probeer het te lezen met je nieuw verworven inzicht in wat de openbaring echt is: de ontplooiing van het menselijk denken. Je staat dan voor een quasi ondoordringbare mist van begrippen, uitdrukkingen, concepten, dogma’s en leerstellingen, mystieke ontboezemingen, filosofische en theologische haarklieverijen en klinkklare nonsens die het zo goed als onmogelijk maken om ook maar enigszins de menselijke waarden te onderkennen die achter deze geschriften schuilgaan.

    Ik heb hier in mijn Kroniek al herhaaldelijk Bijbelse teksten geanalyseerd, uit het Oude Testament en het Nieuwe, niet vergezochte en esoterische, maar de meest bekende: het Onze Vader en het Weesgegroet; de Tien Geboden en de Vijf geboden; het Credo en het Gloria; het kerstverhaal en de passie; het offer van Isaac en nog veel meer. Telkens bleek het zelfs met de beste wil van de wereld niet doenbaar om ook maar een zweem van menselijke waarden te ontdekken, zeker niet voor deze tijd. Het probleem met de christelijke literatuur is dat ze zich vastgepind heeft op de kinderlijke manier om over God te denken. Men heeft zich louter bezig gehouden met het verzinnen van een uitleg voor dingen die niet uit te leggen zijn, zoals het bestaan van God, zijn Zoon en zijn Moeder, zijn Geest, engelen en duivelen, hemel en hel, zonde en vergiffenis, dood en verrijzenis, het eeuwig leven…

    De zeldzame personen die ooit op een andere manier over deze dingen hebben durven spreken, hebben het meestal niet overleefd, hun geschriften zijn met hen verbrand. Ze zijn verketterd en doodgezwegen. Er is in het Westen enkel een verborgen traditie van dit alternatief denken, die ook vandaag nog maar schuchter in de openbaarheid treedt. De macht van het kerkelijk gezag is nog steeds aanzienlijk, de stem van de oppositie komt nog maar nauwelijks aan bod.

    Een alternatieve lezing van de christelijke literatuur is niet iets dat je geredelijk kan aanpakken: je zal grotendeels zelf het werk moeten doen. En dan zal je vaststellen dat het nauwelijks de moeite loont. De aanzienlijke inspanningen die je je moet getroosten, zullen je niet alleen uitgeput maar ook zwaar teleurgesteld achterlaten: is het maar dat? Is dat die fameuze onderliggende christelijke boodschap? Want het komt neer op slechts dit: behandel je medemens zoals je zou willen dat je zelf behandeld wordt, of: bemin uw naaste zoals uzelf. God beminnen is niets anders dan u gedragen als een eerlijk en rechtvaardig mens. Al de rest is bijzaak, ballast, folklore, bijgeloof of, erger nog: onzin.

    Het is een ontnuchterende gedachte. De christelijke levensbeschouwing en haar Joodse voorgeschiedenis samengevat in één simpele gedachte en dan vaststellen dat men zich vierduizend jaar heeft bezig gehouden met die te verpakken in een gedrocht van een ideologie en een godsdienst, waarover men dan met een aan waanzin grenzend fanatisme onder elkaar en met de ‘heidenen’ ten strijde is getrokken, in weerwil van de onderliggende boodschap. Je tegenstanders uitroeien in naam van de naastenliefde, mooi is dat.





    Het is zo jammer. We verliezen onze tijd met twisten over bijzaken en vergeten dat we slechts eventjes hier zijn en dan weer niet meer. We zouden beter de korte tijd die we hebben, gebruiken om gelukkig te zijn en anderen gelukkig te maken.

     


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheďsme
    17-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Salaris

    S

    alaris is best een vreemd woord, het klinkt ook vreemd. Niet te verwonderen, want het heeft Latijnse wortels.

    Van Dale zegt dit over de oorsprong: teruggaand op Lat. salarium (zoutrantsoen, salaris), van sal (zout); vroeger dienden gestandaardiseerde hoeveelheden zout als betaalmiddel.

    Dat deed me de wenkbrauwen fronsen. Zout was ook toen niet bepaald een luxeproduct, de zoutwinning was al eeuwen bekend en het is een vrij eenvoudig en dus goedkoop proces, namelijk verdamping van zouthoudend water, zoals zeewater. Als je iemand, bijvoorbeeld legioensoldaten in zout uitbetaalt, zou je dus heel veel zout moeten geven, meer zout dan iemand kan verbruiken of nodig heeft. Bovendien kende men toen al het gebruik van edele metalen voor muntstukken, er was dus al geld, ook om vrij kleine bedragen uit te betalen. Ik heb nergens een bevestiging gevonden van het verhaal van Van Dale. Ik heb ook geen weet van archeologische resten van dergelijke zoutblokken als betaalmiddel.





    Nochtans heeft het Latijnse woord voor zout sal, wel degelijk iets te maken met salaris. Alleen weten we niet goed wat. Misschien was een deel van het loon dat aan soldaten uitbetaald werd, de soldij, bestemd om zout te kopen, waarmee men allerlei vleeswaren kon pekelen: vlees, bonen… Misschien was het een van de talrijke bonussen die soldaten kregen. Andere bronnen stellen dat het gaat om de soldij van soldaten die de wegen bewaakten waarlangs zout vervoerd werd, de via salaria. Plinius de Oudere (Gaius Plinius Secundus (23 AD – 25 augustus 79 AD) schreef in zijn encyclopedische werk Naturalis Historia dat de Romeinse soldaten oorspronkelijk (dus niet toen hij dat schreef) in zout uitbetaald werden en dat salarium daarvan afkomstig is.

    Sommigen beweren dat ‘soldaat’ en ‘soldij’ ook afgeleid zijn van sal dare, zout geven, maar het is veel waarschijnlijker dat die woorden afgeleid zijn van de Romeinse solidus, een gouden muntstuk waarvan geweten is dat men er soldaten mee betaalde.




    Overigens waren er in de oudheid maar heel weinig mensen die een salaris kregen, een geldsom als beloning voor gepresteerde arbeid. De meeste arbeid werd verricht door slaven en die kregen enkel kost en inwoon. Wel was het zo dat Romeinse magistraten en beambten die zich dienden te verplaatsen een salarium kregen, een vergoeding van hun kosten en onkosten. Dat is de betekenis die het woord heeft in het klassiek Latijn. Van daar is het overgenomen in zowat alle westerse talen voor een wedde of loon, toen meer arbeiders en bedienden op die manier vergoed werden.

    ‘Wedde’ is ook maar een raar woord, vind ik. We weten wel wat het is, maar het heeft op zichzelf, als woord, geen evidente betekenis. Aan een kind hoef je niet uit te leggen wat een pannenkoek is, of een lekstok. Maar wat een wedde is? De wortel, zoiets als ‘wed’ vinden we in verscheidene oude en moderne westerse talen terug. Oorspronkelijk sloeg het op een onderpand dat werd geëist of gegeven bij een wettelijke overeenkomst. Dat kon een zakelijk akkoord zijn, of een huwelijksovereenkomst; ook een weddingschap valt daaronder, de inzet, de som waarvoor men wedt, is dan het onderpand. Omdat een dergelijk onderpand meer en meer in geld werd gegeven, kreeg ‘wedde’ de afgeleide betekenis van ‘geld’ en kon het woord ook specifiek gebruikt worden, zoals vandaag het geval is, voor het maandloon dat men ontvangt.

    ‘Loon’ klinkt bekender in de oren, we zien het ook in ‘beloning’ en ‘lonen’; het oorspronkelijke oerwoord ‘laun’ betekende al wat ‘loon’ nu nog zegt: een vergoeding.

    Als we het wat chiquer willen, dan spreken we van een honorarium. Aanvankelijk was dat een eergeschenk aan een ambtenaar bij zijn ambtsaanvaarding, later en nu nog elke vergoeding die men uitbetaalde aan een hoger geplaatste, zoals een dokter, een advocaat, een geleerde spreker…

    In onze moderne maatschappij speelt het salaris, de wedde, het loon of het honorarium een belangrijke rol. Wie een lagere functie uitoefent, krijgt daarvoor minder geld, maar er zijn wel minimumlonen, vastgelegd door de staat. Daarnaast zijn er ook afspraken per bedrijf of per sector van tewerkstelling. Daarover wordt voortdurend onderhandeld. Als het in een sector goed gaat, bijvoorbeeld de productie van auto’s, dan zullen de lonen daar ook goed zijn. De arbeiders delen zo in de winst die de bedrijven maken. Het omgekeerde is ook waar. Als een bepaald beroep een lange voorbereiding vraagt, of bijzondere vaardigheden of kennis vereist, of lastig of gevaarlijk is: dat zijn allemaal factoren die bepalend zijn voor de verloning. Dat is een van de principes van onze vrijemarkteconomie, het liberaal kapitalisme, waarin vooral vraag en aanbod spelen. Wie iets uitzonderlijks kan of bijzondere eigenschappen heeft, kan daarvoor veel geld vragen, althans indien er voldoende vraag naar is. Denk aan topatleten, managers, acteurs, fotomodellen, uitvinders enzovoort. Wie niets kan, moet dom en belastend werk doen en krijgt daarvoor het laagste loon, amper voldoende om te overleven.






    Het communisme en het socialisme vertrekken van andere principes. De wedde hoeft niet afgestemd zijn op wat je doet, maar op wat je nodig hebt als lid van de maatschappij. Iedereen heeft dezelfde rechten en krijgt dus van de staat hetzelfde loon: de havenarbeider, de onderwijzer, de dokter, de universiteitsprofessor. Er kunnen beperkte verschillen zijn, maar die zijn verwaarloosbaar in vergelijking met het kapitalistisch systeem, waar het verschil tussen de hoogste vergoedingen en de laagste spectaculair groot is.

    Wij leven hier in een gemengd systeem. De staat heeft allerlei manieren om de hoogste wedden te beperken, onder meer door er de hoogste belastingen op te heffen, en om de laagste lonen te beschermen, door minima te bepalen en ze minder te belasten of zelfs belastingsvrij te maken. Maar de verschillen blijven aanzienlijk.

