Foto
Categorieën
  • etymologie (78)
  • ex libris (80)
  • God of geen god? (179)
  • historisch (27)
  • kunst (6)
  • levensbeschouwing (249)
  • literatuur (41)
  • muziek (75)
  • natuur (8)
  • poëzie (94)
  • samenleving (233)
  • spreekwoorden (12)
  • tijd (13)
  • wetenschap (55)
  • stuur me een e-mail

    Druk op de knop om mij te e-mailen. Als het niet lukt, gebruik dan mijn adres in de hoofding van mijn blog.

    Zoeken in blog

    Blog als favoriet !
    interessante sites
  • Spinoza in Vlaanderen
  • Vrijdenkers
  • Uitgeverij Coriarius
  • Het betere boek
    Archief per maand
  • 04-2025
  • 03-2025
  • 02-2025
  • 01-2025
  • 12-2024
  • 11-2024
  • 10-2024
  • 09-2024
  • 08-2024
  • 07-2024
  • 06-2024
  • 05-2024
  • 04-2024
  • 03-2024
  • 02-2024
  • 01-2024
  • 12-2023
  • 11-2023
  • 10-2023
  • 09-2023
  • 08-2023
  • 07-2023
  • 06-2023
  • 05-2023
  • 04-2023
  • 03-2023
  • 02-2023
  • 01-2023
  • 12-2022
  • 11-2022
  • 10-2022
  • 09-2022
  • 08-2022
  • 07-2022
  • 06-2022
  • 05-2022
  • 04-2022
  • 03-2022
  • 01-2022
  • 12-2021
  • 11-2021
  • 06-2021
  • 05-2021
  • 04-2021
  • 03-2021
  • 12-2020
  • 10-2020
  • 08-2020
  • 07-2020
  • 05-2020
  • 04-2020
  • 03-2020
  • 02-2020
  • 01-2020
  • 10-2019
  • 07-2019
  • 06-2019
  • 05-2019
  • 03-2019
  • 10-2018
  • 08-2018
  • 04-2018
  • 01-2018
  • 11-2017
  • 10-2017
  • 09-2017
  • 07-2017
  • 06-2017
  • 04-2017
  • 03-2017
  • 02-2017
  • 01-2017
  • 12-2016
  • 11-2016
  • 10-2016
  • 06-2016
  • 05-2016
  • 03-2016
  • 02-2016
  • 01-2016
  • 12-2015
  • 11-2015
  • 10-2015
  • 09-2015
  • 08-2015
  • 07-2015
  • 06-2015
  • 05-2015
  • 04-2015
  • 03-2015
  • 02-2015
  • 01-2015
  • 12-2014
  • 11-2014
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 01-2010
  • 12-2009
  • 11-2009
  • 10-2009
  • 09-2009
  • 08-2009
  • 07-2009
  • 06-2009
  • 05-2009
  • 04-2009
  • 03-2009
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 12-2008
  • 11-2008
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 12-2007
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 04-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 12-2006
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 06-2006
  • 05-2006
  • 04-2006
  • 03-2006
  • 02-2006
  • 01-2006
    Kroniek
    mijn blik op de wereld vanaf 60
    Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
    Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
    Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
    Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
    Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
    Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
    01-04-2025
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrijdenkers

    Om een leemte in het Nederlandstalige medialandschap op te vullen, start ik een online tijdschrift en website op onder de titel Vrijdenkers.

    Vrijdenkers wil als ongebonden online tijdschrift en website belangeloos aandacht besteden aan vrijdenken, atheïsme, vrijzinnigheid, ongeloof, antiklerikalisme, materialisme en verwante thema’s, onder de vorm van artikels, opiniestukken, recensies, links naar andere websites en een bibliografie.

    De website is online: Vrijdenkers, online tijdschrift en website/.

    Teksten en suggesties voor alle rubrieken zijn welkom.

    Wie het initiatief genegen is, kan vermeld worden in de lijst van sympathisanten. 

    Contact: vrijdenkers-online@telenet.be 


    Categorie:God of geen god?
    06-02-2025
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Openbaring

    Openbaring

    Hoe weten we dat er een God is? Volgens de katholieke en andere Kerken gebeurt dat op twee manieren. Enerzijds kan de mens met zijn mentale vermogens in het universum de sporen ontdekken van een goddelijke aanwezigheid en werkzaamheid. De ordening en de doelgerichtheid van het universum zijn immers niet denkbaar zonder een hogere, bovennatuurlijke instantie die daarvoor rechtstreeks verantwoordelijk is. Zonder deze goddelijke activiteit zou er enkel chaos zijn, of niets. Anderzijds is er echter ook een kennis van God die niet het loutere resultaat is van onze eigen mentale vermogens. God openbaart zich rechtstreeks aan de mensheid. De kennis die wij op die manier van God hebben, gaat uitsluitend uit van God zelf. Hij onthult zich aan mensen, maakt zich kenbaar, treedt de mensen tegemoet, reikt de hand aan de mens zoals op de overbekende afbeelding van Michelangelo in de Sixtijnse kapel. Indien de eerste manier van God te kennen nog kan worden gerelativeerd door ze te beschouwen als een vorm van ver- of inbeelding, een illusie, een waanbeeld (The God Delusion zoals Dawkins het zegt), is die zelfopenbaring door God onmiskenbaar, authentiek en niet aan twijfel of menselijke interpretatie onderhevig, althans volgens de Kerk.

    Hoe gebeurt die openbaring, die de grondslag is van het geloof in God en van de kennis van God? Hoe heeft hij zichzelf geopenbaard? De Kerken stellen dat ook de eerste vorm van Godskennis, namelijk door het rationele inzicht in de ordelijkheid en de doelgerichtheid van het universum een vorm van openbaring is. Maar precies omdat het om een menselijke en dus beperkte manier van kennen gaat, is het een onvolmaakte, precaire openbaring: het universum laat zich passief kennen, laat zich verkennen, onthullen en begrijpen door de mens, doch enkel in de mate dat de mens daartoe in staat is. Een dergelijke openbaring kan nooit volledig en volmaakt zijn, de mens kan het universum nooit volledig doorgronden of beheersen. Een volmaakte en volkomen openbaring kan enkel gebeuren door God zelf, op zijn initiatief, en met zijn almacht, zonder menselijke beperkingen. Het gaat in die tweede vorm van openbaring dus om een bovennatuurlijke kennis die aan de mens vergund wordt als een uitzonderlijke genade.

    De katholieke Kerk stelt dat God zich in de loop van de geschiedenis herhaaldelijk geopenbaard heeft aan bepaalde mensen, en in het bijzonder aan één volk, het uitverkoren Godsvolk, het Hebreeuwse of Joodse volk. Door zich te manifesteren aan de profeten en de leiders van dat volk heeft hij niet alleen zijn bestaan onthuld, maar ook zijn wetten, geboden en voorschriften. Hoe weten we dat? Omdat we daarvan een schriftelijk relaas hebben, het Oude Testament. Vanzelfsprekend zijn die geschriften opgesteld door mensen, maar die auteurs waren geïnspireerd door God, ze waren bevlogen door zijn Heilige Geest, en dus zijn dat betrouwbare en zelfs onfeilbare getuigenissen. Maar er is meer: men is niet louter afhankelijk van deze schriftelijke overlevering. Er is ook een mondelinge traditie, het gesproken woord dat van generatie op generatie door de Kerk overgeleverd wordt en dat naar waarheid getuigt van wat er gebeurd is.

    De katholieke Kerk aanvaardt deze openbaring, maar stelt dat die in alle opzichten overtroffen wordt door de Menswording van Gods eigen Zoon, Jezus van Nazareth, de gezalfde of Christus. Jezus is het Woord van God zelf, door zijn mond sprak God zelf. Hij heeft waarlijk geleefd, heeft geleden, is gestorven en begraven, en is waarlijk verrezen en ten hemel opgestegen. Hoe weten we dat? Op dezelfde manier als hierboven: we hebben daarvan enerzijds een schriftelijk getuigenis, het Nieuwe Testament, geïnspireerd door de Heilige Geest, evenals een apostolische mondelinge traditie in een ononderbroken lijn van betrouwbare getuigen, Gods Kerk.

    Meteen vallen de zwakke punten in deze dogma’s op.

    We gaan hier niet in op de eerste vorm van openbaring, het inzicht dat de mens heeft in het universum en dat leidt tot een rationele godskennis. Intelligent Design is een allesbehalve intelligente en een al te simplistische redenering. Er is geen enkele reden waarom het inzicht in de ordelijkheid van het universum zou moeten leiden tot het idee van een Schepper met uitdrukkelijke, mensgerichte bedoelingen. Er zijn ten minste evenveel aanwijzingen en zelfs bewijzen van het tegendeel.

    De zelfopenbaring van God steunt op gebeurtenissen waarvan er een mondeling en een schriftelijk getuigenis bestaat. Het mondelinge getuigenis is niet geïnspireerd door de Heilige Geest, het is een historische overlevering onder mensen, en dus is dat getuigenis het voorwerp van de historische kritiek. Dat geldt voor de lotgevallen van het Hebreeuwse volk, maar eveneens voor de gebeurtenissen rond de persoon van Jezus van Nazareth. Paulus beroept zich op ooggetuigen van de verrezen Jezus in 1 Kor. 15, en maakt heel zijn prediking daarvan afhankelijk. Nog los van het redelijke voorbehoud dat elke zinnige mens maakt tegenover mondelinge getuigenissen in het algemeen, kan men niet verwachten dat men voetstoots aanneemt dat iemand sterft en daarna verrijst en verschijnt aan andere mensen. De voor de hand liggende verklaring is dat het gaat om hallucinaties, die voor de betrokken personen allicht uiterst overtuigend waren. Voor de schriftelijke getuigenissen kan men zonder meer dezelfde redenering maken. Dat de Kerk aan die schriftelijke overlevering een grotere waarheidswaarde toekent omdat ze geïnspireerd zou zijn door God zelf, namelijk door zijn Heilige Geest, is een petitio principii: men gaat uit van het bestaan van God en zijn Heilige Geest om te bewijzen dat de getuigenissen daarover waar zijn.

    Welke concrete gronden zijn er dan in feite voor een goddelijke openbaring? Als men de historische mondelinge overlevering met de nodige schroom en argwaan beschouwt, en de schriftelijke onderwerpt aan de elementaire eisen van de tekstkritiek, moet men tot de conclusie komen dat de onwaarschijnlijkheid van het verhaalde onnoemelijk veel groter is dan de eventuele betrouwbaarheid van de getuigen en van de getuigenissen (het argument van Hume). Er is geen enkel historisch bewijs van het bestaan of het optreden van ‘Jezus’, noch van ‘Paulus’. Er zijn alleen de verhalen, en de totstandkoming en de overlevering van die teksten is ten minste dubieus en betwistbaar, zodat de betrouwbaarheid ervan objectief gezien veeleer gering is, zelfs voor de niet-miraculeuze aspecten daarvan, zodat men die teksten het best als vrome fictie benadert.

    Openbaring is dus een term die in deze betekenis uitsluitend thuishoort in een gelovig discours. Buiten de religieuze context is de term openbaring zinloos en wordt dus niet gebruikt. Het heeft dan ook geen zin om te proberen niet-gelovigen te overtuigen met een beroep op enige vorm van goddelijke openbaring. Er is in feite geen ‘goddelijke’ openbaring, doch enkel menselijke beïnvloeding. Menselijke ideeën worden voorgesteld als bovennatuurlijk geopenbaarde waarheden, doch zonder enig geldig bewijs of ernstig argument. Wie zich daardoor wil laten overtuigen, heeft daartoe vanzelfsprekend het volste recht, maar men moet beseffen dat men zich dan overgeeft aan de irrationaliteit en zich blootstelt aan de emotionele beïnvloeding door anderen, van wier goede bedoelingen men niet zeker kan zijn.


    Categorie:God of geen god?
    09-01-2025
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Sint-Catharina. Brief aan een christen vriend.

    Brief aan een christen vriend

    Ik krijg wel eens reacties op de vele teksten die ik schrijf over godsdienst, religie, kerk, theologie, vroomheid.

    Sommige lezers voelen zich aangesproken door mijn grondig zoeken naar de grond van die dingen en door het onbevangen atheïsme waartoe mij dat geleid heeft. Ze herkennen zich in mijn ervaringen en mijn afreageren. Dergelijke reacties doen deugd, ik voel me daardoor gesteund en aangemoedigd om ermee door te gaan. Ze bevestigen dat ik vertolk wat bij vele anderen leeft, soms heel latent en onbewust, vaak even heftig of nog meer virulent. Sommigen vertellen me hun schrijnend persoonlijk verhaal, waarin de meest duistere kanten van het christendom naar voren komen. Recentelijk waren er nog maar eens gevallen van seksueel misbruik, breed uitgesmeerd in de pers.

    Er zijn ook nog altijd anderen, overtuigde christenen, die aanstoot nemen aan bepaalde standpunten of sommige van mijn uitspraken, mensen die hun leven lang vroom geleefd hebben en die nauwelijks kunnen begrijpen dat iemand zo wild tekeer kan gaan tegen een godsdienst, hun godsdienst. Nog andere christenen begrijpen mijn houding wel, ze beseffen dat er weinig tegen in te brengen is, rationeel gezien. Maar hoewel ze aarzelen, twijfelen en zelfs op een aantal punten helemaal van hun geloof zijn afgestapt, blijven ze toch vasthouden aan hun gelovige of religieuze instelling, aan hun vertrouwde liturgische gewoonten, vaak verbonden met hun kindertijd of uit piëteit jegens hun ouders.

    Wat kan ik aan die christenen zeggen? Moeten ze zich bekeren tot mijn atheïsme? Is dat mijn bedoeling? Om te beginnen schrijf ik voor bijna honderd procent voor mezelf. Ik ga enkel in op onderwerpen die mij interesseren of intrigeren. Ik schrijf over wat mij bezighoudt, wat mij tormenteert, ik schrijf wat ik niet kan laten. Goed, zal je zeggen, doe dat dan, in je dagboek. Dat doe ik inderdaad, vrij uitvoerig zelfs. Maar ik beleef een ander, zinvol genoegen en intense voldoening aan mijn blog, mijn website, waar ik mijn gedachten in een meer overwogen, uitgewerkte, gepolijste en verfijnde manier kan brengen. Die ideeën zo brengen dat anderen ze kunnen begrijpen, is voor mij een heerlijke uitdaging. Het dwingt me om zelf helder en grondig te denken, om niets in het ongewisse te laten, om naar de grond van de zaak te gaan, en om alles dan zo uit te leggen, dat het voor mezelf duidelijk en overtuigend is.

    Als ik daarin slaag, dan mag ik aannemen dat ook anderen mijn gedachtegangen zullen kunnen volgen. Ik heb een hartsgrondige hekel aan auteurs die menen dat de waarheid enkel in obscure, geconvoluteerde teksten kan gevonden worden door lezers die daarvoor bijzondere inspanningen doen. Ik bewonder auteurs als Dawkins en Pinter, die er ogenschijnlijk moeiteloos in slagen om zelfs zeer ingewikkelde gedachten en theorieën in een perfect verstaanbare taal te brengen voor de gemiddelde lezer.

    Ik heb veel begrip voor u, mijn christene vrienden. Vergeet het niet: ik was zelf een van u. Ik ben waarschijnlijk beter vertrouwd met het christelijk gedachtegoed, met de liturgie, de theologie en de folklore dan de meeste gelovigen. Ik ken de Bijbel beter, naar het zeggen van een van mijn christelijke pennenvrienden, dan vele priesters. Ik lees vaker in de officiële Catechismus en kerkelijke documenten dan welke gelovige uit mijn omgeving ook. Men kan me dus bezwaarlijk van onverschilligheid of onwetendheid verdenken of beschuldigen. Ik weet nogal waarover ik spreek en schrijf. Mijn ongeloof is het resultaat van een zeer lange evolutie, met daarin ongetwijfeld enkele belangrijke schokervaringen, gevolgd door veel nadenken en lezen.

    Maar ongeloof is nog geen atheïsme. Er is wellicht niemand die niet twijfelt aan bepaalde geloofspunten of ze anders interpreteert dan Rome. Maar de meeste mensen zetten de stap niet van relatief ongeloof naar overtuigd atheïsme.

    Waarom heb ik dat wel gedaan?

    Ik heb ingezien dat het christelijk geloof niet zomaar een van de mogelijke alternatieven is om in de wereld te staan, naast andere religieuze overtuigingen, andere godsdiensten, of andere filosofische houdingen zoals agnosticisme of atheïsme. Een gelovige houding is geen echt persoonlijke overtuiging, het is niets anders dan een aangeleerde gewoonte. Men kan enkel gelovig zijn indien men daartoe opgeleid is, gevormd, op school, in het gezin, in de jeugdbeweging, in de gemeenschap, in de cultuur van zijn omgeving. Het geloof is geen eigen fundamentele keuze, het is het resultaat van conditionering. Men is christen en katholiek nog voor men goed en wel mens is.

    Gelovigen en hun leiders zijn, vergeef me het grove beeld, als ratten in een doolhof in een laboratorium, die zich gedragen zoals men ze geleerd heeft, met beloning en bestraffing. Gelovigen geven hun persoonlijkheid op, om zich vrijwel zonder nadenken te onderwerpen aan regels die andere mensen hebben bedacht. Zij maken zich ficties eigen die andere mensen verzonnen hebben. Ze geloven uiteindelijk even gedachteloos in een buitenaards wezen, God, dat beschikt over bovennatuurlijke krachten, maar dat niet, werkelijk niet bestaat, zelfs niet een beetje, zelfs niet eventueel of heel misschien. Niet. Zo eenvoudig is dat.

    Ik weet dat ik daarmee weer een aantal mensen zal choqueren. Laat me toe mijn stelling via een omweg te illustreren.

    Op 25 november vierde de Kerk traditioneel het feest van de heilige Catharina. Dat zal de meesten onder ons wel ontgaan zijn, maar mij niet. Ik lees vaak ets over de heilige van de dag. Catharina is een populaire naam, in vele vormen. Iedereen kent wel een Kaat, Katrien, Katrijn, Kate, Kathleen, Karin, Ka, Keet, Nina, Rina, Tina, Tine, Tineke, Tiny, Trien, Truus, Trijn, Trijntje, Katinka of Katelijne. Er zijn evenveel varianten in de andere talen. Wie was die eerste Catharina, naar wie al die mensen sinds eeuwen genoemd worden? Het is, lieve lezers en lezeressen, een vreemd, bevreemdend verhaal.

