mijn blik op de wereld vanaf 60 Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin. Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating. Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
24-12-2024
Anselmus van Canterbury
Anselmus van Canterbury, Het mysterie van God, vertaald door Vincent Hunink, ingeleid door Wim Verbaal, Eindhoven: Uitgeverij Damon, 2024, ISBN 9789463404297, 184 blz., € 24,90 hardback.
In deze publicatie worden twee teksten van Anselmus (1033-1109) samengebracht: het eerder verschenen Proslogion onder de titel Ondenkbaar dat U niet bestaat (Uitgeverij Kok, 2011) en het voor deze uitgave vertaalde Cur Deus homo?, onder de titel Waarom werd God mens?. Damon zorgde weer voor een uiterst verzorgde presentatie, al had voor deze senior het lettertype van de platte tekst wel iets groter gemogen.
Waarom werd God mens? Het antwoord daarop neemt het grootste gedeelte van dit boek in beslag, maar het is het minst verteerbare, althans voor moderne lezers, en al zeker voor wie niet vertrouwd is met de traditionele christelijke soteriologie. In de dialoog naar Plato’s model tussen Anselmus en Boso, een (reële of imaginaire) leerling wordt hier en daar het standpunt van ongelovigen verwoord, maar op een weinig geloofwaardige manier; het is voor beiden evident dat de basisgegevens van het christelijk geloof onbetwijfelbaar waar zijn: God is de almachtige schepper van hemel en aarde en van de eerste mensen, Adam en Eva; die hebben zich door de duivel, een gevallen engel, laten verleiden tot de zonde, en hebben daardoor op alle nakomelingen een erfschuld geladen tegenover God. Die schuld is zo groot dat ze niet door een gewone mens adequaat ingelost kan worden. Dat moet dan wel door een bijzondere mens: een Godmens, de mens-geworden Zoon van God, die door zijn vrijwillig lijden en dood de mensheid weer met God heeft verzoend. De uitleg die Anselmus daarover verschaft, is helder en logisch, maar het blijft een verklaring van wat ten gronde een mysterie is, of een opeenstapeling van onbekenden in de vergelijking: God de Vader, de Zoon, de Heilige Geest, de schepping, de zondeval, de erfzonde, de menswording, de verrijzenis, het eeuwig leven. Vooral de uitvoerige redeneringen over het getal van de engelen zijn een afknapper: het is nauwelijks te geloven dat een ongetwijfeld verstandige auteur als Anselmus dat in alle ernst heeft kunnen neerpennen. Dat zijn de aberraties van een godsdienst en een theologie die uitgaan van veronderstellingen die ten gronde afwijken van de werkelijkheid.
Het tweede werk bevat een aantal gedachten die ons vandaag wel degelijk kunnen aanspreken, ook al is de verwoording heel traditioneel. God wordt voorgesteld als ‘het hoogst denkbare’, in Huninks originele vertaling van het onvertaalbare id quo maius cogitari nequit. Letterlijk staat er dat er niets groters kan gedacht worden dan God. Dat is inderdaad een aantrekkelijk idee dat al sinds de oudheid aangevoeld is door filosofen en theologen, dat bij Spinoza meesterlijk uitgewerkt wordt, en dat ook Einstein graag onderschreef. Deus sive natura, God of de Natuur, het Al, het Universum. Het is inderdaad ondenkbaar dat dat niet zou bestaan, want dan zouden ook wij niet bestaan, zou er niets bestaan. Het is even ondenkbaar dat er iets groters zou bestaan, want dan zou dat God of het universum zijn. Daarom is het universum noodzakelijkerwijs uniek. Die fundamentele gedachte moet Anselmus ook sterk aangegrepen hebben. Ze heeft hem, en alle christelijke theologen en mystici en vele filosofen voor en na hem echter verleid tot het waanbeeld van een persoonlijke God, wat natuurlijk een contradictio in terminis is: het universum mag dan al evident ordelijk zijn, maar dat is iets helemaal anders dan de veronderstelling dat er een bovennatuurlijk en almachtig intelligent wezen is dat het universum doelbewust voor de mens geschapen heeft en leidt. Nog veel minder dat er een erfzonde is, en een zoon van God die mens moet worden en sterven om daarvoor genoegdoening te geven aan de Vader. Anselmus gaat verder dan het heerlijke id quo maius cogitari nequit, hij zegt letterlijk: ‘U bent niet alleen het hoogst denkbare, nee, U bent iets hogers dan denkbaar!’ (blz. 161). Dat is dan het verschil tussen filosofisch inzicht en mystieke wartaal.
Ondanks de voorbeeldig vlotte vertaling vergen deze teksten een niet geringe volgehouden inspanning van de lezer, vooral als die niet vertrouwd is met de bizarre christelijke dogma’s. In het beste geval zal men toch nog genieten van de helaas zeldzame bladzijden waar nog een grond van Spinoza’s Deus sive natura doorschemert in de typische middeleeuwse apologetische en mystieke taal uit de late elfde eeuw.
Categorie:God of geen god?
23-12-2024
Op mijn eentje
In 't meervoud
Georges Brassens, 1966
Awel, meneer, zeggen ze mij wel eens, je bent er mij eentje,
Als ‘k weer eens weiger in te stappen op hun trein.
