NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Foto
Categorieën
  • etymologie (72)
  • ex libris (35)
  • God of geen god? (139)
  • historisch (27)
  • kunst (5)
  • levensbeschouwing (207)
  • literatuur (27)
  • muziek (68)
  • natuur (7)
  • poëzie (75)
  • samenleving (192)
  • spreekwoorden (11)
  • tijd (11)
  • wetenschap (50)
  • stuur me een e-mail

    Druk op de knop om mij te e-mailen. Als het niet lukt, gebruik dan mijn adres in de hoofding van mijn blog.

    Zoeken in blog

    Blog als favoriet !
    interessante sites
  • Spinoza in Vlaanderen
  • de blog van Lut
  • The Secular Web
  • Vladimir Nabokov
  • tweedehandse boeken
    Archief per maand
  • 11-2017
  • 10-2017
  • 09-2017
  • 07-2017
  • 06-2017
  • 04-2017
  • 03-2017
  • 02-2017
  • 01-2017
  • 12-2016
  • 11-2016
  • 10-2016
  • 06-2016
  • 05-2016
  • 03-2016
  • 02-2016
  • 01-2016
  • 12-2015
  • 11-2015
  • 10-2015
  • 09-2015
  • 08-2015
  • 07-2015
  • 06-2015
  • 05-2015
  • 04-2015
  • 03-2015
  • 02-2015
  • 01-2015
  • 12-2014
  • 11-2014
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 01-2010
  • 12-2009
  • 11-2009
  • 10-2009
  • 09-2009
  • 08-2009
  • 07-2009
  • 06-2009
  • 05-2009
  • 04-2009
  • 03-2009
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 12-2008
  • 11-2008
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 12-2007
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 04-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 12-2006
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 06-2006
  • 05-2006
  • 04-2006
  • 03-2006
  • 02-2006
  • 01-2006
    Kroniek
    mijn blik op de wereld vanaf 60
    Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
    Elke week zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
    Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
    Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1300! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
    Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
    Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
    27-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Uriel da Costa's Testament in Nederlandse vertaling

    Met gepaste huiver maar niet zonder enige trots presenteer ik hier mijn originele vertaling van Exemplar humanae vitae, het zogenaamde Testament van Uriël da Costa. Een Nederlandse vertaling van deze tekst, die voor het eerst gepubliceerd werd in 1687, was niet meer in druk. Ik hoop hiermee deze lacune opgevuld te hebben. Citeren mag, met bronvermelding.

    De vertaling is gebaseerd op de Latijnse tekst van Gebhardt, Die Schriften des Uriel da Costa (1922). De toevoegingen die in het manuscript in de marge zijn vermeld, zijn zoals bij Gebhardt in de tekst opgenomen. Met het oog op de leesbaarheid heb ik eigen tussentitels ingevoegd waar dat nuttig leek en ook de tekst ingedeeld in kortere paragrafen.

    De vertaling volgt de oorspronkelijke tekst nauwlettend. Ik sta open voor alle opmerkingen of voorstellen tot correctie.

    Ik dank Jacques, Lut, Maria en Paul voor het geduldig nalezen en voor hun waardevolle suggesties. De verantwoordelijkheid voor de uiteindelijke tekst berust vanzelfsprekend bij mij.

    Karel


    Categorie:literatuur
    Tags:literatuur
    26-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Uriel da Costa, Een mensenleven als voorbeeld

    Een mensenleven als voorbeeld

     

    Afkomst

    Ik ben geboren in Portugal, in de gelijknamige stad, Porto in de volkstaal. Ik had ouders die tot de adel behoorden en die afkomstig waren van Joden die in dat land destijds met geweld tot het christendom gedwongen waren. Mijn vader was een waarachtig christen, een man die erg uit was op eerbewijzen en hoge prijs stelde op eerbaarheid. In zijn huisgezin ben ik eerbaar opgevoed. Aan huispersoneel ontbrak het niet. We hadden een Spaans raspaard op stal voor de ruitersport, waarin mijn vader zeer bedreven was, een voorbeeld dat ik van ver volgde. Toen ik eindelijk de opleiding had beëindigd die adellijke kinderen gewoonlijk krijgen, legde ik me toe op de studie van het recht.

    Wat mijn inborst en natuurlijke gemoedsstemming betreft, was ik van nature heel vroom en in die mate geneigd tot medelijden dat ik op geen enkele manier mijn tranen kon bedwingen, wanneer men vertelde over het onheil dat iemand anders overkomen was. Eergevoel was mij zo aangeboren, dat niets mij meer beangstigde dan eerloosheid. Van temperament was ik allesbehalve lafhartig, noch ontbrak mij de verontwaardiging wanneer de gelegenheid dat rechtvaardigde. Bijgevolg keerde ik mij terdege tegen wie hoogmoedig en onbeschaamd was en gewoon was anderen met misprijzen en met geweld kwaad te berokkenen, begerig als ik was om de zaak te dienen van de zwakkeren en me als bondgenoot veeleer met hen te verbinden.

     

    Christelijke opvoeding en twijfels

    Inzake religie heb ik in mijn leven ongelooflijk veel geleden. Zoals gebruikelijk was in dat land, werd ik opgevoed in de pontificale christelijke godsdienst. Toen ik nog een jongeling was en zeer bevreesd voor de eeuwige verdoeming, wou ik alle voorschriften nauwkeurig navolgen. Ik legde mij toe op de lezing van het Evangelie en van andere geestelijke boeken en nam de penitentieboeken van de biechtelingen door. Hoe meer ik me daarin verdiepte, hoe groter de problemen die bij mij oprezen. Uiteindelijk zonk ik weg in onontwarbare perplexiteit, angsten en benauwdheden. Ik werd verteerd door neerslachtigheid en droefheid. Het bleek mij onmogelijk nog te biechten volgens de Romeinse rite, om een volwaardige absolutie te kunnen krijgen en alles te doen wat daarvoor vereist was. Bijgevolg was ik wanhopig over mijn zielenheil, indien dat met dergelijke canons te bewerkstelligen was.

    Omdat het waarlijk moeilijk was een godsdienst te verlaten waarmee ik sinds mijn wieg vertrouwd was gemaakt en die door mijn geloof al zo diep in mij geworteld was, trok ik die in twijfel - dit gebeurde toen ik ongeveer tweeëntwintig jaar was - en vroeg me af of het niet mogelijk was dat wat er gezegd werd over het andere leven niet helemaal waar was en of het geloof dat men daaraan hechtte wel goed met de redelijkheid overeenstemde. Want het was zo dat de rede zelf heel wat aanvoerde en me voortdurend in het oor fluisterde wat daarmee helemaal in tegenspraak was. Met mijn gemoed zo in twijfel hield ik mij stil en kwam uiteindelijk tot het besluit dat het voor mij hoe dan ook onmogelijk was om mijn zielenheil na te streven door die weg te blijven gaan. Ik was, zoals gezegd, in die tijd bezig met mijn juridische studies en toen ik vijfentwintig was, deed de gelegenheid zich voor om een kerkelijk beneficie te bekomen, met name het eerbare ambt van schatbewaarder van een collegiale kerk.

     

    De wet van Mozes

    Omdat ik werkelijk in de pontificale christelijke godsdienst geen rust vond en ik verlangde een andere aan te hangen en me bewust was van de grote twisten tussen de christenen en de joden, nam ik de boeken van Mozes en de Profeten door. Daar vond ik een en ander dat niet weinig in tegenspraak was met het nieuwe verbond en waarin het woord van God minder moeilijkheden opleverde. Overigens was het ook zo dat aan het oude verbond zowel de joden als de christenen geloof hechtten, aan het nieuwe enkel de christenen. Toen ik eindelijk aan Mozes geloofde, meende ik dat ik ook de wet moest naleven, aangezien het zo was dat hij aanvoerde dat hij alles van God had vernomen en verklaarde dat hij een eenvoudige tussenpersoon was, door God zelf tot die taak geroepen, of veeleer ertoe gedwongen (zo misleidt men kinderen).

    Toen ik eenmaal tot dat besluit was gekomen, en omdat het in dat land niet toegelaten was om deze godsdienst op enigerlei wijze te belijden, overwoog ik om mijn domicilie te wijzigen en mijn eigen geboorteland te verlaten. Met het oog daarop aarzelde ik niet om dat kerkelijk beneficie over te dragen aan iemand anders, zonder me zorgen te maken om het voordeel of de eer die daaruit voorvloeide zoals gebruikelijk was bij het volk aldaar. Ik liet inderdaad een mooi huis achter, gelegen in een uitstekend deel van de stad en dat mijn vader had gebouwd. Vervolgens gingen we scheep, niet zonder groot gevaar: het was aan hen die van Joodse afkomst waren niet toegestaan om het land te verlaten zonder een speciale toelating van de koning; mijn moeder en ikzelf en mijn broers, aan wie ik, door broederliefde bewogen, deze geloofszaken had medegedeeld die me het meest algemeen aanvaard leken, terwijl ik over andere mijn twijfels had; dit had ernstige gevolgen voor mij kunnen hebben, zo gevaarlijk is het om in dat land over die zaken te spreken. Eindelijk kwamen wij na de zeereis aan te Amsterdam, waar we joden vonden die vrijuit handelden. Meteen hebben we voldaan aan het wettelijk voorschrift van de besnijdenis.

     

    Eerste confrontatie met de farizeeën

    Na verloop van weinige dagen heb ik ondervonden dat de gebruiken en voorschriften van de joden allerminst overeenstemden met datgene wat door Mozes voorgeschreven is. Daar waar de wet waarlijk zuiver dient onderhouden te worden, zoals de wet zelf ook verordent, hebben zij die de wijzen van de joden genoemd worden, ten onrechte heel wat uitgevonden dat geheel en al afwijkt van de wet. Derhalve kon ik mij niet weerhouden, ik dacht zelfs dat ik iets zou doen dat God welgevallig was door vrijmoedig de wet te verdedigen. Maar die joodse wijzen van heden ten dage zijn erg gehecht aan hun gebruiken en hebben een verderfelijke inborst behouden, in die mate dat ze zich hevig beijveren ten gunste van de sekte en de instellingen van de verfoeilijke farizeeën, tot hun eigen persoonlijk voordeel. Zo werd hen overigens terecht verweten dat zij de voorste zetels in de tempel innemen en het eerst worden begroet in de marktplaats.

    Zij konden dan ook op generlei wijze dulden dat ik zelfs maar in het geringste met hen van mening zou verschillen, maar eisten dat ik in alles zonder overtredingen hun voetsporen zou volgen. Deed ik dat niet, dan bedreigden zij mij met verwijdering uit de gemeenschap en met verbod op contact met eenieder, zowel in godsdienstige zaken als in menselijke. Het zou echter allerminst betamelijk zijn indien, uit vrees voor zoiets, iemand als ik de vlucht zou nemen, ik die omwille van mijn vrijheid aan mijn geboorteland en andere voordelen had verzaakt; mij onderwerpen aan mensen die bovendien niet over de nodige jurisdictie beschikten, was in een dergelijke kwestie noch vroom, noch manhaftig. Ik besloot om alles te verdragen en in mijn opvatting te volharden. Bijgevolg ben ik door hen geëxcommuniceerd van alle contact met anderen. Zelfs mijn eigen broers, die ik destijds had ingewijd, liepen mij voorbij zonder mij te groeten op straat, uit vrees voor hen.

     

    Het controversiële boek

    Toen de zaken er zo voorstonden, besloot ik om een boek te schrijven, waarin ik de gerechtigdheid van mijn zaak zou aantonen en vanuit de wet zelf op heldere wijze de ijdelheid zou bewijzen van die zaken die de farizeeën aanvoeren en onderhouden en de weerzin die hun tradities en instellingen oproepen bij de wet van Mozes. Toen ik daarmee begonnen was, geviel het mij (het past dat ik alles openlijk en naar waarheid vertel zoals het gebeurd is) dat ik met overtuiging en vastbesloten toetrad tot de mening van hen, die de beloning en de straf van de oude wet beperken tot het tijdelijke en allerminst bedacht zijn op het andere leven en de onsterfelijkheid van de zielen. Ik steunde mij onder meer op dit argument, dat de voornoemde wet van Mozes daarover geheel en al zwijgt en niets anders oplegt aan wie de wet naleeft of overtreedt, dan een beloning of straf die tijdelijk is.

    Zodra mijn vijanden doorhadden dat ik tot die opvattingen gekomen was, verheugden zij zich uitermate, ervan overtuigd dat zij zich verzekerd hadden van een behoorlijk grote steun vanwege de christenen, die volgens een bijzonder geloofspunt, gesteund op de wet van het Evangelie, waarin uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van eeuwig heil en straf, de onsterfelijkheid van de ziel geloven en aanvaarden. Met die intentie voor ogen en om mij het zwijgen op te leggen over de andere kwesties en me gehaat te maken bij die christenen, en nog voor mijn boek dat ik aan het schrijven was in druk was gegeven, lieten zij een boek verschijnen van de hand van een zekere arts, onder de titel Over de onsterfelijkheid van de zielen.

    In dat werkje kastijdde die arts mij copieus, als zou ik de opvattingen van Epicurus verdedigen (in die tijd had ik over Epicurus kwalijke ideeën en sprak mij vermetel over hem uit, zonder met hem kennis gemaakt te hebben of hem gehoord te hebben, op grond van onheuse verhalen van anderen; nadien heb ik naar waarheid van enkele waarheidlievende personen een oordeel over hem vernomen, evenals zijn leer zoals hij was en ik betreur dat ik ooit een dergelijk man als dom en infaam bestempelde, terwijl ik zelfs nu niet volledig over hem kan oordelen, omdat zijn geschriften mij onbekend zijn). Wie immers de onsterfelijkheid van de ziel ontkent, is maar een stap verwijderd van het afzweren van God.

    Hun kinderen, opgehitst door de rabbijnen en door hun ouders, troepten bijeen in de straat en beschimpten me met opgewonden stem en wekten mijn woede op met allerhande beledigingen en riepen me toe: ketter! Afvallige! Op een keer verzamelden zij zich zelfs voor mijn deur, gooiden met stenen en lieten niets onverlet om mij te verontrusten, zodat ik zelfs in mijn eigen huis niet meer gerust bezig kon zijn. Toen dat tegen mij gerichte boek was verschenen, bereidde ik mij meteen voor op mijn verdediging en schreef daartegen een ander boek, waarin ik de onsterfelijkheid met alle kracht bestreed, hier en daar en passant zaken vermeldend waarin de farizeeën afwijken van de wet van Mozes. Zodra dit boekje verschenen was, kwamen de senatoren en de Joodse magistraat bijeen en stelden over mij een beschuldiging op bij de openbare magistraat, zeggende dat ik een boek had geschreven waarin ik de onsterfelijkheid van de zielen ontkende en niet alleen hen krenkte maar ook de christelijke godsdienst ontwrichtte. Op grond van die aanklacht van hen ben ik naar de gevangenis geroepen en na een verblijf aldaar van acht of tien dagen ben ik onder borgtocht vrijgelaten: de Schout eiste van mij een onderpand en uiteindelijk ben ik veroordeeld om hem driehonderd florijnen te betalen, met verbeurdverklaring van de boeken.

     

    Ondanks twijfels over de wet van Mozes: verzoening

    Nadien heeft het verloop van de tijd, waarin de ervaring en de jaren veel hebben duidelijk gemaakt en bijgevolg de mening van een mens hebben veranderd, me opnieuw doen twijfelen. Het betaamt, zoals ik al zei, om vrijmoedig te spreken; wat zou het niet toegestaan zijn aan iemand die als het ware een testament opmaakt, om aan de mensen een verantwoording achter te laten van zijn leven, een waarachtig voorbeeld van menselijk onheil en althans ten dode de waarheid te verhalen? Ik trok in twijfel dat de wet van Mozes voor die van God moest gehouden worden. Er was immers veel dat het tegendeel aantoonde, of liever, dat me dwong om dat te zeggen. Ik besloot ten slotte dat de wet van Mozes dat niet was, doch slechts een verzinsel van de mensen, zoals er ontelbare andere in de wereld geweest zijn. Veel was immers strijdig met de wet van de natuur; als schepper van de natuur kon God niet met zichzelf in tegenspraak zijn en in tegenspraak zou hij zijn, indien hij de mensen zou opdragen dingen te doen die in strijd waren met de natuur, waarvan men zegt dat hij de schepper is.

    Toen ik tot dat besluit was gekomen, zei ik tot mezelf: wat nut heeft het (en ik wou dat een dergelijke gedachte nooit in mijn gemoed was binnengeslopen) dat ik totterdood in deze situatie zou blijven, gescheiden van gemeenschap met deze oudsten en dit volk, temeer daar ik een balling was in deze streken, niet vertrouwd met de burgers en zelfs hun taal onkundig? Het zou genoegzamer zijn om in hun gemeenschap te komen en hun voetsporen te volgen zoals ze wensten en, zoals men zegt, als een aap onder de apen te handelen. Aangezet door die overweging keerde ik terug in hun gezelschap en trok mijn uitspraken weer in, en dit na verloop van vijftien jaren, die ik van hen gescheiden had doorgebracht. Een neef van mij was nu als het ware de tussenpersoon voor deze verzoening.

     

    Nieuwe beschuldigingen

    Na verloop van enige dagen werd ik aangeklaagd door een kind, de zoon van mijn zuster, die bij mij thuis was, over het voedsel, de bereidingswijze en andere kwesties, waaruit bleek dat ik geen jood was. Wegens deze aanklacht braken nieuwe en bittere twisten uit. Die neef van mij immers, van wie ik vermeldde dat hij de tussenpersoon was geweest voor de verzoening, was van oordeel dat mijn daad hem te schande maakte; hij was inderdaad zeer hoogmoedig en arrogant, nu eens onvoorzichtig, dan ook weer onbeschaamd. Hij is openlijk tegen mij ten strijde getrokken en schaarde al mijn broeders achter zich en liet niets onverlet dat ook maar enigszins kon bijdragen tot mijn ondergang en de verguizing van mijn eer, mijn bezit en bijgevolg mijn leven. Hij verhinderde een huwelijk dat ik op het punt stond aan te gaan; ik had toen inderdaad mijn echtgenote verloren. Hij zorgde ervoor dat een broer van mij sommige van mijn bezittingen die hij in handen had, achterhield en verstoorde zo de zakelijke relaties die er tussen ons waren. Wegens de situatie waarin ik mij toen bevond, heeft mij dat zoveel nadeel berokkend als nauwelijks gezegd kan worden. Het moge volstaan nu te stellen dat deze man mijn meest gevaarlijke vijand was inzake mijn eer, mijn leven, mijn have en goed.

    Naast deze oorlog binnen onze familie, zoals ik die noemde, was er een andere, publieke oorlog, namelijk met de rabbijnen en het volk, die mij begonnen te haten met vernieuwde woede en zij brachten onbeschaamd allerlei tegen mij in, zodat ik mij terecht van hen afkeerde. Daarbij gebeurde er nog iets anders. Ik had immers toevallig een gesprek met twee personen die naar deze stad waren gekomen vanuit Londen, de ene een Italiaan, de andere daarentegen een Spanjaard; het waren christenen, niet van Joodse origine en zij gaven aan behoeftig te zijn en vroegen mijn raad over wat nodig was om tot de gemeenschap van de Joden toe te treden en over te gaan tot hun godsdienst. Ik gaf hun de raad dat niet te doen, maar veeleer zo te blijven: ze wisten immers niet wat voor een juk ze zich op de nek zouden halen. Onderwijl waarschuwde ik hen om namens mij niets aan de joden bekend te maken, wat ze me ook beloofden. Die kwaadwillige personen waren uit op kwalijk gewin, dat ze hoopten zo te zullen ontvangen en als dank maakten ze alles bekend aan de farizeeën, mijn dierbaarste vrienden.

     

    De aanklacht

    Daarop zijn de voornaamsten van de synagoge bijeengekomen, de rabbijnen zijn in woede ontstoken en de brutale menigte riep met luide stem: kruisig hem, kruisig hem! Ik werd voor de grote raad gedaagd en zij legden mij voor wat zij tegen mij hadden, met gedempte en droevige stem als was het een halszaak; ze verkondigden ten slotte dat, als ik een Jood was, ik hun oordeel moest afwachten en eraan voldoen; deed ik dat niet, dan zou ik nogmaals geëxcommuniceerd worden. Wat een voortreffelijke rechters, die wel rechters zijt om mij te benadelen, maar wanneer ik uw oordeel nodig heb om mij te vrijwaren van het geweld van een ander en erover te waken dat ik ongedeerd blijf, dan zijt gij geen rechters maar de vuigste slaven, onderworpen aan vreemd gezag. Wat is uw oordeel waaraan gij wilt dat ik me onderwerp?

    Alsdan werd een aanklacht voorgelezen waarin stond dat ik in rouwkledij gehuld de synagoge moest betreden, een zwarte kaars in de hand en een aantal vastgelegde woorden uitbraken, door hen voorgeschreven en afschuwelijk genoeg, in het openbaar en in aanwezigheid van de opgehitste gemeenschap, woorden die de ongerechtigheden die ik bedreven had tot in de hemel opvoerden. Vervolgens moest ik dulden dat ik in het openbaar in de synagoge gegeseld werd met een lederen zweep, of strengen. Vervolgens moest ik mij neerleggen op de drempel van die synagoge zodat iedereen over mij heen stapte, en op bepaalde dagen vasten. Toen de aanklacht was voorgelezen laaide mijn gemoed op en brandde in mij een onblusbare woede. Maar ik beheerste me en antwoordde gewoon dat ik aan zoiets niet kon voldoen. Toen ze mijn antwoord gehoord hadden, besloten zij mij weerom te verwijderen uit de gemeenschap.

     

    Ballingschap

    Maar daarmee niet tevreden, spuwden velen onder hen wanneer ze mij op straat tegenkwamen en ook hun kinderen deden dat, door hen aangezet. Ik werd alleen maar niet gestenigd, omdat de toelating ontbrak. Die strijd duurde zo zeven jaar en gedurende die tijd heb ik ongelooflijke dingen ondergaan. Zoals ik zei waren er twee legers tegen mij in het geweer, de ene strijdmacht die van het volk, de andere die van mijn naasten, die om zich op mij te wreken het op mijn eer gemunt hadden. Zij rustten niet alvorens ze mij uit mijn eerdere situatie hadden verdreven; ze zeiden immers onder elkaar: hij zal niets doen behalve onder dwang, dus moet hij gedwongen worden. Als ik ziek was, was ik eenzaam ziek. Als enige andere last mij geviel, hielden ze dat onder hen voor een felbegeerde uitkomst. Wanneer ik voorstelde dat iemand uit hun midden scheidsrechter zou zijn om tussen ons recht te spreken, kon dat geenszins. Over dergelijke zaken spreken met de magistraat, wat ik ook begon te proberen, was een zeer lastige onderneming. Lang was immers de weg om bij het gerecht een proces aan te spannen, waar naast vele andere lasten talrijke nevenkwesties en verdagingen gebruikelijk waren.

    Zij zeiden maar al te vaak: onderwerp je aan ons, wij zijn immers als vaders voor jou, en denk of vrees niet dat wij u gemeen zullen behandelen. Zeg nu een keer dat ge bereid zijt om alles te volbrengen wat wij u opgelegd hebben en laat dan de afloop van de kwestie aan ons over, wij zullen immers alles doen zoals het betaamt. Mocht ik over deze kwestie van mening veranderen, dan ware een dergelijke onderwerping en aanvaarding, met geweld afgedwongen, voor mij ongemeen schandelijk.

    Niettemin, om deze aangelegenheid tot een einde te brengen en me eens te verklaren met haar afhandeling, overwon ik mijn weerstand en nam het vaste besluit om alles te aanvaarden en te ondergaan wat ze wilden. Immers, indien er mij afschuwelijke zaken zouden opgelegd worden en oneerbare, zouden die veeleer voor mijn zaak pleiten, tegen henzelf in en aan het licht brengen hoe hun gevoelens tegenover mij waren en hoe goed ze te vertrouwen waren. En uiteindelijk is duidelijk geworden hoe afschuwelijk en verwerpelijk de zeden zijn van die lieden, die de meest eervolle mensen afschuwelijk misbruiken als waren het de meest gemene slaven. Ik zei hun immers: ik zal alles vervullen wat gij mij maar hebt opgelegd.

     

    De tuchtiging

    Hoor mij nu aan, eenieder die eerlijk, bedachtzaam en menselijk is en overweeg keer op keer, uw geestesoog strak gevestigd, welk een oordeel die lieden over mij geveld hebben, inzonderheid lieden die aan een vreemd gezag onderworpen zijn, en dit zonder enige overtreding van mijn kant.

    Ik trad de synagoge binnen, die vol was met mannen en vrouwen; zij waren immers gekomen voor het spektakel. Toen het ogenblik aangebroken was, beklom ik het houten spreekgestoelte in het midden van de synagoge, bestemd voor de bijeenroeping en andere functies; met heldere stem las ik het geschrift voor dat zij hadden opgesteld en waarin een bekentenis was opgenomen, onder meer dat ik het verdiende om duizendmaal te sterven voor de feiten die ik had gepleegd, namelijk verbreking van de sabbat, het niet onderhouden van het geloof, dat ik in die mate geweld aandeed, dat ik zelfs anderen ervan overtuigde om niet in te treden in het Jodendom. Om daarvoor te boeten wilde ik me onderwerpen aan hun verordening en voldoen aan die zaken die me waren opgelegd, belovend dat ik in het vervolg niet opnieuw zou vervallen in dergelijke ongerechtigheden en misdaden.

