mijn blik op de wereld vanaf 60 Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin. Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating. Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
23-06-2013
Siebrand en Hiemstra, Voetangels & Klemtonen
Heine Siebrand en Yvonne Hiemstra, Voetangels & Klemtonen, Uitgeverij Pagina 3, 2013, 151 blz., hardcover,
18,95
Dit is een fraai uitgegeven boekje, keurig ingebonden
met een heuse kneep (maar niet genaaid en zonder kapitaalbandjes), scherp
gedrukt op glanzend papier en met een bladspiegel die ruimte laat aan het wit,
om zo het zwart te laten ademen.
Ik vrees dat het toezenden van een recensie-exemplaar
aan de H-VV, de Vlaamse Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging, op een vergissing
berust. Het gaat immers om een publicatie van de Nederlandse Vrijzinnigheid, en
dat is iets anders dan de Vlaamse. Nog een voorbeeld van hoe twee landen
gescheiden kunnen zijn door een gemeenschappelijke taal. In Nederland gaat het
om een strekking binnen het protestantisme, dus een christelijke beweging,
terwijl in Vlaanderen vrijzinnig synoniem is met onchristelijk, ongelovig en
zelfs antiklerikaal. De twee vrijzinnigheden hebben, hoe kan het ook anders,
toch met elkaar te maken. Binnen het protestantisme is de vrijzinnigheid
evident de meest vrijzinnige in de Vlaamse betekenis: het minst dogmatisch,
Bijbels, kerkelijk, gestructureerd, hiërarchisch opgedeeld en klerikaal, het
meest modern en rationeel. Wat dat precies betekent, weten ook de meeste
dergelijke vrijzinnigen blijkbaar niet zo goed, en het lezen van dit boekje zal
hen noch ons daarover veel wijzer maken. Mij komt het voor dat een vrijzinnig
protestantisme een stap is in de richting van de echte vrijzinnigheid. Het
protestantisme heeft in Nederland historisch veel meer terrein verloren dan het
katholicisme, maar het had natuurlijk ook veel meer terrein te verliezen.
Het gaat hier om een bakers dozen (bakkersdozijn staat niet in Van Dale) teksten,
dertien dus, al dan niet bedoeld om, zoals in de bakkerij, in alle geval twaalf
gave te hebben. Stilistisch behoren ze tot de predicatie, ze zijn dus bedoeld
als lezingen tijdens de viering, of zijn daarop allicht gebaseerd. De beide
auteurs wensen het uitdrukkelijk in hun collegiale midden te laten wie precies
wat heeft geschreven, maar hier en daar verraden persoonlijke noten wel om wie
van de twee het gaat.
Op blz. 134 citeert de auteur een toehoorder van een
preek: Ik heb intens genoten en ik heb er veel aan gehad, maar ik kan hem niet
direct navertellen. Dat laatste geldt ook voor deze lezer. Je leest deze vlot
geschreven teksten zonder al te veel moeite en zonder gestoord te worden door
uitspraken die doen steigeren, maar veel meer dan een vaag vermoeden van wat nu
eigenlijk de bedoeling was, blijft er niet over.
De taal is modern, met (te) veel modieuze mediatieke
woorden, soms in slecht Engels. Men richt zich tot moderne mensen, maar met een
boodschap die erg dubbelzinnig is. De auteurs bepleiten een terugkeer naar het
Bijbelse, het evangelische, het oorspronkelijke, mystieke, poëtische,
onzegbare van het geloof of de religie, maar zij beseffen dat in hun
Vrijzinnige gemeenten de stemming meestendeels anders is. Vechten tegen de
bierkaai, dus. Het probleem is echter dat het zeer moeilijk is om tegenover
elke vorm van vrijzinnigheid een boodschap te stellen die het rationele schuwt
of verwerpt of verwijst naar iets dat het rationele overstijgt. Rationaliteit en
transcendentie zijn moeilijk te verzoenen.
De auteurs geven echter de indruk dat wie het
transcendente verwerpt, zich meteen afwendt van dimensies van het bestaan als
poëzie, zingeving en zelfs samenleving en ethiek. Daarin ligt mijns inziens hun
vergissing. Zij zoeken God in de wereld, waar hij tot uiting zou komen in de
natuurbeleving, in de poëtische ervaring, in het zich verbonden voelen, maar
ook in de individuele mystieke belevenis. De uitdrukking ten diepste komt in
bijna elke lezing voor. Enerzijds is het vanzelfsprekend ook voor een
ongelovige zonder meer mogelijk om zich daardoor te laten beroeren; anderzijds
weten de auteurs nergens precies te zeggen wat zij met dat ten diepste
bedoelen, en dat is teleurstellend. Voor de lezer lijkt het een uitnodiging om
grenzen te overschrijden die de auteurs nogal boudweg trekken, maar die niet
aan een realiteit beantwoorden. Zij verdedigen verhalen, ook Bijbelse, als een
noodzaak voor zingeving, een vereiste voor het overleven zelf, een remedie
tegen de angst en de vertwijfeling van het zinloze ongelovig bestaan. Zij lijken
zelfs hier en daar in het midden te laten of dat verhaal enige waarheidswaarde
hoeft te hebben: misschien volstaat het dat het verhaal werkt, dat het troost
en verlicht, dat het efficiënt is, zoals de genade, of de predicatie.
Ik was verrast om hier herhaaldelijk Spinoza tegen te
komen, tot ik in de biografie van Heine Siebrand las dat hij gepromoveerd is op
een proefschrift over deze radicale filosoof. Toch heb ik niet de indruk dat Spinoza
een drijvende kracht is achter wat we hier te lezen krijgen. Veel meer dan een
vaag pantheïsme neemt men niet van hem over, en daarmee doet men de
ontstellende en overweldigende kracht van zijn radicaal atheïsme hopeloos tekort.
Samenvattend kan men zeggen dat deze preken licht
verteerbaar zijn en misschien wel bij heel wat mensen, ook ongelovigen, een
zekere welwillende aandacht zullen opwekken. Maar verwacht er niet teveel van.
Ten diepste blijf je op je honger, zoals te verwachten. Het is immers niet in
mystieke ervaringen, noch in de openbaring van Oude of Nieuwe Testamenten, noch
in de literatuur of schwärmerische natuurervaringen
dat men de ultieme waarheid moet zoeken over de mens, de Natuur en het
Universum. De mens heeft misschien wel behoefte aan verhalen, maar dan vooral
als verwoording van waarheden, niet als taalspel rond ficties. Verhalen die de
waarheid en de harde realiteit verhullen of verbloemen hebben al te lang onze
samenleving gedomineerd en geteisterd. Laten we veeleer luisteren naar hen die
al die tijd die verhalen hebben ontluisterd en ons er fijntjes op gewezen
hebben dat de nieuwe kleren van de keizer niet kunnen verbergen dat hij rillend
in zijn blootje staat.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
14-06-2013
Evolutie, cultuur en betekenis - Tom Uytterhoeven
Tom Uytterhoeven, Evolutie,
cultuur en betekenis, Garant Antwerpen-Apeldoorn, 2011, 167 blz., 19
Tom Uytterhoeven is docent RZL (Religie, zingeving en
levensbeschouwing) en Rooms-katholieke godsdienst aan de bacheloropleiding
leraar lager onderwijs van de Lessius Hogeschool Mechelen. Hij werkte zelf ook
tien jaar in het lager onderwijs en behaalde in 2011 als werkstudent het
diploma van Master in de Gespecialiseerde studies in de Godgeleerdheid en de
godsdienstwetenschappen aan de KU Leuven. Dit boek moeten we helemaal in het
licht van deze gegevens plaatsen, zowel in zijn wordingsgeschiedenis als zijn
opzet en uitwerking.
Enkele hoofdstukken, zo geeft de auteur in zijn inleiding
aan, zijn gebaseerd op papers die hij schreef als een onderdeel van zijn
opleiding. Het geheel is een herwerking van zijn masterproef, die op zijn beurt
de basis vormde voor zijn colleges Godsdienst aan de Lessius Hogeschool. De
auteur situeert zich daarmee in een bepaalde context, zoals ook ten overvloede
blijkt uit zijn voetnoten. Die verwijzen in ruime mate naar zijn Leuvense
theologieprofessoren en zelfs enkele van hun voorgangers.
De auteur beweert dat hij in dialoog gaat met Daniel Dennett.
Dat is echter slechts gedeeltelijk zo. Het beeld dat hij schetst van de
filosofische inzichten van Dennett is onvolledig, oppervlakkig en dus zeer
vertekend. Ofwel heeft hij Dennett niet goed begrepen, ofwel stelt hij hem
bewust anders voor dan hij is. Ik weet niet goed welke van de twee
veronderstellingen de meest kwalijke is. Ik vrees echter dat we de redenen voor
de onvolkomenheden van dit boek hoofdzakelijk moeten zoeken in de haast waarmee
de auteur gemeend heeft zijn onvoldragen ideeën in boekvorm te moeten gieten,
naar eigen zeggen op uitnodiging van de uitgever, maar die heeft wellicht
hoofdzakelijk gedacht aan de studenten die zich dit boek als handboek zullen
aanschaffen bij de colleges, zoals ook al het geval was bij enkele boeken die
herhaaldelijk in de voetnoten verschijnen.