't Is waar, ongetwijfeld: 'k ben geen brave apostel, een buitenbeentje.
Ik, ik heb niemand anders nodig om er eentje te zijn.
In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:
met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten.
Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.
In de lijst van de deelnemers zal je mijn naam niet vinden.
Lieve God, wat al processies, wat een ganzenpassen, wat een groepen,
wat een verzamelingen en stoeten allerhande,
al die liga’s, cliqua’s, meuta’s, al die troepen,
voor zo’n inventaris is geen Prévert voorhanden.
In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:
met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten.
Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.
Bij het huilen van de wolven zal je mijn stem niet vinden.
O, ja, het was een nobele zaak, een bovenste beste!
We waren verliefd, we zijn met haar getrouwd.
We wilden allemaal gelukkig zijn met haar, maar ten langen leste
waren we met te veel, en dat hebben we ons berouwd.
In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:
met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten.
Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.
In de lijst van de uitverkorenen zal je de mijne niet vinden.
Ik ben die ene die de fanfare voorbij laat trekken,
in sourdine stil een opstandig liedje zit te zingen.
En tot die heren die mijn melodietje verstoort, zeg ik lekker:
bende lawaaimakers! Ik ben net zo goed in die dingen!
In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:
met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten
Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.
In het rijtje pupiters zal je de mijne niet vinden.
Als je om madam te kozen met zijn twaalven moet zijn
dan amuseer ik me op mijn eentje wel.
Ik ben die ene die zich ver houdt van vrijen als een zwijn:
een obelisk is een monoliet, weet je wel?
In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:
met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten.
Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.
Waar de piemels in rotten staan zal je de mijne niet vinden.
Jaloers ben ik voor geen cent op doden die in bosjes vallen.
Ik hoop dat ik groot genoeg ben om alleen mijn schup af te kuisen.
Ik wens geen hulp als ik in mijn kuil moet afdalen;
ik deel al wat je wil, maar niet het hemd om er van onder te muizen.
In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:
met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten.
Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.
In een hoop knoken zal je mijn scheenbeen niet vinden.
" Cher monsieur, m'ont-ils dit, vous en êtes un autre ",
Lorsque je refusai de monter dans leur train.
Oui, sans doute, mais moi, j'fais pas le bon apôtre,
Moi, je n'ai besoin de personn' pour en être un.
Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on
Est plus de quatre on est une bande de cons.
Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.
Dans les noms des partants on n'verra pas le mien.
Dieu ! que de processions, de monomes, de groupes,
Que de rassemblements, de cortèges divers, -
Que de ligu's, que de cliqu's, que de meut's, que de troupes !
Pour un tel inventaire il faudrait un Prévert.
Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on
Est plus de quatre on est une bande de cons.
Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.
Parmi les cris des loups on n'entend pas le mien.
Oui, la cause était noble, était bonne, était belle !
Nous étions amoureux, nous l'avons épousée.
Nous souhaitions être heureux tous ensemble avec elle,
Nous étions trop nombreux, nous l'avons défrisée.
Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on
Est plus de quatre on est une bande de cons.
Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.
Parmi les noms d'élus on n'verra pas le mien.
Je suis celui qui passe à côté des fanfares
Et qui chante en sourdine un petit air frondeur.
Je dis, à ces messieurs que mes notes effarent :
" Tout aussi musicien que vous, tas de bruiteurs ! "
Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on
Est plus de quatre on est une bande de cons.
Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.
Dans les rangs des pupitr's on n'verra pas le mien.
Pour embrasser la dam', s'il faut se mettre à douze,
J'aime mieux m'amuser tout seul, cré nom de nom !
Je suis celui qui reste à l'écart des partouzes.
L'obélisque est-il monolithe, oui ou non ?
Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on
Est plus de quatre on est une bande de cons.
Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.
Au faisceau des phallus on n'verra pas le mien.
Pas jaloux pour un sou des morts des hécatombes,
J'espère être assez grand pour m'en aller tout seul.
Je ne veux pas qu'on m'aide à descendre à la tombe,
Je partage n'importe quoi, pas mon linceul.
Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on
Est plus de quatre on est une bande de cons.
Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.
Au faisceau des tibias on n'verra pas les miens.
Categorie:poëzie
22-12-2024
Inquisitie in de Middeleeuwen
Bernadette Demeulenaere, Inquisitie in de Middeleeuwen. Veroordeeld tot de brandstapel, Gorredijk: Sterck & De Vreese, 2024, ISBN 978 94 6471 221 6, 256 blz., € 29,90 pb.
De auteur, advocate en criminologe, is tevens de auteur van misdaadromans. Zoals velen onder ons is ze katholiek opgebracht, en heeft daaraan de gewone herinneringen en frustraties overgehouden. Die hebben ongetwijfeld haar belangstelling gewekt voor een minder bekend aspect van de beschavingsgeschiedenis van West-Europa, namelijk de intens christelijke middeleeuwen, die gekenmerkt waren door de machtsstrijd tussen wereldlijke en kerkelijke heersers, en door een grote verscheidenheid in de christelijke opvattingen, en de pogingen van het gezag om daarop in te grijpen met alle mogelijke middelen.
