mijn blik op de wereld vanaf 60 Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin. Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating. Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
07-12-2009
hoofddoeken en minaretten
Hier bij ons hebben we al het hoofddoekendebat
gehad en in Zwitserland nu ook de infame minarettenvolksraadpleging. We hebben
in het Westen in vele landen politieke partijen die racisme als enig agendapunt
hebben. Er zijn skinheads en andere alternatievelingen die vreemdelingen rauw
lusten. Heel wat mensen zetten zich af tegen het anders zijn van de anderen. Ze
willen dat de anderen zich aanpassen. Anders moeten ze maar vertrekken. Ze
beschouwen het anders zijn als bedreigend. Wij zijn hier thuis en we zijn zoals
we zijn, we zijn altijd al zo geweest en zo willen we ook blijven. Wie naar
hier komt, moet zich voegen: onze normen aanvaarden, worden zoals wij, naadloos
opgaan in onze gemeenschap.
Een vaak gehoord argument daarvoor is: dat
doen wij toch ook?
Inderdaad. Vlamingen die uitwijken zijn
roemruchte aanpassers. Zelfs emigranten van de eerste generatie gaan er prat op
dat ze na enkele jaren niet meer te onderkennen zijn van hun autochtone buren.
In de tweede generatie spreken de kinderen zelfs geen Nederlands meer,
grootouders hebben het daarmee soms moeilijk.
Als Vlaming en Nederlandstalige heb je niet
altijd veel keuze: niemand verstaat je. Als je wil werken en samenleven, dan
moet je wel de taal van het land leren, er zit niets anders op. Men verwacht, eist
het van ons, niet principieel maar praktisch.
Het valt op dat dit zo is voor mensen die
uitwijken naar beschaafde landen: onze buurlanden, Groot-Brittannië, Ierland
of andere West-Europese landen; de Verenigde Staten ook, Australië,
Nieuw-Zeeland. Even opmerkelijk is dat Vlaamse (en andere West-Europeanen) het
statuut van expat koesteren (van geëxpatrieerde: iemand die zijn vaderland
heeft verlaten) wanneer ze in een ander land terechtkomen: de Golfstaten,
Afrika, Azië, Zuid-Amerika. De aanpassing daar is minimaal: gehoorzaamheid aan
de wet, meer niet. Men gebruikt een lingua franca, meestal Engels, de landstaal
leert men niet. Men past zich ook niet aan aan de plaatselijke klederdracht of
de eetgewoonten. Expats zijn berucht voor hun hautaine houding tegenover de
inboorlingen. Herinner u onze kolonies
Als we dat patroon onderzoeken, dan zien we
een hiërarchische structuur. De zwakkere moet zich aanpassen aan zijn omgeving,
de sterkere niet. Doodarme Vlamingen die uitweken naar Canada of de VS. waren
op geen tijd Amerikanen. Vlamingen die naar de Kongo trokken verfransten soms,
maar werden zeker geen inboorlingen. Italiaanse armoedzaaiers die naar hier
gehaald werden om in de mijnen te werken, spraken al gauw een mondje Frans, hun
kinderen meestal nog enkel dat.
Als we dat toepassen op de huidige immigranten
in België, dan zien we dat wij daar de rol van de sterkere opeisen: de
immigranten moeten zich aan ons aanpassen. Sommigen hebben dat vrij goed gedaan.
Met andere groepen is dat minder goed
gelukt. Wij beschouwden hen wel als zwakkeren, maar zo zien zij zichzelf niet.
Een van de problemen is dat ze ook fysiek herkenbaar zijn: de huidskleur, de
kledij, de godsdienstige gebruiken. De huidskleur blijft, natuurlijk, enkel iemand
als Michael Jackson had genoeg geld en was gek genoeg om zich te laten
verbouwen. Het zijn vooral Moslims die erop staan om hun culturele en
religieuze gebruiken te behouden.
Dat herkenbaar anders zijn, willen zijn en
willen blijven, zorgt hier en daar voor problemen. Vlaanderen was homogeen
Vlaams en katholiek, een Moslim valt meteen op. Zelfs een kleine minderheid van
Moslims wordt als een bedreiging voor onze eigenheid beschouwd, zeker als die
zich concentreert in bepaald wijken of steden zoals Antwerpen, Borgerokko,
Kuregem
Er is echter geen sprake van dat de Moslims
Vlaanderen of België zouden overrompelen. Er gaat geen enkele druk uit van hen,
cultureel, religieus, vestimentair of wat dan ook. Zij hebben niet de bedoeling
ons te bekeren, ze eisen alleen het recht op om te blijven zoals ze zijn.
Het gaat dus helemaal niet, zoals men vaak
hoort, om een bedreiging van onze eigenheid: wij mogen die rustig behouden. Het
is wel een bedreiging van de homogeniteit, de Vlaamse eenvormigheid. Maar is
die er wel? Is die er ooit geweest? Zeker na 1950 is die vermeende gelijkvormigheid,
de Vlaamse norm, snel verdwenen. Je hoeft nu maar eens rond te kijken op straat
om een kakelbonte verscheidenheid waar te nemen. Een moslim valt zelfs niet
meer op als hij of zij vasthoudt aan de klederdracht van het land van herkomst.
Een skinhead of gothic, of zelfs een wielertoerist ziet er veel vreemder,
on-Vlaamser uit dan de doorsnee moslim(a).
Ook op godsdienstig gebied is er veel
veranderd. België, inclusief Vlaanderen is een van de meest ongelovige landen
ter wereld. Wij zijn nadrukkelijk niet meer zo katholiek als honderd of zelfs
vijftig jaar geleden. Godsdienst speelt nog nauwelijks een rol in ons leven.
Het is een randverschijnsel dat zich afspeelt in de privésfeer. Je hebt
katholieken, protestanten, boeddhisten, joden en nog enkele andere strekkingen,
maar zij bepalen de hoofdcultuur niet meer, er is geen religieus gekleurd
algemeen cultureel beeld.
Onze wereld is met andere woorden zeer
verscheiden geworden, er zijn nog nauwelijks vaste normen, ongeveer alles is
mogelijk, bijna alles is aanvaard. Niemand is verplicht om zich te kleden zoals
de anderen, originaliteit is troef en wordt bewonderd. Exotisch eten en drinken
is in, evenals exotische vakanties.
En toch Toch maken sommige mensen zich
druk over hun medemens, omdat die een hoofddoek draagt bijvoorbeeld, of een
schaap wil slachten zonder verdoving. Als we elk van die zogenaamd storende
elementen nuchter bekijken, dan moeten we snel toegeven dat het om oppervlakkige,
onbelangrijke, niet-essentiële kenmerken gaat. Katholieken hebben kerken met
torens met een haan, protestantse torens hebben een kruis, moskeeën hebben
minaretten met een wassende (of is het een tanende?) maan. De enen hebben hun
rustdag op vrijdag, de andere op zaterdag en nog andere op zondag. Wie aan de liturgische
verplichtingen deelneemt, is nog een heel andere vraag. Sommigen dragen een
hoofddeksel, andere niet; soms is het verplicht, soms verboden. Alcohol is verboden,
of varkensvlees, maar roken niet
Maar wat doet het er allemaal toe? Ik
hoorde onlangs een Vlaming smalend over moslims spreken als die met hun kont
in de lucht, een verwijzing naar hun gebedshouding. Nochtans heeft die mens
zelf vroeger zeker vele uren doorgebracht op zijn knieën op een harde stoel of
bank in een koude kerk. Wat maakt het allemaal uit? Ik daag eenieder uit om een
echt belangrijk verschil aan te duiden tussen mensen, gelijk welke mensen, van
om het even welk ras, land, geloof, cultuur Alle mensen zijn net eender. We
stammen allemaal af van dezelfde voorouders. De verschillen, fysiek en
cultureel, zijn er later bijgekomen.