    Om te beginnen was haar naam niet Catharina, maar Aikaterinè, een Griekse transscriptie van haar Egyptische naam, want zij was afkomstig uit Alexandrië. Men heeft, via valse of volkse of kerkelijke etymologie, daarin gezien: aiei kathara, Grieks voor ‘altijd zuivere’. In het Latijn werd dat gewoon Katharina, dus een bastaardwoord uit het Grieks. We weten derhalve niet wat haar echte naam was, toen in Egypte, of wat de betekenis ervan was. Maar er is nog veel meer dat we niet weten.

    We hebben er namelijk geen flauw idee van of ze in Egypte geleefd heeft. We hebben er zelfs geen idee van of ze wel degelijk geleefd heeft. Catharina van Alexandrië is een legende, een fictie, een verzonnen verhaal. De vroegste ‘bronnen’ zijn een vertaling in het Latijn, in de 8ste eeuw, van een Griekse Passio uit de 6de of 7de eeuw, maar geen een van die teksten is bewaard. In de 10de eeuw zou men haar relieken hebben gevonden in het beroemde Sinaï-klooster in de Negev-woestijn dat haar naam draagt, maar dat veel ouder is. In Rome vond men enige tijd geleden een fresco met de afbeelding en de vermelding van Sancta Ecaterina, samen met Maria. Het fresco zou dateren uit de achtste eeuw, maar heel zeker is men ook daarvan niet.

    De legende is weliswaar oud, maar men neemt nu algemeen aan dat ze inderdaad volkomen verzonnen is. Catharina van Alexandrië is in 1969 geschrapt uit de heiligenkalender van de katholieke kerk. Ze heeft nooit bestaan en bestaat nu ook niet meer als heilige. Zo is dat. Nochtans was deze Catharina in de kerkgeschiedenis de meest vereerde vrouwelijke heilige, na Maria.

    Voor het vermaak vertel ik u nog een en ander over haar legendarisch leven. Ik ga daarbij voorbij aan de fantastische details over haar geboorte en haar jeugd, aan de opleiding die ze van eremieten zou gekregen hebben, aan haar bekering en maagdelijke, mystieke verloving en/of huwelijk met Christus zelf, in aanwezigheid van Maria nogal. Keizer Maxentius, die vernomen had dat zij een uitzonderlijk geleerde vrouw was, organiseerde een debat tussen haar en vijftig filosofen. Toen die het onderspit moesten delven, liet hij hen allemaal verbranden! Zij stierf uiteindelijk de marteldood op een rad of wiel: ze werd geradbraakt. Een bliksem uit de hemel brak echter het rad in twee. Dus werd ze maar onthoofd. Haar lichaam werd door engelen overgebracht naar de berg Sinaï, maar het waren bijzonder trage engelen, want ze deden er twintig dagen over.

    Catharina was de patrones van alles wat met kennis te maken heeft: filosofen (merkwaardig genoeg, en al dan niet verbrand), theologen, advocaten, studenten, bibliothecarissen; maar ook vanzelfsprekend van alle ‘radermakers’ en gebruikers van raderen: wagenmakers, molenaars, uurwerkmakers. Ze werd voor alle ziekten aangeroepen, maar vooral voor hoofdpijn, wegens haar onthoofding of wegens haar knappe kop.

    Haar iconografie is indrukwekkend, er zijn vele duizenden afbeeldingen in alle mogelijke materialen, op glasramen, beelden in hout en marmer (en later plaaster, of gips), tekeningen, schilderijen van grote (Van Eijck! Memling! Cranach!) en kleine meesters. Ze zijn te vinden van oost tot west, van noord naar zuid. Haar vita of leven is talloze malen verhaald, het meest flamboyant dramatisch in de Gouden Legende. Er zijn toneelspelen naar gemaakt en oratoria voor geschreven.

    Wat wil ik daarmee aantonen? Wat ik eerder ook al voor Maria Magdalena heb gedaan, klik hier: http://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=393359. Die verhalen houden geen steek, het zijn sprookjes en legenden zonder enige band met de realiteit.

    Nochtans hebben ze een enorme invloed gehad in de loop der tijd en daarin is pas enige verandering gekomen na het Tweede Vaticaans Concilie, toen men eindelijk een grote kuis is gaan houden in de stoffige zolders en kille kelders van het Vaticaan en het christendom. Wie in 1200, 1500, 1600 of zelfs 1938 zou verklaard hebben dat Maria Magdalena en de heilige Catharina verzinsels waren en nooit bestaan hebben, die zou op de brandstapel geëindigd zijn, letterlijk in de eerste gevallen, gelukkig enkel figuurlijk in de twintigste eeuw. Miljoenen mensen hebben in die verzinsels geloofd, hebben nooit gedacht dat ze niet echt waar waren. Dat kan enkel omdat men hen dat heeft voorgehouden, hen heeft verplicht om dat te geloven, ze hebben dat niet zelf uitgevonden, ze hebben dat niet zomaar ontdekt in hun hart of met hun verstand. Men heeft die mythen en legenden bewust in het leven geroepen en in leven gehouden, tegen alle beter weten in. Men heeft dat bovendien gedaan met een bedoeling. Men heeft ook alle banvloeken en -bliksems ingeroepen over hen die ook maar enigszins dierven (of dorsten) twijfelen aan wat de Kerk voorhield.

    Zo is het niet alleen met de heiligen (of ze nu werkelijk bestaan hebben of niet), de mirakels, de aflaten, &c. maar ook met de meer fundamentele kwesties van het geloof. God de Vader, Zoon en Geest: geen zinnig mens die weet wat daarmee bedoeld wordt. Wat voor Vader is dat trouwens, die zijn enige goddelijke zoon mens doet worden, lijden en sterven, nota bene voor een mysterieuze zonde die een fictieve mens, Adam zou begaan hebben en die op miraculeuze wijze zou overgegaan zijn op elke volgende mens? Hoe kunnen die drie goden toch één God zijn? Wat met de historische Jezus? Geen enkele grond van waarheid. Zijn ouders, Maria en de arme Jozef? Wat met de evangelies? De teksten van de kerkvaders? De dogma’s, bullen en encyclieken?

    Zoals een vriend me onlangs zei: ja, het zat wel goed ineen en het was ook wel leuk, met al die heiligen en folkloristische gewoonten en gebruiken, al die liturgische hoogstandjes…

    Kijk, als je in dit verhaal wil blijven geloven, voor mij niet gelaten. Ik hoef je niet zo nodig te bekeren. Maar ik kan het niet laten je erop te wijzen dat je in een totaal verzonnen verhaal zit. Men zegt me: ja maar, dat christendom is toch al lang voorbij! Goed, laten we dat aannemen. Laten we dus al de ballast overboord gooien, al het evident fictieve en overbodige. Wat blijft er dan nog over, denk je? Wat voor God heb je dan nog? Ik vraag het je, welke reële rol speelt God nu in jouw leven, echt, eerlijk en openhartig?

    Het christendom van de meeste christenen heeft nooit veel betekend en vandaag is het bijna helemaal verdwenen. Het is vaag en onbetekenend geworden en heeft plaatsgemaakt voor allerlei andere, concrete belangen. Nu ook het godsdienstonderricht in het beste geval nog weinig meer is dan een soort gewijde zedenleer, is de toekomst van het geloof erg onzeker. Geloof is een acquired taste, letterlijk iets dat je moet leren smaken, zoals je als kind witlo(o)f of tomaten moest leren eten. Als er straks niemand meer is om de traditie voort te zetten, stort het eeuwenoude kaartenhuisje allicht vanzelf ineen. Ooit kijkt men op de tweeduizend jaar kerkgeschiedenis terug zoals wij nu op de Assyrische, Egyptische en de Grieks-Romeinse godenwereld, de Maya’s en andere vergane glories.

    Ten slotte nog dit. Als het geloof wegvalt, verliezen we dan ook alle vaste grond onder de voeten? Crede Roberto experto, geloof het maar van iemand die het zelf meegemaakt heeft: geenszins! Niet alles wat het geloof voorhield was gelovig en dus verzonnen, niet alle religieuzekunst is daarom ook noodzakelijk waardeloos. Het geloof is een verhaal van mensen, dus zit er ook veel waardevols in, dat kan en moet behouden worden etsi Deus non daretur (Grotius), dus ook als er geen God is. Onze beschaving, ons intellectueel erfgoed is gelukkig veel rijker dan alleen maar de religieuze connotaties die ze heeft. De Pietà van Michelangelo is een meesterwerk, ook zonder het christendom.

    Maar er is meer. Om bij Catharina te blijven, de zuivere (Gr. katharos): wanneer een mens zich bevrijdt van zijn demonen, wacht hem of haar een echte catharsis, een zuivering, een overweldigend en louterend ontwaken uit de waanzinnige verdovende bedwelming en de verwarrende verdwazing van een ongeloofwaardige verzonnen wereld. Plots gaat de Verlichting weer aan, de schaduwen verdwijnen, de waanbeelden lossen op in het licht van de redelijkheid. De mens merkt dat hij of zij, door God verlaten, niet vereenzaamd achterblijft in een bleke wereld, maar precies door God achter te laten, bevrijd is om als gelijke zijn gelijken tegemoet te treden in liefde en vertrouwen, om samen deze wereld leefbaar te maken voor al wat leeft. Atheïsme is niet dor of desolaat: het is een fris nieuw begin, een nieuwe kijk op de wereld. Vrij van alle feodale horigheid kan de mens op eigen kracht aan de slag, bewust van het verleden, hoe dat ook was, maar vooral hoopvol, ja enthousiast, begeesterd gericht op een stralende toekomst, ook al zal onze weg niet over rozen gaan.

    Christenen hebben misschien de indruk dat zij veel moeten opgeven als ze die zwaarwichtige beslissing nemen. Maar zij zullen alras merken dat wat zij als onmisbare rustige vastheid ervoeren, niets anders was dan holle frasen, onvervulde en onvervulbare voorspellingen, domweg verzonnen nonsens, idiote verhalen, nutteloze verplichtingen, troosteloze formules waaraan ze zich toch al ergerden en dus niet echt missen. Dat ze ook God zelf niet nodig hebben, dat ze best ook zonder hem voort kunnen, dat de wereld niet vergaat, dat hun leven niet ineen stort, dat alle zin niet verloren gaat. Integendeel, dat ze zichzelf blijven, maar nog bewuster kunnen gaan leven en samenleven, met andere, veiliger en betrouwbaarder zekerheden dan de belachelijke begoochelingen van hun kinderjaren of de onzalige, miserabele valse en onbruikbare doctrines van een ontaarde, minachtende, onmenslievende kerk.

    Aan u de keuze, mijn christen vriend.

    Genegen groet,

    Karel

     


    Categorie:God of geen god?
    04-01-2025
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Etsi Deus non daretur: zelfs als er geen God zou zijn.

    Etsi Deus non daretur…

    Stilaan beginnen meer mensen zich vragen te stellen hoe het nu verder moet, nu het christelijk geloof heeft afgedaan. Het is dan ook niet vanzelfsprekend dat al die mensen die diepgelovig opgevoed zijn plotseling geen enkele behoefte meer zouden voelen aan wat hun als het allerbelangrijkste was voorgesteld, of geen enkele nood meer zouden voelen aan een of andere vorm van morele richtlijnen, nu de Kerk is weggevallen als de enige verkondiger van hogere waarden. Niet iedereen stelt zich uitsluitend tevreden met zoveel mogelijk te genieten van de aangename zaken in het leven, en er zijn genoeg momenten waarop er zich meer onaangenaams aandient dan wat anders.

    Het heeft echter geen zin om terug te keren naar de vroegere toestand, en maar heel weinig mensen hebben zin om dat te doen. De islam mag dan al aantrekkelijk zijn voor enkele bekeerlingen, een groot succes is het niet onder ex-christenen of ongelovig opgevoede jongeren. Allerlei buitenlandse godsdiensten, sekten en alternatieve groepen doen het evenmin goed hier bij ons. Eens het infame idee van een almachtige God opgegeven is, wil men immers geen andere in de plaats nemen. Sommigen, zelfs een enkele vrijzinnige, menen dan een oplossing te vinden in de leuze: ook al is er geen God, het is toch beter te doen alsof er wel een is. Dat is, op de keper beschouwd, ook wat Kant beweerde.

    Kijk, dat is nu werkelijk de zaken op hun kop zetten, of kop-over-kloten, zoals we zo beeldend in het Vlaams zeggen. Dat is precies wat de Kerk altijd al gedaan heeft: doen alsof er een God is, en we hebben gezien waartoe dat geleid heeft. Er is werkelijk geen enkele goede reden om, zoals Voltaire beweerde, God uit te vinden zelfs als hij niet bestaat. We kunnen best voort zonder hem, en ook zonder Kerk, vooral zonder Kerk, daarover was ook Voltaire het eens, zo al niet Kant.

    Wie bepaalt dan hoe het verder moet, wie spreekt zich uit over goed en kwaad? Wel: wijzelf, er is immers niets of niemand anders. We moeten individueel en collectief voor onszelf uitmaken wat best is voor onszelf, collectief en individueel. In feite deed de Kerk vroeger niets anders: ook toen waren het mensen die de wet opstelden, en als ze zich daarbij beriepen op een goddelijke openbaring, dan was die openbaring nog altijd opgesteld door mensen, hoezeer de Kerk dat ook ontkende en ontkent. Het probleem met de Kerk is niet dat ze morele voorschriften uitvaardigt, uiteindelijk moet iemand het doen. Het probleem is dat het in en door de Kerk niet op democratische wijze gebeurt, en niet rationeel.

    Daar ligt het antwoord op de vraag wie er gezagsvol kan optreden na het wegvallen van de Kerk: het rationele denken binnen de democratische samenleving. Beide elementen zijn noodzakelijk. Rationeel denken alleen volstaat niet, want er is niet op alle vragen een eenduidig rationeel antwoord, en niemand kan enig gezag opeisen op grond van rationeel denken alleen, enkel de vrijheid om een bepaalde mening te hebben en te verkondigen. Er is in de eerste plaats en noodzakelijkerwijs een democratische samenleving nodig, waarin de verkozenen van het volk uiteindelijk bij meerderheid beslissingen nemen die voor iedereen gelden, nadat uitvoerig rationeel nagedacht en overlegd werd over wat er bij het volk leeft. En waarover men niet tot een algemeen oordeel komt, blijft onbeslist en wordt overgelaten aan de vrije interpretatie van elkeen.

    Daarbij zal men vaststellen dat er zonder het onnodige mom van een openbaring ook algemene waarheden zijn die mensen kunnen inzien, zoals Hugo Grotius al stelde in zijn De iure belli et pacis (1625), ‘het recht over oorlog en vrede’, namelijk dat zelfs als men zou stellen dat er geen God is, of dat die niet bekommerd is over menselijke bezigheden, zijn ideeën over het recht om oorlog te voeren toch van belang zijn. In verkorte vorm luidt dat etsi Deus non daretur, ‘zelfs als er geen God zou zijn’. Zo moeten we dus redeneren, alsof er geen God is, niet alsof er wel een is. Die twee alternatieven zijn elkaars tegengestelde, en sluiten elkaar uit. Zolang men een God veronderstelt, zelfs pour le besoin de la cause, en men dus doet alsof, verhindert men het alternatief, namelijk dat de mensen zelf instaan, individueel en collectief, en op redelijke gronden, voor hun eigen waarheid.

    Laten we dus elke valse en onnodige veronderstelling over een bovennatuurlijk wezen even categoriek van de hand wijzen als we verontwaardigd elke vorm van ondemocratisch bestuur afwijzen en aanklagen. Laten we ons toeleggen op het gebruik van onze mentale vermogens om over cruciale aangelegenheden tot goed beredeneerde algemene en bijzondere wetten en normen te komen, steeds voorlopig vastgelegd door het legitieme democratisch verkozen gezag. En laten we vooral ook gebruik maken van het onaantastbare recht op vrije meningsuiting, zelfs om die wetten en normen aan te vechten, zonder evenwel afbreuk te doen aan de democratische rechtsbeginselen.

     


    Categorie:God of geen god?
    29-12-2024
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Verlossing: I know that my Redeemer liveth.

    Verlossing

    Een van de meest aangrijpende aria’s uit het overbekende oratorium Messiah van Händel (Part III, Scene 1: The Promise of Eternal Life) is ongetwijfeld dit:

    I know that my Redeemer liveth, and that He shall stand

    at the latter day upon the earth.

    And tho’ worms destroy this body, yet in my flesh shall I see God.

    For now is Christ risen from the dead, the first fruits of them that sleep.

    De tekst van Händels ‘Messias’ is van Charles Jennens (1700-1773) een Engels grootgrondbezitter en mecenas, goede vriend van Händel en tekstdichter van de oratoria Saul (1738), (waarschijnlijk) Israel in Egypt (1738), l'Allegro, il Penseroso ed il Moderato (1740), Belshazzar (1744) en Messiah (1741).

    Jennens nam de tekst over van Job 19:25-26 in de King James versie:

    25 For I know that my redeemer liveth, and that he shall stand at the latter day upon the earth:

    26 And though after my skin worms destroy this body, yet in my flesh shall I see God.

    De letterlijke Engelse interlineaire vertaling van de Hebreeuwse tekst is als volgt:

    For I know my Redeemer that lives and that at last on the earth He shall stand

    And after my skin is destroyed this [I know] that in my flesh I shall see God.

    In de Willibrord-vertaling luidt dat:

    Want ik weet, ik ben er zeker van: mijn verdediger leeft, tenslotte zal Hij deze wereld binnentreden. En al ben ik nog zo geschonden, ik zal God zien vanuit dit lijf. 