Het is geen fraaie geschiedenis. De auteur heeft ervoor gekozen om die toe te lichten aan de hand van zeven ‘schrijvers’, die ze achtereenvolgens voorstelt, en wier teksten ze gebruikt om haar verhaal te stofferen. Dat doet ze op een persoonlijke manier, met veel terzijdes en uitweidingen en interpretaties. Haar keuzes zijn deels voor de hand liggend: Dante van de Divina Commedia mag natuurlijk niet ontbreken, evenmin als Franciscus van Assisi, en ook paus Clemens V (die de orde van de Tempeliers ophief) is een verantwoorde keuze; deels zijn ze ook verrassend: de kerkjurist Gratianus, de inquisiteur Jacques Fournier, de begijn Marguerite Porette, en ten slotte Dostojevski’s Grootinquisiteur. De ondertitel verwijst naar het lot dat talrijke ‘ketters’ moesten ondergaan. Het valt op hoe gewelddadig het kerkelijke en het wereldlijke gezag tekeergingen, niet alleen tegen individuen, maar ook tegenover ketterse bewegingen en tegen de islam, tijdens de infame kruistochten uit deze periode.
De auteur vertelt haar verhaal op een levendige, bijna journalistieke manier. Ze brengt veel historisch materiaal aan dat ze heeft verzameld tijdens haar opzoekingen en lardeert dat met haar persoonlijke commentaren en reacties. Het is vanzelfsprekend onmogelijk om binnen het beperkte bestek van deze monografie de hele problematiek van de Middeleeuwen in al zijn aspecten aan bod te laten komen, en dat is ook niet de bedoeling geweest. Voor de geïnteresseerde leek is dit een goede kennismaking met enkele belangrijke momentopnames van die ‘duistere’ periode. Mij viel vooral het gemak op waarmee toentertijd over leven en dood beslist werd door rechtbanken, op grond van procedures en getuigenissen die men heden ten dage onaanvaardbaar acht, zoals bekentenissen na foltering, of afwijkende meningen over religieuze dogma’s. Aan de andere kant gebeuren dergelijke zaken nog steeds her en der in de wereld. De middeleeuwen zijn nog niet overal voorbij. Het is goed ons aan ons eigen verleden te herinneren, om in te zien waar we vandaan gekomen zijn, en welke weg er nog afgelegd moet worden.
Categorie:ex libris
18-12-2024
Heksen
Marion Gibson, Heksen. Een wereldgeschiedenis in dertien heksenprocessen, van de middeleeuwen tot nu, Amsterdam: Ambo|Anthos Uitgevers, 2023, 337 blz., ISBN 9789026367977, € 24,99 pb.
Papier is verduldig, of zoals Cicero al schreef (ad fam. V, 12, 1) epistola non erubescit (een brief bloost niet). Zo komt het dat men onbeschaamd een boek de wereld kan insturen onder een titel als deze, en zo zelfs iemand zoals ik verleiden om zich het boek aan te schaffen, in mijn geval ter recensie. Van bij de aanvang was mijn argwaan gewekt. De auteur is hoogleraar renaissanceliteratuur ‘en magische literatuur’ en heeft al negen ‘wetenschappelijke’ studies geschreven over heksen in de geschiedenis en de literatuur. Dat is ook wat we hier aangeboden krijgen. Enerzijds beroept de auteur zich op historische bronnen, anderzijds gebruikt ze secundaire literatuur, journalistiek en fictie als ‘bronnen’. Het resultaat is een vreemd amalgaam, gevat in een geëngageerd betoog, veeleer dan de historische studie die de titel doet vermoeden.
Blijkbaar is dat de nieuwe manier om aan wetenschap te doen. Geen poging meer om als objectieve waarnemer zoveel mogelijk de feiten zelf weer te geven, maar een persoonlijke, ‘empathische’ interpretatie, waarin volop intentieprocessen gemaakt worden, dat wil zeggen dat men mensen van alles toedicht. Dit boek is als het ware een parodie van een wetenschappelijke studie. De auteur is hoogleraar en schrijft een boek dat er ernstig uitziet, met feiten, verwijzingen, citaten en voetnoten, vaak veel meer dan relevant of nodig is. Wat je te lezen krijgt, is echter helemaal geen historisch relaas, maar de persoonlijke en emotioneel gedreven interpretatie van al het materiaal dat de schrijfster gelezen heeft. We krijgen niet zozeer de feiten, maar veeleer een eigenmachtige fictieve reconstructie van de gebeurtenissen alsof we erbij aanwezig zijn, en met uitvoerige toelichtingen over de gemoedsgesteltenis, de gevoelens en de vermeende uitspraken van alle betrokkenen, ook al staat daarover niets in de bronnen. Dat is het goed recht van een auteur van een historische roman, maar dat is dit boek niet. Wat het dan wel is, is me niet helemaal duidelijk, maar het zou mijns inziens een ernstige vergissing zijn het als geschiedschrijving te beschouwen.