Darwin heeft een prachtige en verhelderende
studie gemaakt over de gelaatsuitdrukkingen bij bepaalde emoties bij alle
mogelijke mensen over de hele wereld. Daaruit blijkt dat Chinezen, Inuit, Bosjesmannen,
Patagoniërs en zelfs chimpansees net dezelfde snuiten trekken als ze verbaasd,
verdrietig, uitgelaten of dronken zijn als Filip De Winter.
Als sommigen eisen dat de vreemdelingen die
naar België komen zich aanpassen, dan hebben ze geen poot om op te staan. Het
enige dat we kunnen vragen is dat ze onze wetten naleven. Waarom zouden ze zich
verder aanpassen dan dat? Met welk recht zouden wij dat eisen? Moeten alle
Vlamingen zich dan ook aanpassen? En waaraan? Wat is de norm? Moeten we
allemaal een blauwe blazer dragen en een donkergrijze broek? Alle
gepensioneerden een ribfluwelen broek? Allemaal weer katholiek zoals vijftig
jaar geleden? Iedereen friet en biefstuk?
Je ziet het, als we er even over nadenken,
dan moeten we toegeven dat het niet zo simpel is als sommigen willen doen
geloven. België en ook Vlaanderen zijn multicultureel, of we dat nu graag
hebben of niet. Een min of meer beperkte multiculturaliteit is de nieuwe norm,
wereldwijd. DE restaurants wijzen de weg. Etnische of culturele uniformiteit is
passé, komt nooit meer terug. Een volledige assimilatie van alle immigranten is
zelfs geen doelstelling meer, is gewoon niet haalbaar, zelfs niet wenselijk,
het zou een domme verarming zijn.
We kunnen ons daarover druk maken, maar dat
zal niets veranderen. De partij die daarover zon grote mond opzet, het VB,
heeft in dertig jaar tijd geen enkel succes geboekt op dat punt. De
vreemdelingen zijn er nog steeds, er komen er elke dag nog bij en ze passen
zich nog altijd niet aan. Het is een waanidee te verwachten dat al de
vreemdelingen op korte of middellange termijn eruit gaan zien als ja, als wat?
Als welk soort autochtonen?
We moeten met zijn allen maar eens wat
minder zwaar gaan tillen aan de verschillen die er nu eenmaal zijn. Inzien dat
het om zeer oppervlakkige kenmerken gaat is een eerste stap. Dat moet dan wel langs
beide kanten gebeuren: wij autochtone Vlamingen moeten geen koude drukte maken
over de kledij, de gewoonten en religieuze gebruiken van de nieuwkomers. Van
hun kant zullen de vreemdelingen tijdens hun integratieproces wellicht ook
een en ander gaan relativeren, dat zien we nu al gebeuren. Ook zij kunnen niet
anders dan inzien dat we onder het dunne culturele vernisje allemaal net eender
zijn.
Het beste bewijs daarvan en ook de enige
echte test, is dat we elkaar kunnen uitkiezen als levenspartner en dat wij
samen kinderen kunnen verwekken. Dat is toch het enige dat telt?
Laten we dus afstand nemen van elk
standpunt dat de uiterlijke verschillen tussen mensen nodeloos benadrukt of
overdrijft. Elk van ons mag zijn eigenheid beleven, maar moet zich ook eens
afvragen wat er zo speciaal is aan die eigenheid en of ze wel al de moeite
waard is. Misschien kunnen we ook eens iets van een ander leren. Hoelang eten
wij al spaghetti en pizza, kebab, loempia, sushi? Hoelang drinken we al whisky,
mojito? Hoelang dragen we al jeans?
Heb je al eens met een moslim gepraat,
ooit?
Categorie:samenleving Tags:politiek
06-12-2009
Sinterklaas en zwarte Piet
Zwartepietlied
Zie ginds komt een lekkende roestboot uit Afrika weer aan
hij brengt ons zwarte mensen, ik zie ze opeengepakt staan
hoe kotsen de kinderen en zwangere vrouwen het dek op en neer
hoe waaien hun lompen al heen en al weer.
De schipper staat te lachen en roept hen smalend toe
wie ziek is krijgt straks een dunne deken, wie moeilijk doet de roe
Och, lieve zwarte mensen, och kom toch maar niet bij mij
en loop toch maar mijn huisje zo vlug mogelijk voorbij.
Dan loop je maar wat in onze straten rond
schichtig of loom als een verloren schurftige hond
je arme warme vaderland ontvlucht in arren moede
omdat je hier het aards paradijs vermoedde.
Maar wij houden de knip op de deur
wij hebben het niet zo voor mensen met een andere kleur
we willen wat we verdiend hebben niet zomaar delen
met profiteurs uit andere werelddelen.
We kopen liever cadeautjes voor onze kleinkinderen
De reden waarom ik daarop terugkom is dat
het vandaag, 5 december, volgens die Romeinse tijdrekening, de Nonen van
december is (of zijn, Nonen is meervoud).
Tussen haakjes (figuurlijk dan, dit is
letterlijk, enfin, figuurlijk, want haakjes zijn geen letters maar figuurtjes),
enfin, hoe dan ook, en om ter zake te komen in mijn uitweiding of excursus, Van
Dale is al vergeten dat de Nonen, Lat. Nonae
ooit bestaan hebben, hij herinnert zich enkel de kerkelijke nonen, het gebed op
het negende uur dat monniken baden op elk van de zeven canonische uren van het
breviergebed of de liturgie van het heilig officie, naar Psalm 11§:164; dit
zijn ze alle acht (?): metten, lauden of lof, priemen, tertsen, sexten, nonen,
vespers en completen.
Terug naar onze NonaeDecembres. Op die
dag in -63 was er in Rome een beruchte zitting van de senaat, waarin een
samenzwering tegen de staat werd ontmaskerd. De consul van dat jaar, een zekere
Marcus Tullius Cicero, hield een vlammende rede, die iedereen die ooit Latijn
studeerde zich feilloos herinnert: quousque
tandem, Catilina! Hoelang nog, Catilina, zal je ons geduld op de proef
stellen? Wij moesten dat eerste hoofdstuk van buiten leren. Het is nog altijd
een gevleugelde uitdrukking.