    Wij hebben hier bij ons net een staking achter de rug van de zee- en rivierloodsen. Niemand zal ontkennen dat het om een gevaarlijk en lastig beroep gaat, waarvoor lang moet gestudeerd worden, dat een hoge kennis en vaardigheid vereist, een grote tegenwoordigheid van geest. Loodsen dragen ook een enorme verantwoordelijkheid: bij een verkeerde beslissing kan de schade enorm zijn. De druk waaronder de loodsen gebukt gaan is dan ook groot en dat heeft ongetwijfeld een weerslag op hun gezondheid, net zoals de gevaarlijke en onregelmatige werkomstandigheden.

    Om al die redenen zal de wedde, het salaris, het loon of het honorarium van deze mensen in onze maatschappij relatief hoog zijn. De staat heeft ervoor gekozen om dit werk toe te vertrouwen aan staatsambtenaren, om te vermijden dat vrijbuiters minder goed werk zouden afleveren. In ruil voor een vaste betrekking en een behoorlijk loon, doen de loodsen ten minste gedeeltelijk afstand van hun recht op vrije onderhandelingen met hun werkgever over hun loon. Zij kunnen niet als zelfstandige werken, of als werknemer bij een commerciële onderneming.

    Dat is zo voor alle staatsambtenaren. Het is een essentieel onderscheid in onze maatschappij. Ofwel werk je voor een vast loon voor de staat en heb je werkzekerheid, ofwel werk je ‘in de privé’, waarbij je over je loon kan onderhandelen en je meer kan verdienen naargelang je vaardigheden, kennis, inzet enzovoort. Het is een keuze waarvoor ieder van ons geplaatst is en die eenieder maakt op grond van eigen afwegingen.

    De loodsen in Vlaanderen spelen het echter dubbel. Het zijn ambtenaren en dus hebben ze een vast loon en vast werk. Daarbij houdt men rekening met hun grote verantwoordelijkheden en hun arbeidsomstandigheden. Als de staat geen goed loon zou aanbieden, dan zouden er geen kandidaten zijn om dat werk te doen, ook al heeft de staat het monopolie van het loodsen. Bekwame mensen zouden dan voor een ander beroep kiezen, waar ze meer kunnen verdienen.

    Maar de loodsen zijn niet tevreden met hun toch al aanzienlijk loon, noch met de bijkomende voordelen die ze in de loop van de jaren bedongen hebben. Zij vergelijken zichzelf met collega’s die commercieel werken in min of meer vergelijkbare omstandigheden, bijvoorbeeld kapiteins van schepen. En dus eisen een minste een vergelijkbaar loon en vergelijkbare sociale voorzieningen, bijvoorbeeld wat het pensioen betreft. Zij zetten hun eisen kracht bij door te staken. Omdat ze een cruciale functie vervullen in de Antwerpse haven, kunnen ze ondanks hun beperkt aantal, toch onoverzienbare economische gevolgen creëren. Hun onderhandelingspositie is dus zo goed als onbeperkt. Zij kunnen op hun eentje zowat de hele Vlaamse economie platleggen.





    Wie als ambtenaar aan het werk gaat, doet dat altijd, bewust of onbewust, vanuit een zekere overtuiging, een solidariteitsgevoel. Men ziet het als een dienst aan de gemeenschap. In ruil daarvoor krijgt men een min of meer bescheiden loon, vastheid van betrekking en goede sociale voorzieningen, vooral ook een goed en vroeg pensioen. De staat kan op die manier een aantal belangrijke diensten in de maatschappij verzekeren, zoals het onderwijs, de post, het openbaar vervoer enzovoort, zonder daarvoor commerciële lonen te moeten betalen.

    Het is echter precies daar dat het verkeerd is gegaan. De staat is zich meer en meer gaan opstellen als een commerciële instelling. Er zijn topmanagers aangesteld die dezelfde toplonen moeten krijgen als in de privé, anders komen ze niet. Een zo verder naar beneden: directeurs, diensthoofden en zelfs specialisten allerhande: de staat moet hen op dezelfde manier betalen als in commerciële instellingen, anders gaan ze daar werken. Er is dus geen sprake meer van de typische instelling van de ambtenaar, die voor een matig loon hard werkt. Alle ambtenaren, bijvoorbeeld ook het onderwijzend personeel, willen een wedde die vergelijkbaar is met mensen die gelijksoortig werk doen in commerciële instellingen. En die privé bedrijven lokken de mensen met goede lonen, maar ook met pensioenplannen die nog veel rooskleuriger zijn dan die van de staat. Er is een wederzijds opbod, tot niemand nog het verschil ziet tussen een ambtenaar m/v en een werknemer m/v in de privé.

    Zo komen we terug bij onze loodsen. Zij onderhandelen met de staat alsof zij geen ambtenaren zijn, maar werknemers in een privé bedrijf. Zij storen zich niet aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, zij kijken alleen naar hun eigen job en zien geen enkele reden waarom zij minder zouden verdienen dan hun collega’s in privé bedrijven in binnen- of buitenland. Zij onderhandelen in volledige vrijheid. Daarbij vergeten zij dat de staat hun beroep heeft gemonopoliseerd precies opdat de maatschappij geen commerciële prijs zou hoeven te betalen voor hun noodzakelijke en precieuze diensten.

    Het oude systeem van de ambtenarij heeft in de praktijk afgedaan. Een ambtenaar heeft geen gezag meer, boezemt geen ontzag meer in, heeft geen sociaal aanzien meer. Een ambtenaar ziet men meer en meer als een sukkel, een schlemiel, iemand die niet goed genoeg is om in een commerciële omgeving te werken. De staat werkt daaraan mee door in zijn diensten louter commerciële waarden voorop te stellen: efficiëntie, doelstellingen halen, evaluatie, functioneringsgesprekken, vijfjarenplannen… Ook het laatste taboe is nu bespreekbaar: de vastheid van betrekking. Wie een negatieve evaluatie krijgt, kan afgedankt worden.

    Wij zullen vroeg of laat weer de klassieke vragen moeten stellen. Wat voor maatschappij willen we, een liberaal-kapitalistische of een socialistische. Het ziet ernaar uit dat wij nu regelrecht afstevenen op een commerciële, individualistische, marktgestuurde maatschappij en dat de idealen van communisme en socialisme afgedaan hebben. Wie nu nog spreekt over ambtenaren, maatschappelijke inzet, solidariteit, dienst aan de gemeenschap, verbondenheid met de minder gegoeden, onbaatzuchtige samenwerking, dat is een onrealistische dromer. Iedereen, zelfs de socialistische partijen sinds Tony Blair, denken en spreken nog enkel in termen van vraag en aanbod en persoonlijke verrijking als motor van de maatschappij.





    Het is enkel wanneer we geconfronteerd worden met acties als die van de loodsen en de luchtverkeersleiders en de bruggenwachters dat we het gevaar zien dat om de hoek loert als we alles privatiseren, ook de kerntaken die tot voor kort toevertrouwd waren aan de staat en zijn ambtenaren. Een ongeremd kapitalisme belooft ons wel de hemel op aarde, maar er is geen enkele reden om blindelings aan te nemen dat het zijn beloften kan waarmaken, evenmin als de extreme communistische, socialistische en nationalistische experimenten dat konden. Wij hebben de debacle van beide systemen gezien in de twintigste eeuw en nu ook in het begin van de eenentwintigste. Je zou dus kunnen hopen dat we er wijzer door geworden zijn, maar dat lijkt vooralsnog niet het geval.

    Wellicht moeten er eerst nog zwaardere crisissen komen, zoals in IJsland, Ierland, Portugal, Spanje, Italië, Griekenland…

     

     


    Categorie:samenleving
    Tags:maatschappij
    16-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mens sana in corpore sano?

    Een vriendelijke lezer stelde me pertinente vragen over mijn fysiek: wat doe ik om mijn lichaam in goede conditie te houden? Dat behoor ik volgens hem wel te doen, overtuigd als ik ben van de eenheid van lichaam en geest. Hoe kan een geest goed functioneren in een slecht onderhouden lichaam?

    Mijn correspondent, die mijn belangstelling en bewondering voor Spinoza deelt, haalt er zelfs de Ethica bij (II, 13, commentaar) Ik citeer in de vertaling van Henri Krop:

    Wel valt in het algemeen op te merken dat naarmate een lichaam beter in staat is om veel tegelijk te doen of te ondergaan, zijn geest meer tegelijk kan begrijpen. En naarmate de handelingen van een lichaam meer van dat lichaam zelf afhangen en het aantal andere lichamen dat ermee samenwerkt om hetzelfde tot stand te brengen kleiner is, is zijn geest beter in staat om onderscheiden te kennen. Hieruit kunnen wij verder afleiden dat de ene geest voortreffelijker is dan de andere en de reden zien waarom wij van ons lichaam alleen verwarde kennis hebben.

    Niemand zal vandaag nog ontkennen dat lichaam en geest een zijn. Dat is ook wat Spinoza ons steeds voorhoudt. Zoals wel vaker confronteert hij ons met nogal paradoxale stellingen, ideeën die op een uitdagende wijze iets poneren dat bij een eerste benadering niet klopt of niet overtuigend is. In de toelichting blijkt dan dat we iets verder moeten nadenken, tot op het bot, tot bij de eerste beginselen, en dan blijkt de stelling evident.

    Dat is ook hier weer zo. Er zijn knappe koppen en mensen die het denken liever aan anderen overlaten. Er zijn genieën en er zijn mensen die verstandelijk gehandicapt zijn. Spinoza stelt doodleuk: een lichaam dat veel tegelijk aankan, zal een geest herbergen die veel kan begrijpen.




    Nou… We hoeven maar naar mensen als Steven Hawking te kijken om toch even te aarzelen bij die uitspraak. Met zijn handicaps kan Hawking ogenschijnlijk nauwelijks iets presteren met zijn lichaam, hij kan zelfs niet meer zelfstandig praten. Als je een instelling voor mentaal beperkte mensen bezoekt, zie je dan weer dat die wel over een ogenschijnlijk normaal werkend lichaam beschikken, maar niet over een geest die tot veel in staat is.