    We zien dus dat beide vertalingen zich vrijheden veroorlooft tegenover de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst, doch vooral de King James versie. Het boek Job is zelfs in de Bijbelse context geen eenvoudige tekst. Het lijkt een soort van rechtszaak, waarbij Job zich tegenover God beklaagt over al het onheil dat die hem onverdiend doet overkomen. Wanneer iedereen hem in de steek laat, vrienden, familie, zijn eigen vrouw en kinderen, en uiteindelijk zijn eigen lichaam, spreekt hij in zijn wanhoop en bijna tegen beter weten in die krachtige woorden uit: God zal uiteindelijk toch komen opdagen om zijn verdediging op zich te nemen en hem recht te doen wedervaren. Zijn vrienden spreken dat tegen, wat Job opnieuw aanzet om zijn beklag te maken. Hij verwijt God dat hij zijn zaak niet bij hem kan bepleiten: hij is onvindbaar, en doet in zijn almacht al wat hij wil: hij treft goede mensen, maar straft booswichten niet. En zo gaat zijn aanklacht nog een hele tijd door. We kennen echter de afloop: God zal hem in ere herstellen, hem al zijn bezit en rijkdom teruggeven in duizendvoud.

    Waar onze passage in de Hebreeuwse tekst slechts een tussentijdse gedachte is, die bijna in het niets verdwijnt tegenover de aanklachten die Job tot God richt, ook en vooral in de volgende hoofdstukken, is ze voor de christenen een van de vele voorafbeeldingen geworden van de Verlosser, Jezus Christus. Dat blijkt hier uit het vers dat Jennens overneemt van Paulus (1 Kor 15, 20), eveneens in de King James versie:

    20 But now is Christ risen from the dead, and become the firstfruits of them that slept.

    In de Willibrord-vertaling:

    Christus is opgestaan uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn.

    Dat is een goede benadering van de oorspronkelijke Griekse tekst. Eerstelingen of primeurs zijn de eerste vruchten van een oogst, vandaar het Engelse firstfruits; het Grieks heeft aparchè en dat betekent onder meer de eerste vruchten die als een dankoffer aan de goden aangeboden worden. De eufemistische uitdrukking ‘ontslapen’ verschijnt in de betekenis van ‘sterven’ vanaf 1637. Het voorvoegsel ‘ont-‘ duidt hier het begin aan van de handeling: beginnen te slapen, dus inslapen; vergelijk: ontbloten, ontbranden, ontstaan, ontvangen, ontwaken.

    Voor Paulus – veeleer dan voor Jezus – was dit de essentie van het geloof: Jezus is verrezen, een bewijs dat mensen uit de doden kunnen opstaan en dan eeuwig leven. Dat is de onwaarschijnlijke boodschap die hij verkondigde, en die de Kerk is blijven verkondigen, tot op de dag van vandaag.

    Bemerk dat Job het helemaal niet heeft over Christus, hoe zou dat ook kunnen! Hij drukt zijn vertrouwen uit dat God hem, ondanks alles, recht zal laten wedervaren. Er is geen sprake van een Verlosser in christelijke zin, een Godmens die God genoegdoening zal geven voor de erfzonde, begaan door de eerste mensen. De Hebreeuwse tekst zegt goali en dat heeft verscheidene specifieke betekenissen, bijvoorbeeld: familielid, medestander, hulpverlener, redder, bevrijder, wreker, een man die de weduwe van zijn broer huwt,  enzovoorts. In het Oude testament is het begrijpelijkerwijs vaak een epitheton ornans van God. En er is nog veel minder sprake van een verrijzenis van de doden op de jongste dag, bij de terugkomst van Christus op aarde. Jenssens bezondigt zich hier aan de klassieke christelijke hineininterpretierung van teksten uit de Hebreeuwse geschriften als voorspellingen van wat in het Nieuwe Testament beschreven zal worden. Thomas Paine (1737-1809) analyseerde genadeloos talloze gevallen van dergelijke onterechte ontleningen in zijn The Age of Reason. Job verwijst niet naar het feit dat de wormen na zijn dood zijn lichaam zullen verorberen, maar naar de plaag die zijn vel getroffen heeft: ‘Overdekt is mijn lijf met vuil en wormen, van top tot teen etter en kloven.’ (7, 5) Dat is erg vrij vertaald voor: ‘Mijn vlees is aangekoekt met wormen en stof, mijn huid is gebarsten en breekt weer uit’. Zijn lijf blijft echter behouden, en met dat lichaam hoopt hij ooit God te zien opdagen als zijn getuige en verdediger in zijn rechtszaak. Alleen met veel kwade wil en een opzettelijk verwrongen vertaling kan men in het citaat een voorafspiegeling zien van het oordeel op de vermeende laatste dag.

    De gedachte aan een ultieme verlosser is onverbrekelijk verbonden met het onbegrijpelijke idee van een erfzonde die zou begaan zijn door de eerste mensen. In de Hebreeuwse geschriften is daarvan geen sprake, het is een verzinsel van het vroege christendom, dat voor het eerst opduikt in de geschriften die men toeschrijft aan Paulus. Overigens is die zogenaamde verlossing veeleer symbolisch: voor de mensheid is er ten gronde niets veranderd. Het is niet alsof iedereen nu plots met God verzoend is en zonder zonde leeft en na de dood recht naar de hemel gaat. Net zoals de erfzonde een aberratie is van een misantroop denken, is de kruisdood van (de zoon van) God een nutteloos verzinsel van een sadistisch denken. Het is zonder meer onbegrijpelijk dat men ervan uitgaat dat de mens vanaf zijn ontstaan voor altijd verdoemd is door een primitieve misdaad begaan tegenover een almachtige God. De mens is een van de resultaten van de evolutie van het leven op aarde, even vrij van alle schuld als alle andere levende wezens, en heeft dus ook geen verlosser nodig om zich weer met God te verzoenen.  

    Dergelijke gedachten bestoken een redelijk mens bij het beluisteren van die prachtige aria, het liefst gezongen door de onvergelijkbare Emma Kirby, of de subtiele Sumi Jo, liever, in dit geval althans, dan de triomfantelijke stentorstem van Marilyn Horne. Het is voor mij overduidelijk dat het de muziek is die me aangrijpt, en de vertolking, veeleer dan de tekst, zeker als we daarop nader ingaan. Maar ik kan niet ontkennen dat de overtuiging waarmee die eenvoudige woorden gezongen worden me, ongetwijfeld wegens onze van het christendom doordrongen artistieke wereld en mijn eigen erg christelijke opvoeding, blijft imponeren, zoals dat zeker ook het geval was in Händels tijd, toen eenvoudige gelovigen van in hun prilste jeugd met die woorden, zoal niet met de gedachten, vertrouwd gemaakt waren. Dat is de moeilijkheid die ongelovigen of atheïsten hebben bij het beluisteren van religieuze muziek, zeker als zij zoals ik uitermate vertrouwd zijn met de teksten en met de theologie die erachter steekt. Enerzijds begrijp je de muziek in haar eenheid van woord en melodie, en voel je de volmaaktheid aan van de vertolking van de onderliggende vrome gedachten. Anderzijds verwerp je de boodschap als een kwaadaardig en uiterst schadelijk verzinsel, en kwetsen de woorden je intelligentie als een aanfluiting van de werkelijkheid, en dat werpt een inktzwarte schaduw op het onvergankelijke kunstwerk dat Händel tot stand bracht, dat sinds vele jaren een dierbaar deel is gaan uitmaken van mijn eigen culturele thesaurie, en ontegensprekelijk behoort tot de mooiste parels van ons collectieve muzikale geheugen.


    Categorie:God of geen god?
    26-12-2024
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Als de vos de passie preekt...

    Alec Ryrie, Unbelievers. An emotional History of Doubt, London: William Collins, 2019, 2021, ISBN 9780008299859, 262 blz., € 6 – 10.

    Met veel bombarie wordt dit boek aangekondigd als een spectaculair vernieuwend werk, dat bovendien getuigt van ‘deep erudition en considerable wit… Important and convincing’. Dat, samen met de titel, overtuigde me om het toch maar aan te kopen, je kan het al hebben voor € 6 als paperback, en voor € 7 als hardcover (online). Al heel snel wordt het duidelijk dat het de auteur niet te doen is om werkelijke ‘ongelovigen’, en al evenmin om een geschiedenis van de twijfel aan het geloof. Al in de inleiding bekent hij dat hij een gelovige is, en zelfs ‘a licensed lay minister in the Church of England’. Ik heb geen idee in hoeverre zulke personen verschillen van de gewone anglicaanse priesters.

    De stelling verdedigd in dit boek is behoorlijk vreemd. Ongeloof of atheïsme is volgens de auteur niet zozeer ontstaan vanuit de overtuigingen van vrijdenkende filosofen, als wel vanuit de emotionele twijfels van gelovigen. Het boek is dan ook grotendeels gewijd aan die ‘emotionele’ twijfels, meer bepaald in de protestantse Engelse traditie, veeleer dan aan een studie van de echte ‘unbelievers’, de belangrijkste figuren uit de atheïstische traditie. Aldus doet hij inderdaad aan geschiedschrijving van de godsdienst, namelijk van zijn eigen anglicaanse godsdienst, of beter gezegd: aan theologie, veeleer dan aan filosofie of geschiedenis van het atheïsme. De auteur is er blijkbaar van overtuigd dat men geen gelovige of ongelovige is op grond van deugdelijke en overtuigende argumenten, maar op grond van ‘emoties’. Ondanks zijn herhaalde toezeggingen dat hij de atheïstische traditie respecteert, bewijst hij op elke bladzijde dat dat niet het geval is. Men wordt volgens hem niet ongelovig omdat men inziet dat het geloof irrationeel en onwaar is. Men blijft gelovig, maar men staat kritisch tegen het eigen geloof, en zoekt naar alternatieven. Dat zijn volgens hem de echte unbelievers. Dat er zoiets als core atheists zouden zijn, is volgens hem een al te vergezochte veronderstelling.

    Het valt mij op dat nu theologen, bedienaars van de eredienst en gelovigen het altijd maar moeilijker krijgen om hun boodschap te slijten aan het bredere publiek, zij zich meer en meer voordoen als objectieve wetenschappers: Ryrie noemt zich ‘historian of religion’; Charles Taylor is filosoof, maar kreeg in 2007 de Templeton Prize ter waarde van 1,5 miljoen dollar for progress towards research or discoveries about spiritual realities.

    De secularisatie van de samenleving is een sociologisch vaststelbaar feit. Alle pogingen om dat te ontkennen, of om het ongeloof te recupereren als een vorm van voortschrijdend inzicht in het geloof zijn niet alleen compleet ongeloofwaardig, maar een belediging voor de intelligentie van al de personen die zich van dat geloof bevrijd hebben, of er nooit mee te maken gekregen hebben (fortunati ambo!). Geloof en wetenschap zijn ten gronde onverenigbaar.

    Ongelovigen houden zich dus maar beter ver van boeken als dat van Ryrie, ondanks de opzettelijk misleidende titel. Ze houden het terecht bij de diepe verzuchting van John Lennon: Imagine, no religion!


    Categorie:God of geen god?
    24-12-2024
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Anselmus van Canterbury

    Anselmus van Canterbury, Het mysterie van God, vertaald door Vincent Hunink, ingeleid door Wim Verbaal, Eindhoven: Uitgeverij Damon, 2024, ISBN 9789463404297, 184 blz., € 24,90 hardback.

    In deze publicatie worden twee teksten van Anselmus (1033-1109) samengebracht: het eerder verschenen Proslogion onder de titel Ondenkbaar dat U niet bestaat (Uitgeverij Kok, 2011) en het voor deze uitgave vertaalde Cur Deus homo?, onder de titel Waarom werd God mens?. Damon zorgde weer voor een uiterst verzorgde presentatie, al had voor deze senior het lettertype van de platte tekst wel iets groter gemogen.

    Waarom werd God mens? Het antwoord daarop neemt het grootste gedeelte van dit boek in beslag, maar het is het minst verteerbare, althans voor moderne lezers, en al zeker voor wie niet vertrouwd is met de traditionele christelijke soteriologie. In de dialoog naar Plato’s model tussen Anselmus en Boso, een (reële of imaginaire) leerling wordt hier en daar het standpunt van ongelovigen verwoord, maar op een weinig geloofwaardige manier; het is voor beiden evident dat de basisgegevens van het christelijk geloof onbetwijfelbaar waar zijn: God is de almachtige schepper van hemel en aarde en van de eerste mensen, Adam en Eva; die hebben zich door de duivel, een gevallen engel, laten verleiden tot de zonde, en hebben daardoor op alle nakomelingen een erfschuld geladen tegenover God. Die schuld is zo groot dat ze niet door een gewone mens adequaat ingelost kan worden. Dat moet dan wel door een bijzondere mens: een Godmens, de mens-geworden Zoon van God, die door zijn vrijwillig lijden en dood de mensheid weer met God heeft verzoend. De uitleg die Anselmus daarover verschaft, is helder en logisch, maar het blijft een verklaring van wat ten gronde een mysterie is, of een opeenstapeling van onbekenden in de vergelijking: God de Vader, de Zoon, de Heilige Geest, de schepping, de zondeval, de erfzonde, de menswording, de verrijzenis, het eeuwig leven. Vooral de uitvoerige redeneringen over het getal van de engelen zijn een afknapper: het is nauwelijks te geloven dat een ongetwijfeld verstandige auteur als Anselmus dat in alle ernst heeft kunnen neerpennen. Dat zijn de aberraties van een godsdienst en een theologie die uitgaan van veronderstellingen die ten gronde afwijken van de werkelijkheid.

    Het tweede werk bevat een aantal gedachten die ons vandaag wel degelijk kunnen aanspreken, ook al is de verwoording heel traditioneel. God wordt voorgesteld als ‘het hoogst denkbare’, in Huninks originele vertaling van het onvertaalbare id quo maius cogitari nequit. Letterlijk staat er dat er niets groters kan gedacht worden dan God. Dat is inderdaad een aantrekkelijk idee dat al sinds de oudheid aangevoeld is door filosofen en theologen, dat bij Spinoza meesterlijk uitgewerkt wordt, en dat ook Einstein graag onderschreef. Deus sive natura, God of de Natuur, het Al, het Universum. Het is inderdaad ondenkbaar dat dat niet zou bestaan, want dan zouden ook wij niet bestaan, zou er niets bestaan. Het is even ondenkbaar dat er iets groters zou bestaan, want dan zou dat God of het universum zijn. Daarom is het universum noodzakelijkerwijs uniek. Die fundamentele gedachte moet Anselmus ook sterk aangegrepen hebben. Ze heeft hem, en alle christelijke theologen en mystici en vele filosofen voor en na hem echter verleid tot het waanbeeld van een persoonlijke God, wat natuurlijk een contradictio in terminis is: het universum mag dan al evident ordelijk zijn, maar dat is iets helemaal anders dan de veronderstelling dat er een bovennatuurlijk en almachtig intelligent wezen is dat het universum doelbewust voor de mens geschapen heeft en leidt. Nog veel minder dat er een erfzonde is, en een zoon van God die mens moet worden en sterven om daarvoor genoegdoening te geven aan de Vader. Anselmus gaat verder dan het heerlijke id quo maius cogitari nequit, hij zegt letterlijk: ‘U bent niet alleen het hoogst denkbare, nee, U bent iets hogers dan denkbaar!’ (blz. 161). Dat is dan het verschil tussen filosofisch inzicht en mystieke wartaal.

    Ondanks de voorbeeldig vlotte vertaling vergen deze teksten een niet geringe volgehouden inspanning van de lezer, vooral als die niet vertrouwd is met de bizarre christelijke dogma’s. In het beste geval zal men toch nog genieten van de helaas zeldzame bladzijden waar nog een grond van Spinoza’s Deus sive natura doorschemert in de typische middeleeuwse apologetische en mystieke taal uit de late elfde eeuw.


    Categorie:God of geen god?
    09-12-2024
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kristien Hemmerechts' late bekering en mystieke ervaringen

    Mystieke ervaringen en late bekeringen

    Iemand had een exemplaar van het boek van Kristien Hemmerechts, Van ver gekomen (2024) ergens achtergelaten, waar ik het onlangs toevallig aantrof. Omdat ik geen andere lectuur bijhad, nam ik het in arren moede ter hand. Ik had nog nooit iets van haar gelezen, ik lees al heel lang weinig fictie, en al zeker geen Nederlandstalige. Ik had in de media vaag gehoord over haar bekering, haar terugkeer naar de godsdienst van haar kinderjaren, waarvan ze zoals vele andere bij het opgroeien afscheid had genomen. Ik had daarbij de schouders opgehaald: mensen doen nu eenmaal vreemde zaken.

    Ik heb het boek helemaal uitgelezen, deels uit nieuwsgierigheid: wat bezielt een hoogopgeleide vrouw om blijkbaar rond haar pensioengerechtigde leeftijd weer naar de kerk te gaan?

    Ik ben het niet te weten gekomen uit het boek, dat overigens een beetje een allegaartje is, een heel emotionele verzameling van dagboekfragmenten, zo lijkt het wel. Het gaat maar heel gedeeltelijk over die terugkeer, en ze relativeert haar bekering grondig. Enerzijds woont ze de rituelen van de Gemeenschap van Sant’Egidio getrouw bij, anderzijds staat ze erg kritisch tegenover de Kerk, en zelfs tegenover de gemeenschap en de rituelen die ze bijwoont. De God die haar naar eigen zeggen gevonden heeft, is niet de God van de katholieke Kerk, zelfs niet die van het christendom. Wat ze beschrijft, zijn mystieke, erotisch getinte ervaringen, min of meer overweldigende ‘ontmoetingen’ met iets dat haar overstijgt, en dat ze God noemt.

    Wie dergelijke ervaringen niet zelf heeft meegemaakt en die toch probeert te begrijpen, zoals William James in zijn nog altijd verhelderende boek The Varieties of Religious Experience (1902!), gaat ervan uit dat het gaat om mentale processen waarin onnoemelijk veel factoren meespelen, zowel externe (menselijke!) invloeden als innerlijke kenmerken, genetische zowel als psychologische, die het geheel vormen van iemands persoonlijkheid. Het heeft althans mijns inziens geen zin om daarvoor op zoek te gaan naar een bovennatuurlijk wezen, en dat lijkt deze schrijfster ook niet te doen. Voor haar zijn haar godservaringen reëel, en daarnaast voelt ze zich goed in de specifieke katholieke gemeenschap die ze gevonden heeft. Je kan veel dwazere en ergere zaken doen. Ik weet niet wat ze nog meer gezegd en geschreven heeft over haar bekering, en dat interesseert me ook niet bijzonder. Als atheïst en antiklerikaal hoef ik geen standpunt in te nemen over wat haar overkomen is. Niets menselijks is me vreemd. En omdat ik gelovig opgebracht ben en mijn hele actieve leven doorgebracht heb in de katholieke zuil, weet ik waarover ze het heeft.