De woelige zitting eindigde in een
resolutie die opriep om de verraders de doodstraf te geven. Dat was niet meer
dan dat, een oproep, want het kwam ook toen al niet de senaat maar een
rechtbank toe om, na een eerlijk proces, veroordelingen uit te spreken en
straffen op te leggen. Toch liet Cicero er geen gras over groeien. Catilina en
zijn medestanders werden prompt in de gevangenis geworpen en daar gewurgd.
Cicero, die zich ter plaatse vergewist had van hun dood, meldde cynisch en
triomfantelijk: Vixerunt! Letterlijk:
ze hebben geleefd, voltooid verleden tijd, dus: ze leven niet meer, ze zijn
dood.
Toen de gemoederen enige tijd later bedaard
waren, kwam er kritiek los op het overhaaste optreden van Cicero. Je kon in
Rome toen niet zomaar iemand laten ombrengen zonder enige vorm van proces, dit
was een lynchpartij avant la lettre.
(Letterlijk, cest bien le cas de le
dire, verwijst deze laatste uitdrukking naar een proefafdruk van een prent
in een boek waarop de onder- of bijschriften, de letters dus, nog niet
aangebracht waren; lynchen is dan weer afgeleid van ene William Lynch, die
tijdens de Amerikaanse burgeroorlog tegenstanders standrechtelijk ombracht).
Men verweet Cicero niet alleen zijn
procedurefouten (waar hebben we dat nog gehoord), maar ook dat zijn aanklachten
gericht waren tegen zijn sociale meerderen en misschien zelfs daarin hun
diepere grond hadden: Catilina en zijn medestanders behoorden tot de hoogste
Romeinse rangen, het was geen samenzwering van het gepeupel. Het ging zover dat
Cicero zelfs een tijdje werd verbannen. Seneca merkte smalend op dat die
verbanning niet zozeer te wijten was aan de episode met Catilina, maar aan
Ciceros eindeloos gezanik over zijn heldendaden tijdens zijn consulaat, dat,
volgens Seneca niet zonder reden werd geloofd, maar zeker zonder einde. In de
humaniora noemde ook wij studentjes Cicero de pompeuze leuteraar.
Cicero is evenmin geweldloos aan zijn einde
gekomen. In de woelige periode rond -47, toen Octavianus en Marcus Antonius
streden om de macht, koos Cicero als aanvoerder van de senaat de zijde van
Octavianus en sprak tegen Marcus Antonius zijn beroemde vlammende filippicas uit,
zo genoemd naar de redevoeringen van Demosthenes tegen Philippos van Macedonië,
de vader van Alexander de Grote.
Toen later de twee rivalen de handen in
elkaar sloegen, was het lot van Cicero bezegeld. Marcus Antonius eiste en
verkreeg dat Ciceros naam bovenaan de lijst kwam van de politieke
tegenstanders die moesten uit de weg geruimd worden, ondanks het dagenlang
verzet van Octavianus. Ook de bevolking was het niet eens met die beslissing:
Cicero was de meest populaire politicus van Rome in die tijd. Velen weigerden
hun medewerking aan de zoektocht die Marcus Antonius opzette. Uiteindelijk vond
men hem, verscholen op een vuilnisbelt bij zijn buitenverblijf. Zijn bedienden
hadden hem daar verborgen, maar een bevrijdde slaaf van zijn broer wees de centurio de plaats aan waar hij zich
verscholen had. Cicero boog het hoofd, zoals de verliezende gladiatoren in het
Colosseum, en zei: Wat je gaat doen, soldaat, heeft niets behoorlijks, maar doe
het alstublieft wel behoorlijk. Zijn hoofd werd afgehakt en ook de handen die
de hatelijke redevoeringen tegen Marcus Antonius (en tegen zoveel anderen) hadden
geschreven. Ze werden, als enige van alle opgepakte tegenstanders, aan de rostra gespijkerd, het spreekgestoelte
op het Forum Romanum. Naar verluidt zou de echtgenote van Marcus Antonius daar met
haar haarspeld als een razende de hatelijke tong van Cicero hebben bewerkt
Dat waren voorwaar andere tijden, andere
zeden: o, tempora, o mores, nog een
gevleugelde uitspraak van Cicero en nog wel uit zijn eigen eerste
Catilinarische redevoering.
Categorie:historisch Tags:geschiedenis
04-12-2009
mijn verduisterd hart (Rom. 1, 16-32)
Ik heb het hier
al vaker gezegd: het is niet omdat je niet gelovig bent, dat je een onverlaat
en een snoodaard zou zijn. Dat was en is nochtans de gangbare opvatting onder
gelovigen en in de leer van de kerk. Je kan je afvragen hoe dat komt, want die
gelovigen konden toch met hun eigen ogen zien dat hun ongelovige buren, die
niet naar de mis gingen, zoals men vroeger zei, in niets verschilden van hun
gelovige buren.
Diaboliseren
noemt men dat nu, of demoniseren: de andere zwart maken, enkel en alleen omdat
hij of zij anders is.
Ik heb in mijn
leven verscheidene racisten ontmoet, ook onder intellectuelen en gelovigen. Ik
heb ook mezelf af en toe betrapt op racistische trekjes. Het zal dus wel een
spontane reactie zijn, misschien ingegeven door de schrik voor het andere, het
onbekende. Een afweerreactie, een afstotingsverschijnsel.
Het is een ander
verhaal als men die gevoelens aanwakkert. Politici overal ter wereld spelen op
een cynische manier in op die primitieve menselijke reactie. Ze stimuleren het
wij-gevoel door het anders zijn van de anderen te benadrukken. Dat kan het best
door hen af te schilderen als onmenselijk, moreel minderwaardig, gedegenereerd,
onbeschaafd, bijna dierlijk. Het helpt ook als men hen als de oorzaak kan
aanwijzen voor alles wat verkeerd gaat in de maatschappij.
Dat was de grote
propagandaoorlog van de Nazis tegen de joodse bevolking, maar zij waren niet
de eersten om zich tegen die etnische groep te richten, helaas. Zij hebben de
pogroms niet uitgevonden, wel de christenen, die zich vanaf de tiende eeuw
herhaaldelijk op zeer gewelddadige manier tegen die herkenbare maar overigens goed
geïntegreerde anderen in hun gemeenschap richtten. Pogrom is een Russisch
woord, dat wellicht via het Jiddisch in alle Europese talen is ingeburgerd. Het
betekent precies dat: gewelddadige vernietiging.
Het christendom
is nooit een democratie geweest en is dat nu nog niet. Hier bij ons heeft Kardinaal
Danneels dat herhaaldelijk benadrukt: de kerk is geen democratie! Als het geen
democratie is, dan is het iets anders, een theocratie, een oligarchie, een
dictatuur misschien? In alle geval zijn het precies de ondemocratische regimes
die zich het gemakkelijkst richten tegen al wat afwijkt van de officiële leer.
Daarvan zijn er jammer genoeg overvloedig veel voorbeelden in de geschiedenis.
Niet zelden werd daarbij de hulp ingeroepen van Gods woord, de Bijbel: Dio lo
volt, Dieu le veut!