    Na deze voorlezing stapte ik af van het spreekgestoelte; de hogepriester kwam naar me toe en fluisterde me in het oor dat ik me naar een bepaalde hoek van de synagoge moest verwijderen. Ik wendde mij naar die hoek en een deurwachter zei dat ik mij moest ontbloten. Ik ontblootte mijn lichaam tot aan de gordel, bond een linnen hoofddoek om, trok mijn schoenen uit en hief mijn armen op, met mijn handen een soort van zuil omvattend. De deurwachter kwam naderbij en maakte mijn handen met een soort band vast aan de zuil. Toen dit gedaan was, kwam de voorzanger naderbij, nam de zweep en sloeg mijn lenden met negenendertig slagen, volgens de traditie: het voorschrift van de wet was immers dat men de veertig slagen niet zou overschrijden; deze lieden waren zo godsvruchtig en nauwgezet dat ze erop letten niet te zondigden door er teveel te geven. Tijdens de tuchtiging werd een psalm gezongen.

    Toen dit vervuld was, ging ik op de grond zitten en de voorganger, of wijze (hoe lachwekkend zijn de menselijke aangelegenheden!) kwam naderbij en ontsloeg mij van de excommunicatie. Zo werden mij alreeds de poorten des Hemels geopend die mij, tevoren met de allersterkste grendels afgesloten, van de drempel en de toegang uitsloten. Daarna trok ik mijn kleren weer aan en begaf me naar de dorpel van de synagoge, legde me neer en de huisbewaarder ondersteunde mijn hoofd. Dan stapten allen, die naar buiten kwamen, over mij heen, dat wil zeggen ze hieven één voet op en stapten over het onderste deel van mijn onderbenen heen. Dat deden ze allen, jong zowel als oud. Er zijn geen apen die aan mensenogen meer ongerijmd gedoe of meer lachwekkende gedragingen kunnen ten toon spreiden. Toen deze opdracht volbracht was en er dan niemand meer achterbleef, stond ik op die plaats op en de man die mij had bijgestaan, stofte mij af, opdat niemand zou zeggen dat zij mij niet met respect hadden bejegend: daar waar ze met de zweep hadden gekastijd, hadden ze anderzijds getreurd en mijn hoofd gestreeld. Ik begaf me naar huis.

     

    Verontwaardiging

    O, meest onbeschaamde van alle mensen! O, meest vervloekte vaders, van wie ik geen enkele wet hoefde te vrezen! Dat wij u hiervoor zouden geselen, zeiden ze, we denken er niet aan! Moge elkeen die het hoort nu oordelen wat een spektakel het was om een oudere man te zien, niet onbedeeld door het lot, van nature boven alles waarheidlievend van aard, in een publieke bijeenkomst in aanwezigheid van allen, mannen zowel als vrouwen en kinderen ontbloot, geslagen met de zweep op bevel van rechters en wel van zulke rechters, dat het veeleer verwerpelijke slaven zijn dan rechters. Moge men overwegen wat een smart het was om aan de voeten van zijn meest boosaardige vijanden neer te vallen, van wie men zoveel kwaad en onrecht moest aannemen en zich op de grond gelegen met voeten te laten treden.

    Wat nog erger is, een onnatuurlijk mirakel, een gruwelijk monster, de aanblik waarvan men verafschuwt en vlucht, zo moge terecht gezegd worden: men stelle zich voor dat mijn natuurlijke broeders uit dezelfde schoot, geboren uit dezelfde vader en moeder, samen opgevoed in hetzelfde gezin, te dien einde alles in het werk gesteld hebben, geen oog hebbend voor de liefde waarmee ik hen steeds heb liefgehad, zoals mij immers eigen was en aangeboren; noch voor de vele weldaden die ze tijdens hun leven van mij hadden aangenomen; in ruil daarvoor viel mij als vergoeding oneer te beurt, verdoemenis, kwaad, zoveel afschuwelijks en onuitsprekelijks, dat ik schroom om het te verhalen.

    Zij die me zo haatten en nooit genoeg kunnen verfoeid worden, zeiden dat ze mij rechtmatig straffen hadden opgelegd, als voorbeeld voor anderen, opdat nadien niemand zich zou durven verzetten tegen hun leerstellingen of iets tegen de wijzen zou schrijven. O grootste schurken van de hele mensheid en vaders van alle leugen! Hoeveel meer terecht ware het dat ik u zou bestraffen als een voorbeeld, opdat gij daarna niet onbeschaamd zoiets zou aandurven tegen waarheidlievende personen, die bedrog haten, vrienden van de hele mensheid zonder onderscheid, van wie gij de gemene vijanden zijt, aangezien gij alle volksgroepen minacht en hen onder de beesten rekent, terwijl alleen gij tot in de hemel onbeschaamd tekeer gaat, uzelf vleiend met uw leugens, terwijl gij niets hebt om u werkelijk op te beroemen.

    Tenzij misschien uw roem hierin bestaat dat gij bannelingen zijt, door allen geminacht en gehaat wegens uw belachelijke en exquise gewoonten, door middel waarvan gij u van de rest van de mensen wilt distantiëren. Indien gij u echter wilt beroemen op eenvoud van leven en rechtvaardigheid, wee u, die daarin zonder twijfel de minderen van de meesten zult blijken. Daarom zeg ik: ik wou, mocht ik over de kracht beschikken, dat ik op hen wraak kon nemen voor het allerergste kwaad en het vreselijkste onrecht waarmee zij mij hebben overladen en waarom ik het leven zelf grondig heb gehaat. Welk eerzaam mens zou het immers lijdzaam ondergaan om een eerloos leven te leiden? En zoals iemand terecht gezegd heeft: ofwel leven zoals het hoort, ofwel eervol sterven past de nobele mens.

     

    Een tegen allen

    Mijn zaak is immers zoveel rechtvaardiger dan de hunne, als de waarheid de leugen te boven gaat. Zij zetten zich in voor het bedrog, om mensen te misleiden en tot slaaf te maken. Ik echter voor de waarheid en voor de natuurlijke vrijheid van de mensen en het betaamt veeleer dat zij, vrij van vals bijgeloof en van de meest zinloze riten, een leven leiden dat mensen niet onwaardig is. Ik geef toe dat het mijn zaak meer had gediend indien ik van meet af aan zou gezwegen hebben en aanvaardend wat er in de wereld gebeurt, mijn mond had gehouden. Dat komt immers goed uit voor wie met mensen moeten omgaan, zodat zij niet door een onwetende menigte noch door onrechtvaardige tirannen verdrukt worden, zoals gewoonlijk gebeurt. Eenieder immers die bezorgd is voor zijn eigenbelang zet zich in om de waarheid te verdrukken, spant valstrikken voor de kleinen en treedt het recht met voeten. Maar nadat ik, misleid door een onware godsdienst onvoorzichtig het strijdperk had betreden, ware het beter met lof ten onder te gaan, of anders te sterven zonder die smart, die bij eerzame mensen samengaat met smadelijke vlucht of ongepast geduld.

    Zij beroepen zich gewoonlijk op hun aantal. Gij alleen moet het afleggen tegenover ons, die met velen zijn. Vrienden, het is best nuttig dat de ene toegeeft aan de meerderheid, opdat hij niet door hen verscheurd wordt. Maar niet alles wat nuttig is, is meteen eervol. Eervol is het voorwaar niet om oneervol te wijken en aan de gewelddadigen en de onrechtvaardigen de overwinning te laten. Gij moet daarom bevestigen dat moed lovenswaardig is en aan hoogmoedigen weerstaan zoveel als mogelijk is, opdat zij niet door kwaad te doen en door voordeel te halen uit hun boosaardigheid van dag tot dag nog meer hoogmoedig worden. Het is echter eerzaam en een vroom en genereus mens waardig, om nederig te zijn met de nederigen, een schaap onder de schapen; maar het is dwaas en men moet het eerloos en laakbaar noemen indien men de strijd met leeuwen aangaat en de houding van een schaap aanneemt.

    Want indien men het als een van de meest eervolle zaken beschouwt om voor het vaderland te strijden totterdood, omdat het vaderland iets van ons is, waarom dan niet voor onze eigen eer, die uitermate de onze is en zonder dewelke wij niet goed kunnen leven, tenzij we misschien als smerige varkens willen rollen in de allersmerigste modder van het winstbejag. Maar mijn gruwelijke spotters zeggen dat hun recht helemaal gesteund is op hun groot aantal: wat kan jij alleen tegen zovelen? Ik bevestig en betreur dat ik door uw overmacht word overweldigd; maar door die gedachten en uw uitspraken rijst in mijn inborst nog meer woede op en schreeuwt het uit dat het gewetenloos is om tegenover goddelozen, hoogmoedigen, hooghartigen en onverzettelijken met eerbied tewerk te gaan. Dat was mijn woord, maar de krachten ontbraken mij.

     

    Verstoten

    Ik weet dat die tegenstanders van mij, met de bedoeling mijn naam te besmeuren bij het ongeletterde volk, gewoon waren om te zeggen: die daar is geen jood, geen christen, geen mohammedaan. Let maar liever op wat je zegt, farizeeër. Want gij zijt blind en terwijl ge van boosaardigheid overloopt, slaat ge toch toe als een blinde. Ik vraag u, zeg me wat ge mij zoudt zeggen indien ik een christen was? Het is duidelijk dat ge zoudt zeggen dat ik de vuigste van alle afgodendienaars ben en dat ik met Jezus van Nazareth als leraar van de christenen, van de ware God straffen zou krijgen waarbij ik het leven zou inschieten. Indien ik een mohammedaan was, dan wist iedereen meteen met welke eerbetuigingen ge me zoudt overstelpen. Op die manier kan ik mij nooit aan uw gezeur onttrekken en is er maar een uitweg, namelijk aan uw knieën neervallen en uw smerige voeten kussen, ik bedoel uw goddeloze en vreesaanjagende leer.

    Ik bid u, kent ge een andere godsdienst dan die ik vermeldde, waarvan ge de laatste twee voor vals houdt en niet zozeer godsdiensten noemt maar een afkering van de godsdienst. Ik hoor u al zeggen dat ge tot hier toe slechts één godsdienst kent, die waarlijk een godsdienst is en door middel waarvan de mensen aan God kunnen behagen. Indien immers alle volkeren, met uitzondering van de Joden (want het hoort zo te zijn dat gij altijd van de anderen gescheiden zijt en u niet verbindt met het gewone volk en de eerlozen), de zeven voorschriften zouden naleven waarvan gij zegt dat Noah ze naleefde en anderen die voor Abraham leefden, dan is dat voldoende voor hun heil. Bijgevolg is er inderdaad volgens u een andere godsdienst, waarin ik kan ingewijd worden, ook al ben ik van Joodse origine. Ik zal derhalve met smeekbeden van u afsmeken dat gij mij vergunt om mij te mengen onder die andere menigte; verkrijg ik dat niet van u, dan neem ik zelf de toelating.

     

    De ware wet

    O blinde farizeeër! Gij hebt de wet vergeten die de eerste is en er was sinds het begin en er altijd zal zijn en ge vermeldt niettemin andere wetten, die later een aanvang namen en die ge vervloekt, met uitzondering van die van u, die anderen ook veroordelen, of ge het wilt of niet, op grond van de ware rede, die de echte norm is voor die natuurlijke wet, die gij vergeten hebt en die ge graag wilt begraven, zodat ge uw verfoeilijk juk kunt leggen op de nek van de mensen, hun gezonde geest in verwarring brengt en hen onmondig maakt.

    Maar nu we daartoe gekomen zijn, past het dat ik er even blijf bij stilstaan en dat ik de lof van deze primordiale wet niet helemaal verzwijg. Ik zeg daarom dat deze wet gemeenschappelijk is en aan alle mensen aangeboren, door het feit zelf dat ze mensen zijn. Die wet verbindt hen allen door wederzijdse liefde, kent geen verdeeldheid, die de oorzaak en de oorsprong is van alle haat en van het allergrootste kwaad. Die wet is de leermeester voor het goede leven, maakt het onderscheid tussen recht en onrecht, tussen het vuige en het eervolle. Al het beste in de wet van Mozes of in enig andere, bevat de wet van de natuur helemaal en volmaakt in zich en zodra men ook maar enigszins afwijkt van deze natuurlijke norm, ontstaat er meteen tweedracht, ontstaat er meteen een scheiding van de geesten en kan er geen rust komen. Wijkt men er echter op belangrijke wijze van af, wie zal dan bij machte zijn om het kwaad op te sommen en de afschuwelijke monsters die in deze afdwaling hun oorsprong vinden, en hun gevolgen?

    Wat heeft de wet van Mozes of gelijk welke andere voor voortreffelijks, met betrekking tot de gemeenschap van de mensen, zodat de mensen behoorlijk met elkaar samenleven en goed overeenkomen? Voorzeker is het eerste: zijn familieleden eren, vervolgens: zich niet vergrijpen aan het goed van een ander, of dit goed behoort tot het leven, de eer, of andere zaken die bevorderlijk zijn voor het leven. Ik vraag je: wat in deze regels is niet vervat in de wet van de natuur en de ware norm die tot ons gemoed behoort? Van nature beminnen wij onze kinderen, kinderen hun ouders, een broer zijn broer, een vriend zijn vriend. Van nature wensen wij dat al ons bezit veilig is en haten wij diegenen die onze vrede verstoren en hen die onze eigendommen van ons willen afnemen, met geweld of door list.

    Uit deze natuurlijke wens van ons volgt het klare besluit, te weten dat wij die overtredingen niet mogen begaan, die wij bij anderen veroordelen. Indien wij immers anderen veroordelen omdat zij ons bezit ontvreemden, veroordelen wij meteen onszelf indien wij ons aan dat van een ander vergrijpen. Ziedaar een eenvoudig principe dat wij hebben dat in elke wet geldt. Wat het voedsel betreft, dat laten wij over aan de artsen; zij kunnen ons immers genoegzaam passend onderrichten welk voedsel heilzaam is en welk daarentegen schadelijk kan zijn. Wat echter de andere ceremoniëlen betreft, de rituelen, de regels, de offeranden, de tienden (een uitzonderlijke bedriegerij, waarbij iemand op schandelijke wijze geniet van het werk van een ander), helaas, helaas! Hoe betreuren wij het dat wij in dergelijke labyrinten terechtgekomen zijn door de boosaardigheid van mensen.

    De ware christenen, die dit hebben ingezien, verdienen stellig onze lof omdat ze al die zaken naar de verbanning verwezen hebben en alleen die behouden hebben, welke ze als moreel verantwoord beschouwden voor het goed leven. Wij leven niet goed wanneer we veel onbeduidende dingen onderhouden, we leven daarentegen goed wanneer we op redelijke wijze leven. Men zou kunnen zeggen dat de wet van Mozes of het Evangelie iets bevat dat hoogstaander en volmaakter is, met name dat wij onze vijanden moeten liefhebben, en wat de natuurwet niet vermeldt. Daarop antwoord ik, zoals ik voorheen al zei: indien wij van de natuur afwijken en iets gaan uitvinden dat meer is, ontstaat meteen tweedracht en wordt de rust verstoord. Wat baat het dat mij onmogelijke dingen worden opgedragen, die ik niet kan vervullen! Indien men stelt dat het van nature onmogelijk is om zijn vijanden lief te hebben, komt daar niets anders van dan droefheid van gemoed. Het is immers van nature niet helemaal onmogelijk om zijn vijanden goed te behandelen (dat kan ook gebeuren zonder liefde), omdat de mens, algemeen gesproken, een natuurlijke neiging heeft tot eerbied en meevoelen. Bijgevolg kunnen we niet absoluut ontkennen dat een dergelijke perfectie in de natuurwet begrepen is.

     

    De valse wet

    Laten we nu dit bekijken, met name welke kwalijke zaken ontstaan, wanneer wij al te zeer van de natuurwet afwijken. Wij zegden dat er tussen ouders, kinderen, broers en vrienden een natuurlijke liefdesband is. Een dusdanige band vernietigt en vervaagt een positieve wet, of het nu die van Mozes is, of van om het even wie anders, wanneer die voorschrijft dat een vader, broer, echtgenoot of vriend, zijn zoon, broer, echtgenoot of vriend moet doden of verraden voor de godsdienst, of wanneer een dergelijke wet iets voorschrijft dat meer is en superieur en dat niet door de mensen kan nageleefd worden; en wanneer het nageleefd zou worden, ware dat de hoogste misdaad tegen de natuur, want de natuur verafschuwt dergelijke zaken. Maar wat zou ik dat nog vermelden, wanneer de mensen in die mate in waanzin vervallen zijn, dat ze hun eigen kinderen aan afgoden, die ze goddeloos vereren, als brandoffer aanbieden en in die mate afwijken van de natuurlijke norm en hun natuurlijke vaderlijke gevoelens zo besmeuren.

    Hoeveel aangenamer ware het wanneer de mensen zich hielden aan de natuurlijke grenzen en nooit dergelijke vreselijke uitvindsels zouden bedenken! En wat te zeggen over de terreur en de bezwarende angsten, waarin de boosaardigheid van de mensen anderen doet belanden. Niemand hoefde daaronder te lijden, indien men enkel naar de natuur zou luisteren, die zoiets helemaal niet kent. Hoeveel zijn er niet die wanhopen over hun heil? Die martelingen ondergaan op grond van ideeën die ze van anderen overnemen? Die moedwillig een in alle opzichten miserabel leven leiden, hun lichaam ellendig kastijden, de eenzaamheid en de afwezigheid uit de gemene omgang met anderen nastreven, onophoudelijk verscheurd door innerlijke kwellingen, die zelfs het kwaad dat ze in de toekomst vrezen al betreuren als was het er nu al.

    Deze en andere ontelbare kwalen brengt een valse godsdienst, die door mensen kwaadwillig is verzonnen, met zich mee voor de stervelingen. Ben ikzelf niet een van de velen, die door zulke bedriegers uitermate misleid ben en door hen te geloven mijzelf te gronde heb gericht? Ik spreek uit ervaring. Maar zij zeggen: als er geen andere wet bestaat dan de natuurwet en de mensen niet door het geloof tot het besef komen dat er nog een ander leven is en de eeuwige straffen vrezen, waarom zouden ze dan niet zonder ophouden het kwade doen? Gij hebt dergelijke verzinsels bedacht (wellicht ligt hier meer verborgen, want men moet vrezen dat ge aan anderen een last hebt willen opleggen voor uw eigen profijt) en gelijkt zo op hen die om onmondige kinderen vrees aan te jagen, spoken verzinnen of andere vreesaanjagende namen bedenken, zodat kleine kinderen door schrik verteerd zich naar hun wil schikken en hun eigen wil laten gijzelen door walging en neerslachtigheid. Maar die dingen vallen inderdaad voor, zolang een kind onmondig is. Zodra het echter de ogen van zijn geest opent, lacht het met dat bedrog en vreest spoken niet meer. Zo belachelijk zijn die verzinsels van u, dat ze enkel kleine kinderen en dwazen vrees kunnen aanjagen; de overigen, die u doorhebben, lachen met u.

    Ik laat het om nu te spreken over de gerechtvaardigdheid van zulk bedrog; omdat gij zelf, die dergelijke dingen verzint, in uw eigen wetten voorziet dat men geen kwaad mag doen opdat er goed uit voorkome. Tenzij gij het misschien niet als een kwaad aanrekent om te liegen met ernstige consequenties voor iemand anders en aan kleingeestigen de kans te geven om dwaasheden te begaan. Indien er in u een zweem van ware godsdienstigheid is of van schroom, dan zoudt gij ongetwijfeld niet weinig moeten vrezen, aangezien gij zoveel kwaad in de wereld hebt binnengebracht, zoveel verwijdering hebt teweeggebracht tussen de mensen, zoveel vijandigs en oneerbiedigs in het leven hebt geroepen, in die mate dat gij niet geaarzeld hebt om zonder schroom ouders tegen hun kinderen en kinderen tegen hun ouders op te zetten.

    Een kwestie wil ik u voorleggen, namelijk deze: wanneer gij die dingen verzonnen hebt wegens de boosaardigheid van de mensen, om hen met verzonnen verschrikkingen binnen de perken te houden, omdat ze anders het kwaad ten prooi zouden vallen, is het in u dan niet opgekomen dat gij eveneens mensen zijt die vol zijn van boosaardigheid, die niets goeds kunnen verrichten, zonder ophouden niets dan kwaad aanrichten, anderen schade berokkenen en niemand met mededogen behandelen? Ik merk al dat gij tegen mij in woede ontsteekt, die u een dergelijke vraag durft voor te leggen en dat elk van u heftig opkomt voor de gerechtigheid van uw daden. Er is niemand die niet van zichzelf beweert dat hij schroomvallig is, mededogend, verknocht aan waarheid en recht. Ofwel zijn daarom deze dingen die gij zo over uzelf zegt vals, ofwel klaagt gij valselijk de boosaardigheid van alle mensen aan, die gij met spoken en verzonnen verschrikkingen wilt genezen en zo God krenkt, die gij als de meest wrede beul en als een verschrikkelijke scherprechter aan de ogen van de mensen voorstelt en zo de mensen krenkt, die gij wilt geboren zien voor een zo betreurenswaardige ellende, alsof wat elkeen in dit leven te beurt valt nog niet genoeg is.

     

    De ware religie

    Maar laten we aannemen dat de boosaardigheid van de mensen groot is, dat beaam ik en ik roep u tot getuigen, aangezien gij tot in het extreme kwaadaardig zijt, anders zoudt gij dergelijke verzinsels niet kunnen bedacht hebben; zoek de meest doeltreffende remedies uit die zonder grote schade dit kwaad uit alle mensen verdrijven en zie af van de spoken, die alleen van kracht zijn tegen onmondige kinderen en stompzinnigen. Indien echter dit kwaad in de mensen onuitroeibaar is, zie dan af van leugens en beloof niet, zoals onkundige artsen, een genezing die gij niet kunt bewerkstelligen. Stel u tevreden met het ondereen vastleggen van rechtvaardige en redelijke wetten, vereer wie goed is met beloningen, pak de kwaden met terechte straffen aan; verlos wie geweld wordt aangedaan van hun geweldenaars, opdat ze niet roepen dat er geen rechtvaardigheid is op aarde en dat er niemand is die de zwakkere onttrekt aan de hand van de sterkere.

    Voorwaar, wanneer de mensen de ware rede willen navolgen en leven volgens de menselijke natuur, zouden ze allen elkaar liefhebben, zouden ze allen met elkaar meeleven. Elkeen zou de tegenslagen van de anderen zoveel mogelijk verlichten, ofwel zou niemand zomaar iemand anders schade berokkenen. Wat ze anders doen, doen ze tegen de menselijke natuur; en dergelijke dingen doen ze veel, omdat de mensen zich allerlei wetten hebben bedacht, die afwijken van de natuur, en de ene windt de andere op door zich te misdragen. Er zijn er veel die huichelachtig rondlopen en doen alsof ze uiterst godsdienstig zijn en onbedachtzamen misleiden, onder het mom van de godsdienst, om hen te verschalken en te misbruiken. Men kan ze terecht vergelijken met een dief in de nacht, die op slinkse wijze mensen overvalt die verdoofd zijn door de slaap en op zoiets niet bedacht zijn. Zij hebben gewoonlijk de mond vol met: ik ben een jood, ik ben een christen, geloof me, ik zal je niet misleiden. O slechte beesten! Wie niets van dat alles zegt en enkel aangeeft dat hij een mens is, is veel beter dan gij. Indien gij hem immers niet wenst te geloven als mens, kunt gij op uw hoede zijn. Wat zou men echter op zijn hoede zijn voor u, die gehuld in valse kledij onder het mom van geveinsde heiligheid als een dief in de nacht bij nietsvermoedende slapende mensen door de openingen binnendringt en hen erbarmelijk wurgt.

     

    Kerk en staat

    Onder vele andere is er een zaak die me verwondert: het is waarlijk verwonderlijk dat farizeeën die met christenen omgaan over zoveel vrijheid beschikken, dat zij zelfs recht kunnen spreken. Ik kan waarlijk stellen dat, indien Jezus van Nazareth, die de christenen zo vereren, in Amsterdam het woord zou richten tot de gemeente, en het de farizeeën zou behagen om hem opnieuw met de zweep te bewerken omdat hij hun tradities bestreed en hen hypocrisie verweet, zij dit in alle vrijheid zouden kunnen doen. Dit is zeker schandelijk en iets dat men niet zou mogen tolereren in een vrije stad die er prat op gaat dat ze de vrijheid en de vrede van de mensen beschermt, maar hen niet beschermt tegen het onrecht van de farizeeën. En wanneer iemand geen verdediger heeft of een beschermer, dan is het geen wonder dat hij zichzelf zoekt te beschermen en zich te wreken voor het geleden onrecht.

     

    Afscheid

    Gij beschikt over het ware verhaal van mijn leven en ik heb u laten zien wat voor een rol ik heb gespeeld in het allerijdelste theater van deze wereld, in dit allerijdelste en meest onzekere leven van mij. Oordeel nu eerlijk, mensenkinderen, en breng zonder enige emotie, vrijuit en naar waarheid uw oordeel uit. Dat is wat men in de eerste plaats verwacht van mensen die waarlijk mens zijn. En mocht gij iets vinden dat u aanzet tot mededogen, erken dan het droevige lot van de mensen en betreur het, ge deelt er ook in.

    Hier mag ook niet ontbreken: de naam die ik in Portugal droeg als christen was Gabriël Acosta, bij de joden, ware ik maar nooit tot hen toegetreden, werd ik met een kleine verandering Uriël genoemd.

     

    vertaald uit het Latijn door Karel D’huyvetters, © 2012


    Categorie:literatuur
    Tags:literatuur
    24-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Geluk in ruimer perspectief

    Wanneer wij ons vragen stellen over onszelf en onze plaats in de wereld, zoals wel eens gebeurt, dan worden wij geconfronteerd met een paradox, een tegenstelling waarvan we niet goed weten of die er echt is of enkel schijnbaar.