Hoe afhankelijk de auteur is van zijn bronnen, blijkt uit de
uitvoerige en zeer talrijke citaten en voetnoten van een al bij al beperkt
aantal boeken. Sommige hoofdstukken zijn niet meer dan een haastige en erg
letterlijke samenvatting van die boeken, die zelf samenvattingen zijn van
andere. Veelal ontbreekt elke kritische ingesteldheid tegenover de geciteerde meningen,
behalve wanneer het over Dennett gaat, of Richard Dawkins.
Wanneer een beginnend docent het in zijn eerste publicatie opneemt
tegen zwaargewichten als Dennett en Dawkins, speelt hij een wedstrijd die hij
op voorhand al verloren heeft. Het baat daarbij niet dat hij zijn kritiek
ontleent aan andere auteurs die meer academisch gewicht in de schaal werpen dan
hijzelf. Hun argumenten zijn immers enkel in bepaalde kringen, waartoe de
auteur zich nadrukkelijk bekent, aanvaard. In wetenschappelijke middens is het
inroepen van het transcendente vandaag als het hijsen van de witte vlag,
waarmee men aangeeft dat men zich rücksichtsloss heeft overgegeven aan God.
Van een dialoog met Dennett is er dan ook geen sprake. In
grote delen van het boek komt de evolutieleer nauwelijks aan bod, maar worden
de traditionele christelijke opvattingen enthousiast toegelicht, zij het op
dezelfde onkritische en oppervlakkige manier waarmee hij ook vijandige
auteurs benadert. Hier en daar betrekt hij ook literaire bronnen in zijn theologische
argumentatie, wat soms tot bedenkelijke resultaten leidt.
Voor deze auteur is de katholieke godsdienst voorwaar geen verzonnen
verhaal dat door zijn bedienaars verteld wordt met een duidelijk doel, namelijk
het eigen belang en het verwerven van wereldlijke macht, maar een
heilsboodschap, gebaseerd op historische feiten: Jezus Christus, de apostelen,
de kerkvaders, de kerkelijke tradities en dogmas, die allen een uiting zijn
van de liefde van God voor zijn schepselen. Op geen enkel ogenblik neemt hij
zelfs maar in overweging dat het om een verhaal zou gaan, in het beste geval
zelfs met een oorbaar doel, namelijk het humaniseren van de samenleving. Het
bestaan van het transcendente en van een persoonlijke God is voor hem een
vaststaand feit. Tja, dan wordt elke dialoog natuurlijk zeer moeilijk. En
aangezien het mislukken van die dialoog uiteraard niet aan zichzelf kan liggen,
moet die wel veroorzaakt zijn door de verkeerde inzichten van Dennett, die
daartoe een aantal uitspraken of ideeën toegedicht wordt, die de verbazing
opwekken van al wie Dennett gelezen heeft.
Dit is een boek dat voor eigen parochie preekt. Het is,
zoals de cursussen RZL in het katholiek hoger onderwijs in Vlaanderen, pure
apologetiek, zeg maar indoctrinatie onder een pseudowetenschappelijk kleedje,
dat in dit geval zo kort is uitgevallen dat de auteur vaak met de billen bloot
staat.
Komt daar nog bij dat hij zich bezondigt aan al de typisch
Vlaamse taalfouten, die zo gemakkelijk te vermijden zijn. Doorheen in plaats
van door heen; het soms tot in het lachwekkende uit elkaar halen van waar- en
op &c; best in plaats van het best; korte termijn-denken in plaats van
kortetermijndenken of korte-termijndenken. Hier en daar is een voetnoot niet
nagelezen (337!), of is een zin onbegrijpelijk: Nik wordt zelfs verliefd op
elkaar. (blz. 122)
Belangrijke en frequent gebruikte begrippen blijven
onverklaard, zoals transcendentie, of wat de mens overstijgt, genade,
zondigheid &c, terwijl andere gebruikt worden zonder enig inzicht, zoals de
Verlichting (blz. 92 vv.). Werken, auteurs en ideeën worden buiten hun context en
los van de argumentatie geciteerd en zijn hier en daar niet meer dan name-dropping om indruk te maken.
Misschien zou men zich erover moeten verheugen dat Darwin,
Dennett en Dawkins ter sprake gebracht worden in een milieu waar dat helaas al
te weinig gebeurt. Als het echter op deze eenzijdige manier gebeurt, is het wellicht
beter dat men het houdt bij de christelijke klassiekers en de officiële dogmas.
Onze auteur heeft zich blijkbaar laten verleiden door een
commercieel geïnspireerd aanbod van een uitgever om een tekst te publiceren die
daartoe nog niet rijp was.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
26-11-2012
God is niets omdat hij alles is (C. Verhoeven)
Een aandachtige lezer stuurde me naar aanleiding van mijn
verhaal over de ( ) paradox dit citaat van Johannes Scotus Eriugena:"Deus propter excellentiam non immerito
nihil vocatur." God is niets omdat hij alles is, vertaalt C.
Verhoeven, steeds volgens onze lezer.
De paradox zien we heel duidelijk in de vertaling van Kees
Verhoeven. Hoe kan God tegelijk niets en alles zijn? En zelfs niets precies
omdat hij alles is? Een eerste, voorlopige en meer letterlijke vertaling van
het origineel zou kunnen zijn: het is niet onterecht om God vanwege zijn
uitmuntendheid niets te noemen. Of: God is zo excellent dat hij niets is. De
redenering zou dan kunnen zijn: God is zo verheven dat hij met geen ander wezen
kan vergeleken worden. Dat geldt inzonderheid voor de mens, het voor de hand
liggende vergelijkingspunt. De God van het traditioneel christendom is een
persoonlijke God. Dat houdt onvermijdelijk een antropomorfisme in: God is een
soort mens, maar dan een supermens. Wij zijn sterfelijk, met alles wat daarbij
hoort; God is dat niet, met alles wat daar dan weer bij hoort. God heeft de
mens geschapen naar zijn beeld en gelijkenis wordt dan: de mens heeft God
geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. God is wat de mens is, maar dan in
overtreffende trap. God is een superlatieve mens.
Wanneer je elk van de kenmerken van de mens in superlatieven
toepast op God, ontken je daarmee meteen die kenmerken. De mens is een
tijdelijk verschijnsel, bij God is die tijd in beide richtingen oneindig; je
kan dus evengoed zeggen dat hij niet tijdelijk is. De mens kan het goede doen,
maar slaagt daar niet altijd in; God kan enkel het goede doen, hij is niet in
staat om het kwade te doen. De mens is beperkt in zijn praktische
mogelijkheden, God niet. En zo kan je doorgaan. Door iets uit te breiden tot
zijn oneindige dimensie, reduceer je het tot niets. Tijdelijk tijdloos;
eindig oneindig; beperkt onbeperkt enzovoort. Uiteindelijk is God helemaal
niet zoals de mens, hij is alles wat de mens niet kan zijn, omdat hij geen
enkele beperking kent. Hij munt in alles zo uit, dat hij niets meer is dat een
mens wel is. Hij is de totaal andere, hij heeft met de mens geen enkel kenmerk
gemeen, omdat hij elk aspect zo volmaakt belichaamt dat hij niet meer menselijk
is; over zo iemand kan je eigenlijk niets meer zeggen, hij is onvoorstelbaar.
Dat is precies wat Scotus Eriugena lijkt te zeggen in dit
citaat: God is zo excellent dat je ook gewoon kan zeggen dat hij niets is.
Verhoeven zegt het lapidair: God is zo volmaakt dat hij alles is, maar precies
daardoor is hij ook niets. Het klinkt bij hem als een Zen koan, een
raadselachtige, paradoxale uitspraak die de Zenmeester aan de leerling geeft om
hem of haar een gedachtesprong te doen maken: hoe klinkt het klappen van één
hand?
Godsdiensten houden van paradoxen. Ze proberen daarmee het
onnoemelijke te laten aanvoelen, inzichten te provoceren die men met gewone,
logische verklaringen niet kan teweegbrengen. Godsdiensten zitten vol mysteries
en mystiek. Op zijn best is dat zoals (goede) poëzie en filosofie en daar zijn
heerlijke voorbeelden van, zowel in het Oosten als in het Westen en ook in het
Zuiden. Maar op zijn dunst is het vage prietpraat, gewild duister gewauwel,
automatisch gegenereerde antithesen die geen draagvlak hebben, goedkope
woordenkramerij die nergens op slaat, een middel dat geen doel heeft en dus ook
geen resultaat.
Laten we dat eens proberen.
Zwart is wit. Warm is koud. Het begin is het einde. Leven is
sterven. Vandaag is morgen. Water is droog. Langzaam is snel. Duur is goedkoop.
Je ziet het systeem: zet gewoon twee tegengestelde woorden
of antoniemen naast elkaar en zie wat dat geeft. Meestal niets, maar soms kan
je er wat mee doen. Leven is sterven, dat heeft wel wat: leven is langzaam
doodgaan, inderdaad. Duur is goedkoop: ik kocht ooit een vrij dure vulpen, een
Montblanc Meisterstück 149. Ik heb die nog altijd; het is dus soms beter om wat
meer geld uit te geven voor één goed stuk dan een hele boel rommel te kopen. Langzaam
is snel: festinalente
Zo zie je maar, gewoon met een paar willekeurige paren kom
je ook al tot echte paradoxen, schijnbare tegenstellingen die een diepere kern
van waarheid blootleggen. Maar meestal hebben we niet zoveel geluk en zijn het
geen schijnbare tegenstellingen, dus geen paradoxen, maar gewoon
tegenstellingen; niet elke tegenstelling heeft een diepere grond.