    Toen ik op mijn zestigste met pensioen ging en voor mezelf uitmaakte dat ik al mijn hele leven ongelovig was, heb ik de laatste banden met de Kerk en gelovigen verbroken. Onwillekeurig ben ik dan op zoek gegaan naar geestverwanten, zowel in de literatuur over ongeloof en atheïsme als bij mensen in mijn omgeving. Met die literatuur ben ik intussen heel vertrouwd, en ik heb er zelf meer dan duizend bladzijden over volgeschreven. Gelijkgezinde atheïstische en antiklerikale mensen heb ik in mijn omgeving niet meteen gevonden, en mijn ervaringen met de georganiseerde vrijzinnigheid waren altijd ten minste teleurstellend. Vrijdenkers zijn blijkbaar bijna altijd individualisten, ze hebben de Kerk niet verlaten om naar een vrijzinnige kapel te trekken. Ze hebben een hekel aan mensen die zeggen wat je mag en moet doen en denken. Dat maakt het gemeenschapsleven dat zo typisch is/was voor de Kerk vrijwel onmogelijk. Georganiseerde vrijzinnigheid is meer dan waarschijnlijk een oxymoron. Ikzelf behoor er niet toe, al lever ik bijdragen aan de website van het Humanistisch Verbond: teksten voor de denktank Kwintessens, waarvan ik overigens geen deel uitmaak, en recensies voor de rubriek Kritisch lezen. Maandelijks komen we met enkele min of meer gelijkgestemde vrienden samen bij mij thuis voor intense gesprekken over van alles en nog wat, en dat is altijd een deugddoende ervaring.

    Ooit was het ‘Alles voor Vlaanderen en Vlaanderen voor Kristus’, het AVV-VVK prijkte op de oude IJzertoren en op veel andere plaatsen. Nu is het eerste gedeelte van die leuze ingepalmd door (ten minste) bedenkelijke lieden, en het tweede gedeelte is zelfs voor gelovigen niet meer voorstelbaar. Ik ben nu 78, en wat ouderlingen zoals ik denken en voelen heeft alsmaar minder belang. Wat jongere mensen denken en voelen, weet ik niet, zeker niet wat tieners betreft. Ik weet nog goed hoe de wereld eruitzag in mijn jeugd, en ik ben er zeker van dat die wereld nu niet meer bestaat. Wat ervoor in de plaats gekomen is, is mij elke dag meer vreemd. Ik kan de technologische (r)evolutie nog vrij goed volgen, maar ik heb niet meer het gevoel dat ik tot de wereld behoor die nu gebeurt. Onlangs maakte ik me zelfs de bedenking dat het maar goed is dat oude mensen als ze niet meer meekunnen, lichamelijk en mentaal, sterven en plaats maken voor andere. Het individu verdwijnt, de mensheid blijft. De wereld is in voortdurende verandering. Het universum is werkelijk oneindig.

    De Kerk lijkt hier op sterven na dood, en wat ze hier en elders nog betekent, is vaak van heel bedenkelijke aard, zelfs voor overtuigde christenen. De zeldzame bekeringen à la Hemmerechts zullen daaraan allicht niets veranderen. Er lijkt niet echt iets voor in de plaats gekomen, wat erop wijst dat godsdienst behalve schadelijk tevens altijd al nutteloos, onnodig en overbodig was. Wat vroeger als ondenkbaar voorgesteld werd, namelijk een leven zonder God, is nu de gewone gang van zaken. Mensen leiden nu hun leven zoals ze dat graag willen, zonder zich nog te bekommeren om God of gebod, zoals dat heette. Dat betekent niet dat ze immoreel zijn of onethisch handelen, of toch niet meer dan vroeger. Ze houden zich aan de meeste regels van de burgerlijke samenleving, of toch meestal, of zo goed mogelijk. Nu ze geen geloof meer hechten aan een hiernamaals met hemel en hel en de vele dreigementen van de godsdienst, blijkt naast zorgen voor een inkomen vooral bewust genieten van het leven voor velen nog het enige dat telt, en wie kan ze ongelijk geven? Dat genot kan vele vormen aannemen, zo ook dienstverlening en vrijwilligerswerk, het moeten niet altijd dure vakanties zijn. De zin van het leven is niet langer afhankelijk van bovennatuurlijke wezens en perspectieven op eeuwige straf en beloning, maar eigen aan het leven zelf. Ons leven heeft de zin die we eraan geven, individueel een gezamenlijk, nu en voor de toekomst. De ‘dood van God’ heeft de mensen voor hun eigen verantwoordelijkheid geplaatst voor hun leven. Verre van een verarming te zijn, is dat hier en nu een bevrijdende verrijking gebleken voor velen. Of die secularisatiebeweging zich zal doorzetten is echter een andere kwestie.


    Categorie:God of geen god?
    29-06-2024
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De misdadige geschiedenis van de Kerk

    Karlheinz Deschner

     Karlheinz Deschner (1924-2014) is een uitzonderlijke figuur. Zijn hele leven lang heeft hij zich in al zijn werken onverdroten ingezet voor het bestrijden van de misdaden en de misleidende leugens van de christelijke godsdienst, inzonderheid de katholieke Kerk. Zijn Kriminalgeschichte des Christentums (1970-2013) alleen al telt tien delen, samen meer dan 5000 bladzijden. Vanzelfsprekend hebben christelijke criticasters zijn werk als onwetenschappelijk afgewezen en veroordeeld. Zijn kenmerkende agressieve toon mag daartoe dan al aanleiding geven, maar die kritiek blijft stekeblind voor het uiterst gedetailleerde, uitgebreide en onweerlegbare historische bronnenonderzoek dat aan al zijn werk voorafgaat, en waarvan op elke bladzijde de ontstellende resultaten prijken.

    In het Nederlands zijn slechts deze werken vertaald, maar al jaren uitverkocht, en de eerste twee zijn ook tweedehands bijna niet te vinden:

    Andermaal kraaide de haan: een ontmaskering van het christendom van de evangelisten tot aan de fascisten (Wetenschappelijke Uitgeverij – Amsterdam, 1974)

    De kerk en haar kruis: geschiedenis van de seksualiteit in het christendom (De Arbeiderspers - Amsterdam, 1980)

    Herders en wolven: pausen van de twintigste eeuw (EPO - Berchem, 1995)

    Het laatstgenoemde boekje bevat naast 85 bladzijden tekst 15 bladzijden vaak erg bezwarende z/w foto’s. Het is een striemende aanklacht tegen de katholieke Kerk en haar inmenging in wereldpolitieke aangelegenheden, vanaf de eerste wereldoorlog, maar vooral in verband met het nazisme in Duitsland en het fascisme in Italië. Aan de hand van archiefdocumenten toont Deschner overduidelijk aan dat het Vaticaan zich schuldig gemaakt heeft aan verregaand diplomatiek klerikalisme ten gunste van die misdadige politieke bewegingen, daarin slaafs gevolgd door de hoogste plaatselijke kerkelijke gezagsdragers, die op hun beurt hun ondergeschikte clerici onder grote druk zetten om hetzelfde te doen.

    Het is ontstellende lectuur, zelfs voor iemand die zich zoals ik al bijna twintig jaar verdiept in de katholieke kerkgeschiedenis, en derhalve niet onbekend is met de duistere kanten van de Kerk. Net zoals men het eeuwenlange wijdverbreide seksuele misbruik door bedienaars van de eredienst altijd wist te camoufleren en ontkennen, zijn ook de verachtelijke schaamteloze tussenkomsten van de Kerk in de meest afschuwelijke gebeurtenissen van de eerste helft van de twintigste eeuw aan de algemene aandacht kunnen ontsnappen tot op de dag van vandaag, ondanks publicaties zoals die van Deschner. Zijn boekje uit 1994 werd nochtans al in 1995 in het Nederlands vertaald en in Vlaanderen en Nederland verspreid. Het is nog tweedehands te vinden, en het heeft niets van zijn prangende urgentie en zijn pijnlijk belang verloren. Het blijft evenwel meer dan waarschijnlijk dat overtuigde katholieken, als die er in onze contreien nog zijn, de onweerlegbare aantijgingen zullen blijven ontkennen of minimaliseren, en dat naamkatholieken er even weinig aandacht zullen aan besteden als aan de kerkelijke voorschriften op alle gebied. Wie de Kerk verlaten heeft, of er nooit toe behoord heeft (fortunati!) zal daarin een bevestiging vinden van al de redenen om die Kerk ten minste definitief de rug toe te keren, maar om ze hopelijk tevens uitdrukkelijk en publiekelijk te veroordelen voor haar misdaden, toen en nu. Het is pas wanneer alle misdaden van de Kerk aan het licht gebracht worden dat men de hoop mag koesteren dat ook de goegemeente en het establishment ooit de intellectuele eerlijkheid en de moed zullen opbrengen om daaraan een einde te maken. Misdadigers moeten veroordeeld worden, misdadige organisaties moeten verboden worden. Il faut écraser l’infame.


    Categorie:God of geen god?
    03-06-2024
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Denken en geloven in de oudheid (recensie)

    Anton van Hooff, Je hebt gewonnen, Galileeër. Denken versus geloven in de oudheid, Utrecht: Omniboek, 2023, 176 + 8 blz., ISBN 9789401919388, € 24 (paperback).

    De titel van het boek is enigszins raadselachtig, de ondertitel is uitnodigend voor wie zoals ik begaan is met de geschiedenis van het vrijdenken; de auteur is een bekende, om niet te zeggen notoire vrijdenker en atheïst. Allemaal goede redenen om dit boek ter recensie aan te vragen en gretig te beginnen lezen. Is het ook de aankoop waard?

    Er zijn wel wat problemen. De auteur is vooral bekend als strijdlustige polemist, en dat blijkt ook uit zowel het opzet van het boek als uit zijn taal en stijl. Hij is wat dat betreft een treffend voorbeeld van wat meer bedaarde Vlamingen weleens als Nederlandse ongegeneerde opgewondenheid of zelfs agressieve querulantie ervaren. Verwacht je dus niet aan een rustig betoog, noch aan een gedegen methodische aanpak, er staan nogal wat uitgezette uitroeptekens en verontwaardigde vraagtekens in de tekst.

    Maar er is meer. De vlag van de ondertitel dekt niet echt de lading. Men verwacht zich aan de kritiek van antieke denkers op het opkomend en zegepralend christelijke geloof, maar wat hier aangeboden wordt is veeleer de zeer christelijke apologetische reactie op wat antieke niet-christelijke auteurs te zeggen hadden over het christendom. Dat verkleurt natuurlijk alles grondig. Dat de auteur zich daardoor heeft laten leiden is evenwel niet verwonderlijk. Van al die antichristelijke geschriften is immers niets bewaard. Dat kan heel goed zijn omdat de christenen daarop nauwlettend en met veel succes toegezien hebben. De enige bron die we over die geschriften nog hebben, zijn precies de christelijke apologeten, die men er nauwelijks kan van verdenken dat ze in dezen objectief waren. Ik heb eerder al, in verband met Celsus en Origenes, de mogelijkheid naar voren geschoven dat die christelijke auteurs hun tegenstanders ten minste gedeeltelijk, maar waarschijnlijk zelfs compleet verzonnen hebben. Na lezing van het boek van Anton van Hooff ben ik in die overtuiging danig gesterkt. Naast dat obligate tweetal voert hij twee andere duo’s ten tonele, namelijk enerzijds Julianus de Apostaat (331-363, Romeins keizer vanaf 361) wiens boek ‘Tegen de Galileeërs’ alleen verschijnt in de geschriften van Cyrillus van Alexandrië (376-444), en anderzijds de anonieme tegenstander van Makarios Magnes of van Magnesia. Deze Makarios was compleet onbekend tot in 1867 een 15de-eeuws manuscript ontdekt werd, van zijn Apokritos pros Hellinas; de anonieme tegenstander zou dan Porphyrius (ca. 234-305) zijn, die een werk Tegen de christenen geschreven heeft waarvan enkel fragmenten gevonden zijn bij christelijke tegenstanders.

    Het is dus een bekend patroon: de werken van antieke tegenstanders van het christendom zijn vernietigd door de christenen, maar de christenen hebben fragmenten daarvan bewaard in hun veel latere apologetische werken, die de enige ‘bron’ vormen voor het bestaan en de inhoud van die antichristelijke werken. Zelfs als die vermeende antichristelijke werken ooit bestaan hebben, moet de reconstructie ervan, uitsluitend op grond van wat hun verlate tegenstanders daarvan bewaard en weergegeven hebben, met veel meer dan het spreekwoordelijke korreltje zout genomen worden. We hebben integendeel alle redenen om ze met de grootste argwaan te bekijken, en ze van meet af aan als bevooroordeelde en ronduit onbetrouwbare getuigen te brandmerken, zowel voor de inhoud als het bestaan zelf van de vermeende werken.

    De auteur geeft zich daarvan geen rekenschap. Hij doet alsof alles is zoals de christelijke apologeten het voorstellen. Hij heeft evenmin oog voor de op zijn minst twijfelachtige en ongetwijfeld corrupte tekstoverlevering van die apologetische geschriften zelf. Een manuscript uit de 15de eeuw wordt zomaar als authentiek beschouwd van een totaal onbekende auteur, mogelijks een bisschop van rond 400. Deze compleet onkritische en onwetenschappelijke aanpak is verwonderlijk voor een academicus (hoofddocent Radboud (katholieke…) Universiteit tot 2008) en voor een vrijdenker (voorzitter De Vrije Gedachte 2009-2015). Inhoudelijk, en ook in zijn opzet staat het boek daardoor helaas op het uiterst bedenkelijke niveau van zijn christelijke apologetische bronnen, en is het dus voor de ernstige geïnteresseerde in de geschiedenis van het vrijdenken vermetel om het als betrouwbaar of zelfs maar relevant te beschouwen. De talrijke persoonlijke tussenkomsten van de auteur, zowel anekdoten uit zijn leven als interpretaties en parafrasen van geciteerde teksten, bevestigen de betreurenswaardige slordigheid van de ‘methode’ die de auteur hier aanwendt.

    Er is een zeer selectieve, dus summiere en onvolledige bibliografie, de eindnoten zijn louter bibliografische verwijzingen; de voetnoten zijn zelden ter zake; het register daarentegen is overvloedig doordat het talloze banale woorden bevat die slechts één keer voorkomen. De zwart-wit illustraties zijn vooral erg grijs en zo klein dat je slechts kan raden naar de afbeelding. De katern met kleurillustraties blinkt dan weer uit door de irrelevantie van de afbeeldingen, zoals een ‘forensische reconstructie’ van het hoofd van Julianus…

    Ik betwijfel of het boek veel mensen zal bevallen. Leken in het vak, als die er al toe aangetrokken zouden zijn, zullen er allicht snel de brui aan geven, afgeschrikt door de nodeloos gedetailleerde – maar hopeloos verwarde – weergave van de oude teksten. Specialisten zullen hopelijk ook nog aanstoot nemen aan de pijnlijk onkritische benadering van de auteur. Vrijdenkers die hopen hier materiaal aangereikt te krijgen om hun overtuiging kracht bij te zetten, of waardevolle kritische inzichten in de christelijke leer en de kerkgeschiedenis, zullen veeleer teleurgesteld afhaken lang voor het einde. Een péché de vieillesse?


    Categorie:God of geen god?
    22-04-2024
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Aurelius Augustinus, Belijdenissen

    Aurelius Augustinus, Belijdenissen [Confessiones], ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Wim Sleddens O.S.A., Eindhoven: Damon, 2024 (zesde druk), 352 blz., gebonden uitgave, 9789463404280, € 34,90.

    Wie zijn hele leven doorgebracht heeft in de katholieke zuil is van jongs af aan vertrouwd gemaakt met Augustinus (354-430) en met zijn meest bekende werk, de Belijdenissen. Veel meer dan naambekendheid is dat niet. In het beste geval weet men nog dat Augustinus een liederlijk leven leidde voor zijn bekering onder invloed van zijn vrome moeder Monica; dat hij om kuisheid bad, ‘maar niet meteen’; en dat zijn bekering gebeurde toen hij een stem hoorde die hem zei een boek te openen en te lezen (tolle, lege). Veel is dat niet. Het is typisch voor het oppervlakkige geloof van zowat alle christenen, de fides carbonaria of het kolenbrandersgeloof: men heeft wel de klok horen luiden, maar waar de klepel hangt?

    Ook ik was wat betreft Augustinus in dat geval gedurende het grootste gedeelte van mijn leven. Pas toen ik gepensioneerd was en me ging verdiepen in geloof en ongeloof, las ik wat meer over Augustinus, en dat was niet meteen van aard om er veel meer over te weten te willen komen. Zijn vurige voorkeur voor seksuele onthouding en zijn tastbare, niet aflatende afkeer voor het lichamelijke staken me danig tegen, net zoals zijn zelotische bekeringsijver, zijn rabiate haat tegenover andersdenkenden, de extatische dithyramben waarin hij zich tot God richt, zijn verwoed zondebesef, en nog wel enkele kwalijke eigenschappen meer.

    Toch werd mijn aandacht onwillekeurig – of misleid door een zo vroege, langdurige en derhalve diepgewortelde indoctrinatie – getrokken door deze luxe-heruitgave van de Belijdenissen bij Damon, en ik heb het me niet beklaagd dat ik een recensie-exemplaar heb aangevraagd. De tekst dateert van de jaren 397-400; informatie over de tekstoverlevering is uiterst schaars, zelfs zo goed als onvindbaar online. Van zijn vele werken, korte en lange, zijn er meer dan honderd ‘bewaard’. Ik heb nergens gevonden dat er een autograaf zou bestaan van Augustinus. Dat is allesbehalve verwonderlijk: hijzelf schrijft bijvoorbeeld dat hij geen exemplaren meer heeft van een boek dat hij ooit geschreven heeft. Boeken werden toen niet in grote oplagen gepubliceerd, maar ambachtelijk overgeschreven voor eigen gebruik of om als gift te dienen. De eerst bekende teksten van hem zijn fragmenten bij andere auteurs en in bloemlezingen. Wat we nu hebben, is dus blijkbaar het resultaat van een reconstructie op basis van die fragmenten, en veel latere manuscripten van volledige werken. Er is een manuscript van zes hoofdstukken van dat andere hoofdwerk, De civitate Dei, De stad Gods¸ dat zou geschreven zijn rond 420-449, dus mogelijks toen Augustinus nog leefde, maar de andere manuscripten zijn van honderden jaren later. Wat we daaruit moeten concluderen over de authenticiteit van zijn oeuvre laat ik over aan de wijsheid van de lezers, aan de verbeelding van de aficionado’s of aan de beroepsernst van de specialisten. Mijn stellige indruk bij het lezen van deze vertaling van de Confessiones was in alle geval dat er meer dan een stem te beluisteren viel, en dat meer dan één hand de pen gevoerd heeft.

    Dat gezegd zijnde, ‘beken’ ik graag dat de Belijdenissen me vanaf de eerste bladzijde geboeid hebben, en dat ik zonder veel moeite het boek heb uitgelezen. Het is een autobiografie, althans een gedeeltelijke, want Augustinus leefde nog dertig jaar verder na dit boek. Het is slechts ten dele een feitelijke levensbeschrijving, en vooral een beschrijving van zijn gemoedstoestanden en zijn ideeën, wat uitzonderlijk is voor die vroege periode uit onze beschavingsgeschiedenis. Men benadrukt in de commentaren gemeenlijk vooral het grote schuldbesef over zijn leven voor zijn bekering, maar de beperkte feiten die hij daarover vermeldt zijn zeker geen reden om het boek te gaan lezen om zijn smeuïge passages: die zijn er niet. Wat hijzelf zijn zondig leven noemt, blijkt vrij normaal gedrag geweest te zijn op alle gebied, ook seksueel, voor zijn tijd en zijn milieu. Het is vooral vanuit het contrast met zijn latere strenge ascetische en celibataire priesterlijke levenswijze dat zijn vroegere zonden een zo aanzienlijk gewicht krijgen, althans in zijn ogen. Voor moderne lezers, en allicht ook voor de modale vroegere lezers, is dat net andersom: Augustinus lijkt, net zoals Paulus, wel geobsedeerd door de zonde, en ziet kuisheid, dus onthouding van alle seksuele activiteit en gedachten, als de enige goede praktijk, als de enige aanvaardbare norm. De dramatische nefaste invloed van die verwoestende christelijke opvatting op de ontwikkeling van onze beschaving en op het seksuele leven van talloze individuen is onmogelijk te overschatten.

    De eerste negen boeken schetsen Augustinus’ evolutie als jonge leergierige en begaafde student, en zijn eerste stappen in zijn carrière als docent in de retorica, waarbij hij op zoek gaat naar ‘waarheid’ en zijn plaats in de samenleving. Aanvankelijk is dat vooral een filosofische queeste, maar toentertijd was de grens tussen het filosofische en het godsdienstige niet zo scherp getrokken als nu het geval is, of zou moeten zijn. Hij beschrijft de heel belangrijke rol van zijn moeder Monica, een overtuigde en pratikerende christelijke vrouw – zijn vader is pas kort voor zijn dood bekeerd. Dat verhaal, geschreven als een terugblik, is overtuigend in zijn eerlijkheid. De vele bedenkingen die de auteur maakt, verlenen het een reflectief filosofisch en ethisch karakter dat het doet uitstijgen boven loutere anekdotiek. Vaak nemen die reflecties de vorm aan van rechtstreeks tot God gerichte gebeden, waarin een vrijwel mystieke taal gehanteerd wordt die doet denken aan de liefdeslyriek van de latere grote mystieke figuren uit het christendom, vooral dan de vrouwelijke. God als de geliefde: veel persoonlijker kan een relatie niet zijn. Als God evenwel niet bestaat, kan ze evenmin meer zinloos zijn, en moet ze wel erg gevaarlijk en uiteindelijk deerlijk destructief zijn voor het mentale en fysieke welzijn van de persoon zelf, en helaas ook dat van hun omgeving.

    Vanaf het tiende boek, wij zouden zeggen hoofdstuk, verandert de toon, maar niet de inhoud. De auteur is nog steeds begaan met de waarheid, maar nu is hij bekeerd, en de waarheid is nu uitsluitend te vinden in de goddelijke openbaring, en hoofdzakelijk in de Schrift, zowel het Oude als het Nieuwe Testament, en in de christelijke dogmatiek, die toen nochtans nog erg verscheiden en controversieel was, met talrijke ‘sekten’ die elkaar heftig bestreden, wat Augustinus zelf ook volop en rucksichtslos gedaan heeft. Hij bezint zich over ons denken en redeneren, en hoe wij met God in contact komen, en welke rol Christus daarin speelt voor de hele mensheid. In het elfde hoofdstuk vinden we zijn bekende onderzoek naar de tijd; dat is best interessant, maar het is toch vooral een sofistische, en geen natuurkundige aanpak: de discussie verloopt aan de hand van taal, van wat wij tijd, verleden, heden en toekomst noemen, en de anomalieën die daaruit voortkomen, zoals: het verleden is niet meer, het heden is zo voorbij, de toekomst is nog niet, wat is dan de tijd? Het twaalfde hoofdstuk gaat over wat de wereld is, maar dat gebeurt helaas uitsluitend op basis van wat Genesis daarover zegt, en daar stelt Augustinus teleur, omdat hij zich als christen onmogelijk kan losmaken van het verplichte blinde en letterlijke geloof in de goddelijke openbaring door de Schrift, in dit geval het boek dat aan Mozes zelf toegeschreven wordt en daaraan zijn onbetwistbaar gezag ontleent. Dat wordt nog (veel) erger wanneer hij het materiaal van Genesis allegorisch gaat interpreteren: dat hoofdstuk is werkelijk een afknapper, niet geschikt voor zelfs de meest geïnteresseerde leek.

    Wat me vooral aantrok in deze tekst van Augustinus was zijn Godsbeeld. Vaak kon ik, zeker in de eerste hoofdstukken, door zijn bloemrijke taal heen een glimp opvangen van wat Einstein de God van Spinoza heeft genoemd, God als het Universum, veeleer dan de gepersonifieerde God de Vader, en zonder de Christusfiguur die het allemaal zo moeilijk maakt, met de zondeval, erfzonde, de zending van de Zoon als de verlosser, zijn prediking, lijden en dood, zijn verrijzenis, de stichting van de Kerk, het laatste oordeel, hemel, vagevuur en hel enzovoort enzovoort. Om nog te zwijgen van de Dritte im Bunde, de Heilige Geest. Het is vooral dat oorspronkelijke, algemeen menselijke aspect dat mijn aandacht gaande hield, en me zelfs in de meest mystiek gekleurde passages toch nog enige verwantschap liet aanvoelen met deze ongetwijfeld intelligente maar overigens heel complexe, om niet te zeggen zwaar gecomplexeerde figuur.

    De vertaling uit 2009 is heel goed leesbaar, slechts heel af en toe was het Latijn van Augustinus zelfs deze augustijn te machtig, maar wie zal hem verbeteren? De luxe-uitgave van Damon is inderdaad luxueus. Het is verheugend dat er nog (enkele?) uitgeverijen zijn die het aandurven teksten zoals deze aan te bieden in een duurzaam, degelijk en aantrekkelijk modern maar klassiek boekformaat. Mijn oude, moe-getergde ogen (te veel gelezen, bij slecht licht en andere belastende omstandigheden, te veel uren voor het scherm doorgebracht) hadden toch liever een ietwat grotere letter gehad.

    Augustinus’ Confessiones worden doorgaans tot de top van de wereldliteratuur gerekend. Dat leek me op het eerste gezicht overdreven, maar als ik me dan afvraag wat er wel toe behoort, moet ik na lezing toch, zij het schoorvoetend, bekennen dat die appreciatie voor deze vroege teksten uit de (christelijke) oudheid, ruim voor de val van het Romeinse rijk (476) niet helemaal misplaatst is, zeker in het licht van Augustinus’ blijvende – maar helaas weinig verheffende – invloed op onze Ideeengeschichte. Deze Belijdenissen zijn door hun opzet en hun onderwerp, en omdat ze terugblikken op zijn vroegste ervaringen, voor niet-gelovige lezers allicht de meest aantrekkelijke, en wel zeker de minst afstotelijke van zijn oeuvre. Toen ik het boek opensloeg, had ik niet gedacht dat ik er een zo positieve recensie zou (kunnen) over schrijven. Mijn negatieve appreciatie van Augustinus is er niet door veranderd, maar zijn Confessiones zijn desondanks werkelijk voor iedereen de moeite waard. Tenzij men wil wachten tot iemand er een (pseudo)historische bestseller aan wijdt, of er een (al dan niet pornografische) netwerkfilm of miniserie over maakt. O, excuseer, dat blijkt al gebeurd te zijn… Aan u de keuze dus, maar ik houd het op het origineel, zij het in vertaling.


    Categorie:God of geen god?
    17-04-2024
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Buizingen, een parochie miskend

    Buizingen

    Een bloeiende en actieve parochie in Vlaams-Brabant – en zo zijn er voorwaar geen tientallen meer – wordt door de kerkelijke overheid ‘uitgesloten’, wegens ‘de fundamentele aard van de meningsverschillen’. Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Een vertegenwoordiger van het bisdom lichtte het voorbeeldig toe in de media: de sacramenten moeten toegediend worden door priesters, niet door leken, en al zeker niet door vrouwen! In Don Bosco – Buizingen is er al sinds jaren geen enkele actieve priester meer, en geëngageerde gelovigen hebben hun taken op zich genomen. Dat noemt men van de nood een deugd maken, maar zo ziet de Kerk het niet!

    De Kerk beroept zich daarbij op het kerkelijk recht, dat inderdaad het toedienen van sacramenten en het voorgaan in de eredienst streng voorbehoudt aan de gewijde priesters die daartoe aangesteld zijn. Daartegen valt dus niets in te brengen. Elke organisatie mag haar eigen regels opstellen, en dus ook de Kerk.

    Het is evenwel nuttig om even stil te staan bij de reden voor die restrictieve regel. Men kan dat kerkrechtelijk bekijken, en dan geldt zoals in het burgerlijk recht dat de rechtsregels moeten geëerbiedigd worden. Men kan verwijzen naar de wijdingen die vereist en theologisch noodzakelijk zijn om sacramenten te kunnen en te mogen toedienen. Die wijdingen veranderen naar verluidt een gewone mens in een priester, of een bisschop, en wij hebben het onlangs nog moeten meemaken dat een wel heel liederrijke bisschop uiteindelijk het recht ontnomen wordt om de plichten en de prerogatieven van zijn wijdingen uit te oefenen, maar dat die wijdingen niet ongedaan kunnen gemaakt worden. Een dergelijke wijding verandert een mens werkelijk, en voor altijd: tu es sacerdos in aeternum!

    Als men dat evenwel nuchter bekijkt, gaat het om een menselijke organisatie die haar privilegies veiligstelt door regels die haar vaste medewerkers tot haar enige geldige wettelijke vertegenwoordigers maakt. In de praktijk komt dat er vooral op neer dat zij de enigen zijn die inkomsten kunnen en mogen verwerven uit kerkelijke bedieningen en aanstellingen. Elke priester ontvangt een vast loon, en voor elk sacrament moet in principe betaald worden, en ook in de praktijk. Dat staat zo in het Evangelie: ‘de arbeider is zijn loon waard’ (Matteus 10:10) en ‘gij zult een dorsende os niet muilbanden’ (Timoteus 5:18).

    Bij nader toezien knelt daar dus het schoentje in Buizingen, en op vele andere plaatsen waar het priestertekort voor onhoudbare situaties zorgt in de Kerk. Enkel de priesters mogen zich laten betalen voor hun sacramentele diensten zoals dopen, huwelijken inzegenen, ziekenzalving toedienen en mensen begraven, en voorgaan in de eucharistie, dat wil zeggen het brood en de wijn veranderen in het vlees en het bloed van Jezus Christus, God dus. Daardoor blijft het geld in handen van de Kerk, en gaat het niet verloren aan leken. Zo houdt de Kerk het bestuur in handen, niet alleen van haar organisatie en haar leer, maar vooral ook van wat ze zelf ‘het tijdelijke’ noemt, haar niet onaanzienlijke aardse goederen. Ze vergeten daarbij handig wat er in diezelfde evangeliepassages staat over geld en bezit: ‘Voor niets hebben jullie gekregen, voor niets moet je geven. Neem geen goud-, zilver- of kopergeld mee in je beurs, neem geen reistas mee voor onderweg, geen twee stel kleren, geen sandalen en geen stok.’ (Matteus 10:8-10, Lukas laat dat opvallend kwansuis weg).

    De priesters, de Kerk moet dus ‘leven van het land’. Dat deden ook de Levieten al, de joodse priesters, leden van de stam van Mozes zelf, die bij de verdeling van het te vuur en te zwaard veroverde Kanaän geen eigen landstreek gekregen hadden, maar door alle andere stammen verplicht onderhouden moesten worden. Dat deden en doen alle priesters in alle godsdiensten: het is een winstgevend beroep, een handige manier om in eigen levensonderhoud te voorzien zonder er hard te moeten voor werken. In België worden de bedienaars van de eredienst nog altijd betaald door de staat, dus door de hele gemeenschap, en niet door de gelovigen alleen. Het is dat privilege dat ze nu zo radicaal verdedigen tegen de leken die de parochie van Don Bosco in Buizingen de facto overgenomen hebben, maar nu hun subsidies mislopen. Het is goed dat we ons daarvan bewust zijn, en dat we ons over die merkwaardige toestand na tweeduizend jaar toch stilaan enkele terechte vragen beginnen te stellen.


    Categorie:God of geen god?
    05-04-2024
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Main morte

    Main morte

     Het erfrecht is een complexe aangelegenheid, dat weet iedereen die al eens iets geërfd heeft, of, zoals men in Nederland soms hoort: geörven. Het principe zelf is zo in onze tradities verweven dat we er niet meer bij stilstaan. Reden genoeg om dat toch eens te doen.

    Ongetwijfeld is het principe afkomstig uit ons verste verleden, toen wij nog in families en clans rondzwierven in een nauwelijks beschaafde wereld. Het bezit van de familie, het vee, de tenten, de wapens en de werktuigen, juwelen en cultusvoorwerpen: het bleef in de familie, ook als de pater familias, het stamhoofd stierf. Hij werd opgevolgd, meestal door de oudste zoon, die het recht van de eerstgeborene had. In het Oude Testament is dat zo, al wordt daar al eens een loopje mee genomen, zoals in het verhaal van Jacob en Esau, de tweelingkinderen van Isaac en Rebecca in Genesis 25:25. Esau, de eerste die de moederschoot verliet, schenkt zijn eerstgeboorterecht weg voor een bord linzenmoes met de woorden: Ach, ik ga toch dood, wat heb ik daaraan! De broers waren duidelijk geen eeneiige of identieke tweelingen, want de ene was ros (vandaar zijn bijnaam Edom, de Rosse) en bij de geboorte sterk behaard als een dier. Hij werd later een jager, een buitenmens; de andere zag er ‘normaal’ uit en werd ‘een rustig man, die in tenten leefde’.

    Toch gold dat recht niet altijd en overal: de Salische Wet bij de Franken voorzag in de verdeling van het bezit onder de zonen en dat leidde tot versnippering, maar soms ook tot hereniging als een lijn uitstierf en het bezit weer aan een van de oorspronkelijke broers toekwam. In de Franse feodaliteit was erfopvolging in vrouwelijke lijn de gewoonte, dergelijke rijke erfgenamen waren een begeerde partij, denk aan Margaretha van Male, geen schoonheid, naar verluidt, maar wel begeerd door zowat alle koningshuizen. In ons eigen land is het recht op troonopvolging in vrouwelijke lijn heel laat, in 1991, goedgekeurd en pas toen verdween de Salische wet helemaal uit ons rechtssysteem.

    Toen de bevolking toenam en de samenlevingsvormen veranderden in een feodaal stelsel, met een getrapt systeem van vazallen en leenheren, moest alle bezit zorgvuldig geregeld worden. Als de Franse koning een leengoed, zeg maar Vlaanderen, te leen gaf aan zijn vazal, de graaf van Vlaanderen, dan hield dat in dat diens wettige erfgenamen het leengoed zouden erven. Enkel indien de lijn uitstierf, indien er geen wettige erfgenamen in rechte lijn waren, kwam het goed weer aan de leenheer toe. Men noemde dat la main morte, de dode hand, er was immers geen ‘warme hand’ om te erven.

    Dat begrip heeft twee belangrijke uitbreidingen gekregen in de loop van de geschiedenis.

    Vooreerst gold dat voor de onderdanen van de leenheren en hun vazallen, de lijfeigenen; die konden wel bezittingen verwerven tijdens hun leven, maar na hun dood verviel alles weer aan de heer. Mensen die geen erfenis konden nalaten, die geen testament mochten maken, noemde men les gens de la main morte. Lijfeigenen mochten ook niet trouwen met iemand van buiten het leen (formariage), anders was er het risico dat een deel van het goed naar een andere heer zou overgaan of naar een vrije stadsbewoner.

    Soms kon een begoede onderdaan dat recht afkopen, hetzij om te trouwen buiten het domein, hetzij om te erven. In dat laatste geval nam de heer genoegen met een deel van het erfgoed, bijvoorbeeld een deel van de meubelen of het beste stuk vee (droit du meilleur catel; we denken bij dat laatste woord onmiddellijk aan het Engelse cattle, vee; de oorsprong ligt bij het Latijnse caput, hoofd of kop; kapitaal heeft dezelfde oorspronkelijke betekenis, want vee maakte meestal het belangrijkste deel van het bezit uit). Later werd het systeem van de main morte voor de inwoners van een regio of een land stilaan vervangen door een belasting op erfenissen, zoals wij dat nog altijd kennen.