    Enerzijds leert de wetenschap ons dat ons universum zich laat verstaan, zij het niet zonder enige moeite en steeds voorlopig, als iets dat eensklaps is ontstaan, wellicht met een enorme explosie, de Big Bang, en dat van dan af alles is geëvolueerd volgens wetmatigheden die wij nogal adequaat kunnen beschrijven. Er zit met andere woorden niet een of andere bedoeling achter dat alles, het is een kwestie van oorzaak en gevolg, op uiterst grote schaal en tot in de kleinste details, in een ongelooflijk complex geheel.








    Anderzijds stellen wij vast dat heel die ontwikkeling vanaf het eerste vrijwel onbegrijpelijke begin geleid heeft tot de wereld die wij kennen en waarvan wij de ontwikkelingsgeschiedenis met dezelfde wetenschappen proberen te reconstrueren, met vrij groot succes. In die wereld staat de mens centraal. Wij mensen zijn veruit de belangrijkste aanwezigheid op aarde, niet numeriek maar wel door de plaats die we innemen en de consequenties daarvan voor de hele aarde, inclusief de andere levensvormen. Wij staan aan de absolute top van de evolutie van het leven, er is geen enkel ander levend wezen dat beschikt of ooit beschikt heeft over de uitzonderlijke kwaliteiten die wij hebben. Daarmee bedoelen wij dan vooral onze verstandelijke vermogens, die ons toelaten die plaats in te nemen.

    De paradox is dan dat enerzijds de mens slechts een van de vele levende wezens is die de evolutie heeft opgeleverd als gevolg van vaste principes, zoals Darwin die voor het eerst overtuigend heeft vastgelegd, en een aantal onvoorspelbare factoren. De mens is het onbedoeld resultaat van de wetmatigheden die in de natuur te vinden zijn. Anderzijds komt het ons voor dat de hele natuur gericht is op het tot stand komen van de mens, het toppunt van die evolutie.

    In de ene benadering is de mens in het geheel der dingen zo goed als niets, een van de levensvormen ergens op een kleine planeet van een niet al te grote ster, die daar gedurende een zeer beperkte periode voorkomt. Onze invloed op onze planeet zelf is al bij al beperkt, wij zijn niet veel meer dan een vlekje korstmos op een rots of een heel continent.

    In de andere benadering, waarbij de mens centraal staat, is er een verbijsterende beschaving van zeven miljard denkende en voelende wezens, die samenleven met elkaar en met de andere levensvormen en die dat op een intense manier beleven.

    Vanuit het standpunt van de mens is niets belangrijker dan de mens, als individu en als soort. Vanuit het standpunt van de Natuur, of het Universum, of Al-Tijd, betekenen wij zo goed als niets. Het volstaat dat een min of meer grote asteroïde op onze aarde botst om aan alle leven op aarde een einde te maken. En dan spreken we nog niet over onze eigen niet te onderschatten mogelijkheden om eigenhandig hetzelfde resultaat te bereiken.

    Wij worden dus voortdurend geconfronteerd met het dubbele aanvoelen van de nietigheid en het uitzonderlijk belang van ons bestaan, als individu en als soort. In mijn aanvoelen ligt daarin een heilzame kern van inzicht in la condition humaine.

    Wanneer wij ons al te zeer concentreren op onze concrete situatie en het grotere perspectief uit het oog verliezen, dan bezondigen wij ons aan een gevaarlijke vorm van hybris, hoogmoed of overmoed. Wij handelen vaak alsof we eeuwig zullen leven en er geen beperkingen bestaan voor onze ambities. We zijn geneigd om vooral ons direct eigenbelang na te streven en zoveel mogelijk te genieten van het moment, zonder ons al te druk te maken over onze toekomst en nog minder over die van de Aarde of, godbetert, die van het Universum.

    Een mens werkt zich op tot een uitzonderlijk begaafd kok, bouwt met veel moeite een sterrenrestaurant op, krijgt media-erkenning en verdient goed zijn brood. Tot op een dag het ‘noodlot’ toeslaat: een hartinfarct, een verkeersongeluk, een verslaving aan alcohol of drugs, een bacterie in de keuken… En weg is de droom.

    Een knap student haalt schitterende studieresultaten en wordt op jonge leeftijd professor aan een prestigieuze universiteit, is uiterst succesvol als wetenschapper, krijgt internationale erkenning en bekleedt belangrijke functies. En dan krijgt hij of zij te horen dat er een ongeneeslijke kanker is vastgesteld, of slaat alzheimer toe.

    Wij bouwen onze wereld uit en gebruiken de energiebronnen die voor de hand liggen, zoals petroleum. Na honderd jaar stellen we vast dat we door de verbranding van die olie onze natuur grondig vervuilen en de temperatuur op onze planeet rechtstreeks beïnvloeden, met onvoorstelbare gevolgen voor al wat leeft. We schakelen over naar atoomenergie en stellen vast dat die vorm van energieproductie nog veel grotere gevaren inhoudt.

    Kortom, we leven veel te onbekommerd, zowel individueel als collectief. Wij zijn teveel met onszelf bezig, hier en nu en zelfs als dat ons materieel voordeel oplevert, maakt het ons nog niet gelukkig. De grootste bedreiging van ons welzijn is niet armoede, ziekte of tegenslag, maar ons psychisch evenwicht. Wat wij in de eerste plaats nastreven, is gelukkig zijn. Maar daarin zijn we veel minder succesvol dan in het verbeteren van onze materiële omstandigheden.

    In mijn aanvoelen is het heilzaam om in alles wat we doen steeds het ruimere perspectief voor ogen te houden, zowel individueel als collectief. Het besef van onze nietigheid kan ons behoeden voor gevaarlijke zelfoverschatting en vrijwaren voor de desastreuze gevolgen daarvan, en ons helpen bij het maken van de juiste keuzes.

    Laten we vooreerst eens kijken naar het aller-ruimste perspectief, dat van het Universum en van de eeuwigheid, wat ik wel eens Al-Tijd noem, een combinatie van Alles en Tijd, dus alles wat er was, is en zal zijn.

    We doen er goed aan om daarbij een klare kijk op de grond van de zaak te behouden: er komt geen God aan te pas, alles gebeurt volgens de wetmatigheden van de natuur, met een stevige dosis van onvoorspelbare gebeurtenissen wegens de omvang, de veelheid, diversiteit en complexiteit van de dingen. Aan die wetmatigheden kunnen wij niet tornen en onze invloed op het Universum is zo infinitesimaal klein, dat we er amper rekening moeten mee houden. Daar blijkt onze nietigheid. We hoeven geen Schepper te veronderstellen die aan de basis ligt van alles, zeker niet als een persoonlijke God of Kracht, die goede bedoelingen heeft met de mensheid en met elk van ons. Er is geen volmaakte God en er is dus geen volmaakte natuur, de natuurwetten zijn onpersoonlijk en neutraal, ze hebben geen bedoeling, geen doel, ze zijn niet gericht op deze Aarde of op de mensheid, ze zijn er gewoon.

    We moeten ons dan ook niet druk maken over een leven na de dood en een vergelding of vergoeding voor wat we hier tijdens ons leven hebben uitgespookt. Er zijn geen absolute geboden en verboden, verordend door een belonende en bestraffende Hogere Macht. Voor ons doen en laten zijn we aangewezen op de regels die we zelf onder elkaar afspreken; daarbij zullen we ons laten leiden door wat goed is voor het leven hier op aarde, waarin wij een belangrijke plaats innemen, die ons echter ook enorme verantwoordelijkheden oplegt.

    Het is goed dat wij ons bezinnen over de korte tijd die elk van ons hier op aarde doorbrengt.

    Wij maken allen keuzes in ons leven, soms heel bewust, meestal de voor de hand liggende ‘keuze’, omdat er geen andere is of omdat het alternatief nog slechter is. Soms maken we de verkeerde keuzes, omdat we niet beter weten of niet beter willen weten. Dat proces van kiezen en beslissen, of juist niet, is zeer complex en wij weten nog niet precies hoe dat in zijn werk gaat. Wel wordt stilaan duidelijk dat heel veel onderbewust gebeurt. Wij zullen daarmee meer rekening moeten gaan houden in de toekomst, bijvoorbeeld bij het beoordelen van de daden van onze medemensen. ‘Misdaden’ begaat men niet tegenover God of zijn Kerk, en ook niet tegenover de Staat, maar tegen de Mensheid en de mensen, of beter nog: tegenover het Leven. De vraag naar onze verantwoordelijkheid zal zich scherper gaan stellen naarmate wij doordringen in de ongelooflijk ingewikkelde processen die zich in een mens afspelen. Nu reeds weten wij dat sommige mensen niet voor sommige van hun daden verantwoordelijk zijn, omdat zij door de Natuur bedeeld zijn met een denkend lichaam dat niet naar behoren functioneert, zonder dat zij daaraan ook maar iets kunnen verhelpen. Wij krijgen stilaan zicht op de extreme gevallen, zoals de criminally insane, mensen die wij interneren in plaats van te bestraffen. Het is echter veel moeilijker om op een correcte manier de daden te beoordelen van mensen die als redelijk of zelfs perfect normaal voorkomen, maar die toch afschuwelijke misdaden begaan, of dat nu geweldpleging is of witteboordencriminaliteit. Hopelijk brengt het veelbelovend wetenschappelijk onderzoek ter zake enig licht in die zaak.

    Hoe dat ook zij, wij moeten altijd de vraag naar goed en kwaad op de beide niveaus bekijken. Steeds moeten wij de concrete en onmiddellijke gevolgen bekijken, hier en nu, voor onszelf in de eerste plaats, maar ook voor de anderen om ons heen en voor het leven op aarde in het algemeen. Dat is op zichzelf al een hele opgave. Door ons eigenbelang af te wegen tegenover dat van anderen en dat van het leven zelf, verruimen we het perspectief al op een indrukwekkende manier.

    Laten we een concreet voorbeeld nemen. Als ik een abonnement neem om wekelijks naar het voetbal te gaan kijken, dan doe ik daarmee niemand kwaad. Het is mijn goed recht, zeker als ik zelf het financieel kan dragen. We moeten ons echter ook de vraag durven stellen of dat voldoende is als motivering, namelijk dat ik er geen kwaad mee doe. Is er niets dat beter is dan dat? Dat meer bijdraagt tot mijn eigen welzijn en eventueel dat van anderen, of zelfs globaal gezien? En is het voetbal wel zo onschuldig als het eruit ziet? Welke financiële belangen spelen daarin mee? Wie verdient eraan? Gebeurt alles wel netjes, worden de belastingen wel betaald zoals het hoort? Wat met allerlei afspraken en niet-sportieve belangen die de resultaten beïnvloeden? Wat met de gezondheid en het evenwichtig leven van de spelers, gezien op de hele termijn van hun leven? En als je bekijkt wat een belang het voetbal in de wereld nu heeft, hoeveel geld er wordt aan uitgegeven, hoeveel tijd en energie we erin steken, moeten we ons dan niet de vraag durven stellen: hebben we echt niets beters te doen, individueel en collectief?








    Wat zouden we met zijn allen niet kunnen doen om de wereld te verbeteren met al de inspanningen die wij ons getroosten voor activiteiten die toch niet als onze eerste prioriteiten kunnen gezien worden, individueel of collectief!

    Over het algemeen staan we niet stil bij dergelijke kwesties. En als iemand daarover begint, halen we verveeld de schouders op. We hoeven geen zedenprekers, we maken het zelf wel uit en de rest kan ons gestolen worden. Maar zo komen we er niet.

    Als we ons niet met zijn allen meer en beter inzetten voor het verbeteren van de levensomstandigheden van alle leven op aarde, dan zullen er talloze slachtoffers blijven vallen van perfect vermijdbare fatale omstandigheden, zoals een gebrek aan drinkwater, hygiëne of voedsel.

    Bovendien leidt een dergelijke onverantwoordelijke houding ook tot onvrede met zichzelf. De mens is van nature zo geëvolueerd dat wij allen sociale wezens zijn, die niet zonder elkaar voort kunnen. Dat besef zit in onze genen ingebakken, wij zijn zo, of we het willen of niet. Wie niet leeft volgens dat basisprincipe van het mens-zijn, kan onmogelijk een evenwichtig innerlijk leven leiden. Wij hebben talloze voorbeelden om ons heen van mensen die menen dat ze gelukkig kunnen zijn door rijkdom, eer of genot te verzamelen, maar die doodongelukkig en fundamenteel ontevreden, angstig en gefrustreerd zijn.

    Het is dus niet alleen zo dat we de dingen in een veel ruimer perspectief moeten zien, we moeten ook rekening houden met onze condition humaine, met onze psychologie, met ons innerlijk leven. Ook op dat vlak staat de wetenschap nog niet heel ver. Wij weten eigenlijk niet goed wat ons gelukkig maakt, wij hebben geen verstand van onszelf of anderen gelukkig te maken. En dus grijpen we meestal naar gemakkelijkheidsoplossingen of kunstmatige middelen om ons verlangen naar geluk te bevredigen. Je voelt je rot? Ga eens goed uit, eet en drink en rook en snuif en spuit, ga naar het voetbal kijken of beklim een berg, ga op vakantie, maak een verre reis, koop een Picasso, of een koi… Maar dat brengt allemaal ten hoogste tijdelijk soelaas, het bevredigt niet te gronde en dus blijft er diepe onvrede, frustratie en onbehagen, die ons verhinderen gelukkig te zijn.

    Ik ben ervan overtuigd dat wij alleen gelukkig kunnen zijn als wij het ruimere perspectief zien en ernaar leven. Wanneer we dat doen, hebben we geen alcohol nodig, noch de opwinding van een voetbalwedstrijd, noch een van al die andere oppervlakkige genoegens die wij uitgedacht hebben. Enkel wanneer wij kunnen zeggen dat wat wij doen waardevol is voor onszelf, voor anderen, voor het leven hier op aarde, kunnen wij echt vrede vinden. Wanneer wij zo proberen te handelen, zullen wij onvermijdelijk ontdekken dat wij als mens niet afhankelijk zijn van enige macht of kracht buiten onszelf. Dat zal ons bevrijden van religieuze of ideologische waanideeën en hun individuele en maatschappelijke schadelijke gevolgen en ons sterken in een terecht en verantwoord zelfbewustzijn. En dan kunnen wij volop genieten van al het goede en schone dat de Natuur en het Leven en ook onze menselijke samenleving ons bieden.






    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:levensbeschouwing
    21-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.pareidolia






    Soms herken je in de wolken, de bergen of in de natuur afbeeldingen van iets anders, zoals een gezicht, of een dier. Een lezer met een (te) groot vertrouwen in mijn kennis vroeg me of ik de naam van dat verschijnsel kende. Nee, maar ik wou het wel eens opzoeken.

    Sinds ik jaren geleden in de The New Yorker een lovend artikel las over een (toen) nieuw zoekprogramma, gebruik ik, zoals miljarden anderen, dagelijks Google. Je typt gewoon: seeing faces en meteen vult Google zelf aan: …in things en verwijst je zonder aarzelen naar die andere schat van informatie, Wikipedia, s.v. pareidolia. Er is ook een Nederlandstalige versie, klik gewoon op ‘Nederlands’ in de lijst van de talen links bij het Wikipedia-artikel. Van Dale heeft geen weet van die term.






    Zo simpel is het. Als je dus nog eens iets niet weet, dan kan je het zo zoeken. Maar je mag het ook altijd aan mij vragen. Als ik het antwoord weet, dan kan ik je trots antwoorden en ik houd er nog een goed gevoel aan over, iedereen content. Weet ik het niet, dan beschouw ik dat als een uitdaging en ik zet me meteen aan het zoeken, want vaststellen dat ik iets niet weet vind ik vervelend en daarop betrapt worden nog veel vervelender. Bovendien ben ik mateloos nieuwsgierig… En zo leren we allemaal bij.


     

     


    Categorie:wetenschap
    Tags:wetenschap
    14-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Fluisterend atheïsme

    Atheïsme in Vlaanderen… Je kan het vergelijken met andere min of meer welmenende maar marginale groeperingen, zoals de Groenen, Gaia of de voorstanders van euthanasie. En toch is het ongetwijfeld ook hier zo, dat een zeer groot aantal Vlamingen helemaal niet meer in een god gelooft; volgens Wikipedia en andere bronnen is dat al ruim meer dan zestig procent, zoals in de meeste Noord-Europese landen. Bij de hoger opgeleiden stijgt dat tot meer dan negentig procent. Het aantal Vlamingen dat kerkelijk is, is ondertussen gedaald tot ongeveer drie procent, een van de laagste cijfers ter wereld.

    En toch hoor je niemand hardop zeggen dat hij of zij atheïst is. Ik vernam onlangs nog het verhaal van een oudere vrouw die aan haar leraar in het deeltijds kunstonderwijs terloops bij de bespreking van een werk dat ze aan het maken was, ‘bekende’ dat ze atheïst was; toen hij haar zei dat hij dat ook was, begonnen ze spontaan hun gesprek al fluisterend verder te zetten, tot hun eigen verbazing…

    Je kan in Vlaanderen alles zijn en dat ook bekennen, behalve dat je atheïst bent, blijkbaar.

    Van een kennis kreeg ik deze link toegestuurd naar een korte toespraak door Richard Dawkins over ‘atheïst zijn’. Het is uiteraard in het Engels en er zijn geen onderschriften.

    N.B. Ik verneem van mijn correspondent Paul B. dat er wel degelijk onderschriften zijn, bij nazicht inderdaad ook in het Nederlands (Dutch). Dank je Paul!

    Ik hoop dat je er toch eens naar luistert, het is niet alleen interessant maar ook best grappig met momenten. Als je klikt op het kleine schermpje in de rechter bovenhoek, krijg je een volledig scherm. Geniet ervan!

    http://www.ted.com/talks/lang/en/richard_dawkins_on_militant_atheism.html


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:godsdienst, atheïsme
    10-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.elk muntstuk heeft twee kanten

    H

    oe vaak ik hier al geschreven heb over body and soul, over geest en stof, over materie en denken… het is niet te tellen. Het is dan ook een belangrijke vraag, misschien wel de meest fundamentele die wij ons kunnen stellen, de eerste die we ons moeten stellen, die waar al het andere van afhangt. Dat blijkt ook uit de geschiedenis van de filosofie: alle filosofen hebben met deze kwestie geworsteld en ze blijven dat doen. Dat is niet zonder reden: alles hangt er inderdaad van af, niet zomaar voor de filosofen, maar voor elk van ons.

    Wij zijn denkende wezens. Dat is wat ons onderscheidt van al het andere leven, dat is wat ons bijzonder maakt, machtig, heersers over de aarde, aan wie alles ondergeschikt is. Als denken ons mens maakt, dan is het inderdaad wel erg belangrijk te weten wat dat denken precies is.







    Over ons denkvermogen kunnen we heel veel zeggen, we kunnen het van alle kanten bekijken. Maar het heeft ook iets ongrijpbaars: het is niet tastbaar, zoals de materie. Wij hebben er geen enkele moeite mee om vast te stellen dat we denken, het is zelfs veeleer zo dat we ons niet kunnen voorstellen dat we niet zouden denken. Maar onze gedachten, hoe reëel ook, zijn vluchtig. Ze zijn er, maar ze zijn niet materieel, bestaan niet uit materie en dat is vreemd, want wij zijn gewoon om ‘bestaan’ en ‘zijn’ te verbinden met materie. Als iets niet materieel is, wat is dat dan wel? Kan iets dat niet materieel is wel bestaan? Hoe dan wel? Waaruit bestaat dat iets dan? Dat is de kern van de zaak.

    Laten we beginnen met de materiële wereld. Dat die bestaat, daar hebben we geen moeite mee. We kunnen het vaststellen met onze zintuigen. We leven in die wereld, we bewerken hem voortdurend, we voeden ons ermee, we maken er deel van uit. Het is iets waar we niet aan twijfelen. Onze zintuigen kunnen ons soms parten spelen, maar dat is veeleer uitzonderlijk. We hebben de wetenschap ontwikkeld en de technologie en dat is voor ons een afdoend bewijs dat de materie werkelijk bestaat. Wie daaraan twijfelt, loopt het gevaar gek te worden. Zeker, we kennen niet het hele universum, er is veel dat we niet begrijpen, zowel in het uiterst grote, zoals de sterrenstelsels en de grenzen van het universum en zijn ontstaan, als in het uiterst kleine, zoals de elementaire deeltjes waaruit alles is samengesteld en hoe die functioneren. Maar we vertrouwen erop dat alles op een min of meer ordelijke manier ineen zit en dat wij stilaan ontdekken hoe. De materie bestaat en ze is niet chaotisch.

    Ons denken is even reëel, maar het is niet materieel, dat is ook duidelijk voor ons. Maar een gedachte kan je niet met een microscoop onderzoeken, je kan er geen chemische proeven mee doen, je kan ze niet optellen en aftrekken. Gedachten zijn anders, het zijn geen dingen. De mensen hebben dat altijd al geweten en ze hebben dat proberen uitdrukken in beelden, maar dat is altijd al een lastige opgave gebleven. Opvallend is, dat gedachten alleen bij levende wezens, en dan vooral bij mensen voorkomen. Wij ontdekken geen gedachten wanneer we het universum onderzoeken, noch wanneer we in iemands hersenen kijken. We stellen wel vast dat iemand denkt, met behulp van ingewikkelde apparatuur, maar wat iemand denkt, dat is veel moeilijker, zelfs onmogelijk. Recente technologische ontwikkelingen lijken daarin wel te slagen, maar dat is maar een indruk, maar daarover later meer. Laten we voorlopig vaststellen dat de materie en het denken allebei evident zijn, maar dat ze fundamenteel van elkaar verschillen.

    Dan dringt zich meteen deze vraag op: wat hebben die twee met elkaar te maken?

    Ook op deze vraag zijn er talloze antwoorden bedacht. Het is pas naar het einde van de twintigste eeuw toe, dat men stilaan is beginnen inzien dat ze wel degelijk met elkaar te maken hebben, op een onlosmakelijke manier. Daarvoor was de overheersende opvatting dat er in de mens ergens een geest aanwezig was, een ziel, een verstand, een bewustzijn dat voor het denken zorgde, binnen in een materieel lichaam. Maar dat is natuurlijk het probleem alleen maar verschuiven: wat is die geest dan? Wat is een ziel? Wat is het bewustzijn, het verstand? Het zijn maar woorden, waarmee we het denken aanduiden. Door er een naam op te plakken, hebben we niets meer gezegd. Door te stellen dat er ‘geestelijke’ dingen zijn, zoals er materiële dingen zijn, los je niets op, want het bestaan van die geestelijke dingen blijft even onduidelijk, even ongrijpbaar als het denken zelf.







    Het probleem verschijnt in al zijn scherpte als we de vraag stellen of het geestelijke kan bestaan zonder het materiële. Vroeger dacht men van wel. Het geestelijke heeft niet die typische kenmerken van het materiële, zo dacht men, het is namelijk niet onderhevig aan verval. Men zag het als een pure, zuivere, eeuwige wereld, die werkelijk bestond en die de grond en het einddoel was van alles. Er waren zuiver geestelijke wezens, zoals engelen en duivels, of de zielen van de overleden (of nog niet geboren) mensen; en er was God. Er was dus een parallelle wereld, naast of onder of boven de materiële. Op die gedachte is zowat heel onze beschaving gebouwd.

    Er zijn altijd mensen geweest die daarmee geen vrede namen. Zij voelden aan dat dit wereldbeeld niet accuraat was. Zij legden er de nadruk op dat geest en materie niet los van elkaar kunnen gezien worden. Er zijn maar gedachten als iemand ze denkt. Als er helemaal niemand zou zijn, zou er niet gedacht worden en zou er ook helemaal geen geestelijke wereld zijn. De gedachten zijn dus onvoorwaardelijk verbonden met mensen die ze denken. Louter geestelijke wezens bestaan dus niet, kunnen niet bestaan. Die heldere filosofische gedachte is men ook gaan toetsen in de praktijk en men heeft vastgesteld dat een mens, om te kunnen denken, hersens nodig heeft. Als die goed functioneren, verloopt dat denken meestal vlot. Als je iemand een dreun op zijn kop geeft, merk je meteen hoe het denken onlosmakelijk verbonden is met de materie. De medische wetenschap heeft die band verder onderzocht en zo zijn we tot de vaststelling gekomen dat het denken volledig afhankelijk is van het lichaam, waarbij de hersenen de belangrijkste rol spelen. Elke beschadiging van de hersenen heeft onvermijdelijke en drastische gevolgen voor het denken, dat is nu wel duidelijk.








    De gevolgen voor ons wereldbeeld zijn ingrijpend. Als er geen denken is zonder een persoon die denkt, dat wil zeggen een lichaam dat behoorlijk functioneert, dan kunnen er ook geen zuivere geesten zijn die denken zonder lichaam. Geen engelen, duivels, heiligen in de hemel, zieltjes die branden in het vagevuur of de hel, geen God, Vader, Zoon, Heilige Geest, Moeder Maria. Ook in de mens is er dan geen ‘geest’. Denken is een activiteit van een levende mens; het is zelfs zo dat een levende mens die niet denkt, niet als een mens beschouwd wordt, maar als een plant.

    Er is dus geen denken zonder materie. Maar dat wil niet zeggen dat denken materie is. De materie is een noodzakelijke voorwaarde, daarzonder kan er niets zijn. Maar die materie is wel tot veel in staat.

    Laten we weer bij het begin beginnen. De materie neemt vele vormen aan, microscopisch en macroscopisch. Maar alles wat er is, is samengesteld uit identieke partikeltjes, alleen de samenstelling verschilt. Die samenstelling kan voortdurend veranderen, zelfs zeer ingrijpend. De meest spectaculaire vorm die de materie kan aannemen, is het leven. Miljarden jaren geleden heeft de materie hier op aarde een minuscule verandering ondergaan, waarbij bepaalde configuraties van scheikundige elementen erin slaagden om een vorm aan te nemen die zij enige tijd konden behouden in de omgeving en die zichzelf kon reproduceren. Het verschil met elementen die chemisch op elkaar inwerkten en die lijdzaam de krachten in hun omgeving ondergingen, was aanvankelijk zeer klein. Water transformeert beneden het vriespunt in wonderbaarlijke ijskristallen. Nog andere elementen nemen even fantastische vormen en kleuren aan. Maar levende cellen gaan zelf op zoek naar wat hen kan helpen om te bestaan, te blijven bestaan en, als dat niet mogelijk is, zichzelf voort te planten.

    Eens er leven is, begint ook de concurrentiestrijd om het overleven. De overwinnaars zijn de cellen of groepen van cellen die het meest aangepast zijn aan de omgeving. Zij floreren, de andere verdwijnen. Als dat proces lang genoeg doorgaat, krijg je uiteindelijk de wereld die wij nu om ons heen zien. Leven en vooral overleven is dus een kwestie van zich aanpassen aan de natuur, zich ermee voeden, bescherming zoeken tegen gevaar, zowel van de natuurelementen als van andere levende wezens. Dit heeft geleid tot een bonte verscheidenheid van levensvormen die op een of andere manier beter waren dan andere. Schildpadden hebben een schild ontwikkeld, kevers een beschermend pantser, vogels en sommige insecten kunnen vliegen, vissen kunnen onder water ademen. Alle levende wezens hebben iets dat op onze hersenen lijkt, een zenuwcentrum waar de lichamelijke activiteit gecoördineerd wordt, waar het denken gebeurt. Leven is denken. Zonder denken kan een individu niet overleven. Denken is een overlevingsstrategie.

    Al wat leeft, denkt dus. Denken is een activiteit van levende materie. Zonder te denken kan levende materie niet overleven. Maar zonder materiële ondersteuning is ook het denken niet mogelijk. Wanneer ons lichaam zichzelf niet meer kan in stand houden en ook alle externe hulp niet meer baat, eindigt ook het denkproces. Soms begeven de hersenen het nog voor de rest van het lichaam. Dat blijkt voor de moderne mens de grootste bedreiging te zijn: vele ‘lichamen’ zijn uiterlijk nog in vrij goede staat, maar de werking van hun hersenen gaat snel achteruit, met tragische gevolgen voor zichzelf en hun omgeving. Een duidelijker bewijs voor de onverbrekelijke eenheid van lichaam en geest, van materie en denken is er niet.

    Eenmaal wij ervan overtuigd zijn dat denken en leven één zijn, dat denken een activiteit is van levende materie, moeten we er toch nog voortdurend op letten dat we dat fundamenteel inzicht niet meer loslaten. Ideeën en gedachten bestaan niet echt, ze zijn maar reëel wanneer iemand ze denkt. We kunnen ze neerschrijven, maar als niemand ze leest, zijn ze dood. Gedachten zijn ‘maar’ gedachten, we mogen ze niet verwarren met de werkelijkheid. Bestaat de zwaartekracht echt? Ja en neen. Op zichzelf gezien bestaat ze niet, het is maar een idee dat wij mensen hebben. Wat er echt is, dat zijn de dingen en die zijn zwaar en trekken elkaar aan. Zwaartekracht is een eigenschap die mensen toeschrijven aan de dingen, in een voorlopige poging om te begrijpen hoe ze werken. Onze ideeën over de dingen zijn niets in vergelijking met de dingen zelf. Maar we hebben ze wel nodig om de dingen te begrijpen.

    Men zou kunnen zeggen dat alles twee aspecten heeft, dat we alles kunnen bekijken enerzijds als materie en anderzijds vanuit het denken. Dat is juist, op voorwaarde dat we altijd de twee aspecten tegelijk bekijken en dat is vaak problematisch.







    Neem nu het universum. Als we dat louter materieel bekijken, dan is dat een massa elementaire deeltjes die er zomaar zijn, in allerlei configuraties, een totaal zinloze zaak, zolang er niemand is om ernaar te kijken. Vanaf het ogenblik dat er leven is en dus ook denken, verandert dat essentieel. Plots wordt die zinloze materie een leefbare wereld voor het leven dat erin leeft. Keer het om: als er alleen maar gedachten zijn, maar geen materie, wat heeft dat voor zin? Er kan geen denken zijn als er niet iemand of iets is dat denkt noch iets om aan te denken. En zo is het met alles. Je hebt steeds de twee nodig, materie en denken, vanaf het ogenblik dat er leven is.

    Als er geen leven is, is er nog wel materie, maar niemand om ze waar te nemen en erover na te denken. Zo is het lang geweest, voor hier op aarde het leven ontstond. Zo zal het ook weer zijn als het leven hier op aarde uitsterft, tenzij wij verhuizen naar een andere planeet als onze Zon ontploft en uitdooft. Misschien is er nog ander leven in het Universum, maar de kans is klein dat wij daar ooit iets zullen van merken, zo enorm zijn de dimensies van ruimte en tijd.







    Spinoza was de eerste moderne filosoof die benadrukt heeft dat de wereld één is, dat er geen aparte geestelijke wereld bestaat. Er is een Universum, dat is letterlijk alles. Wij mensen kunnen dat ervaren met ons lichaam, waarin onze hersenen de belangrijkste rol spelen, door het ons mogelijk te maken om te denken. Wij ervaren alles om ons heen niet als domweg materieel, maar als zinvolle en uitdagende materie. Wij koppelen ons denken aan de materie. Er is dus inderdaad een aspect materie en een aspect denken, maar wij mogen nooit vergeten dat het ene niet zonder het andere kan. We maken wel eens de vergelijking met een muntstuk, waarvan materie en geest de twee aspecten zijn, de twee kanten van de munt. Elke vergelijking gaat mank, maar deze is in die zin verhelderend, dat je geen munt kan hebben met slechts één kant, er is altijd een andere kant. Er zijn geen dingen die louter tot het aspect denken behoren, zoals ideeën of gedachten, er is altijd een materiële iemand nodig om ze te denken in een materiële context. Zonder denkend levend wezen zijn er geen gedachten. Zonder materie is er geen denkend wezen. Het Universum, de Natuur, of God bestaat uit alles wat er is: materie, leven, denken, gedachten, tijd, alles, maar alles samen, nooit opgedeeld.

    Laten we stilaan tot onze conclusie komen. De materiële wereld bestaat en die materie neemt vele vormen aan; hier op aarde is er zo ook leven ontstaan. De overlevingsdrang en de concurrentie hebben voor de diversiteit van het leven gezorgd. De mens is de soort die het verst gevorderd is in de ontwikkeling van de hersenen en van het denken als overlevingsstrategie. Denken doen wij zolang ons lichaam dat mogelijk maakt. Als dat lichaam onze hersenen niet meer in stand houdt, is het met ons denken gedaan. Ons denken hoort bij ons lichaam. Ons lichaam is sterfelijk en dus ook ons denken. Dan is het aan anderen om op hun beurt te leven en te denken. Dat is het finale antwoord op de fundamentele vraag.


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:filosofie
    08-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Goethe's Harzreise im Winter - Brahms' Alt-rapsodie

    Winterreis in het Harzgebergte

    Harzreise im Winter

     

     

    Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) schreef dit gedicht na een reis in het Hartzgebergte, in het hertogelijk gevolg. Het jachtgezelschap van de hertog moest soelaas brengen voor de voortdurende grote hinder die de boeren in de streek ondervonden van de everzwijnen. Bij het ochtendkrieken van 29 november 1777 trok hij gans alleen de Harz in, bij bar slecht weer. Hij bezocht er eenvoudige lieden, ‘die men voor nederig houdt, maar die gewis voor God de hoogsten zijn!’, zoals hij kort daarna in een brief aan Frau von Stein schreef. Zijn tocht voerde hem op 3 december 1777 ook naar een jonge theoloog uit Wernigerode, Friedrich Victor Leberecht Plessing (1749-1806). Die had aan Goethe, de auteur van Das Leiden des Jungen Werthers, een brief geschreven waarin hij zich hartstochtelijk herkent in de figuur van de sentimentele tragische figuur van de romanheld, zoals zoveel anderen trouwens. Goethe, die zich verzette tegen die morbide rage, bezocht de jongeman anoniem. Op 10 december 1777 besteeg Goethe met grote inspanningen de Brocken, een ervaring die een overweldigende indruk op hem maakte. Het Harzgebergte is rijk aan metalen, die de rotsen dooraderen.

     

    Johannes Brahms (1833-1897) koos de middelste strofen (5-7) van dit bekende gedicht van Goethe uit voor zijn aangrijpende Rhapsodie für eine Altstimme, Männerchor und Orchester opus 53, die rond 1869 ontstond. De tekst begint met Aber abseits wer ist's? en eindigt met neben dem Durstenden in der Wüste! Dat is meteen ook het meest melancholische en pessimistische gedeelte. De eerste twee strofen worden gebracht door de contra-alt en het orkest; voor het laatste gedeelte sluit het vierstemmig mannenkoor zich daarbij aan. Het werk is ontstaan kort na het Ein Deutsches Requiem en is er nauw mee verwant in stijl en vorm. In hetzelfde jaar 1869 zette Brahms eerst een andere tekst van Goethe op muziek, Rinaldo, eveneens voor solo, koor en orkest. De alt-rapsodie was een huwelijksgeschenk voor Julie, een dochter van Robert Schumann en diens vrouw, Clara Wieck, met wie Brahms levenslang bevriend bleef. Pauline Viardot zong de première in Jena in 1870. In de volgende jaren was het vooral Amalie Joachim, de echtgenote van de vioolvirtuoos Joseph Joachim, die het bekend zou maken. Dit werk van Brahms wordt heden ten dage niet erg vaak uitgevoerd, wellicht wegens de hoge kosten: een soliste, vol orkest en mannenkoor voor een compositie van toch veeleer bescheiden omvang: 10 tot 15 minuten, al naargelang de uitvoering. Opnames zijn er daarentegen in overvloed, met alle beroemde alten: Marion Anderson, Dame Janet Baker, Stephanie Blythe, Dunja Vejzovik, Christa Ludwig, Marilyn Horne, Aafje Heynis, Brigitte Fassbänder, Marjanna Lipovsek, Kathleen Ferrier, Jessye Norman, Nathalie Stutzmann, om slechts enkele belangrijke solisten te noemen. Op YouTube vind je ettelijke uitvoeringen, waaronder deze van Christa Ludwig:

    http://www.youtube.com/watch?v=1aEczCGegYo  Voor de beste kwaliteit moet je een cd in huis halen; het loont zeker de moeite.

    De volledige Duitse tekst vind je hier: http://www.textlog.de/18820.html. Een Nederlandse vertaling heb ik niet gevonden, ondanks ijverig zoeken. Omdat ik eindelijk wel eens wou weten wat die mysterieuze altstem zingt, heb ik het hele gedicht dan maar zelf vertaald. Ik vermoed dat ook wie een beetje Duits kent, toch nog altijd zal gebaat zijn met een Nederlandse vertaling, die ook nu weer pretentieloos is en vooral bedoeld om je te helpen het romantische Duits te begrijpen. Veel luistergenot!

     

     

     

    Als de gier

    die op zware morgenwolken

    met zachte vleugel rustig

    naar buit schouwt

    zo zweve mijn lied.

     

    Een God heeft immers

    elkeen zijn weg

    uitgetekend.

    Wie geluk heeft

    rent snel

    naar het vreugdevol einddoel.

    Wie echter het ongeluk

    het hart deed ineenkrimpen

    die verzet zich vergeefs

    tegen de perken

    van de harde draad

    die de immer bittere Schikgodin

    slechts eenmalig afwikkelt.

     

    In het huiverend struikgewas

    verdringt zich het ruige wild

    en als mussen

    zijn koninkrijken al lang

    in moerassen verzonken.

     

    Licht valt het de wagen te volgen

    die Fortuna voert

    zoals de gezapige legertros

    op betere wegen

    de intredende Vorst achterna.

     

    Maar wie is dat daar terzijde?

    Zijn pad loopt verloren in het kreupelhout

    achter hem slaan

    de struiken weer ineen

    het gras richt zich weer op

    de wildernis verslindt hem.

     

    Ach, wie heelt de smarten

    van hem voor wie balsem vergif werd?

    Die de haat dronk van de mensen

    uit de volheid van liefde?

    Eerst veracht, nu verachtend

    verteert hij heimelijk

    zijn eigenwaarde op

    in onvoldane zelfzucht.

     

    Als er op uw psalter

    Vader van de liefde, een toon is

    die zijn oor kan ontwaren

    verkwik dan zijn hart!

    Open zijn benevelde blik

    op de duizend bronnen

    nevens de dorstige

    in de woestijn!

     

    Hen die gij overvloed verschaft van vreugde

    elkeen een overstromende maat

    zegen de broeders van de jacht

    op het spoor van het wild

    met jeugdige overmoed

    vrolijke moordzucht

    late wrekers van het onrecht

    waartegen al jaren vergeefs

    de boer zich verweert met de knoet.

     

    Kleed echter van de eenzame

    in uw gouden wolken

    omgeef met wintergroen

    tot de roos weer ontluikt

    de vochtige haren

    o, Liefde, van uw dichter!

     

    Met de deemsterende fakkel

    verlicht gij hem

    over de voorden bij nacht

    over de grondeloze paden

    de barre landouwen;

    met de duizendkleurige morgen

    lacht gij hem in het hart;

    met de bijtende storm

    draagt gij hem hoog naar boven;

    winterbeken storten van de rotsen

    in zijn psalmen

    en een altaar van lieflijkste dank

    wordt hem de met sneeuw behangen kruin

    van de gevreesde bergtop

    die voorvoelende volkeren

    met reidansen van geesten omkransten.

     

    Met ondoorvorst hart staat gij

    openlijk geheimenisvol

    boven de verbaasde wereld

    en schouwt vanuit de wolken

    op uw heerschappijen en heerlijkheid

    die gij uit de aderen van uw broeder

    nevens u bevloeit.

     

    Vertaling door Karel D’huyvetters © 2012

     

     

     

     

     

     


    Categorie:poëzie
    Tags:muziek
    07-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De receptie van Spinoza

    Daniel. B. Schwarz, The First Modern Jew. Spinoza and the History of an Image, Princeton UP, 2012, xv + 270 pp., hardcover, €30 (Amazon)

    Dit boek is alleen in het Engels verschenen en ik vermoed niet dat er snel een Nederlandse vertaling zal volgen. Je kan dus voor uitvoerige besprekingen terecht in de Engelstalige pers. Ik beperk me tot een persoonlijk leesverslag.

    Het gaat de auteur niet zozeer om de ideeën van Spinoza (nog maar eens) te analyseren en samen te vatten, maar veeleer om te onderzoeken hoe die ideeën hebben nagewerkt in onze cultuur, meer bepaald in de Joodse wereld. Dat is een ogenschijnlijk beperkte benadering, maar zoals we weten: schijn bedriegt. De joodse aanwezigheid in onze wereld is immers aanzienlijk en belangrijk en is vaak ook representatief voor het geheel.






    In het eerste hoofdstuk krijgen we een boeiend overzicht van de vroegste reacties op Spinoza, tijdens zijn leven en de jaren volgend op zijn overlijden en de publicatie van de Opera Posthuma.

    Mozes Mendelssohn, de belangrijkste figuur van de ‘joodse’ Verlichting, is het onderwerp van het tweede hoofdstuk. Hierin komt vanzelfsprekend de befaamde strijd over Spinoza en het Pantheïsme in de Duitse Verlichting uitvoerig aan bod.

    Berthold Auerbach is ons (mij…) minder bekend. Hij was een joods romancier, een van de meest populaire auteurs in het Duits van de 19de eeuw. Hij vertaalde alles wat toen van Spinoza bekend was en schreef ook een biografische roman over hem.

    Met Salomon Rubin gaan we nog dieper en verder in de joodse achtergrond, namelijk het Oost-Europese joodse ‘modernisme’ en de rol die Spinoza daarin als voorbeeld heeft gespeeld. Een kijk op een stukje van onze intellectuele geschiedenis dat velen de ogen zal openen.

    Het vijfde hoofdstuk belicht de figuur van Yosef Klausner en de soms tweeslachtige pogingen van de joodse intellectuele en religieuze gemeenschap en de ontluikende joodse staat Israel om Spinoza te recupereren of te verwerpen, al naar gelang het geval.

    Het laatste hoofdstuk behandelt de bekende joodse, Jiddische auteur Isaac Bashevish Singer en hoe die Spinoza in zijn oeuvre heeft verwerkt.

    De Epiloog behandelt de receptie van Spinoza in de 21ste eeuw.

    Ik heb dit boek, de uitwerking van een doctoraal proefschrift, met veel genoegen gelezen. Het is uitstekend geschreven en heel toegankelijk voor een ruimer publiek, gesteld dat er enige belangstelling is voor het ideeëngoed van Spinoza. Op elke bladzijde blijkt namelijk dat het ‘modernisme’ van Spinoza voor heel veel mensen door de eeuwen heen en in alle landen een openbaring is geweest, een revolutionaire ervaring, een uitdaging voor alle traditioneel denken. Spinoza heeft het leven en het denken van talloze mensen grondig veranderd. Hij is voor velen dan ook een model geworden, een icoon, waarmee ze hun eigen radicaal denken hebben verbonden. Dit wordt door de auteur op een historisch correct onderbouwde en intellectueel en literair intrigerende wijze overtuigend aangetoond in dit boek.

    Zo kunnen we over Spinoza op vele wijzen bijleren. Hier gebeurt dat niet door een studie van de filosoof zelf, maar door een gedreven onderzoek naar zijn receptie in onze cultuur, aan de hand van maar zeker nooit beperkt tot de joodse gemeenschap en joodse prominenten in onze beschavingsgeschiedenis. Dit is een zeer waardevolle bijdrage tot de steeds groeiende literatuur over zo niet de belangrijkste, dan toch de meest fascinerende van alle filosofen.


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:filosofie
    06-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Spinoza's Korte Verhandeling eenmaal, andermaal








    Wie erin slaagt om een werk van Spinoza te noemen, zal het allicht bij de Ethica houden. Dat is ook zijn hoofd- en meesterwerk, dat in 1677 kort na zijn dood werd gepubliceerd in de Opera posthuma. Rond 1850, bijna twee eeuwen later, duiken dan twee manuscripten op van een tot dan toe onbekend werk van Spinoza, een uit de zeventiende eeuw en een uit de achttiende. Het zijn vertalingen in het Nederlands, door een onbekende, van een Latijnse tekst: Korte Verhandeling van God, de Mensch en deszelvs Welstand. Spinoza heeft de KV, zoals men die is gaan noemen, waarschijnlijk rond 1660 geschreven ten behoeve van vrienden en leerlingen, om een eerste keer zijn gedachten op papier te zetten. Het duurde tot 1899 voor er een vertaling in (toen) modern Nederlands kwam (Willem Meijer). In 2011 verscheen dan eindelijk een moderne versie voor onze tijd, van de hand van Jan Knol, de Nederlandse predikant die al een drietal inleidende boekjes schreef over Spinoza: En je zult Spinazie eten (2006), Spinoza uit zijn gelijkenissen en voorbeelden (2007), Spinoza’s intuïtie (2009). Het is een zeer verzorgde gebonden uitgave door Uitgeverij Wereldbibliotheek die vroeger ook al de andere werken van Spinoza in Nederlandse vertaling uitbracht. De vertaling staat op de rechterpagina’s, de noten op de linkse. De vertaling is vlot maar tekstgetrouw, de noten verhelderend maar zonder de aandacht af te leiden van de tekst zelf. De noten hadden wel uit een grotere corpsgrootte mogen gezet zijn, er is plaats te over op de meeste bladzijden; waarom die niet nuttig gebruiken?

    Spinoza, Korte verhandeling over God, de mens en zijn geluk, hertaald en bezorgd door Jan Knol, Wereldbibliotheek, A’dam, 2011, 232 blz., € 22,90






    Tot mijn niet geringe verbazing verscheen nog hetzelfde jaar een tweede versie:

    Spinoza, Korte verhandeling van God, de mens en zijn welstand, parallelle uitgave, redactie en hertaling door Rikus Koops, met een voorwoord van Wim Klever, Parthenon - Almere, 324 blz., paperback € 29,90, gebonden € 39,90







    Ook deze publicatie werd enthousiast onthaald in Spinoza-kringen en niet zonder reden. Het gaat immers niet alleen om een uitstekende omzetting in hedendaags Nederlands. Parallel op de spiegelbladzijde krijgen we naast de 17de-eeuwse tekst de goed geannoteerde ‘hertaling’. De oorspronkelijke tekst is integraal weergegeven met alle voetnoten, margeteksten en appendices. De hertaling komt met nuttige en vaak noodzakelijke aantekeningen. Er is ook een uitgebreide begeleidende tekst waarin het belang en relevantie van de Korte Verhandeling wordt besproken, en waarin bijkomende gegevens worden aangereikt over de ontdekking, de samenstelling en het ontstaan van de tekst. Een schematische vergelijking met de Ethica is een uitstekend hulpmiddel bij het bestuderen van de ontwikkeling van Spinoza's denken.

    80 pagina's van deze publicatie kan je gratis inkijken. De auteur/hertaler heeft een website opgezet rond zijn werk en daar kan je een gedeelte van de tekst ophalen. Er is ook een forum waar geïnteresseerden met elkaar kunnen overleggen, maar dat zit nog in zijn beginstadium, er zijn nog niet veel reacties. Rikus Koops is nu begonnen met een stelselmatige meer uitgebreide toelichting per hoofdstuk van de KV en dat is echt wel nuttig. Ook die teksten kan je lezen op de website: http://www.overspinoza.nl/.

    Ik kan niet anders dan deze beide publicaties en de website van harte aan te bevelen. De geïnteresseerde lezers kunnen een keuze maken uit de beide versies, waarbij de aanwezigheid van de oorspronkelijke tekst zeker als een meerwaarde zal beschouwd worden.






    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:filosofie
    05-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.nogmaals: 300.000







     
    De Vlaamse reus



    Een Vlaamse reus, vol rare streken,

    Wilde net als de vos, zijn passie preken.

    Met de regelmaat van de klok,

    Gooit hij de knuppel in het hoenderhok,

    300.000 bezoekers hebben het al bekeken.

     

    Lieve lezers, u herkent hem toch,

    Het is Karel, met zijn Vlaamse (blok) blog.

     

    Jacques Quekel


    Categorie:poëzie
    03-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.de begrafenis van God: Herman Philipse over godsdienstfilosofie







    Herman Philipse (°1951) is niet de eerste de beste. Hij studeerde filosofie in Leiden, Oxford, Parijs en Keulen en doceerde in Leuven, Leiden en Utrecht, waar hij nu vast aan verbonden is. Hij schreef een halve boekenkast vol, levert geregeld bijdragen over actuele onderwerpen in het NRC Handelsblad en is columnist voor het televisieprogramma Buitenhof. Hij staat bekend als atheïst. Ik besprak hier zijn Atheïstisch manifest, dat een klassieker is in ons taalgebied.

    Toen ik bij mijn jongste bezoek aan de rijke bibliotheek van het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de Leuvense Universiteit bij de recente aanwinsten een nieuw boek van hem zag, heb ik geen ogenblik geaarzeld.

    Herman Philipse, God in the Age of Science? A Critique of Religious Reason, Oxford UP, 2012, xvii + 372 pp., hardcover, € 50






    Eerst een woordje over het boek als boek: een stevige gebonden uitgave, kleurrijke en smaakvolle stofwikkel, goed papier, scherpe en heldere druk, maar helaas een veel te kleine letter! Voor die forse prijs had men toch wel die enkele bladzijden meer mogen bieden die een meer aangename corpsgrootte hadden meegebracht. Jammer!

    Herman Philipse heeft ervoor gekozen om zijn kritiek op het theïsme uit te werken als een commentaar op het werk van een van zijn belangrijkste hedendaagse vertegenwoordigers, Richard Swinburne (°1934), professor in Oxford. Dat is een verantwoorde methode, temeer daar de auteur zelf voortdurend aspecten aanbrengt die Swinburne eventueel zou kunnen vergeten zijn of onbelangrijk vindt. We krijgen dus een optimale voorstelling van het theïsme, de opvatting als zou er een God bestaan. De refutatie van die voorstelling mag dan ook als exhaustief beschouwd worden.

    Die kritische werkwijze heeft wel het emotionele nadeel dat ze intrinsiek negatief is: Swinburne stelt iets voor, Philipse onderzoekt het en breekt het (tot op het bot) af. Na bijna vierhonderd bladzijden begint dat te wegen. Vaak heb ik ook gedacht dat onze auteur zijn poer verschiet op klein wild: ik kende Swinburne niet, en op grond van de citaten, toelichtingen en kritieken in dit boek heb ik helemaal niet de neiging gekregen om iets van hem te lezen. Hij lijkt mij een fossiel overblijfsel te zijn van een christelijke apologetiek die ik zelfs in mijn prille jeugd als baarlijke nonsens verwierp. Al zijn wetenschappelijke inkleding vermag niet de weeë geur van wierook en het gedempte licht van gotische glasramen te maskeren.








    De afrekening, want dat is het wel, met Swinburne en met het theïsme, de redelijke verantwoording van het geloof in God, is radicaal en definitief. Ik kan me niet voorstellen dat er één weldenkend mens is die na het lezen van dit boek nog zou durven stellen dat er een redelijke verantwoording kan zijn van het geloof in God. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er geen mensen meer zullen geloven. Ik vrees dat geen enkele gelovige, indien zij dit werk al zouden ter hand nemen, wat ik niet veronderstel, of het zouden uitlezen, wat ik sterk betwijfel, op basis van dit boek overtuigd atheïst zal worden, zoals Philipse in zijn besluit nochtans vereist. Gelovigen geloven niet op filosofische gronden en verlaten dus hun geloof niet omwille van filosofische argumenten. Theïstische filosofen en theologen poneren hun stellingen niet op filosofische gronden, ze gebruiken enkel de filosofie om hun geloof te bewijzen. Philipse heeft hier overtuigend aangetoond dat dit niet mogelijk is, maar hij heeft daarmee enkel diegenen overtuigd die al overtuigd waren; zijn tegenstanders zal hij misschien imponeren, maar of ook maar één van hen ook maar één ogenblik zal aarzelen?

    Dit is geen gemakkelijke lectuur, het is vooral geschreven voor vakmensen en voor de (zeer) geïnteresseerde leek. Vooral het gebruik van formules uit de formele logica zullen sommige lezers afschrikken, ten onrechte, want ze spelen geen dragende rol in de argumentatie (en hadden dus evengoed kunnen weggelaten worden) en zijn bovendien zelfs voor leken met enige moeite begrijpelijk. Filosofie op een hoog niveau zoals bedreven in dit boek heeft soms iets komisch. Je leest een lange en ingewikkelde argumentatie en plots gaat het licht aan: bedoelt ie maar dat? Gemeenplaatsen worden door filosofen wel eens verpakt in een taal die nog nauwelijks verstaanbaar is. Het kan zijn dat dat ironisch bedoeld is, maar of dat ook zo overkomt? Zo kan men het argument dat mensen sterfelijk zijn overtuigend illustreren door aan te geven dat alle mensen die er ooit geweest zijn al gestorven zijn, evenals alle voorouders van de mens, evenals alle leven dat er ooit geweest is, maar in feite stampt men een open deur in: niemand moet ervan overtuigd worden dat de mens sterfelijk is, toch?

    Nu ik het boek uit heb, blijft er een licht maar knagend gevoel van geïrriteerde frustratie achter. Professor Philipse heeft ongetwijfeld een indrukwekkende bijdrage geleverd in de discussie over het bestaan van God. Hij heeft werk geleverd dat niet meer moet worden overgedaan (al zal dat niemand tegenhouden). Maar bij de gelovigen zal ongetwijfeld niemand zich laten imponeren: gelovigen zijn niet aan twijfel onderhevig, onder zou men het geen gelovigen noemen. En wie niet gelooft, moest niet meer overtuigd worden. Maar wie al atheïst is, zit wel gespannen te wachten op de inbreng van geniale auteurs als Herman Philipse om hun overtuiging op een positieve manier te verhelderen, om de gevolgen van hun opvattingen voor zichzelf en voor anderen te beschrijven, om van een negatief niet-theïsme te komen tot een beredeneerd en doordacht positief humanisme of naturisme. De niet geringe, ja overweldigende inspanningen die professor Philipse zo evident en magistraal heeft besteed aan het definitief bestrijden of zelfs begraven van het theïsme had hij mijns inziens misschien beter besteed aan wat zijn echt magnum opus had kunnen zijn: een hart onder de riem voor overtuigde atheïsten, die meer nood hebben aan een verkenning van het terrein dat voor hen ligt dan aan een afrekening met het moeras waaruit ze zich met veel moeite hebben bevrijd.







     


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:filosofie
    31-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.300.000

    E

    lke keer als een lezer een pagina opent van mijn Kroniek, tikt de teller op de server van Seniorennet dat aan: page views, noemt men dat. Sinds ik met mijn blog begon in januari 2006 zijn er dat al ongeveer 300.000, de tellers verschillen van mening over het precieze moment waarop die kaap genomen wordt. Een gelegenheid om even stil te staan en te mijmeren.

    Wat mij destijds onder meer aantrok, was het nieuwe medium. Plots zag ik een droom in vervulling gaan: schrijven en publiceren! Maar dan zonder het bewerkelijke en dure en milieubelastende drukwerk. Ik schrijf nu wat ik wil, wanneer ik wil, enkel beperkt door mijn eigen mogelijkheden. Iedereen die dat wil, kan me lezen en het kost ook hen geen cent. Er moeten geen boeken gedrukt worden, geen bomen sneuvelen, geen boekenrekken volgestouwd. Het enige drukwerk dat moet gebeuren is de druk op een knop. Brave New World!

    Dat technologisch hoogstandje, waarvoor ik Seniorennet graag mijn dank betuig, brengt me naadloos bij een filosofisch adagium, hoe kan het anders. Het is Ockhams snoeimes, zijn razor. Die gaat zo: non sunt multiplicanda entia praeter necessitatem. Vrij vertaald luidt dat: je moet niet meer zaken maken dan nodig. Op mijn concreet geval toegepast, klopt het perfect: ik schrijf mijn teksten eenmaal, zet ze op de server en iedereen kan ze lezen. Het is niet nodig om ze eindeloos te vermenigvuldigen. Het is een principe dat ik ook altijd heb toegepast toen ik in de administratie werkte: beperk het aantal exemplaren van de gegevens, vermenigvuldig ze niet nodeloos. Stuur de uitnodigingen, bijlagen en verslagen van de vergaderingen niet op papier naar iedereen: zet ze op het net waar iedereen ze kan lezen. Sla identieke gegevens niet ettelijke keren op: bewaar ze op één plaats en laat ze gebruiken door iedereen die er behoefte aan heeft. Als je dan een gegeven moet wijzigen, dan doe je dat op één plaats en het verandert overal.







    Ockhams snoeimes is niet alleen een gezond administratief principe, je kan het overal toepassen. Maak het niet ingewikkelder dan nodig, de eenvoudigste uitleg is meestal de enige goede. Om de beweging van de hemellichamen te verklaren had men voor Copernicus ongelooflijk complexe theorieën uitgedacht. Tot de brave man op zeker ogenblik dacht: en als nu eens niet de aarde maar de zon in het centrum stond? Meteen viel alles op zijn plaats en kon Newton alles precies berekenen. Ook zo voor Darwin. Wij zagen de evolutie wel voor onze ogen, maar we hadden er geen verklaring voor. We zagen allerlei verbanden, maar niet wat alles verbond. En dus maakten we de wildste veronderstellingen, zoals een God die recentelijk alles ineens had geschapen zoals het nu was. En als er nu eens geen God was? Door het overbodige weg te laten, kom je tot de essentie.







    Ik heb me de voorbije maanden intens verdiept in de figuur van Uriël da Costa. Een eerste resultaat van die fascinatie hebben jullie hier al kunnen lezen, er volgt nog een bibliografie en de vertaling van zijn ‘testament’. Bij mijn opzoekingen heb ik voortdurend nuttig gebruik kunnen maken van Ockhams snoeimes. Ik stelde keer op keer vast dat men de zaken veel ingewikkelder maakte dan ze waren, en zo meer moeilijkheden creëerde dan men er oploste. De waarheid is meestal veel eenvoudiger dan de leugen. Om een onwaarheid te verklaren, moet men zich in duizend bochten wringen en eindeloze loze veronderstellingen maken. Als we dat niet doen, dan moeten we soms toegeven dat we iets niet weten. Dat is echter vaak meer verhelderend dan ingewikkelde constructies, gebouwd op los zand.

    Wie het ‘testament’ van Uriël da Costa leest, stuit op allerlei moeilijkheden, contradicties, onverklaarbare gegevens, verwarde verhalen, onlogische redeneringen, stijlbreuken enzovoort. Men kan dan proberen om die een voor een op te helderen aan de hand van veronderstellingen of historische gegevens, maar dat blijkt een onmogelijke opgave voor elk van de auteurs die ik daarover gelezen heb, en dat is ondertussen al een hele reeks, en niet van de minste. Mijn spontane conclusie is dan: en als deze tekst nu eens niet van Uriël da Costa is?

    Plots vallen omzeggens alle moeilijkheden dan weg, omdat je de tekst niet meer in een keurslijf dwingt waarin hij niet past. Wij weten dat da Costa in Hamburg heeft verbleven, misschien zelfs meer dan zeven jaar, maar daarover zegt hij niets. Waarom? Wij kunnen allerlei veronderstellingen maken, maar we weten het niet. Zijn verhaal over zijn bekering tot het jodendom klopt niet, wij hebben bewijzen in de hand die zijn versie van de feiten tegenspreken. Waarom liegt hij? Wat hij vertelt over zijn conflicten met de rabbijnen is tendentieus en zelfs onjuist. Waarom? Hoe is het dan wel gegaan? Om op al die vragen te antwoorden, moeten we duizend veronderstellingen maken, die we nooit kunnen bewijzen.

    Laten we dus gewoon zeggen: de tekst is wat hij is; als hij niet te verklaren is wanneer we aannemen dat hij van Uriël da Costa is, laten we dan eens aanvaarden dat we niet weten van wie hij is. Misschien leidt ons dat zelfs naar de echte auteur. Op die manier heeft Copernicus ook ontdekt dat de zon het centrum en de drijvende kracht van ons zonnestelsel is, en niet de aarde. Zo heeft ook Darwin ontdekt dat niet een Scheppende God de wereld heeft gemaakt, maar dat de wereld zichzelf voortdurend maakt. Door onze oude zekerheden met Ockhams snoeimes te bewerken, kunnen we de verborgen waarheden ontdekken die alles zoveel duidelijker maken.






    Ik eindig met een toepassing uit de internationale actualiteit. Damascus was ooit het centrum van onze beschaving. Vandaag vernielen mensen daar hun eigen land en moorden elkaar uit. Waarom? Niemand die het weet, en wat men erover vertelt, doet er niet toe. Als we naar de essentie zouden kijken, dan zouden we zien dat het een gebied is met een heerlijk historisch verleden, waar mensen steeds hebben kunnen samenleven in vrede en onze beschaving een van haar meest sublieme hoogtepunten heeft bereikt, een streek waar het goed wonen is, waar alles voorhanden is om gelukkig te zijn. Wat is dan het probleem? Waarom gaat alles daar zo verschrikkelijk verkeerd?

    Omdat sommige mensen macht hebben over anderen: militaire macht, structurele staatsmacht, financiële macht, religieuze macht, de macht van de arrogantie en de onverdraagzaamheid. Omdat sommige mensen willen bepalen wat andere mensen mogen en moeten doen. De verhalen die ze verzinnen om hun gedrag te verantwoorden, kloppen niet, of ze nu religieus zijn, ideologisch of banale machtswellust. Ze vertrekken van een beeld van mens en maatschappij dat totaal vertekend is en onbegrijpelijk voor elk weldenkend mens. Ook hier zou Ockhams snoeimes nuttig werk kunnen verrichten, om ons terug te brengen bij de essentie: wij zijn allemaal evenwaardige mensen en de beste manier om iets te maken van ons korte leven is: vreedzaam samenleven en samenwerken.

    Het is eigen aan oudere mensen om zich te bezinnen; ze hebben er ook de tijd voor. Ik neem mij voor om de rest van mijn leven nog meer te proberen om me vooral bezig te houden met het essentiële, en mijn tijd niet te verdoen aan het banale. Misschien is dat een gedachte waar ook anderen iets aan hebben.

    Dank aan de lieve lezers en lezeressen die hier zoveel bladzijden hebben aangeklikt. Wie weet is er toch af en toe iets blijven hangen?

     

    Karel


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:maatschappij
    30-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.de legende van Uriël da Costa

    De naam van Uriël da Costa zal vandaag slechts weinigen bekend in de oren klinken. Ik kwam hem enkele malen tegen in mijn lectuur over Spinoza. Jonathan Israel vermeldt hem terloops in zijn Radical Enlightenment. Steven Nadler wijdt er enkele bladzijden aan in zijn biografie van Spinoza (blz. 66-73) en in zijn Spinoza’s Heresy (blz. 165-173). Yirmiahu Yovel behandelt deze figuur in zijn Spinoza and Other Heretics (blz. 42-51). Antonio Damasio schrijft over hem in zijn Looking for Spinoza (p. 240-45), maar steunt zich (helaas) op een hedendaagse levensbeschrijving in romanvorm.

    Het was echter een kort essay van Wim Klever (Een nieuwe Spinoza, blz. 93-96) dat mijn aandacht vestigde op het feit dat het zogenaamde ‘testament’ van da Costa niet in het Nederlands voorhanden was. Dat leek ook mij na lezing van het inspirerende essay van Wim Klever zo’n onterechte lacune dat ik mij onmiddellijk aan het werk zette en die Latijnse tekst in het Nederlands vertaalde, in de hoop daarmee bij te dragen tot de bekendmaking van deze interessante figuur uit de eerste helft van de zeventiende eeuw in onze contreien.

    Wie was Uriël da Costa?

    Rond 1585 werd hij geboren in Porto, Portugal, de zoon van een gegoede joodse familie die gedwongen tot het christendom ‘bekeerd’ was. Hij studeerde canoniek recht aan de universiteit van Coimbra, zonder een diploma te behalen. Na de dood van zijn vader emigreerde hij, ondanks het verbod, rond 1615 naar Amsterdam en vervolgens naar Hamburg, waar hij actief was als handelaar, vooral met Portugal. In 1624 had hij een probleem met het gerecht in Amsterdam, maar werd vrijgelaten bij gebrek aan bewijs. Bij zijn aankomst in Amsterdam was hij toegetreden tot de joodse gemeenschap en ook in Hamburg maakte hij er deel van uit. Tijdens zijn leven zou hij herhaaldelijk in botsing komen met de joodse gemeenten, wat tot tweemaal toe leidde tot een excommunicatie. Aanleiding voor de conflicten waren onder meer zijn geschriften: een lijst van vragen over de toepassing van de joodse wet (1616) en een boek waarin hij de joodse gebruiken vergelijkt met de oorspronkelijke wet van Mozes (1624). De laatste verzoening met de Amsterdamse joodse gemeenschap vereiste een vernederende boetedoening; hij zou dat slecht verwerkt hebben en de hand aan zichzelf geslagen hebben in 1640. Hij liet een testament na, waarin hij afrekent met het jodendom, maar ook met alle andere openbaringsgodsdiensten en waarin hij pleit voor een natuurlijke godsdienst, die elke mens in zichzelf kan ontdekken met behulp van de rede. Daardoor wordt hij gezien als een voorloper van Spinoza en van de Verlichting, een tragische held die door een fanatieke en intolerante joodse gemeenschap gepest en vervolgd werd, en zelfmoord pleegde omdat hij zijn verlichte idealen niet kon opgeven.

    Ik heb intussen nog enkele ander werken over da Costa gelezen en ook een Engelse, twee Franse en twee Nederlandse vertalingen van zijn testament. Het valt me daarbij steeds weer op dat men heel vrij omspringt met zowel de historische gegevens als met de overgeleverde teksten. Alle auteurs hebben de neiging om de feiten zeer vrij te interpreteren en ze zonder enige aanwijsbare reden anders voor te stellen dan ze beschreven staan. De bestaande vertalingen van het testament die ik heb geraadpleegd zijn verre van nauwgezet gebeurd. Zij spreken elkaar herhaaldelijk tegen; ofwel is de oorspronkelijke tekst dan ambigu, ofwel heeft ten minste een van de vertalers zich vergist. Er zijn ook opvallende hiaten.

    Ik heb me voorgenomen om in alles wat ik hier schrijf over Uriël da Costa steeds de grootst mogelijke getrouwheid in acht te nemen aan de beschikbare bronnen. De feiten zal ik weergeven zoals ze vermeld staan, zonder ze op te smukken of vrij te interpreteren. Men moet immers een duidelijk onderscheid maken tussen historisch onderzoek en literaire fictie.

    Bij de vertaling van het ‘testament’ heb ik geprobeerd om zo dicht bij de Latijnse tekst (Gebhardt 1922) te blijven als mogelijk is zonder het Nederlands geweld aan te doen. Ik heb dus geen hertaling gemaakt, maar een omzetting naar het Nederlands van een Latijnse tekst, als een soort van hulpmiddel om die tekst te begrijpen. Het is en blijft een vertaling, het is geen nieuwe, zelfstandige idiomatische Nederlandse tekst. Het is een zo getrouw mogelijke omzetting van het ‘testament’ van Uriël da Costa, zoals het ons is overgeleverd.

    Wellicht is het zijn dramatische dood die Uriël da Costa enige bekendheid heeft gegeven. Na een jarenlang conflict met de Portugese Joodse gemeente van Amsterdam zou hij zichzelf het leven benomen hebben in april 1640. Wij hebben voor dit feit echter geen officiële bewijsstukken: geen overlijdensbericht, geen graf, geen ooggetuigen. Kort na zijn dood verscheen in 1644 in Hamburg Judaismus oder Judenthumb van de hand van de Lutheraanse dominee Johann Müller, met daarin slechts enkele regels: …dass er Anno 1640 im Monat April sich selber entleibet und ein klägliches Schreiben hinter sich gelassen welches mir zu handen kommen… Vervolgens citeert hij enkele regels uit dat document, dat in het Latijn gesteld is (blz. 71-72). En verder: …dass er ihm solches im Herzen gezogen und ihm selber des leben genommen inmassen Er solches in einer Schrift entdecket die Er für seinem Tode verfertigt und hernach auf sein Tisch bei seinem todten Körper gefunden worden (blz. 1415). Dat is alles.

    Pas veel later vinden we een tweede, veel uitgebreidere versie van de hand van Philip van Limborch (1633-1712). In de inleiding van zijn boek De Veritate Religionis Christianae Amica Collatio cum Erudito Judaeo beschrijft hij hoe hij bij het drukklaar maken van zijn tekst per toeval op een manuscript stuitte dat daar al lang lag zonder dat hij het had opgemerkt. Het gaat om dezelfde tekst die Müller vermeldt. Van Limborch doet beter: hij besluit de hele tekst te publiceren als een aanhangsel van zijn boek, met een confutatio, een weerlegging van zijn hand.

    Het Latijnse manuscript dat van Limborch vermeldt, is niet het document dat men op de tafel naast het lijk van da Costa heeft gevonden. Het is een kopie die volgens van Limborch door een belangrijk Amsterdams inwoner bezorgd was aan Simon Episcopius, zijn oudoom, waar hij het geruime tijd na diens dood vond tussen zijn papieren. Het is bewaard gebleven en berust in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Het is aannemelijk te veronderstellen dat het niet alleen een kopie is, maar ook een vertaling en dat het oorspronkelijke document in het Portugees gesteld was, zoals alle andere geschriften die aan da Costa toegewezen worden.

    Uit Müllers commentaar kunnen we niet opmaken of hij meende dat hij het manuscript van da Costa zelf in handen had of een kopie of vertaling. Het citaat wijkt op enkele plaatsen af van de tekst die van Limborch publiceert en ook van het manuscript waarop die zich steunde voor zijn publicatie. Ik heb niet kunnen achterhalen of het document dat Müller in handen had, ook bewaard is gebleven. Op basis van die beide korte citaten in zijn boek kunnen we in feite niet met zekerheid zeggen of hij het hele document bezat, dan wel enkele uittreksels. Hij zegt ook niet hoe het bij hem is terechtgekomen. Hij vermeldt de beide boeken, die van Semuel da Silva (1623) en het lang zoek geraakte Exame van Uriel Jurista Hebraeus (1624) en identificeert die laatste met de auteur van het ‘testament’.

    Het lijvige boek (1500 blz.) van Müller is een soort van christelijke antisemitische encyclopedie; mogelijks heeft iemand die wist dat hij daaraan werkte hem een bericht gestuurd over een schandaal dat in de Amsterdamse joodse gemeente was voorgevallen.

    Van Limborch geeft heel wat meer details over de dood van da Costa. Er is sprake van een mislukte aanslag met een pistool door Uriël op een familielid, waarna hij een tweede pistool grijpt en zichzelf dodelijk verwondt. Hij vermeldt echter niet waar hij die informatie vandaan haalt, rond 1687, dus bijna vijftig jaar na de feiten. In het zogenaamde testament schrijft da Costa nergens expliciet dat hij een einde zal maken aan zijn leven; het is geen echte, haastig geschreven afscheidsbrief, maar veeleer een breedvoerig uitgewerkte afrekening met zijn vijanden, onder de vorm van een autobiografische schets.

    Het verbaast me dat bijna alle auteurs van levensbeschrijvingen van Uriël da Costa zo vlot over zijn leven en dood schrijven, met allerlei gruwelijke details, terwijl de gegevens waarover wij beschikken zo beperkt en onzeker zijn.

    Het Latijnse manuscript is door twee verschillende personen geschreven, met aantekeningen van nog drie anderen, geen van allen is met zekerheid gekend. De datering is onzeker. Sommige auteurs verwerpen het hele document als een vervalsing, een fictieve literaire biografie veeleer dan een autobiografie. Anderen nemen aan dat het grotendeels door da Costa kan geschreven zijn, maar dat er zeker toevoegingen en weglatingen zijn geweest door jood-onvriendelijke derden.

    Het is mogelijk dat de zelfdoding van Uriël da Costa, indien zij werkelijk heeft plaatsgehad, in de joodse gemeenschap en daarbuiten indruk heeft gemaakt en als een mondeling verhaal is bewaard gebleven en later op schrift is gesteld. Het is mogelijk dat het manuscript enig verband heeft met Uriël da Costa zelf. Maar we moeten bescheiden blijven en toegeven dat we het niet weten, dat we niet met zekerheid kunnen zeggen wat er precies gebeurd is en wie wat geschreven heeft. Dat besef moet ons weerhouden om ons te buiten te gaan aan dichterlijke vrijheden, al te zelfzekere uitspraken en ongegronde veronderstellingen.

    Verscheidene bronnen, onder anderen Müller, vermelden een boek dat Uriël da Costa zou geschreven hebben in het Portugees en gepubliceerd in Amsterdam in 1624: ‘Een onderzoek van de tradities van de Farizeeën, vergeleken met de Geschreven Wet.’ Het ‘testament’ vermeldt een dergelijk boek en ook dat het door het stadsbestuur was in beslag genomen na een aanklacht; het spreekt ook van een boete van driehonderd florijnen. Men heeft een vermelding gevonden van een vrijlating van Uriël uit de gevangenis in 1624, maar daarbij is geen sprake van het boek, noch van de boete. Er staat alleen dat twee broers van Uriël zich borg stellen: indien hij niet beantwoordt aan een oproep om voor het gerecht te verschijnen, zullen zij een som van 1200 florijnen moeten betalen. Volgens de wettelijke voorschriften van die tijd betekent dit dat hij is vrijgelaten bij gebrek aan bewijs. Wat de aanklacht was, weten we niet.

    Het boek van Uriël Jurista Hebraeus staat eveneens vermeld in de Index van verboden boeken, gepubliceerd in Madrid in 1632. In 1728 wordt in Amsterdam een exemplaar beschreven in een verkoopscatalogus van een joodse bibliotheek. In zijn ‘testament’ licht da Costa de complexe ontstaansgeschiedenis van het boek toe: hoe nog voor de publicatie van zijn boek een joodse arts uit Hamburg, Semuel da Silva zelf in 1623 een boek liet verschijnen, De immortalitate animarum, een refutatie van da Costa’s opvattingen, wat hem veel last berokkende. In dat boek staan immers drie hoofdstukken afgedrukt die naar het zeggen van da Silva deel uitmaken van het boek dat da Costa wou laten verschijnen. Daarop besloot hij een ander boek te schrijven te zijner verdediging. De publicatie daarvan, bij dezelfde uitgever, leidde, steeds volgens het ’testament’, tot zijn veroordeling. Niemand heeft echter ooit het boek gezien, tot in of rond 1989 H.P. Salomon een exemplaar vond in de Koninklijke bibliotheek van Kopenhagen, wellicht het enige bestaande, en het publiceerde.

    Aan Uriël da Costa schrijft men nog een andere, eerdere tekst toe: Propostas contra a tradicião. Hij zou die in Hamburg hebben geschreven rond 1616 en de tekst zou (door hem?) zijn voorgelegd aan de joodse gemeente in Venetië. Wij zijn daarvan op de hoogte door het antwoord dat uit Venetië kwam, in een brief van de hand van rabbijn Leon Modena, in 1618. Een oorspronkelijke tekst van da Costa is niet bewaard. Er is een reconstructie op grond van een geschrift in het Hebreeuws van Modena, Magen va-Tzinnah (Schild en beukelaar, ed. A. Geiger, 1857 op basis van een manuscript, Bodleian 2786), waarin die uitvoerig ingaat op de vragen van ‘een verwarde en domme persoon die toen in Hamburg woonde en die in 1616 die vragen voorlegde’. Een tweede bron is een manuscript, in het Portugees, dat sommigen voor een kopie hebben gehouden van het oorspronkelijke document van da Costa. Het is van de hand van Mozes Raphael d’Aguilar en is in feite een gedeeltelijke vertaling van de Hebreeuwse tekst van Leon Modena. Conclusie: de Propostas zijn niet van da Costa, maar van Leon Modena.

    Er was een vermoeden dat de kritische jood uit Hamburg Uriël da Costa was, maar geen bewijs daarvoor. Uit archiefstukken heeft men kunnen aantonen dat Uriël zeker in Hamburg woonde in die periode, zij het onder de schuilnaam van Adam Romez, die in andere documenten als alias van Uriël da Costa is gevonden. Er zijn duidelijke overeenkomsten tussen de kwesties die Modena behandelt in zijn latere (maar niet gedateerde…) Schild en beukelaar en die in het eerste deel van da Costa’s Onderzoek van de tradities van 1624. Da Silva’s citaten uit het ongepubliceerde boek van da Costa en het tweede deel van het Onderzoek handelen daarentegen over de onsterfelijkheid van de ziel.

    Kunnen wij dan aannemen dat het Uriël da Costa was die reeds in 1616, kort na zijn vlucht uit Portugal en aankomst in Amsterdam eind april 1615, bezwaren maakte tegen sommige gebruiken en voorschriften van de joodse gemeente in Hamburg? De bewijzen van zijn aanwezigheid in Hamburg zijn geen afdoende argumenten voor een identificatie van de verwarde en domme persoon die Modena vermeldt in zijn brief van 18 augustus 1618 met Uriël da Costa. De Propostas zijn niet van zijn hand, maar zo goed als letterlijk overgenomen uit Modena’s Magen va-Tzinnah, via d’Aguilar.

    Laten we nu ook eens de documenten bekijken van zijn excommunicatie. Wat Hamburg en Venetië betreft: de brief van Modena van 1618 is geen herem, maar een poging tot verzoening met een lichte dreiging tot uitsluiting bij hardnekkig volhouden van de dwalingen. Vervolgens is er de excommunicatie, vermeld in het ‘testament’, die zou gevolgd zijn op zijn kritiek, geuit kort na zijn aankomst in Amsterdam. Wij weten echter dat hij bij zijn aankomst in Amsterdam meer dan waarschijnlijk vrijwel onmiddellijk is doorgereisd naar Hamburg, waar hij in 1623 nog aanwezig was, of althans vermeld wordt; in 1627 verklaart hij in Utrecht dat hij in Hamburg handel heeft gedreven. Er is geen tekst voorhanden van een herem vóór die van 1623. Ik heb vergeefs gezocht naar een bevestiging van een herem door Modena in Venetië en Hamburg, die door de meeste auteurs plechtig vermeld wordt. De enige aanduiding van een dergelijke excommunicatie staat in de tekst van de excommunicatie in Amsterdam in 1623.

    De tekst van de herem van 1623 verwijst inderdaad naar een eerdere veroordeling als ketter en excommunicatie in Hamburg en Venetië, maar dat lijkt mij geen afdoende bewijs voor een identificatie; elke Hamburgse ketter werd in de regel (ook) door Venetië veroordeeld. Het is ook vreemd dat deze herem een zekere Uriël Abadat (of Abadot) betreft. Niemand heeft kunnen uitleggen wat die naam betekent, hij komt nergens anders voor. Wij kunnen dus niet met zekerheid zeggen dat deze twee Uriëls dezelfde persoon zijn, Uriël is immers een frequent voorkomende joodse naam.

    De aanklacht die volgde op de publicatie van zijn boek in 1624 gebeurde volgens het ‘testament’ bij de burgerlijke rechtbank. Indien hij reeds geëxcommuniceerd was in 1618, met bevestiging voor Amsterdam in 1623, dan bleef hij dat; een nieuwe veroordeling was dan niet nodig, er is er ook geen vermeld.

    Steven Nadler (1999, 2008) heeft het over een tweede herem, in 1633. Ik weet niet waarop hij die datum baseert, de eindnoot zegt enkel dat wij de tekst niet hebben. Ik neem aan dat hij zich geïnspireerd heeft op het ‘testament’ en op de vermeende sterfdatum (1640 -7=1633). In het ‘testament’ is inderdaad sprake van een tweede veroordeling, volgend op de verzoening en de daaropvolgende verklikking door zijn neef. Wij weten niet wanneer dit zou gebeurd zijn, alleen het ‘testament’ getuigt hierover. Daarop volgden zeven jaar van uitstoting, een tweede verzoening met de dramatische onderwerping en geseling. Ook deze datum kennen we niet. Zijn sterfatum is ons niet officieel bekend, er is alleen Müller: 1640. Anderen geven 1647 aan.

    De zo uitvoerig beschreven spectaculaire bestraffing die bij de verzoeningsprocedure hoorde, roept vragen op. Zij staat vermeld in het ‘Boek van Sententies’ van de Portugese joodse gemeenschap, niet over da Costa, maar over Abraham Mendes, beschuldigd van bigamie in 1639. Ze staat ook beschreven in enkele obscure joodse en niet-joodse bronnen, terwijl de rituele voorschriften van de joden steeds uitblinken door hun duidelijkheid en detail en hun universele toepasselijkheid. De voorschriften voor de juridische malkut, de rituele geseling, zijn uiterst streng en kunnen slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden toegepast, volgens sommige joodse bronnen zelfs nooit. Ten tijde van da Costa kon een dergelijke geseling, indien uitgesproken, enkel louter symbolisch uitgevoerd worden, omdat de joodse gemeenten geen bevoegdheid hadden om lijfstraffen toe te passen. Bovendien was het ondenkbaar dat men die geseling zou uitvoeren in de synagoge. Er zijn overtuigende aanwijzingen dat de beschrijving ten minste gedeeltelijk steunt, bijvoorbeeld voor de ‘vertrappeling’, op antisemitische geschriften uit die tijd. In latere bewerkingen voor het theater krijgt het slachtoffer een zware deur op zich en loopt de congregatie zo over hem. Wij hebben dus ernstige redenen om te twijfelen aan de authenticiteit van dit gedeelte van het ‘testament’. Het gaat veeleer om een sensationele scène die is ingelast om de onmenselijkheid en het fanatisme van de joden aan de kaak te stellen.

    Er is wel een vermelding van een andere herem en andere beslissingen die men met Uriël da Costa in verband brengt, namelijk die vermeld in een vraag aan rabbi Jacob Ha-Levi in Venetië (daar opgenomen in het ‘boek van vragen en antwoorden’, 1632). Daarin is sprake van een niet nader genoemde persoon die de geldigheid van de mondelinge Torah betwijfelde, de woorden van de rabbijnen bespotte en hen belasterde, de onsterfelijkheid van de ziel ontkende evenals de wederopstanding van de doden enzovoort. Hij zou de bedoeling gehad hebben om dit alles te publiceren in een boek in een ‘vreemde’ taal. Daarop hadden de leiders van de joodse gemeenschap de burgerlijke overheden ingelicht en hen ertoe gebracht om de boeken in beslag te nemen, ze publiekelijk te verbranden, de auteur in de gevangenis te werpen en hem te laten verbannen, omdat ze niet bij machte waren om over hem de doodstraf uit te spreken. Betrokkene zou gestorven zijn in ballingschap. De vraag gaat over zijn moeder, die met hem samenleeft, in tegenstelling met zijn twee broers, die alle contact hebben verbroken. De moeder is ook geëxcommuniceerd; mag ze bij haar overlijden toch eervol en ritueel begraven worden, uit respect voor haar andere zonen? Het antwoord was positief.

    Er is geen naam vermeld. Slaat dit allemaal op Uriël da Costa? De inhoudelijke beschuldigingen wijzen daarop, maar dergelijke kritieken waren allesbehalve ongewoon, Uriël da Costa was zeker niet de enige in Amsterdam of in Hamburg om ze te uiten. Er is sprake van twee broers, terwijl hij er drie had. De verbanning is een nieuw element, maar zou kunnen overeenkomen met de jaren (1624-1627?) die Uriël in Utrecht doorbracht. Zijn moeder, Sara da Costa werd begraven op 4 oktober 1628 op de joodse begraafplaats van Ouderkerk. In de joodse registers staat ze vermeld als moeder van Abraham en Joseph da Costa. Uriël wordt niet vermeld. In 1629 verblijft hij in Amsterdam, in 1631 heeft hij er een bankrekening als ‘Adam Romez’. Zijn vrouw, Francisca de Crasto volgens de enen, Sara volgens anderen, Rachel volgens nog anderen, is wellicht gestorven na de terugkeer naar Amsterdam, volgens sommigen in 1622, volgens anderen zeker niet zo vroeg. In 1639 maakte hij officieel al zijn goederen over aan zijn huisvrouw, Di(g)na Jacob(s). Hij is dus niet in ballingschap gestorven en was ook nog niet overleden in 1632. Hij was ook niet de enige die een controversieel boek had geschreven, dat verbrand werd: in 1656 werd het boek van Manuel de Pina publiek verband in Amsterdam en Hamburg. Bij de vrijlating van Uriël uit de gevangenis is er geen sprake van een boek, dus ook niet van in beslagname of (publieke) verbranding. Deze tekst over een anonieme persoon is dus de enige aanduiding die men heeft voor de verbranding van het boek van Uriel Jurista Hebraeus, die ongeveer iedereen achteloos vermeldt, naast andere elementen uit deze vraag aan Venetië.

    Zijn de drie hoofdstukken die da Silva citeert, aan hem toe te schrijven? De enige confirmatie die we daarvoor hebben is het testament, doch enkel in vage bewoordingen: hij was een boek aan het schrijven om zich te verdedigen tegen de farizeeën en hun toevoegingen aan de wet van Mozes, toen hij (plots?) tot het inzicht kwam dat er evenmin Bijbelse argumenten zijn voor de onsterfelijkheid van de ziel. Toen men daarvan lucht kreeg, zou men een Hamburgse arts, da Silva, hebben gevraagd om daarop te reageren en da Costa zelfs voor te zijn, op basis van enkele katernen van zijn manuscript, die ‘toevallig’ in de handen van da Silva zouden gevallen zijn… Een vreemde historie. De drie hoofdstukken gaan uitsluitend over de onsterfelijkheid van de ziel, niet over zijn oorspronkelijke twistpunten met de farizeeën. Het is niet uit te sluiten dat de anonieme tegenstander die da Silva hier ten tonele voert een literaire fictie is, zoals dat reeds het geval was voor de domme ketter in de brief van Modena en de verwarde persoon in zijn Beukelaar en schild.

    Is hij dan de auteur, Uriel Jurista Hebraeus, van het teruggevonden Exame, het ‘Onderzoek van de tradities van de Farizeeën’?

    De hele geschiedenis van de beide publicaties lijkt zich veeleer in Hamburg te hebben afgespeeld dan in Amsterdam; dat de boeken daar uitgegeven zijn, bij Paulus van Ravesteijn, de latere uitgever van de Statenbijbel, is mogelijk, maar niet zeker. De naam van de uitgever en de plaatsaanduiding was toentertijd immers vaak verzonnen of onterecht. Het Portugees van Uriel Jurista Hebraeus is naar verluidt stuntelig, wat vreemd is voor een geboren en getogen Portugees. Of maakt dit deel uit van de constructie van de tegenstrever?

    Een en ander doet de vraag rijzen of we hier wel degelijk te maken hebben met de historische Uriël da Costa, een koopman zonder enige opleiding of ervaring in de joodse traditie, zonder kennis van het Hebreeuws?

    Uriël da Costa was wel Hebraeus, althans van afkomst en bekeerd, maar hij was geen Jurista, een titel die overigens in het Portugees veeleer verwijst naar een rechter dan naar een jurist. Hij had enkele jaren (katholiek) kerkelijk recht gestudeerd in Portugal, maar er is geen enkele aanwijzing van enige juridische activiteit in Amsterdam of Hamburg; met zijn (eventueel) diploma kerkelijk recht zou hij daar overigens niet veel hebben kunnen aanvangen. Het Exame is net zoals da Silva’s Tradado da Immortalitade da Alma een typisch smaadschrift, gericht aan zijn tegenstander, Semuel da Silva en tegen de joodse gemeente en haar religieuze en profane leiders. Het zijn goede voorbeelden van een literair genre dat destijds maar ook lang daarvoor zeer druk beoefend werd. Indien men op al de anonieme ‘tegenstanders’ uit dergelijke literaire dialogen en controverses een naam zou moeten kleven, dan zou men zich op een eindeloos en wild slingerend pad begeven, met weinig hoop op enig zeker resultaat, dat bovendien in het beste geval weinig inhoudelijks zou bijbrengen.

    Da Silva vermeldt da Costa’s naam niet, uit kiesheid. Het Exame is openlijk gericht tegen da Silva, zoals blijkt uit de titel. Mij komt het voor dat dit een voorbeeld is van een ‘dialoog’, maar dan niet in één boek, met verscheidene personages of auteurs, maar in twee afzonderlijke boeken, kort na elkaar gepubliceerd, bij dezelfde uitgever verschenen, met een vrijwel identieke titelpagina, die voortdurend elkaar uitvoerig citeren en zelfs niet afzonderlijk kunnen gelezen worden. Het enige bekende exemplaar van het Exame is bovendien samen aangetroffen met het boekje van da Silva. Mijn vermoeden is, dat er slechts één auteur is geweest van de beide boekjes en van de vermeende ‘gevonden’ hoofdstukken, net zoals de Propostas deel uitmaken van het ‘antwoord’ waarvan ze een vraag zouden moeten zijn. Of die auteur da Silva is, weten we niet. Hij is de auteur, in 1613 van een Spaanse vertaling van een tekst van Maimonides.

    Men heeft getracht aan te voeren dat Uriël da Costa degene is die Modena bedoelde in zijn brief en in zijn traktaat, op grond van vermeende overeenkomsten met het eerste deel van het boek van de ‘Hebreeuwse jurist Uriël’. Het is echter veel evidenter te veronderstellen dat de zaak net omgekeerd is: het materiaal voor het eerste deel van het boek is ontleend aan Modena, via de Portugese vertaling (Uriël kende wellicht geen Hebreeuws) van Mozes Raphael d’Aguilar die in Amsterdam aanwezig was en daar nog steeds als manuscript berust in de archieven van Ets Haim. Zowel da Silva als da Costa verwijzen naar en reageren op Modena. Hij was dus bekend aan beide auteurs, wat de stelling ontkracht dat het Modena was die op da Costa gereageerd heeft: de afhankelijkheid van da Silva van Modena spreekt een afhankelijkheid tegen van Modena van da Costa.

    Maar wat met het ‘testament’, het Latijnse Exemplar humanae vitae? Er is alle reden om hierover voorzichtig te zijn. Er is geen autograaf. De eerste vermelding ervan bij Müller in 1644 is vroeg, maar zeer beperkt en de bron is als bijzonder antisemitisch niet onverdacht. Het verhaal van van Limborch is geruime tijd na de feiten geschreven. Het manuscript van de Latijnse tekst is hoe dan ook niet op overtuigende wijze aan Uriël da Costa zelf toe te schrijven. Indien da Costa een autobiografisch document heeft nagelaten, zoals Müller reeds vermeldt, dan zou dat veeleer in het Portugees dan in het Latijn gesteld zijn. Het Latijn was nodig om in het Latijnse werk van van Limborch opgenomen te worden.

    De tekst die van Limborch in zijn boek opneemt, komt op verscheidene belangrijke punten niet overeen met de biografische gegevens over Uriël da Costa die wij uit andere, neutrale bronnen kennen. Zo is er geen enkele vermelding van zijn overgang naar het crypto-judaïsme toen hij nog in Portugal leefde en zijn inspanningen om zijn ruimere familie te bekeren, noch van de financiële transacties die zijn vlucht en vestiging in Amsterdam hebben mogelijk gemaakt. Er staat niets in over de tijd die hij in Hamburg doorbracht, noch over zijn bezwaarschrift dat naar Venetië was gestuurd, noch over het antwoord daarop en de Hamburgse en Venetiaanse herem die erop volgden. Er is nergens sprake van de periode die hij als balling in Utrecht doorbracht (1627). Over sommige triviale aspecten van zijn leven is hij zeer precies, zoals het paard dat zij hadden in Porto, over andere zegt hij weinig of niets: zijn eerste huwelijk, de dood van zijn vrouw, zijn samenleven met zijn huisvrouw, aan wie hij zijn inboedel heeft overgemaakt.

    Als autobiografisch werk is het onvolkomen. De gegevens over da Costa’s voorgeschiedenis en zijn leven tot 1615 in Portugal zijn slechts in de twintigste eeuw bekend geworden. Dat is ook zo voor zijn verblijf tussen 1616 en 1623 in Hamburg. Is dit geen aanwijzing voor een auteur van het ‘testament’ die niet Uriël da Costa is en die dus niet op de hoogte was van deze gegevens? Daarbij komen er in de tekst heel wat antisemitische elementen voor die niet overeenkomen met de weliswaar gespannen maar toch grotendeels loyale houding van Uriël tegenover de joodse gemeenschap en haar wetten, inzonderheid de Wet van Mozes.

    De argumentatie in het Onderzoek is integraal Bijbels, niet rationeel of filosofisch, zoals het ‘testament’. De taal en stijl van het ‘testament’ verschilt ook opvallend en aanzienlijk van die van het Onderzoek. Kortom, het ‘testament’ lijkt veeleer van latere datum dan 1640. De poging van van Limborch om het vroeger te dateren aan de hand van de vermelding van het boek van da Silva (dat hij in zijn bibliotheek had, zoals blijkt uit de catalogus van de verkoop ervan) is stuntelig en waardeloos: die vermelding bewijst dat het document van na die publicatie stamt, maar niet hoelang daarna.

    Het valt mij op hoe dicht de taal en stijl van het testament overeenkomt met die van de ‘Korte refutatie’ die van Limborch erbij geschreven heeft. Als we daarbij nog vaststellen dat de argumenten van van Limborch uitdrukkelijk gericht zijn die zijn tegen het tweede deel van ‘testament’, waarin hij de natuurlijke religie verdedigt, en niet tegen zijn bezwaren tegen het judaïsme of de farizeeën, dan rijst het vermoeden dat van Limborch, die ook heel wat andere brieven en documenten van zijn voorgangers heeft gepubliceerd, zich met het ‘testament’ een literaire vrijheid heeft veroorloofd, die Modena voor hem ook al heeft gebruikt, namelijk het verzinnen van een denkbeeldige tegenstrever. Waar Modena het nog heeft over ‘een verwarde en domme persoon’ (in wie anderen later Uriël da Costa hebben gezien), legt hij de woorden van het ‘testament’ letterlijk in de mond van Uriël da Costa en (re-)construeert zo een personage uit bronnen die ons slechts gedeeltelijk bekend zijn, hoofdzakelijk da Silva en Uriël Jurista Hebraeus, maar zeker ook Müller, wiens Judaïsmus hij zeker heeft gekend en daarnaast ongetwijfeld Mozes Raphael d’Aguilar, een goede bekende van Orobio de Castro, de Judaeus uit de Amica collatio van van Limborch. Van Limborch zou zich dan voor het fictief testament vooral op Orobio de Castro gesteund hebben, die zeer bekend was met het reilen en zeilen in de joodse gemeenschap in Amsterdam en een uiterst bekwame en gedreven bestrijder van kritische en deïstische tendensen binnen het jodendom; hij bestreed ook Spinoza.

    Het ‘testament’ schetst ons een beeld dat nauwelijks overeenkomt met de historische Uriël da Costa, tot en met zijn naam: het manuscript is ‘ondertekend’: Gabriel Acosta – Uriel, daar waar de echte handtekeningen die wij van hem hebben steeds zeer duidelijk ‘da Costa’ hebben. Opzoekingen in de Portugese archieven hebben onthuld dat het beeld van de adellijke en op zijn eer gestelde ‘fidalgo’ erg gevleid is. De adellijke titel was onbeduidend en recentelijk gekocht door zijn vader. De zakelijke activiteiten, vooral het innen van belastingen, waren niet zelden louche en uiteindelijk regelrechte diefstal ten bedrage van 800.000 reales, een zeer aanzienlijke som, die moest dienen om de vlucht te bekostigen en als startkapitaal in de nieuwe omgeving. Overigens was die vlucht niet zomaar geïnspireerd op zijn verlangen om de joodse godsdienst uit overtuiging te belijden. Enerzijds was de hele familie da Costa en ook het gezin van (toen nog) ‘Guabriel’ reeds jaren joods pratikerend in Portugal en werden zij door de Inquisitie op de hielen gezeten. Anderzijds zijn zij ook overhaast moeten vertrekken omdat het gerecht hen opspoorde wegens de diefstal van de belastingsgelden die zij in opdracht geïnd hadden.

    Vaak stelt men dat da Costa de kleine wijdingen had ontvangen, voorbereidend op het priesterschap in de katholieke kerk, maar daarvoor is er geen enkel bewijs.

    Men vermeldt ook graag dat hij bij de Jezuïeten zou gestudeerd hebben, maar dat is evenmin aantoonbaar. De universiteit van Coimbra was geen Jezuïetenuniversiteit en in Porto was er geen jezuïetenschool; volgens het ‘testament’ werd hij trouwens thuis opgeleid.

    Wim Klever noemt hem een ‘rabbi’. Damasio verwart hem met een naamgenoot, doctor in de Theologie en professor aan de universiteit van Coimbra.

    Er gaapt een diepe kloof tussen de historische informatie die wij hebben over het doen en laten van Uriël da Costa en het beeld dat van hem geschetst wordt. Enerzijds is er een (joodse) economische vluchteling en gehaaide zakenman, anderzijds een getormenteerde en geobsedeerde twijfelaar aan God en gebod, een beeldenstormer en een ‘held van de geest’, een voorvechter van de rationaliteit en bestrijder van bijgeloof, openbaring, het hiernamaals en alle kerkelijke instellingen en dogma’s.

     

    Het ‘testament’ was slechts een eerste omzetting van het leven van een reëel persoon, Uriël da Costa, in literaire fictie. De excellente maar eigenzinnige Pierre Bayle wijdt in 1696 een artikel aan da Costa in zijn Dictionnaire historique et critique. Hij neemt vrijwel letterlijk de tekst over van het ‘testament’ en van de inleiding van van Limborch, als ware het een feitelijk relaas van historische gebeurtenissen. Voltaire doet hetzelfde, maar veel korter, in een brief van 1767. David Francisco Mendez steunt zich in zijn manuscript over de Spaanse en Portugese joden in Amsterdam (1772, uitgegeven in 1975) volledig op Bayle, maar voegt er enkele versieringen aan toe, bijvoorbeeld dat Bayle zich baseerde op een manuscript van da Costa zelf (wat Bayle nergens zegt, hij verwijst gewoon naar het Exemplar) en dat da Costa ‘de mond van het pistool naar zijn borst keerde en een einde maakte aan zijn leven’. Bij Klever (1995) en later bij Nadler (2001) is dat al ‘een revolverschot (sic bij Klever) in het hoofd’!

    In 1774 schrijft Reimarus over da Costa. De tekst is door Lessing in 1774 uitgegeven als een ‘fragment van een onbekende’; een moderne uitgave volgt pas in 1972 (G. Alexander). Het fragment is ook weer een parafrase van van Limborch, maar met verscheidene onnauwkeurigheden: da Costa zou nooit een christen geweest zijn, maar het joodse geloof hebben ingeruild voor de filosofie; bij de geseling zou hij volledig naakt geweest zijn… Zijn zelfdoding vermeldt hij niet.

    Carl Gutzkow schrijft in 1834 een roman, Der Sadduzäer von Amsterdam, in 1846 bewerkt hij die tot Uriël Acosta – Ein Trauerspiel. Vertalingen volgen, ook in het Jiddisch, waar het theaterstuk een vast onderdeel van het repertoire wordt. Abraham Goldfaden maakte er een operette van, opgevoerd in de Remesleni Club van Odessa.

    Ik vermeld ook nog:

    H. Jellinek, Acosta’s Leben und Lehre, 1874

    Israel Zangwill, Dreamers of the Ghetto, Philadelphia, 1898 (een van de novellen gaat over da Costa)

    Klaar, Alfred, Uriel da Costa, Leben und Bekenntnisse eines Freidenkers, Berlin, 1909

    Katzenstein, Julius, Uriel da Costa, Berlin, 1932

    Agustina Bessa-Luís, Um bicho da terra, 1984

    Robert Menasse,  Der Vertreibung aus der Hölle, 2001

     

    Besluit

    Uriël da Costa was een historische persoon, maar ook een legendarische figuur. Op grond van oncontroleerbare gegevens en betwistbare aanwijzingen, heeft men aan de geëmigreerde koopman geschriften toegewezen, waarvan men heeft vastgesteld dat een deel, de Propostas, zeker niet van zijn hand is, en al de andere wellicht ook niet: de drie hoofdstukken bij da Silva, het boek Exame en het Exemplar Humanae Vitae bij van Limborch. Op even zwakke gronden heeft men hem geïdentificeerd met al dan niet verzonnen of literaire personages die in conflict gekomen zijn met de joodse gemeenten en geëxcommuniceerd zijn. En ten slotte heeft men hem een spectaculaire zelfdoding toegeschreven.

    Op grond van al die veronderstellingen, overhaaste conclusies en fantasieën heeft men een mythe gecreëerd die gretig is overgenomen en aangedikt in de Verlichting en de Romantiek en die opgenomen is in de literatuur, het theater, de operette en de schilderkunst, en zelfs in de geschiedenis van de filosofie. Die mythe wordt tot op vandaag in leven gehouden, zowel in vulgariserende als in publicaties die wetenschappelijke objectiviteit pretenderen.

    Er is geen enkel element in die legende dat niet door ten minste één ernstige onderzoeker wordt betwijfeld of verworpen. Er is er niet één dat gebaseerd is op ernstige controleerbare gegevens. De objectieve gegevens stemmen niet overeen met het verhaal dat er rond geweven is, of zijn er niet relevant voor.

    Kortom: de legende van Uriël da Costa is te mooi om waar te zijn. Men heeft hem herhaaldelijk vergeleken met Jezus van Nazareth; het is treffend dat wat over hem geschreven is net zo betrouwbaar is als dat over Jezus, met dit verschil dat we over Gabriël/Uriël tenminste weten dat hij werkelijk bestaan heeft.

     

    PS Aan de vertaling van het ‘testament’ wil ik nog wat verder schaven. Ze verschijnt hier wanneer ik daarmee klaar ben. Een beknopte bibliografie verschijnt hier ook eerstdaags.

     


    Categorie:historisch
    Tags:levensbeschouwing
    25-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.vriendschap kent geen grenzen

    eenzaamheid doe je vooral jezelf aan

    door je af te sluiten van de anderen

    je kan daaraan slechts iets veranderen

    door jezelf eens te buiten te gaan

     

    als je dus nood hebt aan vrienden

    zet dan zelf de eerste stap

    uit je dorre ballingschap

    en wacht dan niet tot zij jou komen vinden

     

    dat is de wijze les die ik leer

    van mijn dichte(nde) vriend Jacques

    hem danken is voor mij een erezaak

    voor een jaar open tweerichtingsverkeer

     

    Ad multos annos!