Laten we terugkeren naar ons citaat. De mens heeft blijkbaar
behoefte aan God, anders hadden we hem niet zo vaak en overal uitgevonden. Het
ligt ook voor de hand om God als een persoon voor te stellen, iemand zoals wij,
die ingrijpt op zijn omgeving. Zo proberen we de gebeurtenissen te verklaren: het
regent is in het klassiek Grieks huei
Zeus, God watert. Maar precies daar zit de fout: er zit geen machinist in
het raderwerk en er is ook geen oppermachtige meester-ontwerper die het
raderwerk getekend en gemaakt heeft. Elke poging om de natuur te verklaren
vanuit een extern principe, zoals een transcendente scheppende en almachtige
God, is gedoemd om te mislukken, en wel om een heel simpele reden: wie heeft
die God dan gemaakt?
Er zijn altijd mensen geweest die doorhadden dat het veel
simpeler was dan dat: de natuur is geen aangestuurd systeem maar een zelfsturend
systeem. Alles gebeurt volgens natuurwetten, die wij met enige moeite kunnen
doorgronden, of toch enigszins. Er kan in principe van alles gebeuren, binnen
zekere grenzen, maar niet alles gebeurt ook in de praktijk. Er is geen
persoonlijke God die ervoor moet zorgen dat alles gebeurt en die daar de hand
in heeft.
Voor mensen die gewoon zijn om te denken in die termen laat
dat een enorme leegte achter. Die kan men dan opvullen door God te vervangen
door de zelfsturende Natuur. Het aantrekkelijke daaraan is dat het zon simpel
begrip is, maar wel een met enorme gevolgen. Het is echt een Ockhams Razor.
John Scot Eriugena ziet men als een vertegenwoordiger van de
negatieve theologie, de via negativa
om God te leren kennen, namelijk door ons te concentreren op alles wat hij niet
is. Men noemt dat ook de apofatische theologie. Onze theoloog zou gezegd
hebben: We do not know what God is. God Himself does not know what He is because He
is not anything. Literally God is not, because He transcends being.
Dat komt goed overeen met ons eerder citaat, helaas is het niet echt van onze
auteur, maar van een befaamd sciencefictionschrijver, Phillip K. Dick, in een
kortverhaal, getiteld Faith of our
Fathers, oorspronkelijk verschenen in de roemruchte bundel Dangerous Visions, ed. Harlan Ellis,
1967. Dick geeft zijn bron niet aan, en dat hoeft ook niet in SF. Ik vermoed
echter dat het teruggaat op het citaat van Eriugena dat mijn lezer me bezorgde.
Maar ook dat blijkt niet helemaal onverdacht te zijn: het
verschijnt in een minuscule voetnoot in het meesterwerk van William Jammes, The Varieties of Religious Experience
(1902), p. 417, waar hij het citaat toeschrijft aan Eriugena, maar via een
citaat in een eerder boek van Andrew Seth, Two
Lectures on Theism (1897), p. 55, waar het aan Eriugena toegeschreven wordt
zonder precieze verwijzing. Het duikt ook op in het ooit zo bekende boek van
Johan Huizinga uit 1919, die daar duidelijk James citeert.
Na lang zoeken vond ik op internet toch een citaat van
Eriugena zelf en dat loopt als volgt:
Lib.
III 19. Dum vero (divina bonitas) incomprehensibilis intelligitur,
per
excellentiam nihilum non immerito vocitatur. . . . Prima siquidem ipsius
progressio in primordiales causas in quibus fit, veluti informis quaedam
materia Scriptura dicitur ; materia quidem, quia initium est essentiae rerum;
informis vero quia informitati divinae sapientiae proxima est.(Het tweede deel van het citaat
laten we hier buiten beschouwing.)
Er zijn enkele verschillen. Vocitatur betekent: wordt gewoonlijk genoemd; dat verschilt
nauwelijks van vocatur: wordt
genoemd. Nihilum is iets anders dan nihil; het verschijnt meestal in vaste
uitdrukkingen, maar het betekent net zoals nihil
niets. Propter en per kunnen ook dezelfde betekenis
hebben; hier is het een uitdrukking: perexcellentiam, bij uitstek. Belangrijker
dat niet Deus (God) het onderwerp is,
maar divinabonitas: de goddelijke goedheid. De voorafgaande bijzin is
weggelaten.
Proberen we dat nu te vertalen, dan wordt dat: aangezien
de goddelijke goedheid als onvatbaar gezien wordt, is het niet zonder reden dat
men haar bij uitstek voor niets houdt.
Zoals alle andere eigenschappen van God is voor Eriugena ook
zijn goedheid niet te vatten, ze gaat ons verstand te boven, we kunnen er niets
zinvols over zeggen. Ze is dan zo goed als niets.
Dat wijkt nogal af van de vertaling van Verhoeven: God is
niets omdat hij alles is. Dat komt natuurlijk door het verschil in de Latijnse
tekst, maar het is ook een kwestie van interpretatie. Voor Verhoeven is het de
volmaaktheid van God (excellentiam)
die de bovenhand haalt: hij is alles. Als Eriugena vervolgens zegt dat die
niets is, dan heb je je paradox. Ik vertaal perexcellentiam zoals het Franse parexcellence,
bij uitstek en ik leg de nadruk op het ongrijpbare (incomprehensibilis), een woord dat men ook voor gladde worstelaars
gebruikt, maar dat ook onbegrijpelijk of onkenbaar kan betekenen. Zo blijkt
uit de volledige tekst van het citaat de via
negativa van Eriugena. Al onze auteurs hebben het essentiële incomprehensibilis nonchalant weggelaten
in hun slaafse navolging van Andrew Seth, in plaats van zijn citaat na te
trekken. Foei
Verhoeven zit veeleer op het spoor van Spinoza. Ook in Spinozas
filosofie is er geen sprake meer van een persoonlijke God, die vervangen wordt
door de Natuur, die alles is. Als de Natuur alles is, is er geen God die
daarbuiten bestaat. Er is dus geen aparte God, of: er is geen God, of nog: God
is niets. Maar Spinoza zegt voortdurend dat God alles is, namelijk de Natuur.
Hij herdefinieert God en vereenzelvigt hem met de Natuur, of al wat is. Spinoza
ontkende ten stelligste dat hij een atheïst was (zie Brief 43); zijn gelovige
tegenstanders hadden het unaniem anders begrepen: door God en de Natuur als
identiek voor te stellen, schaft Spinoza in feite God af (zie Brief 42).
Laten we het hierbij laten. We hebben nog maar eens gezien
dat het belangrijk is om altijd je bronnen na te trekken, anders bouw je op los
zand.
In een nagekomen bericht meldt mijn even vriendelijke als
aandachtige lezer me in dat verband dat het citaat van Verhoeven hier te vinden
is:
Rondom de leegte, Ambo,
Utrecht, 1° druk 1965, pag. 186 (Nr 276 van de autobibliografie) of
Rondom de leegte,
Damon-Best, 1998, werken "5", pag. 140 (Nr 3512 van de
autobibliografie).
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
22-08-2012
Getuigen van Jehova
Deze morgen was het gelukkig wat koeler. De tropische
temperaturen van de laatste dagen zijn niets voor mij, ik zie werkelijk af. Van
mijn goede voornemens om wat vaker te schrijven in mijn Kroniek is dan ook niet
veel in huis gekomen. Niet dat daartoe geen aanleiding was, in tegendeel. Maar de
weinige energie die niet door de hitte werd opgeslokt, verdween in enkele projecten
op langere termijn waarmee ik bezig ben voor Spinoza in Vlaanderen. Verbazend hoeveel tijd er daarin kruipt.
Maar ik klaag niet, het is werk dat ik erg graag doe en waarbij ik mijn
bescheiden talenten volop kan aanwenden, een echte uitdaging dus. Later
daarover meer.
De laatste tijd krijg ik het bezoek van een Getuige van
Jehova. Die kwamen vroeger ook al aan de deur en ik stuur ze nooit weg, ik maak
altijd een praatje met die mensen. Zij zijn immers met dezelfde onderwerpen
bezig als ik: de mens, de samenleving, godsdienst, wetenschap, geschiedenis, de
Schrift, het hiernamaals, goed en kwaad. Ik hoef je niet te vertellen dat we
het op haast alle punten grondig oneens zijn en ik laat dat ook niet onvermeld
in onze gesprekken. Aanvankelijk kreeg ik vooral beginnelingen te zien en te
horen, maar misschien omdat ik hen niet meteen wegstuurde zoals de meesten bij
wie ze aankloppen, kwam er onlangs een meer onderlegde Getuige opdagen. We
hebben enkele keren aan de deur gepraat, maar toen hij laatst weer aanbelde,
heb ik hem meegenomen voor een gesprek in de tuin.
D. is een bijzonder verstandig en goed ingelicht man. Hij
kent zijn zaken, maar hij weet ook heel veel van zijn tegenstanders. Hij is uiterst
vertrouwd met de moderne wetenschap en dat verbaasde me. Ik vroeg mij af hoe
het kwam dat iemand die zo intelligent is en zo onderlegd, zich toch kan vinden
in de klinkklare nonsens die de Getuigen aanhangen, op grond van de Schrift en
de letterlijke interpretatie die zij eraan geven. Ik heb die vraag ook
rechtstreeks aan hem gesteld, zij het onder iets of wat beleefder bewoordingen,
natuurlijk.