De titel is overigens op alle punten misleidend. Het is geen wereldgeschiedenis, verre van. Het is zelfs geen eigenlijke geschiedenis van de hekserij of de heksenvervolgingen, maar een losse collectie van erg arbitraire commentaren bij dertien willekeurig gekozen, niet-representatieve uiteenlopende vreemde gebeurtenissen in de marge van de geschiedenis, hier opgeklopt tot sensationele feiten. Vooral het naast elkaar plaatsen van werkelijke heksenvervolgingen en dwaze gevallen van oplichterij en volksmisleiding is stuitend en laakbaar. Het onderwerp, en de slachtoffers, verdienen veel beter dan wat we hier voorgeschoteld krijgen. Woke personen en andere verdwaasden zullen er allicht hun hart aan ophalen: het boek heeft bewust alle ingrediënten om hen in hun bizarre opvattingen te bevestigen. De vertaling is vlot, maar hier en daar lijkt de betekenis van het origineel zelfs de vertaalsters te ontgaan.
Categorie:ex libris
14-12-2024
Gerede twijfel
Gerede twijfel
Gerede twijfel is een term die in de rechtspraak gebruikt wordt. Gereed heeft verscheidene betekenissen in het Nederlands, naargelang de context. De meest gebruikelijke is ‘klaar’: wanneer we met iets klaar zijn, is het gereed. We zijn voor iets gereed als we er klaar voor zijn. Als iets zonder bezwaar of uitstel ter beschikking is, is het gereed, klaar voor gebruik. Een gerede aanleiding, een gerede kans. Gereed geld, gerede betaling. Gerede ingang vinden. Gerede twijfel is dus voor de hand liggende, zonder meer aannemelijke twijfel. Als men iets aanneemt buiten gerede twijfel, betekent dat dat daaraan niet oprecht en redelijkerwijs getwijfeld kan worden. In het woord ‘redelijkerwijs’ zien we ‘rede’, wat ook in ‘gerede’ voorkomt, maar daar is dat de verbogen vorm van ‘gereed’, en dat heeft etymologisch niets met de rede te maken, maar met rijden: gereed betekent oorspronkelijk klaar om te rijden, be-reid. In het Engels spreekt men van reasonable doubt, maar dat vertalen we het best als ‘redelijke twijfel, twijfel gebaseerd op rede en gezond verstand. In het algemeen betekent dit dat het aangevoerde bewijs zo sterk moet zijn dat er geen andere logische verklaring bestaat. Als dat het geval is, spreekt men over buiten gerede twijfel, beyond reasonable doubt.
Twijfel wordt vaak in verband gebracht met God. Dat is niet zo vreemd als men het wil laten voorkomen. Het idee van een God is immers niet evident of voor de hand liggend, het is al bij al best ongewoon en zelfs intrinsiek onbegrijpelijk, omdat het niet eenduidig is. Mensen die een godsidee aan anderen willen meedelen, hebben daar de grootste moeite mee, hetzij omdat die al een ander godsidee hebben, hetzij omdat ze er helemaal geen hebben. Twijfel, en zelfs heel gerede twijfel is dus de eerste en meest voor de hand liggende reactie op een zo buitenissig idee als dat van een God. Dat is ook wat mij overkwam vanaf mijn prilste jeugd. Daaruit blijkt overduidelijk dat men geen volwassene moet zijn, geen geleerde, geen genie om in te zien dat het idee van een God ten minste onderhevig is aan gerede twijfel. Het is immers strijdig met alles wat we leren en weten buiten de godsdienst. Geloof is het resultaat van overtuiging, zelfs met machtsmisbruik, niet van eigen inzicht. Godsdienst bestaat uit memen, mentale elementen van alles wat door mensen aan andere mensen aangeleerd en doorgegeven wordt. Dat moet Denis Diderot bedoeld hebben toen hij als afvallige zijn Pensées philosophiques neerpende. In de Additions lezen we in fine deze tekst:
'Er was eens een man die in de steek gelaten was door zijn kinderen, zijn vrouw en zijn vrienden. Onbetrouwbare vennoten hadden hem in het ongeluk en de armoede gestort. Vervuld als hij was door haat en een grondig misprijzen voor de menselijke soort, liet hij de maatschappij achter zich en trok zich helemaal alleen terug in een grot. Daar, met zijn vuisten in de ogen gedrukt, en denkend aan een wraakneming die in verhouding zou zijn met zijn hevige gevoelens, sprak hij: De ontaarden! Wat zal ik doen om hen te straffen voor het onrecht dat ze me aangedaan hebben, hoe kan ik hen zo ongelukkig maken als ze verdienen te zijn? O, als het mogelijk zou zijn om iets te bedenken, hun een groot waanidee in het hoofd te prenten dat ze voor belangrijker zouden houden dan hun leven, en waarover ze het nooit eens zouden worden! Meteen stormt hij naar buiten uit de grot, al roepend: God! God! Om hem heen herhalen ontelbare echo's God! God! Die vreesaanjagende naam verspreidt zich van pool tot pool en wordt overal beluisterd met verbazing. De mensen buigen eerst diep neer, komen dan weer overeind, stellen zich vragen, discuteren, worden verbitterd, excommuniceren elkaar, haten elkaar, snijden elkaar de keel over en zo wordt de dodelijke wens van de misantroop bewaarheid. Dat is het verhaal geweest in het verleden, en zo zal ook het verhaal zijn in de toekomst, van een wezen dat altijd even belangrijk zal zijn als onbegrijpelijk.'