Onlangs zocht ik
een citaat op in de Romeinenbrief van Paulus en tot mijn ontsteltenis ontdekte
ik de tekst die ik hieronder citeer. Dat is wat het (vroege) christendom denkt
over al wat niet christelijk gelovig is.
Als je dergelijke
gewijde teksten vaak genoeg herhaalt, dan krijgen alleen al door de gewenning
een onweerstaanbaar gezag en zo een onuitwisbare invloed op het denken van
generaties gelovigen.
Lees die
onbarmhartige tekst van Paulus eens na, het vraagt slechts enkele minuten. Ik
heb enkele erg grove passages typografisch benadrukt. Vooral de passage in
verzen 19-21 heb ik als een persoonlijke belediging ervaren. Het is namelijk
wat ik wel eens als reactie krijg op wat ik hier schrijf. Ik weet nu ook waar
de originele versie te vinden is.
Rom.
I, 16-32, Nieuwe Bijbelvertaling
16 Voor dit evangelie schaam ik mij
niet, want het is Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de
eerste plaats, maar ook voor andere volken.
17 In het evangelie openbaart zich dat
God enkel en alleen wie gelooft als
rechtvaardige aanneemt, zoals ook geschreven staat: De rechtvaardige zal leven
door geloof. 18 En vanuit de hemel openbaart Gods toorn zich over al
het kwaad en onrecht van hen die met hun onrechtvaardigheid de waarheid geweld
aandoen.
19 Want wat een mens over God kan
weten is hun bekend omdat God het aan hen kenbaar heeft
gemaakt. 20 Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping
van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid
zijn voor het verstand waarneembaar.
Er
is niets waardoor zij te verontschuldigen zijn, 21 want hoewel ze God
kennen, hebben ze hem niet de eer en de dank gebracht die hem toekomen. Hun
overpeinzingen zijn volkomen zinloos en hun onverstandig hart is verduisterd.
22 Terwijl ze beweren wijs te zijn,
zijn ze dwaas 23 en hebben ze de majesteit van de onvergankelijke God
ingewisseld voor beelden van vergankelijke mensen, vogels, lopende en kruipende
dieren.
24 Daarom heeft God hen in hun lage
begeerten uitgeleverd aan zedeloosheid, waarmee ze hun lichaam
onteren. 25 Ze hebben de waarheid over God ingewisseld voor de leugen; ze vereren en aanbidden het geschapene in
plaats van de schepper, die moet worden geprezen tot in eeuwigheid. Amen.
26 Daarom heeft God hen uitgeleverd
aan onterende verlangens. De vrouwen
hebben de natuurlijke omgang verruild voor de tegennatuurlijke, 27 en
ook de mannen hebben de natuurlijke omgang met vrouwen losgelaten en zijn in
hartstocht voor elkaar ontbrand. Mannen plegen ontucht met mannen; zo worden ze
ervoor gestraft dat ze van God zijn afgedwaald.
28 Omdat ze het beneden hun
waardigheid achtten God te erkennen, heeft God hen overgeleverd aan hun eigen
onbetrouwbaarheid en doen ze wat verwerpelijk is. 29 Ze zijn door en door onrechtvaardig en boosaardig, hebzuchtig
en slecht. Ze zijn door en door afgunstig, moordzuchtig en twistziek, doortrapt
en kwaadaardig. Ze roddelen 30 en spreken kwaad, haten God, zijn
hoogmoedig, trots en verwaand. Ze zijn vindingrijk in het kwaad, tonen geen
ontzag voor hun ouders, 31 zijn kortzichtig en trouweloos, zonder
liefde en onbarmhartig.
32 En hoewel ze het vonnis van God
kennen en weten dat mensen die dergelijke dingen doen de dood verdienen, doen
ze dit alles toch. Sterker nog, ze juichen het zelfs toe dat anderen het ook
doen.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
Wie waar dan ook iets opzoekt over
scepticisme, komt onvermijdelijk de naam tegen van professor Richard H. Popkin
(1923-2005). Hij is de stichter van de International
Archives of the History of Ideas, een reeks van monografieën en
verzamelingen van artikels die ondertussen al ongeveer 160 afleveringen telt.
Zijn belangrijkste zelfstandige publicatie behandelt de geschiedenis van het
scepticisme en is herhaaldelijk uitgegeven, met aangepaste titels, die de
begin- en eindtermen van de periode van zijn onderzoek steeds verder achteruit
en vooruit in de tijd leggen. Ik bestelde onlangs de laatste versie die kort
voor zijn dood verscheen: Popkin, R. The
History of Scepticism from Savonarola to Bayle (Oxford, University Press:
2003) ISBN 0-19-510768-3. Je hoort daarover meer als ik het gelezen heb.
In afwachting ontleende ik in de bib van
het HIW in Leuven aflevering 152 van de Archives
die ik net vermeldde: Scepticism in the
Enlightenment, xiii + 192 pp., Kluwer, 1997. Het is met gemengde gevoelens
dat ik dit rapport schrijf.
Het gaat om een bundeling van tien artikels,
waarvan er acht vroeger verschenen zijn in tijdschriften en andere
verzamelingen en gelegenheidswerken. De publicatiedata gaan van 1963 tot 1992
en dus 1997 voor de twee niet eerder verschenen bijdragen. Popkin zelf tekent
voor de inleiding en vier andere bijdragen. De andere zijn respectievelijk van
Giorgio Tonelli en Ezequiel de Olaso, twee compagnons de route van Popkin in
zijn levenslange fascinatie voor de geschiedenis van het scepticisme.
Bijdragen in wetenschappelijke
tijdschriften en reeksen zijn fundamenteel verschillend van meer uitgebreide monografieën,
boeken, zeggen wij. Wie een boek schrijft, verwerkt daarin de resultaten van
zijn of haar onderzoek en stelt dat aan de lezer voor als een afgewerkt,
systematisch opgebouwd geheel, een zelfstandig eigen betoog, gericht op een min
of meer ruim publiek, want boeken moeten verkopen.
Wetenschappelijke tijdschriften verkoopt
men niet los in de krantenwinkel of de betere boekhandel. Het grootste aantal
abonnementen wordt opgenomen door bibliotheken, met daarnaast een aantal
specialisten ter zake, die meestal hun leven lang trouw blijven aan hun
tijdschrift. De (beperkte) verkoop is derhalve verzekerd. Mede als gevolg
daarvan vindt men in die tijdschriften vaak, zo niet meestal, niet alleen
kortere bijdragen, maar ook een andere manier van schrijven. De auteurs
presenteren hier de onmiddellijke, zo goed als onverwerkte resultaten van hun
onderzoek, gewijd aan een of ander nauw afgelijnd, gespecialiseerd en gedetailleerd
onderwerp. Zij presenteren alles wat ze gevonden hebben, met alle details en
verwijzingen en citaten, zonder het te be- of verwerken. De eigen inbreng is
niet zelden beperkt tot de presentatie en enig kritisch commentaar op wat men
heeft gevonden.