Hij liet zich niet uit zijn lood slaan, het is een ervaren Getuige
met een lange staat van dienst, een geboren debater,
die niet voor één gat te vangen is. Altijd heeft hij een uitleg klaar. Als hij
voelt dat een of ander argument niet aanslaat, schakelt hij naadloos over naar
een ander, zonder toe te geven dat hij ongelijk had natuurlijk. Dat maakt het
een beetje een dovemans gesprek, helaas. Ik geef niet toe en hij ook niet. We
tasten elkaars stellingen af, op zoek naar de zwakke punten.
Bij hem is dat de starre dogmatiek waarmee hij bepaalde geloofspunten
verdedigt die voor mij onaanvaardbaar en ook totaal onbelangrijk zijn. Zo
verdedigen de Getuigen dat God de moderne mens, homo sapiens, geschapen heeft uit het niets zoals hij is. Niet dat
ze de evolutieleer verwerpen, hoor, ze hebben ondertussen door dat die niet
meer te ontkennen valt. God heeft toegelaten dat vanuit een klein levensbegin,
waarvoor hij volledig verantwoordelijk is, allerlei experimenten ontstonden die
aanleiding gaven tot het ontstaan van allerlei wezens, zoals de voorlopers van homo sapiens. Maar na al die
proefnemingen heeft hij dan de mens geschapen zoals het in Genesis staat. Ook
de zondeval moeten we letterlijk nemen en dus ook de erfzonde en de verlossing
door Jezus van Nazareth. Maar die Jezus is niet te vereenzelvigen met God, nee,
er is maar één God. Jezus is de Zoon van God, door God geschapen.
Enfin, zo zijn er nog heel wat vreemde stellingen die ze
verdedigen. Ze doen maar, maar ik vind dat ze hun tijd verliezen. Ze houden
vast aan het verleden, aan de Bijbel en aan een dogmatiek uit voorbije eeuwen
die wel verschilt van de christelijke, maar niet noemenswaardig. Ze voeren een
verloren strijd. Maar ze doen dat op een vredelievende manier en dat siert hen.
Ik weet niet wat ik moet denken van hun organisatie. Zij
maken zich sterk dat ze heel wat mensen redden: radeloze, vertwijfelde en soms
ook aan lager wal geraakte mensen die plots een strohalm aangereikt krijgen en
die zich optrekken aan wat van hen gevraagd wordt in een vrij strakke
organisatie met vaste rituelen. Ik betwist dat niet. Ongetwijfeld is dat zo.
Maar die mensen komen van de regen in de drop, vind ik. Het kan toch niet
anders dan dat zij na enige tijd vragen beginnen te stellen over hun nieuw
gevonden en een beetje vreemd geloof? En dat ze dan opnieuw gaan twijfelen
Maar ik geef toe: je kan maar beter een voorbeeldige Getuige van Jehova (of een
ander soort van christen of gelovige) zijn dan bijvoorbeeld een dakloze drank-
of drugsverslaafde.
Laatst was ik niet thuis en D. liet een brochure en een
boekje achter in de brievenbus, met een mooi en vriendelijk kaartje erbij. Ik
heb de brochure helemaal gelezen en in het boekje ben ik al een eind over de
helft. Allebei zijn het merkwaardige documenten. Op basis van uitspraken van
bekende wetenschappers (onder wie ook Dawkins!), proberen zij het bestaan van
God te bewijzen. Het is het systeem van het Intelligent
Design. De schepping is zo ingewikkeld en zo precair, het universum zo
perfect in evenwicht dat het niet anders kan of er ligt een God aan de basis
van de orde in de wereld die de wetenschap zo verbluffend ontsluiert.
Ach, het is zo gemakkelijk om de logica van die redenering
om te keren: de mens is ontstaan in het universum zoals het is en heeft zich
over miljarden jaren ontwikkeld tot wat hij nu is, uitmuntend aangepast aan
zijn omgeving volgens het principe dat Darwin zo geniaal postuleerde, zonder er
de fysische oorsprong van te kennen, gewoon op basis van zijn waarnemingen en
zijn scherp verstand. Het is met andere woorden helemaal niet verbazingwekkend
dat de mens zo precies past in de niche die hij inneemt, het is integendeel
evident dat hij is zoals hij is, hij kan niet anders dan zo zijn, als het
anders had gekund, dan was hij ook anders geweest.
Die redenering heeft nog een bijkomend voordeel. Je hoeft er
geen God bij te verzinnen en dat is niet niks. Want stellen dat een ander Wezen
verantwoordelijk is voor alles wat er is en zoals het is, dat is veel gevraagd,
te veel zelfs. Waar komt dat wezen vandaan? Waar komt zijn macht en wijsheid
vandaan? Wat heeft het met de mens? Het is niet uit te leggen, het blijft een
mysterie. God als verklaring van alles is het probleem alleen maar verschuiven,
want dan moet je iets verklaren dat nog veel meer immens, enorm en mysterieus
is dan het universum, namelijk een God die dat allemaal heeft geschapen op een
of andere manier. Voor het universum zijn er door de wetenschap verklaringen gevonden
die de meeste mensen bevredigen. Voor God niet. God kan je niet verklaren, je
moet erin geloven. Tja.
Ik kijk uit naar het volgend bezoek van D., de intelligente,
vriendelijke Getuige van Jehova. Ik praat graag met hem. Maar ik vrees dat hij
het op een dag welletjes zal vinden, als hij inziet dat ik wel naar hem
luister, maar hem niet geloof. Soms verwijt ik mezelf dat ik zo op hem inpraat;
misschien breng ik hem wel aan het twijfelen? En wat zou er dan gebeuren? Zou
hij nog even gelukkig zijn, even rustig, bijna onverstoorbaar, zelfzeker en
Bijbelvast? Ik zou het mezelf nooit vergeven als ik zijn zekerheden zou stuk breken,
want al wat ik in de plaats te bieden heb, zijn voorlopige zekerheden, twijfels
en de erkenning van onze onwetendheid.
Spinoza zei het al: godsdienst heeft een rol te vervullen
voor het allergrootste deel van de mensheid. Slechts enkelen kunnen zonder God
of godsdienst verder. Ik heb altijd geweigerd om dat vandaag nog aan te nemen,
want Spinoza zegt ook dat elke mens in staat is tot rationeel denken, filosofen
zijn geen freaks van de natuur, iedereen kan doordenken op de belangrijke
kwesties. Misschien was het in 1650 anders, maar vandaag heeft vrijwel niemand
nog een excuus om niet na te denken maar te geloven zonder nadenken.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
22-07-2012
De goden. Cicero, De natura deorum
Sinds jaren stond De
natura deorum of De goden van Cicero op mijn verlanglijstje. Er is een
goede Nederlandse vertaling van Vincent Hunink, maar die is al jaren
uitverkocht. De auteur is zo vriendelijk geweest om de tekst integraal en gratis op het
web aan te bieden, samen met nog een hele reeks andere vertalingen van zijn
hand, een ware goudmijn voor de liefhebber.
Maar een langere tekst op scherm lezen vraagt enige
inspanning, zeker in pdf-formaat. Met het Kindle-formaat op pc heb ik minder
moeite. Toen ik dus op een keer bij de Slegte of zo een tweedehands exemplaar
van De goden vond, heb ik het me meteen aangeschaft. Maar ook dat was nu al
weer een hele tijd geleden. Gisteren heb ik me er dan in vastgebeten.
Het was een heel bijzondere ervaring. Het eerste boek lees
je in één ruk uit. Het is zo modern als Dawkins! Het tweede boek viel wat
tegen, het derde is dan weer veel interessanter. De zeer uiteenlopende
benaderingen van het fenomeen godsdienst in één boek roepen ernstige vragen op
over de authenticiteit van de klassieke werken en van dit werk van Cicero in
het bijzonder. In zijn inleiding wijst de vertaler daar ook zelf op, zonder daar
echter consequenties aan te verbinden. Mij komt het voor dat er hier ten minste
twee verschillende auteurs aan het werk geweest zijn: een zeer modern aandoende
kritische, ja atheïstische filosoof enerzijds en voor het meest uitvoerige tweede
deel anderzijds een simplistische verdediger van de traditionele
Grieks-Romeinse godsdienst en mythologie. Het derde deel is kritisch, niet
zozeer filosofisch maar geconcentreerd op de interne tegenspraken en de
frivoliteit van de folkloristische mythologie en het bijgeloof. Door
belangrijke lacunes in de manuscripten hebben wij een onvolledig en zeer vertekend
beeld van hoe de oorspronkelijke tekst er moet uitgezien hebben.
Om een idee te hebben van de uitzonderlijke kwaliteit van
dit werk van Cicero neem ik u graag mee op een tochtje door het eerste boek. De
citaten zijn genomen uit de Hunink-vertaling, met dank aan de auteur.
De vraag waar alles om draait,
is of ze niets doen, niet handelen en geheel vrij zijn van de zorg en het
bestuur van de wereld, of dat alles juist vanaf het begin door hen is gemaakt
en ingericht en tot in de eeuwigheid geleid en bewogen wordt. Vooral hierover
bestaat grote onenigheid. Maar als dit niet wordt uitgemaakt, zullen de mensen
onvermijdelijk in grote onzekerheid verkeren en onwetend blijven van de allerbelangrijkste
zaken.
Beter kan men het niet formuleren. Daarover gaat het
inderdaad, ook vandaag nog. Wat heeft het voor zin om het bestaan van een God
aan te nemen, indien men over die God niets kan zeggen? Een God die niet
ingrijpt in de wereld, die geen enkele concrete rol speelt in het leven van de
gelovige, kan er net zo goed niet zijn. Dat is ook mijn ervaring met mensen die
beweren gelovig te zijn: als ik enkele minuten met hen praat, blijkt dat ze
hooguit geloven dat er toch ergens iets is, maar daar blijft het bij. Meteen
stelt Cicero hier het probleem van wat wij vandaag intelligent Design noemen:
de wereld is geen chaos, er is een ordening; waar komt die vandaan? Hebben we goden
of een God nodig om die te verklaren?
(#3) Er zijn (en waren) filosofen
die verkondigen dat de goden zich absoluut niet bekommeren om het menselijk
reilen en zeilen. Maar als hun opvatting juist is, hoe zou er dan nog vroomheid
kunnen bestaan, of godsvrucht of godsdienst? Want al die dingen kunnen alleen
eerlijk en oprecht bewezen worden aan de goddelijke machten als die ze ook
opmerken, en als de onsterfelijke goden ook diensten bewijzen aan de mensheid.
Als de goden ons echter niet kunnen en willen helpen, zich helemaal niet om ons
bekommeren en niet eens opmerken wat wij doen, en als zij geen enkele invloed
kunnen hebben op het leven van de mensen, waarom zouden we de onsterfelijke
goden dan nog vereren, verheerlijken of aanbidden? In uiterlijke vorm en valse
schijn kan vroomheid niet bestaan, net zomin als de andere deugden. En met vroomheid
verdwijnen ook godsvrucht en godsdienst, en op hun verdwijning volgt ontwrichting
en grote chaos in het leven. (#4) Ik ben zelfs bang dat als vroomheid jegens de
goden verdwenen is, ook trouw, broederschap van mensen en de voortreffelijkste van
alle deugden, rechtvaardigheid, zullen verdwijnen.
Hier wordt de agnosticus voor de keuze geplaatst. Wie
gelooft in een God, maar hem reduceert tot een vaag iets, dat geen enkele
invloed heeft op het ontstaan en de geschiedenis van de wereld, heeft geen
enkele reden om godsdienstig te zijn. Dat is de grote reden voor de secularisering
van onze maatschappij. Als alleen overtuigde atheïsten zouden wegblijven uit de
kerken, dan zaten die nog zo vol als zestig jaar geleden. De realiteit is dat
men niet meer gelooft aan een God die de wereld heeft geschapen, maar de
wetenschappelijke verklaringen volgt; dat men niet meer gelooft dat die God
ingrijpt of zelfs kan ingrijpen in deze wereld en dat het dus geen zin heeft om
tot hem te bidden om hem te paaien of gunstig te stemmen; dat men ook niet
gelooft dat er een hiernamaals is waarin God de goeden zal belonen en de
slechten straffen en dat er dus geen enkele reden is om te luisteren naar godsdienstige
leiders en priesters die het tegendeel beweren. Wie derhalve in de praktijk
doet alsof er geen God is, is geen agnosticus, maar een atheïst, ook als hij of
zij weigert om dat in te zien of te aanvaarden.
De grote ontwrichting van de maatschappij waarop Cicero, of
zijn personage, alludeert aan het einde van deze paragraaf, is er, ondanks
eeuwenlange dreigende voorspellingen en donderpreken door de priesterkaste, slaafse
theologen en christelijke filosofen, niet gekomen, in tegendeel. Onze
maatschappij is op alle punten beschaafder, minder gewelddadig, rechtvaardiger,
menslievender en vooral ook rijker geworden, ook zonder God, godsdienst en
priesters.
Maar er zijn ook andere
filosofen, en wel grote en vooraanstaande, die verkondigen dat heel de wereld
wordt bestuurd en geleid door een goddelijke geest en rede. En dat niet alleen:
diezelfde goden zouden ook zorg dragen en voorzienig zijn voor het menselijk
leven. Want graan en andere veldvruchten, maar ook het klimaat, de seizoenen en
het weer, waardoor alles wat de aarde voortbrengt op de juiste tijd rijp wordt,
zijn volgens hen aan de mensheid geschonken door de onsterfelijke goden.
Deze filosofen hebben veel
dingen geïnventariseerd (verderop in dit boek meer hierover) die door de
onsterfelijke goden bijna ontworpen lijken voor menselijk gebruik.
Dit is de andere opvatting, die veel aandacht krijgt in het
tweede boek: alles lijkt zo op mensenmaat gemaakt, dat het niet anders kan dan
dat iemand dat zo georganiseerd heeft. Zo zal de spreker in het tweede boek
stellen dat er geen andere reden is voor de wol van een schaap dan dat ze kan
gebruikt worden om er wol van te maken voor de mens. Ook ten tijde van Cicero
en zelfs eeuwen daarvoor beseften verstandige mensen hoe belachelijk dit wel
niet is. Het is de wereld op zijn kop zetten, natuurlijk. De mens is geëvolueerd
tot wat hij is in een voortdurende aanpassing aan zijn omgeving en van zijn
omgeving aan zijn eigen noden. Stellen dat God de zon om de aarde doet draaien
opdat wij overdag voldoende licht en warmte zouden hebben om te leven en s
nachts niet zouden gestoord worden door het licht in onze slaap, zodat we
kunnen uitrusten en niet de hele tijd moeten wakker blijven en werken, is een
idee die slechts bij de meest primitieve fundamentalistische sekten nog hier en
daar opduikt. Wie de natuur bekijkt en bestudeert, komt onvermijdelijk tot de
conclusie dat de natuur eigen wetten heeft en dat die niet specifiek gericht
zijn op het welzijn van de mens, noch op zijn ondergang. Er is geen God of
kracht die voor de mens zorgt, individueel of collectief.
(#5) Er is geen onderwerp
waarover zowel ongeschoolden als geschoolden zozeer van mening verschillen. De
opvattingen zijn zo talrijk en onderling zo verschillend dat het goed mogelijk
is dat er geen enkele van waar is, en tegelijk onmogelijk dat er meer dan één
van waar is.
Ook dit is nog steeds een argument tegen de bestaande
godsdiensten en de ontelbare sekten, ook binnen het christendom: ze spreken
elkaar tegen op de essentiële punten, zoals het belonen van wie goed doet en
het bestraffen van het kwaad, het hiernamaals en het eeuwig leven, en niet
zomaar op louter liturgische punten, zoals op welke dag de rustdag moet vallen,
of en wanneer men moet vasten, en of vrouwen een hoofddoek moeten dragen of
besneden worden. Een (humane!) oppervlakkige verscheidenheid zou nog aanvaard
kunnen worden, hoewel dat vandaag ook al voor heel wat heibel zorgt en dikwijls
de enige bron van ergernis en conflicten is. Maar dat de grote godsdiensten
zowel als de kleine sekten elkaar op de grondslagen van hun geloof tegenspreken
kan allen tot de conclusie leiden: ze kunnen niet allemaal gelijk hebben.
Zij zelf zijn daar ook van overtuigd, nu en vroeger. Dat
betekent dat elke godsdienst en elke godsdienstwaanzinnige denkt dat hij de
enige is die gelijk heeft en dat al de andere moeten bekeerd en/of uitgeroeid
worden. De geschiedenis van de godsdiensten levert ons een schrijnend beeld van
een mensheid die verscheurd is door moorddadige bekeringsdrang. Er zijn meer
mensen gedood in godsdiensttwisten dan in welk ander conflict dan ook.
(#9) Een tweede stimulans om
me hiermee bezig te houden was mijn psychische toestand. Door een groot en
ingrijpend verlies had ik een zware klap gekregen.* Als ik hiervoor een
sterkere verlichting had kunnen vinden, had ik niet hiertoe mijn toevlucht
genomen. En ik kon er geen groter voordeel uit putten dan wanneer ik me niet
alleen zou wijden aan het lezen van boeken maar ook aan het integraal behandelen
van de filosofie. Al haar aspecten en al haar onderdelen leert men juist dan
het gemakkelijkst kennen wanneer complete vraagstukken schrijvenderwijze worden
uitgezocht. Er is namelijk een wonderlijke koppeling en aaneenschakeling tussen
alle themas: het een hangt samen met het ander, en alles blijkt met alles verbonden
en verstrengeld.
Ciceros dochter Tullia was gestorven in -45 en haar dood
had hem sterk aangegrepen. Heel wat mensen, toen en nu, stellen zich vragen
over leven en dood en de zin van het leven, over God en over wat men ons vroeger
geleerd heeft, wanneer er zich ingrijpende gebeurtenissen voordoen in ons
leven. Dat was ook voor mij zo. Zoals bij talloze anderen kwam er rond mijn
vijftigste een totaal onverwachte en drastische wijziging in mijn professioneel
leven; daarop volgde een echtscheiding en een nieuwe relatie; dan kreeg het
nieuw samengesteld gezin de zelfdoding te verwerken van de zoon van mijn
partner. Vervolgens ging mijn partner op pensioen en enkele jaren later ook ik.
Dan ga je wel nadenken. En net zoals Cicero ben ik ook gaan lezen, veel meer
dan vroeger en geen romans of ontspanningsliteratuur, maar ernstige werken. Ik
wou eindelijk eens weten wat godsdienst is en of er een God is; hoe de wereld
ontstaan is en hoe de mens er gekomen is; wat de beste manier is om samen te
leven; of er zoiets als liefde is; waarom we leven De antwoorden vind je niet
door naar je navel te staren of in te treden in een contemplatieve orde. Als er
ergens antwoorden te vinden zijn, dan bij de grote denkers die de mensheid
heeft gekend en die met dezelfde problemen geconfronteerd, geprobeerd hebben om
voor zichzelf en voor anderen antwoorden te bedenken.
En ja, het hangt allemaal aan elkaar. Een godsdienst die
onverenigbaar is met de wetenschap is onvolmaakt en wellicht vals. Een levensleer
die niet steunt op maatschappelijke inzichten en op betrouwbare psychologische ideeën,
draagt grote risicos in zich. Een wetenschap die haaks staat op het gezond
verstand is waardeloos. We moeten het beste uit alles integreren in een
leefbaar geheel.
(#10) Wie echter wil weten wat
ik zelf over elk afzonderlijk onderwerp denk, is overdreven nieuwsgierig. Men
moet bij discussies immers niet zozeer afgaan op iemands persoonlijk gezag als
op het gewicht van argumenten. Vaak vormt het gezag van leraren zelfs een
hinderpaal voor mensen die iets van hen willen leren. Die gebruiken dan
namelijk niet meer hun eigen oordeel, maar nemen dat voor waar aan wat
duidelijk de goedkeuring wegdraagt van degene in wie ze hun vertrouwen stellen.
Ik kan daarom ook niet goedkeuren wat altijd verteld wordt over de volgelingen
van Pythagoras. Als zij in een discussie iets beweerden en daarop de vraag
kregen waarom dat dan zo was, antwoordden zij (zo wil de traditie) hij heeft
het zelf gezegd, waarbij hij dan Pythagoras was. Zoveel vermocht zijn a
priori vaststaand oordeel dat zijn gezag ook zonder argumenten gold.
Een wijze levensles. Geloof niet alles wat men je vertelt of
wat je leest, al klinkt het nog zo verleidelijk. Toets het een aan het ander,
vergelijk, verifieer, zoek bevestiging, laat ook de tegenpartij aan het woord
en vooral: sapere aude, durf zelf na
te denken. Dat is niet gemakkelijk. Ondanks mijn tegenstribbelen ben ik in mijn
jeugd zoals velen van mijn leeftijd zwaar geïndoctrineerd, thuis, op school, in
de jeugdweging, in de kerk, de mutualiteit, de media enzovoort. Het is niet
simpel om altijd opnieuw de vraag te stellen: maar is dat wel zo? Waarom? En
dan het onaanvaardbare domme antwoord te krijgen: ja, het is zo, omdat ik het
zeg! Indoctrinatie is een sluipend gif, waarvan men zich niet eens bewust is,
noch wanneer men het ondergaat, noch wanneer men het doet.
Ik ben er zeker van dat ik nooit meer alles kan afleren dat me
is wijsgemaakt. Ik kan mijn leven niet opnieuw beginnen, ik moet leven met mijn
verleden. Van de meeste invloeden weet ik niet eens dat ze er zijn, tenzij ik
geconfronteerd wordt met uitdagingen die vragen doen oprijzen over opvattingen
die ik blijkbaar heb, zonder te weten waarom. Jezelf eindeloos in vraag stellen
is een ongezonde bezigheid. En toch begint de weg naar wijsheid met de
verwondering.
Daarna volgt een lange opsomming van filosofen uit de
oudheid, met telkens een korte omschrijving van het opvattingen. Daarop komt
van een van de deelnemers aan de dialoog deze opmerking:
(#57) Toen zei Cotta,
vriendelijk als altijd: Nu Velleius, als jij niets had gezegd, had je van mij
in elk geval niets te horen gekregen. Gewoonlijk kom ik er namelijk niet zo makkelijk
op waarom iets waar is, als waarom iets onwaar is. Dat gebeurt me vaak, en zo
ook daarnet weer toen ik naar jou luisterde. Vraag je me naar mijn opinie over
het wezen der Goden, dan heb ik daarop misschien geen antwoord; maar vraag je
me of ik denk dat de Goden zo zijn als jij hebt uiteengezet, dan zeg ik dat
niets mij minder waar lijkt. Maar voordat ik nader inga op de punten uit je
betoog, wil ik graag zeggen hoe ik over jou persoonlijk denk.
Dat is inderdaad zo. Mijn eerste reacties op de onbeholpen godsdienstlessen
die in de lagere school kreeg van slecht opgeleide onderwijzers en
zelfingenomen priesters was: dat kan toch niet! Wat al onzin! Dat klopt niet!
Ze spreken zichzelf tegen! Wat zitten wij hier te doen, op onze knieën? En
vooral: ze doen zelf niet wat ze zeggen en ons opleggen Ons gezond verstand wijst
ons vaak feilloos op dwaasheid en leugens. Het komt er alleen op aan om daaruit
dan ook de conclusies te trekken die zich opdringen. Als wat men ons vertelt
niet waar is, waarom zegt men het dan? Wat zit erachter? Wie heeft er baat bij?
Wat is dan de ware toedracht?
De eerste vraag in een
onderzoek naar het wezen der Goden is of ze al dan niet bestaan. "Dat is
moeilijk te ontkennen." Ja, als de vraag in een openbare vergadering zou
worden gesteld, maar in een gesprek en gezelschap als dit is het heel gemakkelijk!
Welnu, zelf ben ik hogepriester en vind ik dat de openbare erediensten en
godsdienstige plechtigheden met het grootste respect gehandhaafd dienen te worden.
Toch zou ik ook het liefste willen dat het eerste punt, het bestaan van de Goden,
voor mij niet slechts een kwestie van persoonlijke overtuiging was, maar dat het
ook op waarheid berustte. Helaas is er veel dat een mens op dit punt in
verwarring brengt, zodat het soms lijkt of er helemaal geen Goden bestaan.
Ook vandaag vinden we nog mensen die geboren en getogen zijn
in een godsdienst en die daar lijdzaam mee doorgaan zonder zich veel vragen te
stellen over de grond van de zaak. Voor mij is dat niet voldoende. Ik wil aan
rituelen wel deelnemen, maar enkel indien er een goede grond voor is en indien
ze niet strijdig zijn met het gezond verstand. Ik erger me mateloos aan de
onzin die je in de kerk te horen krijgt bij begrafenissen, ik kan het niet
aanhoren! Het is niet waar wat men zegt. En door het ene te zeggen, verzwijgt
men het andere. Wat men debiteert, biedt geen troost en verhindert meteen dat
men woorden zou spreken die wel degelijk kunnen troosten, omdat ze aansluiten
bij onze levenservaring, en niet resulteren uit mensonwaardige verzinsels.
Het feit dat mensen van alle
volkeren en typen geloven aan Goden, was volgens jou voldoende reden om hun
bestaan te erkennen. Maar dat is op zichzelf nogal gauw geconcludeerd en
bovendien onwaar. Ten eerste, hoe zijn jou de opvattingen van alle mensen ter
wereld bekend? Volgens mij zijn veel volkeren zo woest en barbaars dat ze geen
flauw besef van Goden hebben. (#63) En hebben Diagoras, bijgenaamd de Goddeloze,
en later Theodorus niet openlijk het bestaan van Goden bestreden? En dan was er
Protagoras van Abdera, van wie je daarnet gewag maakte. Deze man, destijds de
grootste sofist, had in het begin van zijn boek geschreven: Over de Goden kan
ik niet zeggen hoe ze bestaan of niet bestaan. Daarom werd hij op bevel van de
Atheners uit de stad en het land verbannen, en werden zijn boeken in het
openbaar verbrand. Ik neem aan dat de meeste mensen hierdoor niet meer zo gauw
deze mening zullen uiten, want zelfs twijfel aan de Goden bleek zijn straf niet
te kunnen ontlopen.
Hier vinden we een duidelijk bewijs dat er tweeduizend jaar
geleden ook al mensen waren die twijfelden aan het bestaan van een god of goden
en zelfs gewoon stelden dat die er niet waren. Het argument dat men eeuwenlang
heeft aangehaald: men gelooft altijd en overal in God, het zijn slechts boosaardige
en verdorven enkelingen die er niet in geloven, houdt geen steek. Als we het op
de keper beschouwen, gelooft bijna niemand in God en zij die erin geloven,
geloven allemaal iets anders. En toch is het ook vandaag nog zo dat iemand die
openlijk atheïst is, uit de gemeenschap verbannen wordt en ja, er worden ook
vandaag nog boeken verbrand.
(#71) Hetzelfde doet hij dus
bij de vraag naar het wezen der Goden. Het idee van een samenbinding van
ondeelbare materiedeeltjes wil hij hier vermijden, om te voorkomen dat er
ondergang en uiteenvallen uit volgt. Dus zegt hij dat de Goden geen lichaam
hebben maar iets lichaamachtigs, en geen bloed maar iets bloedachtigs. Het is
misschien al vreemd als twee waarzeggers elkaar in de ogen kunnen zien zonder
in lachen uit te barsten, maar het is nog vreemder dat jullie je lachen kunnen
houden wanneer je onder elkaar bent. "Het is geen lichaam maar iets
lichaamachtigs." Dat zou ik me nog kunnen voorstellen bij afbeeldingen in
was of klei, maar wat bij een God iets lichaamachtigs of bloedachtigs is, gaat
mijn begrip te boven. Ook jouw begrip, Velleius, alleen wil je dat niet
toegeven.
Dat we ons God niet als mens mogen voorstellen, daarvan zijn
zelfs de meeste christenen overtuigd. Zogezegd, want als je met hen praat,
blijkt hun God gewoon een mens te zijn, met menselijke gedachten, emoties,
verlangens enzovoort. Het blijkt onmogelijk om een godsbeeld te hebben dat niet
menselijk is, want hoe verder men gaat in de abstractie, hoe minder er
overschiet van God, tot men het heeft over de gans andere, de onkenbare. En hoe
men daarover moet spreken, dat is een mysterie. Een God die is, maar over wie
we verder niets kunnen zeggen, is zo goed als een God die er niet is.
Lieve lezers, ik houd het hierbij. Ik hoop dat ik jullie
hiermee een goed idee heb gegeven van de verfrissende aanpak van Cicero in zijn
discussie over de goden, of God. Misschien dat dit jullie aanzet om de hele
tekst te lezen. Bedenk dan echter dat er ook heel wat bladzijden in staan die
gewijd zijn aan aspecten van rituelen, bijgeloof, mythologie en folklore die
wij nu niet meer kunnen smaken. Je kan die geamuseerd lezen, en bedenken dat we
nu gelukkig toch dat stadium voorbij zijn; of je kan ze overslaan.
Ik althans vond dit een boeiende ervaring. Wanneer ik deze
ideeën terugvind bij een verstandig man als Cicero, nog voor het ontstaan van
het christendom, dan voel ik me gesterkt in mijn opvattingen. Alleen vraag ik
me wel af waarom wij op school van Cicero zoveel oninteressant pompeus geleuter
hebben gelezen en niet deze heerlijke passages!
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
18-03-2012
Schijnheilig? Niet echt...
V
olgens
vrij recent onderzoek
gelooft het grootste gedeelte van de bevolking nog in God. De cijfers
verschillen van land tot land, maar in Europa gelooft ongeveer 50% in God, 25%
gelooft in een soort van geest of levenskracht. In Turkije gelooft 95% in God
en 2% in de tweede mogelijkheid, in Estland is dat 16% God en 54% voor de geest
of levenskracht. Dat zijn de extremen. In België noemt tot 75% zich nog
katholiek, maar de jongste cijfers voor de zondagsmis liggen rond vijf (!)
procent.
Het is over
dit laatste verschijnsel dat ik het even wou hebben. Wat betekent het dat men
zich katholiek noemt, als men niet meer naar de mis gaat? Kardinaal Danneels verklaarde
destijds: Als je niet naar de mis gaat, kan je wel een goed mens zijn, maar
geen goede katholiek. Zijn opvolger als primaat van België zal het met die
uitspraak slechts voor 50% eens zijn: hij is er zelfs van overtuigd dat je geen
goed mens kan zijn als je niet naar de kerk gaat. In Rome denkt men er net zo
over.
Al die
mensen die, wanneer ze ernaar gevraagd worden, toch nog zeggen dat ze katholiek
zijn, hebben daar ongetwijfeld hun redenen voor. Men is gedoopt, gevormd, is in
de kerk getrouwd en wenst daar ook begraven te worden; de kinderen zijn ook
gedoopt en gevormd, gingen naar christelijke scholen en jeugdbewegingen en zijn
vaak ook kerkelijk getrouwd. Men behoort tot de katholieke zuil, niet tot de
liberale of socialistische, niet tot de vrijzinnigheid, dus is men katholiek, faute de mieux, bij gebrek aan beter,
omdat men niet iets anders is. Dat men niet echt overtuigd is, blijkt uit het
feit dat men massaal niet meer kerkelijk is.
Wat betekent
het dan nog als men zegt dat men in God gelooft? Als 75% katholiek is, en
slechts 50% gelooft in God, dan gelooft een op drie van de katholieken niet in
God, mooi is dat! Als je aan katholieken vragen stelt over hun geloof, krijg je
gegarandeerd geen antwoord, of vage uitspraken over christelijke waarden, die
identiek blijken te zijn met alle andere menselijke waarden. Niemand weet ook
maar iets over de christelijke leer, geen mens is erin geïnteresseerd. Er is
geen band meer met de lokale of de wereldkerk, men erkent het priesterlijk of
pauselijk gezag niet. Het geloof in het hiernamaals, de kern van het
christendom, is nog nauwelijks aanwezig. Een meerderheid zegt er niet in te
geloven en wie zegt er nog wel in te geloven, doet dat op een uiterst vage
manier, zodat dit geloof geen enkele invloed heeft op de keuzes die men maakt
in dit leven, wat nochtans zijn enige functie is: denk aan uw vier uitersten en
gij zult in eeuwigheid niet zondigen.
In de
Verenigde Staten zegt 82% te geloven in God. Maar ook daar mag je niet verder
vragen en als je dat doet, krijg je de meest vreemde resultaten: 76% gelooft ook
in mirakels, 72% in engelen, 60% in de duivel God bevindt zich in slecht
gezelschap.
God en
godsdienst kan dus van alles betekenen, globaal gezien, zeker als we ook buiten
West-Europa kijken. Mensen geloven allerlei zaken en ze geloven dat op een
eigen manier, meestal zeer vaag, zonder erover na te denken en zonder dat het
veel invloed heeft op hun leven. Dat is zelfs zo voor heel wat zogenaamde
overtuigde gelovigen, die zich strikt houden aan de uiterlijke kerkelijke
voorschriften. Meestal is dat het enige wat men doet: de uiterlijke geplogenheden
onderhouden, en verder doet men gewoon zijn zin. Die traditionele gebruiken
zijn overigens nauwelijks religieus te noemen, het zijn typische algemene culturele
kenmerken, zoals klederdracht, taal en ook huidskleur verschillen.
Ik was van
plan om deze tekst als titel te geven: schijnheilig! De vermeende heiligheid van
de gelovige is inderdaad grotendeels schijn, een regionaal verschillend uiterst
dun laagje religieus vernis dat men aantreft bovenop algemeen menselijke
kenmerken. Godsdienst is bij lange niet zo belangrijk als de godsdiensten zelf willen
doen geloven. De statistieken geven zelfs in hun ontluisterende duidelijkheid
een sterk overdreven beeld van de reële relevantie van godsdienst voor de mens.
De vragen
die men stelt zijn veel te algemeen. Geloof je in God, ja of neen. Mag je ook
zeggen: ik weet het niet? Of: welke God? Wat bedoel je met God? Mag je aangeven
dat je twijfelt, soms, vaak, meestal, altijd? Mag je erbij zeggen dat je uitgesproken
niet kerkelijk bent en het helemaal oneens bent met wat de kerken over God
zeggen?
God is een
zo vaag begrip dat het zinloos is om er in algemene termen over te spreken.
Mijn eigen ervaring is dat er geen twee mensen zijn die in dezelfde God
geloven, of die op dezelfde manier in een bepaalde God geloven. Veel mensen die
volhouden dat ze in iets geloven, geloven helemaal niet in iets wat men gewoonlijk
God noemt. God is een term, een begrip, een woord dat geen specifieke lading meer
dekt, als het dat ooit al gedaan heeft. Dat is ook zo voor de meeste termen uit
de godsdienst: geloof, ziel, hiernamaals, genade, deugd, zonde, vergeving,
boete, verlossing, verrijzenis, eeuwig leven, openbaring, geest, onfeilbaar
gezag Het intellectuele en bijgelovige kaartenhuisje dat het christendom met
zoveel inzet en vernuft heeft opgebouwd, is onder zijn eigen gebrek aan gewicht
bezweken, het is weggewaaid bij de eerste vertwijfelde zucht van de bewuste
mens.
Zijn al de
mensen die zich in Vlaanderen katholiek noemen dan schijnheilig?
Laten we
genereus zijn: natuurlijk niet. Schijnheilig ben je als je je bewust heiliger
voordoet dan je bent. Er zijn maar heel weinig katholieken die ik daarvan wil
verdenken en zelfs die veroordeel ik niet, het zijn meestal zeer eenvoudige
mensen die niet beter weten, onschuldige slachtoffers van cynische priesters.
Katholiek zijn in Vlaanderen is een zeer breed begrip, anders zou je nooit aan
75% ja-stemmen geraken. Uiteindelijk betekent het alleen dat men bevestigt dat
men opgegroeid is in katholiek Vlaanderen en dat men daarvan niet helemaal
afstand heeft genomen.
Alsof men
dat ooit zou kunnen! Ikzelf beweer stellig dat ik dat wel gedaan heb, maar ik
besef elke dag, elk uur dat me dat nooit helemaal zal lukken, wat ik ook doe.
Ik draag mijn verleden en dat van mijn volk met mij mee, hoezeer ik ook steiger
en vloek.
Wie zich
vandaag niet katholiek noemen, zijn gewoon mensen die niet katholiek opgevoed
zijn, een kleine maar snel groeiende minderheid.
Het traditionele,
kerkelijke, gezagsgetrouwe katholicisme in Vlaanderen is op sterven na dood,
laat ons eerlijk wezen, er is geen toekomst voor. Zelfs de mensen die met de
geloofsopvoeding belast zijn, weten dat dit een onmogelijke taak is en nemen hun
toevlucht tot het aanreiken van algemeen menselijke waarden. Het inhoudelijk verschil
tussen een handboek niet-confessionele zedenleer en een handboek katholieke
godsdienst is nihil.