    Een tweede betekenis kreeg mainmorte of mortemain toen de Kerk op grote schaal grond verwierf van de leenheren, in ruil voor geld of diensten. Aangezien priesters en monniken (althans in principe en de iure) celibatair waren en dus geen afstammelingen hadden, moest volgens de gewone regels het bezit van kerken, abdijen en kloosters bij het overlijden van de abten en bisschoppen overgaan naar de heren van wie ze het in leen gekregen hadden. Maar dat zou natuurlijk het einde betekend hebben van deze instellingen. Dat gold ook voor hospitalen en andere verenigingen, waarbij er verscheidene eigenaars waren, of gemeenschappelijk bezit was. De leenheer en later de koningen zagen af van hun droit de la main morte en hieven in ruil een belasting, een amortissement, een woord dat wij nog gebruiken, maar dan met één ‘s’: amortiseren, amortisatie: het afschrijven van de waarde van iets. Na een betekenisverschuiving ging men bezittingen die net niet onder main morte vielen precies die naam geven, main morte, het onroerend bezit van religieuze gemeenschappen, kerken, kloosters, abdijen, hospitalen, scholen.

    In de meeste democratische landen, maar ook in andere regimes genieten religieuze instellingen nog steeds van uitzonderingen op het erfrecht, naast belangrijke belastingvoordelen. Dat leidde ongetwijfeld ook tot misbruiken, waarbij men onder het mom van een godsdienstige beweging al dan niet louche winstgevende zaakjes opzette, zoals de zeer omstreden Scientology Church van sf-schrijver Ron Hubbard.

    Uit de geschiedenis zijn ons talloze verhalen bekend van bekeringen in articulo mortis, op het sterfbed dus. Priesters en religieuzen spoedden zich naar personen die de dood nabij waren om hen met verschrikkelijke verhalen over helse straffen te overhalen om nog tijdig berouw te tonen over hun ‘zonden’. Dat het hun niet zozeer ging om het zielenheil van de stervende, maar om diens eigendommen, blijkt uit het feit dat men de noodzakelijk absolutie onthield tot het berouw oprecht bleek, en dat gebeurde enkel wanneer de zondaar bij testament een aanzienlijk deel van de erfenis naliet aan de Kerk, een klooster of een andere kerkelijke instelling. Atheïsten gaven daarom uitdrukkelijk opdracht om priesters weg te houden van hun sterfbed, opdat de Kerk hen geen bezittingen zou ontfutselen in een moment van ultieme zwakte, en opdat ze ook niet zou kunnen beweren dat ze zich uiteindelijk toch met God verzoend hadden. Dat laatste beweerde de Kerk evenwel toch meestal als het om vooraanstaande en bekende personen ging, zonder enige grond van waarheid.

    Ook aan minder vermogende overleden gelovigen werd geld ontfutseld, niet alleen voor de begrafenis, maar ook voor allerlei ‘nadiensten’, reeksen missen die voor hen werden opgedragen, tegen betaling natuurlijk.

    Men zou bij dat alles de schouders kunnen ophalen: die toestanden behoren nu wel tot het verleden, want er zijn bijna geen priesters meer, en geen gelovigen. Dat is evenwel erg voorbarig. Er is nog altijd een erkende Kerk, en officiële kerkelijke instellingen; er zijn nog altijd priesters, en hun methoden zijn niet veranderd. Bovendien hebben leken vaak kerkelijke functies overgenomen, en die blijken niet minder gewetenloos en doortrapt te zijn dan hun gewijde voorgangers. Sinds jaren voert de Kerk ook priesters in uit andere continenten, die hier een goed onderkomen vinden.

    Het is goed dat er nu een politieke onderzoekscommissie is die zich (nogmaals) bezighoudt met het seksueel misbruik in de Kerk. Maar er zijn even goede redenen om de andere activiteiten van de Kerk en haar bedienaars aan een even ernstig en diepgaand onderzoek te onderwerpen. Het is hoog tijd dat de politiek zich terdege bezighoudt met de katholieke Kerk en met alle andere erkende en niet erkende Kerken, en die behandelt zoals men elke andere organisatie, vereniging of onderneming behandelt, zonder enig onderscheid omwille van het vermeende sacrale karakter.

    In onze streken is het einde van de Kerk nu wel heel nabij. Kerken en kloosters staan leeg; er zijn geen priesterroepingen meer, en de laatste exemplaren zijn hoogbejaard. Aangezien de Kerk zelf doet alsof er niets aan de hand is, moet de overheid ingrijpen om voor de nog steeds zeer aanzienlijke bezittingen een eerlijke en transparante regeling te treffen, ten gunste van de eeuwenlang benadeelde gemeenschap.

     

     


    Categorie:God of geen god?
    02-04-2024
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Celsus?

    Celsus? Nooit van gehoord. Bedoel je Celsius?

     We weten over Celsus eigenlijk niets. De enige bron is Origenes (185-253/4), een vroegchristelijke auteur die in het Grieks een traktaat schreef Kata Kelsou, tegen Celsus, die een boek zou geschreven hebben, Alethès Logos, Het ware woord, tegen de christelijke godsdienst. Origenes citeert en betwist de argumenten van Celsus. Op grond van die citaten heeft men geprobeerd de figuur van Celsus te reconstrueren, en ook zijn boek. Op die manier is er sindsdien een heus wetenschappelijk Celsus-onderzoek ontstaan. Op de Duitstalige Wikipedia vind je daarover een zeer degelijk en uitgewerkt overzicht.

    Ik las een van die reconstructies van Het ware woord, in een Franse vertaling door Benjamin Aubé uit 1878, heruitgegeven in Parijs in 2018 door ‘E.S.’, te koop bij Amazon.fr voor minder dan € 7, verzendkosten inbegrepen. Om goed te zijn zou ik ook Origenes’ boek moeten lezen, maar na kennis gemaakt te hebben met de argumenten die Origenes naar verluidt bestrijdt, laat ik die kelk graag aan mij voorbijgaan (ik ben trouwens geheelonthouder).

    In de talrijke commentaren laat men uitschijnen dat Celsus een ‘heidense’ filosoof was die het neoplatonisme aanhing, of een theoloog, of een geleerde, of toch iemand met een ruime algemene bagage, die op onbevangen wijze schreef over de vroege christenen van rond het jaar 175. Maar nogmaals, dat leidt men alleen maar af uit wat Origenes daarover schreef rond 250, dus 75 jaar later. Het vroegste fragmentaire handschrift van het boek van Origenes dateert men rond het jaar 600. Desondanks neemt men aan dat dat een getrouwe kopie is van de autograaf door Origenes, en tevens dat er werkelijk een auteur Celsus geweest is van een boek Het ware woord.

    Voor mij is het allemaal wat te veel gevraagd. Mochten de argumenten tegen het christendom van de vermeende Celsus dan nog ernstig, zwaarwichtig, stevig onderbouwd en overtuigend naar voren gebracht zijn, dan zou het wellicht de moeite waard zijn om de hele kwestie nader te onderzoeken. Dat is echter duidelijk niet het geval. Men kan dat wijten aan het feit dat Origenes ze niet correct aanhaalt, maar een andere bron hebben we niet.

    Wat ik evenwel nergens lees, is een veronderstelling die zich althans aan mij allengs opdrong, namelijk dat Origenes gebruik maakt van het bekende literaire systeem van de verzonnen tegenstander, om aan de hand van diens veeleer zwakke argumenten de eigen stellingen levendiger en des te krachtiger te kunnen verdedigen. Bovendien levert hij op die manier schijnbaar een onafhankelijk extern bewijs voor het bestaan van christelijke teksten zoals de evangelies en de brieven van Paulus, terwijl die toentertijd nog volop aan het ontstaan waren en geenszins hun definitieve vorm hadden gekregen, en er talloze concurrerende christelijke sekten en teksten waren. De vermeende Celsus lijkt me al te zeer vertrouwd met de canon zoals die pas vele eeuwen later zou vastgelegd worden. Het lijkt integendeel veel waarschijnlijker dat een christelijke apologeet zoals Origenes (overigens zelf een controversiële figuur in het christendom) een dergelijke tegenstander verzonnen heeft vanuit zijn eigen erg christelijke opvattingen en zijn kennis van de latere canonieke teksten. Het lijkt zelfs heel waarschijnlijk dat die teksten in de loop van de twijfelachtige tekstoverlevering (er was immers nog geen drukkunst, en er is alleen maar een christelijke traditie) nog verder in die zin bijgewerkt zijn.

    Om een (Oudtestamentisch) beeld te gebruiken: telkens weer stellen we vast, wanneer we naar de grond van de zaak gaan, hoe het christendom een reus op lemen voeten is, of (Nieuwtestamentisch) een huis dat op zand gebouwd is. Het is een verzameling van wel erg vreemde ideeën, ontsproten uit de verbeelding van een al bij al beperkt aantal figuren, overgeleverd op een heel onbetrouwbare manier, en geïnterpreteerd door uiterst vooringenomen en vaak kwaadwillige lieden, voor een publiek dat er nauwelijks iets van begreep. En toch is dat christendom een wereldmacht geworden, en heeft het talloze mensen eeuwenlang in zijn greep gehouden, en is die andere traditie, die van de rede en de wetenschap, al die tijd onderdrukt en vervolgd.

    Vandaag kan ik deze bedenkingen vrijmoedig schrijven en publiek maken, maar het is zelfs in onze sterk geseculariseerde omgeving nog altijd de stem van een roepende in de woestijn. De algemene opvatting is hier nog steeds dat het christendom een van de pijlers van onze beschaving is, en dat dat betwisten getuigt van onwetendheid en kwade wil. Het christendom lijkt zelfs bij ons hier en daar weer steun te krijgen, ook onder intellectuelen, terwijl de islam hier aan belang toeneemt door de immigratie. In andere landen heeft het christendom nog steeds een zeer aanzienlijke macht. En in nog andere landen is de islam de staatsgodsdienst.

    Voor mij is het onbegrijpelijk dat wat enkele mensen ooit verzonnen hebben zoveel invloed kan hebben, terwijl de eenvoudige waarheid het zo moeilijk heeft. Mundus vult decipi? De wereld wil blijkbaar graag bedrogen worden.


    Categorie:God of geen god?
    24-03-2024
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.'De waarheid zal u bevrijden.'

    Uitgeverij Coriarius is verheugd de publicatie aan te kondigen van

    'De waarheid zal u bevrijden.'

    Kroniek van twintig jaar nadenken over geloof en ongeloof

    Karel D'huyvetters

    Werchter, 2023, 637 blz., € 25 (verzendkosten inbegrepen)

    uitgeverij.coriarius@telenet.be


    Categorie:God of geen god?
    03-03-2024
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Om de liefde Gods

    Amor Dei

    Mensen voelen zich tot elkaar aangetrokken. Waarom, en hoe, dat is een ongemeen complexe zaak. In de tuin zit een koppeltje tortelduiven, en die zijn evident ook tot elkaar aangetrokken, je ziet ze altijd samen, vaak zelfs gewoon rustend of te slapend in de treurberk. Andere dieren zijn meer solitair, en zoeken elkaar alleen op om te paren. Wij mensen hebben iets van die dierlijke seksualiteit, maar dat is slechts één aspect. We zoeken een partner bij wie we ons veilig voelen, en bij wie we onze kinderen veilig weten. We zoeken andere mensen om samen te zijn, maar ook om samen te werken, om iets te bereiken dat we beter samen kunnen realiseren dan alleen. We willen niet alleen maar seks voor het genot, we verlangen ook naar tederheid, lichamelijk en emotioneel. We zijn voortdurend uit op relaties met anderen die ons gelukkig maken, zonder goed te weten wat ons nu precies gelukkig maakt, of wat geluk eigenlijk is, hoewel de hele wereldliteratuur, alle humane wetenschappen en alle kunst en cultuur over niets anders gaan. We willen liefhebben en geliefd zijn, beminnen en bemind worden.

    Ik geef hier dus geen wereldschokkende nieuwe ideeën ten beste. Ik wil die gedachte evenwel aangrijpen om het – nog maar eens – over God te hebben. Ik denk namelijk dat God alles te maken heeft met ons verlangen om bemind te worden, en om diegene die ons bemint, te beminnen. Vandaar de titel Amor Dei, de liefde Gods. Dat heeft die dubbele betekenis van onze liefde tot God en de liefde van God voor ons, of grammaticaal als objectsgenitief, waarbij God (Dei) het voorwerp is van onze liefde en wij het onderwerp; en subjectsgenitief, waarbij God (Dei) het onderwerp van het liefhebben is, en wij het voorwerp.

    Maar wie of wat is God in dat verhaal? Dat is het punt waarom alles draait, en waar het meestal goed fout gaat, met fatale gevolgen.

    De mens maakt deel uit van de natuur. De primitieve mens ervoer de natuurkrachten als een aanwezigheid, als een andere, waarmee men moest omgaan. Dat is het fait primitif, de grondslag van ons godsbegrip. God is de naam die we aan de natuur geven, zoals we aan een mens een naam geven wanneer die met ons in een relatie treedt, en wij met die mens. De mens wil met de natuur omgaan als met een mens. We willen erdoor bemind worden, en die beminnen. Liefhebben doen we van persoon tot persoon, en zo wordt de natuur een persoon, namelijk God, of een persoonlijke God. En dat is waar het fout gaat.

    De natuur is immers geen persoon, al lijkt het misschien wel zo. De natuur is vaak even onvoorspelbaar als een mens, zodat die wispelturig lijkt, maar dat is slechts een indruk: de natuur is niet wispelturig of willekeurig, maar is alleen maar heel complex, en daardoor voor ons onvoorspelbaar, omdat we niet in staat zijn om alle variabelen van de krachten en de wetmatigheden van de natuur te kennen en te combineren. God als een mens voorstellen is soms best handig, maar alleen als een metafoor. Als we er echt een persoon van maken, vergissen we ons deerlijk en ten gronde.

    Het spontane aanvoelen door de primitieve mens van de natuur als een persoon is nog onschuldig, en onschadelijk. Men ontdekt wel vanzelf dat men dat idee voortdurend moet bijstellen, als blijkt dat het idee van die God niet klopt met de feiten, en men inziet dat men met God niet kan omgaan zoals met een mens.

    Maar als men te ver gaat in het personaliseren van God, als God niet meer staat voor de natuur, als een metafoor, maar een bovennatuurlijke God wordt, zondigen we tegen aloude de wet van de spaarzaamheid, die zegt dat we het bestaan van iets niet moeten veronderstellen als onze ervaringen ook daarzonder kunnen verklaard worden, een principe dat we al bij Aristoteles vinden, maar dat vooral bekend is als Ockhams scheermes, hoewel de uitdrukking Entia non sunt praeter necessitatem multiplicanda (men moet de wezens niet talrijker maken dan noodzakelijk) niet van hem is, maar pas 300 jaar later geformuleerd werd. God inroepen om bijvoorbeeld het weer te voorspellen – laat staan het te beïnvloeden – is nutteloos en onzinnig, zelfs een natte vinger werkt beter.

     Dat is evenwel wat er gebeurt in mythologieën en godsdiensten (wat eigenlijk hetzelfde is). Hoe meer onbestaande zaken men uitdenkt, hoe verder we ons verwijderen van de werkelijkheid van de natuur. Uiteindelijk komt men terecht in een web van metaforen, een compleet gefingeerde wereld, waar niets is wat het lijkt, en men mensen kan overtuigen van om het even wat. Zo stelt men zich bloot aan de slechte bedoelingen van mooipraters en bedriegers, die wezens en verhalen verzinnen voor eigen gewin, en om anderen aan zich te onderwerpen, zogezegd om hun bestwil.

    Laten we het dus vooral simpel houden. De natuur is al ingewikkeld genoeg zonder dat we er nog van alles gaan bij fantaseren. De natuurwetenschappen zijn in feite slechts een benadering, maar altijd een veel betere benadering dan een onwetenschappelijke. God is geen persoon. Er is geen dergelijke God, er is alleen de natuur. We mogen van die natuur houden, daar hebben we zelfs alle reden toe. Maar laten we wel wezen: de natuur houdt niet van ons, en houdt zeker niet meer van ons als we die natuur aanbidden. De natuur is in die zin compleet onverschillig. De natuur is evenmin een persoon met wie we een relatie kunnen aangaan als God. Dat lijkt evident, maar zowat de hele geschiedenis van de mensheid is gebouwd op veronderstellingen die dat ontkennen en tegenspreken. Het bestaan van een persoonlijke God ontkennen is vandaag nog altijd ongewenst en vermetel, en op vele plaatsen zelfs nog altijd levensgevaarlijk.

    Door te verlangen naar een onmogelijke liefdesrelatie met God keren we ons af van zinvolle relaties met de wereld en alle wezens op de wereld, mensen, dieren, planten, nog kleinere levende wezens en zelfs niet-organische vormen en partikels. Liefde is het domein van de mens, en daarin is geen plaats voor een God. Amor Dei is een vergissing, in beide grammaticale betekenissen. Het eerste gebod, bovenal bemin uw God, is onmogelijk: wij kunnen God niet beminnen, en God kan ons niet beminnen. Als we dat inzien, kunnen we al onze liefde besteden aan wie ons wel kan liefhebben.


    Categorie:God of geen god?
    22-02-2024
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Parabels

    Peter Schmidt, Begrijp je ook wat je leest? Drie evangelieverhalen en een oude profeet, Gorredijk: Sterck & De Vreese, 2023, 95 blz., € 19,90 – pb.

    Christenen zijn vertrouwd met de parabels uit het Nieuwe Testament, gelijkenissen die Jezus in de mond gelegd worden bij zijn prediking. Peter Schmidt probeert in een eerste tekst de parabel van de talenten te analyseren en te duiden. Hij gebruikt daarvoor wel een enigszins vreemde methode. Hij vertrekt van een aanwending van die parabel bij een vormselviering, de initiatierite bij het begin van de puberteit. De diaken van dienst gaat uit van de ‘moderne’ betekenis van ‘talent’, namelijk een natuurlijke begaafdheid. Exegeet Schmidt wijst de brave man terecht: in de Bijbel betekent heeft het woord die betekenis niet, het verwijst naar een gewicht in goud of zilver, en bij uitbreiding naar een grote som gelds. Maar ook dat is slechts gedeeltelijk zo: het woord is overgenomen uit het Grieks (de taal waarin ook het Nieuwe Testament geschreven is), en daar betekent het oorspronkelijk een waag of weegschaal, en vandaar de taks op het gebruik daarvan, en bij uitbreiding iets dat gewogen wordt; dat kan dan een bepaald gewicht zijn, een talanton; bij Homerus is dat altijd in goud, en van veeleer gering gewicht. Na Homerus is het in de Griekse wereld een commercieel gewicht, zoals onze kilogram, maar dan met een gewicht van 25 tot 30 kg; dat kan dan een gewicht in geld zijn, toen het gewicht van gouden en zilveren munten hun waarde bepaalde, of een gewicht om allerlei zaken te wegen. In de Romeinse tijd kende men het Griekse talentum, dat een verschillend gewicht had naargelang de streek, en het meer gebruikelijke Attische talent, of 60 minae. Er was ook nog een magnum talentum van 60 kg, en dat is misschien wat in de parabel bedoeld wordt, als we aannemen dat die tekst uit de (laat)Romeinse tijd dateert.  Een talent was hoe dan ook een zeer aanzienlijke som. Volgens Lewis & Short is een talent 1.182 Amerikaanse gouden dollars; als we de huidige Amerikaanse gouden dollar een waarde geven van € 100, is een talent vandaag € 118.200. Schmidt spreekt terecht van 25 tot 30kg, en in goud is dat ongeveer 1.5 miljoen euro.

    De zogenaamde moderne betekenis van talent als natuurlijke begaafdheid is een afgeleide betekenis, die zich vooral in het laat-Latijn en het daarvan afgeleide Frans heeft voorgedaan. Een groot gewicht in goud, of geld, is een aanzienlijk bezit, een rijkdom. Hiëronymus (ca. 400), de auteur van de Vulgaat, de volkse Latijnse Bijbelvertaling, interpreteerde rijkdom op de traditionele joods-christelijke manier, namelijk als een gave van God. In het Frans heeft talent al vanaf de tiende eeuw die afgeleide betekenissen van gaven, bekwaamheden, aanleg die men van God gekregen heeft. Dat heeft ertoe geleid dat men al in de Middeleeuwen de parabel van de talenten op die manier is gaan interpreteren. Schmidt zet zich scherp af tegen die interpretatie, die volgens hem leidt tot anomalieën en onverenigbaar is met de oorspronkelijke boodschap van Jezus zoals die in de Bergrede te vinden is. Volgens hem is die afgeleide interpretatie veeleer een aansporing voor de meest ‘getalenteerden’ om van hun talenten gebruik te maken voor eigen gewin, aanzien en macht. Door terug te gaan naar de oorspronkelijke betekenis van ‘talent’, meent hij ook de werkelijke betekenis van de parabel te herstellen. Maar ook hij geeft aan dat woord een afgeleide, uitgebreide betekenis, namelijk alles wat aan onze zorgen is toevertrouwd door God; hij blijft vasthouden aan het traditionele gelovige wereldbeeld, waarin een persoonlijke God de hoofdrol speelt. Zijn kritiek op de moderne interpretatie van talent gaat niet op voor de middeleeuwse versie daarvan, want daar zijn de talenten gaven van God, net zoals elke rijkdom. Het is pas in de hedendaagse tijd dat men talenten als persoonlijke kenmerken is gaan beschouwen, die enerzijds van genetische oorsprong zijn, en anderzijds het resultaat van omgevingsfactoren, en in die zin onze eigen verdienste, in plaats van een gave van God. Die opvatting is inderdaad onverenigbaar met de joods-christelijke levensbeschouwing, maar ze is wel de juiste.

    De exegese van Schmidt heeft de bedoeling afstand te nemen van wat hij als een verkeerde interpretatie van de parabel beschouwt, op grond van een verkeerde lezing van het woord ‘talent’. Door echter aan dat woord een even afgeleide betekenis te geven als de middeleeuwse, blijft hij zoals te verwachten steken in de traditionele christelijke leer. Voor hem zijn de talenten weliswaar geen persoonlijke bekwaamheden of goede eigenschappen, maar het zijn nog altijd gaven van God, namelijk de wereld die aan onze zorgen is toevertrouwd. Bovendien, en dat wordt in de tekst sterk benadrukt, worden we daarop finaal en afgerekend en definitief beoordeeld door God, met alle – eeuwige – gevolgen van dien. Daarin ligt de grote onwaarheid, en het grote onderscheid met een humanistische, atheïstische opvatting zonder God, zonder vergelding in een hiernamaals. Het is enkel wanneer men aan de wereld een bovennatuurlijke dimensie toevoegt, dat parabels zoals deze enige zin kunnen hebben. Er is geen heer en meester is die op reis vertrekt en zijn bezittingen toevertrouwt aan zijn personeel, en die hen bij zijn terugkeer rekenschap vraagt van hun beheer, en hen beloont en bestraft naargelang hun verdiensten. De mens is verantwoordelijk voor wat men doet en laat, en de gevolgen daarvan hebben enkel betrekking op ons leven en dat van de komende generaties, en niet op ons eigen eeuwig lot in een leven na de dood. Wat Schmidt verder ook moge schrijven over het liefdesgebod van het christendom is irrelevant voor die fundamentele onwaarheid. Daarnaast is het ook een bedenkelijk argument als men ziet wat de Kerk en haar gelovigen van dat liefdesgebod gemaakt hebben. Het is overigens ronduit lasterlijk te beweren dat men die medemenselijkheid nergens terugvindt in de antieke filosofie, en dat ze eigen is aan Jezus (die zijn liefdesgebod overigens uit het Oude Testament citeert).

    De tweede behandelde parabel is die van de ‘onrechtvaardige rentmeester’. Het misverstand dat Schmidt daar opheldert, blijkt heel eenvoudig: het is geen gelijkenis over God, maar een les over hoe het niet moet.

    De derde Bijbeltekst is die over de ‘rijke jongeling’. Hier betoogt Schmidt dat de tekst over het rijk der hemelen niet moet gelezen worden als een beeldspraak over het hiernamaals, maar over het leven hier op aarde. Dat is aannemelijk, maar het blijft een moeilijke klus om de scherpe uitspraken van Jezus over de rijken, en de wel heel hoge beloften (in het hiernamaals!) voor wie kiest voor radicale armoede, te verzoenen met de reële wereld, zowel toentertijd als nu. Verder valt niet te ontkennen dat de Kerk zich maar weinig gelegen heeft laten liggen aan die klare taal van Jezus, en allerminst aan alle werelds bezit en wereldlijke macht verzaakt heeft.

    De vierde tekst betreft enkele citaten uit Amos, een boek van het Oude Testament. Ik kan niemand de lezing van dat hele boek aanraden, hoewel het in een Bijbel niet meer dan tien bladzijden beslaat. Maar de enkele citaten zijn wel opmerkelijk: ze zijn een felle aanklacht tegen de uiterlijke verering van God door mensen die zich daarnaast hardvochtig en zelfs misdadig gedragen tegenover hun zwakkere medemens. Dat inspireert Schmidt tot het ophemelen van die profeet als een soort voorloper van het socialisme, en de Bijbel als de (voornaamste) bron van onze humane beschaving. Il faut le faire… ge moet maar durven! En dat terwijl hij zelf toegeeft dat de tekst van Amos zo goed als vergeten is, en nooit erg populair was, en niet zonder reden.

    Deze vier teksten, die al eerder verschenen in een religieus tijdschrift, zijn vooral wegens de ongenuanceerde vooringenomenheid ten gunste van het christendom duidelijk bestemd voor een gelovig publiek, in zover dat er nog is, en ondanks de kritische exegese en een modern aandoende geloofsinterpretatie zijn ze niet aantrekkelijk, maar irrelevant en zelfs onaanvaardbaar voor wie zonder God, zonder christendom en zonder Kerk denkt en leeft.


    Categorie:God of geen god?
    04-01-2024
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Godsdienst en religie

    Godsdienst en religie

    Omdat het woord godsdienst in zijn letterlijke, etymologische betekenis bij heel wat mensen altijd al, en zeker in de moderne tijd een zekere weerstand heeft opgeroepen, menen sommigen dat men beter het woord religie gebruikt ter aanduiding van een opvatting die een zekere eerbied uitdrukt tegenover iets dat de mensheid en de wereld overstijgt, zonder zich uit te spreken voor een bepaalde God of godsdienst, en tevens een gevoel van welwillende samenhorigheid en verbondenheid van alle mensen, zonder zich te bekennen tot een bepaalde gevestigde filosofische of morele overtuiging. In die zin zou er dus een zeker betekenisverschil zijn tussen godsdienst en religie.

    Onze woordenboeken zijn het daarmee echter niet eens. Beide woorden worden er op dezelfde manier omschreven. Het Nederlands is uitzonderlijk in het beschikken over twee synoniemen voor dezelfde inhoud. Het Duits kent weliswaar Gottesdienst naast Religion, maar daar heeft Gottesdienst de oorspronkelijke betekenis behouden die ook het Nederlandse godsdienst aanvankelijk bezat, namelijk de eredienst of cultus. In het Nederlands is die oorspronkelijke betekenis al heel lang verouderd, en is ze verruimd tot ons nu gangbare begrip godsdienst, dat zowel de eredienst omvat als de leer en de hele kerkelijke organisatie.

    Religie en godsdienst zijn al sinds de Middeleeuwen synoniemen, al hebben ze soms ook een specifieke betekenis gehad, bijvoorbeeld ‘kloosterleven’, maar dan nog vaak allebei. Over de etymologie en de betekenis van het Latijnse religio, waarvan evident de versies in andere talen afgeleid zijn, is men het sinds de oudheid oneens, dus dat helpt ons ook niet verder om een onderscheid te vinden of te maken.

    De moeilijkheid om aan religie een andere betekenis toe te kennen dan godsdienst heeft alles te maken met het Godsbegrip dat men hanteert, hetzij om het te verdedigen, hetzij om het te verwerpen. Voor de atheïst is godsdienst als term uit den boze (hoewel atheïst eveneens uitsluitend naar God verwijst, zij het om die te ontkennen). Deïsten, die een transcendente God en Schepper veronderstellen die zich na de schepping uit de wereld teruggetrokken heeft, voelen niets voor een ‘godsdienst’ zoals de joodse, christelijke of mohammedaanse, maar koesteren wel vaak een behoefte aan een uiterlijke beleving van hun eerbied voor hun God of godheid en diens eigenschappen. Zelfs atheïsten kennen een dergelijke behoefte, en zoeken en vinden soms al dan niet rituele ‘religieuze’ uitdrukkingsvormen. Ook veel theïsten, zoals de drie godsdiensten van het Boek, zijn trouwens vaak meer bezig met het beleven en verdedigen van de uiterlijke aspecten van hun godsdienst dan met het aanbidden van hun Opperwezen, of God.

    Heeft het zin om een onderscheid te maken tussen die verschillende vormen van cultus, eredienst, godsdienstige of seculiere organisatie van beleving van spontane of aangeleerde en opgelegde gevoelens en opvattingen? Gaat het steeds om dezelfde diepmenselijke behoefte of nood? En is religie dan veeleer de naam voor die beleving voor wie niet in een (persoonlijke) God gelooft, zoals atheïsten, agnosten en deïsten, en godsdienst uitsluitend voor theïsten zoals joden, christenen en mohammedanen? Vrijwel alle atheïsten en agnosten zullen zich evengoed afkeren van en verzetten tegen religie als tegen godsdienst. Ongeveer alle joden, christenen en moslims, en met hen alle andere ‘godsdiensten’ (zoals hindoes, boeddhisten, jaïnisten enzovoort) zullen verbolgen ontkennen dat ze dezelfde (soort van) godsdienst belijden. En in de allermeeste westerse talen is er slechts één woord, afgeleid van het Latijnse religio, en stelt de vraag zich bijgevolg niet.

    Tijdens de Franse Revolutie werd de radicale déchristianisation gevolgd door een kortstondige culte de l’Être suprême. Auguste Comte (1798-1857) sprak zich in zijn laatste levensfase uit voor een religion de l’humanité. J.S. Mill (1806-1873) volgde hem daarin enigszins. Geen van beiden had daarmee overigens veel succes. Is het zinvol dat in het Nederlands veeleer te vertalen als ‘religie’ dan als ‘godsdienst’? Misschien wel, hoewel beide woorden in feite dezelfde betekenis hebben. In het Frans betekent religion godsdienst, maar wat kan een godsdienst, of een religie van de mensheid dan wel betekenen? Is het een eredienst die men aan de mensheid betuigt, of de eredienst van de mensheid aan een filosofische, vage, verre, afwezige deïstische God?

    De hele moeilijkheid komt voort uit het feit dat het Godsbegrip niet op één enkele entiteit slaat, op één enkel begrip: er is geen ene God. Tot capita, tot sensus Dei. Er zijn zoveel betekenissen van God en godsdienst als er mensen zijn, en zonder die mensen is er geen God. Het is niet zo dat God de mens geschapen heeft; de mens heeft zich niet één, maar talloze goden geschapen. Wij komen woorden tekort om al die verschillende goden en godsdiensten te benoemen en te beschrijven. En voor iets dat de mens zou overstijgen, schieten uiteraard alle woorden tekort. Zei Wittgenstein niet dat we moeten zwijgen over datgene waarover we niets kunnen zeggen?


    Categorie:God of geen god?
    25-10-2023
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Naastenliefde

    Naastenliefde

    In de drie synoptische evangeliën vinden we het zogenaamde dubbelgebod: ‘Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en geheel uw ziel, met al uw krachten en geheel uw verstand; en uw naaste gelijk uzelf’ (Mt 22,36-40; Mc 12,28-31; Lc 10,25-27). Dat is echter niet wat Jezus zegt, het is een citaat uit de Joodse Wet, de Thora: het eerste deel staat in Deuteronomium 6,5, het tweede in Leviticus 19,18. Bij Matteus staat nog dat het tweede deel van het gebod gelijk is aan het eerste: door onze naaste lief te hebben gelijk onszelf hebben we God lief. God liefhebben betekent dus niets anders dan onze naaste lief te hebben.

    In onze christelijke opvoeding, in mijn geval vanaf 1946, werd voortdurend de nadruk gelegd op die naastenliefde. Die werd schril gecontrasteerd met eigenliefde, egoïsme. Wij moesten altijd in de eerste plaats aan de anderen denken, niet aan onszelf. De ware christen is zoals de barmhartige Samaritaan in Lc 10,25-37, waar Jezus uitlegt wie onze naaste is: iedereen die hulpbehoevend is, zonder enig onderscheid. Maar dat was volgens onze opvoeders niet voldoende. Ook wie niet behoeftig was, dus elke andere persoon, moest altijd de eerste plaats innemen in onze gedachten en ons gedrag. We moesten onszelf wegcijferen, ons volledig ten dienste stellen van de anderen. Dat was het grootste gebod, en als je dat niet naleefde, was je geen goede christen.

    Zo begrepen gaat dat gebod echter in tegen de ingeboren menselijke drang naar zelfbehoud. In ons spontane gedrag zorgen we altijd eerst voor onszelf, voor onze instandhouding en voor ons eigen welzijn en geluk, voor de bevrediging van onze eigen verschillende behoeften. Als men ons dan komt vertellen dat dat volkomen verkeerd is, zondig tot en met, de ergste zonde die er bestaat, dan roept dat vragen op, zelfs bij jonge kinderen. Wat is er zo verkeerd met de spontane overlevingsdrang, en de voorkeur die we hebben voor wat goed en aangenaam is voor onszelf? En waarom moeten we veeleer voor het voortbestaan en het welzijn van de andere zorgen? Ik heb dat nooit begrepen en ik begrijp het nog altijd niet.

    Is de naastenliefde de ideale, de meest moreel hoogstaande leefregel, zoals het christendom beweert? Zou de wereld een paradijs zijn als iedereen die zou toepassen? Laten we even veronderstellen dat dat mogelijk zou zijn. Iedereen zorgt voor de anderen zonder voor zichzelf te zorgen, dus iedereen wordt door de anderen verzorgd. Nog los van de onwaarschijnlijkheid en onhaalbaarheid van een dergelijk ideaal: waarom het zo moeilijk maken? Kan dat de bedoeling zijn van het gebod van de naastenliefde? Want in de eerste plaats is die leefregel fundamenteel strijdig met onze natuurlijke neiging tot zelfbehoud, en moet hij dus ingeprent en zelfs afgedwongen worden, en dat blijkt uiterst moeilijk, zelfs zo goed als onmogelijk te zijn. Zelfs als je zelf volkomen altruïstisch bent, kan je er nog niet op rekenen dat de anderen dat eveneens en in dezelfde mate zullen zijn. Het is dan wel heel vermetel om je eigen lot helemaal in de handen van de anderen te leggen. En dat is ook het algemene aanvoelen: iedereen zorgt in de eerste plaats voor zichzelf. Het gebod van de naastenliefde is daarnaast een bijkomend gebod: je moet ook de hulpbehoevenden bijstaan in de mate van je mogelijkheden.

    Dat is geen egoïsme, zoals het christendom en ook sommige filosofen beweren. Want de mens die naar zelfbehoud streeft en naar persoonlijk welzijn en geluk, ziet snel in dat de beste manier om dat te bereiken erin bestaat dat men samenwerkt met de anderen, veeleer dan met hen de strijd aan te gaan. Samenwerking is niet hetzelfde als de christelijke naastenliefde zoals men die gewoonlijk begrijpt. Het doel van samenwerking is het overleven en het welzijn en geluk van al de samenwerkende personen, maar de drijfveer van elke van hen is steeds het welbegrepen eigenbelang. Zelfs als men een zeer onzelfzuchtige daad stelt, doet men dat nog altijd vanuit de drang naar zelfbehoud. Wat wij voor onszelf willen, willen we immers spontaan ook voor anderen, en wat we niet willen dat ons overkomt, willen we ook anderen niet aandoen of laten aandoen. Dat noemen we empathie, en dat is algemeen menselijk, op de obligate uitzonderingen die de regel bevestigen na. Maar die spontane empathie wordt gelukkig getemperd door ons gezond verstand. Iemand die in het water springt om een drenkeling te redden, doet dat enkel als er ten minste een kans is op redding, en bijvoorbeeld niet als men zelf niet kan zwemmen. Wij zetten ons in voor anderen en voor het algemeen belang, maar niet als dat onze eigen ondergang betekent. En ook niet zomaar: het moet zinvol zijn, ook voor onszelf; ook wijzelf moeten ons er goed bij voelen, het moet bijdragen tot ons welbevinden, ook als het op zich niet aangenaam is, ook als het pijn doet.