Dit is zeker ook hier het geval. Dat neemt
niet weg dat dergelijke artikels interessant en zelfs ongemeen boeiend kunnen
zijn. Zo las ik onlangs tijdens een bezoek aan de bib van het HIW in Leuven van
Steven Nadler The Jewish Spinoza,
invited review essay forJournal of the History of Ideas70
(2009): 491-510 en dat is werkelijk een waar genoegen geweest. Je leest dat vlot
uit op een uurtje tijd en je gaat naar huis met het gevoel dat je iets waardevols
gedaan hebt.
De gemengde gevoelens die
ik had bij deze bundel zijn veroorzaakt door verscheidene aspecten.
Laten we beginnen met het
feit dat het om bijdragen gaat van drie auteurs, gespreid over veertig jaar.
Dat kan niet anders dan een min of meer onsamenhangend geheel opleveren en dat
is ook zo.
Een bijkomend praktisch probleem
is dat de eerder verschenen artikels elektronisch gekopieerd zijn, gescand dus.
We kennen dat procedé, waarbij bestaande tekst ingelezen wordt op computer: een
speciaal programma zet de grafische voorstelling van de letters om in een tekstverwerker
zoals Word. De kwaliteit van dat proces hangt af van vele factoren; de
herkenning van de letters en leestekens is nooit voor 100% gegarandeerd. Zelfs
met een herkenning van 99%, wat ronduit indrukwekkend lijkt, krijg je nog op
elke regel een fout. Zo erg is het hier niet, maar gemiddeld staat er toch op
elke bladzijde een storende kemel en op sommige wemelt het zelfs, enkele zinnen
zijn tot onbegrijpelijk koeterwaals verhaspeld. Dat is spijtig, want zoiets kan
zonder veel moeite vermeden worden. Het volstaat om de tekst, eens omgezet,
even aan een eenvoudige automatische spellingcontrole te onderwerpen, zoals wij
allemaal (denk en hoop ik) doen met onze teksten en mails voor we ze de wereld
insturen. Een anomalie als amonly kan je dan wijzigen in het gesuggereerde
correcte among. Een editor van een
reeks of tijdschrift die zich een beetje respecteert, laat zoiets niet passeren
en leest zelfs na de spellingcontrole de tekst nog even zelf visueel na of laat
dat doen door een scrupuleuze onderbetaalde medewerker.
Deze artikels zijn geschreven voor
specialisten en de meeste zijn vrijwel onleesbaar (inhoudelijk dan) voor het
grote publiek. Dat is geen kritiek maar een vaststelling. Je weet dus wat je
kan verwachten. Er wordt zeer veel verondersteld, veel informatie is zo
gedetailleerd dat je geneigd bent eraan voorbij te gaan, op zoek naar
conclusies, verhelderende samenvattingen, duiding. Toch heb ik mij de lectuur
van deze bijdragen niet beklaagd. Ik heb zeker niet alles begrepen en nog veel
minder onthouden, maar er blijft toch altijd iets hangen.
Ik wacht met een inhoudelijke bespreking van
de geschiedenis van het scepticisme tot het desbetreffende boek van Popkin
arriveert, ik bestelde het bij Amazon in Amerika, met de erg goedkope dollar is
dat nog voordeliger dan het in Engeland te bestellen. Alleen moet je wat geduld
hebben, maar dat is hier geen probleem, ik heb nog genoeg interessante werken
op de boekenplank staan.
Categorie:ex libris Tags:ex libris
02-12-2009
virtue is its own reward: deugd verheugt
Een oud spreekwoord zegt:
deugd verheugt. In het Engels is er het bekende gezegde: Virtue is its own reward, de deugd is zijn/haar eigen beloning,
vrij vertaald.
Hier zijn nog enkele
taalvarianten:
Engels: Honesty is the
best policy.
Frans : La vertu trouve sa récompense en elle-même.
Duits: Die Tugend ist
sich selbst ihr Preis.
Italiaans: La virtù è
premio a se stessa.
Latijn: Virtutem ad beate
vivendum se ipsa esse contentem.
Russisch: Добродетель не
нуждается в награде.
Spaans: El premio de la
virtud es ella misma.
Ik vroeg me af: waar komt
dat gezegde vandaan en ging dus ijverig op zoek. Hier zijn enkele vindplaatsen:
Plato, De Republiek, V en IX: The most
virtuous are those who content themselves with being virtuous without seeking
to appear so. De deugdzaamste mensen stellen zich tevreden met deugdzaam te
zijn en doen geen moeite om dat ook te laten blijken.
Ovidius, Ex Pontoii.
iii: virtutem pretium esse sui.
Claudianus, De Consulatu Mallii--Theodorii
Panegyris (V, I): Ipsa quidem pretium virtus sibi.
Titus Caius Silius Italicus, Punica (bk.
XIII, l. 663): Ipsa quidem virtus sibimet pulcherrimamerces.
1509 A. Barclay Ship
of Fools10V: Vertue hath no rewarde.
1596 SpenserFaerie
Queeneiii. xii: Your vertue selfe her owne reward shall breed, Euen
immortall praise, and glory wyde.
1642 BrowneReligio
Medicii. 87: That vertue is her owne reward, is but a cold principle.
1673 Dryden Assignationiii.
i: Virtue is its own reward: I expect
none from you.
1844 Dickens Martin
Chuzzlewitxv: Itiscreditable to keep up one's
spirits here. Virtue's its own reward.
1988 H. Mantel
Eight Months on Ghazzah Street(1989) 19: His
patience was not like other people's, a rather feeble virtue, which had, by its
nature, to be its own reward.
2002 Spectator 12
Jan. 18: Humble people lack self-esteem, and chastity is just another sexual
dysfunction. Virtue is not so much its own reward as a condition requiring
therapeutic intervention.
Sir John Vanbrugh (English Playwright,
1664-1726): Virtue is its own reward. There's a pleasure in doing good which
sufficiently pays itself.
John Henry Newman: Virtue is its own
reward, and brings with it the truest and highest pleasure; but if we cultivate
it only for pleasure's sake, we are selfish, not religious, and will never gain
the pleasure, because we can never have the virtue.
Er zijn er nog veel meer, zoals bij Cicero,
Horatius, Vergilius, Matthew Prior, Alec Douglas-Home, John Gay, maar het is
duidelijk dat dit een locus classicus of
locus communis is, een klassieke
literaire uitdrukking, een gemeenplaats.
Dat de deugd haar eigen beloning is, klinkt
een beetje cynisch. Het is alsof er geen echte beloning aan vast zit: de enige
beloning is de deugd zelf. Daar ben je vet mee, zegt men dan. Dat is geen echt
optimistische boodschap. Je moet de deugd blijven beoefenen, ook als er niets
aan vast zit. Dat is ook de betekenis die het christendom eraan verbond.
Sommigen, zoals kardinaal Newman, gingen nog verder: enkel als je de deugd
nastreeft om de deugd zelf, heb je daaraan verdiensten, niet als je ze
nastreeft omdat ze je voordeel zou opbrengen. Dat wordt dan: de deugd mag je
niet nastreven omwille van het mogelijke voordeel, je moet het onzelfzuchtig
doen, uit overtuiging, of omdat je gelooft in het gebod van God of de
voorschriften van de kerk.