    Het is pas wanneer we ophouden met dualistisch te denken en terugkeren naar Spinoza’s basisintuďtie, dat zijn uitleg begrijpelijk wordt. Hij zegt en herhaalt voortdurend dat lichaam en geest één zijn en ondeelbaar; dat het lichamelijke en het geestelijke aspecten zijn van hetzelfde, in dit geval een mens. Als we enkel het lichaam van Steven Hawking beschouwen, dan is dat zeer onvolmaakt, terwijl zijn geest, ook afzonderlijk beschouwd, tot de scherpste behoort die de mensheid ooit heeft voortgebracht. Maar dat mogen we niet doen, dat apart beschouwen. Hawking is een persoon, geen (fabuleuze) geest (gevangen) in een (inferieur) lichaam. Zijn geest is zijn lichaam en zijn lichaam is zijn geest, je kan die niet scheiden of afzonderlijk bekijken en beoordelen. Denken doet hij (vooral) met zijn hersenen en die behoren tot zijn lichaam, dat is gewoon zijn lichaam. Communiceren doet hij met zijn lichaam, zij het met behulp van allerlei gadgets en veel computers.

    Wat Spinoza hier zegt, is alleen maar juist als we het basisprincipe toepassen, de eenheid van lichaam en geest. Vanaf het ogenblik dat we dat uit het oog verliezen en ons gaan uitspreken over een van beide, los van het andere, klopt wat Spinoza hier zegt niet meer.

    Deze redenering gaat ook voor personen met een mentale beperking. Als je hun lichaam afzonderlijk bekijkt, dan lijkt daarmee niets aan de hand. Het de werking van hun geest die deficiënt is. Maar dan vergeten we dat hun geest niet een of ander mysterieus ‘ding’ is dat ergens in dat lichaam rondhangt en dat om een of andere reden min of meer goed werkt. Nee, die geest is niets anders dan de werking van dat lichaam, waarbij de hersenen de belangrijkste rol spelen.

    Wat Spinoza hier zegt is niets anders dan een tautologie: lichaam en geest zijn één en dus geldt alles wat men over het ene kan zeggen onverminderd ook voor het andere. En dus is Steven Hawkings ‘lichaam’ net zo knap als zijn ‘geest’. Ja?

    Overigens heeft Spinoza het hier niet specifiek over de kwalitatieve verschillen tussen de geestelijke kwaliteiten van de ene mens tegenover de andere. Uit de context blijkt veeleer dat hij het heeft over het onderscheid tussen de mens en andere ‘lichamen’ zoals planten en dieren. Zijn stelling is dan dat de mens, die meer tegelijk aankan met zijn ‘lichaam’, ook meer aankan met zijn ‘geest’ dan een dier, zeg maar een schildpad. En dat is evident, zeker wanneer wij beiden in hun eenheid en eigenheid beschouwen en niet gaan onderscheiden tussen lichaam en geest, want dan zou een hond bijvoorbeeld op lichamelijk gebied beter zijn dan een mens qua reukzin en gehoor, een adelaar beter qua zicht, een olifant beter qua tastzin en een rat (ik zeg zo maar wat) beter qua smaakzin.

    Het is dus een simplistische en foutieve redenering om te zeggen dat een fysiologisch op alle punten superieur lichaam ook over een betere geest zou beschikken. Een topatleet die net een herseninfarct heeft opgelopen, beschikt over een uitstekend lichaam (op die kleine bloedklonter na…), maar hij is wel hersendood.

    Is er dan geen enkel verband tussen de twee? Is mens sana in corpore sano onzin?

    Ja en nee. Uit het bovenstaande zal het duidelijk zijn dat er geen onmiddellijk en rechtstreeks verband is tussen de fysieke conditie van een persoon en zijn geestelijke of verstandelijke kwaliteiten. Je kan prachtige atleten hebben die niet eens hun naam kunnen schrijven en je hebt wetenschappers die enkel met massale medicatie en dure apparaten in leven blijven. Een topconditie op het ene gebied is dus geen noodzakelijke noch voldoende voorwaarde voor topprestaties in het andere.

    Is er dan geen enkel verband? Dat ook weer niet. Kinderen die vanaf hun geboorte sterk gestimuleerd worden, blijken zich mentaal sneller en breder en dieper te ontwikkelen dan andere. Opvoeding en milieu hebben een invloed op de intelligentie. Als je pijn hebt, kan je minder helder denken. Als je dronken bent, denk je nog nauwelijks. Als je een hersenletsel hebt, accidenteel of congenitaal, is je geest belemmerd.

    In het algemeen kan je dus wel stellen dat een ‘gezond’ lichaam een noodzakelijk voorwaarde is voor een gezonde geest. Er mag vooral met de hersenen niet veel verkeerd gaan voor onze geest verstek laat gaan. Ook een goede fysieke conditie draagt bij tot een goede werking van de geest. Een gezonde, fitte persoon is, algemeen gesproken, beter in staat tot helder nadenken dan een zieke, door overgewicht geplaagde verstokt rokende alcoholverslaafde die nooit de deur uitkomt. Wie zich goed verzorgt, heeft ook betere overlevingskansen. Het is dus zeker wenselijk dat men zorgt voor een gezond lichaam, ook vanuit het standpunt van de geestelijke gezondheid. Maar het lijkt me niet zo dat bijvoorbeeld het aankweken van spiermassa door intensieve training ook maar enigszins zou bijdragen tot een verhoogde intelligentie. Het tegendeel blijkt helaas al te vaak bewaarheid.





    Laten we besluiten en onze theoretische beschouwingen toetsen aan de praktijk. Een van de hedendaagse auteurs die ik het meest bewonder is Steven Nadler, een vermaard specialist in Spinoza en de Vroegmoderne periode. Hij is ook een fervent langeafstandsloper, hij heeft zelfs deelgenomen aan de Iron Man. Ik heb hem eens ontmoet en hij straalde inderdaad gezondheid uit, terwijl hij een zeer interessante en geleerde toespraak hield aan het Hoger Instituut Wijsbegeerte in Leuven. Heeft het een te maken met het andere? Is zijn genie en zijn indrukwekkende wetenschappelijke productiviteit het resultaat van zijn fysieke inspanningen en conditie? Ik weet het niet zeker, maar ik denk: toch in zekere mate.

    Dat is voor mij voldoende om te concluderen dat een goede fysieke conditie belangrijk is. Anderzijds kan men ook zonder dergelijke wel zeer doorgedreven inspanningen een behoorlijke fysiek opbouwen en onderhouden. Het ene lichaam kan al wat meer hebben dan het andere en wat voor de ene een peulschil is, is voor de andere een onoverkomelijke opgave.

    Voor mezelf heb ik uitgemaakt dat het voldoende is als ik mijn fysieke inspanningen beperk tot wat natuurlijk is en tot mijn dagelijkse gewoonten behoort. Ik doe dus geen inspanningen die geen functie hebben in mijn dagelijks leven. Als ik fiets, is dat om ergens naartoe te gaan: de bakker, de bank, de apotheker, het postkantoor, de bibliotheek, een vriendenbezoek enzovoort. Zomaar gaan fietsen ervaar ik als een zinloze bezigheid. Wandelen: net zo, al laat ik me al eens verleiden om een toertje te doen, zo mogelijk in gezelschap; in mijn eentje is dat telkens een beproeving. Er doet zich dan een conflict voor in mijn kop tussen het doen en het denken, omdat ik iets doe zonder doel. Het verre en vage doel, mijn fysieke gezondheid bevorderen, is niet voldoende om me in gang te krijgen.

    Ik poets wekelijks het huis en doe ook wat klusjes in en rond het huis. Dat geeft me wat beweging, maar niet veel, toegegeven.

    Ik beoefen dus ook geen sport. Ook dat komt me te kunstmatig over en verstoken van zin. Met een tennisraket op een bal kloppen, bij voorbeeld, wat ik enkele jaren gedaan heb, lijkt me totaal zinloos op zichzelf. Ik kan er werkelijk geen prioriteit aan geven, er zijn zoveel andere dingen die ik wel interessant vind en dus veel liever doe. Dat die meestal vanuit mijn luie zetel gebeuren, neem ik er maar bij.






    Ik ben nu 66 en de aftakeling is al geruime tijd ingezet, dat merk ik maar al te goed, ik moet me maar vergelijken met zeg maar twintig jaar geleden. Ik weet dat ik daaraan iets kan doen door vaker, meer intensief en meer gericht te bewegen. Maar ik kan het niet opbrengen, niet uit luiheid, maar mentaal, ik ben niet voldoende gemotiveerd om het te doen. Mocht mij dokter me zeggen dat ik elke dag een uur moet gaan wandelen of wekelijks moet sporten als ik niet binnenkort wil doodvallen, dan zou ik dat ongetwijfeld doen. Maar zo ver is het nog niet. Ik heb geen echte hinder van mijn fysieke conditie en zolang dat niet het geval is, doe ik er ook geen bijzondere inspanningen voor. Ik neem aan dat ik niet de enige ben die zo redeneer.


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:maatschappij
    15-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Jozua en de stilstaande zon

    Het verzet van de (katholieke) kerk tegen de theorie van Copernicus over ons zonnestelsel is berucht. Galilei was ook een slachtoffer van die hetze.




    In wat men daarover leest, verwijst men steevast naar een Bijbels argument. Dit is de tekst die dan wordt aangehaald (Jozua 10):

    7 Hierop trok Jozua met zijn hele leger, geen enkele soldaat uitgezonderd, vanuit Gilgal ten strijde. 8 De HEER zei tegen hem: ‘Je hoeft voor die koningen niet bang te zijn, want ik lever ze aan je uit. Geen van hen zal tegen je kunnen standhouden.’ 9 Jozua wist de vijand vanuit Gilgal in één nachtelijke mars te bereiken, en hij verraste hem in een plotselinge aanval. 10 Toen de soldaten van de vijand het leger van Israël zagen verschijnen, zaaide de HEER paniek in hun gelederen, zodat de Israëlieten hun bij Gibeon een zware nederlaag konden toebrengen. Ze achtervolgden hen tot aan de pas van Bet-Choron, en nog verder – ja, ze sloegen hen zelfs vlak voor Azeka en Makkeda nog neer. 11 Toen hun vijanden de pas van Bet-Choron afvluchtten, wierp de HEER vanuit de hemel grote hagelstenen op hen, tot aan Azeka toe. Er stierven meer soldaten door die hagelstenen dan door de zwaarden van de Israëlieten. 12 Want op die dag, de dag dat de HEER de Amorieten aan Israël overleverde, had Jozua gebeden tot de HEER. In aanwezigheid van Israël sprak hij:

    Zon, sta stil boven Gibeon,

    maan, blijf staan boven de vlakte van Ajjalon.’

