missionarissen


Eenige maanden later verliet Mijnheer Brabant huis en thuis, broeder, zuster en maagschap, om Gods willen, en trok henen naar het land dat God hem toogen zou, op zoek naar honderdvoudige belooningen van ’t Evangelie, en naar ’t eeuwigdurende rijk des Hemels. Hij ging te schepe binnen An,twerpen, den 28 oost 1869, wezende zijn patroondag, en was, in het afreizen tot aan Vlissinghe vergezeld door zijnen Heer Broeder; Heer Julius van de Ghinste, zijne rechtzweer, subdiakensedert 31 juli laatstleden; de Heeren Arthur Croquison en broeder Schelstraete en Alphons Ghyoot, studenten ter Hoogeschool te Leuven.
Bij zijn aanlanden in America schreef hij eenen langen brief, waarvan de voornaamste uitreksels luiden als volgt:
“Vertrokken uit Belgenland, 29 Augusti, ben ik eindelijk, 18 october, in Victoria toegekomen.
Dijsendag, omtrent 8 uren ’s morgens, verlieten wij Detroit en kwamen,’s avonds om 7 uren, in Chikago toe; des anderndags,’s avonds om 9 uren1/4, verlieten wij die schone stad, en om 4 uren ’s morgens reeden we over de Mississipi. Meer als twee dagen enzagen wij bijkans niets anders als weeden en effenen grond. ’t Is eene woonderbaar schoone streke, die maar de werkzame hand van den landbouwer af en wacht om rijke vruchten voort te brengen. ’t Was daar, aan den kant van een kleen water, dat wij de eerste indianen of wilden zagen. Hoe stonden zij te kijken naar het convoi.
’t Was tusschen 10 en 10 uren ’s avonds als wij in de nabijheid van Omaha kwamen. Nooit in mijn leven en heb ik zulken avond gehad! Voor alleer wij in de stad of beter het dorp Omaha traden moesten wij de Missouri overvaren. Wij trokken dan allen uit het convoi en naar de boot, tien minuten verre, logement in de stad gaan zoeken. Het regende en bliksemde, gelijk ik het nooit rond Kortrijk geweten hebbe, en het was helledonker!
Iedereen trachtte in een voiture te springen, zoodanig dat er geene plaatse meer en was als wanneer wij het ook meenden te doen. Wij trokken dan te voete naar de stoomboot, wij waren nat en ’t was al! Maar over de riviere was het wat anders! Wij waren nog eene kleene halve ure van Omaha; het regende slagwater, het donderde van langs om meer, en wij zagen geen vijf voet vooruit:wij moesten erdoor en wij en kenden den weg niet, en ’t en was niemand om ons te geleiden. Nu, wij deden wat wij konden, om het licht der voituren te volgen, maar ’t was eene state ten minsten zoo slecht als de vuilste staten rond Kortrijk, en wij slierden van den eene kant naar den anderen. Welhaast maakte ik mijn bedde, wij lachtten gelijk zotten en wij zweeten dat wij
Leekten. Mijne moet hernemende, riep ik tot de andere; Vogt mij na, komt! Ik had een reiszak op mijn schouderen en mijnen hoed onder mijnen arm, haastig gingen we vooruit, toen ik al met eens, slibberende, onderste boven in eene dijk van misschien 15 voeten diep rolde. Daar lag ik nu, en ‘k weet niet hoe het kwam, ik kon er bijna niet uit, zoodanig van het lachen.
Nooit en heb ik zulken geestigen avond gehad, maar ook nooit zulken schrikkelijken. Als wij ’s anderendags van Omaha vertrokken, ’t was om bijkans drie dagen in het convoi te zitten, zonder staan, of ’t en zij om voedsel te nemen. Op 25 september waren we reeds over Cheyenne; aldaar zagen wij het ijs op het water; de sneeuw lag op den grond, en ’t was bitter koud; wij trokken onze winterkleêren aan en de stoven wierden ontsteken in het convoi. Geen wonder dat het koud was, wij waren immers meer als 8000 voeten boven de vlakte van de zee. We waren op den berg geklommen zonder het vele te merken.
Wij hadden en haast niets anders als bergen en rotsen van Sumnutberg tot aan de Californien. Ik weet wel dat het op een zondagmorgen was dat wij naar een plaatse, Primontery genoemd, opreeden. Een tweede stoomsleper nam de helft van onzen trein, en in 20 minuten tijds waren we meer als drie duist voet hoog gevoerd! ’t Bijna ongeloovelijk, niet waar? Toen wij aan de Nevadabergen kwamen, hadden wij de schrikkelijkste Tooneelen. Duikers van twintig minuten lang, door de hardste rotsen geboord, en valleien van drie honderd voeten diepe, waarover een krakend brugsken lag!