Dat is een vorm van piëtisme: de christen
moet de vroomheid betrachten om zichzelf, moet zijn innerlijk leven zo
afstemmen dat hij of zij bijna automatisch het goede doet en het kwade
vermijdt.
Je kan het ook anders bekijken. Wie niet
deugdzaam leeft, maar misdaden begaat, kan misschien wel tijdelijk persoonlijk
gewin bekomen, maar loopt een groot gevaar om door zijn medemensen of de staat
gestraft te worden. Misdaad loont niet, op lange termijn. Of toch meestal niet.
Men heeft dus alle redenen om deugdzaam te leven. Wie dat doet, komt er
(meestal en op termijn) beter uit dan wie niet deugdzaam leeft. Ook op die
manier is de deugd haar eigen beloning.
Bovendien is de egoïstische instelling ook
kortzichtig: het ware geluk ligt niet in het individueel welbevinden, in het ongebreideld
voldoen aan zijn eigen primaire verlangens, lusten en driften. De mens is een
wezen dat in gemeenschap leeft (zooön politikon, Aristoteles) en het is in dat
gemeenschappelijk leven dat het geluk moet gezocht worden. Wij zijn voor ons
geluk afhankelijk van anderen en de anderen van ons. Wij moeten om zelf
gelukkig te zijn, bijdragen tot het geluk van anderen. Dat kan niet als we
anderen bedriegen, bestelen, verkrachten en vermoorden. Deugdzaam leven in
gemeenschap met de anderen is duidelijk verkiesbaar boven het statuut van
Staatsvijand nr. 1.
Deugd verheugt. Virtue is its own reward. Dit doet het uitschijnen als zou een
deugdzaam leven automatisch het hoogste genot opleveren en omgekeerd, dat een
misdadig leven en elke afwijking van de deugdzaamheid onvermijdelijk en
noodzakelijk zou leiden tot ongelukkig zijn. Als dat zo was, dan was er toch niemand
die niet deugdzaam zou handelen? We hoeven maar om ons heen te kijken om te
zien dat dit niet het geval is. Klaarblijkelijk verschillen de meningen, zowel
over wat gelukkig zijn is als over de manieren om dat geluk te verwerven.
Over Winston Churchill worden vele grapjes
en anekdotes verteld. Een ervan is deze: Churchill vroeg aan een dame of ze met
hem naar bed wou voor een miljoen pond (in die tijd was zelfs één pond nog een
zeer aanzienlijke som). Koket antwoordde ze dat daarover wel kon gepraat
worden... Vervolgens vroeg hij haar of ze het ook wou doen voor één pond.
Waarop ze verontwaardigd antwoordde: Voor wat voor vrouw houd jij mij wel?
Waarop hij antwoordde: Dat, mevrouw, hebben we daarnet al vastgesteld. Nu hebben
we het enkel nog over de prijs
In haar geval hing of ze iets wou doen, of iets
goed of slecht was duidelijk alleen maar af van de prijs, de compensatie. Als je een
miljoen euro kan stelen zonder dat iemand het ooit te weten komt, wat doe je
dan?
Wij zijn het meestal niet echt eens met de
stelling dat we moeten deugdzaam zijn zonder daarvoor enige compensatie te
verwachten. We vertrouwen er niet helemaal op dat deugdzaam leven op een
mysterieuze wijze een algemene gelukzaligheid zal opleveren, zoals de spreuk
doet uitschijnen. Dat is nochtans wat het christendom predikt. De zondaar is de
meest ongelukkige mens, niet alleen hier, maar zeker en vooral later, in het
hiernamaals. Daar wacht hen een vreselijke straf, ook als zij daaraan zouden
ontsnapt zijn tijdens dit leven. Wie deugdzaam geleefd heeft, zal gered worden,
ook als hij of zij tijdens het leven hier op aarde niet bepaald geluk heeft
gehad.
Dit is geen piëtisme meer, geen onbegrensd blind vertrouwen in de
rechtvaardigheid van God. Het heeft meer weg van een koopmansmentaliteit: we
doen het goede omdat het ervoor zorgt dat we de eeuwige zaligheid verwerven.
Omgekeerd: we vermijden het kwade omdat we anders in de hel terechtkomen: het
afschrikkingsmechanisme. God is dan de garantie van het contract: hij is de
rechtvaardige en vooral de alwetende rechter bij het laatste oordeel. Als de
wereld onrechtvaardig is, dan is er altijd nog God in het hiernamaals. De deugd
heeft op die manier wel degelijk andere beloningen dan alleen maar zichzelf:
rijstpap met gouden lepeltjes, of om het meer mystiek te stellen: de eeuwige
gelukzaligheid van het aanschouwen van het aanschijn Gods.
De Griekse filosofie ligt aan de oorsprong
van ons denken in termen van deugden. Plato en Aristoteles hebben het er zeer
uitvoerig over en veel daarvan heeft het christendom overgenomen. Men zoekt in
de mens naar die eigenschappen die onmisbaar lijken voor zijn geluk,
individueel maar vooral in zijn omgang met de anderen. De gelukkigste mens is
dan diegene die er het best in slaagt om met anderen samen te leven. Maar dat
gaat niet vanzelf: onze passies staan dat vreedzaam samenleven en dus het geluk
in de weg, vooral het egoïsme. Wij moeten dat overwinnen en leren inzien dat
niet ons eigenbelang het hoogste is, maar ons overleven in de gemeenschap
waarin we leven. We moeten leren afstand doen van onze begeerten en lusten. We
moeten leren deugdzaam leven en dat vergt inspanningen. Maar dat loont, want de
meest gelukkige mens is diegene die het hoogste geluk nastreeft, die zich niet
laat verleiden tot kortstondig of laag plezier. De wijze mens kan door een
leven lang zoeken en nadenken komen tot een juist inzicht in zijn passies, kan
ze dan ook onder controle houden en kan zo tot een volmaakt deugdzaam leven
komen, en het is precies daarin dat het hoogste geluk gelegen is. Zo is de
deugd toch nog haar eigen beloning.
De evolutionaire biologie lijkt dit
standpunt bij te treden. In Richard Dawkins The Selfish Gene en The
Extended Phenotype gaat de auteur dieper in op de vraag naar goed en kwaad,
vanuit het standpunt van de genetica en de evolutieleer. Waarom doen de mensen
wat ze doen? Wat drijft hen?
Dat blijkt, het zal ons niet verrassen, in
de eerste plaats zelfbehoud te zijn. Dat is het basiskenmerk van elk organisch
leven en dus ook van de mens. Aanvankelijk is dat nog zeer primair en
primitief, zoals we het zien bij de lagere levensvormen: opeten en opgegeten
worden. Maar zoals bij andere hogere dierlijke levensvormen, blijken er ook bij
de mens subtielere vormen te bestaan van zelfbehoud. Het lijkt wel of niet
zozeer het persoonlijk voortbestaan van het individu van tel is, dat is
uiteraard slechts van tijdelijke aard, dat zien we snel genoeg in. Het is
vooral het voortbestaan van de soort dat de drijfveer vormt voor ons handelen
en ons denken.