    13 En de zon stond stil

    en de maan bleef staan,

    tot Israël zijn vijanden had afgestraft.

    Dit staat opgetekend in het Boek van de oprechte. De zon bleef een volle dag boven aan de hemel staan voordat ze onderging. 14 Het is voor noch na die dag ooit voorgekomen dat de HEER op die manier gehoor gaf aan de bede van een mens, maar de HEER streed dan ook voor Israël. 15 Na deze overwinning keerde Jozua met het hele leger terug naar het kamp bij Gilgal.

    Ik heb het altijd al een dwaasheid gevonden om de Bijbel, een boek zonder wetenschappelijke pretenties, in te roepen in een wetenschappelijke discussie. Maar zelfs als we daaraan voorbijgaan, lijkt het me vreemd om Copernicus’ theorie af te wijzen op grond van wat we hier lezen. Het gaat hier duidelijk om een wonder, een mirakel, een afwijking van het normale verloop van de natuur. De zon ging niet onder, maar bleef aan de hemel stilstaan, en ook de maan. Dat is wat er staat. Indien men aanneemt, zoals de kerk deed, dat de zon om de stilstaande aarde draait, dan is die zon- en maanstilstand inderdaad een wonder.




    Maar wat als men Copernicus en Galilei volgt?

    De aarde draait dan om de zon en om haar as en het is die laatste beweging die voor het verloop van dag en nacht zorgt. Als de Bijbel zegt dat de zon tijdelijk stilstond, dan blijft het evengoed een wonder in de veronderstelling dat de aarde om haar as draait. In plaats van de zon tegen te houden, heeft God dan de aarde tegengehouden, dat is alles. Het wonder blijft, de Bijbel heeft nog altijd gelijk. Wat is dan het probleem?

    Ongetwijfeld hebben de kerkgeleerden toen ook daaraan gedacht, zo dom waren ze nu ook weer niet. De scholastiek heeft wel andere Bijbelse ongerijmdheden logisch verklaard, dit is in vergelijking daarmee een koud kunstje.

    Het ziet er dus naar uit dat men Copernicus theorie niet verwierp op Bijbelse gronden, op die paar zinnen die ik hierboven citeerde. Galilei werd niet vervolgd en veroordeeld omdat hij stelde dat de aarde om de zon draait. Zelfs dan kan ze immers het centrum zijn van het Universum, zoals de kerk stelt. Wat maakt het uit welke beweging de aarde maakt?

    Wat was dan wel het probleem?

    Het was een conflict over gezag. De kerk verdedigde de opvattingen van een andere geleerde, Ptolemaeus (90-168), die overigens slechts herhaalde wat zijn voorgangers hadden gesteld. Dit was de gevestigde opvatting onder geleerden gedurende de Oudheid en de Middeleeuwen en de kerk sloot zich daarbij aan. De waarnemingen die Copernicus en anderen deden, leidden echter tot anomalieën: als de zon rond de aarde draait, dan zijn er allerlei verschijnselen die men niet kan verklaren, in het bijzonder de beweging van de planeten (die aan die ogenschijnlijk chaotische beweging hun naam danken van planeten, of ‘zwervers’ in het Grieks). Het was om een verklaring te vinden voor de schijnbare bewegingen van de planeten dat Copernicus uiteindelijk voorstelde om de zaak om te draaien: als de aarde om de zon draait, net zoals de andere planeten, dan klopt alles als een bus.

    De kerk hoefde niets anders te doen dan Copernicus en na hem Galilei te benoemen tot pauselijk astronoom om zo met de eer te gaan lopen, zonder enig gezichtsverlies. Haar lot was immers niet gebonden aan Ptolemaeus, niet eens een christen, wat zowel Copernicus als Galilei wel waren.

    Maar nee, hoor. De kerk heeft altijd gelijk en wat zij beweert, heeft eeuwigheidswaarde. De paus kan zich niet vergissen, is onfeilbaar. Door dus een standpunt in te nemen in een puur wetenschappelijke kwestie, had men zich vastgezet op een verloren positie. Indien men zou toegeven dat men al eeuwen lang ten onrechte had gesteld dat de zon om de aarde draaide, dan zou men, zo dacht men, een mal figuur slaan. Als de kerk zich daarin had vergist, dan was het uit met de onfeilbaarheid. Dus hield men vast aan die ene wetenschappelijke theorie en verwierp de andere. Niet omdat die in strijd was met het geloof of met de tekst van de Bijbel, want noch in het ene noch in het andere geval is dat zo. De plaats van de aarde in het zonnestelsel heeft niets te maken met het geloof, het mirakel van Jozua is niet minder spectaculair in Copernicus’ theorie dan in die van Ptolemaeus.

    Ongetwijfeld heeft ook het kenmerkend conservatisme van elke gezagsconcentratie meegespeeld. In Rome zaten een aantal machtige kerkvorsten bijeen, overtuigd van hun gelijk en hun eigen intelligentie en bezorgd om het behoud van hun macht en hun gezag. Het was dan ook teveel gevraagd van hun niet geringe maar door hun machtspositie verstarde verstandelijke vermogens, om aan te nemen dat een obscure monnik beter wist hoe de wereld ineen stak dan zij, met al hun kennis en intelligentie, of de onfeilbare paus.

    En dus beging Rome nog maar eens een cruciale vergissing, door vast te houden aan een ongegronde opvatting lang nadat de wetenschap had aangetoond dat ze onjuist was. Het ging duidelijk niet om wie er gelijk had, op wetenschappelijk gebied. Het ging ook niet om een botsing tussen de Bijbel, het Woord van God, en de wetenschap. Het ging erom wie er bepaalde wat juist was: de kerk of de wetenschap.

    En dat is best vreemd, want de kerk was in feite helemaal niet afkerig van de wetenschap. Gedurende de Middeleeuwen en de Renaissance en ook nog lang daarna was de wetenschapsbeoefening geconcentreerd in kerkelijke instellingen, in kloosters en daarna in kerkelijke universiteiten. De kerk was altijd sterk geďnteresseerd in de wetenschappen en in het onderwijs. Gedurende lange tijd waren alle wetenschappers priesters en religieuzen. Hoe komt het dan dat het toen zo vreselijk verkeerd is gegaan?

    Omdat de wetenschappers hun eigen gang wouden gaan. Ze wilden de dingen zelf onderzoeken, zonder enige betutteling, ze wilden zelfstandig zijn, alleen vertrouwend op hun eigen inzichten en die van hun collega’s. Ze wilden kunnen aanvaarden wat ze ontdekten, ook als dat niet overeenkwam met wat de kerk zei. Ze wilden autonoom zijn, en dat kan natuurlijk niet in een almachtige kerk, waar alleen het hoogste gezag gelijk heeft en bepaalt wat waar en goed is. Het was de opstand van het individu tegen het gezag, van de rede tegenover het geloof.

    Wanneer de kwestie van Copernicus en van Galilei nog eens ter sprake komt, bedenk dan dat het helemaal niet ging om die ene Bijbeltekst en ook niet om de plaats van de aarde en de zon in ons zonnestelsel, maar om de plaats en de rol van de godsdienst en het individu in de maatschappij. Dat zijn vragen die ook vandaag bijzonder actueel zijn. In Antwerpen is een imam veroordeeld omdat hij de godsdienst boven de burgerlijke maatschappij en het individu stelt. In Iran en in andere moslimlanden maar ook in sommige christelijke gebieden zoals Amerika en ook in Engeland gebeurt het omgekeerde: daar wil men de godsdienst weer als het hoogste gezag installeren en de wetenschap en het individu verknechten.

    ’t Is maar dat je het weet.

     


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:maatschappij
    13-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Emoties, justitie en de sharia

    Emoties kunnen, zo zegt ons het cliché, soms hoog oplaaien. We vergelijken ze zo met een verzengend vuur dat gevoed door brandbaar materiaal en voldoende zuurstof voor enorme hitte en vlammen zorgt.

    Ik ben veeleer iemand die probeert zijn emoties te beheersen.

    Dat is iets anders dan ze te ontkennen of te vermijden of te verdringen. Ik sta open voor alle spontane emoties, ik laat ze toe in mijn leven, ik verheug me erover, want ze tonen aan dat ik leef. Ik ben dus geen stoďcijn, die het geluk zoekt in het vermijden van emoties. Dat lijkt me een zielige bezigheid. Het geluk ligt niet in de afwezigheid van smart, net zomin als ongeluk gelegen is in de afwezigheid van vreugde; voor beide is veel meer nodig. Een mens die geen emoties kent, is geen mens, zo simpel is het.

    We hebben onze emoties nodig. Het zijn onmisbare mechanismen die de evolutie ons heeft aangereikt om gepast te reageren op allerlei omstandigheden. Ons lichaam reageert spontaan op prikkels, lang voor ons verstand dat in de gaten heeft. Het zou dus dwaasheid zijn om die waardevolle signalen te negeren, zowel in vreugde als in pijn. Wie geen verdriet heeft, nooit uitgelaten is, niet verliefd wordt, geen medelijden kent, geen tranen in de ogen krijgt, tja, wat voor leven heeft zo iemand?




    Anderzijds is het niet goed om je door je emoties te laten overweldigen. Wanneer het vooral of bijna uitsluitend je gevoelens zijn die je leven bepalen, dan ervaren we dat als een minder goede toestand waar we moeten zien uit te geraken. Wegzinken in ons verdriet, overmoedig worden door ons succes, alles in de waagschaal werpen omwille van een verliefdheid: het gebeurt en terwijl we het zelf misschien niet zo erkennen en ervaren, zal de buitenwereld hoofdschuddend zeggen: dat loopt niet goed af.

    Het komt er dus op aan om al die spontane gevoelens niet te ontkennen of te verdringen, maar ze volop en intens te beleven, maar dan op een evenwichtige manier. We moeten een plaats geven aan onze emoties. We moeten er vooral voor zorgen dat ze niet obsessief worden, dat ze alle andere gevoelens niet verhinderen en ons opsluiten in een eenzijdige kijk op het leven.

    Bij het nemen van onze beslissingen laten we ons vaak leiden door onze emoties en dat is normaal, dat is goed, dat is menselijk. Maar ook hier moeten we erop bedacht zijn dat we niet een bepaald gevoel laten overwegen. Iemands verdriet kan zo groot zijn, dat hij of zij er als het ware door verlamd is. We spreken dan al gauw van een depressie, maar die kan natuurlijk ook andere oorzaken hebben dan alleen maar verdriet, zoals stress, overbelasting, relationele problemen enzovoort.

    Wie zich enkel door emoties laat leiden, zal zelden voor een rustig, evenwichtig persoon doorgaan, of het nu een bepaalde emotie is of de vreemde chaos van emoties die een mens in de loop van een dag, een week, een maand, een jaar of een leven lang beroeren. Er moet nog iets anders zijn in ons leven dan alleen maar spontaan en ongeremd reageren op emoties. Men noemt dat gemakshalve de rede, het verstand.

    Wanneer we ons bewust zijn van onze emoties, wanneer we ze herkennen voor wat ze zijn, wanneer we zien hoe ze ons leven ingrijpend veranderen zonder dat we er erg in hebben, dan hebben we al een eerste stap gezet: we weten nu dat er iets aan de hand is, dat we ons meer dan gewoonlijk laten leiden door onze gevoelens, dat we anders reageren op de mensen en de dingen om ons heen. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat we uit onze omgeving signalen opvangen die ons wijzen op ons afwijkend gedrag. Het kan ook dat we als het ware onszelf observeren en enigszins verbaasd vaststellen dat we anders handelen en denken dan anders. Ons lichaam weet dat wij rouwen, verheugd zijn of verliefd lang voor wij dat voor onszelf uitspreken. Pas wanneer de spontane reacties van ons lichaam ons beginnen op te vallen, merken wij dat we ten prooi zijn aan een sterke emotie.

    Dan is het tijd om in te grijpen. Je kan dan toegeven aan je gevoelens, je eraan overgeven, erin zwelgen, jezelf erin verliezen. Maar je weet, zeker als je geen puber meer bent, dat dat geen oplossing is. Ofwel brengen die losgeslagen emoties je naar de rand van de afgrond, ofwel komt er vanzelf een einde aan: de tijd heelt alle wonden. In beide gevallen moet het evenwicht zich herstellen. Je moet weer ontvankelijk worden voor andere gevoelens dan dat ene dat je dreigt mee te sleuren. Je moet meer redelijk worden.

    Emoties kruiden het leven, een leven zonder is het leven niet waard. Laten we dankbaar zijn voor al onze emoties, hoe verrassend en onverwacht of verontrustend ze ook zijn. Maar we moeten ook leren hoe er mee om te gaan. Ze mogen ons niet overmeesteren, ons de baas worden. We moeten ze ten goede aanwenden, ze mogen niet destructief worden, voor onszelf noch voor de mensen om ons heen.

     

    Deze morgen werd ik sterk aangegrepen door twee nieuwsberichten. Ik werd meteen woedend en erg opgewonden, temeer omdat ik met mijn reacties geen blijf wist. Er bleef dus niets anders over dan enkele uren nadenken terwijl ik het huis de wekelijkse poetsbeurt gaf, waarbij je verstand toch ongeveer op nul staat, je weet immers wat je te doen staat, je hebt het al zo vaak gedaan. En van dat nadenken komt bij mij het schrijven, dat merk je nu.

    Het eerste bericht ging over een Belgische gangster van vreemde origine. Bij een overval waarbij slechts enkele honderden euro’s buitgemaakt werden, liep hij bij een vuurgevecht met de politie een schotwonde op. Enige tijd later was hij een van de daders van een zeer gewelddadige homejacking. Een jonge politieagente werd daarbij zomaar neer gekogeld met een zwaar vuurwapen. Nu meldt een krant dat deze man voor de verwonding die hij opliep bij de eerste overval een invaliditeitsuitkering kreeg van een ziekenfonds en dat hij die nog steeds krijgt, nu hij in de gevangenis zit voor de brutale moord op de politieagente.





    Ik weet zeker dat ik niet de enige ben die op zo’n bericht woedend reageer. Het is erg dat die man een uitkering krijgt terwijl hij in de gevangenis zit, waar hij er helemaal geen behoefte aan heeft. Het is terecht dat een politieke partij dat wettelijk onmogelijk wil maken. Maar wat mij zo boos maakt, is het feit dat hij een uitkering krijgt voor een letsel dat hij heeft opgelopen in een vuurgevecht met de politie naar aanleiding van een gewapende overval. Eerlijk, dat begrijp ik niet. Als je bij het sporten of gewoon in je huiskamer je been breekt en je houdt daaraan een blijvend letsel over en je hebt geen (dure!) verzekering, dan is dat het einde van het verhaal. De verzekeringsmaatschappijen zijn ervoor berucht om de bewijslast voor uitkeringen zo zwaar mogelijk te maken. En dan verneem je dit! Hoe is het toch mogelijk dat niemand er ooit aan gedacht heeft om dergelijke perverse gevolgen van onze sociale zekerheid uit te sluiten? Hoe is het mogelijk dat geen enkele ambtenaar of bediende, geen enkele raad van bestuur beslist heeft om die uitkering te weigeren of aan te vechten? Zijn letsel was immers blijkbaar niet van die aard dat het hem verhinderde om zijn gewelddadige levensstijl ongestoord verder te zetten. Een brave burger verliest zijn uitkering voor veel minder.

    Ik heb me tijdens het nadenken en nu nog tijdens het schrijven voortdurend afgevraagd of ik me niet teveel laat leiden door mijn emoties. Ik denk het niet. Ook nu mijn woede al wat gekoeld is, zoek ik tevergeefs naar een goede reden om die misdadiger een sociale vergoeding toe te kennen voor een letsel dat hij heeft opgelopen bij een gewelddadige overval. Waarom zou de maatschappij sociale voordelen toekennen aan iemand die de maatschappij zo brutaal belaagt en zoveel schade toebrengt? Om nog te zwijgen over het feit dat die man in zijn hele leven allicht nog nooit enige positieve bijdrage heeft geleverd aan de maatschappij.

    Ik begrijp het niet en ik weiger het te begrijpen. Als we zo doorgaan, dan stemt binnenkort iedereen op extreem rechtse en populistische partijen. En zullen de politiemensen misschien beginnen denken dat ze maar beter ineens kunnen schieten om te doden, zoals ook de gangsters zelf doen. Zo komen we zowel politiek als politioneel in een onverantwoorde escalatie terecht waarvan het einde voor beschaafde mensen zelfs niet denkbaar is.

    Het tweede bericht betrof een man van 48 die veroordeeld was tot een jarenlang rijverbod nadat hij in dronken toestand een dodelijk verkeersslachtoffer had gemaakt en vluchtmisdrijf had gepleegd. Sinds zijn veroordeling is hij nog herhaaldelijk betrapt op het gebruik van zijn wagen, een Porsche Boxster. Dat heeft hem nu al twee (!)veroordelingen opgeleverd tot levenslang rijverbod.





    Het is duidelijk dat die man het niet zal afleren. Hij zal altijd met zijn auto blijven rijden en hopen dat men hem niet betrapt. Maar zelfs als men hem betrapt: wat riskeert hij dan? Nog een veroordeling tot levenslang rijverbod? Dat is toch onzin! Waarschijnlijk staat er op het overtreden van zo’n rijverbod geen andere straf, of als er al gevangenisstraf zou op staan, dan zal dat een heel beperkte zijn, enkele maanden voorwaardelijk misschien. En wat dan nog? Hij kan gewoon doorgaan, voor hem is dat allemaal niets, hij doet gewoon waar hij zin in heeft.

    Staat de maatschappij machteloos in dergelijke gevallen? Ik weet het niet, maar het lijkt wel zo. De bestraffing is inefficiënt, ze bereikt het beoogde doel niet: de man uit het verkeer houden omdat hij een gevaar is voor zijn medemensen. Wat zou men kunnen doen, wat zou ik doen?

    Na enig nadenken ben ik tot deze conclusie gekomen: men had al bij de eerste overtreding zijn wagen in beslag moeten nemen en verbeurd verklaren. Een Porsche Boxster kost algauw een slordige 65.000 euro zonder BTW en andere belastingen. Zelfs iemand met diepe zakken voelt dat. Wanneer hij nogmaals in een wagen betrapt wordt, kan men hetzelfde doen; indien zijn nieuwe wagen minder kost dan zijn eerste wagen, legt men hem een supplementaire boete op tot hetzelfde bedrag. Als je bij elke overtreding 65.000 euro riskeert, dan ga je misschien nadenken, zelfs als je zo hardleers bent als deze kerel.

    Als we er niet in slagen om met ons gerechtsapparaat zo’n mensen tot betere gevoelens te brengen, als we hen niet met legale middelen kunnen uit het verkeer houden om hen te verhinderen onschuldige slachtoffers te maken, dan zullen we ook hier onvermijdelijk in een spiraal van geweld terechtkomen. Vroeg of laat zal men dan naar het systeem van de sharia grijpen. Volgens de letter van de Koran hakt men een dief eerst de rechterhand af en bij een tweede diefstal de linkerhand. Stelen wordt dan inderdaad wel erg bemoeilijkt. De vraag is alleen of wij de sharia willen, of er echt geen alternatief is. Ons huidig justitiesysteem is dat in alle geval niet. Wij zullen er dus een beter moeten verzinnen, of uiteindelijk ten onder gaan aan het geweld, dat van de misdaad of dat van de staat en de godsdienst.

     

     

     


    Categorie:samenleving
    Tags:maatschappij
    08-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eenvoud en complexiteit

    De laatste tijd had ik het hier al herhaaldelijk over het toeval. Dat is geen… toeval, want het is best een moeilijk begrip, als je er wat dieper op ingaat. We hebben vastgesteld dat echt toeval, namelijk iets dat op geen enkele manier voorspelbaar is, niet bestaat. Alles wat gebeurt, heeft immers oorzaken en ook gevolgen; indien we die allemaal zouden achterhalen, tot in het kleinste detail, dan konden we alles perfect voorspellen.

    Een voorbeeld: in laboratoriumopstellingen kunnen bepaalde proeven onder identieke omstandigheden uitgevoerd worden. De resultaten zullen steeds dezelfde zijn. Dat maakt het mogelijk om vergelijkingen te maken. Zo kan men betonblokken van verschillende samenstelling onderwerpen aan dezelfde druk om te zien welke de sterkste is.




    Ik zei: onder identieke omstandigheden: dat is natuurlijk niet echt mogelijk, er zal altijd wel een of ander miniem verschil zijn, in luchtdruk of luchtvochtigheid of zo. Door die verschillen zo klein mogelijk te houden, kunnen we de invloed daarvan op de proeven minimaliseren. Zo zien we dat het zeer moeilijk is om omstandigheden te scheppen waarin de dingen echt voor de volle honderd procent voorspelbaar zijn. Het is vrijwel onmogelijk om de dingen terug te brengen tot de uiterste eenvoud op alle punten, een uiterste eenvoud die vereist is om de hoogste voorspelbaarheid te bereiken.

    In de praktijk zijn de dingen zelden eenvoudig, er is altijd een groot aantal factoren in het spel, die de eenvoud in de weg staan. Eenvoud is zeldzaam, complexiteit heerst alom. Hoe groter de complexiteit, hoe moeilijker het is om voorspellingen te doen. Als er wolken te zien zijn, is er kans dat het regent, dat kan je met het blote oog vaststellen. Maar er zijn zeer krachtige computers nodig om te voorspellen of het ook echt zal regenen en zelfs die voorspellingen zijn niet echt betrouwbaar.

    Complexiteit maakt voorspelbaarheid, moeilijk, maar niet onmogelijk. In principe kunnen we alles berekenen, als we lang en hard werken, desnoods miljoenen jaren en met de beste computers. Maar dat is niet eens nodig. We kunnen ons ook tevreden stellen met benaderende cijfers, met voorspellingen die geen zekerheid bieden, maar slechts waarschijnlijkheid. We hebben niet altijd zekerheid nodig, een grote graad van waarschijnlijkheid is ook al heel nuttig. Als je klaarstaat voor een dagje naar zee, en de weerkundige dienst geeft een grote kans op regen, dan kan je daaruit je conclusies trekken. Als je thuisblijft en achteraf hoort dat het toch niet geregend heeft aan de kust, dan haal je even de schouders op.

    Voor heel veel zaken moeten we genoegen nemen met die waarschijnlijkheid. De wereld is veel te complex voor absolute voorspelbaarheid.

    We hebben het begrip ‘toeval’ dus bijgesteld: het gaat niet om dingen die zomaar gebeuren, tegen alle natuurwetten in, maar om gebeurtenissen die afwijken van de waarschijnlijkheid.





    De kans dat je tijdens je uitstapje naar zee na vijftig jaar plots een oude bekende tegen het lijf loopt, is vrij gering. Maar het kan gebeuren en dan noemen we dat een toevallige ontmoeting. We weten ook wel dat er niets toevallig is aan die ontmoeting: jij bent die morgen vertrokken met jouw bestemming en hij ook, elk op een bepaald moment, en elk heeft er een bepaalde tijd over gedaan, steeds totaal binnen de grenzen van de natuurwetten. Op basis van die gegevens, kon het niet anders dan dat jullie elkaar ontmoetten. Het is alleen omdat jullie die gegevens niet kenden, dat je zo verrast bent elkaar weer te zien na al die jaren. Het was onwaarschijnlijk dat het zou gebeuren, maar er is niets bijzonders aan het feit dat het gebeurde. Niet alleen wat waarschijnlijk is, gebeurt; ook het onwaarschijnlijke gebeurt, alleen gebeurt het minder vaak, of misschien zelfs helemaal niet, net zoals het waarschijnlijke.

    Ik haalde hier het voorbeeld aan van de trekking van de loterij. Om helemaal zeker te zijn dat het winnende getal door het ‘toeval’ zou bepaald worden, creëren we omstandigheden die door hun complexiteit de voorspelbaarheid zo goed als uitsluiten. Wij hebben immers vastgesteld dat complexiteit voorspelbaarheid bemoeilijkt. Een eenvoudige opstelling zou zijn: kruis of munt; dan heb je slechts twee mogelijkheden, bijvoorbeeld 0 en 1. Je kan dan een getal samenstellen uit nullen en enen, door voor elk cijfer kruis of munt te gooien. Een dobbelsteen geeft al meer mogelijkheden en twee dobbelstenen nog meer. Maar we willen de indruk vermijden dat een mens ermee gemoeid is en dus maken we machines om de beweging uit te voeren en vullen die met ballen met de cijfers op, of zelfs getallen, dan zijn er nog meer mogelijkheden. Je ziet wat er gebeurt: we sluiten menselijk opzet uit en we creëren een complex systeem. En dat noemen we toeval.

    Maar als er een systeem is, dan kan in principe ook het resultaat berekend worden, als we erin slagen om alle elementen in rekening te brengen. Zo is het (waarschijnlijk?) onmogelijk om, zelfs met de grootste computers, lukrake getallen te produceren. Met kruis of munt heb je 50/50 kans, met een dobbelsteen is het al moeilijker, maar perfect berekenbaar, zelfs met een kaartspel kan je nauwkeurig berekenen hoeveel kans je hebt om een bepaalde kaart te trekken. Een computer is een rekenmachine; als je die programmeert om at random cijfers of getallen te produceren, dan is er nog steeds jouw programma dat de volgorde van die getallen bepaalt en dus is het mogelijk om dat programma te ontdekken uit de resultaten, want de resultaten hangen af van het programma.

    Toeval is dus principieel onmogelijk. Een zeer hoge onwaarschijnlijkheid is het enige denkbare.

    In de natuur heb je van alles: zeer voorspelbare zaken en uiterst onwaarschijnlijke. Dat maakt het zo fascinerend.

    Zijn er dan geen zekerheden? Is alles alleen maar of ten hoogste waarschijnlijk?






    Neem nou een driehoek. De som van de binnenhoeken is, dat ‘weten’ we, 180°. Je kan dat met het blote oog zien: teken een vierkant en trek een diagonaal. In een vierkant heb je vier rechte hoeken, dus 4 x 90= 360°. Een rechthoekige driehoek is de helft van een vierkant, dus zijn de hoeken ervan samen 180°. Je kan nog verder gaan: aangezien een rechthoekige driehoek een rechte hoek heeft van 90°, is de som van de andere twee hoeken ook 90° en aangezien ze gelijk zijn, zijn ze elk 45°. Ja?

    Dat zijn zekerheden, het kan niet anders zijn.

    Ja, maar dat is de theorie. Alleen in theorie bestaan er volmaakte vierkanten en driehoeken en cirkels. In de praktijk kan ik geen perfecte geometrische figuur tekenen en jij ook niet en een computer ook niet. Er zullen altijd minieme verschillen zijn. Als je ooit geplaveid hebt of tegels geplaatst, dan weet je dat wel. Onze geometrische figuren zijn begrippen, geen ‘dingen’. Begrippen kunnen perfect zijn, dingen niet, die zijn slechts benaderend en dus onvolmaakt en dus is de berekening van de afmetingen altijd veel moeilijker dan we denken, veel complexer en de uitkomst dus veel minder voorspelbaar.

    Wij mensen zijn voortdurend heen en weer geslingerd tussen die twee: complexiteit en eenvoud; voorspelbaarheid en waarschijnlijkheid.

    Twee voorbeelden die mij al lang intrigeren.

    Van kindsbeen af ben ik gefascineerd door mechanische uurwerken en hoe meer ik erover verneem, hoe groter mijn verwondering en bewondering. Met enkele eenvoudige middelen, een slinger, enkele radertjes, een anker, een gewicht of een veer, slagen we erin een resultaat te bereiken dat zowel complex als eenvoudig is. Wat we willen bereiken is de absolute eenvoud van een zichzelf perfect herhalende beweging, zonder enige afwijking: tiktak, tiktak. Lang voor het eerste mechanische uurwerk er was, dacht Aristoteles dat de tijd kon gemeten worden met een cirkelvormige en dus repeterende maat. Dat is precies wat een uurwerk doet: de tijd in kleine gelijke stukjes onderverdelen en het voortschrijden ervan aanduiden door een cirkelvormige beweging van de wijzers.





    Maar elke uurwerkmaker en elke liefhebber weet dat dit eenvoudig principe in de praktijk hels moeilijk te realiseren is. Een mechanisch uurwerk dat helemaal gelijk loopt, bestaat niet. Ik heb een tiental mechanische uurwerken en klokken in huis en er zijn er geen twee die gelijk lopen en geen een die juist loopt. Er is altijd een afwijking, te wijten aan de machine zelf, ook al is die slechts een seconde op bijvoorbeeld honderd jaar. De prijs van zo’n uurwerk is astronomisch hoog, wat erop wijst dat de absolute eenvoud in de praktijk onbereikbaar is. En toch proberen we het altijd weer. We hebben duizend manieren om gratis te weten hoe laat het is, maar de verkoop van peperdure mechanische uurwerken heeft geen last van crisissen, in tegendeel.

    Om een zeer eenvoudig resultaat te bereiken, een beweging die zichzelf gewoon maar herhaalt, hebben we een uiterst complexe machine nodig, gebouwd met de allergrootste nauwkeurigheid, wat ook weer ongelooflijk complexe machines vereist, door uiterst bekwame technici, ontworpen door vindingrijke ingenieurs…

    Mijn tweede voorbeeld is het biljartspel. Als knaap keek ik met grote ogen naar de volwassenen die aan het biljartenwaren in chique cafés of gezellige verenigingslokalen. Drie ballen op een grote tafel met een groen laken. Een keu waarmee je de ene bal achtereenvolgens tegen de twee andere doet botsen. Telkens vormen de drie ballen een andere figuur, die de volgende carambole moeilijker of gemakkelijker maakt. De opgave is eenvoudig: een carambole maken, zo mogelijk twee of meer. De praktijk is uiterst complex, sommige caramboles zijn alleen theoretisch mogelijk, in de praktijk heb je als ongeoefend amateur geen kans, terwijl een kampioen onwaarschijnlijke stoten uithaalt.





    Biljarten is de wetten van de fysica in de praktijk. De zwaartekracht, de beweging, oorzaak en gevolg. Hoe beter je kan spelen, hoe meer je ingrijpt op die wetten: je kan de ballen allerlei effect meegeven en ze op vele manieren raken, zodat ze afwijken van hun natuurlijke beweging. Je probeert de ballen te dwingen om te doen wat jij wil, wat vereist is: een carambole maken, de eenvoud zelf: tiktak. Maar wat je daarvoor moet doen varieert van de eenvoud zelf tot een voor onmogelijk gehouden kunststoot.