     

     

     


    Categorie:poëzie
    Tags:poëzie
    24-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.de reisduif en de huismus
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    S

    inds een paar weken hebben we een nieuwe bezoeker in de tuin: een verdwaalde reisduif. Op een dag is ze verschenen, mager en schichtig, uitgeput en verward. Ik verwachtte dat ze het niet zou overleven, we hebben enkele jaren geleden nog zo een exemplaar gehad, te fel verzwakt om te recupereren. Maar dit beestje deed het beter. Al gauw dartelde het opgewekt rond in de tuin, ijverig pikkend naar al wat eetbaar was en vloog af en aan alsof het hier thuis was. Vandaag is het een vaste gast in de tuin, samen met de bosduiven, de tortels, de Vlaamse gaaien, de eksters, om enkel de grotere vogels te noemen. Ze is al goed aangedikt en vliegt zelfs niet op als ik in de tuin kom.

    Zo’n geringde duif komt vanzelfsprekend van iemands duivenkot. Een duivenmelker heeft ze gekweekt en verzorgd tot ze klaar was om uit te vliegen en mee te doen aan wedstrijden. Bij een van die tochten is het dan mis gegaan. Ze heeft de vlucht van haar gezellen verlaten, misschien kon ze niet meer volgen, misschien was ze verschrikt door een roofvogel, een straaljager of iemand met een geweer. Zo is ze de weg kwijt geraakt die naar haar thuis leidde en is ze neergestreken hier in Werchter, in onze tuin, waar een vijver is en een bosje en een aanpalend bebost braakliggend terrein, waar het baasje de katten wegjaagt en voor de rest de dieren niet opschrikt.

    De duivenmelker zal teleurgesteld zijn dat een van zijn duiven niet is weergekeerd. Al zijn moeite voor niets. Het heeft ook niet veel zin om te proberen de duif te vangen, haar ring te lezen en die door te geven aan de duivenmelkerbond: een duif die verdwaalt, is geen prijsbeest, niet de moeite om ze te gaan ophalen in Werchter. En zo heeft onze reisduif een nieuw leven gekregen. Geen stevig en proper hok meer, samen met enkele tientallen andere duiven, met op tijd kwaliteitsvol eten en vers water zonder er moeite te moeten voor doen: een vijfsterren duivenhotel met het baasje als Mr. Fawlty. In de plaats daarvan: de vrije natuur, zelf eten en drinken zoeken, een min of meer veilige slaapplaats in de bomen, vliegen en stappen waar ze zelf wil. Maar ook: uitkijken voor gevaren. En nog: de eenzaamheid.

    Er zijn geen losvliegende duiven van duivenliefhebbers hier in onze buurt, waarbij ze zich zou kunnen aansluiten. Ze is dus alleen en dat is geen leven. Als ik de tortels en de bosduiven zie minnekozen en vrolijk ‘vogelen’ op een tak, betreur ik het lot van onze allenige reisduif. Hoelang zal het duren voor ze het gezelschap van haar soortgenoten begint te missen? Zal ze op een dag zelf op zoek gaan? Of zich toch maar aansluiten bij een vlucht reisduiven die toevallig overvliegt? Of valt ze ten prooi aan de katten van de buren, of de roofvogels die nooit veraf zijn?

    Ze is hier welkom, zo lang het duurt. Ze is vrij om te komen en te gaan zoals het haar invalt. Als ze hier goed heeft, hoeft ze daarom nog niet te blijven: misschien is het op een ander nog beter? Ik geniet van haar tijdelijk gezelschap, en ook Lut heeft haar opgemerkt. We laten haar gerust, het is geen huisdier, maar een vrije medebewoner van de Hogeweg 78, samen met de andere vogels, de eekhoorntjes, af en toe een egel, het muisje op het terras, de vissen en de vorsen in de vijver, de insecten en al wat hier leeft.

    En toch zullen we ze missen, als ze er op een dag niet meer is.


     


    Categorie:natuur
    Tags:natuur
    16-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.het grote misverstand

    E

    r verschijnen steeds vaker publicaties waarin wetenschappers aller aard en ook filosofen de rol benadrukken die onze hersenen spelen in ons denken. Dat leidt sommige mensen ertoe om verbolgen te reageren: herleidt men op die manier immers ons denkvermogen niet tot iets dat louter materieel is? De triomf van de materie over de geest! Materialisme!

    Ik kan die verontwaardiging maar moeilijk begrijpen. Of ons denken nu gebeurt door onze hersenen of door onze geest, wat is ten slotte het verschil? De wetenschap is er helemaal niet op uit om onze geestelijke prestaties te minimaliseren, in tegendeel zelfs. Zij ontrafelen steeds beter onze denkprocessen en onze emoties, met als gevolg dat zij de talloze problemen die zich op dat vlak voordoen met groeiend succes kunnen omschrijven en behandelen. We moeten elkaar goed begrijpen: het is niet omdat men zegt dat er in de mens niet zoiets is als een geest, dat men ook maar iets afdoet van wat een mens vermag. Het is enkel zo, dat wat men vroeger toeschreef aan onze geest, nu resoluut wordt toegeschreven aan ons lichaam, met de hersenen als centraal orgaan.






    Het voordeel van deze copernicaanse revolutie (ik weet het, het is een cliché, maar dit is wel de gelegenheid bij uitstek om het gepast te gebruiken) is dat wij op een wetenschappelijk verantwoorde manier over ons lichaam en dus ook over onze hersenen kunnen spreken, daar waar het spreken over de menselijke geest steeds onvermijdelijk warrig en onnauwkeurig is: we weten zelfs niet eens waarover we het eigenlijk hebben als we het over onze geest hebben. Het zijn vooral kwakzalvers, mediums, adepten van het paranormale, goeroes, sekteleiders en ja, godsdiensten die vasthouden aan het bestaan van een geest of geesten. Aan de universiteiten bestudeert men geen geesten, maar de mens en alles wat met mensen te maken heeft.

    Een van de belangrijkste aspecten van dit onderscheid is dat mensen, zoals al het leven op aarde, sterfelijk zijn, terwijl men van geesten aanneemt dat zij dat op een of andere manier niet zijn. Het geestelijke is per definitie niet lichamelijk, niet materieel en dus niet onderhevig aan verval en vernietiging. Het is ofwel eeuwig, dat wil zeggen dat het altijd al bestaan heeft en altijd zal blijven bestaan, ofwel onsterfelijk, dat wil zeggen dat het ooit is beginnen te bestaan en nooit meer kan vergaan. In die zin is God eeuwig, terwijl de ziel of de geest van de mens onsterfelijk is.

    Hoe weten we dat er iets is dat eeuwig of onsterfelijk is? Omdat ‘men’ dat zegt. Er zijn altijd al mensen geweest die dat op een of andere manier hebben beweerd. Maar dat is dan ook alles. Wij hebben geen enkele concrete aanwijzing, laat staan een sluitend bewijs, dat het zo is. We moeten dat geloven, of aannemen, onszelf of anderen ervan overtuigen enzovoort, maar we kunnen het niet bewijzen.

    We hebben het bestaan van geesten echter helemaal niet nodig om de wereld om ons heen te begrijpen en naar onze hand te zetten. In onze dagelijkse bezigheden houden wij geen rekening met geesten, we doen alsof ze er niet zijn. En als wij, of sommigen onder ons, ons toch laten verleiden om het bestaan van geesten aan te nemen, dan blijkt er geen duidelijk voordeel verbonden aan die veronderstelling, maar wel een hele boel nadelen, zowel op wetenschappelijk gebied als emotioneel en sociaal. Het is nu eenmaal ontiegelijk moeilijk om met elkaar te praten over iets zo vaags als geesten. Er zijn geen twee mensen die er hetzelfde over denken en dus is het een bron van onenigheid en twisten, ja van eindeloos geweld en verschrikkelijke terreur en oorlogen.

    Is er dan niets geestelijks? Is alles materieel?

    Het is maar hoe je het bekijkt en welke definities je gebruikt, het is een kwestie van afspreken onder elkaar. Ikzelf en vele anderen met mij maken een belangrijk en evident onderscheid tussen ‘dode’ materie en ‘levende’ wezens. Zelfs als de grens tussen die twee soms flinterdun is, twijfelen we er in de praktijk eigenlijk nooit aan of iets leeft of niet. Gans het universum bestaat uit identieke subatomaire partikels, die in de tijd een quasi oneindig aantal vormen kunnen aannemen, van zeer eenvoudige tot uiterst complexe. Sommige van die vormen zijn passief: zij ondergaan de inwerking van hun omgeving, zonder daartoe zelf enig initiatief te nemen. Maar er is hier op aarde vrij kort na haar vorming een soort materie ontstaan die in dat contact met de omgeving een actieve rol is gaan spelen. Dat is begonnen op een onooglijke manier: een subtiele gevoeligheid voor licht, warmte, vochtigheid, vijandige of gunstige elementen in de omgeving. Nog een kleine stap verder en bepaalde elementen zijn gaan samentroepen omdat ze daaruit voordeel haalden. Zo is er samenwerking ontstaan, werden de eerste cellen geboren die zich voedden en die zich deelden. Het enige dat een cel wil, zegt men wel eens, is twee cellen zijn.







    Een steen denkt niet (behalve in het Duits, heb je hem?). Maar alle leven ‘denkt’, alle leven is ‘bezield’, alle leven is ‘geestelijk’. Leven is denken, je kan het ene niet hebben zonder het andere. Van zodra iets leeft, is er ook een activiteit die dat leven in stand probeert te houden. Spinoza noemt dat de conatus, de levensdrang zou je kunnen zeggen. Zoals het leven ontelbare vormen aanneemt, is die levensdrang net zo oneindig gedifferentieerd. Hij is aanwezig in de kleinste bacterie en in het grootste zoogdier, de blauwe vinvis. Uit die eerste gevoeligheid voor de omgeving is op een volstrekt natuurlijke wijze een ongelooflijke variëteit van leven ontstaan, waarbij dat leven zich steeds beter probeert aan te passen aan en gebruik te maken van zijn omgeving. Vandaag maken we een inventaris op van die veelheid in verscheidenheid en wij verbazen er ons elke dag steeds meer over.

    Er is in die lange evolutie sinds het ontstaan van het leven heel veel gebeurd, maar het is een ononderbroken lijn, het leven is nooit helemaal uitgestorven en opnieuw begonnen, hoewel er ontelbare individuen zijn vergaan en vele soorten uitgestorven zijn. Er zijn belangrijke momenten geweest in die evolutie, maar er is nooit een breuk geweest en nooit een fundamentele wijziging. Het leven is één. Al te lang hebben wij gedacht dat de mens uniek is, het enige levend wezen dat denkt, een bewustzijn heeft, gevoelens, een verstand, een ziel, een geest. Dat is niet zo, zo blijkt. Wij hebben misschien wel een beter verstand, we denken beter en vaker, we hebben een abstracter zelfbewustzijn, maar dat is slechts een hogere graad van iets dat in andere levende wezens eveneens aanwezig is, op een andere manier, soms in mindere mate, soms in veel hogere volmaaktheid voor bepaalde aspecten, zoals de reukzin bij sommige dieren, hun zicht, hun oriënteringsvermogen, hun snelheid en kracht, hun weerstand aan omgevingsfactoren enzovoort.







    Er is dus geen reden om aan te nemen dat de mens totaal anders is dan de andere dieren. Wij zijn bijzonder, maar niet anders. De evolutie is bij ons op het punt van de hersenen en van de intelligentie het verst gegaan. Wij hebben relatief gezien de grootste hersenen en ook de meest complexe en we hebben ze gebruikt om een beschaving te ontwikkelen die ons in staat stelt om met zeer velen te overleven op een aarde met beperkte mogelijkheden. Wij verschillen daarin niet essentieel van andere levende wezens, zoals bacteriën, insecten, vissen enzovoort. Wij zijn levende wezens zoals alle andere; als wij aan de andere levende wezens geen bijzondere kenmerken toeschrijven, zoals een geest, dan kunnen wij die evenmin opeisen voor onszelf. Indien wij ontkennen dat dieren een geest hebben, dan hebben wij er ook geen. Onze hersenen zijn groter en beter, we kunnen er meer mee, maar er is in de mens niet iets anders, niets geestelijks, dat de dieren niet hebben. Zo simpel is het.

    Doen we daarmee afbreuk aan de geweldige prestaties van de mensheid? Neen, hoezo? Al wat ik zeg is dat er geen eeuwige God is en geen onsterfelijke ziel of geest in de mens. De mens blijft wat hij is, wat hij altijd geweest is en al wat wij verwezenlijkt hebben blijft even belangrijk en waardevol (en vaak ook heel wat minder dan dat). De mens wordt niet minder omdat hij sterfelijk is, omdat hij op een ogenblik ophoudt te bestaan als mens en weer uiteenvalt in zijn samenstellende moleculen, zoals alle levende wezens.

    De mens wordt anderzijds helemaal niet meer of beter als we hem een vage, onduidelijke geest toedichten, hij kan plots niet meer dan wanneer hij die niet zou hebben. Mensen vallen niet plots dood als ze ontdekken dat ze geen ziel of geest hebben. Ze beginnen niet te moorden, stelen en verkrachten wanneer ze tot de overtuiging komen dat er geen hiernamaals is. Ze plegen geen zelfmoord uit wanhoop wanneer ze afscheid nemen van de ongerijmde idee dat er een God zou zijn. Merkwaardig genoeg zijn het veeleer de gelovigen en de mensen die ervan overtuigd zijn dat er een niet-materiële geest is, die verscheurd worden door twijfels en fanatieke waanideeën en die zichzelf en hun medemensen meesleuren in een paroxisme van zinloos geweld.








    Wij moeten leren leven met de simpele gedachte dat wij een diersoort zijn die zich probeert in stand te houden en voort te planten op deze aarde en die geëvolueerd is tot wat we nu zijn, met de hoogtechnologische beschaving die we uitgebouwd hebben, met alle voor- en nadelen van dien. Het is werkelijk niet zinvol om het leven op een andere manier te bekijken, het helpt niet, het is zelfs schadelijk, dat zouden we nu toch al moeten door hebben. Twee of vijfduizend jaren ervaring met godsdiensten allerhande hebben de vooruitgang van het leven op aarde op alle gebied alleen maar enorm belemmerd en hebben honderden miljoenen menselijke slachtoffers geëist. Wij hebben onze omgeving, inclusief het andere leven op aarde, op een schandelijke manier misbruikt en vernietigd.

    Het wordt tijd, hoog tijd dat we het roer omgooien. Het zou een goed begin zijn als we voor onszelf en voor anderen zouden durven erkennen dat God, geesten, hemel en hel een groot misverstand is, dat het enige dat telt het leven op aarde is, alle leven, waarmee wij als evenwaardige mensen mogen samenleven, als sterfelijke individuen.




    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:levensbeschouwing
    05-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een oude nieuwe Spinoza

    Emeritus Professor Dr. Wim Klever (°1930) is de auteur van meer dan honderd publicaties over Spinoza, waaronder een tiental boeken. Hij heeft zeer veel gedaan voor de vroege verspreiding van het gedachtegoed van Spinoza in het Nederlandse taalgebied en ver daarbuiten en is ook vandaag nog een algemeen gewaardeerd Spinoza-kenner.

    Van zijn hand las ik Een nieuwe Spinoza. In veertig facetten, Wereldbibliotheek A’dam, 1995, 176 blz., bibliografie, register; paperback, tweedehands te koop voor ongeveer 10 euro.






    Het is een interessante reeks korte en aangenaam leesbare stukjes, columns noemt men dat heden ten dage, over verschillende aspecten van leven en leer van Spinoza. Vandaag is de titel ietwat voorbijgestreefd, nieuw is het beeld dat professor Klever hier van Spinoza schetst nu niet meer, maar dat is in belangrijke mate zijn eigen grote verdienste. De inhoud daarentegen is volkomen ongedeerd gebleven en vandaag dus nog steeds even relevant als boeiend.

    De auteur behoort tot de groep van Spinoza-kenners die ik met een knipoog naar Jonathan Israel ‘radicaal’ zou willen noemen. Zij zien in Spinoza een filosoof die te gronde breekt met het religieuze wereldbeeld. Anderen, zoals Herman De Dijn, blijven erbij dat Spinoza voldoende ruimte laat voor een transcendente God en de bijhorende metafysica. Elke lezer van Spinoza moet daarover een eigen oordeel vellen. Trouwe lezers van mijn Kroniek zullen niet aarzelen om mij in het radicale kamp te situeren.

    Het is goed mogelijk dat wij daarmee Spinoza enig geweld aandoen en dat wij onze hedendaagse inzichten projecteren in de gedachtewereld van Spinoza in de tweede helft van de 17de eeuw. De radicale benadering legt de nadruk op wat er vernieuwend en zelfs revolutionair is bij Spinoza, veeleer dan op wat hem nog bindt met het verleden, met de godsdiensten, de kerken en een dualistische benadering van de werkelijkheid, met een mens als gespannen tussen een transcendente God en de dode, amorfe materie.

    Het zou vermetel zijn van mijn kant om ook maar enige kritiek te uiten op een auteur die wellicht al meer vergeten heeft over Spinoza dan ik er ooit zal over weten. Ik vermeld hier terloops twee niet-essentiële bemerkingen.

    Op blz. 93 schrijft hij dat Uriël da Costa een einde maakte aan zijn leven met een revolverschot. De revolver is een uitvinding van Samuel Colt, het patent dateert van 1836. Een revolver heeft een ronddraaiende cilinder, waardoor verscheidene kogels na elkaar kunnen worden afgevuurd zonder te herladen. Het wapen dat da Costa gebruikte voor zijn wanhoopsdaad, was dus een pistool.

    Op blz. 136, in het essay dat handelt over zelfdoding, interpreteert hij een tekst van Spinoza die ik citeer: ‘Een derde mogelijkheid ten slotte bestaat hierin dat geheime uitwendige oorzaken iemands hersenen zodanig disponeren en zijn lichaam zo slopen, dat het een geheel andere natuur krijgt, die aan de eerdere tegengesteld is en daarin dus niet meer kan gedacht worden.’ Bij Klever wordt dit: ‘door onbekende chemische oorzaken die de organen en functies aantasten (ziekten).’ Ik wil hier niet al te lang bij stilstaan, maar de toevoeging van het woord ‘chemische’ lijkt me hier te beperkend. Technisch gezien zijn de processen in onze hersenen niet (louter) chemisch, maar ook elektromagnetisch, meestal in een complexe combinatie.

    De auteur gaat hier tevens voorbij aan de oorzaken van die materiële verstoringen van onze denkprocessen, die zowel van genetische, fysische of psychologische aard kunnen zijn. Hij komt gelukkig weer op het juiste spoor wanneer hij aan het einde van de aangehaalde passage spreekt van ‘depressie [die kan] uitmonden in benauwenis en angst die iemand kan pressen tot een finale wanhoopsdaad, die voor hem de enige redding is.’ Het was enkel mijn bedoeling te wijzen op het verschil tussen de ruimere blik die Spinoza heeft (‘geheime uitwendige oorzaken’) en de nauwere interpretatie van Klever (‘onbekende chemische oorzaken’). Het fysische aspect is reëel, maar ruimer dan alleen maar chemisch. Het kan ook en misschien zelfs vooral veroorzaakt worden door een psychische ervaring, bijvoorbeeld langdurige opsluiting, marteling, vernedering, stress &c., of door een fysieke beschadiging van de hersenen, bijvoorbeeld door een ongeval.

    Deze detailopmerkingen weerhouden mij er niet van om dit korte boekje met veel enthousiasme aan te bevelen aan eenieder die geïnteresseerd is in Spinoza, zowel als eerste kennismaking als voor wie reeds enigszins met zijn gedachtegoed vertrouwd is. Professor Klever is een betrouwbare gids die het oog van de wandelaar in het land van Spinoza met diepe kennis van zaken handig richt op belangrijke aspecten die ons anders wellicht zouden ontgaan.



    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:levensbeschouwing
    04-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De derde weg

    A

    ls je de nieuwsberichten volgt, ben je geneigd om Einstein gelijk te geven, wanneer hij stelt dat er twee dingen zijn die oneindig zijn, het universum en de menselijke dwaasheid, en van het eerste was hij niet eens zeker. Dit citaat is echter ook onzeker: het wordt wel toegeschreven aan Einstein, maar er is geen betrouwbare bron voor deze uitspraak. Wil je daarover alles weten, ga dan naar Wikiquote en kijk onder Einstein, betwiste citaten.

    De nieuwsberichten belichten inderdaad overtuigend de menselijke dwaasheid en ook onze wreedheid, onze heerszucht, eerzucht, hebberigheid, afgunst, geilheid… Ware het niet dat Lut graag het journaal bekijkt, ik zou het allemaal aan mij laten voorbijgaan. De media bieden immers geen fraai beeld van de mens, je wordt er depressief van. Ze zijn erop gebrand om al wat verkeerd gaat dik in de verf te zetten. Slecht nieuws is sensationeel en levert goede kijkcijfers op, vandaar.

    Op die manier kan het niet anders dan dat mensen de indruk hebben dat het inderdaad niet goed gaat en dat daaraan ook niet te verhelpen valt. Veel mensen hebben een veeleer negatief wereldbeeld. Als ze erover praten, is het om te zeuren. In gezelschap heb je daarmee altijd succes: straffe verhalen over hoe dingen fout gaan doen het altijd goed. Maar als je dan de vraag stelt hoe het dan wel moet, blijft men meestal het antwoord schuldig. Als er een oplossing was voor al onze problemen, dan zouden we die toch al moeten gevonden hebben, zou je denken.

    Sinds het ontstaan van onze beschaving hebben sommige mensen het geloof in God en de godsdienst binnen een kerkelijke gemeenschap als een remedie gezien voor al het onheil van deze wereld. De almachtige en algoede God zorgt voor de zwakke en verdorven mens. Maar daarvan is in de praktijk weinig te merken, stellen ook gelovigen vast. God zorgt niet beter voor wie in hem gelooft dan voor de anderen die dat niet doen. Niet getreurd, zegt de kerk dan: je zal je verdiende loon krijgen in het hiernamaals, voor eeuwig verdoemd of eeuwig gelukzalig.

    Er zijn ook andere, meer optimistische mensen. Zij leggen de nadruk op al het goede en het mooie in deze wereld, op het menselijk vernuft en op onze artistieke gaven, op de liefde onder de mensen, op onze wonderbaarlijke beschaving, onze cultuur, onze welstand, ons gezond en lang leven. De mens is het toppunt van de schepping, een machtig wezen dat de hele aarde en straks het hele universum aan zich onderwerpt. We moeten op onszelf vertrouwen, al onze capaciteiten ten volle aanwenden en dan komt het wel goed. Kijk maar naar de geschiedenis: het gaat steeds in stijgende lijn, er zijn nog nooit zoveel mensen geweest en ze hebben het nog nooit zo goed gehad als nu. De wereld behoort aan de mens toe. Niets kan ons tegenhouden. Als we ons lang en hard genoeg inspannen, kan het hier een hemel op aarde worden. De mens is gemaakt om volmaakt gelukkig te zijn, dat ligt in ons bereik, dat is onze toekomst, onze eindbestemming.

    Dat optimisme is even overdreven en onrealistisch als het godsdienstig pessimisme, dat het heil uitstelt tot na de dood.

    Is er dan een derde weg? Ik meen van wel. Om die te ontdekken, moeten we teruggaan naar onze oorsprong, naar het ontstaan van het eerste leven op aarde, toen de materie zich begon aan te passen aan haar omgeving: licht, warmte, voedsel, bescherming. Die aanpassing heeft zich over miljarden jaren voltrokken en heeft geleid tot de bonte verscheidenheid die de wereld nu is. Dat moeten we steeds voor ogen houden: wij zijn ‘maar’ materie, een tijdelijke verzameling van identieke subatomaire partikeltjes. Dat is de essentie van de zaak.

    De verhalen over God zijn slechts dat: verhalen die wij verzonnen hebben. Ze zeggen niets over onze oorsprong of onze evolutie, ze gaan hooguit enkele duizenden jaren terug en gaan niet lang mee. Ze kunnen ons bestaan niet verhelderen, ze maken het alleen maar ingewikkelder en minder zinvol. Ze zijn een oorzaak van verdeeldheid en strijd.

    Op dezelfde manier heeft het ook geen zin om de mens tot koning van de schepping te kronen. Het leven hier op aarde is veel complexer en rijker dan dat. Het gaat niet om de mens alleen, wij maken deel uit van een veel groter geheel, waarin wij al bij al een beperkte rol spelen. De wereld is er niet slechts voor de mens, wij moeten rekening houden met het geheel, ook als we aan onze eigen toekomst werken. Wij moeten alle leven respecteren en het hele milieu waarin we leven. Nu we zo talrijk zijn, brengt dat spanningen mee: de natuurlijke rijkdom is beperkt en ook ongelijk verdeeld. Mensen kunnen alleen overleven als ze samenwerken. Als ze elkaar bestrijden en van elkaar stelen, verliest de mensheid als geheel.

    Stilaan groeit dat bewustzijn. De oude Godverhalen spreken niet meer aan, de kerken lopen leeg. Ook de oude ideologieën doen het niet meer: communisme, socialisme, kapitalisme, liberalisme, we stellen keer op keer vast dat ze er niet in slagen om oplossingen te bieden op langere termijn en de maatschappij steeds weer naar de rand van de afgrond leiden. Meer en meer mensen stellen zich de vraag hoe het dan wel moet. We zoeken naar een derde weg, los van God, los van de dwaalwegen van onze ouders.