Gerede twijfel, en ook redelijke twijfel over God is een spontane natuurlijke reactie op een onredelijk en onnatuurlijk, niet voor de hand liggend idee. Het godsidee en de godsbewijzen zijn niet buiten gerede twijfel aannemelijk, laat staan waar, er is wel degelijk een andere logische verklaring voor alles. De geschiedenis van de twijfel aan God is zo oud als de geschiedenis van het godsidee, omdat elk godsidee noodzakelijkerwijs en onvermijdelijk gerede en redelijke twijfel moet oproepen.
Er is evenwel twijfel en twijfel. Men kan over iets twijfelen, dat wil zeggen dat men niet zeker is, dat men voorlopig het oordeel opschort, en ermee rekening houdt dat zelfs iets dat onwaarschijnlijk lijkt misschien toch waar kan zijn. Dat is echter niet wat gerede twijfel inhoudt. Men twijfelt niet, in de zin van weifelen, men betwijfelt veeleer dat een idee, een stellingname of een uitspraak waar is, men gaat ervan uit dat dat niet zo is. Gerede en redelijke twijfel is geen onzekerheid, het is het gegrond en terecht afwijzen van een stelling die niet buiten elke redelijke twijfel waar is. Het ligt dan ook voor de hand dat er altijd mensen geweest zijn die spontaan het bestaan van een geopenbaarde bovennatuurlijke God betwijfeld en dus afgewezen en verworpen hebben, zoals ook ik al als kind dat deed, omdat het tegen alle beter weten ingaat. De geschiedenis levert ons daarvoor ampele en afdoende bewijzen. De geschiedenis van het ongeloof of van het atheïsme is weliswaar nog voor velen onbekend, maar ze is niet onbeschreven. Maar net zoals de studie van God en godsdienst een zeer heterogeen en controversieel domein is, is ook het onderzoek naar het betwijfelen van het bestaan van een God, over ongeloof en over atheïsme uiterst complex. Terwijl ik vooropstel dat ongeloof voorafgaat aan elk geloof in een God, en altijd in ruime mate is blijven bestaan, ook wanneer godsdienst buitensporige proporties aannam in een maatschappij, zijn er anderen die dat formeel ontkennen en alle vormen van ongeloof vóór onze huidige tijd herleiden tot min of meer vage twijfels, dus geen gerede of redelijke twijfels aan het bestaan van God. In een recente publicatie vergelijkt een van hen middeleeuwse godloochenaars met de huidige aanhangers van de flat earth-theorie. Die banalisering en ontkenning van de gerede en redelijke twijfel gebeurt zowel door gelovige auteurs als door sommige niet-vooringenomen wetenschappers. Zij stellen dat er weliswaar altijd afwijkende opvattingen bestaan hebben, maar dat de aanhangers ervan, zeker in het verleden, het bestaan van God zelf niet fundamenteel in vraag stelden of betwijfelden.
Veel zal dan afhangen van wat men onder God verstaat. Het is evident dat de goden in de oudheid iets anders waren dan de God van het jodendom, het christendom en de islam, om nog te zwijgen van andere godsdiensten. In onze context meen ik dat wanneer men ervan uitgaat dat er geen persoonlijk bovennatuurlijk wezen is dat naar eigen goeddunken ingrijpt in het universum en in onze wereld, en dat er geen leven na de dood is, men niet in God gelooft. Dat lijkt me een redelijke demarcatielijn. Als men die grens niet vastlegt, kan men eindeloos blijven discuteren, en dat is mijns inziens volstrekt overbodig en nutteloos. Stel dat men gelooft dat God de wereld geschapen heeft, maar zich er verder niets van aantrekt. Of dat God wel bestaat, of dat er wel iets is, maar dat we er niets kunnen over weten, en er dus niets kunnen over zeggen. Of dat God niets anders is dan het universum zelf met al zijn bekende en onbekende natuurwetten. Stel dat men wel in God gelooft, maar niet dat hij uiteindelijk, na de dood, voor eeuwig de goeden zal belonen en de kwaden straffen. Wat is in die gevallen het verschil met geen God? Vooral gelovige auteurs doen veelal en met overtuiging aan recuperatie van afwijkende opvattingen die zich in de loop van de geschiedenis hebben voorgedaan en nog voordoen, en houden vol dat het slechts gaat om vormen van heterodoxie, afwijkingen van de vaste leer of orthodoxie, maar daarom nog niet om ongeloof of atheïsme. Dat is slechts ten dele waar, want de orthodoxie, bijvoorbeeld het pausdom, heeft zelfs elke geringste of triviale heterodoxie verketterd, veroordeeld, geëxcommuniceerd, bestreden en uitgeroeid als dat in haar macht lag. Als het slechts om afwijkende meningen ging, zoals tussen katholieken en protestanten, of christenen en moslims, of christenen en animisten, waarom moesten die dan te vuur en te zwaard bestreden worden? Bovendien is er een fundamenteel onderscheid, waarvan de scheidingslijn zoals ik aangaf zonder veel discussie kan getrokken worden. Wie beweert dat bijna alle vormen van gerede twijfel, ongeloof en atheïsme slechts vormen van heterodoxie zijn, vergist zich, misschien te goeder trouw, maar in het geval van de gelovige voorstanders van een dergelijke opvatting meer dan waarschijnlijk vanuit een afkeurenswaardige sektarische intellectuele oneerlijkheid.