Wij willen ons voortplanten, dat is wel
duidelijk en dat verklaart veel van ons doen en laten, om te beginnen al in onze
omgang met het andere geslacht. En als wij ons voortgeplant hebben, dan willen
we ons broedsel beschermen en ook dat verklaart zeer veel van onze gevoelens en
gedragingen. Vandaar dat Dawkins stelt dat het lijkt alsof het onze genen zijn
die zich willen voortplanten: the selfish
genes, de zelfzuchtige genen.
Ik zeg wel, met Dawkins, dat het zo lijkt,
want genen willen helemaal niets, ze hebben geen bewustzijn, geen wil. Het
zijn slechts informatiedragers, die ervoor zorgen dat het leven zich op een
bepaalde manier organiseert, namelijk zo dat die genen zich kunnen
reproduceren. Dat lijkt het best te lukken wanneer elk individu in de eerste
plaats voor zichzelf zorgt binnen een gemeenschap. Dat is, merkwaardig genoeg,
echter niet een puur en onverdund egoïsme, maar wel precies wat we hierboven
gezien hebben bij onze Griekse filosofen, namelijk: die individuen zijn het
meest succesvol in het leven, in de voortplanting, die optimaal functioneren in
een samenleving.
De sleutel daarvoor lijkt dan weer te
liggen in een regel uit de speltheorie. Ik zal niet in details treden, maar het
komt grosso modo hierop neer. De meest voordelige houding die we kunnen
aannemen in de confrontatie met een medemens is deze: de eerste keer nemen we
een positieve houding aan (delen van het voedsel, hulp verstrekken, niet
aanvallen ), de tweede keer reageren we precies zoals de andere heeft
gereageerd op onze eerste houding.
Stel, in een primitieve maatschappij doodt
een jager een prooi. Wanneer hij bij zijn buit komt, daagt er een rivaal op die
het dier als zijn buit claimt. Wat is de beste houding? Moeten ze beginnen
vechten en de sterkste gaat met alles lopen? Uit de speltheorie leren we dat
het op termijn beter is dat men geen geweld gebruikt, maar ofwel het voedsel
deelt, ofwel het voedsel zonder vechten overlaat aan de sterkste. De kans is
dan groot dat bij een volgende confrontatie de sterkste begrip zal opbrengen en
op zijn beurt het voedsel zal delen. Gebruikt de tegenstander echter geweld, of
weigert die te delen bij een volgende confrontatie, dan is de beste houding het
conflict aan te gaan, anders riskeert men te verhongeren. Dat is het algemeen principe:
steeds vertrekken van een positieve houding, maar daarna lik op stuk geven, dat
wil zeggen positief reageren op een positieve houding, negatief op een
negatieve.
Dat principe lijkt in de hele levende
wereld actief te zijn. Wie zich daaraan niet houdt, heeft een evolutionair
nadeel en zal dus de struggle for life
uiteindelijk verliezen. Alleen de fittest
zullen overleven, namelijk zij die de basisregels respecteren. Het gaat daarbij
niet zozeer om bewuste keuzes, maar om genetisch bepaalde voorkeuren, die door
de evolutie teweeggebracht zijn, als voordelige kenmerken. Op die manier
verhindert de natuur dat de individuen of de soorten ten onder gaan in een
fatale strijd tot het bittere einde. Vredelievende exemplaren en soorten hebben
een betere kans op overleven dan geweldenaars die enkel het recht van de
sterkste kennen. De menselijke soort is daarvan het beste bewijs.
Het is evident dat dit een zeer algemene
benadering is. De realiteit, zeker voor de moderne mens, is onbeschrijflijk
veel meer complex dan dat. Toch herkennen we er bekende ethische stelregels in.
Het is een beetje een combinatie van bemin uw naaste zoals uzelf met oog om
oog, tand om tand. Het is ook een vorm van doe niet aan een ander wat je niet
wil dan men aan jou doet. Het komt zelfs overeen met gij zult niet doden,
met begeer iemands anders goed niet en met de andere goddelijke geboden.
Het aantrekkelijke van een niet-religieus
geïnspireerde levenshouding is vooral hierin gelegen, dat de ethische
gedragsregels waartoe we als mens gekomen zijn, zonder enige bovennatuurlijke
tussenkomst, perfect in overeenstemming blijken te zijn met wat de wetenschap
ontdekt in onze genetische configuratie. De mens blijkt zo een essentieel
onderdeel te zijn van de wereld en wijkt niet fundamenteel af van al het andere.
Wij hebben dezelfde voorouders en dat kunnen we niet loochenen.
Natuurlijk is de mens een bijzonder levend
wezen, alleen al omwille van de spectaculaire, overheersende invloed die we als
soort hebben op onze wereld, dank zij ons subtiele intellectuele (sensu
latissimo) vermogens. Wat we echter ook doen en wat we verder ook mogen denken,
wij maken integraal en onlosmakelijk voor altijd deel uit van een wereld die
zowel in zijn materiële samenstelling als in zijn genetisch materiaal en zijn
primaire principes één is en allesomvattend. Er is op geen enkel moment en op
geen enkele manier ook maar enige behoefte aan andere, bovennatuurlijke of
buitenaardse, mysterieuze, voor de mens ontoegankelijke verklaringsgronden.
Voor onze moraal, onze leidraad in het
leven zouden we dus het best helemaal geen rekening houden met de helse straffen
die ons eventueel zouden te beurt vallen in het eeuwig leven dat ons wacht,
noch met de even onwaarschijnlijke en, eerlijk gezegd weinig aantrekkelijke hemelse
beloningen waarop de deugdzame gelovige mag hopen. Het speelt zich allemaal
hier en nu af, de korte tijd die we hier doorbrengen is de enige die we hebben,
daarna is het aan anderen. De deugd is haar eigen beloning, nu, heel concreet, terwijl
we ze beoefenen. Wie hier gelukkig wil zijn, doet er goed aan daarmee rekening
te houden. Dat is veel efficiënter dan te denken aan die mysterieuze vier
uitersten van de catechismus uit onze schooltijd.
Accommodatie: een woord met verscheidene betekenissen.
Dit is wat Van Dale weet:
(1624)
<Fr. accommodation (het naar iets schikken)
1 het
zich schikken naar de omstandigheden
synoniem:
aanpassing
2 (van
het oog) aanpassing van de brandpuntsafstand van de lens aan de verwijdering
van het waar te nemen object
3 al
wat ten behoeve van het verblijf van personen is aangebracht of ingericht
Daarmee weten we het essentiële. Er is
echter ook een theologische betekenis en het is daarover dat ik het even wilde hebben.
Wie de Bijbel leest, ontdekt daarin zonder
al te veel moeiteallerlei uitspraken
die tijdgebonden zijn. Het Oude Testament en ook het Nieuwe zijn essentieel
historische documenten. Ik haast me te zeggen dat ik daarmee bedoel dat ze
lange tijd geleden geschreven zijn, niet dat ze enige objectieve historische
betekenis zouden hebben. Dat blijkt op elke bladzijde. De Bijbel is geen
hedendaags document. Men heeft daaraan proberen te verhelpen door aangepaste
versies, zoals de Groot Nieuws Bijbel, een vertaling in de omgangstaal van een gelijksoortige
Engelse versie. Echt gelukt kan men dat niet noemen, je kan de taal wel
aanpassen, maar niet de hele context, anders blijft er niets van over.