    Ik kan het niet laten om er nog een derde voorbeeld aan toe te voegen, terwijl ik tijdens het schrijven luister naar strijkkwartetten nrs.1, 2 en 4 van Béla Bartók: de muziek! Wellicht is dat het meest subtiele spel dat wij mensen daar spelen met eenvoud en complexiteit, regelmaat en afwijking, met het opwekken van verwachtingen en het doorbreken van patronen.

    Wij zijn gefascineerd door de eenvoud en de complexiteit die er nodig is om die te bereiken, door de altijd verrassende afwisseling tussen het voorspelbare en het onverwachte.


    Categorie:wetenschap
    Tags:wetenschap
    06-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Geluksmachines

    Iedereen wil gelukkig zijn. Alleen verschillen we van mening over wat geluk is en hoe het te bereiken. Als wij beelden zien van een haveloze junkie die zich in een verlaten pand inspuit met een of ander goedje, dan kunnen wij onmogelijk begrijpen dat hij bezig is met het zoeken naar geluk, maar toch is het zo. Die junkie is een mens en hij bevredigt op dat moment zijn hoogste verlangen, resultaat gegarandeerd, of toch voor eventjes, kostprijs slechts enkele euro’s.


    Als we om ons heen kijken, ligt het geluk op de meest onwaarschijnlijke plaatsen. Wij zijn geneigd om te denken dat alle mensen zowat hetzelfde willen: een goede gezondheid, een dak boven het hoofd, voldoende eten en drinken, werk of een zinvolle bezigheid, een partner… Maar dan blijkt dat we daarmee zelden tevreden zijn. We willen meer en andere dingen, het is nooit genoeg. Mensen die een prachtig huis hebben, trekken er voortdurend op uit om op schier onbereikbare plaatsen genoegen te nemen met een eenvoudige hut. Mensen met een mooi gezin geven plots alles op om een nieuw leven te beginnen met iemand anders. Mensen met een top job laten zich verleiden door de drank en drinken zich in de vernietiging. Jonge mensen met een schitterende toekomst voor zich zoeken vertier in drugs en weekeindplezier en rijden zich te pletter op een grauwe zondagmorgen. Ogenschijnlijk evenwichtige mensen komen terecht in misdadige sekten, waar ze een onwaarschijnlijk dwaas regime volgen van een idiote of gehaaide goeroe.

    De mens beschikt over een brede waaier van genotsensoren: lekker eten en drinken, een heerlijk parfum of de geur van de wassende zee, de roes van alcohol, seksuele opwinding, de voldoening van iets te bezitten, de euforie van het succes, de verdwazing van drugs, het artistieke genot, de voldoening van fysieke inspanning, de kick van sport… Geluk is niet eenduidig, het is veelvormig.

    En dus zijn er geluksmachines, systemen om ons geluk te verzekeren. Dat kan door zoveel mogelijk sensoren te prikkelen, door alle prikkels intens te bevredigen, een Bourgondisch leven te leiden. Het kan ook door van zoveel mogelijk afstand te doen, alle prikkels te vermijden en de rust op te zoeken van de eenvoud. Het kan door te vluchten in religieuze waanzin, of door filosofisch naar de Waarheid te zoeken. Het kan door zinvol te leven in een maatschappelijk verband, of net niet.




    Er zijn duizenden geluksmachines: een vibrator, een gevulde ijskast of wijnkelder, een tv of stereoset, een computer, een gamebox, een fitnesstoestel, een bibliotheek, een handboog, een fiets, een snelle wagen, penselen, verf en doek, beitels en steen, een tube met vluchtige lijm, pijnstillers, drugs…

    Wij zijn bijzonder vindingrijk in ons streven naar geluk, we zoeken het op de gekste plaatsen. Vijfduizend kilometer door sneeuw en ijs ploeteren op Antarctica zonder bevoorrading, met enkel de wind als hulp. Als jong meisje op je eentje de wereld rondvaren in een zeilboot. Te voet naar Compostella. Als gehandicapte de hoogste bergen beklimmen. Lees het eens na in het Guinness Book of Records: verbazingwekkend. Alsof we als individu of als groep niets anders te doen hebben.





    Godsdiensten zijn ook geluksmachines, de grootste die er zijn. Ze beloven je geluk hier op aarde en het eeuwig geluk in het hiernamaals, als je doet wat ze je voorschrijven. En het werkt: er zijn mensen die zich goed voelen bij die recepten, of toch niet slecht. Miljarden mensen bekennen zich tot een of andere godsdienst of ideologie, die ze min of meer fanatiek beleven. Daar is in principe even weinig op te zeggen als op andere geluksmachines, behalve als er dwang mee gemoeid is, of bedrog, als het beloofde geluk uitblijft of compleet illusoir is.

    Moeten we ieder diertje zijn pleziertje laten? Mag elkeen op zijn manier het geluk nastreven? Is dat een onvervreemdbaar recht, zoals in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring staat: the pursuit of happines? Zijn er hogere vormen van geluk en lagere? Is het belangrijk dat zoveel mogelijk mensen het hoogste geluk bereiken, wat dat ook moge zijn? Moeten we de mensen wijzen op de nadelen of gevaren van sommige geluksmachines, hen desnoods verhinderen om gelukkig te worden op de manier die zij hebben gekozen?

    Moeten we iets doen om die junkie te ontwennen en terug op het rechte pad te brengen? Moeten we een aan alcohol verslaafde collega of vriend terechtwijzen of helpen? Moeten we het gebruik van soft drugs verbieden en bestraffen? Moeten we mensen verhinderen om domme, nutteloze, dure en gevaarlijke dingen te doen bij het nastreven van hun geluk? Of is elke mens vrij om zijn eigen geluksmachine te kiezen?

    Het zijn vragen die we ons allemaal wel eens stellen.

     


    Categorie:samenleving
    Tags:levensbeschouwing
    05-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrij, of bevrijd?

    Gisteren gebruikte ik de scheidsrechter in het voetbalspel als voorbeeld in de discussie over de vrije wil. Ik wil daar nog wat dieper ingaan, omdat het ons kan helpen om te begrijpen hoe we echt vrij kunnen zijn.

    Wat is een goede scheidsrechter? Vooreerst moet hij de reglementen van het voetbal kennen. Het heeft geen zin iemand het veld op te sturen die nog nooit van voetbal gehoord heeft. Naast die theoretische kennis moet hij ook ervaring hebben. Iemand met alleen maar theoretische kennis zal het in het begin niet echt goed doen. Vandaar dat er in alle (goede) opleidingen behalve theorie ook praktijk voorkomt. Wat je in de boeken geleerd hebt, moet je ook in de praktijk kunnen brengen en dat kan alleen door ervaring op te doen. Op die manier wordt de abstracte wetenschap een concrete en parate kennis. Uit de massa van theoretische gegevens selecteer je dan die toepassingen die je het vaakst van pas komen. Je leert ook snel reageren: er is immers geen tijd om lang na te denken, het leven, zoals het voetbalspel, moet voortgaan.





    Kennis en ervaring zijn noodzakelijk, maar dat maakt je nog niet tot een goede scheidsrechter. Er is nog iets anders nodig, namelijk onpartijdigheid. Het ergste verwijt dat men een scheidsrechter kan toesturen, is wel dat hij partijdig zou zijn. Het behoort tot de essentie van zijn functie dat hij niemand bevoordeelt of benadeelt, maar zonder enige bijbedoeling of onderliggende reden objectief oordeelt. Hij mag zich niet laten leiden door vooringenomenheid of persoonlijke voorkeur. Hij mag ook niet impulsief of emotioneel reageren. Dat is niet altijd gemakkelijk. Misschien kent hij sommige spelers persoonlijk, of herkent hij hen van vroegere ontmoetingen. Hij kan daarbij een positieve of negatieve indruk hebben opgedaan, maar dat mag niet meespelen. Ook als een speler erg verbaal is en voortdurend kritiek spuit: de scheidsrechter mag zich door niets of niemand laten beďnvloeden, ten goede of ten kwade. Ook niet door zijn persoonlijke situatie. Dat zal niet altijd lukken, hij of zij is tenslotte ook maar een mens.

    Een goede scheidsrechter is dus iemand die zich terdege heeft voorbereid op zijn taak, die een ruime ervaring heeft en die zich niet laat beďnvloeden of afleiden.

    Dit is geen kwade leefregel voor elk van ons.

    Wij zondigen vaak tegen de regels die we net geschetst hebben. Wij durven wel eens oordelen zoals men zegt: niet gehinderd door enige kennis van zaken of enige ervaring. Het gebeurt maar zelden dat wij ons niet laten leiden door onze persoonlijke voorkeuren en onze emoties. Wij zijn rancuneus en haatdragend, of verliefd, of partijdig. We hebben een verborgen agenda, we zijn uit op eigen profijt of willen per se gelijk halen. We zijn meestal niet erg objectief.

    We zouden dat ook anders kunnen formuleren: wij zijn niet vrij. Zoals een scheidsrechter die zich laat omkopen of zich laat leiden door zijn persoonlijke voorkeuren of zijn emoties niet vrij is. Vrij zijn is vrij zijn van al wat afbreuk doet aan de objectiviteit, de onpartijdigheid en de eerlijkheid. Vrije beslissingen zijn dus niet beslissingen die we zomaar nemen, onnadenkend. Dat is niet wat wij bedoelen met echt vrij zijn, integendeel. Hoe beter wij voorbereid zijn, hoe vrijer wij zijn om de juiste beslissing te nemen. Wie zich laat leiden door verkeerde principes, wie zich niet terdege geďnformeerd heeft, wie impulsief en emotioneel reageert, wie geen rekening houdt met zijn eigen ervaringen of die van anderen, die is helemaal niet vrij, maar zeer onvrij. Wij moeten ons bevrijden van onkunde, onervarenheid, onnadenkendheid, oneerlijkheid…

    Mensen worden niet kant-en-klaar geboren. In onze eerste levensjaren zijn we hulpeloos, mentaal en fysiek. We kunnen alleen overleven dank zij anderen die voor ons zorgen, die alles voor ons doen (maar dat vergeten we al te gemakkelijk wanneer we ze niet meer nodig hebben en we herinneren het ons helaas alleen maar wanneer ze er niet meer zijn, maar dat terzijde). Het duurt gemakkelijk twintig jaar voor we een beetje op eigen benen kunnen staan en volleerd zijn we nooit. Wij worden dus zeer onvrij geboren en blijven dat ook heel ons leven in ruime mate. Vrijheid is iets dat we moeten verwerven, iets dat inspanning vergt. We zullen nooit helemaal vrij zijn, maar we kunnen wel goede vorderingen maken als we ook maar enigszins moeite doen.