    Als het christendom altruïsme als leefregel vooropstelt, en dat beantwoordt niet aan onze natuurlijke neigingen, en het is niet afdwingbaar, dan is dat niet alleen vreemd, het is ook verdacht: er moet een reden zijn waarom de Kerk dat predikt, en die is er ook. De Kerk fungeert namelijk als tussenpersoon bij de transacties. Zij zamelt geld en goederen in, die afgestaan worden uit de opgelegde ‘naastenliefde’, en verdeelt die dan onder de behoeftigen, maar dan in eigen naam. Zo verplicht ze naast de schenkers ook de behoeftigen aan zich, en dwingt hen om kerkelijk te worden of te blijven. Bovendien gebruikt ze ten minste een deel van de ingezamelde middelen voor zichzelf, voor de bedienaars van de eredienst en voor hun medewerkers. Zo wordt het instituut groter en belangrijker, het maakt zich onmisbaar in zijn dienstverlening, en wordt zo machtig in die specifieke sectoren: ziekenzorg, armenzorg, onderwijs, culturele activiteiten, sport, ontspanning… alles wat niet strikt economisch is, maar zelfs daarin is de Kerk actief, bijvoorbeeld in de abdijen. Ook de eredienst is een economische activiteit, want voor elk ritueel moet betaald worden, zelfs voor het bijwonen van de eucharistieviering.

    Het aanzetten tot ‘naastenliefde’ is dus in de eerste plaats een morele druk om mensen af te persen, om dan de eigen activiteiten te financieren. Dat de Kerk daar zelf beter van wordt, blijkt uit het aanzien, de macht en de middelen die ze in de loop der eeuwen verzameld heeft. Ongetwijfeld is een deel van de uit naastenliefde door de gelovigen afgestane middelen terechtgekomen bij behoeftigen, maar met een ander deel heeft de Kerk zich verrijkt. Bovendien is de Kerk altijd erg selectief in het verlenen van haar liefdadigheid: enkel gelovigen komen in aanmerking, en zelfs enkel ‘goede’ gelovigen, die de Kerk steunen en dankbaar zijn, en haar voorschriften naleven.

    Zo zijn we ver verwijderd van het gebod van de naastenliefde, zowel in zijn oude joodse als in zijn evangelische betekenis. Voor de Joden was de naaste de volksgenoot; dat is volkomen normaal in een primitieve tijd waarin vreemdelingen in principe vijanden waren. Het christendom ontwikkelde zich in een tijd van syncretisme en de opkomst van een wereldrijk, waarin de naaste elke medeburger was. De uitbreiding van de naaste tot elke andere persoon is dus geen moreel hoogstaand principe dat het christendom uitgevonden heeft, het is het logische gevolg van de veranderende levensomstandigheden. Het oude Joodse volk heeft altijd geweigerd om zich daaraan aan te passen. Het heeft zich notoir tot het uiterste verzet tegen zijn inlijving in het Romeinse Rijk, en heeft daarvoor een zware prijs betaald: de vernietiging van huis en haard en van de tempel, de diaspora gedurende bijna tweeduizend jaar. Het christendom, dat uit het jodendom ontstaan is, heeft de universele moraal wel aangenomen, maar de naleving ervan door de Kerk wordt geschandvlekt door een onoverzienbare geschiedenis van misdaden tegen de mensheid.

    Bovendien heeft het christendom de oorspronkelijke betekenis van het gebod fundamenteel gewijzigd. Zowel in de joodse wet als in het evangelie gaat het om het liefhebben van de naaste ‘gelijk uzelf’. We moeten de naaste behandelen zoals we onszelf behandelen, en zoals we willen dat de naaste ons behandelt. We moeten dus in de eerste plaats onszelf liefhebben, voor ons zelfbehoud instaan in de mate van onze mogelijkheden, en de anderen zo weinig mogelijk tot last zijn. En wat we voor onszelf willen, willen we van nature ook voor de anderen, en door met anderen samen te werken zorgen we voor een betere wereld voor iedereen. Maar die levenshouding is niet wat de Kerk voorhoudt, vanzelfsprekend. In een maatschappij die dergelijke principes huldigt, is er immers geen nood aan en geen plaats voor een Kerk als caritatieve tussenpersoon, noch als verlener van rituelen, noch als morele scheidsrechter, noch als wereldlijke gezagsstructuur, noch als economische macht. De Kerk verlaagt het individu tot nederige en volgzame gelovige, tot een vorm van moreel en fysiek lijfeigenschap. De Kerk is echter niets anders dan een instituut van mensen. Het zijn dus mensen die andere mensen onvrij maken en uitbuiten, en zichzelf zo rijk en machtig maken onder het mom van hun godsdienst. De naastenliefde is het hoogste gebod, omdat het zo goed opbrengt. De Kerk zelf echter staat boven haar eigen wetten, ook boven het gebod van de naastenliefde. Dat is altijd zo geweest, en het is nog altijd zo. Kijk om je heen, en je zal vaststellen dat dat de realiteit is.


    Categorie:God of geen god?
    22-10-2023
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Godsdienst en zijn vijanden

    Godsdienst en zijn vijanden

    Zoals velen van mijn generatie (°1946) in Vlaanderen ben ik katholiek opgevoed en bracht ik mijn hele ‘actieve’ leven door in de katholieke zuil. Ik zag echter van kindsbeen af spontaan in dat de katholieke godsdienst ongeloofwaardig was. Vanaf mijn zestigste ben ik daarover dieper gaan nadenken, wat me ertoe bracht me te uiten als atheïst. Die term volstaat echter niet om mijn opvattingen over God, Kerk, geloof en godsdienst te omschrijven. Hij betekent immers louter dat ik ervan overtuigd ben dat de God van de traditionele godsdiensten niet bestaat. Ik ben tevens antiklerikaal: Kerk en staat moeten strikt gescheiden zijn. Maar ik ben bovendien antigodsdienstig: ik meen dat godsdienst fundamenteel erg schadelijk is voor het individu en voor de samenleving. Dat is een stap verder dan atheïsme en antiklerikalisme, die beide nog altijd een terechte geëigende plaats kunnen gunnen aan godsdienst en aan de georganiseerde godsdiensten. Ik ben een tegenstander van godsdienst in al zijn vormen.

    Maar omdat de individuele vrijheid een onvervreemdbaar mensenrecht is, moet ik mij erbij neerleggen dat anderen daar anders over denken. Er zijn miljarden mensen die op een of andere manier godsdienstig zijn. Dat is hun goed recht, en zij hebben ook het recht om zich te verenigen. Maar als ze dat doen, moeten hun verenigingen door de samenleving op dezelfde manier behandeld worden als alle andere verenigingen. En dat is niet het geval. In alle landen genieten godsdiensten een voorkeurstatuut, onder zeer verschillende vormen, die echter altijd ook betrekking hebben op hun onroerend goed en hun financiën, en dat louter omdat ze ‘godsdienstig’ zijn.

    Indien godsdiensten inderdaad schadelijk zijn voor het individu en voor de samenleving – en daarover kan vandaag bij een objectieve beoordeling toch geen twijfel meer bestaan, met alles wat we nu weten over de geschiedenis en over onze huidige wereld – dan verdienen de georganiseerde godsdiensten dat uitzonderlijk gunstige statuut geenszins. Ze zouden integendeel moeten vervolgd worden voor al hun wandaden en oneerlijke praktijken, zoals andere malafide organisaties.

    Maar niets is minder waar. Mensen die mijn radicale opvatting delen en daar ook voor uitkomen, zijn zeldzaam. Atheïsten zijn al zeldzaam, antiklerikalen eveneens, en antiklerikale atheïsten nog meer. Antigodsdienstige antiklerikale atheïsten al helemaal, er is niet eens een naam voor ‘antigodsdienstig’. Ze zijn marginaal, niet georganiseerd, en hebben dus geen impact op de samenleving. En dus blijven de godsdiensten bestaan, blijven ze hun opvattingen opdringen aan de samenleving, blijven ze kinderen en volwassenen indoctrineren, en blijven ze genieten van hun fiscale en andere voordelen. En dat terwijl in de praktijk de godsdienst bijna helemaal verdwenen is uit onze samenleving, zoals alle statistieken, ook de kerkelijke, duidelijk aantonen.

    Daaruit blijkt hoe succesvol de indoctrinatie van de Kerk geweest is sinds haar ontstaan, zelfs bij mensen die slechts bij naam gelovig zijn, zelfs bij ongelovigen. De Kerk is heilig, de godsdienst is onaantastbaar, nog altijd. Zelfs als men ervan overtuigd is dat de Kerk er beter niet zou zijn, laat men haar bestaan, en gaat men voorbij aan zelfs de ergste misdaden die erdoor gepleegd worden, en aan de meest flagrante schandalen. Hier en daar zijn er kleine ingrepen, zoals recentelijk in Luxemburg, waar de financiering van de Kerk door de staat enigszins beperkt wordt. Maar radicale ingrepen, zoals tijdens de Franse Revolutie, of in de communistische regimes in de eerste helft van de 20ste eeuw – en die de Kerk overigens heel snel glansrijk overwonnen heeft – zien we nergens. Meer nog: onlangs werd aan een Vlaamse bisschop die als woordvoerder optrad de vraag gesteld of priesters die zich schuldig gemaakt hebben aan seksueel misbruik van minderjarigen nog wel op de loonlijst van de Kerk – en dus van de staat – thuishoorden; daarop antwoordde hij blijkbaar verbijsterd dat ze daar inderdaad niet zouden mogen opstaan, maar door zijn antwoord gaf hij toe dat er wel degelijk nog opstaan, en dat hij noch iemand anders in de Kerk ooit ook maar iets gedaan had om dat te veranderen.

    De vraag naar het bevoorrechte statuut van de katholieke Kerk, of van de andere erkende godsdiensten, ligt niet eens op de politieke onderhandelingstafel, terwijl de enige partij die met een godsdienst ‘verbonden’ is, in Vlaanderen minder dan 12 % van de stemmen haalt in een recente peiling. Over de dominante rol van de Kerk in het onderwijs, de gezondheidszorg, de jeugdbeweging en talrijke andere aspecten van de samenleving worden geen vragen gesteld, integendeel, men blijft ervan uitgaan dat de katholieke instellingen en organisaties de beste zijn. Maar zelfs als ze dat al zouden zijn, is dat dan omdat ze katholiek of godsdienstig zijn? Het godsdienstige is er meestal heel ver te zoeken, zowel bij de leiding als bij de leden of de gebruikers.

    Dat is het bizarre aan godsdienst: zelfs als God niet zou bestaan, zou er aan de Kerk niets veranderen. Het bewijs daarvoor is dat hij inderdaad niet bestaat, nooit bestaan heeft, en dat dat de Kerk nooit gedeerd heeft.


    Categorie:God of geen god?


    Foto

    Foto

    Foto

    Inhoud blog
  • Vrijdenkers
  • Koekoek!
  • Vrede
  • Christelijke moraal, atheïstische ethiek
  • Al te vroeg gestorven
  • La perfection n'est pas de ce monde.
  • Openbaring
  • Elke mens is uniek
  • Me dunkt...
  • Hybride
  • Sint-Catharina. Brief aan een christen vriend.
  • Het geboortejaar van Jezus Christus
  • Etsi Deus non daretur: zelfs als er geen God zou zijn.
  • Godsvrucht
  • Eerlijkheid
  • Verlossing: I know that my Redeemer liveth.
  • Gezag
  • Als de vos de passie preekt...
  • De hondse filosofen
  • Anselmus van Canterbury
  • Op mijn eentje
  • Inquisitie in de Middeleeuwen
  • Heksen
  • Gerede twijfel
  • Kristien Hemmerechts' late bekering en mystieke ervaringen
  • De Blijde Boodschap, andermaal
  • Verwondering
  • Wees volmaakt zoals uw hemelse vader
  • Paul Claes Odyssee 2.0
  • Griekse tragedies: Sofokles
  • Thomas a Kempis, de Navolging van Christus
  • De Griekse bronnen van de Verlichting
  • Islam en christendom
  • Darwin, creationisme, intelligent design
  • Satan
  • Humanisme
  • Godsdienstvrijheid
  • Ethiek en humanisme
  • De vos en de egel
  • Perfide
  • Godsdienst na de dood van God?
  • Sceptisch
  • incest
  • Catechismus
  • Filosofen te koop
  • Democratie
  • De uitzondering en de regel
  • Etiketten
  • Extreemrechts
  • Waarheid en verzinsel
  • Over geloof en psychologie (recensie)
  • De misdadige geschiedenis van de Kerk
  • Judith Butler, Wie is er bang voor Gender? (recensie)
  • Erwten en kikkers
  • David Hume
  • Denken en geloven in de oudheid (recensie)
  • Kinderspel?
  • Over grenzen, Mark Elchardus
  • Robot
  • Vooruitgangsgeloof
  • Het kan me niet schelen!
  • Aurelius Augustinus, Belijdenissen
  • Buizingen, een parochie miskend
  • Main morte
  • Celsus?
  • Een betere zaak waardig.
  • 'De waarheid zal u bevrijden.'
  • Feminisme
  • Tijdverspilling
  • Anarchist
  • Sjostakovitsj
  • Om de liefde Gods
  • Het boek
  • Naastenliefde
  • Parabels
  • Alzheimer
  • Verkiezingskoorts
  • Cynthia
  • Sindh
  • Cicero, Wet en rechtvaardigheid (recensie)
  • Israël, Oekraïne
  • Godsdienst en religie
  • Abraham en de vreemdeling
  • Winterzonnewende 2023
  • Anaximander
  • Links? Rechts?
  • Willen jullie meer of minder Wilders?
  • Het Gemenebest
  • Jeremy Lent, Het betekenisveld, Stichting Ekologie, Utrecht/Amsterdam, 2023 (recensie, op eigen risico...)
  • Richard Wagner
  • Secularisme
  • Naastenliefde
  • Godsdienst en zijn vijanden
  • Geloof, ongeloof en troost?
  • Iedereen gelijk voor de wet?
  • Ezelsoren (recensie)
  • Hersenspinsels?
  • Tegendraads, of draadloos?
  • Pico della Mirandola
  • Vrouwen en kinderen eerst!
  • Godsdienst als ideologie
  • Jean Paul Van Bendegem, Geraas en geruis (recensie)
  • Materie
  • God, of de natuur
  • euthanasie, palliatieve zorg en patiëntenrechten (recensie)
  • Godsdienst of democratie
  • Genade
  • Dulle Griet, Paul Claes
  • Vagevuur
  • Spinoza- gedicht, Stefan Zweig
  • Stefan Zweig, Castellio tegen Calvijn (recensie)
  • Hemel en hel
  • Federico Garcia Lorca, Prent van la Petenera
  • als in een duistere spiegel
  • Dromen zijn bedrog
  • Tijd (recensie)
  • Vrijheid van mening en academische vrijheid
  • Augustinus, Vier preken (recensie)
  • Oorzaak en gevolg
  • Rainer Maria Rilke, Het getijdenboek. Das Stunden-Buch (recensie)
  • Een zoektocht naar menselijkheid (recensie)
  • De Heilige Geest
  • G. Apollinaire, Le suicidé
  • Klassieke meesters: componisten van Haendel tot Sibelius (recensie)
  • Abelard en Heloïse (recensie)
  • Kaïn en Abel
  • Symptomen en symbolen
  • Voor een geweldloos humanisme
  • Bij een afscheid
  • Recreatie
  • Levenswijsheid
  • Welbevinden
  • De geschiedenis van het atheïsme in België (recensie)
  • Peter Venmans, Gastvrijheid (recensie)
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 15
  • Secretaris
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 14
  • De boeken die we (niet) lezen, 2 WIlliam Trevor en Adriaan Koerbagh
  • Abortus
  • Verantwoordelijkheid (1)
  • Verantwoordelijkheid, deel 2
  • Mijn broeders hoeder?
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 13
  • Eerst zien, en dan geloven!
  • Homoseksualiteit
  • Sonja Lavaert & Pierre François Moreau (red.), Spinoza et la politique de la multitude (recensie)
  • Atheïsme: vijf bezwaren en een vraag, W. Schröder (recensie)
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 12
  • Zoo: Een dierenalfabet.
  • De rede
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 11
  • Sinterklaas, Spinoza, en de waarheid
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 10
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 9
  • De boeken die we (niet) lezen. Over Karl May en Jean Meslier.
  • Waar men gaat langs Vlaamse wegen...
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 8
  • Gastrubriek: Vrije Wil? Geef mij maar Vrijheid (deel 2), Patrick De Reyck
  • Gastrubriek: Vrije Wil? Geef mij maar Vrijheid (deel 1), Patrick De Reyck
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 7
  • Fascinerend leven (recensie)
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 6
  • Recensie: Atheismus, Winfried Schröder.
  • Gastrubriek: Sophia De Wolf
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 5
  • Gastrubriek: Tijd als emergente eigenschap van het klassiek-fysische universum, Patrick De Reyck
  • Recensie: Wat loopt daar? Midas Dekkers
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 4
  • William Trevor, Een namiddag
  • recensie: Een kleine geschiedenis van de (grote) neus
  • Pascals gok
  • recensie: Rudi Laermans, Gedeelde angsten
  • 'Geef mij een kind tot het zeven is, en ik zal je de volwassene laten zien.'
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 3
  • Bias
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 2
  • Recensie: Epicurus
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 1
  • De waanzin van het kwaad
  • Het einde
  • God, of Christus?
  • Een onsterfelijke ziel?
  • Geloof en godsdienst in een seculiere samenleving
  • Godsdienst en wapengeweld
  • Aloud atheïsme
  • de grond van de zaak: de neutraliteit van de staat?
  • Paul Claes, Het pelsken van Rubens
  • De persoon en de functie.
  • Chaos en orde
  • Godsdienst of cultuur?
  • Recensie: Hans Plets, Verdwaald in de werkelijkheid.
  • vrijheid van mening genuanceerd?
  • Het placebo-effect
  • De Maagdenburgse halve bollen
  • Godsdienst en secularisme
  • Overweging bij de moord op een Franse leraar: antiklerikalisme
  • Het Gele gevaar
  • Studentendoop, of moord.
  • orendul


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!