    Sommigen menen dat we nieuwe leiders nodig hebben om ons de weg te wijzen. We zouden beter moeten weten. Elke radicale oplossing uit het verleden is een vergissing gebleken, elke grote leider een slechte gids. We moeten veeleer naar elkaar luisteren in een ruime democratische dialoog, niet naar één enkele stem, maar naar iedereen, zoals we ook met iedereen moeten samenwerken. Niet wie het hardst schreeuwt heeft gelijk, niet wie het meest belooft, niet wie zijn wil aan anderen opdringt. Laten we luisteren naar de rustige stem van mensen die niet zichzelf op de voorgrond plaatsen maar ideeën, veel ideeën, zoveel mogelijk zelfs. Laten we dingen uitproberen, geleid door onze wetenschap en met behulp van onze technologie. Kennis is macht, alleen met kennis kunnen we samen vooruitgang maken, niet met geweld.

    Dat is de derde weg. Laten we hem samen zoeken.



    Categorie:samenleving
    Tags:maatschappij
    01-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Consequent?

    V

    oor de grap schrijf ik wel eens ‘consequent’  of ‘konsekwent’ en ‘inkonsequent’ of ‘inconsekwent’. Je ziet wat ik bedoel: in het ene geval ben je consequent in je spelling, in het andere opzettelijk niet.

    Wij mensen hebben het moeilijk met consequent zijn. Ons woord is afgeleid van het Latijnse werkwoord consequi en dat betekent ondermeer ‘iets of iemand volgen, een regel of voorschrift naleven’. Consequent handelen doen we als we volgens onze principes handelen, als wat we doen in overeenstemming is met de rest van ons leven en met ons denken. En daar is precies de moeilijkheid gelegen. We zijn het vaak eens over de principes, maar als ze moeten toegepast worden, dan gaat het wel eens fout.






    Bijna alle rokers geven toe dat het slecht is voor hun gezondheid (en die van hun omgeving), maar wereldwijd rookt meer dan een miljard mensen. Elk jaar sterft een half miljoen mensen aan ziekten die aan roken te wijten zijn. Het aantal mensen dat alcohol drinkt schat men op twee miljard; voor ongeveer 75 miljoen mensen gaat het om een ernstige verslaving met zware gevolgen voor hun gezondheid. Indien men zou vaststellen dat een bepaalde stof gevolgen zou hebben die ook maar een duizendste van de risico’s zou hebben die tabak en alcohol met zich meebrengen, dan zou die onmiddellijk en volledig verboden worden. Dat is onder andere gebeurd met de overigens zeer efficiënte insectenbestrijder DDT. De zoetstof stevia is tientallen jaren lang verboden gebleven in Europa, zonder enige ernstige aanwijzing van schadelijke effecten. Maar wie de tabaks- en alcoholindustrie wil aanpakken, weet dat hij tegen de bierkaai zal vechten en dat zijn inspanningen in rook zullen opgaan.

    Wij zijn niet consequent, we kunnen het niet opbrengen en we vinden dat men het ook niet van ons mag verwachten. Niemand heeft het recht om ons te dwingen in alles consequent te zijn. We vinden consequente mensen ook niet prettig in de omgang. Wij nemen, zeker voor onszelf, genoegen met minder dan het volmaakte. De volmaaktheid is niet van deze wereld, zeggen we dan, schokschouderend.

    Het is ook niet nodig dat we in alles consequent zijn. Het maakt in feite niet uit hoe ik dit woord schrijf, iedereen weet toch wat ik bedoel. Zelfs in belangrijke zaken is een beperkte inconsequentie niet meteen dodelijk: iemand die slechts heel uitzonderlijk een sigaartje opsteekt zal daarvan waarschijnlijk nooit ernstige gevolgen van ondervinden. Een glas rode wijn af en toe blijkt zelfs goed te zijn voor je gezondheid. Maar dat is het nu juist. Consequent zijn betekent dat je niet afwijkt van je principes, ook niet één keer. Niet omdat het je directe schade kan berokkenen, maar uit principe. Als roken en drinken globaal gezien schadelijk zijn, dan zouden we het principieel moeten laten, ook al is het niet zeker dat het ongezond is in ons persoonlijk geval. Dat is consequent handelen.

    In de praktijk ligt dat heel moeilijk. Er roken zoveel mensen, dat je de rook nooit helemaal kan vermijden, zelfs als je gewoon op straat loopt. Er wordt zoveel drank aangeboden, vaak zelfs gratis, dat het heel moeilijk is om altijd nee te zeggen. Alcohol is maatschappelijk zo algemeen aanvaard, dat je je min of meer aanstelt als je zegt dat je niet drinkt.

    Ik ben als jonge knaap beginnen roken toen ik nog geen tien jaar was en vanaf mijn twaalfde was ik een regelmatig roker. Ik heb dat volgehouden tot ongeveer mijn dertigste en dan ben ik ermee gestopt, zonder veel moeite, omdat ik ervan overtuigd was dat het schadelijk was voor mij en mijn omgeving, en omdat ik niet het slechte voorbeeld wou geven aan mijn kinderen. Met alcohol is mijn verhaal minder consequent. Ik ben er heel vroeg mee begonnen en dronk vrij occasioneel stevig, dat wil zeggen teveel, tot ik rond mijn vijfendertigste besliste om geen druppel meer aan te raken. Dat heb ik ongeveer twintig jaar volgehouden. Sindsdien drink ik lange periodes bijna nooit, op een symbolisch half glas na. Dat wisselt af met periodes waarin ik meestal een half glas rode wijn drink bij het avondmaal. Meer dan dat drink ik nooit meer. Principieel, consequent.

    Mensen in mijn omgeving hebben het daar moeilijk mee. Zij drinken meer tot veel meer. Blijkbaar zien ze in mijn consequente houding een vorm van afkeuring, ook al bedoel ik dat niet zo en al zeg ik daar niets over. Het is voldoende dat ik niet rook en niet drink om hen op de zenuwen te werken. Soms gaan ze zo ver om mij te verwijten dat ik niet sociaal ben, dat ik hun plezier bederf, dat ik een spelbreker ben, dat ik geen plezier kan maken, dat ik me niet kan laten gaan.

    Ik wil hier openlijk en eerlijk bekennen dat er in mijn aanvoelen niets is dat zo zielig is en me met een zo intense afkeer vervult, als rokende en drinkende en zwetsende mensen. Ik heb het zelf ook lang genoeg gedaan, ik weet wat het is om ervan te ‘genieten’. Ik weet ook dat het een verslaving is die je gezondheid schaadt en die, wat alcohol betreft, je gedrag negatief beïnvloedt: dronken mensen verlagen hun culturele en morele drempels aanzienlijk, ik weet het uit eigen ervaring.

    Laatst zijn we naar een concert geweest van een plaatselijk jazzcombo, in een café in het dorp. Het was mijn eerste bezoek aan dat café in de twaalf jaar dat ik hier woon. Ik voelde me helemaal niet op mijn plaats. Er werd tijdens het optreden volop gedronken, iedereen trakteerde iedereen, je kreeg de pinten sneller en zelfs ongevraagd voor je neus geschoven dan je ze kon uitdrinken. Ik weigerde van meet af aan en bedankte vriendelijk bij elk rondje en ja, ik was weer de asociale, geen mens om mee op café te gaan. Nochtans genoot ik van de muziek en van het gezelschap, babbelde ik enthousiast mee en was spontaan vriendelijk tegen iedereen. Het feit dat ik niet meedeed aan de collectieve intoxicatie was voldoende om mij af te zonderen als ‘ne rare’.

    Dat stoorde mij, ik vond de beschuldiging onterecht. Ik had helemaal niet de indruk dat ik iets miste of dat ik tekortschoot op welk gebied dan ook. Integendeel zelfs. Naarmate de avond vorderde, werd de stemming steeds meer uitgelaten. Naar het einde toe was er een snel groeiende groep die niet meer naar de muziek luisterde, maar in verhitte gesprekken verwikkeld was over de meest banale onderwerpen. Met praatte alsmaar luider en meer opgewonden, men lachte om het geringste, er werd geflirt en gegeild…

    We hebben het allemaal al meegemaakt, ik hoef er geen tekeningetje bij te maken. Na het concert zijn we meteen naar huis gewandeld. Onderweg hebben we gepraat over onze ervaring en vastgesteld dat het heel moeilijk is om consequent te zijn, in de dubbele betekenis: de meeste mensen hebben het moeilijk om consequent te zijn en anderzijds hebben ze moeite met mensen die consequent zijn.

    Ik heb toen gedacht: dat is dan hun probleem, niet het mijne.

    Ik wens niet te roken, te drinken, overdadig of duur te eten, noch op vakantie te gaan of verre reizen te maken. Ik ga niet naar concerten, bezoek geen belangrijke tentoonstellingen of sportmanifestaties. Ik leef een teruggetrokken leven, ik schuw het publieke vertoon. Ik verkies meer diepgaande individuele ontmoetingen, die ons de gelegenheid geven om te praten over dingen die echt belangrijk en interessant zijn, voor onszelf en voor de mensheid. Dergelijke ontmoetingen zijn helaas uitermate zeldzaam. Je kan in elke straat wel een café vinden voor een hilarisch tooggesprek en er zijn duizenden verenigingen, maar gelegenheden waar mensen ongestoord met elkaar kunnen praten zijn er nauwelijks.





    Nochtans hebben we allen behoefte aan dergelijke gesprekken. Dat ervaar ik telkens bij mezelf en bij gesprekspartners met wie het lukt. We willen met elkaar praten, maar doen er vervolgens alles aan om dat gesprek onmogelijk te maken. We hokken met teveel volk bijeen in luidruchtige ruimten, we drinken zoveel dat elk zinvol gesprek onmogelijk is en we vermijden angstvallig om te spreken over de dingen die ons echt ter harte gaan en zeuren eindeloos over dingen waaraan we toch niets kunnen veranderen. En we luisteren niet naar elkaar. En we schuwen de stilte.

    Dan vraag ik me af: wie is er dan asociaal?

     

     

     


    Categorie:samenleving
    Tags:maatschappij
    25-04-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.geld

    Soms kan ik er nog moeilijk aan uit.

    In onze maatschappij lijkt alles gericht op het beste, het meeste, het hoogste. Je moet de slimste zijn van de klas. Middelmatig, daar spreken we niet over. De laatste van de klas wil niemand zijn. Ook zo in bedrijven: wie het meest verdient, is baas. De meest succesvolle zakenman of –vrouw is hij of zij die het meest geld verdient. De belangrijkste persoon op aarde is de rijkste. Iedereen wil rijk worden op zo kort mogelijke tijd, met zo weinig mogelijk inspanningen. Dat daarbij af en toe onverkwikkelijke praktijken te pas komen, dat lijkt minder belangrijk. Zolang de regels min of meer gevolgd worden, is er niets aan de hand. Er staat geen limiet op de winst die men mag maken. Je kan het groot lot winnen, je aandelen verkopen met 1000% winst, je bedrijf overlaten voor een fabelachtig bedrag, een contract afsluiten voor een uitvinding of een boek enzovoort: hoe meer je verdient, hoe beter.





    In het nastreven van persoonlijk gewin zijn er blijkbaar geen grenzen. Of toch? Als individu mag je doen wat je wil, binnen de perken van het systeem. Maar je moet er wel rekening mee houden dat je deel uitmaakt van een samenleving en dat je daarvoor een prijs moet betalen. Dat noemt men belastingen. Grote winsten worden zwaar belast, tot vijftig procent of nog meer. Natuurlijk probeert iedereen daaraan te ontsnappen en dat lukt de rijksten uiteraard het best. Maar er zit iets ongerijmds in het systeem zelf.

    Enerzijds moedigen we iedereen aan om zoveel geld te verdienen als mogelijk, anderzijds nemen we de helft weer af. Dat stemt tot nadenken. Als je weet dat een groot deel van je winst toch voor jou verloren gaat, waarom je dan nog inspannen? Je wordt belast naargelang je inkomen. Op je eerste euro betaal je geen belastingen, op je laatste: vijftig procent. Maar voor die laatste euro moet je wel even hard werken als voor de eerste, zelfs harder en langer, want jobs met een laag salaris zijn er genoeg en ze zijn zelden veeleisend, terwijl hoge salarissen zeldzaam zijn en niet voor iedereen weggelegd.

    Het gevolg is, dat heel wat mensen zich geremd voelen in hun inspanningen. Ze werken niet meer voor zichzelf, maar voor de gemeenschap, zoals dat heet, of voor een groot aantal niet-werkenden die een uitkering krijgen zonder er iets voor te (mogen) doen. En dus proberen ze te ontsnappen: ze gaan in Monaco wonen, of verbergen hun geld op een of andere manier en proberen onbelast winst te maken.

    Er zijn twee systemen aan het werk: ongelimiteerd individueel gewin aan de ene kant, herverdeling aan de andere. Hier bij ons weegt de herverdeling steeds zwaarder door. In de Verenigde Staten ligt de nadruk meer op het ongebreideld en onbelast geld verdienen. In communistische systemen, zoals de vroegere Sovjet-Unie werd alles herverdeeld en was niemand rijk (in principe). Overal ter wereld zoeken politici naar de meest efficiënte formule om de maatschappij te organiseren en de mensen te motiveren om te werken. Moet het door een beperkt aantal mensen zeer rijk te laten worden als aanlokkelijk voorbeeld voor de anderen? Of betalen we iedereen een zelfde loon?

    Op dit ogenblik blijft het zowat overal mogelijk om zeer rijk te worden: topmanagers verdienen verschrikkelijk veel geld en wij vinden dat alsmaar minder aanvaardbaar. Maar dan moeten we beseffen dat als de mogelijkheid om grote winsten te maken niet zou bestaan, diezelfde mensen allicht niet dezelfde inspanningen zouden leveren. Wij hebben in het Sovjetsysteem gezien tot welke misstanden dat leidt: algehele verpaupering en de totale ineenstorting van alle beschaving, de triomf van de armoede, materieel en geestelijk.

    Een zekere ongelijkheid lijkt dus wenselijk. Mensen werken harder en slimmer als ze er meer geld kunnen mee verdienen, als hun inspanningen beloond worden. Als er weinig of niets te verdienen valt, vertonen ze minder ijver, initiatief en vindingrijkheid en nemen ze minder risico’s en dat zijn nu juist de drijfveren van de economie. Staatsdirigisme is als ideaal misschien denkbaar, maar in de praktijk werkt het vernietigend.

    Wij zitten gewrongen tussen de twee systemen. Wij laten ons zwaar betalen voor onze arbeid, zodat we er goed kunnen van leven. De massale herverdeling door de staat voegt daar nog een heleboel voordelen aan toe onder de vorm van kosteloze gemeenschappelijke voorzieningen. Er is dus een zeer gegoede middenklasse. Daarnaast laat het systeem toe dat sommigen zich buitensporig verrijken. In de marge is er een groep van mensen die niet passen in het systeem en die hebben moeite om te overleven.

    Dat is de wereld waarin we leven. We hebben geen duidelijke ideeën over hoe het verder moet, we modderen maar wat aan. Er zijn ontelbare instanties die proberen om het systeem bij te sturen, maar het gaat voortdurend fout, met desastreuze gevolgen voor heel wat mensen, de armsten in de eerste plaats. We weten niet wat het beste systeem is: meer herverdeling of juist minder en meer winst laten aan het individueel initiatief. Hoe zetten we het meest mensen aan het werk op een menselijke manier? Hoe halen we het beste uit de mensen zonder ze uit te buiten? Hoe vermijden we profiteurs? Hoe beperken we bedrog en oneerlijke concurrentie? Is dat door meer wetten en reglementen en meer staatsinmenging, of juist niet? Door op steeds grotere schaal beslissingen te nemen of door het subsidiariteitsbeginsel toe te passen, dat wil zeggen de verantwoordelijkheid op het laagst mogelijke niveau te houden?





    Geen mens die het antwoord weet. Wat mij zeer verontrust, is dat er zoveel mensen bezig zijn met daarover te praten en zoveel mensen die ingezet worden om de fouten van het systeem op te vangen, allemaal mensen die in feite niet productief zijn: de talloze politici en hun medewerkers, de lobbyisten, consultants, experts, studiebureaus; de sociale werkers en de enorme administratie van de sociale voorzieningen en de staatsadministratie enzovoort.







    Begrijp me niet verkeerd: ik pleit allerminst voor eenzijdige oplossingen. We hebben die gehad: Stalin, Hitler, Mussolini, Hirohito, Pol Pot, Mao, Videla, Pinochet, Kadhafi en we hebben die nog: de ayatollahs, Hassad, de Kim dynastie, Castro… Zo moet het niet, dat is wel duidelijk. Maar het zou toch moeten mogelijk zijn om stilaan een beetje meer orde op zaken te krijgen, al was het maar op enkele belangrijke punten: de honger in de wereld, de gezondheidszorg, vrede, misdaadbestrijding, het probleem van de drugs, alcohol en tabak, zorg voor het milieu en propere energie…

    Het ziet er niet naar uit dat het voor morgen is. Het zal een grootscheepse intellectuele inspanning vergen om de mensheid te sensibiliseren voor echte oplossingen op langere termijn. Maar we hebben niet eens een begin gemaakt met het ernstig zoeken naar die oplossingen. We staan vandaag niet zo heel veel verder dan tweeduizend jaar geleden. We verdoen onze tijd met ons te amuseren terwijl er zoveel op het spel staat. Is dat niet schrijnend?

     


    Categorie:samenleving
    Tags:maatschappij


    Foto

    Foto

    Foto

    Inhoud blog
  • René Willemsen, Het onvoltooide leven van Thomas (recensie)
  • Thomas van Aquino, Over het zijnde en het wezen (recensie)
  • What's in a name?
  • Spinoza: Ethica
  • Patrick Lateur (vert.), Goden. 150 epigrammen uit de Anthologia Graeca
  • Ter inleiding bij de tentoonstelling van Lut in De schuur van A, 9 september 2017
  • Paul Claes, SIC, mijn citatenboek
  • Facebook
  • De heilsstaat is niet voor morgen.
  • Paul Claes: Catullus, Lesbia (recensie)
  • het boerkini-verbod en de filosoof
  • de gruwel en de verantwoordelijkheid
  • Exit buxus
  • Terugblik
  • Een poging tot samenvatting
  • Leonard Cohen
  • De wraak van Jan met de pet
  • Foucaults slinger: naschrift ter correctie
  • En toch beweegt ze! Foucaults slinger.
  • Tentoonstelling
  • De rode draad
  • Avondlied
  • Afscheid van kerstmis
  • Spinoza: De Brieven over God
  • Spinoza: de Brieven over God
  • Keren Mock, Hébreu, du sacré au maternel, 2016 (recensie)
  • Geen visum voor vluchtelingen?
  • Rudolf Agricola (recensie)
  • Jan Verplaetse, Bloedroes (recensie, niet voor zachtmoedigen)
  • De verlichting uit evenwicht? (recensie)
  • Godsdienst: macht of inspiratie?
  • 'En bewaar het geheim.' Intieme blikken van vrijmetselaars (recensie)
  • Lamettrie, Het Geluk (recensie)
  • El cant dels Aucells
  • Peter Venmans, Amor Mundi (recensie)
  • Rüdiger Safranski: Tijd (recensie)
  • Terroristen
  • De lastige weg
  • Richard Dawkins, Een kaars in het donker (recensie)
  • Herwonnen vrijheid. Recensie Julian Baggini
  • Gedichtendag 2016
  • virtueel
  • Elfenbankjes
  • Averij - gehavend - average
  • Tentoonstelling Lut De Rudder
  • Tentoonstelling Lut De Rudder, vernissage
  • Parijs: het vendel moet marcheren.
  • Paul Cliteur & Dirk Verhofstadt, Het Atheïstisch Woordenboek (recensie)
  • Romeo & Juliet gedanst
  • Multiculturalisme
  • Matthew Hutson, Magisch denken (recensie)
  • Individu
  • Compelle intrare: dwingen om binnen te gaan.
  • Rik Peters, Verlichte kost. Filosofen van toen over het eten van nu (recensie).
  • Paul Claes, Kinderen van Rousseau (recensie)
  • Leo Beek, Pioniers van de wetenschap (recensie)
  • Asiel
  • van vandaag op morgen
  • Ideeën en gedachten
  • De schoonheid en de troost van het atheïsme
  • Recensie: De schoonheid en de troost van het atheïsme
  • ouderdomsdoofheid
  • het blinde socialisme van Zakynthos
  • The windmills of your mind
  • muziek en dans
  • IS en de ruines van Palmyra
  • Charles Vergeer, Overspoeld door de eindigheid. (recensie)
  • Over baby olifantjes, vermoorde wilde dieren, pandavoyeurisme en huisdieren
  • 50+ en zonder job
  • The Soul Fallacy, Julien Musolino (recensie)
  • De kerk en haar gelovigen
  • (g)een filosofie van de stilte (recensie Jan Hendrik Bakker)
  • Slavoj Zizek, Eis het onmogelijke (recensie)
  • Recensie: Nick Broers, Achter Darwins horizon. Een religie voor atheïsten.
  • Me dunkt...
  • Niemand kan twee heren dienen, nogmaals.
  • bindi, FGM en andere gebruiken
  • Seksualiteit
  • Oost west, thuis best?
  • Recensie: Het voordeel van de twijfel, Tim De Mey.
  • Gedichtendag 2015: Toby
  • Buridans ezel?
  • Spinoza over de Islam
  • Piet Spigt (1919-1990), Nederlands humanist en vrijdenker (recensie)
  • besparen op cultuur?
  • Gelukkig 2015!
  • Imagine...
  • Een zomer met Montaigne (recensie)
  • Dode materie en levende.
  • 300.000 bezoekers
  • Nicholas Carr, De glazen kooi (recensie)
  • Vrijheid en technologie
  • Vrijheid
  • Staken en betogen, of werken?
  • Es geht auch anders...
  • De twijfel van de atheïst
  • Tom Kroon, De morele intuïtie van kinderen
  • Flamenco!
  • Julian Baggini, De deugden van de tafel
  • Edward O. Wilson, The Meaning of HUman Existence
  • Vrijdenken
  • onze hoog-technologische samenleving
  • Tobit
  • De volmaakte priester bestaat niet.
  • La perfection n'est pas de ce monde.
  • Toby
  • Geloof of wetenschap?
  • Besparingen, nogmaals.
  • Besparen op cultuur?
  • Niemand kan twee heren dienen.
  • John Stuart Mill
  • Brief van de bisschop van Antwerpen aan de bisschop van Rome
  • Odette?
  • Onverzoenbaarheid
  • The windmills of your mind
  • Nogmaals: fatalisme en menselijke vrijheid
  • Aarschot, augustus 1914-2014
  • Pastoor Pieter-Jozef Dergent, 1870-1914
  • Yezedi's?
  • Een waanzinnige logica: de Hannibal Directive
  • ongewenst seksueel gedrag
  • Gaza: de grond van de zaak
  • Johan Braeckman, Darwins moordbekentenis
  • Vrijheid en determinisme
  • De blinde telescoop
  • Herakleitos, Alles stroomt (vert. Paul Claes)
  • Antisemitisme?
  • O'Hanlons Helden
  • Polarisatie in Vlaanderen
  • Voetbalgekte
  • Na de verkiezingen
  • Mestkevers?
  • Een eerbaar Vlaams nationalisme
  • Vlaams nationalist, ik?
  • Voor een democratisch Vlaanderen
  • Julian Barnes, The Sense of an Ending
  • Recensie: Ludo Abicht, Democratieën sterven liggend.
  • Recensie: Paul Frentrop, Het jaar 1759.
  • Edward Elgar, Sea Pictures
  • De zoon van de priester
  • Verrijzenis
  • Adel
  • Mijn Spinoza-vertaling
  • Gij zult niet doden...
  • Seksualiteit: idealen en normen
  • The Oxford Handbook of Atheism
  • Hoe we overleven - Mark Rickerby
  • karabiner, musketon, volant en ruflettelint
  • Gedichtendag 2014
  • Antiklerikaal
  • verhitte internetdiscussie
  • Het kruis en de gekruisigde.
  • De seculiere samenleving - Patrick Loobuyck
  • Kweddelen!
  • Euthanasie in België
  • for whom the Bell tolls: exit Didier Bellens
  • De Zevende van Beethoven
  • God bewijzen - Stefan Paas en Rik Peels
  • De Verlichting als kraamkamer, Jabik Veenbaas
  • Recensie: De naakte perenboom. Op reis met Spinoza, Rudi Rotthier
  • In memoriam Luc Verbeke (1924-2013)
  • Gods dobbelstenen
  • Afwezig?
  • Rode kazuifels
  • Socialisme of sociaal-democratie?
  • Late Night Thoughts - Lewis Thomas
  • vrije universiteiten
  • slaagcijfers aan de universiteit
  • Islam, Nazisme en verdraagzaamheid
  • Mes tendres années
  • Caveat emptor!
  • De botten van Descartes - Russell Shorto
  • The Ends of Life - Keith Thomas
  • Goed en kwaad
  • Rebellen - Anne Morelli (red.)
  • Dick Swaab, Wij zijn ons brein
  • Topprestaties, onbehagen en liefde
  • Marius Engelbrecht, De onttovering van de waanzin
  • Siebrand en Hiemstra, Voetangels & Klemtonen
  • meikever
  • Evolutie, cultuur en betekenis - Tom Uytterhoeven
  • Pascal Smet of Pieter Wispelwey?
  • Herbetovering van de wereld - Michael Löwy
  • de utopie van Martin Buber
  • Radicale secularisatie?
  • Economisch nationalisme - Olivier Boehme
  • Kerk en staat
  • bij een overlijden: Macbeth
  • Jacques Brel
  • Goudhaantje
  • ik en de anderen
  • het ruimere perspectief
  • haptonomie, hapschaar
  • Desiderata - Max Ehrmann
  • Crisis
  • Onze waarden? Of toch niet...
  • Democratie in België en in Vlaanderen
  • De eenden zijn terug!
  • Grootschaligheid
  • Sjostakovitsj' Lady Macbeth


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!