Ik ben er al lang van overtuigd dat de mensen altijd al grotendeels eenzelfde algemene opvatting gehad hebben over God, de wereld en het universum, maar dat op zeer verscheidene manieren hebben beleden en beleefd. In die zin hebben we meer gemeen dan wat ons verdeelt. De meeste mensen leven volgens die vrij vage opvatting, zonder zich veel aan te trekken van de officiële dogma’s en rituele godsdienstige voorschriften, zelfs als ze die formeel naleven, of beweren dat te doen. Maar weinig mensen zijn echt fanatiek en fundamentalistisch op godsdienstig gebied, zoals er ook maar weinig mensen fanatiek of fundamentalistisch ongodsdienstig zijn. God is zelfs voor de meeste gelovigen niet het belangrijkste dat er is, al zou het dat moeten zijn. Aan de andere kant valt niet te ontkennen dat godsdiensten nog altijd een vrij grote, en in sommige gebieden een doorslaggevende maatschappelijke invloed uitoefenen, en in tegenstelling met gelovigen zijn godsdiensten wel degelijk van nature fanatiek en fundamentalistisch, en eigenen zich macht toe om met alle middelen mensen te kunnen beïnvloeden in hun gedrag, iets wat althans aan ongelovigen niet kan verweten worden. En dat moet onze hoop zijn voor de toekomst, dat namelijk godsdiensten nog meer en op nog meer plaatsen aan invloed zullen inboeten, en dat meer mensen op grond van gerede en redelijke twijfels de rol van godsdienst in hun leven zullen relativeren, ook als ze zich daarom nog niet als ongelovigen of atheïsten identificeren.
Categorie:levensbeschouwing
09-12-2024
Kristien Hemmerechts' late bekering en mystieke ervaringen
Mystieke ervaringen en late bekeringen
Iemand had een exemplaar van het boek van Kristien Hemmerechts, Van ver gekomen (2024) ergens achtergelaten, waar ik het onlangs toevallig aantrof. Omdat ik geen andere lectuur bijhad, nam ik het in arren moede ter hand. Ik had nog nooit iets van haar gelezen, ik lees al heel lang weinig fictie, en al zeker geen Nederlandstalige. Ik had in de media vaag gehoord over haar bekering, haar terugkeer naar de godsdienst van haar kinderjaren, waarvan ze zoals vele andere bij het opgroeien afscheid had genomen. Ik had daarbij de schouders opgehaald: mensen doen nu eenmaal vreemde zaken.
Ik heb het boek helemaal uitgelezen, deels uit nieuwsgierigheid: wat bezielt een hoogopgeleide vrouw om blijkbaar rond haar pensioengerechtigde leeftijd weer naar de kerk te gaan?
Ik ben het niet te weten gekomen uit het boek, dat overigens een beetje een allegaartje is, een heel emotionele verzameling van dagboekfragmenten, zo lijkt het wel. Het gaat maar heel gedeeltelijk over die terugkeer, en ze relativeert haar bekering grondig. Enerzijds woont ze de rituelen van de Gemeenschap van Sant’Egidio getrouw bij, anderzijds staat ze erg kritisch tegenover de Kerk, en zelfs tegenover de gemeenschap en de rituelen die ze bijwoont. De God die haar naar eigen zeggen gevonden heeft, is niet de God van de katholieke Kerk, zelfs niet die van het christendom. Wat ze beschrijft, zijn mystieke, erotisch getinte ervaringen, min of meer overweldigende ‘ontmoetingen’ met iets dat haar overstijgt, en dat ze God noemt.
Wie dergelijke ervaringen niet zelf heeft meegemaakt en die toch probeert te begrijpen, zoals William James in zijn nog altijd verhelderende boek The Varieties of Religious Experience (1902!), gaat ervan uit dat het gaat om mentale processen waarin onnoemelijk veel factoren meespelen, zowel externe (menselijke!) invloeden als innerlijke kenmerken, genetische zowel als psychologische, die het geheel vormen van iemands persoonlijkheid. Het heeft althans mijns inziens geen zin om daarvoor op zoek te gaan naar een bovennatuurlijk wezen, en dat lijkt deze schrijfster ook niet te doen. Voor haar zijn haar godservaringen reëel, en daarnaast voelt ze zich goed in de specifieke katholieke gemeenschap die ze gevonden heeft. Je kan veel dwazere en ergere zaken doen. Ik weet niet wat ze nog meer gezegd en geschreven heeft over haar bekering, en dat interesseert me ook niet bijzonder. Als atheïst en antiklerikaal hoef ik geen standpunt in te nemen over wat haar overkomen is. Niets menselijks is me vreemd. En omdat ik gelovig opgebracht ben en mijn hele actieve leven doorgebracht heb in de katholieke zuil, weet ik waarover ze het heeft.
Toen ik op mijn zestigste met pensioen ging en voor mezelf uitmaakte dat ik al mijn hele leven ongelovig was, heb ik de laatste banden met de Kerk en gelovigen verbroken. Onwillekeurig ben ik dan op zoek gegaan naar geestverwanten, zowel in de literatuur over ongeloof en atheïsme als bij mensen in mijn omgeving. Met die literatuur ben ik intussen heel vertrouwd, en ik heb er zelf meer dan duizend bladzijden over volgeschreven. Gelijkgezinde atheïstische en antiklerikale mensen heb ik in mijn omgeving niet meteen gevonden, en mijn ervaringen met de georganiseerde vrijzinnigheid waren altijd ten minste teleurstellend. Vrijdenkers zijn blijkbaar bijna altijd individualisten, ze hebben de Kerk niet verlaten om naar een vrijzinnige kapel te trekken. Ze hebben een hekel aan mensen die zeggen wat je mag en moet doen en denken. Dat maakt het gemeenschapsleven dat zo typisch is/was voor de Kerk vrijwel onmogelijk. Georganiseerde vrijzinnigheid is meer dan waarschijnlijk een oxymoron. Ikzelf behoor er niet toe, al lever ik bijdragen aan de website van het Humanistisch Verbond: teksten voor de denktank Kwintessens, waarvan ik overigens geen deel uitmaak, en recensies voor de rubriek Kritisch lezen. Maandelijks komen we met enkele min of meer gelijkgestemde vrienden samen bij mij thuis voor intense gesprekken over van alles en nog wat, en dat is altijd een deugddoende ervaring.
Ooit was het ‘Alles voor Vlaanderen en Vlaanderen voor Kristus’, het AVV-VVK prijkte op de oude IJzertoren en op veel andere plaatsen. Nu is het eerste gedeelte van die leuze ingepalmd door (ten minste) bedenkelijke lieden, en het tweede gedeelte is zelfs voor gelovigen niet meer voorstelbaar. Ik ben nu 78, en wat ouderlingen zoals ik denken en voelen heeft alsmaar minder belang. Wat jongere mensen denken en voelen, weet ik niet, zeker niet wat tieners betreft. Ik weet nog goed hoe de wereld eruitzag in mijn jeugd, en ik ben er zeker van dat die wereld nu niet meer bestaat. Wat ervoor in de plaats gekomen is, is mij elke dag meer vreemd. Ik kan de technologische (r)evolutie nog vrij goed volgen, maar ik heb niet meer het gevoel dat ik tot de wereld behoor die nu gebeurt. Onlangs maakte ik me zelfs de bedenking dat het maar goed is dat oude mensen als ze niet meer meekunnen, lichamelijk en mentaal, sterven en plaats maken voor andere. Het individu verdwijnt, de mensheid blijft. De wereld is in voortdurende verandering. Het universum is werkelijk oneindig.
De Kerk lijkt hier op sterven na dood, en wat ze hier en elders nog betekent, is vaak van heel bedenkelijke aard, zelfs voor overtuigde christenen. De zeldzame bekeringen à la Hemmerechts zullen daaraan allicht niets veranderen. Er lijkt niet echt iets voor in de plaats gekomen, wat erop wijst dat godsdienst behalve schadelijk tevens altijd al nutteloos, onnodig en overbodig was. Wat vroeger als ondenkbaar voorgesteld werd, namelijk een leven zonder God, is nu de gewone gang van zaken. Mensen leiden nu hun leven zoals ze dat graag willen, zonder zich nog te bekommeren om God of gebod, zoals dat heette. Dat betekent niet dat ze immoreel zijn of onethisch handelen, of toch niet meer dan vroeger. Ze houden zich aan de meeste regels van de burgerlijke samenleving, of toch meestal, of zo goed mogelijk. Nu ze geen geloof meer hechten aan een hiernamaals met hemel en hel en de vele dreigementen van de godsdienst, blijkt naast zorgen voor een inkomen vooral bewust genieten van het leven voor velen nog het enige dat telt, en wie kan ze ongelijk geven? Dat genot kan vele vormen aannemen, zo ook dienstverlening en vrijwilligerswerk, het moeten niet altijd dure vakanties zijn. De zin van het leven is niet langer afhankelijk van bovennatuurlijke wezens en perspectieven op eeuwige straf en beloning, maar eigen aan het leven zelf. Ons leven heeft de zin die we eraan geven, individueel een gezamenlijk, nu en voor de toekomst. De ‘dood van God’ heeft de mensen voor hun eigen verantwoordelijkheid geplaatst voor hun leven. Verre van een verarming te zijn, is dat hier en nu een bevrijdende verrijking gebleken voor velen. Of die secularisatiebeweging zich zal doorzetten is echter een andere kwestie.
Categorie:God of geen god?
04-12-2024
De Blijde Boodschap, andermaal
Daniël De Waele, Heilige woorden. Een rondleiding door de geschriften van het Nieuwe Testament en het vroege christendom, Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers 2024, ISBN 978 90 435 4140 4, 495 blz., € 34,99 hardcover.