Ernstige gelovigen hadden het ook lang
geleden al moeilijk met het niet-aangepast zijn van de Bijbel aan onze huidige
omstandigheden. Enkel de meest rabiate fundamentalisten houden nu nog vol dat
alles wat er staat onveranderd moet geloofd worden.
Waarom heeft God daarmee geen rekening
gehouden? Waarom heeft hij zijn openbaring zo tijdgebonden gemaakt? Heeft hij
dan zelf niet ingezien dat je allerlei zaken niet letterlijk kan blijven nemen?
Verliest de Bijbel niet aan geloofwaardigheid door de vele bevreemdende
passages? De tegenstanders van het geloof gebruiken die maar wat graag om de
hele Bijbel in vraag te stellen of zelfs belachelijk te maken.
Het is daarom dat men het begrip
accommodatie heeft uitgevonden. God heeft gesproken tot zijn volk, Israël, in
de loop der tijden en de auteurs van het Oude Testament waren door hem
rechtstreeks geïnspireerd. Het is precies daarom dat God zich tot hen gericht
heeft in hun eigen taal, in hun eigen beelden, opdat ze zijn boodschap
moeiteloos zouden begrijpen. Hetzelfde voor het Nieuwe Testament: de
evangelisten en Paulus en de andere apostelen en leerlingen hebben, eveneens
geïnspireerd door God, de boodschap uitgedrukt in de taal en stijl van hun
eigen tijd. God heeft destijds zijn boodschap aangepast aan de tijdelijke
omstandigheden.
Dat is accommodatie in theologische en exegetische
context. Op die manier kan je al de storende of zelfs belachelijke elementen
verschonen en zo de integriteit en meteen ook de autoriteit van de Bijbel
redden. Niet de letterlijke tekst is belangrijk, maar de onderliggende
boodschap. We moeten de Bijbel lezen in zijn eigen tijdskader. Als we die
historische omstandigheden goed kennen, zullen we precies inzien wat God
bedoeld heeft. Dan kunnen we dat desgewenst vertalen naar onze tijd. Niet door
de Bijbel te herschrijven, maar door hem uit te leggen: de exegese of
Bijbeluitlegging, de hoofdbezigheid van de bedienaars van de eredienst.
Dat klinkt goed, maar het is sofisterij.
Enerzijds houdt men onwrikbaar vast aan de
Bijbel als het Woord van God zelf, waaraan geen komma mag veranderd worden, anderzijds
zegt men dat het Woord van God goed moet uitgelegd worden. Dat is om
moeilijkheden vragen. Wie gaat namelijk die uitlegging op zich nemen? De Kerk
heeft heel snel ingezien dat er een groot gevaar schuilt in het verlaten van de
letterlijke tekst van de Bijbel. Het is niet voor niets dat het op straffe van
excommunicatie verboden was om als simpele lekengelovige de Bijbel te lezen: de
Bijbel stond op de index. Wie zich aan een vertaling van de Latijnse, Griekse
of Hebreeuwse tekst waagde, riskeerde de doodstraf, zoals William Tyndale, die
in 1536 hier bij ons, in het toen nog onbelaagd Vlaamse Vilvoorde werd
terechtgesteld.
Met de Reformatie brachten de protestanten
de Bijbel dichter bij de mensen door hem te vertalen in de volkstaal en met de
nieuwe drukkunst alom te verspreiden. Maar de katholieke kerk was er als de
kippen bij om erop te wijzen dat weldra elke strekking haar vertaling zou hebben,
elke vertaling haar eigen sekte. En zo geschiedde, zodat men in Nederland
wanhopig probeerde om de eenheid te herstellen met de zogenaamde
Statenvertaling zoals in Engeland met de St. James-versie.
Het probleem met elke exegese, elke
Bijbeluitleg is dat je wel weet waar je begint, maar niet waar je eindigt.
Fundamentalisten als Jehovahs getuigen houden daarom nog altijd vast aan de
ene tekst, maar dan wel hun versie.
Laten we een voorbeeld geven. Jezus heeft
water in wijn veranderd op de bruiloft in Cana (Johannes 2, 1-11). Men kan dat
letterlijk geloven als men dat wil, maar niet iedereen is daartoe bereid. Wie dat
wil interpreteren, zoekt achter deze voorstelling, achter dat verhaal, een
andere boodschap, ik laat het aan jouw verbeelding over welke. Ook de priesters
en predikanten hebben dat altijd al gedaan en hun verbeeldingsvermogen is
legendarisch. Geen probleem dus. Maar wat met de rest van de Bijbel? Moeten we
die ook symbolisch, metaforisch, metonymisch, psychoanalytisch, deconstructief,
structuralistisch, taalanalytisch, literair-kritisch of postmodernistisch
lezen? Welke elementen zijn aangepast, door God geaccommodeerd aan de kennis en
het begripsvermogen van de joden en de vroege christenen en welke moeten we daarentegen
letterlijk nemen? Is Christus werkelijk in Bethlehem geboren? Zongen de engelen
toen het gloria aan de hemel? Heeft de kindermoord plaatsgevonden? Is Christus
aan het kruis gestorven? Is hij verrezen? Opgestegen ten hemel? Heeft Christus
bestaan?
Er is geen enkel element in de Bijbel dat
niet door ten minste één iemand anders is uitgelegd dan dat het er staat. De
Bijbel is een niet al te lijvig boek, maar al de Bijbeluitleg die er ooit
geschreven is, lijkt wel op Jorge Luis Borges Babelse bibliotheek. Er is geen
gebouw groot genoeg op deze wereld om alles erin op te bergen
Dat is niet eens het grootste accommodatieprobleem.
Accommodatie in de exegetische betekenis van het woord is geen oplossing, maar
een probleem. Je kan de Bijbel niet redden door hem uit te leggen. Er is
namelijk niemand die daartoe het gezag heeft, tenzij men zich dat onrechtmatig
toe-eigent, wat onvermijdelijk tot gevolg heeft dat iemand anders dat gezag
aanvecht. Het spijt me dat ik het moet zeggen, maar in dezen hebben de
fundamentalisten het gelijk aan hun kant. Je kan als gelovige met de Bijbel
geen loopje nemen. Je moet hem aanvaarden zoals hij is, of hem verwerpen.
Ik aanvaard de Bijbel zoals hij is, zoals
hij ontstaan is, voor wat hij is: een bonte verzameling van teksten, geschreven
en herschreven door een schare begeesterde en helaas ook misleide mensen; een subjectief
en gekleurd getuigenis van een stuk geschiedenis van het mensdom; een
illustratie van wat godsdienst kan teweegbrengen; een merkwaardig literair en
historisch document. Maar niet het Woord van God, geen basis voor welk geloof
dan ook, geen morele leidraad, geen geschiedkundig betrouwbare bron voor
werkelijke gebeurtenissen.
Geen heilig boek.
Geen evangelie.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme