Veerle
Afschrift
Amsterdamse Spinoza Kring Tinneke Beeckman
Mark Behets
Jonathan Bennett Rudmer Bijlsma Johan Braeckman Patrick Bruggeman
Kees Bruijnes Wiep van Bunge Manja Burgers Arnold Burms
Filip Buyse Paul Claes
Leni
Creuwels
Antonio Crivotti Luc Daenekindt Jean-Pierre Daenen Andreas De Block
Firmin DeBrabander Daniël De Decker Herman De
Dijn
Paul De Keulenaer Johan Depoortere
Deepak De
Ridder
Lut De Rudder
Patrick De Vlieger Luc Devoldere Karel
D’huyvetters
Hubert Eerdekens
Willem Elias
Kristien Gerber
Herman Groenewegen Cis van Heertum Bob Hoekstra François Houtmeyers
Jonathan Israel Susan James Paul Juffermans Jan Kapteijn Wim Klever
Rikus Koops
Leon Kuunders Sonja Lavaert Willem Lemmens Freddy Lioen Benny Madalijns
Frank Mertens Steven Nadler Jan Neelen
Fred Neerhoff Herman Philipse Jacques
Quekel
Jean-Pierre Rondas Michael Rosenthal Andrea Sangiacomo Sjoerd A. Schippers Eric Schliesser Max
Schneider
Willy Schuermans Herman Schurmans Hasana Sharp Anton Stellamans Marin Terpstra Paul Theuns Tim Tielemans Jo Van Cauter Will van den Berg Jan Baptist Vandenbroeck
Peter Van
Everbroeck
Adelin Van Hecke Miriam van
Reijen Paul Van Tieghem Jasper von Grumbkow
Boekbespreking:
Roger Scruton, Spinoza, Oxford University Press, 1986, 122 pp.
Mark Behets
Dit kleine boekje uit 1986 kwam me toevallig onder ogen in
de bibliotheek. De combinatie van Spinoza en Scruton intrigeerde me en deed me
besluiten om het mee te nemen. Scruton kende ik van een lezing die hij in 2012
in Leuven gaf over het thema “De ziel”. Het was een merkwaardige “lezing” want
de spreker gebruikte niet alleen rationele stellingen en argumenten om zijn
ideeën weer te geven, maar ook muziekstukken, foto’s van kunstwerken, poëzie…
Ik vond dit vrij indrukwekkend, want tijdens deze esthetische elementen voelde
ik echt een extra dimensie waarvan een sterkere overtuigingskracht uitging dan
van de inhoudelijke uiteenzetting zelf. Maar zo’n aanpak verschilt hemelsbreed
van de Spinozistische, en ik vroeg me dan ook af wat Scruton tot Spinoza
gebracht had, en wat zijn oordeel over Spinoza zou zijn.
Het boekje heeft me in mijn verwachtingen zeker niet
teleurgesteld, wel integendeel, hoewel ik de eindconclusie ervan slechts deels
kan onderschrijven. Het boeiende is dat Scruton tegelijk Spinoza apprecieert én
bekritiseert, en dit op een compacte maar zeer heldere manier. In zekere zin
vind ik dat Scruton, toch geen Spinoza-specialist, Spinoza’s filosofie zowel
inzichtelijker als overtuigender maakt dan de vrij volgzame boeken van bv. Herman
de Dijn, Wim Klever, Miriam van Reijen, Tinneke Beeckman… Kritiek doet immers
nadenken en verhoogt op die manier het inzicht. Dit beter inzicht heeft me
alleen maar helderder doen inzien dat Spinoza’s filosofie dichter bij de
waarheid moet staan dan alle andere alternatieven.
Ik ga deze bespreking beginnen met m.i. het belangrijkste,
het algemeen oordeel van Scruton over Spinoza. Welke aspecten van Spinoza
krijgen lof van Scruton? Duidelijk de overwinning van de ratio op bijgeloof en
antropomorfisme. Geloof in mirakels versterkt niet de positie van God, maar
doet God oneer aan. De waarheid is ons ultieme en enige doel. De wereld staat
niet ten dienste van de mens.
De essentiële kritiek van Scruton is echter dat Spinoza niet
inziet dat de ratio uiteindelijk tekortschiet. Scruton volgt Kant: de
“bewijzen” waarop Spinoza zijn metafysica bouwt, zijn gegrond op de verborgen
assumptie dat de wereld is zoals we hem met ons verstand kennen. Kant keert
zich hiertegen: de zuivere rede kan nooit het “ding an sich” kennen, tot de
absolute kennis kan de mens nooit komen. Hij kan alleen een glimp van de
transcendente werkelijkheid opvangen in de esthetische ervaring en in het
leiden van een moreel zuiver leven. Spinoza heeft dus ongelijk in zijn
afwijzing van het transcendente.
Scruton en Kant hebben hier zeker een belangrijk punt, maar
overtuigen me niet dat ze hiermee Spinoza onderuithalen. Ik heb geen probleem
om toe te geven dat Kant principieel gelijk heeft met te stellen dat metafysica
geen wetenschap kan zijn, maar altijd een speculatief karakter zal hebben. Meer
nog: ik denk dat Spinoza zelf niet geloofde dat zijn metafysica op rationeel onweerlegbare
bewijzen steunde. In zijn Ethica heeft hij immers op verschillende plaatsen
begrip voor de lezer die de tot dan uitgewerkte redeneringen niet meer kan
accepteren. Hij vraagt echter de lezer te wachten met zijn eindoordeel tot hij
het geheel gelezen heeft (E2, st11, opmerking). Spinoza’s redenering is m.i. dat
de lezer na volledige kennisname van Spinoza’s theorie zal inzien dat deze
theorie de wereld veel beter verklaart dan andere bekende theorieën, en dit is voor
Spinoza het criterium om de lezer te overtuigen, niet de onweerlegbaarheid van
de axioma’s en definities waarvan hij vertrekt. Ik denk niet alleen dat dit een
correct waarheidscriterium is, maar ook dat er tot vandaag nog steeds geen echt
overtuigender filosofie voorhanden is. Want welke alternatieven hebben we
vandaag voor Spinoza?
Er zijn de klassieke monotheïstische godsdiensten:
Christendom, Jodendom en Islam, die uiteraard stellen dat het transcendente
bestaat, maar die voor informatie over dat transcendente steunen op een
openbaring waarvan het duidelijk is dat die door mensen geschreven is, mensen
die zich onvermijdelijk hebben laten leiden door hun verbeelding. Een kritische
lezing zoals Spinoza die op de Schrift toepaste, laat alleen een ethische
boodschap over, die waardevol is, maar waarvoor geen geloof in het transcendente
nodig is om die te vinden.
Er is het moderne “iets-isme”, een geloof zonder teksten en
eigenlijk ook zonder inhoud, dat zich niet kan verzoenen met een puur rationele
wereld zonder illusies, maar evenmin nog kan vasthouden aan een godsdienst die
door de ratio als ongeloofwaardig ontmaskerd is. Dit “iets” is inhoudelijk eigenlijk
“niets”, alleen een psychologisch houvast.
Er zijn de militante atheïsten, die de strijd tegen de
godsdienst tot een nieuw geloof gemaakt hebben. Die niet alleen het
transcendente overboord gegooid hebben, maar meteen ook alle metafysica.
Ook Scruton biedt geen coherent alternatief voor de Spinoza
filosofie. Hij heeft terecht een punt dat het esthetische, naast het morele,
een doel-op-zich is voor de (wijze) mens, en door Spinoza verwaarloosd lijkt.
Maar waarom deze doelen-op-zich tot het transcendente niveau moeten verheven
worden, kan hij mij niet overtuigend aantonen. En dus geldt m.i. het scheermes
van Ockham: de eenvoudigste assumptie, de Spinozistische eenheid-van-alles,
zonder een transcendent niveau, verdient de voorkeur.
Scruton formuleert zijn eindoordeel over Spinoza als volgt:
“Van alle grote metafysici, kwam Spinoza het dichtst bij het beschrijven van
hoe de wereld voor ons zou zijn, als het mogelijk was om onze morele kennis te
vertalen in theorieën.” (mijn vertaling uit het Engels). Dit is meer dan
appreciatie, het is bewondering in de hoogste graad.
Naast deze algemene beoordeling van Spinoza’s filosofie, is
er uit dit boek ook heel wat te leren over de inhoud van die filosofie zelf.
Scruton begint met een degelijke filosofische
voorgeschiedenis van Spinoza’s werk. Hij laat zien wat de invloeden waren van
de grote filosofische ideeën waarmee Spinoza vertrouwd was: Aristoteles en het
belang van het goede leven, Plato en de definitie van de blijheid, de
scholastici en het Godsbewijs, Maimonides en de ontoereikendheid van woorden om
ideeën weer te geven, de Kabbala en de immanentie van God, Descartes en de
wetenschap, Grotius en de natuurwet, Hobbes en de relatie tussen macht en
politiek. Deze inleiding is vrij origineel, en verheldert zeer hoe Spinoza tot
zijn filosofie is gekomen.
In de verdere behandeling van Spinoza’s teksten, dissecteert
Scruton als analytisch filosoof haarfijn de logische fouten en dubbelzinnige
begrippen. Zo wijst hij er terecht op dat de (Latijnse) term “idea”
(“voorstelling” in de vertaling van Van Suchtelen) door Spinoza in zeer
verschillende betekenissen gebruikt wordt: zowel voor gewaarwording, voor voorstelling
als voor oordeel, en zelfs voor elk ander mentaal begrip. Dit maakt de
interpretatie van Spinoza’s theorie over het denken zeer moeilijk, volgens Scruton
soms zelfs onmogelijk. Deze uitleg heb ik met genoegen gelezen, want mijn eigen
pogingen om het Spinozistische parallellisme tussen uitgebreidheid en denken te
vatten, heeft me al veel frustratie opgeleverd en ik ben er nog steeds niet
helemaal uit. Ook het begrip “adequaatheid” was me nooit volledig duidelijk,
maar hier heb ik bij Scruton een zeer heldere verklaring gevonden. Elke
voorstelling heeft een “ideatum”, een exact overeenkomend “ding” in de
uitgebreidheid, en is dus in die zin “waar” (extrinsieke waarheid). Meer
bepaald heeft elke voorstelling in de menselijke geest een ideatum in het
menselijk lichaam. Maar een adequate voorstelling is niet alleen extrinsiek
“waar”, ze is ook intrinsiek volkomen volledig en coherent, zodat het
voorgestelde object ook exact overeenkomt met de werkelijkheid buiten ons
lichaam. Onze adequate voorstellingen laten ons toe de wereld volledig te
kennen. Dit laatste steunt op de verborgen vooronderstelling in Spinoza’s filosofie:
het rationalisme, dat stelt dat onze kennis volledig overeenkomt met de stand
van zaken in de zijnswereld (de wereld van het kennen en deze van het zijn,
zijn identiek, wat Kant, zoals hoger al vermeld, een onbewijsbare en onterechte
premisse noemt).
Scruton eindigt zijn boek met een erg zwierig geschreven
opsomming van de invloeden van Spinoza op latere filosofen. Scrutons stijl is
niet alleen zeer helder, hij is ook erg esthetisch. Wat natuurlijk niet
verwonderlijk is voor iemand die in het transcendente karakter van de kunst
gelooft. De slotzin van het boek gebruikt de stijlfiguur van de paradox.
Scruton schrijft, volgend op een citaat van Nietzsche, waarin die erg heftig tekeer
gaat tegen Spinoza, “die ziekelijke kluizenaar”:
“Wat ook de zwakheden van Spinoza’s systeem mogen zijn, men
is geneigd te denken dat een filosoof niet helemaal verkeerd kan zijn als hij
dergelijke rancune oproept bij iemand die het met zoveel van zijn stellingen
zou eens geweest zijn, als hij de argumenten had begrepen.”
Wat echter stilistisch goed klinkt, is daarom nog niet
noodzakelijk waar. Dank zij Google kunnen we vandaag makkelijk een volledig
overzicht vinden van Nietzsches uitspraken over Spinoza. Volgend citaat toont
dat Nietzsche het wél had begrepen:
“Ik ben uitermate verbaasd, uitermate opgewonden! Ik heb een
voorganger, en wat voor één. Ik kende Spinoza nauwelijks: dat ik me nu juist
tot hem heb gewend, was ingegeven door mijn ‘instinct’. Niet alleen is zijn
algemene tendens dezelfde als de mijne – namelijk van kennis de machtigste
emotie maken- , maar ik herken me ook in vijf hoofdthema’s van zijn denken;
deze hoogste ongewone en eenzame denker staat in volgende zaken het dichtst bij
mij: hij ontkent de vrije wil, de doelgerichtheid, de morele wereldorde, het onzelfzuchtige
en het kwaad.” (Friedrich Nietzsche aan
Franz Overbeck -30.7.1881
– mijn vertaling uit het Duits).
PS: Ik las de originele Engelse versie
van het boek, maar er bestaat ook een Nederlandse vertaling in de reeks
“Kopstukken filosofie” – uitgeverij Lemniscaat.
De ontvangst van Spinoza in katholieke kringen - Marin Terpstra
Wij hebben het ons als een bijzonder doel gesteld om de
resultaten van het wetenschappelijk Spinoza-onderzoek in het Nederlands te
helpen ontsluiten voor een Vlaams geïnteresseerd publiek; Nederlandstalige
belangstellenden in het algemeen kunnen daarvan mede profiteren.
Wij hebben ons ook al herhaaldelijk afgezet tegen academische
geplogenheden en weinig professionele benaderingen waardoor de publicatie van onderzoeksresultaten
soms lange tijd op zich laat wachten, of zelfs helemaal uitblijft.
Gelukkig beschikken wij nu over de enorme mogelijkheden van
het internet en zijn er auteurs en uitgevers die ruim genoeg van geest zijn om
daarvan gebruik te maken. Zo is er vandaag een schat aan informatie, zelfs meer
dan men menselijkerwijze kan verwerken, die gratis ter beschikking staat van de
lezer die bereid is ernaar op zoek te gaan.
Zo viel ons oog op een artikel van de hand van Dr. Marin Terpstra,
dat hij schreef naar aanleiding van een lezing die hij hield in het kader van
het congres naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van de Vereniging Het
Spinozahuis in 1997. Tot een publicatie van de bundel van de bijdragen op dat
congres is het echter blijkbaar nooit gekomen. Het interessante artikel,
getiteld De ontvangst van Spinoza in
katholieke kringen kan men als een Word-document vinden op de website van
Dr. Terpstra, onder de hoofding Spinozana:
http://marinterpstra.ruhosting.nl/publicaties.html.
Hij beschrijft daarin onder meer de Spinoza-receptie in België en Vlaanderen.
Het
is wel bekend dat bij de laatste woorden die Spinoza schreef ook die behoren waarin
hij de uitsluiting van vrouwen uit politieke ambten rechtvaardigt, op grond van
hun natuurlijke minderwaardigheid. In
de laatste overgebleven paragraaf van zijn onvoltooide Staatkundige Verhandeling houdt hij vol dat wij ‘met zekerheid
mogen stellen dat vrouwen van nature niet dezelfde rechten hebben als de mannen
maar integendeel noodzakelijkerwijze onderdoen voor de mannen.’[1]
Zijn argumentatie voor seksuele ongelijkheid is zowel verrassend als ondubbelzinnig.
Hij beschouwt de minderwaardigheid van de vrouw niet als het resultaat van een
samenleving die slecht georganiseerd is, maar als het gevolg van een ingeboren
en onoverkomelijke zwakheid. Hij beweert niet dat vrouwen verhinderd zijn om
gebruik te maken van hun intelligentie, zoals hij wel aanvaardt in het geval
van de massa,[2]
maar dat vrouwen van nature ‘noodzakelijkerwijze’ de mindere zijn van de man.[3] In
haar analyse van de gelijkwaardigheid van de vrouw bij Spinoza stelt Margaret
Gullan-Whur dat die bewering verrassend is, zowel om biografische als om
filosofische redenen. Gezien het relatief progressieve Nederlandse milieu en de
belangrijke plaats die verscheidene vrouwelijke tegenspeelsters innamen met
betrekking tot Descartes’ filosofie, inzonderheid Prinses Elisabeth van
Bohemen,[4]
moet Spinoza wel weet hebben gehad van welopgeleide en intelligente vrouwen.[5]
Bovendien is
[1]
Spinoza, Staatkundige verhandeling (in
het vervolg: TP), hoofdstuk 2, par. 4 (G III.360/S 753). De Latijnse tekst
luidt als volgt:[A]ffirmare omnino licet,
foeminas ex natura non aequale cum viris habere jus, sed eas viris necessario
cedere.
[2]
Hoewel het typisch is voor interpretatoren om Spinoza een lage dunk toe te
schrijven over het vulgus, verwijt
hij in de TP aan de ‘macht en
cultuur’ dat zij de massa onwetend en wispelturig maken door het instellen van
slafelijke bestaansvoorwaarden (TP7.27)
[3]TP 11.4 (G III.360/S 753). Zie Gullan-Wuhr, “Spinoza and the Equality
of Women,” 94.
[4]
Descartes’ respect voor Elisabeths mentale kwaliteiten blijkt duidelijk op
verschillende plaatsen, waaronder de dedicatie bij zijn Principia Philosophiae, die Spinoza bestudeerde en ‘omzette’ more geometrico. Zie René Descartes, “Dedicatory Letter to
Elisabeth,” in CSM I.190–94/AT VIIIA.1–4.
[5]
Gullan-Whur merkt bijvoorbeeld op dat Spinoza in het Latijn begeleid werd door Clara,
de dochter van Francis van den Enden (“Spinoza and the Equality of Women,” 92).
We kunnen ook ons afvragen wat hij dacht van Koningin Christina, of van de
koninginnen die samen met koningen regeerden in zijn tijd.
Om technische redenen is het niet mogelijk het hele essay hier af te drukken. Wij voegen de volledige tekst toe als bijlage.
Tolerantie in de vroege Verlichting - Jonathan I. Israel
Locke, Spinoza en het
filosofisch debat over tolerantie in de vroege Verlichting (ca 1670-1750)
Jonathan I. Israel
Locke, Spinoza and the Philosophical
Debate Concerning Toleration in the Early Enlightenment (c. 1670 - c. 1750), Koninklijke
Nederlandse Academie van Wetenschappen, Mededelingen van de Afdeling
Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel 62 no. 6. Deze Mededeling werd in verkorte vorm
uitgesproken in de vergadering van de Afdeling Letterkunde, gehouden op 9 november
1998. http://www.knaw.nl/Content/Internet_KNAW/publicaties/pdf/981137.pdf
De lezing is
destijds uitgeven bij de uitgeverij van de KNAW, Edita. Deze uitgeverij is in
2008 opgeheven. De KNAW blijft haar oude titels op de website vermelden, al dan
niet verkrijgbaar als pdf, of via partner Kloof Booksellers, http://kloof.home.xs4all.nl/.
Alle citaten zijn
vertaald, de voetnoten verwijzen naar de oorspronkelijke bronnen van de auteur.
In de 17de en het begin van de 18de
eeuw stellen wij de definitieve doorbraak vast, ja de eerste echte triomf, van
het begrip ‘tolerantie’ in West-Europa, zo al niet officieel, en wettelijk, dan
toch zeker in intellectuele middens en in de praktijk. In de Verenigde
Provinciën was tolerantie op religieus gebied – indien niet ten volle de
filosofische – krachtig bevestigd, uitgebreid en op enkele punten
geformaliseerd, zoals voor de Wederdopers, vanaf de periode van De Witts ‘De
Ware Vrijheid’ en voortgezet tijdens het stadhouderschap van Willem III na
1672.[1]
Als een gevolg van de Glorious Revolution
van 1688-91 nam in Engeland niet alleen de godsdienstige tolerantie maar ook de
persvrijheid aanmerkelijk
[1] Zie H.H. Rowen, John de Witt,
Princeton, New Jersey, 1978, p. 420-441; Wiebe Bergsma, ‘Church, State and
People’, in Karel Davids and Jan Lucassen (eds), A Miracle Mirrored. The
Dutch Republic in European Perspective, Cambridge, 1995, p. 197-213; zie ook
J.I. Israel, The Dutch Republic. Its Rise, Greatness and Fall 1477-1806,
Oxford, 1995, p. 637-76, 1019-37.
Wegens technische beperkingen is het niet mogelijk het volledige artikel hier weer te geven. De volledige tekst wordt hierbij als bijlage aangeboden als een pdf-file.
Dierlijke gevoelens: Spinoza en de grenzen van de menselijkheid - Hasana Sharp
Sinds enige tijd prijkt de naam van Hasana Sharp op de lijst
van de sympathisanten van Spinoza in
Vlaanderen. Dr. Hasana Sharp is assistant
professor aan de McGill University in Montréal, Québec, Canada. Klik hier voor haar
persoonlijke pagina. Wij kwamen haar op het spoor via enkele recente
artikels, waaruit we met haar toestemming uitvoerig citeerden in onze
bijdrage over Spinoza’s humanisme.
In onze verdere contacten was Dr. Sharp graag bereid om twee
artikels over Spinoza vrij te geven voor vertaling en exclusieve publicatie op
onze website. Met haar steun verkregen we ondertussen ook van de redactie van de
betrokken tijdschriften de nodige toestemmingen.
Hieronder vindt u als bijlage de vertaling van een eerste
artikel: Dierlijke gevoelens: Spinoza en de grenzen van de menselijkheid. Een
tweede zeer recent artikel, dat hierbij goed aansluit, volgt later, na
publicatie in de befaamde Journal of the
History of Philosophy (vol. 50, 4, 2012).
Wij vermelden ook graag haar eerste boek: Spinoza and the Politics of Renaturalization,
The University of Chicago Press, Chicago & London, 2011, xii + 242 pp., Bibliography, Index, € 28 (hardcover)
Spinoza, filosoof van de blijheid: recensie door Mark Behets
Spinoza – Filosoof van
de blijheid, Tinneke Beeckman (red.), Asp / Vubpress / Upa, 2010 - 151
pagina's, ong. € 20.
Recensie door Mark
Behets
De positieve ervaring met “Door Spinoza’s lens” bracht me
ertoe om ook Tinneke Beeckmans vorig boek “Spinoza, filosoof van de blijheid”
ter hand te nemen – zij het dan dat het dit keer gaat om een bundeling van
zeven bijdragen van verschillende auteurs, waarvan Beeckman er zelf twee
schreef. De andere bijdragen komen van Miriam van Reijen, Alexandre Matheron,
Herman De Dijn, Laurent Bove en Marin Terpstra. Hieronder volgt mijn bespreking
van dit boek, waarbij ik in het bijzonder aandacht besteed aan het hoofdstuk
over de mogelijke amoraliteit van Spinoza’s ethiek, en tegelijk de vergelijking
maak met een artikel van Yitzhak Melamed, dat enkele weken geleden op dit blog
aan bod gekomen is.
De eerste bijdrage komt van Miriam van Reijen: “Spinoza’s
naturalistische filosofie van de affecten.” Het was duidelijk een goede keuze
om met deze bijdrage te starten: hier wordt de “blijheid” –een affect- uit de
titel van het boek gepositioneerd binnen de filosofie van Spinoza. Miriam van
Reijen is als Spinozakenner en specialist in praktische filosofie of
“levenskunst”, hiervoor zeer goed geplaatst. Ze beschrijft zeer helder het
onderscheid tussen de verschillende soorten “affecten” (die in Spinoza’s
woordgebruik staan voor gemoedsaandoeningen, die voor hem altijd ook
lichamelijke aandoeningen zijn).
Spinoza onderscheidt allereerst de blije affecten (deze die
tot een lustgevoel leiden, of een vermeerdering van het handelingsvermogen), en
de droeve affecten (die tot een onlustgevoel leiden of een vermindering van het
handelingsvermogen). Mensen koppelen door hun denkvermogen deze primaire affecten
steeds aan een oorzaak, waardoor er als het ware een “secundair” affect
optreedt. Als de mens dank zij de rede de correcte (of adequaat begrepen)
oorzaak ziet, dan spreekt Spinoza van een actief affect. Indien de mens, in
zijn verbeelding, niet de ware oorzaak (maar een denkbeeldige) ziet, dan gaat
het om een passief affect (ook passie, lijding of negatieve emotie genoemd).
Spinoza, “filosoof van de blijheid”, stelt nu dat indien we de ware oorzaak
kennen, er nooit sprake kan zijn van een (secundaire) droeve passie. De ware
oorzaak kennen, betekent immers inzien dat de gebeurtenis niet anders had
kunnen zijn dan ze is (Spinoza’s determinisme!). Indien de mens er dus in
slaagt tot een adequaat begrip te komen, dan vermijdt hij dat op primaire
droefheid nog een andere daarbovenop komt (bv. schuldgevoel). Bovendien kan hij
dan de ware oorzaak aanpakken, en dus effectiever zijn in het wegwerken van de
primaire droefheid.
Van Reijen wijst er terecht op dat deze Spinozistische
remedie in de praktijk twee beperkingen kent. Ten eerste is, zoals Spinoza ook
zelf sterk benadrukt, het onmogelijk voor de mens om alles adequaat te kennen:
de indrukken van buitenaf werken altijd eerst op de verbeelding. Ten tweede is
het zo dat het primaire onlustgevoelen in zeer gevallen blijft bestaan, omdat
de mens geen macht heeft over de primaire oorzaak. Deze beide bezwaren zijn
m.i. ook door Bertrand Russell verwoord in de bespreking van Spinoza in zijn
“Geschiedenis van de Westerse filosofie”: “Spinoza zou willen dat u het
verdriet begreep door het te zien in verband met de oorzaken ervan, als
onderdeel van de ordening van de natuur”. Dit, schrijft Russell, “…is menselijk
nagenoeg onmogelijk bij groot leed aangedaan aan degenen die u liefheeft, bv. indien
uw dochter wordt verkracht en gedood door vijandelijke soldaten”. Van Reijen
lijkt dit niet tegen te spreken, aangezien ze in haar bijdrage de laatste zin
van de Ethica aanhaalt: “… het bereiken hiervan is even moeilijk als zeldzaam”.
De tweede bijdrage is een vertaling door Beeckman van een
oorspronkelijk Franse tekst van Matheron over seksualiteit. Wie “Door Spinoza’s
lens” gelezen heeft, zal hier een groot deel terugvinden van wat Beeckman in
dat boek over seksualiteit schreef (ze refereert er ook duidelijk in naar dit
artikel van Matheron). Belangrijkste verschil is m.i. niet zozeer de inhoud
maar de aanpak. Matheron gebruikt het ontleedmes om uit elke zin of elk woord
ooit door Spinoza over seks geschreven, alle mogelijke betekenissen te
achterhalen. Zeer analytisch dus (zou het toeval zijn dat dit m.i. ook een
kenmerkende eigenschap is van de Franse taal waarin het artikel oorspronkelijk
geschreven werd). Vrij intellectualistisch ook: de auteur doet niet de moeite
om Latijnse citaten te vertalen. Eén door Spinoza gehanteerde Latijnse term
“meretrix” krijgt bijzondere aandacht van de auteur (de vertaling blijkt “prostituee”
te zijn). Matheron kan het niet laten om in voetnoot te suggereren dat Spinoza
met het gebruik van deze term een oude wrok zou verraden, tegen Claire Van den
Enden, dochter van Spinoza’s leermeester, en ook Spinoza’s veronderstelde geliefde,
die echter voor een parelsnoer met een ander zou getrouwd zijn… Maar, zegt
Matheron, mogelijk nog nagenietend, dit is slechts een gerucht dat niet wetenschappelijk
te funderen is… (zou het toeval zijn dat Beeckman in tegenstelling tot haar
mannelijke collega, deze roddel niet vermeldt?).
Als derde bijdrage schreef Beeckman zelf een stuk: “Blijheid
in overvloed. Spinoza over verlangen en macht.” Hierin maakt Beeckman een
interessante vergelijking tussen Spinoza en Hobbes, die beide de term “conatus”
hanteren met schijnbaar in eerste instantie een zelfde betekenis: “streven naar
het volharden in het bestaan”. Ze toont echter aan dat voor Hobbes dit streven
uitgaat van een tekort; de mens heeft een toename van macht nodig voor zijn
zelfbehoud. Voor Spinoza daarentegen is de conatus een veel complexer begrip,
het is tegelijk worden en zijn. De Spinozistische wijze ervaart geen tekort.
Herman De Dijn schreef een bijdrage over “Spinoza: ethiek in
een naturalistisch perspectief”, die later in een herwerkte vorm maar onder
dezelfde titel werd opgenomen in De Dijns eigen boek “Spinoza, de doornen en de
roos”. Dit onderwerp sluit heel goed aan bij de recente stukken over humanisme
op dit blog, waar het artikel van Yitzhak Melamed “Spinoza’s anti-humanism: an
outline” aan bod kwam. Melamed komt daarin tot de conclusie dat Spinoza een
amoralist was. De Dijns bijdrage spreekt dit volledig tegen. Ik ga hierbij
beide redeneringen vergelijken.
Melamed vertrekt van Spinoza’s uitgangspunten: determinisme
en naturalisme. Dit vertaalt zich in een utilitaristische ethiek: er bestaat
geen goed of kwaad, en de mens zal zich voor zijn handelen louter baseren op
het nut voor zichzelf. Er is geen sprake van enige onbaatzuchtigheid. Spinoza
blijkt zelfs het recht van de sterkste voor te staan, gezien hij in zijn
Tractatus Politicus stelt “recht is macht”. Dit amoralisme is voor Melamed deel
van de “dark side” van Spinoza, en doet hem stellen dat hij in bepaalde
gevallen “would think twice before becoming his neighbour”.
Het merkwaardige is nu dat De Dijn deze uitgangspunten
volledig onderschrijft – determinisme en naturalisme zijn Spinozistische
basisprincipes waar geen uitzonderingen op bestaan. Hoewel hij toegeeft dat het
paradoxaal lijkt, komt De Dijn tot een besluit volledig tegengesteld aan dat
van Melamed: in Spinoza’s ethiek staat “onbaatzuchtige welwillendheid tegenover
anderen centraal”. Wie heeft er hier gelijk en hoe is het verschil te
verklaren?
Het besluit van De Dijn zit m.i. ongetwijfeld veel dichter
bij de waarheid dan dat van Melamed: hiervoor dient men slechts hoofdstukken IV
en V van de Ethica ter hand te nemen, waar het hoogstaand moreel karakter van
af spat (één van de vele voorbeelden: “Zelfs al wisten wij niet dat onze Geest
eeuwig is, dan zouden wij toch vroomheid [rechtschapenheid], godsdienstzin en
alles wat wij in het vierde Deel als behorende tot Kloekheid en edelmoedigheid
hebben aangeduid, van het grootste belang achten”, Ethica V Stelling 45). Tegen
Spinoza’s stelling “recht is macht” lijkt moreel gezien zijn meer in te
brengen, maar hier gaat het niet om individuele ethiek, wel over politiek.
Beeckman schrijft in “Door Spinoza’s lens”, hoofdstuk III, 1, wat het verschil
is: “Spinoza wil een politieke theorie die rekening houdt met de werkelijkheid,
en die een realistische, publiek vruchtbare moraal voortbrengt. Dit impliceert
een scheiding tussen een privémoraal, en een moraal voor staatszaken.”
Hoe komt het dan dat Melamed tot een heel andere conclusie
komt? Maakt hij een logische redeneringsfout? Dit lijkt niet het geval: de logica
in het artikel van Melamed is zeer helder en erg overtuigend. Maar –in
tegenstelling tot De Dijn- houdt Melamed er geen rekening mee dat Spinoza in de
logische opbouw van zijn ethiek onderweg een nieuw element inbrengt. Een nieuw
element dat niet logisch kan afgeleid
worden uit het deterministisch-naturalistisch uitgangspunt, maar dat gebaseerd
is op ervaring. De Dijn verwoordt dit als volgt: “Het streven naar het leiden
van een echt rationeel leven dat in de lijn ligt van ons ideaal, veronderstelt
dus niet alleen het bezit van rationele kennis omtrent de mens, maar ook dat
het bezit van die kennisactiviteit ervaren wordt als goed, als blij makend in
een actieve zin, onvergelijkbaar met de gewone, passieve blijheid”. Dit
verklaart m.i. waarom Spinoza en De Dijn tot een besluit komen dat volledig
tegengesteld is aan dat van Melamed: de deugd dient niet nagestreefd te worden omwille
van het nut, maar omwille van zichzelf (“het loon van de deugd is de deugd
zelf”, Ethica V, laatste stelling). Wat mij hier heel merkwaardig lijkt: Spinoza
komt tot een ethiek die voor het handelen in de praktijk identiek is aan deze
van de monotheïstische godsdiensten, hoewel die ethiek niet voorgeschreven
wordt door een transcendente God, maar wel volgt uit de immanente ervaring.
Over de overige bijdragen ga ik vrij kort zijn. Over deze van
Laurent Bove “Epicurisme en Spinozisme: de ethiek” zelfs heel kort: dit is niet
het soort tekst waarover ik enthousiast kan zijn. De stijl is bijzonder wollig
en het ontgaat me waar de auteur naar toe wil. Uiteraard was Epicurus ook een
filosoof van de blijheid, maar voor de rest heb ik niet het gevoel iets
opgestoken te hebben uit dit exposé.
Marin Terpstra schreef een hoofdstuk over “Opgewekte
politiek, of een politiek van de laetitia?”. Hierin wordt vertrokken van de
vaststelling dat ook in de politieke theorie van Spinoza de blijheid een
belangrijke rol speelt: “…het uiteindelijke doel van de politiek is niet om te
heersen of de mensen met vrees in bedwang te houden en aan een ander
ondergeschikt te maken, maar integendeel om de enkeling van vrees te bevrijden…”
(Tractatus Theologico-Politicus, XX). Vraag is dan of een politiek van de
blijheid niet naïef is. De lezer die weet welke bewondering Spinoza voor
Machiavelli had, zal allicht vermoeden dat Spinoza dit gevaar besefte en er een
antwoord op uitwerkte.
Het laatste hoofdstuk is opnieuw door Beeckman zelf
geschreven, en draagt als titel “Spinoza en de boeddhistische meditatie”. Wie
“Door Spinoza’s lens” al doorgenomen heeft, hoeft hier niet meer verder te
lezen: voor hem bevat dit laatste hoofdstuk niets nieuws. Ik ga er hier niet
verder op in.
Mijn besluit is dat “Spinoza – Filosoof van de blijheid” een
interessante aanvulling vormt op Beeckmans recenter boek. Er zijn weliswaar
heel wat overlappingen, maar een aantal aspecten worden diepgaander behandeld.
De stijl is een stuk zwaarder, maar het boek richt zich dan ook niet tot
starters in de filosofie van Spinoza. Wie “Door Spinoza’s lens” gelezen heeft
is echter geen starter meer, en voor hem kan de lectuur van dit oudere boek van
Beeckman een volgende stap zijn om de meester verder te doorgronden. De
herhaling van een aantal thema’s is dan te zien als een klassieke methode om
een moeilijk studieobject onder de knie te krijgen.
Het humanisme van Spinoza contrasteert scherp met andere
vormen van humanisme, inzonderheid de christelijke versie, maar ook met latere
versies van humanisme die vertrekken van een transcendent Opperwezen en een
mens die in een bijzondere relatie staat tot het transcendente. In een vorige
bijdrage lichtten we dit toe aan de hand van de grondige analyse die Y. Melamed
maakt van het antropocentrisch humanisme, waarbij de mens boven alle andere
schepselen verheven wordt en slechts zichzelf wordt door zijn dierlijke natuur
te temmen of te ontkennen. Ik
citeer: By ‘humanism’ I understand a view
which (1) assigns a unique value to
human beings among other things in nature, (2) stresses the primacy of the
human perspective in
understanding the nature of things, and (3) attempts to point out an essential
property of humanity which justifies its
elevated and unique status.
Er zijn echter gevaren verbonden aan het eenzijdig beperken
van het humanisme tot de vorm die Melamed zo accuraat beschrijft in genoemd
artikel. Men negeert daardoor immers elk ander filosofisch plausibel of
historisch voorkomend humanisme, dat niet beantwoordt aan de criteria die
Melamed opsomt in zijn strakke definitie van wat hij ‘het’ humanisme noemt. De
auteur lijkt dat zelf ook te beseffen. Hij merkt onmiddellijk na zijn definitie
van ‘het humanisme’ op dat dit zo goed als niets van doen heeft met het historisch
concept van het Humanisme van de Renaissance. Dat zou ons al op onze hoede
moeten maken voor al te haastige definities en veralgemeningen. Als we echter nog
verder kijken, dan kan het evenmin slaan op de talrijke en diverse vormen van
humanisme die wij daarna hebben mogen verwelkomen, vooral sinds 1650 en die Israel,
Kors, Hazard en Pintard zo indringend beschreven hebben in hun monumentale
studies over de Radicale Verlichting. Maar ook daarna is er een constante
humanistische traditie, waartoe we Nietzsche, Feuerbach, Hegel, Schopenhauer,
Freud, Sartre en nog zoveel anderen mogen rekenen. Alles goed en wel beschouwd
is dat inderdaad veeleer het humanisme. Wat Melamed beschrijft, is dat niet.
Het is het infaam en fataal antropocentrisch en antropomorf theïsme van Paulus,
Augustinus, Thomas, Calvijn, Luther en van de Inquisitie. Dat als het enige
humanisme voorstellen, is een onaanvaardbare vertekening van een hartverheffende
historische realiteit en van een lange en hoogstaande filosofische traditie,
die lang voor het christendom begonnen is en hopelijk lang na het christendom
zal voortleven.
Bovendien kan het overmatig benadrukken van de eenheid van
de mens met de ‘natuur’ ertoe leiden dat men de graduele, niet essentiële maar
zo reële verschillen tussen de mens en de andere levende wezens al te zeer gaat
minimaliseren en zelfs ridiculiseren. Tevens dreigt het terecht verwerpen van
elke goddelijke of absolute moraal te verworden tot een bizar amoralisme, dat
wij bij Melamed ook expliciet toegekend zien aan de auteur van de Ethica. Ik citeer:’ X. Spinoza’s Amoralism.
- Given the title of Spinoza’s main work, and the fact that a considerable
parts (sic) of the book deals with
the improvement of human conduct, one may be surprised to find Spinoza
described as an ‘amoralist’. Nevertheless, this title is recurrently ascribed
to Spinoza, and I believe, rightly so. For Spinoza’s “moral theory” is
essentially nothing but a theory of prudence. It begins with a clear,
egoistic, foundation, and proceeds to show that a prudent egoist would in many
respects behave in a way that would be judged as righteous by common
morality, and that he would adopt characteristics that fit the common understanding
of virtue.’ Waar is ‘homini igitur nihil homine utilius’ gebleven? (E4p18s)
Ten slotte stellen we vast dat in deze redenering de hardnekkige
en opzettelijke ontluistering van de mensheid niet stopt bij haar integratie en
gelijkschakeling met de rest van de natuur, maar dat men een verontrustende
stap verder gaat en zowaar de gecultiveerde mens gaat denigreren ten nadele van
de sentimenteel voorgestelde nobele wilde en zelfs van de dieren, die dan
worden voorgesteld als verstoken van de vermeende typisch menselijke wreedheid.
Alleen de mens doodt uit wellust of woede, een dier enkel om zich te voeden, zo
heet het dan.
In onze vorige bijdrage hebben wij aandacht gevraagd voor
die aspecten in de filosofie van Spinoza die wijzen op het onderscheid dat hij
wel degelijk voortdurend maakt tussen de mens en de andere levende wezens. Het
bijzondere van de mensheid bestaat erin dat een individu inderdaad in staat is
tot zelfs bewuste wreedheid, maar tevens de mogelijkheid heeft om zich, zij het
met grote kunstigheid en voortdurende waakzaamheid, ten minste ten dele te
ontrekken aan de emoties die hem of haar zo dreigen te domineren. In
tegenstelling met het dier is de mens geneigd tot het kwade maar ook in staat
tot het goede. De filosofie van Spinoza is er een van de zelfverheffing van de
mens boven het meedogenloze determinisme van de fysische wetmatigheden van de
materie en de voortdurende invloed van de emoties, dat blijkt zelfs al
voldoende uit de titels van zijn werken: over de verbetering van het verstand,
over de mens en zijn welstand, over de godsdienst en de politiek, over de
politiek, en, alsof het nog niet duidelijk was, over de ethiek.
Dit wordt ontkend door commentatoren van Spinoza die al te eenzijdig
en ongenuanceerd de nadruk leggen op zijn metafysisch monisme: de mens is
helemaal niets bijzonders, het is gewoon een toevallig en tijdelijk
conglomeraat van de ene substantie en dus volledig onderworpen aan de
natuurwetten, ook in zijn denken, dat overigens niet meer is dan een illusie,
verwekt uit onwetendheid over de ware oorzaken van wat men denkt en doet. De
mens is geen opmerkelijk verschijnsel, veeleer een ziek dier. De beschaving is
veeleer een achteruitgang en een degeneratie dan een gunstige evolutie, de
beschaving veeleer een vloek dan een zegen. De Natuur is een onpersoonlijke machine infernale, de mensheid een
onooglijk en onbetekenend moment in een eindeloze geschiedenis en een
onmeetbare ruimte.
Persoonlijk heb ik het erg moeilijk met een dergelijke
opvatting en met de excessieve concrete conclusies die men er pleegt aan te
verbinden. Toen men aan de onlangs overleden marxistische historicus Eric
Hobsbawm vroeg of het tot stand brengen van de proletarische heilsstaat de dood
van twintig miljoen onschuldigen waard was (een evidente verwijzing naar de
genocide onder Stalin), antwoordde hij naar verluidt zonder aarzelen: ja!
Melamed schrijft in zijn artikel dat Hitler niet schuldig kan geacht worden aan
de genocide en aan het oorlogsgeweld van het Nazisme. Dichter bij me zijn er
mensen die menen dat we misdadigers als Dutroux en Janssen wel moeten ‘elimineren’
maar niet ‘veroordelen’ en ‘bestraffen’ omdat dat zij niet ‘verantwoordelijk’
zijn voor hun afschuwelijke wreedheden, alles onder de leuze dat wij volledig
gedetermineerd zijn door oorzaak en gevolg en aan dat rad van de fortuin
onmogelijk kunnen ontsnappen. Men maakt daarbij een reuzensprong, ja waarlijk een
salto mortale, van een gedetermineerde natuur naar een determinerende natuur.
Ik verberg mijn viscerale afschuw tegenover dergelijke
redeneringen niet, maar dat is een persoonlijke kwestie die hier niet rechtstreeks
van belang is. Ik gruw echter evenzeer van de attributie van een dergelijke amoraliteit
aan de ethische filosoof Spinoza. Ik kan nog aannemen dat personen die
onvoorbereid beginnen aan de lezing van Spinoza of, wat vaker het geval is, van
inleidende en vulgariserende werken over Spinoza, getroffen worden door de
vernietigende analyse die Spinoza maakt van het christelijk en antropocentrisch
zogenaamd humanisme en zo verleid worden tot een uiterst simplistisch, manifest
eenzijdig en grondig vertekend beeld van onze filosoof, die overigens niet ten
onrechte als roemrucht moeilijk bekend staat.
Ik durf echter met een beschuldigende vinger te wijzen naar
mensen die beter horen te weten, wetenschappers en professoren die zich
gespecialiseerd hebben in deze materie en in de filosofie van Spinoza en die
door hun ongenuanceerde voorstelling van zaken de welmenende goegemeente in
verwarring brengen en hen zelfs tot ideeën voeren die verre van ongevaarlijk
zijn voor zichzelf en voor anderen.
Voorbeelden daarvan vinden we helaas wel vaker, en ik heb er
hier al meer aangehaald, ook in verband met recente publicaties, maar ik grijp
nog eens terug naar het aangehaalde artikel van Y. Melamed. Ik citeer: When
God thinks of particulars he
does not conceive them through these abstract universals, but rather knows them
directly in their particularity (Letter 19| IV/92/1; Cf. E4Pref| II/207/19).
Knowing that the particular at stake could not act otherwise, God does not
judge it to be lacking anything that would naturally belong to it. Thus, Spinoza
argues that privation and evil “can be said only in relation to our intellect,
not in relation to god’s” (Letter 19| IV/92/20). From God’s perspective, says
Spinoza, appetition to the good belongs to the nature of a ‘wicked’ person no
more than it belongs to the nature of a stone (Let. 21| IV/129/1). In other
words, for Spinoza, ‘evil’ could be attributed to Hitler no more than it could
be attributed to any rock.
Wie dit leest, kan men vervolgens niet kwalijk nemen te
denken dat volgens Spinoza iemand als Hitler niet alleen geen schuld treft,
maar dat hij zelfs geen kwaad (evil)
heeft gedaan. Melamed doet geen enkele moeite om de agressieve, uitdagende
formulering ook maar enigszins te nuanceren of af te zwakken, of de evidente andere,
menselijk-morele waarden te releveren. Wat men zich uit deze paragraaf zal
herinneren, is de finale, provocerende zinsnede.
Hetzelfde geldt voor het verhaal over de slak dat Melamed vlot
verzint. Ik citeer: Human bodies follow precisely the same laws
that govern the body of the snail, and ideas of human bodies (i.e., human
minds) are governed by precisely the same laws that govern the mind of the
snail.
One bold implication of this passage is that
snails - and, apparently, rocks as well - are selfconscious. Since for Spinoza
self-consciousness is nothing but having a second-order idea of the body, Spinoza
would have to hold that snails
are self-conscious. In the passage above, he states explicitly that all things
have minds (i.e., ideas of their bodies), and since the doctrine of parallelism
– “the order and connection of ideas is the same as the order and connection of
things” (E2p7) - commits him to the view that all ideas have their parallel
second-order ideas, it seems that all bodies - snails and rocks included - have
their own second-order ideas, and are, thus, self-conscious.
A view which states that snails know God, and
that the snail’s mind is eternal may seem even more striking. However, when we
look closely at Spinoza’s proofs of the doctrines that the human mind has an
adequate knowledge of God (E2p45-7), and of the eternity of the human mind
(E5p22-23), we see that both proofs rely on very general considerations about
the relation of individual minds to God. There seems to be nothing in these proofs which is
peculiar to the human mind, and apparently nothing that would not allow a
construction of similar proofs regarding the snail’s mind. To view snails and
rocks as having adequate knowledge of God as well as eternal minds is indeed
quite daring, but it seems to be a clear result of Spinoza’s strict naturalism,
which denies any chasm between
human and non-human individuals in nature.
In a word, it cuts short any talk of human dignity (insofar as this
dignity is not shared by snails and rocks as well).
Tegen onze gewoonte in hebben wij deze citaten niet
vertaald, om niet beschuldigd te worden van het verdraaien van de woorden van
de auteur. De lezer kan op die manier zelf vaststellen hoe ver deze auteur gaat
in zijn ontluistering van de menselijke waardigheid, zoals ten overvloede
blijkt uit de laatste zinsnede. Tot onze ontsteltenis wordt hij daarin
publiekelijk enthousiast bijgetreden door een niet onbekende, zij het erg controversiële
en door zijn collegae vaak verguisde Nederlandse emeritus filosofiedocent.
Het weze me vergund even persoonlijk te worden. Deze en
dergelijke Spinoza-interpretaties hebben me diep geschokt. Daarbij kwamen nog
de harde beschuldigingen, verwijten en verdachtmakingen naar aanleiding van
eerdere bijdragen van mijn hand op deze website. Ik heb, dierbare lezer, ernstig
overwogen om ermee op te houden. Ik voelde me erg eenzaam en droef te moede. Qui a raison contre tout le monde, a tort. Was ik het dan
die het verkeerd voor had?
Ik heb dan Steve Nadlers inleiding op de Ethica opnieuw ter
hand genomen; ik citeer slechts een passage uit Spinoza’s Ethics. An Introduction p. 137: When we move beyond the general ontology, however, there is, of course,
something special about the thought or idea in God or Nature that is the human
mind. Unlike all those other ideas or ‘minds’ that have extended bodies as
their objects, the idea that has the human body as its object and that is the
human mind does indeed have real thinking and consciousness. What does
distinguish the human mind from all other minds or ideas is that it has greater
and more complex functions and capacities. Among these capacities are memory, imagination and self-awareness.
Ik heb ook verscheidene hoofdstukken van de Ethica zelf
herlezen. Stilaan werd ik gesterkt in mijn overtuiging en kon ik weer aan de
slag, om tegenover zoveel nihilisme een hoopvolle boodschap over de filosoof
van de blijheid te brengen.
Min of meer toevallig belandde ik bij een lovenswaardig
lucide essay van Dr. Hasana Sharp, die filosofie doceert aan de McGill
University, Montreal, Quebec, Canada. Het gaat om Humanism and
Antinomianism: Spinoza on Beasts, Paper prepared for presentation at
the 2009 APSA Convention, Toronto, Ontario. Een zoals zij zelf zegt
‘more polished’ versie daarvan verscheen als het zesde hoofdstuk van haar
recent boek: Spinoza and the Politics of
Renaturalization, 2011. De auteur verleende ons graag toestemming om uit
haar essay te citeren in Nederlandse vertaling. Ze ging ook heel welwillend in
op onze uitnodiging om toe te treden tot het stilaan indrukwekkend lijstje van
internationale auteurs die ons bescheiden initiatief steunen om Spinoza bekend
te maken in Vlaanderen. Wij zijn haar erg dankbaar voor haar bereidwilligheid.
In dit essay vinden we gelukkig een gans andere en veel meer
genuanceerde benadering van Spinoza. Aan de hand van een zorgvuldige lezing van
wat Spinoza zelf zegt over de andere levensvormen, komt zij tot een
verhelderende analyse van Spinoza’s opvattingen over de menselijke waardigheid.
Zij verwerpt uiteindelijk zowel het provocerend en verontrustend afwijzen van
elk humanisme, zoals we dat bij Melamed aantreffen, als het even weinig
filosofisch haalbare extreem transcendentale christelijk of idealistisch
‘humanisme’. Laten we haar boeiende redenering even volgen.
Zij vertrekt van de vaststelling dat ‘zowel ecologische filosofen
als marxistische critici van Spinoza onvoldoende oog hebben voor de keerzijde
van Spinoza’s antihumanisme. Inderdaad, commentatoren van allerlei slag presumeren
meestal dat de Natuur in Spinoza’s denken de functie vervult van een standaard
waartegen men bepaalde vormen van politiek en levenswijzen beoordeelt als
ontoereikend. In dit paper onderzoek ik Spinoza’s uitspraken over dieren, of
‘beesten’, om te onthullen dat zijn materialisme evengoed een afwijzing is van de
verheffing van een ongeschonden wildernis tot de status van een norm. Zijn
uitspraken over de dieren drukken zijn tegenstand uit tegen de simpele inversie
van een antropocentrisch perspectief waarbij de rauwe natuur het model wordt
voor het bestaan en de menselijke cultuur naar voren komt als corrupt en
onnatuurlijk. In mijn interpretatie gaan de opvattingen van Spinoza over de
dieren regelrecht in tegen het soort van misantropische wanhoop dat losbreekt
als een reactiecomplex tegen de onhaalbare idealen die het instellen van de
superhumane normen, die zo typisch zijn voor humanistische politieke
stellingnamen, met zich meebrengt.’ Even later wijst zij op Spinoza’s
bezorgdheid, zoals die blijkt uit zijn uitspraken over de houding die de mens
moet aannemen tegenover de dieren, dat men ‘zich zou onttrekken aan de
gemeenschap der mensen en de dieren zou gaan na-apen. Spinoza is niet zozeer bezorgd
om de niet-menselijke dieren zelf, als om het uitbreken van een soort van
primitivistisch ethos dat de dieren behandelt als een voorbeeld of een model
dat de mensen moeten nabootsen en bewonderen’. Het is alsof zij Melamed en Klever
duidelijk voor ogen heeft. Zij stelt daarentegen dat Spinoza wel degelijk gaat
voor de nood aan een (haalbaar!) menselijk ideaalbeeld en niet voor een
‘dialectiek van de antinomie’, de neiging om woeste cultuurloosheid als ideale
norm te stellen. Zij pleit ervoor om te luisteren naar ‘Spinoza’s bezorgdheid
over een reactionair antihumanisme’. ‘Wanneer posthumanisme en eco-politiek
bovenal gedreven worden door de afschuw van de menselijke wreedheid, leiden ze
regelrecht naar een reactionaire politiek. Spinoza daagt ons uit om een
affirmatieve en vreugdevolle politiek te vinden die een midden zoekt tussen de
gevaren van een superhumanisme dat de mensheid verheft boven de natuur en een
subnaturalisme dat een bedreiging vormt voor het bestaan van de mensheid, die
een defectieve uitdrukking is van de normatieve natuur.’
Niet verwonderlijk ziet zij met Spinoza het leven volgens de
rede als de ‘uniek menselijke code die de brute kracht van de natuur
tegengaat’. ‘Spinoza’s verzet tegen het supernaturalisme is gebaseerd op het
inzicht dat het wellicht precies de norm van een vergoddelijkte mens is die
gehoorzaamt aan een ‘hogere wet’ die zoveel filosofen, theologen en moralisten
ertoe brengt om de mensheid met afschuw te bekijken.’
‘Een goed begrip van Spinoza houdt in dat hij insisteert dat
ons ‘voordeel’ erin bestaat de banden en associaties te cultiveren met andere
gelijksoortige wezens, vooral andere mensen, in een gezamenlijke inspanning om
onze mentale en lichamelijke capaciteiten te versterken’. Niet worden als de
dieren en de ongecultiveerde natuur, dus, maar samen meer mens worden. Wanneer
Spinoza over de dieren spreekt en dat doet hij niet minder dan vier keer in de
Ethica, is dat steeds in de context van het betreuren van de menselijke
irrationaliteit en de intermenselijke conflicten. Telkens vergelijkt hij dat afkeurenswaardig
menselijk gedrag met dat van wilde dieren, bestiae.
En hij heeft ook geen goed woord over voor personen die veeleer het gezelschap
van de dieren opzoeken of zelfs de voorkeur geen aan hun gezelschap boven dat
van de medemens. Het typevoorbeeld daarvan is de Adam van Genesis, die onze
auteur met enig amusant feministisch gnuiven bestempelt als een ‘perverte
misantrope zoofiel’, die de menselijke arrogantie omkeert in een even
verwerpelijke vergoddelijking van de gedetermineerde natuur.
Natuurlijk betreurt Spinoza dat zo weinig mensen leven
volgens de rede en op die manier elkaar tot een last zijn. Maar dat leidt
sommigen ertoe om de lasten van het samenleven te overdrijven. In E4p35s
schrijft hij (in de vertaling van Corinna Vermeulen): Het is ook echt zo dat er
uit de samenleving van de mensen veel meer gemak voortkomt dan ellende. Laten
de satirici dus maar lachen zoveel als ze willen om de menselijke
aangelegenheden, laten de theologen ze maar verafschuwen, en laten de
melancholici maar zoveel ze kunnen het ongecultiveerde en ruige leven prijzen,
mensen verachten en wilde dieren bewonderen – ze ervaren toch dat mensen
datgene wat ze nodige hebben veel gemakkelijker krijgen door elkaar te helpen
en dat ze alleen door hun krachten te verenigen de gevaren kunnen ontlopen die
overal loeren; om nog maar te zwijgen over het feit dat het verreweg superieur
is en onze kennis meer waardig, over de daden van de mensen na te denken dan
over die van wilde dieren.’ Het lijkt wel alsof Spinoza hier bepaalde hedendaagse spinozisten voor ogen had!
‘Haat haalt het echter vaak van de liefde. Wanneer dat
gebeurt met iemand, kan men melancholisch worden en de afschuw van de mensheid
kan muteren in een algehele overwaardering van het niet-menselijke in de
natuur.’ ‘De cultus van het nobele dier is een uitdrukking van hopeloosheid,
een wanhopige drang om de eigen beschaving op te geven en zich te isoleren van
het lijden in de handen van andere mensen. Freud noemde dit terugdeinzen van
elk mogelijk lijden, dit zich terugtrekken van elk relationeel bestaan in het
algemeen, ‘de doodsdrift’. Wanneer de eisen van een rationeel leven te groot
lijken, kan men ertoe komen om te verlangen naar a-rationaliteit.’ Is dat wat sommige
mensen aantrekt tot de volstrekte zinloosheid en het onverstoorbaar fataal determinisme
van een natuur, red in claw and tooth?
Spinoza vervolgt: ‘Dus om iedereen te nemen zoals hij is en
je te beheersen om niet hun gevoelens na te bootsen, daar is een bijzonder
vermogen van de geest voor nodig. Maar diegenen die er goed in zijn mensen te
bekritiseren en meer hun gebreken aan de kaak te stellen dan deugden te
onderwijzen, die het gemoed van de mens niet versterken maar breken, die zijn
een last voor zichzelf en voor anderen.’ (E4app13)
Onze auteur besluit dat ‘terwijl het absoluut noodzakelijk
is dat wij affirmeren dat wij deel uitmaken van de natuur, betekent deel
uitmaken van de natuur niet dat wij ernaar moeten streven om op een soort van
natuurlijk ideaal te gaan lijken, waarbij ‘natuurlijk’ genomen wordt in de
betekenis van ‘niet-menselijk’.
Wij laten het bij deze citaten. Ze illustreren naar ons
aanvoelen perfect het standpunt van de gouden middenweg die wij in onze vorige
bijdrage naar voren brachten, als een tegengewicht voor zowel het eenzijdig
naturalistisch determinisme als het religieus, transcendent en antropomorf en antropocentrisch
theïsme. Wanneer de mens de antropomorfe God verlaat, hoeft men voorwaar niet
zo laag te vallen dat men bij de dieren terecht komt in een vermeende
paradijselijke toestand. Darwin heeft ons gewezen op onze plaats in het geheel
van het biologisch leven, maar die plaats is boven aan de kruin van de boom des
levens, aan het voorlopig uiteinde van een evolutie, en niet op dezelfde hoogte
als de andere levensvormen. Wij zijn niet als mensen geschapen, maar wij zijn
wel tot mensen geëvolueerd als soort en wij zijn bij machte om ook als individu
ons mens-zijn ten volle te beleven en onze specifieke genetische en culturele mogelijkheden
te ontplooien. Dat is niet gemakkelijk en het ideaal is voor iedereen
verschillend.
Wij raden iedereen de lezing van dit uitermate boeiend en
verhelderend essay van harte aan. Wij nemen ons voor om ook het boek ter hand
te nemen en daarover verder te berichten.
Spinoza wijst ons voortdurend op de bescheiden plaats die
wij als mens innemen in het universum; en hij deed dat lang voor de omvang en
de wetmatigheden van dat universum bekend waren. Voor hem vormt de mensheid
geen afzonderlijk koninkrijk binnen het algemene imperium van de natuur. Lang
voor Darwin hetzelfde aanvoerde, bevestigde hij de fundamentele eenheid van
alle leven. Lang voor de moderne wetenschap ertoe kwam, hield hij het erop dat
er slechts één substantie is, waaruit alles bestaat.
Daarmee zette hij zich af tegen elk christelijk humanisme,
dat uitgaat van een goddelijke Schepper van alles en van de mens als een
bijzonder wezen. Er is geen Schepper, er is enkel de Natuur die zich ontplooit
volgens eigen wetmatigheden. De mens is geen bijzonder schepsel, maar een
onderdeel van het universum dat zich hier op aarde ontwikkeld heeft. Er is ook
geen goddelijke moraal of plichtenleer.
Mensen leren met hun omgeving en in het bijzonder met elkaar
samenleven op een manier die het best bijdraagt tot het leven en het overleven
van de mens en van de mensheid. De moraal die ze ontwikkelen, is een menselijke
moraal. Niets is goed of kwaad in metafysische of theologische zin, het is een
kwestie van concrete en praktische afwegingen en afspraken onder mensen.
Door de mens die bijzondere plaats in het geheel der dingen
te ontzeggen, lijkt het wel alsof Spinoza een anti-humanist zou zijn, zoals Y.
Melamed (2006) stelt.* Dat is echter enkel mogelijk, wanneer men zoals Melamed vasthoudt
aan een beeld van het humanisme zoals dat vooral voorkomt in de christelijke traditie
en in de filosofieën die daarop gesteund zijn. Spinoza heeft daarmee echter op
een radicale manier gebroken en het is de verdienste van Y. Melamed dat hij dat
op een heldere en overtuigende manier aantoont.
Waar wij Melamed en met hem ook enkele anderen niet volgen,
is vooreerst in de algemene conclusie dat Spinoza een anti-humanist zou zijn en
vervolgens in enkele specifieke conclusies die Melamed c.s. daaruit trekt. Het
christelijk humanisme is namelijk veel te specifiek en te beperkt om als
voorbeeld gesteld te worden voor elk humanisme.
Wanneer men zoals Spinoza en Darwin aanneemt dat de mens een
veel bescheidener plaats inneemt in het wereldbestel en dat de natuurwetten
integraal op de mensheid van toepassing zijn, ontzegt men de mens wel zijn teleologisch
uniek statuut, met alle privilegies die dat inhield: rechtstreeks geschapen
door God, begiftigd met een onsterfelijke ziel, een vrije wil, een immateriële
geest, de heerschappij over de schepping, de liefde van de almachtige en
welwillende Schepper enzovoort. Maar precies door die copernicaanse omwenteling
bevrijdt men Prometheus ook van zijn kluisters. Spinoza en na hem Darwin hebben
de mens te midden van de schepping geplaatst in plaats van erboven; zij hebben
hem kordaat zijn transcendentale ambities en zijn hybris ontnomen.
Dat is echter veeleer een opwaardering van de mens dan een
ontluistering. Door de mensheid te ontdoen van haar zelfgemaakte goden bevrijden
zij haar uit een millennialange slavernij, niet zozeer onder het juk van die
God of goden, maar dat van de bedienaars van de erediensten. Die intellectuele sanatio in radice heeft onvermijdelijk een
diepgaande sociale weerslag in de maatschappelijke opvattingen. Niet God is het
Opperwezen, en de macht en het morele gezag berust niet bij de kerken, noch bij
het wereldlijk gezag, aan wie God (of de Kerk) het rechtens toegezegd had, maar
bij de mens als individu en bij de mensheid als gemeenschap.
In die zin kan Spinoza onmogelijk een anti-humanist genoemd
worden en dat is ook wat men zeer sterk heeft aangevoeld sinds de dagen van
Spinoza zelf. Dat blijkt zo mogelijk nog meer uit het verzet tegen zijn
opvattingen dan uit de lof van zijn vrienden en degenen die in zijn sporen zijn
getreden. Het is precies vanuit het christelijk humanisme dat de hevigste
aanvallen zijn gekomen en dat is vandaag nog steeds zo. Alle andere vormen van
humanisme daarentegen beroepen zich sinds zijn eerste publicaties en tot op de
dag van vandaag met trots op zijn grote voorbeeld en op zijn geschriften als de
basis van hun humanistische overtuigingen, tot de diepe ecologisten toe.
Het is niet mogelijk om het belang van Spinoza voor ons
modern humanisme te overschatten. Niemand heeft voor of na hem een zo
overtuigend sluitende voorstelling gemaakt van het universum en van de plaats
die alles, van de ‘dode’ materie tot de meest complexe levensvormen, daarin
heeft. Zijn humanisme is een gekwalificeerd, realistisch humanisme. Het
ontluistert, miskent noch overschat de mens, maar erkent zijn reële eigenschappen.
Het is waar: hij kent die eigenschappen ook toe aan alle andere vormen die de
materie aanneemt, maar in drastisch mindere mate of op een grondig andere
manier; het lijdt geen twijfel dat Spinoza en ook Darwin zich bewust waren van
de uitzonderlijke hoogte van de vlucht die het denken heeft genomen in homo sapiens. Door hun complexiteit en
hun alomvattend perspectief zijn hun geschriften zelf daarvan het beste bewijs.
Voor Spinoza was het denken zo belangrijk dat hij er een afzonderlijk attribuut
heeft van gemaakt van de ene substantie, fundamenteel gescheiden van de materie
en van alle andere, ons onbekende attributen.
Hoe jammer is het dan voortdurend te moeten vaststellen dat
men ook vandaag nog steeds zowel Spinoza als Darwin zo onvoorstelbaar kortzichtig
probeert voor te stellen als simplistische materialisten en voorstanders van
een fysisch gedetermineerd fatalisme. Men kan zich de vraag stellen uit welke
diepe frustraties dat voorkomt. Is het denkbaar dat men nog steeds zo intellectueel
gevangen zit in een ongecontroleerde emotionele afschuw van het christelijk transcendentalisme
en de goddelijke moraal waartegen Spinoza zich zo verzet heeft, dat men gruwt
van elke poging om het gelouterd humanisme van Spinoza te releveren?
Wij stellen vast dat sommigen vandaag ook de evolutionaire
psychologie, de sociobiologie en de neurowetenschappen afdoen als een nieuwe ontluistering
van de mens. L’histoire se répète.
Het zijn immers dezelfde argumenten die uit dezelfde hoek worden aangebracht
tegen dezelfde gedachtegang. Ook deze vernieuwers ziet men volkomen onterecht als
aanhangers van dergelijk fatalisme, daar waar zij zich beijveren om de specifieke
eigenschappen van de mens wetenschappelijke grondslagen te geven.
Het is zelfs ronduit ontstellend te moeten zien hoe sommigen
blind zijn voor de het licht van de zon zelf, namelijk het uitzonderlijk
denkvermogen van de mens, het resultaat van een lange en niet-teleologische
evolutie volgens Darwins principes, en de fabuleuze weerslag daarvan op de
beschaving, en zich daarvoor menen te kunnen beroepen op een bedenkelijke lezing
van precies de enige auteur die er eigenhandig in geslaagd is om de mensheid haar
terechte plaats in de wereld terug te geven, bevrijd van god en kerk, een met
de andere levensvormen en verantwoordelijk voor het eigen nest.
NB In de originele tekst
verwijst de auteur naar de Engelse vertaling van de werken van Spinoza in de
uitgave van Edwin Curley, I en II (‘forthcoming’, sic). Voor de Brieven
verwijst hij naar Shirley. Om deze vertaling bruikbaar te maken, zijn die verwijzingen
naar best vermogen vervangen door referenties naar de Nederlandse vertaling van
de Brieven en de TTP in de Wereldbibliotheek en voor de TP naar de
gedeeltelijke uitgave van Klever, telkens met aanduiding van de bladzijde. Voor
de Ethica werden de referenties behouden in de gebruikelijke vorm, zodat men ze
kan nakijken in een uitgave naar keuze. De referenties naar Gebhardt en alle andere
werken werden behouden.(KD)
Spinoza looft men vaak als een van de grondleggers van het
moderne liberalisme. Zeer recentelijk heeft Jonathan Israel aangevoerd dat
Spinoza de centrale figuur was in wat hij de Radicale Verlichting noemt. Hij
beweert meer bepaald dat Spinoza’s focus op de individuele vrijheid van denken
een grotere bijdrage betekent voor onze hedendaagse ideeën over
verdraagzaamheid dan Locke’s nadruk op de gewetensvrijheid.[1]
Een goede manier om de reikwijdte van Spinoza’s liberalisme te testen, is
nagaan of hij atheïsten al dan niet zou tolereren. Zoals we weten, staat Locke
ervoor bekend dat hij meende dat de staat katholieken noch atheïsten mocht
tolereren. Men zou kunnen denken dat Spinoza uitdrukkelijk het tegenovergestelde
zou beweren. Maar hoewel hij zich niet uitspreekt voor een echte uitsluiting
van de katholieken, is zijn houding tegenover hen toch allesbehalve
goedgunstig, in het bijzonder met betrekking tot de pauselijke onfeilbaarheid
en diens gezag.[2]
Zoals wij zullen zien, is zijn opvatting over het atheïsme niet meteen
duidelijk. Om te kunnen antwoorden op de vraag: was Spinoza intolerant
tegenover atheïsten, moeten we de twee concepten onderzoeken die de vraag zelf haar
vorm geven. Wat betekent tolerant zijn of intolerant in Spinoza’s opvatting? En
hoe staat hij tegenover het atheïsme? Spinoza heeft zich over geen van beide
echt expliciet uitgesproken. Hij vermeldt ‘atheïsme’ in feite slechts één keer
in de TTP [3] en
daar spreekt hij erover als over iets onaantrekkelijks.
NB Om technische redenen kan het artikel hier niet volledig getoond worden. De lezer wordt verwezen naar de volledige tekst die hierbij als bijlage gegeven wordt.
[1] J.I. Israel, Radical Enlightenment: Philosophy and the Making of Modernity,
1650-1750, 2001, p. 266
[3]
Eerst in c. 2 over de Profeten, waar Spinoza schrijft: ‘Helaas! Het is nu zover
gekomen dat personen die openlijk bekennen dat ze geen idee hebben van God en
dat ze God enkel kennen via schepselen, waarvan ze de oorzaken niet kennen,
zich niet schamen om filosofen van atheïsme te beschuldigen’. TTP 2, 1, 116 –
GIII/30. De tweede keer in TTP 6, 9, 185 – GIII/86-7.
Ongeveer dertig jaar geleden begon ik met mijn studie van de
filosofie van Spinoza, vooral zoals ze te vinden is in zijn Ethica. In de
volgende pagina’s zal ik enkele aspecten van zijn denken beschrijven; ik hoop
op die manier aan te tonen dat hij mijn drie decennia van af-en-aan arbeid
waard was. De beste redenen om hem zo razend interessant te vinden liggen in de
harde, technische details die ik hier niet kan presenteren; ik hoop echter dat
ik iets kan meegeven waaruit althans een indruk kan ontluiken.
Pantheïsme en atheïsme
Spinoza was een geboren en getogen jood. Toen hij
vierentwintig was werd hij door zijn synagoge geëxcommuniceerd; dat gebeurde
niet vaak in de Joodse gemeenschap en was in zijn geval waarschijnlijk te
wijten aan druk, of vrees voor die druk, vanuit de omringende christelijke
gemeenschap. De veroordeling kwam er niet omdat Spinoza zijn godsdienstige
plichten verwaarloosde, maar omwille van zijn onorthodoxe manier om ermee om te
gaan. Men maakte bezwaar tegen wat hij meende te moeten zeggen over de ware
aard van die God.
Er is een probleem met Spinoza en God. Hume had het over het
‘baarlijk atheïsme… waarvoor Spinoza zo wereldwijd infaam is’ en over de ‘afschuwelijke
hypothese’ waarop zijn metafysica gebouwd is (A Treatise of Human Nature I.iv.5) het is duidelijk dat hij er een beetje een
grapje van maakte, maar het grapje zou niet erg geslaagd geweest zijn als er
niet heel wat mensen waren die wel degelijk dachten dat Spinoza een atheïst
was. Fair en intelligent als Antoine Arnauld was, maakte hij helemaal geen
grapjes toen hij Spinoza omschreef als ‘de meest gevaarlijke en goddeloze
persoon van de laatste honderd jaar’ (geciteerd door Leibniz, II,1 blz. 553).
En toch kon de dichter Novalis Spinoza een man noemen die ‘dronken was van
God’. Dat vraagt om enige uitleg.
NB Omwille van de technische
beperkingen van deze site kunnen we het artikel hier niet in extenso aanbieden. De volledige tekst vindt men als een pdf-file
in bijlage.
Tinneke Beeckman maakt het de recensent van haar jongste
boek, Door Spinoza’s lens, niet gemakkelijk. Haar illustere voorbeeld
volgend, eindigt ze haar boek met een citaat, of toch een parafrase, van de
Meester zelf: ‘Wie de behoefte voelt om anderen terecht te wijzen, leeft in
onmacht. Onmacht over zichzelf en over anderen.’ Dat snijdt elke kritiek meteen
zo niet de adem, dan toch de pas af: als je het niet met haar eens bent en haar
wil terechtwijzen, of zelfs maar de behoefte daaraan voelt, dan heb je jezelf
niet in de hand. En hoe kan je dan iets betekenen voor de anderen?
Maar laten we ons daardoor niet intimideren; evenmin als
door andere boekbesprekingen die her en der opduiken en in algemene bewoordingen
de kwaliteiten loven van deze publicatie en haar auteur. Eerlijk duurt het
langst, en grondig ook, letterlijk. Ik zal dus mijn leeservaringen weergeven
zoals ze bij mij opgekomen zijn aequo
animo, sine ira ac studio, daartoe aangespoord door ons grote voorbeeld:
niet oordelen, maar begrijpen.
Over Spinoza wordt heden ten dage uitzonderlijk veel
gepubliceerd, overal ter wereld. Het verschijnen van een ‘Vlaams’ boek over hem
is echter nog steeds uitzonderlijk. Dat is op zich al de moeite om de
loftrompet boven te halen, zeker op een website die als titel draagt Spinoza in Vlaanderen. Wij hebben hier
dan ook nog voor het verschijnen herhaaldelijk de aandacht gevestigd op dit
boek; we hebben de auteur uitgenodigd om haar werk hier persoonlijk toe te
lichten en hier is de eerste boekbespreking verschenen van een
‘Spinoza-liefhebber’ (en niet: ‘amateur’), Mark Behets. Wij verheugen ons ten
zeerste over deze gebeurtenis en juichen ze van ganser harte toe. We
feliciteren de auteur met haar inspanningen om Spinoza bekend en bemind te
maken bij het Nederlandstalig publiek. Ook de uitgever Pelckmans-Klement mag in
die gelukwensen betrokken worden, niet het minst omdat die ook al eerder
publicaties over Spinoza in de fondslijst opnam, zoals Herman De Dijns De doornen en de roos, dat onlangs zelfs
een derde druk beleefde, een lot dat we overigens ook dit boek van Tinneke
Beeckman van harte toewensen.
Als we de opzet van het boek bekijken, vinden we daarvan een
gepaste beschrijving in de goedgekozen titel zelf: door Spinoza’s lens. De
auteur kijkt om zich heen en peilt ook in het eigen hart, maar dan met een
vergrootglas dat Benedictus de Spinoza voor haar heeft geslepen. Dat laat haar en
zo ook ons toe dingen te zien die anders onopgemerkt zouden blijven, zoals de
wondere microscopische wereld die zich ontvouwde voor de verbaasde blikken van Antoni
van Leeuwenhoek, Spinoza’s jaargenoot.
Door steeds te rade te gaan bij Spinoza leren we
onvermijdelijk ook veel bij over deze filosoof zelf. Daarin schuilt mijns
inziens dan ook de grootste verdienste van dit boek; over de behandelde
onderwerpen, die in de ondertitel omschreven worden als ‘Macht, meditatie,
manifestatie, evolutie en seksualiteit’, is er aan publicaties, antiek of
recent, voorwaar geen korteresse. Wij worden veeleer overstelpt met een
plethora aan boeken en boekjes die ons over die menselijke, al te menselijke aspecten
van ons bestaan hun waarheid proberen te verkopen. Onze auteur heeft er goed
aan gedaan voor haar over- of bepeinzingen een beroep te doen op de heldere
lens die Spinoza is. Zo slaat de aandachtige lezer een dubbelslag, of bevindt
zich in de zo begeerde (en kapot geclicheerde) win-winsituatie: wij krijgen
door de kundige begeleiding van het tandemduo Spinoza-Beeckman een beter
inzicht in de wereld om ons heen en leren meteen ook op een aangename manier
zijn notoir ontoegankelijke, om niet te zeggen als hermetisch beruchte
filosofie van nabij kennen.
Meteen ontwaren we een zweem van een auctoriale wazigheid.
Wanneer is Tinneke aan het woord en wanneer is zij ‘slechts’ de spreekbuis van Benedictus?
Wanneer zien we wat de auteur ziet wanneer ze door Spinoza’s lens kijkt, en
wanneer kijkt ze naar Spinoza door haar eigen al dan niet gekleurde lenzen?
Er staan in dit boek vele citaten, van Spinoza en van andere
auteurs. Ze zijn zoals verjaardagscadeautjes echter op verschillende manieren
ingepakt. Soms met verschillende lagen opvallend inpakpapier, met kleurrijke
linten en strikken, zodat de aandacht bij het ontrafelen riskeert afgeleid te
worden van de inhoud; soms gewoon in een zakelijke enveloppe; slechts af en toe
onverbloemd. Ik bedoel daarmee: het naakte citaat van Spinoza (of anderen)
verschijnt soms met aanhalingstekens of als cursieve tekst, met een keurige
verwijzing naar de bron, chapter and
verse. Vaker staat er alleen bij: Spinoza zegt, schrijft, meent, beweert,
stelt enzovoort, waarna een omschrijving volgt, of een samenvatting, of een
interpretatie, of een combinatie van dat alles met geciteerde tekst, maar herhaaldelijk
zonder of zonder concrete aanduiding van de bron(nen). Soms verschijnen er letterlijke
citaten zonder bronverwijzing. Ik zeg dit niet om de auteur terecht te wijzen
en zo mijn eigen onmacht al te dik in de verf te zetten, maar om een inzicht in
haar methode te krijgen en in de metatekst de oertekst te onderscheiden. Het
zou voor de geïnteresseerde lezer, die een en ander wil nakijken en nalezen om
er meer over te weten ook nuttig zijn om zoveel mogelijk bronvermeldingen te
krijgen. Zo lezen we op bladzijde 102-3: ‘Een gemeenschap bereikt vrede door
zich voor te bereiden op oorlogen: door wapens, een leger en bereidheid tot
strijd te stimuleren. Hier toont Spinoza zich een realist en geen idealist.’
Althans deze lezer, nochtans niet helemaal onvertrouwd met Spinoza, zou dan wel
willen weten waar deze toch enigszins verrassende uitspraak vandaan komt en hoe
ze in haar context verschijnt en zo misschien beter kan ingepast en begrepen
worden in de algemene lijn van zijn filosofie. Het is niet moeilijk om met
citaten en ‘ideeën’ toegeschreven aan Spinoza bepaalde standpunten toe te
lichten; zijn soms lapidaire of zelfs enigmatische schrijfstijl leent zich
daartoe uitstekend, iets wat grasduinende sprekers sinds eeuwen goed begrepen
hebben. Maar het lijkt me wenselijk om zoals bij de Schrift, steeds het boek,
het hoofdstuk en zelfs het vers te vermelden waar de lezer kan zien waar de
auteur de mosterd vandaan heeft. Een register van Spinoza-vindplaatsen ware dan
ook erg nuttig geweest.
De Spinoza-citaten worden uiteraard in het Nederlands
weergegeven. Meteen stelt men zich de vraag (ook al omdat de auteur het niet
expliciet vermeldt): welke vertaling gebruikt de auteur? Voor de Ethica is dat Van
Suchtelen (Wereldbibliotheek, 1915, herwerkt in 1978) en niet die van Henri
Krop (2002, 2008) noch uiteraard de zeer recente van Corinna Vermeulen (2012).
Een enkele keer vindt Tinneke Beeckman zelf de Van Suchtelens toch wat te
ouderwets en grijpt ze (kwansuis) in. Ook voor de andere werken van Spinoza valt
ze terug op de klassieke uitgaven van de Wereldbibliotheek; voor de TP (Tractatus Politicus) is ze aangewezen op
de gedeeltelijke publicatie van Wim Klever (1985) of een occasionele eigen
vertaling. Uit dit alles blijkt hoe beperkt het aanbod helaas is aan
Nederlandse vertalingen van het werk van Spinoza; alleen voor de Ethica en de KorteVerhandeling beschikken we over recente
vertalingen, die in de bibliografie echter onvermeld blijven.
De vraag waar we bij het lezen herhaaldelijk en uiteindelijk
ook na het finaal dichtslaan van het boek mee zitten, is: wie is er aan het
woord? Probeert de auteur toe te lichten wat Spinoza denkt, of geeft ze ons
haar mening over haar onderwerpen aan de hand van wat Spinoza erover denkt? In
sommige hoofdstukken of zelfs passages ligt de nadruk duidelijk op de ene
aperte ‘auteur’, in andere op de andere, meer schimmige. Ook dit is geen
terechtwijzing uit onmacht, maar een vaststelling. Het is de eigenzinnige
benadering van de auteur en dat is haar goed recht. Het is aan elke lezer om zich
daaraan (af en toe) te ergeren, zich ermee te verzoenen of zich er dankbaar
bewonderend over uit te laten. In het Voorwoord vermeldt de auteur terecht dat
het om een uitgewerkte zelfobservatie gaat. Laten we het daar maar op houden.
In het Voorwoord zegt de auteur dat ‘delen van het boek… in
lezingen [zijn] voorgesteld’. Hier en daar blijkt dat nadrukkelijk,
bijvoorbeeld uit de apostroferende stijl, waarbij de toehoorder/lezer direct
wordt aangesproken. Dat is in mijn aanvoelen een meer gelukte methode voor
lezingen dan voor het essay, waar men bij voorkeur een meer bedachtzame en
overleggende overredingsmethode hanteert. Anderen zullen wellicht precies hierin
de charme van de auteur en haar verhelderende benadering herkennen.
Als Spinoza-boek is deze publicatie ongetwijfeld een
uitstekende entrée en matière, een
interessante manier om kennis te maken met Spinoza en zijn filosofie. In het
eerste hoofdstuk is er een bondige inleiding op zijn leven en zijn tijd. Hoewel
de auteur in het boek steeds ‘Spinoza’ zegt, noemt ze hem hier gepast ‘Baruch’
tot na de herem, de infame banvloek
die hem uit de Joodse gemeenschap verwijderde; van toen af noemde hij zichzelf
en ondertekende hij zijn brieven als ‘Benedictus de Spinoza’. Het irriteert me
dat sommigen blijven spreken over ‘Baruch’ als zij het over de filosoof hebben;
ook onze auteur doet dat éénmaal, in het Voorwoord (blz. 10). Ik meen dat we de
uitdrukkelijke wens van Spinoza moeten respecteren om publiekelijk als
Benedictus door het leven te gaan en de geschiedenis binnen te treden, hoe men
hem privé ook moge aangesproken hebben.
We lezen hier, zoals bij anderen, dat Spinoza in zijn
levensonderhoud voorzag door het slijpen van lenzen. We hebben daarvoor
eigenlijk geen overtuigende bewijzen. De draaibank in het Spinozahuis in
Rijnsburg is er een van een houtbewerker. Wij weten dat hij lenzen sleep en dat
hij daar erg goed in was. Hij deed dat echter vooral als een onderdeel van zijn
natuurwetenschappelijke experimenten, zoals hij ook betrokken was in de bouw
van een telescoop, en zoals hij over de optica ook schreef in zijn brieven
(Brief 36). Dat hij met dat tijdrovend handwerk in zijn levensonderhoud kon
voorzien, is zeer twijfelachtig, ook al werd er naar verluidt door zijn
wetenschappelijke collegae hoge prijs gesteld op zijn kwaliteitsvolle lenzen.
De zegelring van Spinoza, hier weliswaar enkel vermeld in
het Nawoord van Eric Schliesser (blz. 211), mist eveneens historische onderbouw;
wij kennen afdrukken, op papier en naar ik aanneem ook in zegellak waarmee
brieven werden verzegeld, maar dat deden de burgers veeleer met een zegelstempel,
waarvan er talrijke rijkversierde exemplaren overgebleven zijn, ook uit latere
eeuwen. Als wij over zijn zegelring spreken, moeten we daarvoor historische
bronnen hebben en voor zover ik het kon achterhalen zijn die er niet. Terloops
vermeld ik de eigenaardigheid dat op sommige van die afdrukken de S (van BdS)
in spiegelschrift staat; dit is bevreemdend: heeft de graveur zich vergist? Had
Spinoza meer dan één stempeltje? Ik heb niet de indruk dat iemand het weet of
er onderzoek naar gedaan heeft op de originele brieven of andere documenten.
Mocht dat toch zo zijn, dan vernemen wij dat graag.
Nu we toch met historische correctheid bezig zijn: de
Brieven over het kwaad, onlangs copieus uitgegeven door Miriam van Reijen, zijn
geschreven van en naar Willem van Blijenbergh; als we enkel zijn familienaam
vermelden, is dat Van Blijenbergh en dus niet ‘Blyenbergh’ (sic). Zo is het dus
naar Nederlandse gewoonte ook Lambertus van Velthuysen (blz. 21). Op blz. 172 noemt de auteur de DPP (Renati Des Cartes Principiorum Philosophiae…)
een ‘vertaling’ van Descartes’
filosofie. Voor wie niet weet waarover het gaat, kan dit een misleidende term
zijn. Op blz. 21 verschijnt Uriël da Costa als een ‘joods denker verketterd en
uiteindelijk tot zelfmoord gedreven.’ De auteur sluit zich daarmee aan bij de talrijke
auteurs, onder wie zelfs Steven Nadler - corruptio
optimi pessima, of als zelfs de besten zich laten van de wijs brengen - die
voortgaan op de op zwakke gronden gevestigde opvatting over deze legendarische
figuur. Ik heb in een andere context bij mijn vertaling van het zogenaamde
‘testament’ van Uriël da Costa de nadruk gelegd op de talloze historische
vraagtekens die bij dit verhaal moeten geplaatst worden.
Op blz. 30 komt Locke ter sprake met zijn beruchte
uitzondering in zijn Letter Concerning Toleration:
‘Deze liberale denker verdedigt religieuze tolerantie, maar sluit toch
katholieken, atheïsten en deïsten uit.’ De tekst van de Letter vermeldt a Roman
Catholic slechts eenmaal en stelt dat de staat niet tegen hem mag optreden
omwille van wat hij gelooft of niet. In de passage waar Locke zijn limieten
stelt voor tolerantie heeft hij het niet over katholieken, maar over ‘a Mahometan’;
de redenering die hij opbouwt kan wellicht ook voor katholieken gebruikt
worden, maar enkel bij associatie of extrapolatie en dus impliciet; zijn
bezwaar tegen atheïsten is eveneens enkel gesteund op vermeende praktische
bezwaren in verband met het onderhouden van contracten, beloften en eden; de
mensen daarmee bedoeld zijn amorele nihilisten en het was toen en is vandaag
nog steeds intellectueel oneerlijk om atheïsten daarmee gelijk te stellen.
Deïsten komen in de Letter niet
expliciet voor. Ik weet niet waarom ze hier mee in de boot genomen worden.
Locke was geen deïst, maar daaruit concluderen dat hij hen zou uitsluiten van
zijn nochtans brede tolerantie lijkt me discutabel op zijn minst. Hoe dan ook,
het gaat in de expliciet vermelde gevallen niet om religieuze intolerantie,
want die is bij Locke algemeen, maar om een uitsluiting op politieke en
maatschappelijke gronden. Ook hier had een bronverwijzing veel kunnen duidelijk
maken.
Van de Pacificatie van Gent vermeldt de auteur op bladzijde
46 dat daarmee ‘in de Westerse geschiedenis een stap werd gezet naar een
beperkte godsdienstvrijheid, dus naar vrijheid van geweten en vrijheid van
denken’. Dat is erg optimistisch, zoals ook Oranje toen al te optimistisch was
om te denken dat hij de 17 provinciën kon verenigen in een unie gebouwd op godsdienstvrijheid.
Drie jaar later viel de unie uiteen in twee intern onverdraagzame en extern vijandige
gewesten en werden de onoverbrugbare tegenstellingen bekrachtigd in respectievelijk
de Unie van Atrecht en Utrecht.
De auteur gaat ook vrij nonchalant om met Spinoza’s
vermeende (filosofische) afhankelijkheid van de natuurwetenschappelijke
revoluties van zijn tijd (blz. 171 vv.). Het verbaast me dat Eric Schliesser
zich in zijn ‘elegant’ nawoord daartegen niet verzet heeft of er althans geen kanttekening
heeft bij gemaakt. Het is bekend dat hij in zijn publicaties hierover een meer
genuanceerde, om niet te zeggen afwijkende mening is toegedaan.
Het viel mij op dat we ook in dit boek een verschijning zien
van een engel. Die werd voor het eerst opgemerkt in een ingelaste fictieve
dialoog, van de hand van Martin Schouten, tussen Spinoza en Willem van
Blijenbergh, in het recente boek van Miriam van Reijen. Ik citeer: ‘Al hangt
een muis net zo van god af als een engel, dan is de muis nog geen soort engel
en de droefheid nog geen soort blijdschap’ (blz. 49). Wanneer we er Brief 23 op
naslaan in de uitgave van Van Reijen, blijkt het daar niet om een engel, maar
om een egel te gaan (blz. 153, 47). In het citaat van Schouten is het geen
typefout, aangezien het woord identiek herhaald wordt. Dat geldt echter ook
voor Van Reijen, die tot driemaal toe ‘egel’ schrijft. Bij Tinneke Beeckman is
het een engel (blz. 149).Wat is het nu, een engel of een egel? In de uitgave
van de Briefwisseling van Akkerman (et al.) staat ‘engel’ en ‘engelen’ (blz. 205).
Ook bij Appuhn (Flammarion, p. 220) gaat het om engelen, al is de muis daar wel
een rat geworden. De egel moeten we dus wel op rekening van Miriam van Reijen schrijven,
tenzij ze voor haar stekelige keuze goede argumenten zou hebben. Want hoewel
een engel en een egel allebei evenzeer van ‘god’ afhangen, is er nog altijd een
behoorlijk verschil tussen een egel en een engel.
Ik heb hier en daar enkele taalkundige ongerechtigheden en
typefoutjes opgemerkt. Ik neem aan dat er op het laatst enige tijdsdruk geweest
is om de publicatiedatum te halen en ik zal er dus ook niet te veel aandacht
aan besteden. Ik vernoem er slechts één, die systematisch voorkomt: er is een verschil
tussen ‘best’ en ‘het best’. Op blz. 15 lezen we: ‘… hoe kan je de samenleving
best organiseren om…’. Hier hoort een ‘het’ voor ‘best’ te staan. We gebruiken ‘best’,
zoals de auteur elders ook correct doet, als we bedoelen: best wel. Overigens
is de taal verzorgd, zij het ietwat zakelijk; ook wat zij zelf ‘neerpent’ over
seksualiteit en liefde is ‘niet echt poëtisch’, zoals zij Spinoza met een
onverholen litotes verwijt op blz. 191. Een bloemrijke taal is misschien niet
meteen wat men van een essayistisch Spinoza-boek verwacht, maar ik had toch
gehoopt dat de onmiskenbare ‘passie’ van de auteur voor haar onderwerp haar zou
verleid hebben tot een meer, hoe zal ik zeggen, geëngageerde, zo al niet
flamboyante taal en stijl, die we met zoveel genoegen smaken bij auteurs zoals Jonathan
Israel, Dawkins, Dennett, Pinker, Churchland…
De uiterlijke verschijning van het boek is behoorlijk goed
voor een paperback; ik hoop dat de rug het houdt tot na mijn boekbespreking. De
klassieke letter is (amper) groot genoeg in de platte tekst, die van de
voetnoten, de bibliografie en het register is onverantwoord klein voor mensen
van mijn leeftijd, de nummering van de voetnoten is helaas gewoon onleesbaar
klein zonder een… lens. Hier en daar zijn er pagina’s die vetter afgedrukt zijn
dan andere.
Van meer belang zijn enkele inhoudelijke bedenkingen die ik
hier zou willen formuleren.
Zelfs als we rekening houden met de opzet van het boek zoals
de auteur die eerlijk en openlijk aangeeft, is het toch verrassend om sommige
formuleringen tegen te komen die althans mij lichtelijk de wenkbrauwen doen
fronsen. Zo spreekt de auteur herhaaldelijk over ‘actieve passies’ (e.g. blz.
72). Daarmee zitten we bij een bekend vertaalprobleem: wat te doen met affectus en passio? Tinneke Beeckman kiest vaak eenzijdig voor ‘passies’ en verdoezelt
op die manier het onderscheid dat Spinoza wel degelijk maakt (E3Def3). Voor wie
daarmee vertrouwd is, klinkt ‘actieve passie’ als een al te flagrant oxymoron.
‘Passie’ heeft in het Nederlands onvermijdelijk de bijklank van passioneel en
emotioneel geladen en dat is precies wat Spinoza niet bedoelt met de goede of
blije affecten.
Herhaaldelijk botste ik, naast zeer geslaagde, ook op nogal ‘haastige’
formuleringen van Spinoza’s kerngedachten. ‘Tegenover de vrije wil plaatst hij
een deterministische visie op de werkelijkheid.’ (blz. 85). Men moet dan voor
ogen houden dat hier met ‘vrije wil’ uitsluitend bedoeld wordt wat Spinoza
onder meer in zijn briefwisseling met Van Blijenbergh afwijst, namelijk dat een
mens over een absoluut vermogen beschikt dat hem altijd en overal in staat
stelt om feilloos te oordelen over goed en kwaad, zonder enige beïnvloeding van
buitenaf of van zijn eigen persoonsgeschiedenis, die op haar beurt ook het
cumulatief resultaat is van zijn interactie met de wereld en al wat daarin een
rol speelt. Als men de twee, namelijk ‘vrije wil’ en ‘determinatie’ zo cru
tegenover elkaar plaatst, dan verdwijnen er net iets teveel nuances achteloos in
het decor. Men kan dan de indruk krijgen dat alles materialiter gebeurt en dat
de mens daarin geen rol van betekenis speelt; dan wordt hij of zij als het ware
de hulpeloze speelbal van het lot tot in het diepst van zijn gedachten. Dat is
een volkomen onterechte reductio ad
absurdum die men vandaag helaas wel vaker terugvindt bij auteurs die zich met
evenveel gusto verzetten tegen de
vermeende aantijgingen van de neurowetenschappen, die de hersenen zouden in de
plaats stellen van het verstand, of de geest, of het bewustzijn, of de ziel of
wat dan ook.
De zaak is zowel veel eenvoudiger als veel subtieler dan
dat. Niemand betwijfelt vandaag dat de natuurwetten (wat die ook zijn, en we
weten er zeker nog niet alles over) onverkort gelden voor het hele universum;
ook de mens ontsnapt er niet aan. Er gebeurt niets zonder dat daarvoor een
oorzaak is. Wij worden beïnvloed in al onze contacten met de werkelijkheid en
ook daar speelt oorzaak en gevolg volop, veel meer dan wij beseffen. Ons
bewustzijn beslaat slechts een klein gedeelte van de activiteit van onze
hersenen en ons zenuwstelsel, het grootste gedeelte gebeurt (gelukkig!)
autonoom en buiten onze actieve controle. Maar de mens is geen flipperkast en
ook geen kwal. Onze hersenen zijn wonderen van complexiteit, zoals heel ons
lichaam dat ook is; veel meer dan zelfs de hoogste andere diersoorten zijn wij
in staat om afstand te nemen van onszelf en onze omgeving, om onszelf als het
ware buiten ruimte en tijd te plaatsen en afwegingen te maken, ongetwijfeld
beïnvloed door onze volledige geschiedenis, maar daarvan toch niet absoluut en
onweerstaanbaar afhankelijk.
Bladzijde 95: ‘(wat) betekent dat alle dingen in de natuur
in een ordelijke (sic) en goed
gestructureerd geheel passen. Dat is de causale orde: elke gebeurtenis wordt
veroorzaakt door iets anders, volgens de wetten van de natuur, de principes van
het goddelijke zijn. Elke gebeurtenis heeft bijgevolg eigen effecten. Op deze
wijze verlopen de wetten van de causaliteit dan ook noodzakelijk: zonder de
oorzaken kan er geen effect zijn. Als de oorzaak er is, volgt het effect
noodzakelijkerwijs. Deze veronderstellingen maken Spinoza tot een “universele
causale determinist”’. De bijhorende voetnoot verwijst naar Daniel Dennett, de illustere
auteur van onder andere Consciousness
Explained, door zijn tegenstanders meestal geridiculiseerd als Consciousness Explained Away. Wij moeten
erop letten dat we niet te ‘haastig’ redeneren. Spinoza zelf wijst elke
gedachte van een orde in de natuur af. Oorzaak en gevolg spelen een veel
complexer spel dan hier wordt geschetst. Als wij alle oorzaken zouden kennen,
zouden we ook alle gevolgen kennen, zo suggereert men hier. Vooreerst is het
onmogelijk om alle oorzaken te kennen en ook het relatieve belang dat zij elk hebben
in hun gezamenlijke beïnvloeding van een of ander ding. Elk gevolg is op zijn
beurt weer een oorzaak in een wereld die enorm complex ineen steekt binnen een
enorm universum. Maar, en dit is van primordiaal belang, de mens is zelf ook
een factor in dat verhaal, niet als een zwerfkei buitelend in een bulderende
bergbeek in de lente, maar als een uiterst verfijnde intelligentie, met zicht
op verleden, heden en toekomst en aldus in staat om in te grijpen, met talloze
hulpmiddelen, onmiddellijk, op korte, middellange en lange termijn op de wereld
om ons heen en op ons eigen lot, individueel en collectief.
Het is niet omdat wij passioneel zijn dat wij niet rationeel
kunnen handelen, evenmin als het ons onmogelijk is om irrationeel te handelen
zelfs als we rationeel denken. Zoals ook in de Inleiding van Miriam van
Reijens’ boek over de Brieven over het kwaad, mis ik hier een mensbeeld waarvan
ik dacht dat het tot de verworvenheden van onze beschaving behoorde en dat door
de neurowetenschappen trouwens geenszins wordt tenietgedaan: de mens als
historisch wezen, als een weliswaar tijdelijk maar desondanks betrekkelijk
autonoom wezen, dat zich op grandioze wijze onderscheidt van het overige
biologische leven op aarde. Wij behoren tot de natuur, zeker, en wij kunnen de
natuurwetten niet overschrijden of ongestraft negeren; wij kunnen ons niet
helemaal onttrekken aan de invloed van onze omgeving, maar wij spelen als
individu en collectief wel een actieve rol in dat proces. Wij zijn niet
helemaal vrij, maar wij zijn ook niet helemaal gebonden. Wij maken voortdurend
allerlei kleine en grote keuzes, die ons maken tot wie we zijn, onvoorspelbaar uniek
en individueel en verantwoordelijk.
Wij moeten ons dus hoeden voor een al te eenzijdig
benadrukken van elk overdreven materialistisch determinisme, zoals wij ook elke
predestinatie en elk goddelijk determinisme afgezworen hebben als mensonterend
en abject.
Evenmin mogen we uit Spinoza’s monistische metafysica, of
zijn verwerpen van elke metafysica, zo men wil, ‘haastige’ conclusies trekken
voor de mens. Het is evident voor ons (op enkele verwarde ‘uitzonderlingen’ na)
dat het universum geen specifieke doelgerichtheid heeft, dat alles wat gebeurt
gewoon gebeurt omdat het kan gebeuren op dat ogenblik. Er ligt aan dat alles
geen Groot Plan of Intelligent Design te
gronde, dat volledig is uitgetekend (door wie of wat?) om te bereiken wat er nu
is en wat nog komen moet. Er is in dat universum niets dat wij absoluut goed en
kwaad kunnen noemen, er zijn geen concrete morele normen te vinden in de
natuurwetten. Derhalve kan men ook niet zeggen dat een bepaalde daad goed of
slechts is vanuit het standpunt van de
tijdloze eeuwigheid (sub specie
aeternitatis). Betekent dat echter ook dat er geen goed of kwaad is onder de mensen? Natuurlijk niet! Men
hoeft Spinoza niet te lezen om dat te weten en hem (aandachtig) lezen zal nooit
tot een dergelijke conclusie leiden. Het is dan ook onvoorzichtig om te
stellen: ‘Er is geen inwendige neiging tot het goede in de mens.’ (blz. 97). ‘We
kunnen dan rationeel wel inzicht hebben in het goede of het kwade, maar we
hebben geen inzicht in onze eigen drijfveren’. (98) ‘Het bewustzijn is voor
Spinoza van nature een plaats van illusie.’ (106) ‘De mens is een wezen van
‘aandoeningen’, in de zin van aandoen en aangedaan worden: van effecten
veroorzaken en effecten (inwerkingen) ondergaan.’ (117) ‘Hoe de aandoeningen,
van lichaam of geest, op elkaar inwerken, beantwoordt aan de noodzakelijke orde
van de wetten van de natuur. Spinoza stelt dus dat alles wat bestaat, opgenomen
is in een voortdurende keten van ontstaan en vergaan, van oorzaak en gevolg.’
(123) ‘Die interactie met de buitenwereld bepaalt
wie je bent.’ (134, mijn cursivering). ‘Er is geen eerste affect, evenmin als
er een vaste kern zou zijn, een ‘zelf’. (135) ‘Alles in de werkelijkheid is
ofwel noodzakelijk, ofwel onmogelijk. Dat is Spinoza’s determinisme.’ (146)
‘Wat gebeurt, verloopt noodzakelijk, zonder voorafgaande bedoeling. Dat is
Spinoza’s determinisme.’ (165) ‘De mens kan wel zelf oorzaken voortbrengen,
maar ondergaat effecten van oorzaken waarop hij geen invloed heeft.’ (184)
Ik weet het wel, elke van deze fragmenten kan men desnoods
ook anders lezen en in dit boek staan er talrijke passages die wel het
tegendeel lijken te poneren, dat zou er nog maar aan mankeren! Maar die
bevestiging van het blind determinisme dat op ons rust als een doem (of een
erfzonde…) en de ontkenning van de autonomie van de persoon (twee termen die in
het boek schitteren door hun afwezigheid) loopt in een voortdurend herhaalde mantra
door het boek heen en zorgt ervoor dat men op de duur nog slechts met enige
moeite dat andere, essentiële aspect van Spinoza’s antropologische filosofie
kan onderkennen. Daarin schuilt vooral voor al te enthousiaste of minder onderlegde
lezers een groot gevaar, zoals in elke al te eenzijdige benadering van complexe
redeneringen, en inzonderheid van de uiterst complexe teksten die Spinoza driehonderd
vijftig jaar geleden schreef. Dat gevaar is niet denkbeeldig maar reëel wanneer
we het niet meer hebben over theoretische metafysische bespiegelingen, maar
over de concrete toepassingen ervan.
Dat brengt ons bij het laatste hoofdstuk, dat handelt over
de seksualiteit. Wij krijgen hier de bekende Spinoza-citaten, ook die over de
vrouw (zelfs tweemaal vlak na elkaar), evenals de mogelijke weerleggingen
daarvan: Spinoza sprak over de vrouwen van toen, niet die van nu, noch over
‘de’ vrouw. Dat is allemaal goed en wel, maar er zit toch een addertje in het
gras (waarmee ik geenszins wil alluderen op Bijbelse noch Shakespeariaanse verhalen).
Ik heb het over de toepassing van wat de auteur als de algemene teneur van
Spinoza noemt op de menselijke seksualiteit. Haar redenering gaat als volgt. Er
zijn in het universum geen universele normen van goed en kwaad; men kan uit de
natuurwetten geen concrete morele voorschriften afleiden. Er is ook geen
goddelijke openbaring en de openbaring waarop de religies zich steunen is
onbetrouwbaar omdat ze niet waarheidsgetrouw is maar op de verbeelding
gesteund. Bijgevolg, zo stelt zij, hebben de dingen geen bedoeling meegekregen.
Ze zijn gewoon wat ze zijn, zonder morele of teleologische kwalificaties.
Zo komen we bij het merkwaardige verhaal van het paard en
zijn poten (blz. 89-90), waarbij we in het midden laten of dat edel dier nu
benen of poten heeft.’Elke doelgerichtheid is een uitvinding van de verbeelding:
als de mens denkt dat de zon er is om te schijnen op aarde of de poten van het
paard om te lopen, begrijpen ze niets van de natuurlijke orde. (…) In
werkelijkheid geldt echter dit: als de zon schijnt, heeft een deel van de aarde
licht. Als een paard poten heeft, kan het lopen. Oorzaken produceren effecten.’
De auteur verwijst naar het Voorwoord van het vierde deel van de Ethica. Daar
vinden we wel een algemene uitleg over de begoochelingen die wij ons maken op
grond van onze eigen plannenmakerij, maar niet het voorbeeld van de zon. Die
komt pas op in de toelichting bij de eerste stelling (E4p1s), maar niet zoals
de auteur hier voorgeeft. Spinoza heeft het dan over de schijn der dingen; de
auteur heeft het over teleologisch denken; de verwijzing klopt dus niet
helemaal.
Wie denkt vanuit een Opperwezen dat alles met een bedoeling
heeft gemaakt en de mens als het centrum van die bedoeling ziet, zal zeggen dat
de zon door God aan de hemel geplaatst is om ons van nut te zijn, opdat we
zouden zien bij dag en zouden kunnen slapen bij nacht. En het paard? Spinoza
heeft het wel hier en daar over paarden, gevleugelde en gestreepte, en zelfs
over hun poten, die er volgens hem echt wel bij horen. Maar het is mij niet
bekend dat hij zou beweren dat wij ons vergissen als wij stellen dat de poten
van het paard er zijn om ermee te lopen… Ik krijg altijd een wee gevoel in de
maagstreek als filosofen met voorbeelden komen aandraven (no pun intended) die, juist, mank lopen.
Ik weet het wel, God heeft die poten niet bedacht opdat het
paard zou kunnen lopen, in plaats van als de slang op zijn buik voort te
glijden, een komisch zicht ongetwijfeld. Het is de evolutie die in het hebben
van poten een voordeel zag, dat ze in het geval van het paard op indrukwekkende
wijze heeft uitgewerkt. De poten en het lopen zijn tezamen ontwikkeld: hoe
beter de poten, hoe sneller het paard kon lopen en hoe sneller het moest lopen,
hoe meer goede poten van pas kwamen. Dank je wel, Mr. Darwin.
Onze auteur vervolgt: ‘Niet denken in termen van doelen,
maar van oorzaken. (…) Wat volgt concreet uit de vaststelling dat de natuur
geen doelgerichtheid heeft? Dat de seksualiteit die evenmin heeft. De
seksualiteit is dan niet meer bestemd om het voortbestaan van de soort te
verzekeren dan “de ogen gemaakt zijn om te zien of de tanden om te kauwen”. (…)
Er is voortplanting, omdat er seksualiteit is. Niet het omgekeerde, dat de
seksualiteit dient opdat de mensen zich zouden voortplanten.’
Vergeef me dat ik enigszins ongelovig deze zin ettelijke
keren herlezen heb en hem nog steeds niet begrijp. Laten we eens naar de
context van dit citaat kijken (E1, appendix). Ook daar gaat het uitsluitend
over het afwijzen van metafysische doeloorzaken, die afgeleid zijn van onze
ervaring dat allerlei dingen nuttig zijn om ons doel te bereiken. Spinoza
ontkent hier helemaal niet dat die dingen nuttig zijn voor ons (‘ogen om te
zien, tanden om te kauwen, planten en dieren om ons mee te voeden, de zon om
licht te geven, de zee om vissen voort te brengen enzovoort’), hij stelt alleen
dat het op basis van die terechte gedachte is dat wij ‘alle dingen in de natuur
als middelen opvatten om ons te geven wat ons van nut is. En aangezien we wel
weten dat we deze middelen enkel aantreffen en niet hebben gemaakt, is dat voor
ons een aanleiding om te geloven dat er een ander is, die ze voor ons gebruik
heeft gemaakt.’ Quod non, niet dus. Dat is de redenering van Spinoza. Ook deze
verwijzing klopt dus niet.
De redenering van Tinneke Beeckman is echter dat al wat in
de natuur is, geen enkel doel op zich heeft. Seksualiteit is iets dat we
aantreffen, dat we ontdekken en dat we gebruiken zoals het ons uitkomt. Het is
niet gericht op voortplanting, het is nergens op gericht want niets is op iets
gericht in het universum, alles wat kan gebeuren, gebeurt. Nu ben ik het ermee
eens dat wat de menselijke seksualiteit betreft die laatste regel zeker opgaat:
er is waarlijk niets dat we nog niet geprobeerd hebben, althans dat is mijn
stellige indruk, en als het nog niet allemaal gelukt is, dan is het voorwaar niet
omdat we het niet geprobeerd hebben.
Ik meen echter dat hier een onterechte overgang gemaakt
wordt van een metafysische stellingname naar een praktische, concrete en
vervolgens morele. In het universum is er geen moraal, omdat er geen normen
zijn en geen Opperwezen om ze te verordenen. Maar het is niet omdat niemand een
doel gelegd heeft in de dingen dat ze ook geen functie hebben! In het biologisch
leven is de voortplanting een essentiële kwestie: to be or not to be, that is the question, zoals Hamlet het terecht
samenvat. De voortplanting is geen triviale zaak, ook niet bij Spinoza, integendeel:
de essentie van de mens is zijn conatus
en dat is niet anders dan zijn wil om zelf in leven te blijven en door zich
voort te planten het leven in stand te houden en het leven van de naaste te
beschermen. Leven is voor alle leven een ‘waarde’, zelfs de hoogste waarde.
Genetisch vertaalt zich dat onder meer in factoren die de voortplanting
aanmoedigen. Een daarvan is de seksualiteit. Levende wezens die geneigd zijn om
zich voort te planten, hebben het ultieme evolutionaire voordeel, zij die dat
missen moeten afrekenen met het ultieme evolutionaire nadeel: een levend wezen
dat zich niet voortplant is een doodlopend straatje. Een gemeenschap waarin die
negatieve genetische trek sterk vertegenwoordigd zou zijn, heeft geen enkele
overlevingskans. Aangezien we ons in aanzienlijke mate vermenigvuldigen,
selecteert de evolutie dus op seksualiteit. Dat betekent dat seksualiteit wel
degelijk een functie heeft, niet op metafysische gronden, maar op biologische
en voor ons ook menselijke. Voor het universum maakt het niet uit of er leven
is op aarde, of waar dan ook. Voor jou en voor mij wel en ik neem aan ook voor
onze auteur.
De moeilijkheden beginnen pas goed wanneer ze conclusies
gaat trekken uit haar bedenkelijke premisse. ‘Verder volgt dat er geen
natuurlijke seksuele gerichtheid is van mannen op vrouwen of omgekeerd.’ (blz.
199) Dat is erg verregaand. Uit de afwezigheid van elke metafysische
doelgerichtheid van het universum leidt ze af dat er evenmin enige
doelgerichtheid is in de menselijke seksualiteit. ‘Zowel over de seksuele
objectkeuze, als over handelingen, kan Spinoza’s filosofie geen beperkingen
opleggen.’ ‘Zonder transcendente norm geen mogelijkheid om goede tegen slechte
handelingen af te wegen.’ (blz. 200) De absurde conclusies die ze citeert bij
de Franse filosoof Matheron bespaar ik de lezer.
Dit is niet zomaar iets waar ik het moeilijk mee heb, dit
kan ik onmogelijk aanvaarden, op geen enkele manier, filosofisch, logisch,
emotioneel, vanuit mijn min of meer gezond verstand of hoe dan ook. Let wel, ik
betwist de conclusies niet; zoals ik zei: er is wellicht niets dat de mens nog
niet geprobeerd heeft met zijn seksualiteit; alles wat kan, gebeurt en zelfs
heel wat waarvan we dachten dat het (fysisch) niet kon. Maar dat is een andere
kwestie. De mens is in staat om alle mogelijkheden waarover we beschikken
uitputtend te gebruiken. Wij zijn niet uitsluitend onderhevig aan de instincten
die de meeste dieren leiden. Wij
kunnen die vlot omzeilen. Boire sans soif
et faire l'amour en tout temps, madame, il n'y a que ça qui nous distingue des
autres bêtes (Beaumarchais, Le
mariage de Figaro).
Onder mensen maken we afspraken over ons gedrag en daarbij
houden we rekening met elkaar. Het is in die context dat de noties van goed en
kwaad ontstaan en ook alle zingeving waarzonder we niet kunnen leven. Die
zingeving is niet arbitrair; ze houdt rekening met onze waarden. Leven is de
primaire waarde. Alles wat bijdraagt tot het leven deelt in die waarde, dus
essentieel ook voortplanting en, onrechtstreeks, seksualiteit. In onze moderne
tijd hebben wij namelijk expliciet gesteld dat die twee niet onverbrekelijk bij
elkaar horen. Wij kunnen ons voortplanten zonder seksualiteit en seks hebben
zonder ons voort te planten, dat is nog nooit iemand ontgaan die eerlijk naar
zichzelf heeft gekeken.
Ik vraag me echter af of de seksualiteit volledig kan
losgemaakt worden van de voortplanting, zoals onze auteur, daarin bevestigd
door Matheron, lijkt te geloven. Wanneer namelijk de seksualiteit haar functie
verliest, namelijk het aanzetten tot voortplanting, wordt ze een tijdverdrijf
dat geen ander evolutionair voordeel oplevert dan zeg maar het boogschieten op
de liggende, c.q. staande wip of het nobele klaverjassen. Hoe leuk het op dit
moment ook mag lijken, seks is dan gedoemd om net zo sexy te worden als in-vitro
fertilisatie nu is. Al de sensoren voor seksueel genot die we nu zo koesteren,
zullen in dat geval stilaan evolutionair weg geselecteerd worden omdat ze geen
evolutionair voordeel meer opleveren, net zoals ze ontstaan zijn omdat ze dat
wel deden. Wanneer onze voortplanting aseksueel geworden is, zal de evolutie
niet meer op seksualiteit selecteren en zal ze dus verdwijnen. Het zal ons niet
meer interesseren. Misschien gaan er dan wel piepshows ontstaan waar we stiekem
kijken hoe spermatozoïden racen om als eerste binnen te dringen in eicellen.
Ik herhaal nogmaals voor de goede orde dat deze gedachten
niet geïnspireerd zijn door enige afkeuring of afkeer van seksualiteit tussen
partners van hetzelfde geslacht; dat is een andere kwestie. Het is volkomen
terecht dat de auteur stelt dat men niet uit de metafysica, van Spinoza of van
wie dan ook kan afleiden dat homoseksualiteit intrinsiek ‘verkeerd’ zou zijn.
Over seksuele preferenties, of ze nu genetisch of cultureel bepaald zijn of
berusten op een bewuste keuze, kunnen we spreken in een dubbele context. De
eerste is biologisch, en daar stellen we vast dat homoseksualiteit niet gericht
is op de biologische voortplanting door het ouderpaar zelf; er is (voorlopig?) een
externe ‘partner’ nodig. Ook daarover vallen er geen absolute morele oordelen
te vellen, alleen ‘menselijke’. De seksuele beleving van homoseksuele geliefden
is niet biologisch verbonden met de voortplanting, zoals bij heteroseksuele
paren. Men gebruikt een biologische functionaliteit, een reële evolutionair
ontstane biologische doelgerichtheid voor een ander doel, namelijk het seksueel
genot en het voeden van de liefdesrelatie, zoals trouwens ook heteroparen doen.
Dat is goed en normaal en al wat je wil, maar het is een alternatief gebruik
van een biologische functie die er wel degelijk is.
Dat is voor mij de kern van
de zaak, niet alleen in verband met seksualiteit maar algemeen: (meta)fysische wetten
zijn onontkoombaar en zijn nooit een basis voor morele oordelen, maar zij zijn
niet het hele verhaal; er is nu eenmaal leven op aarde en dat leven heeft eigen,
uiterst complexe wetmatigheden bovenop de fysische. Die ontkennen omwille van
de fysische, is een fundamentele vergissing met zeer zware gevolgen. Het is de
aanzet van alle simplistisch nihilistisch determinisme en een miskenning van de
uitzonderlijke waarde van het leven op aarde, waarin de mens een primordiale
rol heeft dank zij de evolutie.
De aberrante en abstruse vormen van seksuele preferentie die
mij helaas even voor ogen kwamen bij het lezen van de Matheron-citaten hebben mij
dan ook hartsgrondig doen twijfelen aan de ernst van de redenering die hier opgebouwd
wordt.
We moeten toch af en toe eens nadenken over onze evolutie,
waar we vandaan komen en hoe het verder moet. Er zijn niet alleen de strakke en
abstracte en weinig frivole wetten van de fysica, er zijn ook de veel
complexere wetten van de biologie, die weliswaar niet aan die van de fysica
ontsnappen, maar die er aanzienlijke bijkomende complexiteit aan toevoegen. Ook
aan die wetten valt niet licht te ontsnappen. Spinoza houdt niet op te zeggen
en te herhalen dat wij geen koele rationele machines zijn, maar mensen van
vlees en bloed, met zeer sterke emoties. Die zijn evolutionair ontstaan, zoals
wij helemaal het resultaat zijn van de evolutie. Wij zijn intellectueel en
emotioneel veel verder ontwikkeld dan gelijk welk andere soort en met onze
technologie zijn wij in staat tot ongelooflijke dingen, zeker als we niet
bekijken wat het kost. Maar wij verschillen op veel punten niet van onze eerste
menselijke voorouders. Er zijn systemen die nog net zo verlopen als toen: eten,
drinken en onze stofwisseling, zoals we beleefd zeggen; bescherming tegen de
elementen; en onze voortplanting, zeker wat de rol van de vrouw betreft; we
hebben nog geen machines die de eerste maanden van een zwangerschap kunnen
overnemen van de vrouw.
De auteur heeft het verder ook over de liefde en daar
begeeft ze zich veel minder op glad ijs. Liefde is relationeel en
maatschappelijk en gaat over veel meer dan alleen maar seksualiteit of
voortplanting. Ik heb mijn persoonlijke bedenkingen bij enkele van haar meer
uitdagende of gratuite uitspraken en citaten in dat verband, zoals ‘Mannen
voelen zich juist meer aangetrokken tot “populaire” vrouwen, en omgekeerd’
(blz. 202); ‘schoonheid - en wat “mooi” is kan elk voor zich beoordelen – is voor
seksuele liefde noodzakelijk maar niet voldoende voor een langdurige band’ (blz.
203), maar dat doet er verder niet toe.
Een laatste opmerking geldt haar voorstelling van Darwins
evolutieleer, die we kort samengevat vinden op bladzijde 167vv. Ik mis daar een
essentieel element, met name de oorsprong van de genetische differentiatie, die
we moeten zoeken in de erfelijke mutaties die zich voordoen bij de (seksuele of
aseksuele) voortplanting. Als we dit cruciale gegeven niet vermelden, klopt het
verhaal niet meer.
Ik besef dat ik af en toe streng ben geweest voor onze
auteur en voor haar boek. Men gelieve dit te zien als een bewijs van mijn
respect en niet als een teken van afkeuring. Indien ik had gemeend dat dit boek
niet de moeite waard was, had ik het na enkele bladzijden naast me neergelegd
en in de plaats daarvan nog eens enkele bladzijden van de Ethica gelezen; dat
laatste kan ik overigens iedereen van harte aanraden. Ik heb integendeel het
hele boek uitgelezen, inclusief de tergend kleine voetnoten en de bibliografie
(zodat ik ook de vriendelijke referentie naar onze website heb opgemerkt,
waarvoor dank). Verscheidene paragrafen heb ik meermaals herlezen en ik denk
dat ik dat nog zal doen.
Voor wie is dit boek geschreven en aan wie kunnen we het
aanraden of cadeau doen? Eigenlijk aan iedereen, zelfs de twee uitersten: de
complete neofiet op het gebied van de filosofie van Spinoza evengoed als de
beslagen specialist, en iedereen daartussen. Ieder zal zijn graantje meepikken
uit het rijke en diverse aanbod dat de auteur ons hier biedt. De onderwerpen
die ze behandelt, zijn actueel en cruciaal. Haar ruime vertrouwdheid met de
filosofie in het algemeen en met die van Spinoza in het bijzonder bieden alle
garanties voor een degelijke en boeiende voorstelling van zaken, die menigeen
zal aanzetten tot nadenken, tot verder onderzoek naar de opvattingen van
Spinoza en die van anderen, om zo tot meer verantwoorde en meer
verantwoordelijke inzichten te komen in onze condition humaine. Als deze publicatie van Tinneke Beeckman daartoe
bijdraagt, en dat lijdt niet de minste twijfel, dan heeft ze ons een bijzondere
dienst bewezen, waarvoor we haar dankbaar moeten zijn en waarvoor we haar graag
van harte feliciteren.
‘Vrijheid is (…) het doel van de staat’, schrijft Spinoza in
het slothoofdstuk van de Tractatus Theologico-Politicus (c. 20, 567). Maar wat
voor vrijheid de staat behoort tot stand te brengen en hoe die daarbij tewerk
moet gaan, dat blijkt niet meteen bij een eerste lezing van Spinoza’s politieke
geschriften. In de TTP vormt de vrijheid van meningsuiting (of, meer in het
bijzonder: de vrijheid om te filosoferen) de kern van Spinoza’s bezorgdheid. De
Tractatus Politicus bekijkt het vanuit een ander perspectief, waarin de
vrijheid die men vindt in de stabiliteit en de veiligheid van de staat een
prominente rol speelt. Desondanks spreekt Spinoza ook in dat werk over ‘de
eenheid of harmonie in de geest van de mensen’ die de vreedzame, vrije staat
leidt (c. 6:4, 692). Deze passage suggereert dat de vrijheid waar de politiek
moet voor zorgen niet alleen de uiterlijke vrijheid is van de veiligheid, maar
ook een bepaalde innerlijke, morele vrijheid, die gereflecteerd wordt in een
harmonie in de geest van de mensen. Spinoza’s politiek project lijkt zich hier
op dezelfde lijn te bevinden als zijn ethisch project. Zijn Ethica is zoals welbekend
gericht op het nastreven van adequate kennis, die ons geleidelijk aan zal
omvormen van passieve tot (relatief) actieve onderdelen van het schema van de
Natuur. Volgens Balibar streeft Spinoza met zijn politiek naar het ideaal van
de Ethica, maar dan op collectieve schaal. Dat wil zeggen dat zijn politiek
bestaat in ‘het zoeken naar een strategie van collectieve bevrijding, die als
leidend motto zou hebben: denken door zoveel mogelijk mensen , zoveel denkend als
mogelijk is’ (2008, 98). Balibar geeft nochtans toe dat Spinoza zich ook bewust
was van de grenzen van een dergelijk project, meer bepaald in de TP (2008,
50-51). Hoewel ik het op deze punten eens ben met Balibar, meen ik dat het
nodig is dat wij een kritische tekstanalyse maken van Spinoza’s rijke notie van
politieke vrijheid om te kunnen komen tot een echt overtuigende voorstelling
van zijn politieke doelstellingen. Mijn bedoeling met dit artikel is dan ook
tweevoudig. Vooreerst zal ik inderdaad een dergelijke analyse maken van
Spinoza’s opvattingen over politieke vrijheid. Vervolgens zal ik de
consequenties aangeven van mijn analyse voor een goed begrip van hoe en in
welke mate Spinoza zich een politiek van collectieve bevrijding voorstelt. Het
nastreven van de collectieve morele vrijheid vormt inderdaad het hoogtepunt van
Spinoza’s politieke streefdoel, zo zal ik aantonen, maar deze inspanning is
tevens gelimiteerd, omdat ze gegrond is op een immer wankel machtsevenwicht.
Nota bene
Rudmer Bijlsma is doctoraatsbursaal aan de Universiteit
Antwerpen, Departement Wijsbegeerte. Hij vervult er een onderzoeksopdracht aan
het Centrum voor Ethiek, over Passie,
narratief, en sociale orde bij Spinoza en Hume.
Dit project is een vergelijkend onderzoek naar de
sociaal-politieke denkbeelden van Spinoza en Hume. Beide filosofen beschouwen
een sociale orde als het product van zijn specifieke geschiedenis, niet slechts
van de feitelijke, maar ook van de ''narratieve'' geschiedenis. Een collectief
narratief, d.w.z. een gezamenlijke imaginaire reconstructie van het verleden,
verenigt een volk door te appelleren aan gedeelde emoties, en is daarmee van
essentieel belang voor sociale samenhang. In dit onderzoek wordt de notie van
''narratief'' aangewend om de commonground in de politieke theorieën van
Spinoza en Hume te belichten. In het bijzonder zal aandacht worden besteed aan
het religieuze narratief, dat beide filosofen als gevaarlijk zien, maar (zo
lijkt het) ook als potentieel nuttig voor een samenleving, indien het loskomt
van overmatig bijgeloof.
Toen wij Rudmer
polsten over een bijdrage voor Spinoza in Vlaanderen,
bood hij aan om bovenstaand recent artikel ter beschikking te stellen. Helaas
kreeg hij daarvoor van de redactie van het betrokken tijdschrift uiteindelijk geen
toestemming. Wel mag hij de oorspronkelijke Engelstalige tekst van het artikel
ter beschikking stellen van individuele belangstellenden en hij is daartoe
graag bereid gevonden, waarvoor onze dank. Men wende zich rechtstreeks tot hem: Rudmer.Bijlsma@ua.ac.be.
In dit artikel
stel ik drie belangrijke opwerpingen voor bij James (2011). Alle drie draaien
ze om de ware aard van de filosofie en betrouwbare kennis bij Spinoza. Ten
eerste bekritiseer ik hoe Jamesde
epistemologische rol weergeeft die de ervaring voor Spinoza speelt bij het
verwerven van adequate ideeën. Daarmee bekritiseer ik haar behandeling van wat
men de ‘conatus-doctrine’ bij Spinoza
noemt, om zo de voorstelling aan te vallen dat zij geeft van de verhouding
tussen de ware godsdienst en de filosofie. Ten tweede: dit leidt me tot een
kritiek van haar opvatting over de ware aard van de filosofie bij Spinoza. Ik
voer aan dat filosofie voor hem minder stukwerk is en minder verwant met wat
wij zouden herkennen als ‘wetenschap’ dan zij laat uitschijnen. Ten derde voer
ik argumenten aan tegen James’ basisovertuiging dat Spinoza’s drie vormen van
kennis in gradatie verschillen. Ik beweer dat zij verschillend zijn van aard.
Mijn uiteenzetting zal leiden tot een nieuwe interpretatie van Spinoza’s
concept van ‘gemeenschappelijke noties’. Sterker nog, ik voer aan dat adequate
kennis voor Spinoza te maken heeft met iets dat verwant is met engelachtige onstoffelijkheid.
Noot van de vertaler: alle citaten
van Spinoza en anderen zijn door ons vertaald op basis van het oorspronkelijk
artikel. De verwijzingen naar Spinoza volgen de gebruikelijke vorm. De
verwijzingen naar James (2011) zijn vervangen door verwijzingen naar onze
vertaling van dat artikel op deze website. Wij danken professor Schliesser voor
de toestemming die hij ons verleende voor de vertaling en publicatie van zijn
artikel en voor zijn inhoudelijke opmerkingen. Wij zijn de Editor van The
Aristotelian Society, London erkentelijk voor de bereidwillige toelating om dit
artikel te vertalen en te publiceren. Wij danken Lut De Rudder, Hubert
Eerdekens en Jacques Quekel voor het nalezen van de tekst. De uiteindelijke verantwoordelijkheid
voor de vertaling berust bij Karel D’huyvetters.
Over
de uitgave van de 'brieven over het kwaad', ofwel de correspondentie tussen
Benedictus de Spinoza en Willem van Blijenbergh, hertaald, ingeleid en van
aantekeningen voorzien door Miriam van Reijen. Amsterdam, Wereldbibliotheek,
2012, ISBN 9 78 90 284 2488 3, 175 blz., 19,90 €
Miriam
van Reijen
De
titel van dit boek is ontleend aan Gilles Deleuze, die in 1981 in zijn boek Philosophie
pratique een apart hoofdstuk aan deze acht brieven wijdde onder de titel
'De brieven over het kwaad'. Deze brieven, vier van ieder, die Spinoza en
Willem van Blijenbergh begin 1665 met elkaar wisselden, zijn oorspronkelijk in
het Nederlands geschreven. Van Blijenbergh had Spinoza's boek over de filosofie
van René Descartes gelezen en wil hem naar aanleiding van dit werk een paar
vragen stellen, of beter: hem vertellen wat hem daarin 'zwaar op de maag ligt'
en 'niet te verteren is'. Toch wekt hij in zijn eerste brief de indruk dat hij
een geestverwant van Spinoza is, omdat ze, zoals hij schrijft, beiden naar de
waarheid zoeken. Net als een filosoof wenst hij door kennis tot gemoedrust te
komen. Spinoza denkt dus in Van Blijenbergh een geestverwant te hebben gevonden
en reageert in eerste instantie aangenaam verrast. Maar al snel blijkt er
sprake te zijn van een verschillende inzet: Spinoza legt een aantal van zijn
fundamentele filosofische opvattingen, die dan nog niet gepubliceerd zijn, zo
duidelijk mogelijk uit. Van Blijenbergh echter blijkt een diepgelovig christen
te zijn die Spinoza wil laten inzien dat hij dwaalt en dat de bijbel het
laatste woord heeft.
Al
in de volgende brief meldtVan
Blijenbergh dat hij - in tegenstelling tot wat hij in zijn eerste brief schreef
– niet alleen het verstand als leidraad heeft, maar ook 'het geopenbaarde woord
ofwel de wil van god. Volgens de ene regel probeer ik een liefhebber van de
waarheid te zijn, maar volgens beide probeer ik een christelijke filosoof te
zijn.' Hij schrijft expliciet dat hij bij een tegenstrijdigheid tussen de rede
en de openbaring de bijbel laat prevaleren boven zijn natuurlijke kennis. Toch
gaat Spinoza in op de concrete kwesties waarover Van Blijenbergh hem in de
eerste brief opheldering vroeg. Het centrale thema in de briefwisseling is de
al of niet verantwoordelijkheid van god voor het kwaad in de wereld dat door
menselijk handelen ontstaat. De kwestie is of god dingen en mensen alleen heeft
geschapen of dat hij ze ook in een voortdurende schepping in stand houdt. Dit
laatste zou namelijk betekenen dat god niet alleen oorzaak is (als hun
schepper) van het feit dat mensen een vrije wil hebben, maar ook (als
onderhouder) voor wat zij met die vrije wil willen, besluiten en doen.
Spinoza
begint al in zijn eerste brief met de vraag naar het expliciteren van termen:
wat verstaat Van Blijenbergh onder kwaad? Spinoza meent dat er niets gebeurt
tegen de goddelijke wil, en dat ‘zonde’ en ‘kwaad’ slechts een menselijke
manier van spreken betreft, ook wanneer men zegt dat mensen god boos maken.
Voor Spinoza ligt de ongerijmdheid al in de idee dat er een ‘vrije’ wil zou
bestaan en mensen daardoor in staat zouden zijn om tegen de wil van een
almachtige god in te gaan. Van Blijenbergh blijft consequent begrippen
gebruiken waaruit blijkt dat hij god als een persoon opvat. Spinoza blijft
uitleggen dat die begrippen voor hem een andere betekenis hebben. Het is niet
vreemd dat Spinoza op een gegeven moment vaststelt dat ze elkaar niet nader
kunnen komen en dat hij de zinloosheid gaat inzien van deze briefwisseling. Van
Blijenbergh en Spinoza blijken verschillende opvattingen te hebben met
betrekking tot god, de vrije wil, goed en kwaad en uit dit alles volgt ook een
verschil in hun opvatting over schuld, straf en deugd. Dit laatste thema
betreft de praktische consequenties die de opvattingen over de drie eerder
genoemde zaken hebben. Van Blijenbergh is ook bezorgd vanwege de vermeende
praktische consequenties van Spinoza’s filosofie, en Spinoza probeert hem in te
laten zien dat die angst niet gegrond is. Dit laatste lukt niet.
De
Brieven over het kwaad zijn op dit
punt nog steeds relevant en actueel. God is weliswaar naar de achtergrond
verdwenen, maar de andere drie thema’s spelen mee in het huidige debat tussen
filosofen, neurowetenschappers, juristen en het publiek over het al of niet
bestaan van een vrije wil, en de vermeende praktische gevolgen voor het
strafrecht, voor de moraal en voor het dagelijkse persoonlijke en
maatschappelijke leven van de uitkomst daarvan.
Volgens
Spinoza doet iedereen op elk moment precies wat hij volgens de goddelijke wil
(of de natuurwetten) niet anders kan doen. Hier verzet Van Blijenbergh zich
tegen. We voelen onze vrije wil toch vanbinnen? Spinoza zal later in de Ethica uitleggen dat mensen wel iets
ervaren – ook Van Blijenbergh beroept zich erop – wat ze ‘vrije wil’ noemen,
maar dat ze daarmee in feite niets anders zeggen dan dat ze niet alle oorzaken
van hun willen en handelen kennen, en het daarom toeschrijven aan henzelf als
oorzaak.[1] In feite
is er echter voor alles altijd een oorzaak, ook voor wat zich in onze geest
afspeelt. ‘Er bestaat in de Geest geen vrije wil; doch de Geest wordt genoopt
dit of dat te willen door een oorzaak welke eveneens door een andere oorzaak
bepaald is, en deze wederom door een andere, en zo tot in het oneindige.’[2]
Spinoza
vergelijkt de illusie van de vrije wil met een andere soort illusie of
verbeelding, een optische: wij zien de zon klein.[3] De
waarneming van de zon als klein verdwijnt niet door de kennis dat de zon in
werkelijkheid groter is. Het toch als klein zien is bovendien wetenschappelijk
te verklaren. Op dezelfde manier verdwijnt de ervaring van de vrije wil niet
als iemand weet dat alle willen en handelen in feite gedetermineerd is door
oneindig veel voorafgaande oorzaken. Een menselijke vrije wil zou, zo houdt
Spinoza Van Blijenbergh steeds weer voor, strijdig zijn met de goddelijke
almacht, want de mens zou daarmee tegen de wil van God kunnen ingaan. Volgens
Spinoza bepaalt god noodzakelijk alles wat gebeurt, en daarmee is alles
gedetermineerd. En ook Van Blijenbergh trapt in de valkuil van het verwarren
van determinisme met fatalisme, en in het huidige debat over het al of niet
bestaan van een vrije wil, velen met hem.
Determinisme
betekent dat alles een oorzaak heeft, maar zolang niet alle oorzaken bekend
zijn, is zekere kennis van de toekomst onmogelijk. Fatalisme betekent dat
iemand ervan uitgaat dat iets toch al zus of zo zal gebeuren en daar zijn
gedrag alvast maar op afstemt. Dit is in feite niets anders dan een uiting van
hoogmoed, omdat men meent al zeker te weten wat er gaat gebeuren zonder echter
alle oorzaken daarvan al te kennen. Of het is een teken van domheid, omdat men
niet eens doorheeft dat men al van één mogelijkheid uitgaat, terwijl het
misschien de andere mogelijkheid is die in het programma zit. Het determinisme
aanvaarden betekent niet dat men daarmee ook weet wat er het volgende moment
gaat gebeuren.
De
opvattingen die Spinoza in zijn brieven aan Van Blijenbergh verwoordt, hebben
verregaande praktische consequenties. Ze raken aan concrete en praktische zaken
als zonde, schuld en straf, maar ook aan vergeving, verdienste en deugd. Als er
geen kwaad en geen zonde bestaan is er geen schuld. Dan is vergeving ook een
zinloos begrip. Maar aan de andere kant zijn er dan ook geen verdienste, lof en
deugd. In de praktijk betekent dit dat er ook geen straf en beloning kunnen
zijn. Willem van Blijenbergh begrijpt heel goed de praktische consequenties van
Spinoza’s standpunt en spreekt hem daarop aan. Spinoza legt hem uit dat god
inderdaad geen persoon is die straft en beloont, maar dat wat mensen straf en
beloning noemen, intrinsiek in de natuur meegegeven is als een consequentie van
de handelingen zelf. ‘Het loon van de deugd is de deugd zelf,’ zal Spinoza
later schrijven aan het einde van de Ethica.[4]
Maar
Van Blijenbergh kijkt naar zichzelf en blijft Spinoza vragen waarom hij dan
deugdzaam zou zijn in plaats van ‘schelmerijen’ uithalen. Spinoza legt hem
opnieuw uit dat god geen mens is die men door een of andere daad behaagt of
boos maakt. Gods wil is niet te overtreden, dus is het onzin dat god zou
straffen terwijl hijzelf oorzaak van alles is. Maar in de natuur heeft bepaald
gedrag wel consequenties. Er is verschil tussen ziek en gezond en ook tussen
stelen en een aalmoes geven. Te veel eten of drinken geeft lichamelijk ongemak.
En bij een bepaald gedrag, zoals stelen, zullen andere mensen vanzelf
maatregelen nemen tegen de dief en hem bijvoorbeeld gevangenzetten. De dief
heeft weliswaar geen vrije wil en is dus niet verantwoordelijk voor zijn daad,
maar daarmee ontloopt hij nog niet de reacties en de maatregelen van andere
mensen. Mensen zijn voor Spinoza onderdeel van de natuur, en het is even
natuurlijk om maatregelen te nemen tegen ongewenst en schadelijk gedrag van
andere mensen als wij gewend zijn te doen tegen andere natuurverschijnselen,
waaronder dieren.
Schuldgevoel
of berouw is voor Spinoza een nutteloze trieste passie. Het is lijden dat
veroorzaakt wordt door een inadequate voorstelling, namelijk het geloof in een
vrije wil. Niet alleen schuldgevoelens, maar ook irritaties, haat en
jaloezie zouden we niet hebben als we zouden beseffen dat ‘uit de noodzaak van
de goddelijke Natuur eindeloos veel dingen op eindeloos veel wijzen volgen’. [5]
Schuldgevoel ontstaat uit gebrek aan zelfkennis en kennis van anderen, dus uit
onwetendheid, of uit ‘kennis’ van de eerste soort, de verbeelding. Met de
kennis van de tweede (rede) en de derde soort (innerlijk weten dat alles een
oorzaak heeft) is het niet meer mogelijk om schuldgevoel, irritatie en
dergelijke te hebben.
Spinoza
probeert nog een laatste manier waarop hij Van Blijenbergh wil laten inzien dat
het voor een mens nooit mogelijk was om in een concrete situatie anders te
handelen dan hij of zij heeft gedaan. Hij legt daarbij een denkfout bloot die
veel mensen nog altijd parten speelt. Bij schuldgevoel kijkt men terug naar een
situatie waarin men een keuze heeft gemaakt waarvan men achteraf vindt dat men
die niet had mogen maken of anders had moeten maken. De illusie dat dit ook had
gekund, ontstaat doordat iemand daarbij niet denkt aan de persoon die hij of
zij op dat moment in die concrete bepaalde situatie was. Men denkt impliciet
aan zichzelf in een andere situatie, op een andere dag, in een andere stemming,
of aan andere mensen en mensen in het algemeen in een dergelijke situatie. De
gedachte dat men gefaald heeft, ontstaat dus door een vergelijking met een
andere toestand waarin men mogelijk wel iets anders had gekund. Maar op het
moment van het ‘falen’ kon iemand kennelijk niet anders.
Spinoza’s
uitleg maakt Van Blijenbergh niet wijzer. Het betoog van de Dordtse handelaar
wordt tot het laatst gekenmerkt door het beeld van een persoonlijke,
antropomorfe god en door moralisme. Spinoza wijst hem hier herhaaldelijk op,
maar Van Blijenbergh reageert niet op de begripsverhelderende opmerkingen. Hij
is ook niet gevoelig voor de inhoudelijke, filosofische argumenten van Spinoza.
Spinoza geeft het na drie lange brieven op, een illusie armer, maar een
ervaring rijker.
De Brieven over het
kwaad als Spinoza’s bijdrage aan een actueel ─ maar niet nieuw ─ debat: Bestaat de vrije wil? En zo niet, hoe erg is
dat?
De aanname dat god of, zoals nu door
sommige hersenwetenschappers wordt beweerd, de toestand in de hersenen, oorzaak
is van alles wat mensen willen en doen, roept zowel bij Van Blijenbergh als bij
een aantal eenentwintigste-eeuwers de vraag op naar het al of niet bestaan van
een menselijke vrije wil. Als de mens in alles afhankelijk is van god, of van
zijn hersenen, dan doet iedereen op elk moment precies wat hij volgens de
goddelijke wil of vanwege zijn hersentoestand kan doen. Hier verzet Van
Blijenbergh zich tegen, en in Nederland heden ten dage leidt zo’n uitspraak tot
heftige debatten. We ervaren onze vrije wil toch van binnen? Van Blijenbergh
schreef dit in een brief aan Spinoza en velen zeggen het hem na.[6]
Spinoza’s antwoord was en is: mensen ervaren wel iets wat ze een ‘vrije wil’
noemen, maar daarmee bedoelen ze in feite niets anders dan dat zij niet alle
oorzaken van hun handelen kennen en dit handelen daarom toeschrijven aan
henzelf als oorzaak. In de natuur is altijd en overal een oorzaak voor, ook
voor alles wat zich in onze geest afspeelt. ‘Er bestaat in de geest geen vrije
wil; doch de geest wordt genoopt dit of dat te willen door een oorzaak welke
eveneens door een andere oorzaak bepaald is, en deze wederom door een andere,
en zo tot in het oneindige.’[7]
Ook in de brieven aan Van Blijenbergh zien
we de ‘twee lagen’ in Spinoza’s manier van filosoferen die Gilles Deleuze in de
Ethica heeft gesignaleerd.[8]
Enerzijds vindt er tussen hen een discussie op filosofisch niveau plaats over
god als oorzaak van alles, dus ook van wat mensen ‘kwaad’ noemen. Van
Blijenbergh benoemt al snel de mogelijke praktische gevolgen wanneer er geen
vrije wil zou bestaan. En deze zijn precies dezelfde als de mogelijke
consequenties daarvan die in het actuele debat naar voren worden gebracht:
niets houdt mensen meer tegen om misdaden te begaan, iedereen kan straffeloos
zijn gang gaan.
Spinoza zou een zinvolle bijdrage aan het debat
kunnen leveren, en die bijdrage is niet aangestuurd en ook niet achterhaald
door de ontwikkelingen in de hersenwetenschappen, maar zij is daar
onafhankelijk van. In de eerste plaats expliciteert en verheldert Spinoza de woorden
die worden gebruikt, zeker als hij afwijkt van het alledaagse taalgebruik, en
hij gebruikt zijn begrippen consequent. Ook dat zou in het actuele debat kunnen
helpen. Bijvoorbeeld het onderscheid tussen vrijheid en vrije wil, tussen vrij
handelen, vrijheid van denken en politieke en juridische vrijheid en
wilsvrijheid, en vooral tussen onbewust (niet vrij) versus bewust
(verondersteld vrij) handelen, wordt in de huidige discussie niet of nauwelijks
expliciet gemaakt.[9]Spinoza noemt vrijheid het vermogen om ongehinderd te kunnen doen
wat je uit jezelf niet laten kunt. Dit is geen ‘typisch menselijke vrijheid’
zoals de vrije wil vaak wel wordt gezien. Het is een natuurwetenschappelijke
vrijheid die zich in alles, van god of de natuur zelf tot en met de kleinste dingen
manifesteert. Het is de vrijheid van de appel die een vrije val heeft en van
het water dat een vrije loop heeft. In die zin van vrijheid is er wel sprake
van meer of minder vrijheid en van een mogelijke bevrijding van mensen en van
andere dingen. Het is een kwantitatief begrip van vrijheid, dat wil zeggen dat
het mogelijk is te spreken van meer of minder beperkt worden in het doorzetten
van zichzelf. Omdat
Spinoza uitgaat van de almacht van god, ontkent hij dat er ruimte is voor een
vrije wil. Vrijheid bestaat voor Spinoza juist in het krachtens de eigen natuur
bestaan en door zichzelf tot handelen worden genoopt. ‘Datgene zal ‘vrij’
heten, wat alleen krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard bestaat en
alleenlijk uit zichzelf tot werken wordt genoopt.’[10]
De twee betekenissen van ‘vrij’ bij Spinoza, de vrije wil die hij
ontkent en de vrijheid van belemmeringen van buitenaf die hij belangrijk vindt,
zijn duidelijk te illustreren aan het voorbeeld van de appel. Ook als de appel
een vrije val maakt, is er geen sprake van een vrije wil of van een vrije keuze
om te vallen. Appels zijn hierin niet anders dan mensen. Ook mensen kunnen vrij
vallen, maar niet vrij kiezen om te vallen of niet.
‘Maar doodslaan
deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische
bezwaren.’ [11]
In
het recente debat is ook het thema van de veronderstelde praktische
consequenties die het ontbreken van een vrije wil zou hebben niet nieuw.
1. Een verregaande praktische en
concrete consequentie van het niet aannemen van een vrije wil is de terechte
conclusie dat er dan geen
zonde, geen morele verantwoordelijkheid, geen blaam en geen verdienste, geen
schuld en geen vergeving kunnen bestaan.
2.
De meestal impliciete veronderstelling van het tweede bezwaar is dat de aanname
van een vrije wil nodig is om te kunnen straffen, juridisch veroordelen of
ingrijpen. Men ziet over het hoofd dat maatregelen ook mogelijk zijn en zelfs
vaak worden genomen omwille van preventie en veiligheid. Het probleem van
ongewenst en schadelijk gedrag blijft precies even groot als het nu al is.
3.
Nog een andere formulering van hetzelfde probleem wordt door Van Blijenbergh
ingebracht, nu van de kant van de ‘dader’. Hij veronderstelt dat het
niet-geloven in een vrije wil met zich meebrengt dat mensen er daardoor toe
worden gebracht allerlei misdaden te begaan. Interessant is dat degenen die dit
veronderstellen daarbij nooit zichzelf op het oog hebben, maar altijd anderen.
Ook Van Blijenbergh ontkent wanneer Spinoza daarnaar vraagt, dat het bij
hemzelf zo werkt.
Een
opvallend verschijnsel in het actuele debat is de normatieve manier van spreken
die ook de brieven van Van Blijenbergh kenmerkt. De discussie over het al of niet
bestaan van de moraal zelf of van de vrije wil wordt in normatieve termen
gevoerd: het mag niet waar zijn! In artikelen en debatten worden uitspraken
gedaan als ‘Je mag de mens niet reduceren tot zijn brein’. Of: ‘er blijft
altijd een vrije wil bestaan’, alsof wij mensen dat zelf voor het zeggen
hebben. Deze zelfde idee blijkt uit een uitspraak als: ‘De vrije wil moet je
niet schrappen’. Dit zou namelijk wel eens nadelige gevolgen kunnen hebben.
Deze laatste kwam van een wetenschappelijk medewerker van de Wetenschappelijke
Raad voor het Regeringsbeleid.[12]
Wellicht komt er binnenkort een wet of verordening waarin het schrappen van de
vrije wil wordt verboden.
Stelt
Spinoza filosofie voor als het privé domein van een elite en veroordeelt hij
daarmee ongeschoolde mensen tot een valse maar wel palliatieve vorm van ‘ware
godsdienst’? Sommige commentatoren denken er zo over, maar met deze bijdrage
wil ik aantonen dat ze ongelijk hebben. De vorm van religieus leven die Spinoza
voorstaat, vervult de politieke en epistemologische voorwaarden voor een
geleidelijke overgang naar filosofisch inzicht, zodat ware godsdienst en
filosofie in de praktijk onafscheidelijk zijn.
Noot van de vertaler: alle citaten van
Spinoza en anderen zijn door ons vertaald op basis van de tekst van James. De
referenties naar plaatsen in Spinoza’s werken zijn zoals gebruikelijk. De
verwijzingen naar andere werken worden weergegeven zoals vermeld in de
oorspronkelijke tekst van het artikel. Wij zijn professor Susan James bijzonder
erkentelijk voor de toestemming om de vertaling van haar artikel te publiceren
op onze website. Wij danken ook de Editor van de Aristotelian Society, London
voor de bereidwillige toelating tot vertaling en overname. Met dank aan Jo Van
Cauter voor inhoudelijke opmerkingen en aan Lut De Rudder, Hubert Eerdekens en
Jacques Quekel voor het nalezen van de tekst. De uiteindelijke
verantwoordelijkheid voor de vertaling berust bij Karel D’huyvetters.
De Ethica (1677) van Spinoza voert ons
langs een pad dat leidt van een alledaagse manier van leven, bezwaard door
passies en dwalingen, naar een meer verheven vorm van bestaan, waarin de
filosofisch geïnitieerde personen door hun liefde tot God bij machte zijn om
rechtschapen en eervol samen te leven.1 De transformatie die hij
beschrijft heeft vele dimensies op ethisch, affectief, metafysisch en psychologisch
vlak, maar bestaat ten dele uit een epistemologische progressie in drie fasen
van cognitio of kennis. Vertrekkend
van de eerste kennissoort, die behoort tot de manier van denken die we kennen
als verbeelding, ‘nemen wij vele zaken waar en vormen ons universele noties’ op
grond van tekens en van zintuiglijke waarnemingen die ‘ons voorgesteld worden
op een wijze die verminkt is, verward en zonder ordening voor het intellect’.
Voortbouwend op deze grondslag gaan we over tot wat Spinoza beschrijft als
redeneren of de kennis van de tweede soort, die te werk gaat met adequate
ideeën betreffende de eigenschappen van de dingen. Ten slotte stijgen we op tot
de scientia intuitiva, de kennis van
de derde soort, een vorm van cognitio die
adequate kennis van de essentie van de dingen afleidt uit een adequaat begrip
van de formele essentie van bepaalde attributen van God.2
Er is
recentelijk uitstekend onderzoek verricht naar Spinoza’s beschrijving van de
overgang van redeneren naar intuïtief weten,3 maar er wordt veel
minder gesproken over de eerdere verschuiving van verbeelding naar redeneren.4
Deze afwezigheid is niet helemaal verwonderlijk. In de Ethica wordt de verbeelding voorgesteld in grotendeels negatieve
termen, als een aanhoudende maar gebrekkige manier van kennen, die moet overstegen
worden opdat filosofisch onderzoek van de grond zou kunnen komen. Zij is de
achtergrond, als het ware, waartegen het drama van de filosofie zich afspeelt;
zij wordt beoordeeld vanuit het standpunt van de denkers die al in staat zijn
om er een rationele verklaring voor te geven op grond van hun adequaat
begrijpen van haar werkwijze en haar gebreken. In het licht van de tweede vorm
van kennis wordt de verbeelding een onderdeel van het voorwerp van de
filosofie; heel wat commentatoren hebben de verbeelding zo behandeld. Maar op
die manier zijn ze geneigd om de ogen te sluiten voor een kwestie waarmee Spinoza
diep begaan is: hoe kan een gemeenschap waarin de mensen grotendeels leven en
denken op grond van hun verbeelding, erin slagen om het redeneren tot een
onderdeel van hun levenswijze maken en zo de voordelen te plukken van de tweede
vorm van kennis? Spinoza wijkt hierin af van het gewone patroon van de 17de-eeuwse
filosofen, omdat hij niet alleen op zoek gaat naar de soorten van
zelfdiscipline en vorming die een select aantal individuen in staat stellen om
adequate ideeën te verwerven;5 hij behandelt redeneren tevens als
een collectief ondernemen dat afhankelijk is van zowel sociale als cognitieve
voorwaarden en dat in principe niet alleen onze manier van denken kan
transformeren, maar ook onze levenswijze. De overgang van de kennis van de
eerste soort naar de tweede is ten dele sociaal; het is dit aspect dat ik wens
te onderzoeken.
Zoals ze is
uitgetekend in de Ethica levert de
verbeelding een soort van cognitio op
die verward is op verscheidene ons vertrouwde wijzen. Daar waar het redeneren
te werk gaat met klare en onderscheiden ideeën die op hun beurt een adequaat
begrip opleveren van het verschil tussen wat waar is en wat niet, zijn de
ideeën die wij ons vormen op grond van zintuiglijke waarnemingen of tekens
gebaseerd op onze toevallige ontmoeting met de dingen en reflecteren ze aldus
de beperktheid van onze ervaring.6 Wanneer mijn kennis van de zon
gebaseerd is op mijn perceptie van de zon, dan zal ik een verward of inadequaat
idee hebben van haar afstand tot de aarde; als mijn idee van een paard
voortkomt uit het lezen van Orlando
Furioso, dan zal het een verminkt en weinig accuraat idee zijn.7
Dergelijke onvolkomenheden worden nog verscherpt door een aantal psychologische
wetmatigheden waaraan mensen onderworpen zijn. De ideeën van onze verbeelding
leiden ertoe dat wij de dingen zien als werkelijk bestaand; dat maakt dat zij
vaak geen rekening houden met verandering en dan geven ze ons dan een vertekend
beeld van hoe de wereld is. (Ik pas een van Spinoza’s voorbeelden even aan: als
ik mijn vriendin Melissa vorig jaar ontmoet heb en ik ben niet op de hoogte van
haar overlijden, dan zal ik ervan overtuigd blijven dat zij werkelijk bestaat
en ten onrechte geloven dat zij nog steeds in leven is.)8 Op
dezelfde manier leidt onze neiging om ideeën met elkaar te associëren ons ertoe
om sommige situaties verkeerd te interpreteren en om oorzakelijke verbanden
verkeerd te begrijpen. ‘Een soldaat die sporen van een paard in het zand heeft
opgemerkt, zal onmiddellijk overgaan van de gedachte aan een paard naar de
gedachte aan een ruiter en vandaar naar de gedachte aan oorlogsvoering’,
terwijl een landbouwer de gedachte aan een paard zal verbinden met die van een
ploeg en een akker.9 Maar dergelijke gedachtegangen kunnen de
soldaat en de landbouwer misleiden. De soldaat kan bijvoorbeeld tot de onjuiste
conclusie komen dat paarden noodzakelijkerwijze voor oorlogsdoeleinden moeten dienen,
en de landbouwer kan concluderen dat een bepaalde akker door een paard moet
omgeploegd zijn.
Aan al deze
geaardheden ligt een principe te gronde dat Spinoza de conatus noemt: het streven naar het in stand houden van het bestaan
dat de essentie van elk individueel ding uitmaakt.10 Zoals alle
andere individuen manifesteren ook mensen hun conatus in alle aspecten van hun bestaan; ze geven er uitdrukking
aan in hun taal, hun gebruiksvoorwerpen, hun onderzoeksmethoden en hun sociale
instellingen. Bijgevolg streven mensen die vooral volgens hun verbeelding
denken ernaar om hun bestaan in stand te houden op grond van hun waarnemingen
en hun ontmoetingen met tekens en dat zorgt dan weer voor specifieke cognitieve
beperkingen. In een poging om zichzelf te affirmeren, verlenen onze mentale
vermogens een speciale glans aan hun ervaringen door ernaar te streven zich ‘alleen…’
dat in te beelden ‘…wat hun daadkracht affirmeert of poneert’11 en geen
oog te hebben voor ‘dingen die hun kracht of die van het lichaam aantasten’.12
Een affectieve ingesteldheid van weerstand tegen alles wat ons ontkracht, maakt
ons ongevoelig voor de veeleer ontmoedigende aspecten van onze ervaringen. Bij
de verbeelding verbergen ideeën die in feite partieel en vertekend zijn hun
eigen gebreken en doen zich aan ons voor als volkomen en waar; hun beperkingen worden
daardoor weerspiegeld in de concepten van waarheid en onwaarheid die wij uit
die ideeën afleiden. Zij misleiden ons niet alleen over specifieke toestanden,
maar moedigen ons ook aan om genoegen te nemen met een epistemologische tweede
keus en om met de wereld om te gaan op basis van normen die ten achter blijven
op het klaar en onderscheiden inzicht.13
Ondanks die
tekorten is de verbeelding nochtans verre van nutteloos. Het is de manier van
kennisneming die wij gewoonlijk gebruiken en de epistemologische basis voor
onze alledaagse manier van leven. Spinoza geeft toe dat sommige aspecten van de
verbeelding ons redeneren in de weg staan en onze mogelijkheid tot het
verwerven van kennis van de tweede soort belemmeren; toch kent hij aan de
verbeelding ook een productieve rol toe bij het bevorderen van ons
redeneervermogen. Ons verbeeldend streven om te volharden in ons bestaan kan
ingeschakeld worden voor het filosofisch project om te denken met adequate
ideeën en het kan gebruikt worden om ons aan te moedigen een filosofische
levenswijze uit te bouwen. Een van de manieren waarop mensen hun
verbeeldingskracht gebruiken, zo stelt Spinoza vast, is de ontplooiing van
kennisverzamelingen die hen macht verlenen. Personen met belangstelling voor
specifieke aspecten van de menselijke ervaring zoals kosmologie, psychologie,
geschiedenis, godsdienst of politiek, hebben de bedoeling om
onderzoeksdoelstellingen waar te maken die bijdragen tot het bereiken van dat algemene
doeleinde en ontwerpen normen van waarheid en onwaarheid die aangepast zijn aan
de specifieke doelstellingen waarover het gaat.
Om Spinoza’s
gedachtegang met een voorbeeld te verduidelijken, gaan we te rade bij de
opvattingen over de geschiedenis die hij aanreikt in de TTP (1670). Een
verhalend historicus die erop uit is om de geschiedenis van Rome weer te geven
moet de gepaste normen aanwenden om ware van onware historische getuigenissen
te onderscheiden, om verschillende interpretaties van archeologische vondsten
te beoordelen enzovoort.14 Als die normen zelf afgeleid zijn van
verwarde of inadequate waarnemingen en tekens, dan zullen zij niet voldoen aan
de vereisten van klaarheid en onderscheidenheid die nodig zijn voor het
redeneren. Spinoza zegt: zij zullen geen mathematisch zekere conclusies
genereren.15 Maar zij kunnen desondanks best geschikt zijn voor hun functie
en een voldoende basis vormen voor het verwerven van kennis die beantwoordt aan
de norm van de morele zekerheid. De beweringen van een competente verhalende geschiedkundige,
bijvoorbeeld, zullen voor waar gehouden worden wanneer zij te werk gaat met
normen die als afdoende erkend zijn voor het specifieke doel van het weergeven
van een betrouwbaar relaas van het verleden, en wanneer zij normen vermijdt die
men algemeen als laks of buitenissig pedant beschouwt. Haar conclusies zullen
dan gelden met morele zekerheid.
De
doelstellingen van dergelijk verbeeldend onderzoek zijn ook bepalend voor hun
waarheidsaanspraken. Zo zijn er bepaalde feiten die onze geschiedkundige
correct moet voorstellen en er zijn bepaalde stilistische grenzen die zij in
acht moet nemen als zij met haar werk aanspraak wil maken op enig gezag. (Als
zij zou stellen dat Cicero een Griek was, of haar informatie op een lukrake
manier zou ordenen, dan zou zij niet slagen in haar opzet om de geschiedenis
van Rome te verhalen.) Andere aspecten van haar project zijn minder streng
geregeld. (Haar inspanningen zouden bijvoorbeeld niet hopeloos falen indien zou
blijken dat sommige van de meer perifere beweringen fout waren; ze zouden
evenmin in het gedrang komen door een ongewone maar duidelijk herkenbare
verhaaltechniek). Het is derhalve een ruimschoots gedeelde opvatting over wat verhalende
geschiedenis, ja wat elke vorm van verhalend onderzoek beoogt te bereiken, die
bepalend is voor welke soort van waarheden het meest relevant zijn om de morele
zekerheid te garanderen.
Een
gemeenschap waarin de levenswijze gebaseerd is op verbeelding is in staat om
normen voor waarheid en onwaarheid te genereren die misschien wel inadequaat
zijn, maar toch afdoende met het oog op specifieke doelstellingen; die normen
kunnen dan gebruikt worden om verzamelingen van kennis van de eerste soort op
te bouwen. Meer nog: Spinoza wijst er herhaaldelijk op dat dit soort van kennis
van een zodanig vitaal belang is voor het dagelijkse leven, dat het bespottelijk
zou zijn om die kennisvorm te veroordelen omdat die niet de norm haalt van de
mathematische zekerheid waarnaar de filosofie streeft.16 In heel
veel gevallen is morele zekerheid al wat we nodig hebben en al wat we kunnen
bereiken. Enerzijds kunnen op verbeeldingen gegronde onderzoeksmethodes ons
nuttige maar feilbare kennis opleveren over een brede waaier van zaken, en ons
helpen om vreedzaam en welvarend samen te leven. Anderzijds stellen dergelijke
methoden ons bloot aan vergissingen en kwetsbaarheden die enkel het filosofisch
redeneren systematisch kan onderkennen. Hoe komt men echter tot de ambitie om
te redeneren en hoe krijgt die vaste voet?
Men zou
volgende hypothese kunnen maken: wanneer mensen ondervinden dat hun
verzamelingen van verbeeldende kennis ontoereikend zijn of misleidend, zet hun conatus hen ertoe aan om hun universele
noties te verfijnen en de waarheidsnormen waarop zij zich gewoonlijk steunen in
vraag te stellen. Dat zou hen dan weer vlot en naadloos kunnen brengen, zo kan
de hypothese verder gaan, tot de kennis van de tweede soort. Volgens Spinoza
echter is het antwoord niet zo eenvoudig. Op het psychologisch niveau
ontwikkelen individuen en gemeenschappen een aanhankelijkheid tegenover hun op
verbeelding gebaseerde aannames en gewoonten, die dan weer de oorzaak is van
hun weerstand tegen verandering. Zelfs wanneer ze inzien dat hun aannames te
wensen overlaten, zijn zij vaak niet bereid om iets op te geven dat zij denken
te weten in ruil voor een adequaat maar nauwelijks begrepen alternatief.17
Bovendien zijn de kennisverzamelingen op dat sociaal niveau weerspiegeld in de machtsverhoudingen,
en zijn erkende experts in het algemeen niet bereid om hun overheersing in
gevaar te laten brengen. ‘Vandaar dat het voorkomt’, bijvoorbeeld, ‘dat iemand
die de ware oorzaak van mirakels onderzoekt en, als een geleerd mens, er ook op
uit is om de werking van de natuur te verstaan… gewoonlijk beschouwd en
misprezen wordt als een oneerbiedige ketter, door die mensen die het volk eert
als verklaarders van de natuur en van de Goden’.18 In de schoot van
gemeenschappen die georganiseerd zijn op de verbeelding, zijn pogingen tot
redeneren soms uiterst uitdagend en hartsgrondig onwelkom. Als de rede derhalve
de basis moet vormen voor een algemeen erkende levenswijze en niet als iets dat
enkel van belang is voor een geïsoleerde minderheid, dan moet een gemeenschap
in de eerste plaats wegen vinden om hun verbeeldende vermogens te gebruiken om
de omstandigheden uit te werken waarin de weerstand tegenover kennis van de
tweede soort niet zo machtig is dat ze die verplettert, en waarin er ruimte is
om een filosofische bestaanswijze uit te bouwen die gericht is op de waarheid.
Afkerigheid
van redeneren kan in vele middens ontstaan en kan talloze vormen aannemen. De
pogingen om de verbeelding ertegenover te stellen, zullen dus zelf ook cultuurgebonden
zijn. Spinoza’s eigen geschriften zijn daarvan een sprekend voorbeeld. Hij
beschrijft in de TTP hoe in de Nederlandse Republiek de meest scherpe
tegenstanders van het filosofisch redeneren te vinden waren onder de leden van een
machtige groep van Calvinistische theologen, die van zichzelf dachten dat zij
wisten welke leerstellige waarheden elke gelovige diende te belijden. Gewapend
met dit arsenaal van zekerheden verzetten zij zich tegen de manier van
filosoferen van Spinoza en zijn omgeving en trachtten bij herhaling haar
methoden en conclusies te verbieden.19 In deze context veranderde
dan het algemene probleem van het tot stand brengen van een maatschappij die
openstond voor het filosoferen, in het meer specifieke probleem van het
aanvechten van een bepaalde theologische visie, niet alleen door die openlijk te
confronteren en de filosofie op te werpen tegen een vorm van theologie die op
verbeelding was gebaseerd, maar ook door het propageren van een alternatieve
vorm van religieus leven waarin ruimte was voor kritische vragen. Om het redeneren
tot bloei te laten komen, zo stelde Spinoza, moest de opvatting van de
theologen over godsdienst plaats maken, in eerste instantie niet voor een
rationeel en adequaat alternatief, maar voor een meer rekkelijke en inclusieve
godsdienstige praktijk die het filosofisch onderzoek niet in de kiem smoorde.
Door zich de mogelijkheden van de verbeelding eigen te maken waarop de
theologen zich steunden, en door die te gebruiken ter verdediging van een
verschillende opvatting over de vereisten van de godsdienst, zou de cognitio van de eerste soort op zijn
minst het redeneren aanmoedigen door het onderhouden van een levenswijze waarin
dat niet het voorwerp was van voortdurende aanvallen.
Spinoza
schrijft vanuit een gemeenschap waarin de Bijbel een ongeëvenaard religieus
gezag had; hij accepteert de bestaande parameters van het theologisch debat en
definieert de op verbeelding gebaseerde doelstelling van het godsdienstig leven
in Bijbelse termen als een kwestie van naastenliefde.20 Aan die
vereiste voldoen, zo stelt hij, is al wat de ware godsdienst van ons vraagt; de
rol van de religieuze overtuigingen en de vormen van eredienst bestaat er enkel
in ons te helpen bij het vervullen daarvan door ons aan te zetten om liefdevol
en gestaag samen te leven. Het maakt in feite niet veel uit hoe we dit tot
stand brengen en dus is het niet nodig dat wij met elkaar in overeenstemming
zijn over de leerstellingen van de godsdienst. De ene kan God zien als een
rechter, de andere kan denken dat hij irrelevant is; als we maar samenleven en
–werken is er vanuit de godsdienst geen reden om ons met de verschillen in onze
opvattingen in te laten. Er is evenmin enige nood aan een grondig onderzoek
naar de normen van waarheid en onwaarheid waarop wij onze overtuigingen
baseren. De ene kan zijn opvatting over een irrelevante God baseren op zijn manier
om de Bijbel te interpreteren, de andere kan haar geloof in een God als rechter
rechtvaardigen door het gevoel dat zij heeft dat de Heilige Geest in haar hart
huist. Onze respectieve normen kunnen elk totaal verward zijn, opgepikt uit
toevallige getuigenissen of arbitraire associaties. Als ze ons in staat stellen
om met elkaar in gemeenschap samen te leven, is er geen godsdienstige reden om
ze in vraag te stellen.21 Een waarlijk godsdienstige gemeenschap hecht
bijgevolg maar heel weinig belang aan de waarheid van de geloofsovertuigingen
van de mensen en is in plaats daarvan helemaal bezorgd om hoe zij zich
gedragen. Het is voor de instandhouding van de samenwerking niet nodig dat men
al te diep ingaat op de epistemologische processen die leiden tot de
theologische overtuigingen van elk individu, of op de mate van verwarring die
uit hun ideeën blijkt. Zo lang ze erin slagen om in harmonie samen te leven of
hun naasten lief te hebben, mag men hen toelaten om hun eigen overtuiging te
volgen en hun godsdienst te belijden zoals zij dat wensen.22
Op het
eerste gezicht lijkt deze opvatting over de ware godsdienst in tegenspraak te
zijn met het filosofisch project van het rationeel denken. Van alle mogelijke
verbeeldingspraktijken lijkt de godsdienst in uitzonderlijk aanzienlijke mate
in gebreke te blijven inzake kritische normen, uitzonderlijk ongeïnteresseerd te
zijn om die te ontwikkelen en uitzonderlijk verdraagzaam tegenover onwaarheid.
Religieus leren leven komt neer op het leren aanvaarden van mensen die willen
samenwerken, zoals ze zijn, hoe gek ook, zonder acht te slaan op verschillen in
religieuze overtuiging en visie, en te weigeren om de voordelen van het
harmonieus samenleven in het gedrang te laten brengen door het onderzoeken van eenieders
overtuigingen. De sociale en politieke voordelen van een dergelijke houding
zijn voldoende duidelijk, vooral in een samenleving waarin de theologie
traditioneel een bron van onenigheid was; het is echter niet gemakkelijk om in
te zien hoe door het verlaten van de collectieve zoektocht naar de waarheid de
omstandigheden zouden kunnen ontstaan waarin de mogelijkheid tot redeneren
bevorderd wordt.
Spinoza
antwoordt daarop zeer rechtlijnig. Zeker, de ware godsdienst vraagt van de
mensen niet dat ze hun religieuze overtuiging kritisch onderzoeken en verdraagt
zelfs een heleboel onwaarheid. Maar door individuen en groeperingen toe te
laten om naar eigen overtuigingen toe te werken en om er ook naar te leven,
creëert de ware godsdienst de voorwaarden waarin men de gelegenheid heeft om de
gewoonte aan te kweken om zijn ideeën en praktijken te onderzoeken en waarin
zij vrij zijn om die te veranderen als gevolg van hun onderzoek. Meer nog: wanneer
het mogelijk is om de waarheid of onwaarheid van de eigen overtuigingen te
testen door hen te toetsen aan steeds meer rigoureuze waarheidsnormen, creëert
de ware godsdienst ruimte voor mensen met filosofische neigingen om dit proces
van verheldering zo ver mogelijk te willen doorvoeren en de waarheid zonder
restricties te willen nastreven. Zolang die filosofen vasthouden aan het samen
leven en –werken, zijn zij niet alleen als individuen vrij om na te denken in
de privé sfeer van hun studies, maar zijn zij ook collectief vrij om
publiekelijk samen te werken met elkaar met het oog op de ontplooiing van hun
adequate inzichten. De ware godsdienst creëert en valideert aldus een
levenswijze waarin filosofen de mogelijkheden krijgen om de limieten van het
verbeeldend denken te overschrijden en om te leren redeneren.
Om de overgang
te maken van de eerste naar de tweede vorm van kennis moet een gemeenschap sociale
en materiële levensomstandigheden kennen die de mogelijkheid daartoe niet
verhinderen; de ware godsdienst staat model voor een dergelijk ethos. Die
voorwaarde is ver van triviaal, maar dat gezegd zijnde is ze desondanks
relatief gesproken veeleer zwak. Een religieuze levenswijze mag dan al aan de
mensen de gelegenheid bieden tot redeneren, hen ook nog aanmoedigen om er
gebruik van te maken doet ze niet. In tegendeel, het komt hoofdzakelijk neer op
het tolereren van de min of meer losse epistemologische normen waarrond hun
geloof en hun praktijk georganiseerd zijn. Maar als de religieuze levenswijze
die Spinoza voor ogen heeft een uitdaging wil vormen voor de dogmatische theologieën
van zijn tijdgenoten en de kunst van het redeneren wil bevorderen, dan ziet het
ernaar uit dat er meer nodig is dan alleen maar lijdzaam toezien. Men zal niet
alleen moeten toelaten dat religieuze levenswijzen op filosofische redenering
gegrond zijn, maar bovendien op een of andere manier de groei van de kennis van
de tweede soort positief beïnvloeden.
Spinoza gaat
door op deze gedachte en werkt zo zijn analyse uit van de ware godsdienst,
waarbij hij de aandacht vestigt op de epistemologische goede eigenschappen die
daarvoor vereist zijn. Om coöperatief samen te leven, zo waarschuwt hij, moet
men in de eerste plaats de hypocriete vlucht vermijden in religieuze praktijken
die men niet echt toegedaan is, evenals het zich tevreden stellen met wat men erkent
als religieuze fictie of fantasie.23 Dergelijke strategieën zijn
vernietigend, want hoewel ideeën waarvan wij toegeven dat ze verzonnen zijn ons
diep kunnen raken en onze vaste wil kunnen versterken om te leven op een of
andere specifieke manier, missen die de kracht die stabiele overtuigingen wel
hebben om standvastige actiepatronen te genereren, en zo de goede gewoonten van
een coöperatieve manier van leven. In de godsdienst is het van vitaal belang
dat men de gedragspatronen onderhoudt die erin bestaan zijn naaste lief te
hebben; daarvoor is het nodig dat men te werk kan gaan op basis van ideeën die
men als waarachtig beschouwt en er wordt verwacht dat men die religieuze visies
opgeeft die men niet meer geloofwaardig acht. Bijgevolg kan men niet onverschillig
blijven voor de vraag wat men gelooft en wat niet, of voor de criteria waarop
dit geloof is gegrond.
Samen met
hypocrisie veroordeelt Spinoza de verwante ondeugd van de hardnekkigheid.24
In de religieuze context die hij in gedachten heeft, zijn hardnekkige mensen
diegenen die vasthouden aan het in stand houden van gediscrediteerde
interpretaties van de Schrift, of die ideeën en visies verwerpen waarop
samenwerking evident steunt. Hardnekkigheid staat samenwerking in de weg; door
die af te wijzen creëert Spinoza alvast de verwachting dat gelovigen op zijn
minst toch enigszins zouden openstaan voor bewijzen en argumenten, veeleer dan tegen
beter weten in vast te houden aan hun overtuigingen. Godsdienst mag dan al toegeeflijk
zijn, maar het is geen vrijgeleide om werkelijk om het even wat te geloven; in
zekere mate wordt van individuele gelovigen ook geëist dat zij zoekers zijn
naar kennis. Zij worden geacht zich uiteindelijk toe te wenden tot wat zij in
eer en geweten zien als de meest verantwoorde religieuze zienswijze die
voorhanden is. Naarmate de basis van morele zekerheid van een gemeenschap veranderingen
ondergaat, zullen bepaalde overtuigingen en attitudes die eens aanvaardbaar
waren, dat ooit niet meer zijn. Zo zal in Spinoza’s ogen een persoon die
ondanks uitvoerige bewijzen van het tegendeel in de tekst, volhoudt dat al de
geregistreerde uitspraken van de profeten behoren tot de geopenbaarde waarheid,
zich schuldig maken aan hardnekkigheid en bijgevolg tekortschieten aan de
vereisten van een religieuze levenswijze. Samenwerking heeft een intellectuele
dimensie; door obstinaat te weigeren om rekening te houden met de opinie van de
tegenstander doet men het centrale religieuze gebod: ‘bemin uw naaste’ geweld
aan. Deze vereiste is niet van toepassing op mensen die echt niet in staat zijn
om een dispuut te volgen, of die op andere gronden er niet in slagen om het
belang ervan in te zien; daarom zal de ware godsdienst in de praktijk steeds
pluralistisch blijven. Maar omdat een openheid voor grondige argumenten tot de
godsdienst behoort, gaat er een kritische pressie van uit op de denkgewoonten
van een gemeenschap en moedigt zij de mensen aan om, waar mogelijk, tot
gemeenschappelijke religieuze overtuigingen te komen die in overeenstemming
zijn met de best mogelijke normen van morele zekerheid.
Ware
godsdienst is om die reden niet gedoemd tot extreme epistemologische
versnippering, noch staat godsdienst zo onverschillig tegenover het zoeken naar
waarheid als aanvankelijk leek. De vereiste tot samenleven en –werken heeft een
epistemologische dimensie, en hoewel men een religieus leven kan leiden dat
algehele voldoening schenkt op basis van geloofsovertuigingen en praktijken die
grondig inadequaat en verward zijn, zijn kritisch ingestelde personen er op grond
van iets dat lijkt op een religieus voorschrift toe gehouden om hun
theologische overtuigingen te onderwerpen aan epistemologische kritiek. Spinoza
stelt het zo: ‘iedereen is verplicht om de voorschriften van de godsdienst aan
te passen aan zijn eigen begripsvermogen’, zodat hij die kan aanvaarden ‘zonder
enig mentaal conflict of aarzeling’.25 Toegegeven, de discussies
waarin dit hen zal doen belanden, zullen gevoerd worden in termen van
verbeeldingskracht, met behulp van inadequate ideeën die men heeft opgedaan via
tekens en waarnemingen; bijgevolg zal men zo niet toekomen aan de filosofische
denkstijl die leidt tot kennis van de tweede soort. Maar zoals Spinoza dan verder
duidelijk maakt, kunnen dergelijke discussies toch attitudes en gewoonten
inprenten die integraal deel uitmaken van het redeneren, en kunnen die daarom
ook helpen om de levensvisie en de verwachtingen te cultiveren die noodzakelijk
zijn voor de rede.
Wie de ware
godsdienst beoefent, kan de motivering om in samenwerking te leven vinden in
vele verschillende geloofsovertuigingen en praktijken. Maar als men hypocrisie
en hardnekkigheid wil vermijden, dan moet eenieder bereid zijn de eigen
geloofspunten te onderzoeken wanneer die aangevochten worden. Dit kan
natuurlijk een proces zijn van individuele reflectie, maar Spinoza is meer
geïnteresseerd in de publieke discussies, controverses en twisten waartoe dit
kan leiden. In zijn eigen geval focussen de Nederlandse discussies die hem
vooral bezighouden op de onenigheden over de ware aard en de grondslagen van
een waarachtig religieus leven. Hij gaat de strijd aan met de theologen die
ervan uitgaan dat de Bijbel de bron is van religieuze kennis en neemt zich voor
om de concepten van morele zekerheid aan te vechten waarop die tegenstanders
zich steunen, waarbij hij vooral aandacht besteedt aan hun beroep op de
goddelijke openbaring. Hij behandelt de theologie als elke andere vorm van interpretatief
onderzoek en ziet die als een kwestie van het decoderen van tekens; hij gaat
ervan uit dat wij eerst en vooral behoefte hebben aan een hermeneutische
theorie die ons moet toelaten om met morele zekerheid uit te maken wat de tekst
beweert over Gods openbaringen aan de profeten. Soms, zoals in het geval van de
literaire kritiek, kan het daarbij volstaan om de betekenis van de tekst
duidelijk te maken. Maar wanneer wij conclusies over Bijbelse openbaring willen
gebruiken als de basis voor een religieuze levenswijze, dan hebben wij nood aan
moreel zekere grondslagen om die als gezagsvol te beschouwen.
Aangekomen
bij dit punt doen sommige van Spinoza’s theologische tegenstanders een direct
beroep op de goddelijke openbaring. Voor hem is dat echter geen bevredigend
antwoord. Hij werpt op dat wij, veeleer dan weg te vluchten in onwetendheid, de
tekst van de Bijbel moeten onderzoeken om te weten te komen welk soort van
inzichten de profeten hadden en over welke onderwerpen zij met gezag konden
spreken. Als wij op deze vragen overtuigende antwoorden kunnen geven, dan
zullen wij met morele zekerheid kunnen weten, niet alleen dat de profeten een
of ander hebben voorgehouden, maar bovendien dat wanneer zij over onderwerpen
spraken waarover zij gezaghebbend waren, wat zij beweerden ook de waarheid was.
Wij zullen dan met morele zekerheid weten dat de profeten ons inderdaad
voorhouden om in samenwerking te leven, maar bovendien dat zij uitzonderlijk
goed geplaatst waren om op grond van hun verbeeldende ervaring te weten dat God
ons deze levenswijze ‘oplegt’ als iets dat bijzonder goed voor ons is. Zoals we
ook natuurkundigen of tuiniers vertrouwen op hun eigen domein, hebben we ook
goede redenen om aan het getuigenis van de profeten in hun specifiek domein van
deskundigheid vertrouwen te schenken. Dan zullen we ons geloof kunnen
rechtvaardigen in een op de Bijbel gebaseerde interpretatie van de
karakteristieken van een waarlijk religieus leven. We zullen ook coherente redenen
hebben om alternatieve versies te verwerpen van wat een dergelijk leven
meebrengt.
De TTP levert
ons een goede redenering in die zin. Een nauwkeurige interpretatie van de
Bijbel toont aan dat de profeten mensen waren van een uitzonderlijke
verbeeldingskracht; dit verschafte hen een extreem buitengewone mate van
inzicht in de morele vragen over hoe men moet leven. In dit domein hebben wij
dus redenen om hun opinies ernstig te nemen. Meer nog: wie deze redenering
aanvaardt, slaagt erin om het religieus leven te baseren op moreel zekere
gronden en is ook in staat om een afdoende logische verklaring te geven voor
hun redenen om een dergelijk leven te leiden. De epistemologische normen waarop
het leven georganiseerd is worden kracht bijgezet door het feit dat ze in
overeenstemming zijn met andere die aan de basis liggen van minder betwistbare
op de verbeelding gegronde handelswijzen, zoals de verhalende geschiedschrijving
en de morele psychologie. Zoals in die gevallen worden zowel de mate waarin de
theologie op de waarheid betrokken is als de specifieke waarheden waarop die
focust, bepaald door haar eigen doelstelling. Net zoals een geschiedkundige een
bepaalde reeks van feiten moet erkennen en respecteren als ze de geschiedenis
van Rome wil schrijven, zo zijn er ook verscheidene waarheden die een religieus
persoon moet aanvaarden en respecteren. Zij moet bijvoorbeeld leven op een
manier die in de praktijk coöperatief is (beoordeeld vanuit de geldende moreel
zekere normen), en ook alle andere waarheden aanvaarden die noodzakelijk
blijken om dit doel te bereiken.26
Zoals we
eerder hebben gezien, blijft het gezag op religieus gebied van Spinoza’s
analyse beperkt. Hij mag dan al de stellingnamen van zijn theologische
tegenstanders hartsgrondig misprijzen, zijn argumentatie blijft machteloos ten
aanzien van individuen of groeperingen die hun samenwerkingsverbanden in eer en
geweten baseren op rivaliserende normen van morele zekerheid. Anderzijds
vereist de ware godsdienst van hen onder meer deze kwaliteit, dat zij ook openstaan
voor zijn standpunt, zoals het verspreid wordt door de TTP; zo staan zij onder een
godsdienstige verplichting om het op zijn waarde te schatten. In plaats van rigoureus
vast te houden aan hun gebruikelijke criteria van morele zekerheid, zullen
waarlijk religieuze personen van het intellectueel engagement een aspect maken
van hun coöperatieve levenswijze en zullen ze verschillende versies van religie
naar best vermogen beoordelen.
De vraag is
nu in welke mate die inspanning kan bijdragen tot het creëren van een sociaal
ethos, gegrond op de verbeelding, dat openstaat voor de ontwikkeling van de
tweede soort van kennis. Zal een religieuze gemeenschap waarvan de leden kennis
nemen van Spinoza’s analyse van de godsdienst er enkel en alleen toe gebracht
worden om de normen van morele zekerheid te herzien waarmee ze hun
geloofsovertuigingen staven, of zullen zij ook dichter komen bij de meer
stringente vereisten van het filosofisch redeneren? Een van de doelstellingen
van de TTP is de kloof te verkleinen tussen de kennis van de eerste soort en
die van de tweede, door het ontwikkelen van een levenswijze die op de
verbeelding is gestoeld en gericht is op het gebruik van de rede. In
tegenstelling met de theologen, die voorrang geven aan geopenbaarde waarheden,
begrepen als bovennatuurlijke uitspraken van de godheid, berust Spinoza’s
verdediging van het godsdienstig gezag op een onderzoek van de natuurlijke gebeurtenissen
waarmee ook het filosofisch redeneren begaan is; hij dringt erop aan dat wij
religieuze verschijnselen verklaren in gewone oorzakelijke termen.27
Meer nog: veeleer dan toe te laten dat wij de goddelijke openbaring accepteren
als een niet te verklaren fait accompli, moedigt hij ons aan om het principe
van de ‘voldoende grond’ toe te passen dat de kern uitmaakt van de Ethica en te weigeren om de zogenaamde
mysteries van de godsdienst zomaar te aanvaarden.28 Wie derhalve
zijn verantwoording van de ware godsdienst aanvaardt, zal meteen ook de
geldigheid beamen van een specifiek intellectuele houding, een houding die
werkzaam kan zijn op het domein van de verbeelding, maar die tegelijker tijd
bepalend is voor het redeneren. Men zal als het ware vertrouwd gemaakt worden
met de attitude die aan de basis ligt van de rede en men zal ermee beginnen
leven.
De ware
godsdienst biedt een gemeenschap dus de vrijheid om ideeën en levenswijzen uit te
proberen die verenigbaar zijn met het samenwerken, onderwijl de epistemische waarden
bevorderend van oprechtheid, openheid alsook het ontwikkelen van normen van
morele zekerheid die de verklaringsvereisten van de rede valideren. Op deze
drievoudige manier genereert een op verbeelding gesteunde vorm van kennis de
sociale voorwaarden die niet alleen leiden tot het ontwikkelen van rationeel
begrijpen, maar ook sommige gewoontes en normen daarvan inprenten. In de meest
gesofisticeerde vorm kan de verbeelding zoals Spinoza zich die indenkt, omgaan
met ervaringsgegevens uit de waarneming, in die mate zelfs dat het normaal
lijkt om zich af te vragen wat redeneren nog meer inhoudt. Spinoza’s antwoord
daarop is echter duidelijk. Ideeën die wij ons inbeelden zijn warrig, die
waarmee wij redeneren zijn klaar en onderscheiden, of adequaat. Om een
filosofische levenswijze te onderhouden, hebben we bijgevolg een voorraad van
adequate ideeën nodig; en om in te zien hoe de overgang kan gemaakt worden van
de eerste naar de tweede vorm van kennis, moeten we ons afvragen hoe wij onze
adequate ideeën verwerven.
In sommige
van zijn werken voert Spinoza aan dat sommige adequate ideeën- de zogenaamde gemeenschappelijke noties –
aangereikt worden door zintuiglijke waarnemingen die gemeenschappelijk zijn aan
alle mensen en die in principe beschikbaar zijn voor iedereen. Volgens de Ethica bijvoorbeeldleidt onze ervaring van ons eigen lichaam en zijn interactie met externe
lichamen, voor elk van ons tot het adequate idee dat een lichaam in staat is
tot beweging en rust.29 Maar de beschikbaarheid van dit idee is op
zichzelf niet voldoende om te garanderen dat een bepaald individu in staat zal
zijn om het te gebruiken in het verwoorden of in het redeneren. Het idee zal
enkel actief worden bij mensen die vrij zijn van vooroordelen, in die zin dat
de ideeën van hun verbeelding geen belemmering vormen voor hun vermogen om te
herkennen hoe lichamen in werkelijkheid zijn.30 Het afleiden van
adequate ideeën uit zintuiglijke waarnemingen is dus een kwestie van het
terzijde schuiven van inadequate veronderstellingen op een of andere manier, bijvoorbeeld
door reflectie, reizen, experimenteren of discussie. Deze processen zijn op hun
beurt gesteund op de collectieve onderzoeksmethoden en op vorming, die in
sommige omstandigheden beter ontwikkeld zullen zijn dan in andere. Zoals wij
hebben gezien, stelt Spinoza dat zij allicht meer wijd verbreid zullen zijn in
waarlijk godsdienstige gemeenschappen, waar een vastbeslotenheid om
hardnekkigheid en hypocrisie te vermijden de mensen onder druk zal zetten om aanvallen
op zelfs hun meest verfijnde normen van morele zekerheid onder ogen te nemen,
en waarin de doelstelling van samenwerking de vrijheid om te filosoferen
toelaat. Een waarlijk religieuze levenswijze creëert omstandigheden die
bevorderlijk zijn voor het beschikbaar worden van adequate ideeën, en voor het
gebruik dat wij ervan maken om te komen tot de kennis van de tweede soort.
In de Ethica wordt dit proces op een
bijzondere manier naar voren gebracht. In dit werk is het Spinoza vooral te
doen om aan te tonen hoe het redeneren uiteindelijk kan leiden tot de kennis
van de derde soort. Daarom is hij er speciaal op uit om te verklaren hoe wij de
adequate ideeën kunnen verwerven van de attributen van God, waaruit de intuïtie
voortspruit. Hij is dan ook minder geïnteresseerd in andere adequate ideeën die
daaruit volgen en die lager liggen in de filosofische voedselketen.31
Wij mogen daaruit evenwel niet afleiden dat de adequate ideeën betreffende Gods
attributen de enige basis zouden vormen waarop het redeneren een aanvang kan
nemen. Spinoza’s argumentering suggereert dat wij inderdaad talrijke adequate
ideeën kunnen afleiden uit de ervaring, of uit ervaring via andere aspecten van
de verbeelding. Bijvoorbeeld: zoals blijkt uit zijn geometrische voorbeelden,
moeten wij bij machte zijn om adequate ideeën te vormen van getallen en
meetkundige vormen. Evenzo moeten we de verschillende axioma’s waarop de Ethica voortgaat, adequaat kennen als we
de rationele norm van de redenering willen vrijwaren. Daarbij komt dat sommige
van de postulaten betreffende het menselijk lichaam zoals Spinoza toelicht ‘amper
iets bevatten dat niet door de ervaring aangetoond wordt’.32 Wanneer
wij ons tot de TTP wenden, vinden wij nog meer voorbeelden van adequate ideeën
over onszelf die eveneens afleidbaar zijn uit ervaring en reflectie. ‘Het is
verre van waar dat iedereen zich altijd zal laten leiden door het gezag van de
rede’;33 ‘Niemand laat na zich voor iets te beijveren dat hij goed
acht tenzij hij hoopt op een nog groter goed of bevreesd is voor een nog groter
nadeel’;34 ‘Een contract is enkel van kracht wanneer het van nut is’;35
enzovoort.36 De kennis van de tweede soort kan dus gesponnen worden
uit de fundamentele ideeën over het lichaam en de mentale vermogens die een
geprivilegieerde plaats innemen in de Ethica.
Maar zij kan ook beginnen bij andere adequate ideeën die minder filosofische
basis hebben. In omstandigheden die verzekerd zijn in een waarlijk
godsdienstige levenswijze zullen bepaalde groeperingen van filosofisch
ingestelde personen zich daarom ongehinderd verschillende sets van adequate
ideeën eigen kunnen maken, en gebruik maken van welke sets dan ook die ze
hebben om een adequate waarheidsnorm uit te werken. Aan de hand van die norm
zullen zij vervolgens in staat zijn om hun specifieke belangen na te streven en
verscheidene domeinen uit te werken van op de rede gegronde kennis.
Het doel van
het redeneren, zegt Spinoza ons, is ‘niets anders dan de waarheid’.37
Het gebruik van de verbeelding zoals dat in de ware godsdienst gebeurt, maakt het
nastreven van de waarheid ondergeschikt aan de eigen specifieke doelstellingen
en laat toe dat deze doelstellingen bepalen of een bepaalde waarheid al dan
niet van kracht is. De filosofie daarentegen is geïnteresseerd in al wat
rationeel kan begrepen worden en gaat over alle adequate ideeën, wat ook hun
voorwerp moge wezen. Er zijn geen waarheden die de filosofie niet toelaat in
overweging te nemen, en precies dat maakt voor een deel haar kracht uit.38
Maar aangezien er ook geen specifieke waarheden zijn van waarop zij moet
beginnen, kan ze een aanvang nemen op grond van om het even welke adequate
ideeën die een gemeenschap kan verwerven. De vooruitgang van de filosofie is
nochtans niet willekeurig. Zoals voor de voorbeelden van het gebruik van de
verbeelding die wij bekeken hebben, bepaalt de doelstelling van de filosofie
haar vorm en bekleedt sommige waarheden met een bijzonder belang. Door deze
affiniteit tussen verbeelding en redeneren aan een onderzoek te onderwerpen,
kunnen we een beter inzicht krijgen in de manier waarop een waarlijk religieuze
levenswijze het project van het filosoferen ondersteunt.
Onder de
adequate ideeën waarmee filosofen rekening moeten houden bij het verbreden van
hun rationele kennis, zijn er een aantal claims met betrekking tot het belang
van de coöperatieve manier van samenleven. Door een stuksgewijze benadering van
de tweede manier van kennen kunnen filosofisch ingestelde personen die erop uit
zijn om hun adequate ideeën uit te breiden, zich inzetten voor bijvoorbeeld het
redeneren over politiek of natuurwetenschappen. Maar indien deze activiteit
ertoe leidt dat zij de vereisten van het samenwerken verwaarlozen, dan lopen
zij het gevaar hun eigen onderneming teniet te doen door het beschadigen van
het sociale weefsel waarvan die afhankelijk is. Zoals wij hebben gezien, kan
dit risico vermeden worden door de ware godsdienst, die ervoor zorgt dat een
coöperatieve samenlevingswijze behouden blijft. Zo kan een
samenwerkingsgemeenschap middelen vinden om de minder dan optimale samenwerkingsgewoonten
van bijvoorbeeld een groep van natuurfilosofen te neutraliseren; of die
natuurfilosofen kunnen er zelf voor zorgen dat zij hun gehechtheid aan
redeneren over de fysica combineren met een op de verbeelding gesteunde
religieuze vastbeslotenheid om coöperatief samen te leven. Op die manier kan de
verbeelding of de kennis van de eerste soort het redeneren ondersteunen en zo
ook de groei bevorderen van de kennis van de tweede soort. Spinoza is zich
terdege bewust van de noodzaak deze relatie te gebruiken, maar hij is er
evenzeer van overtuigd dat de rede zelfredzaam kan zijn. Veeleer dan zich te
steunen op de moreel zekere waarheidsnormen die de eerste kennisvorm
belichaamt, zijn filosofen in staat om hun eigen meer veeleisende
epistemologische normen toe te passen op hun eigen activiteit en zo een
adequaat inzicht te ontwikkelen in de voorwaarden die nodig zijn voor het
voortbestaan ervan. Bovendien maakt het uiteindelijke doel, namelijk het zoeken
van de waarheid, dit domein van het rationeel weten opmerkelijk relevant en
voor hen ook bijzonder belangrijk. Of zij nu begaan zijn met politiek of met
fysica, metafysica of psychologie, steeds moeten zij de beoefening van de
filosofie weten te vrijwaren.
Wanneer
filosofen zich met deze kwestie inlaten, kunnen zij natuurlijk tot de conclusie
komen dat het samenwerkingsethos van de ware godsdienst een minder geschikt
middel is om het rationeel denken te bevorderen dan een levenswijze waarin
verkeerde geloofsovertuigingen streng onderdrukt worden. De doelstellingen van
de ware godsdienst en de filosofie zouden in dat geval met elkaar in conflict
komen en de ene zou de andere bestrijden. Spinoza verwerpt die mogelijkheid
echter met klem. Het is volgens hem geen toeval dat onze religieuze wil om
coöperatief samen te leven een bevestiging krijgt in het filosofisch inzicht in
hoe we het zoeken naar waarheid het best bevorderen, en dat ons op de
verbeelding geschoeid begrip van hoe we op de meest vrije manier kunnen leven
de conclusies anticipeert van het redeneren.39 De normen van morele
zekerheid waarop de verbeeldingshandelingen berusten, zijn immers hoe dan ook
waarheidsnormen. Zij vatten ten dele, en in sommige gevallen vrijwel volledig,
inzichten die vervolgens hun bevestiging vinden in adequate ideeën. Het is
daarom dat wij een algemene epistemologische reden hebben om te hopen dat ons
op de verbeelding gebaseerd inzicht in een levenswijze die het filosofisch
onderzoek bevordert, niet door het redeneren zal ongedaan gemaakt worden. Het
is veeleer zo, dat een adequaat begrijpen van de voorwaarden waaronder de
filosofie kan open bloeien een echo is van onze best overwogen interpretatie
van de vereisten van de ware godsdienst.
Hoe zullen
filosofen die zich inzetten voor het nastreven van de waarheid dan hun leven
inrichten? Volgens Spinoza zullen zij zich verenigen om zo hun collectief
begrijpen te verbreden; ze zullen erop toezien dat ze hun doelstelling niet in
gevaar brengen door mensen tegen zich op te zetten die dat ideaal niet
nastreven; ze zullen zich ervoor wachten om hun levenswijze op te dringen aan
anderen die hun doelstellingen niet delen; en zij zullen waarachtig religieuze
levenswijzen niet ondermijnen, ook niet wanneer die geschoeid zijn op
onwaarheden.40 Kortom, zij zullen leven op een coöperatieve manier,
zoals elke waarachtig religieuze gemeenschap. In de Ethica zijn deze conclusies vervat in een geheel van scientia intuitiva of kennis van de
derde vorm; ze worden in rationele stappen afgeleid van een adequaat idee van
de attributen van God. Maar als zij niet het gevaar willen lopen hun eigen
project te doen ontsporen, kunnen de filosofen niet wachten tot zij dit niveau
van inzicht bereikt hebben. Zij moeten kunnen beschikken over een adequaat
begrip van de redenen om in samenwerking te leven, of ze nu de metafysische
premissen die nodig zijn voor de intuïtieve kennis al hebben doorgrond of niet.
In
stuksgewijze redeneringen streven de filosofen naar kennis van de tweede soort;
daarom hebben zij een instrumenteel belang bij het verwerven van een adequaat
concept van een coöperatieve manier van samenleven. De waarheidsgronden voor
een dergelijke levenswijze zijn voor hen uiterst betekenisvol, en onderscheiden
zich van andere adequate waarheden waarmee zij eveneens bezig zijn. Meer nog,
dit veroorzaakt een bijkomende vorm van continuïteit tussen de ware godsdienst
en de filosofie. De doelstelling van de ware godsdienst, namelijk samenwerking,
is een middel om het doel van de filosofie te bereiken, namelijk de waarheid,
en tegelijk een onderdeel van dat doel. Coöperatief leren samenleven is van
vitaal belang voor deze beide levenswijzen, maar in het redeneren neemt dat een
plaats in die zowel bemiddelend is als constitutief. Om de overgang naar de
tweede vorm van kennis te maken, hoeft een gemeenschap derhalve haar sociale
oriëntering niet te wijzigen. Het is veeleer nodig dat zij haar inzicht in de
redenen voor haar levenswijze versterkt en één maakt door ze meer adequaat te begrijpen.
In plaats van de diverse visies die religieuze mensen gebruiken voor de
organisatie van hun gemeenschappelijk leven, houdt de filosofie vast aan het vooruitzicht
op een eenvormig en dwingend inzicht in de grondslagen voor het coöperatief
samenleven, samen met een levenswijze waarin een gemeenschappelijke keuze voor
die grondslagen het vermogen tot samenwerken nog verder doet toenemen.
Voorzien van
deze praktische kennis plaats een filosofische gemeenschap zich in een veilige
positie om haar doel na te streven, door zich te concentreren op die
onderzoeksdomeinen die de meest vruchtbare blijken te zijn om adequate ideeën
te genereren. Volgens de Ethica zijn
waarheden betreffende de manier om te leven minder vruchtbaar dan waarheden
betreffende God, uit wie oneindig veel dingen voortkomen op oneindig veel
wijzen. God begrijpen is de beste manier om de waarheid na te streven en het is
daarom dat de filosofen daarop hun aandacht moeten toespitsen. Maar dat is een collectieve
en sociale onderneming die geen voortgang kan vinden zonder de vaardigheden en
de inzichten die de ware godsdienst aanvankelijk voedt. Spinoza geeft toe dat continuïteit
tussen een waarachtig godsdienstig en een filosofisch leven inhoudt dat het in
de praktijk moeilijk kan zijn om te bepalen waar het ene plaats maakt voor het
andere. Formeel gezien gebeurt die overgang wanneer inadequate ideeën vervangen
worden door adequate, maar dat is een gradueel proces. Zo is het bijvoorbeeld
mogelijk om een adequaat idee te hebben van sommige eigenschappen van een
driehoek, maar een inadequaat idee van andere; zoals we ook gezien hebben41kan
een inadequaat idee in meerdere of minder mate grondig verward zijn en dus meer
of minder dicht de adequaatheid benaderen. Een adequaat concept van een
coöperatieve manier van samenleven vertegenwoordigt het eindpunt of de limiet
van een lang proces van uitklaring; daarom is er geen breekpunt tussen een deugdelijk
op de verbeelding berustend inzicht van de vereisten van de ware godsdienst
enerzijds en een rationeel begrip van haar karakteristieken en haar voordelen
anderzijds. Zij behoren allebei tot het ononderbroken leerproces voor het leven
in samenwerking, dat als het ware de ethische harde kern uitmaakt van het
filosoferen.
Carr, Spencer 1987: ‘Spinoza’s
Distinction between Rational and Intuitive Knowledge’. Philosophical Review,
87:2, pp. 241–52.
Curley, E. M. 1973:
‘Experience in Spinoza’s Theory of Knowledge. In Marjorie Grene (ed.), Spinoza:
A Collection of Critical Essays. Garden City, NY: Anchor Books.
De Deugd, Cornelis 1966: The
Significance of Spinoza’s First Kind of Knowledge. Assen, Netherlands: Van
Gorcum.
Della Rocca, Michael 2003: ‘A
Rationalist Manifesto: Spinoza and the Principle of Sufficient Reason’. Philosophical
Topics, 31, pp. 75–93.
——2008: Spinoza.
Routledge: New York.
Garrett, Aaron forthcoming:
‘Knowing the Essence of the State in Spinoza’s Tractatus Theologico-Politicus’.
European Journal of Philosophy, 20 (2012).
Garrett, Don 2009a:
‘Spinoza’s Theory of Scientia Intuitiva’. In Tom Sorell, G. A. J. Rogers and
Jill Kraye (eds.), Scientia in Early Modern Philosophy: Studies in History
and Philosophy of Science, 24, pp. 99–116. Dordrecht: Springer.
——2009b: ‘Spinoza on
the Essence of the Human Body and the Part of the Mind that is eternal’. In
Olli Koistinen (ed.), The Cambridge Companion to Spinoza’s Ethics, pp. 284–302.
Cambridge: Cambridge University Press.
Gatens, Moira 2009: ‘The
Politics of Imagination’. In Moira Gatens (ed.), Feminist Interpretations of
Benedict Spinoza, pp. 189–209. University Park, PA: University of
Pennsylvania Press.
——and Genevieve Lloyd 2009: Collective
Imaginings: Spinoza Past and Present. London: Routledge.
Malinowski-Charles, Sylvaine 2003:
‘The Circle of Knowledge: Notes on Reason and Intuition in Spinoza’. In Daniel
Garber and Steven Nadler (eds.), Oxford Studies in Early Modern Philosophy,
Volume 1, pp. 139–63. Oxford: Clarendon Press.
Spinoza, Benedict de c.1662:
‘Treatise on the Emendation of the Intellect’. In The Collected Works of
Spinoza, ed. and trans. E. M. Curley, vol. 1, pp. 7–45. Princeton, NJ:
Princeton University Press, 1985.
——1670: Tractatus
Theologico-Politicus. In Spinoza Opera, ed. Karl Gebhart,4 volumes, vol. iii, pp. 1–247. Heidelberg: Carl Winters, 1925.
English translation by E. M. Curley. Princeton, NJ: Princeton University
Press, forthcoming.
——1677: Ethics. In The
Collected Works of Spinoza, ed. and trans. E. M. Curley, vol. 1, pp. 408–617.
Princeton, NJ: Princeton University Press, 1985.
——1928: The Correspondence
of Spinoza, ed. and trans. A. Wolf. London: Frank Cass.
Verbeek, Theo 1992: Descartes
and the Dutch: Early Reactions to Cartesian Philosophy, 1637–1650. Carbondale,
IL: Southern Illinois University Press.
Vinciguerra, Lorenzo 2005: Spinoza
et le signe: La Genèse de l’imagination. Paris: Vrin.
4 Voor opmerkelijke uitzonderingen, zie De Deugd (1966),
Curley (1973), Gatens en Lloyd (1999), Vinciguerra (2005), Gatens (2009).
5 Zie bijvoorbeeld Spinoza’s Traktaat over de verbetering van het verstand’ (ca. 1662).
6 E2P29S.
7 E2P35S, E4P1S.
8 E2P17C. Verbeelding, zo schrijft Spinoza, omvat het
fictieve, het foutieve, het twijfelachtige en absoluut al die [ideeën] die
afhankelijk zijn van onze herinnering’ (brief aan Jan Bouwmeester, in Spinoza
1928, p. 228).
9 E2P18S.
10 E3P6, P7.
11 E3P54.
12 E3P13C.
13 E2P42.
14 TTP III/101-2.
15 Ibid., 130-2, 187.
16 TTP
III/187.
17 E4P6.
18 TTP III/181.
19 TTP III/8-9; zie Verbeek (1992).
20
TTP III/168.
21
TTP III/171, 176-9.
22
Ibid., 176.
23
TTP III/176.
24
Ibid. 176-7, 179.
25 TTP III/179.
26 TTP III/177.
27 TTP III/29.
28 Voor Spinoza’s gebruik van het ‘principe van de voldoende
grond’, zie Della Rocca (2003, 2008).
29 E2P13
Lemma 2.
30 E2P40
S1.
31 E2P37,
P38.
32 E2P17S.
33 TTP
III/193.
34 TTP III/191-2.
35 TTPIII/ 192.
36 Zie voor een meer gedetailleerde bespreking van dit onderwerp
Garret (in voorbereiding).
37 TTP
III/179.
38 E5P9.
39 E4P37.
40 E4P26n
P27, P67-70.
41 Brief 56 aan Boxel, in Spinoza (1928, blz. 289).