Waarom haalt een overtuigde atheïst en rabiate antiklerikaal als deze recensent een boek in huis over het Nieuwe Testament, en biedt hij zijn recensie daarover zonder enige scrupule ook nog aan voor opname op de website van het Humanistisch Verbond – waar die als je dit leest ook nog zonder meer aangenomen werd?
Wat me het eerst daartoe aanzette, was het feit dat het niet om een katholieke, maar een protestantse auteur gaat, en dat bleek al meteen een terechte overweging te zijn. Katholieke exegeten en Bijbelse apologeten zijn door de band/k genomen niet alleen meer gezagsgetrouw, maar (daarom) ook stellig(er) overtuigd van de goddelijke inspiratie en dus de onaantastbaarheid van de Bijbel als het Woord Gods. Protestanten (er)kennen geen centraal gezag, het protestantisme is in de 16de eeuw ontstaan uit verzet tegen het pausdom, en alvast deze protestant, Daniël De Waele, (ooit?) docent aan het Hoger Instituut voor Protestantse Godsdienstwetenschappen te Brussel en andere Vlaamse protestantse onderwijsinstellingen, spreekt eigenlijk met geen woord over een rechtstreekse goddelijke inspiratie van de ‘heilige woorden’ uit de titel van zijn boek. Hij situeert het ontstaan van die geschriften helemaal in hun historische, menselijke context, als door mensen bedacht en neergeschreven. Dat alleen al is een opluchting voor ongelovigen, die het idee van heilige woorden, afkomstig van een bovennatuurlijk wezen, vanzelfsprekend terecht verontwaardigd van de hand wijzen, maar wie niets menselijks vreemd is, of mag zijn.
Een verdere bedenking was dat hedendaagse vrijzinnigen, in tegenstelling tot sommigen van hun voorgangers, niet bepaald Bijbelvast zijn, en vaak zelfs geen idee hebben van wat er in de Bijbel staat, om nog te zwijgen van andere christelijke teksten. Dit boek is, zo werd me algauw duidelijk, op dat punt een veel betere handleiding dan de typisch katholieke inleidingen en commentaren, die geplaagd worden door de jammerlijke onbuigzame rechtgelovigheid van hun auteurs.
Maar – er is altijd een maar – laten we wel wezen: De Waele is geen vrijzinnige in onze betekenis, geen atheïst. Het is me niet duidelijk geworden uit dit boek waarin zijn geloof nog bestaat, dat komt niet expliciet ter sprake, behalve misschien in enkele zinnen uit de ’persoonlijke’ inleiding. Dat betekent dat hij weliswaar kritisch staat tegenover de teksten en hun oorsprong, en daarover heel open en in de eerste plaats vooral informatief communiceert, maar niettemin die teksten toch als belangrijk behandelt, en uitvoerig ingaat op hun betekenis, en die betekenis kan men moeilijk anders zien dan als godsdienstig.
Vandaar een merkbare tweeslachtigheid in zijn benadering. Terwijl hij vrijmoedig en zonder enige dogmatische terughoudendheid schrijft over de ‘menselijke’ oorsprong en overlevering van de geschriften, en op die manier bijna iconoclastisch en voor overtuigde en traditionele gelovigen zelfs blasfemisch, en voor ongelovigen dan weer voorbeeldig nuchter en zakelijk te werk gaat, zijn er evenveel passages en zelfs hoofdstukken waar hij zijn lovenswaardige (tekst)kritische houding achterwege laat, en zich hoofdzakelijk beperkt tot het klakkeloos weergeven van de inhoud van christelijke teksten, zonder zich veel zorgen te maken over de nochtans evidente vragen over hun herkomst en (kreupele) overlevering, noch over hun belang voor de mensheid, toen en nu. Daar blijkt hij veeleer te preken voor eigen parochie dan te vloeken in de kerk.
We zijn dus enerzijds op goede weg met deze genuanceerde protestantse voorstelling van de christelijke basisliteratuur, althans in vergelijking met de veel dogmatischer kerkelijke katholieke, maar anderzijds blijft de auteur helaas wel nog in ruime mate schatplichtig aan zijn gelovige tradities. In die zin is dit voor vrijzinnigen of atheïsten ongetwijfeld een betere keuze dan de vaak compleet onverteerbare katholieke schrijfsels, maar doet men er uiteindelijk toch beter aan om te rade te gaan bij nog minder vooringenomen benaderingen. Het verschil met bijvoorbeeld de boeken uit de monumentale tiendelige reeks van Deschners Kriminalgeschichte de Christentums over dezelfde materie is … monumentaal. Men zal allicht opwerpen dat Deschner dan weer zondigt door een onverholen vooringenomenheid tegen alle godsdienst, maar zelfs met al de pathos van zijn terechte verontwaardiging lijkt die me toch ver te verkiezen boven de aangenaam verrassend vrijmoedige en in die mate verdienstelijke maar ondanks haar hoge informatieve waarde uiteindelijk ten gronde door haar inherente ‘godsdienstigheid’ getekende en zeker en in die mate voor vrijzinnige en andere streng kritische lezers finaal toch onbevredigende poging van deze auteur.