    Een leven lang proberen en bijleren, dat is de boodschap. Met vallen en opstaan, door schade en schande. Iedereen doet het op zijn eigen manier. De ene slaagt er al wat beter in dan de andere. Het is ook niet zo dat je lang moet gestudeerd hebben om jezelf te bevrijden van vooringenomenheid of oneerlijkheid: je kan dat overal leren, in de school van het leven. Het is zeker niet zo dat de grootste geleerden ook de meest vrije mensen zijn; het kan, maar het is geen garantie. Sommige wetenschappers zijn doortrapte schurken in hun persoonlijk leven, soms zelfs in hun wetenschap, wanneer ze hun resultaten vervalsen, gegevens stelen van collega’s of zich laten omkopen om de belangen van anderen te dienen.

    Over het algemeen kunnen we stellen dat het altijd goed is om bij het nemen van belangrijke beslissingen goed na te denken, je goed te informeren, niet impulsief te handelen en rekening te houden met alle mogelijke gevolgen, voor jezelf en voor anderen. Net zoals een scheidsrechter zullen we daarin ook ervaring moeten opdoen, zodat we net als zij snel kunnen oordelen wanneer dat nodig is. Door goede gewoonten aan te kweken en er goede principes op na te houden, kunnen we daarop terugvallen wanneer we plots voor een probleem komen te staan.

    Zo komen we bij allerlei basisregels die de mensheid heeft opgebouwd: gij zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult niet liegen… Of kleine hulpmiddeltjes: een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen, of: always choose the lesser of two evils; of nog: beter een vogel in de hand dan tien in de lucht.

    Ik besluit. Waar we aanvankelijk misschien dachten dat vrijheid neerkomt op beslissingen die we persoonlijk en autonoom kunnen nemen zonder rekening te houden met wie of wat dan ook, een soort van absolute vrijheid dus, zijn we tot de conclusie gekomen dat we slechts vrij zijn in de mate dat we met zoveel mogelijk elementen rekening houden en dat we ons ontdoen van al wat het nemen van de juiste beslissing in de weg staat. Niet vrij zijn, maar bevrijd zijn.

     


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:levensbeschouwing


    Inhoud blog
  • Eitjes en zaadjes
  • Spinoza's Theologisch-politiek tractaat
  • Openbaring zonder God?
  • Salaris
  • Mens sana in corpore sano?
  • Jozua en de stilstaande zon
  • Emoties, justitie en de sharia
  • Eenvoud en complexiteit
  • Geluksmachines
  • Vrij, of bevrijd?
  • de libero arbitrio: de vrije wil van de scheidsrechter
  • De Rede en de individualist
  • De vrije wil bestaat niet! Victor Lamme
  • Humanisme, zinvol leven en ouder worden, Peter Derkx
  • Moeten de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen?
  • gedichtendag 2012: STROOM
  • Mentaliteitswijziging
  • Gadgets
  • homo sapiens en zijn caravan
  • In de wolken
  • De zin van ons bestaan
  • Vrijheid van gedachte, vrijheid van godsdienst
  • halal vlees en intolerant atheďsme
  • Skype
  • Het toeval wil...
  • materialisme
  • Tussen droom en daad
  • Stakingsrecht in een parlementaire democratie
  • de herderkens logen bij nachte
  • Darwin op vinkenslag
  • Idolen en hun voetstuk
  • De zonnewende, het feest van het Licht
  • e-readers, e-books, e-lezers en e-boeken
  • Water en bloed zweten, of Blood, sweat and tears
  • Pico della Mirandola eenmaal, andermaal
  • Indignado: el pueblo unido jamas sera vencido
  • absolute macht
  • December 1626
  • Het nut van vrome leugens: Schopenhauer
  • Cicisbeo
  • belastingen
  • Montserrat Figueras 1942-2011
  • Dromen, helter skelter
  • Liberaal of sociaal?
  • Veilig beleggen
  • te schotsbrokke
  • I Modi en Aretino's Wulpse Sonnetten
  • Zonder woorden - Sans paroles
  • walnoot, okkernoot
  • W, double v, Wallon
  • van god los
  • de volmaaktheid is niet van deze wereld
  • November 1626, Nicholas Breton
  • Polonaise, mazurka, wals: Chopin
  • Adieu
  • short, shorts, shorten en short gaan
  • Herfstmijmeringen
  • leesblindheid, Jacques Quekel
  • kapitaalbandje!
  • Herakleitos vertaald en toegelicht door Paul Claes
  • Capella Nova in de Parkabdij
  • Signeersessie Paul Claes
  • Il y avait une fois...
  • Valse vrienden?
  • Honderd van Paul Claes
  • De gemeentelijke hold-up
  • Interview Jonathan Israel
  • Torens: A Tower of Strength, Towers of Silence en Mitscherlich
  • počme traduit
  • Spreeuwen
  • 40 stemmen
  • Rik Wouters terug in Mechelen
  • Dexia, o Dexia!
  • Cultuur
  • Oktober 1626
  • het wonder van het leven
  • een flatgebouw zo breed als een haar
  • Datum
  • Godsdienst verklaard, Pascal Boyer
  • Ronnie
  • Eiland
  • Het geloof in de Middeleeuwen
  • Politici: idealisten of poenscheppers?
  • Geen morzel gronds!
  • 9/11 in perspectief
  • de buigings-e
  • Weemoed
  • De ondergang van de magische wereld, Keith Thomas
  • als 't God belieft
  • Ludo Milis' afrekening met Jan Schuermans
  • Placebo
  • toeval
  • het beeld onthuld
  • het beeld geplaatst
  • Deux pénitents, Anne Cornil
  • Duizend maal dank!
  • Midrasj over de vriendschap bij Cicero
  • een noodzakelijke illusie
  • Neurofilosofie: Braintrust van Patricia Churchland
  • Waanzin en natuur, Darwin en de psychiatrie
  • Jezuďetenstreken: de St. Cuthbert Gospel
  • Veeleer weleens, of eerder wel eens?
  • voor mij geen engelenkoren
  • Het leven van Jezus volgens Ernest Renan
  • Waarom ik geen nihilist ben
  • Sciencefiction uit 1971
  • Anders Behring Breivik en de 1000-jaarstorm
  • Onbekend is onbemind: Zdeněk Fibich
  • Het geloof van de kolenbrander
  • Digileen
  • Ave Maria?
  • De waterlelie, de tortelduif en de valk
  • Waarom? De duivelsvraag
  • Is God dood?
  • Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.
  • Beethoven in de solden
  • Werkoverleg
  • Waarom ik geen syndicalist ben.
  • Vervloekt christendom! De Antichrist van Nietzsche
  • moskeeën en kathedralen
  • de kern der dingen
  • Atheďsme in de bibliotheek
  • Vluchtmisdrijf
  • Het onzegbaar eigene: Individuum est ineffabile
  • Bewustzijn: Soul Dust?
  • Religie en atheďsme
  • Register
  • Desiré Vermeulen in Galerij Iris in Werchter
  • Vernissage Desiré Vermeulen 10 juni 2011
  • Driewerf, maar geen driewerf hoera!
  • Agnosticus of atheďst?
  • Vergeten en vergeven? Over amnestie, Mladic en Michčle Martin
  • Harde woorden
  • Stephen Hawking, The Grand Design, het scheppingsverhaal voor onze tijd
  • Robinson Crusoe: het origineel
  • Uit het dagboek van Adam
  • Muziek en woord
  • Hoop doet leven
  • Suggesties
  • Twijfel in het Vicoriaans Tijdperk: Christopher Lane's The Age of Doubt
  • De kerk op een keerpunt?
  • Gertrude Himmelfarb en de Verlichting
  • amateurkunsten in Tremelo en Werchter
  • Russisch Orthodoxe muziek
  • Pedoseksualiteit: naar de grond van de zaak
  • Sam Harris, The Moral Landscape
  • Het blijft in de familie: de blog van Lut
  • Susan Neiman: Moral Clarity, of Muddy Waters?
  • Judaspenning, Lunaria annua
  • Mijn gedacht
  • Mag alles?
  • atheďsme belijden en beleven
  • Modernisme volgens Peter Gay
  • de strapatsen van de prins
  • Burgerlijkheid, nog maar eens
  • Luigi Cherubini
  • Keeping Up Appearances: de schone schijn van de bourgeoisie
  • Mijn blog is reclamevrij!
  • Transcendent of immanent?
  • Erfzonde
  • Word stamceldonor!
  • Genesis: het verhaal van Adam en Eva
  • 24 uur
  • Luxe
  • internetradio
  • Diderot, d'Holbach: wicked company, slecht gezelschap?
  • Rationeel denken
  • Arvo Pärt
  • Paulus' hooglied van de liefde
  • Vrijdenkers in de USA: Susan Jacoby, Freethinkers
  • God is liefde
  • Brahms compleet
  • Waarom ik geen socialist ben.
  • Lichtmis, Chandeleur, Candlemas
  • Huelgas Ensemble: A Secret Labyrinth
  • Gedichtendag 2011
  • Culinair contrast
  • Antonio Damasio: zelfbewustzijn, Self Comes to Mind
  • de (vroege) geschiedenis van de vrije gedachte
  • Ik heb de goede strijd gestreden
  • Voltaire, Prière Ă  Dieu
  • Prima la musica?
  • Holocaust
  • open brief aan een christelijk gelovige (niet kerkelijk)
  • Godsdienstvrijheid en de grenzen van de democratie
  • Nieuwjaar 2011
  • Koenraad Tinel in Leuven
  • exit le chanoine François Houtart
  • het einde van het Belgisch compromis
  • Mijn kerstverhaal: de langste nacht
  • De kerk en haar priesters
  • Sneeuw
  • White Christmas, Witte kerstdag
  • Reclame op mijn blog
  • J.S. Bach - Weihnachtsoratorium
  • Kerstmis, het feest van het Licht
  • ontmoeting met de meester
  • christelijke martelaars
  • de armen zult ge altijd bij u hebben
  • De wereld op zijn kop: de Britse Revolutie


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!