Het zou
verkeerd zijn om daarin een grote ommekeer te zien. Er is inhoudelijk zo goed
als niets veranderd tegenover vijftig jaar geleden, toen de kerken op zondag
nog vol zaten. Zoals we ons vandaag niet mogen laten van de wijs brengen door
statistieken die het geloof in God nog steeds prominent aanwezig vinden, moeten
we ook de kerkelijkheid van onze jeugd met een grote schep zout nemen. Het
volstaat dat we daarvoor een klein gewetensonderzoek doen en ons de vraag
stellen: wat geloofden wij toen? Wat wisten wij toen van ons geloof? Wat
betekende ons geloof toen voor ons?
Juist.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
06-03-2012
Pensées Philosophiques 1-12, Denis Diderot
Filosofische gedachten
Denis Diderot
Wie zal dit lezen? (Persius, Satiren I)
Ik schrijf over God. Ik reken op niet te veel lezers en hoop
op slechts weinig goedkeuring. Indien deze gedachten niemand bevallen, dan kan
het niet anders dan dat ze niet deugen. Maar indien ze iedereen zouden
bevallen, dan beschouw ik ze als verwerpelijk.
I
Men peroreert onophoudelijk tegen de emoties. Men schrijft
hen al de menselijke smarten toe, maar men vergeet dat ze ook de bron zijn van
al ons genot. In onze constitutie is het een element waarover we niet genoeg
goeds kunnen zeggen, noch genoeg kwaad. Maar wat me kregelig maakt, is dat men
ze alleen maar van de slechte kant bekijkt. Het lijkt wel alsof het een
belediging van de rede is, wanneer men ook maar een goed woord zou over hebben
voor haar rivalen. Nochtans zijn het alleen maar de emoties, de hevige passies,
die onze ziel kunnen opwekken tot grootse dingen. Zonder passies is niets nog
subliem, in de zeden noch in wat wij creëren. De schone kunsten staan dan weer
in hun kinderschoenen en deugdzaamheid wordt pietluttig.
II
Sobere emoties maken doordeweekse mensen. Wanneer de
toekomst van mijn vaderland in gevaar is en ik wacht de vijand af, dan ben ik
maar een ordinaire burger. Mijn vriendschap is niet minder dan bedenkelijk,
indien het gevaar dat mijn vriend bedreigt mij alleen oog laat hebben voor mijn
eigen problemen. Ik houd kennelijk meer van mijn eigen leven dan van mijn
hartsvriendin, wanneer ik maar een minnaar ben als alle andere.
III
Vermolmde emoties takelen buitengewone mensen af. Dwang
vernietigt de grootsheid en de energie van de natuur. Bekijk die boom daar: aan
de weelde van zijn takken heb je de koelte en de reikwijdte van zijn schaduw te
danken. Je blijft ervan genieten tot de winter hem van zijn kruin komt beroven.
Er zijn geen uitblinkers meer in de poëzie, in de schilderkunst, in de muziek,
wanneer het bijgeloof zijn aftakelingswerk heeft gedaan op het temperament.
IV
Dan moet het wel heerlijk zijn om krachtige emoties te
hebben, zal men opmerken. Jawel, ongetwijfeld, als ze allen op dezelfde
golflengte zitten. Wanneer de juiste harmonie onder hen heerst, dan zal men er
geen hinder van ondervinden. Als de hoop een tegengewicht vindt in de vrees, de
eerzucht in de liefde voor het leven zelf, de neiging naar genot in het belang
dat men hecht aan zijn gezondheid, dan zijn er geen libertijnen, geen roekeloze
en ook geen lafhartige mensen.
V
Het is wel het toppunt van dwaasheid om te proberen zijn
passies de kop in te drukken. Het is me wat fraais wanneer een gelovige
zichzelf kwelt als een geobsedeerde om toch maar niets te verlangen, niets te
beminnen, niets te voelen en uiteindelijk een echt monster wordt indien hij of
zij daarin zou slagen!
VI
Is het mogelijk dat wat ik waardeer in de ene mens het
voorwerp van mijn minachting zou uitmaken in een andere? Ongetwijfeld niet. Wat
waar is moet de regel zijn voor mijn oordeel, los van alle wispelturigheid. En
ik zal de ene niet als een misdaad aanrekenen wat ik in de andere bewonder als
een goede eigenschap. Zou ik dan geloven dat het voorbehouden is aan slechts
enkelen om voorbeeldig te leven, zoals zowel de natuur als de religie zonder
onderscheid aan eenieder opleggen? Nog veel minder! Want vanwaar zouden zij dat
exclusieve voorrecht vandaan halen? Als Sint Pachomius er goed aan gedaan heeft
om te breken met de mensheid en zich te begraven in de eenzaamheid, dan staat het
me vrij om hem na te volgen. Door zijn voorbeeld te volgen, ben ik net zo
deugdzaam als hij en ik kan me niet voorstellen waarom honderd anderen niet
hetzelfde recht zouden hebben als ik. Het zou nochtans nogal wat zijn als de
bewoners van een hele landstreek, uit angst voor de gevaren van de samenleving,
de bossen zouden in vluchten en er zouden gaan leven als de wilde dieren voor
hun zielenheil; duizend zuilen opgericht op de ruines van alle sociale
gevoelens, een nieuw geslacht van stylieten die zich uit godsdienstigheid elk
natuurlijk sentiment ontzeggen, ophouden mens te zijn en standbeelden te spelen
om echte christenen te zijn.
VII
Al die stemmen! Die kreten! Dat geweeklaag! Wie heeft al die
klagende kadavers opgesloten in gevangenissen? Wat voor misdaden hebben al die
ongelukkigen begaan? Sommigen slaan zich met keien op de borst, anderen rijten
hun lichaam open met ijzeren nagels; uit de ogen van allen straalt spijt, pijn
en de dood. Wie heeft hen veroordeeld tot deze martelingen? De God die ze beledigd hebben Wat voor
God is dat dan wel? Een oneindig goede
God Hoe kan een oneindig goede God genoegen scheppen in een bad van
tranen? Zijn die verschrikkingen niet veeleer een belediging van zijn
mededogen? Zouden zelfs criminelen nog meer doen om de woede van een tiran te
bedaren?
VIII
Er zijn mensen van wie we niet moeten zeggen dat ze leven in
de vreze Gods, maar dat ze schrik hebben van hem.
IX
Op grond van het portret dat men mij schetst van het
Opperwezen, van zijn neiging tot woede, van de ernst van zijn wraaknemingen; op
basis van bepaalde verhoudingen die ons in cijfers de verhouding aangeven tussen
hen die hij in het verderf stort en hen die hij zich verwaardigt de hand te reiken,
op grond van dit alles zou zelfs de meest rechtgeaarde ziel geneigd zijn te
wensen dat hij niet bestond. We zouden in deze wereld heel wat geruster zijn
indien we er zeker konden van zijn dat we niets te vrezen hebben in de andere.
De gedachte dat er geen God is, heeft nog nooit iemand vrees aangejaagd, maar
wel de gedachte dat er wel een is, een zoals men mij die afschildert.
X
We moeten ons God niet al te goedaardig voorstellen, noch
kwaadaardig. Rechtvaardigheid houdt het midden tussen overdreven
vergevingsgezindheid en wreedheid, net zoals de opgelegde straffen liggen
tussen de straffeloosheid en de eeuwige verdoemenis.
XI
Ik weet wel dat de duistere ideeën van het bijgeloof in het
algemeen meer beaamd worden dan nageleefd. Er zijn gelovigen die niet van
oordeel zijn dat men zichzelf wreed moet haten om God te beminnen of moet wanhopen
om godsdienstig te zijn. Hun devotie is goedlachs, hun wijsheid is heel
menselijk. Waar komt dat verschil in aanvoelen toch vandaan tussen de mensen
die aan de voet van hetzelfde altaar neerknielen? Zou ook de vroomheid onderhevig
zijn aan de wetten van dat verdomde temperament? Helaas, we kunnen dat niet
ontkennen. Zijn invloed is maar al te duidelijk in een en dezelfde gelovige. Naargelang
van zijn aanvoelen ziet hij een wraakgierige of een meedogende God, de hel of
de wijd open hemel; hij siddert van vrees of brandt van liefde. Het is een
koorts die warme en koude toevallen kent.
XII
Ja, ik blijf erbij: bijgeloof is een grovere belediging van
God dan het atheïsme. Plutarchus zegt: ik zou veel liever hebben dat men zou
denken dat er nooit een Plutarchus geweest is dan dat men zou denken dat Plutarchus
onrechtvaardig is, kolerig, onstandvastig, jaloers, wraakzuchtig, kortom zo,
dat hij zelf kwaad zou zijn indien hij zo was.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
18-02-2012
Openbaring zonder God?
M
en zal mij niet kunnen verwijten dat ik niet nagedacht heb over God en het (christelijk)
geloof, dat ik mij niet geïnformeerd heb, dat ik het bestaan van God en de
waarde van het geloof en de kerk zou verwerpen zonder te weten waarover ik
spreek. Ik ben ook altijd bereid om andere meningen te beluisteren en ze
ernstig te nemen wanneer ze zelf ook ernstig zijn.
Het overkomt
me voortdurend dat ik me afvraag of een of ander aspect van het Godsgeloof toch
niet een reële waarde zou kunnen inhouden, wanneer men het grondig bekijkt en
andere interpretaties overweegt dan de voor de hand liggende, traditionele of
letterlijke betekenis. Spinoza heeft dat ook gedaan: hij spreekt voortdurend
over God en verzet zich heftig tegen de beschuldiging van atheïsme. Dat heeft
helaas geen enkele kerkelijke instantie verhinderd om van zijn naam een synoniem
te maken van atheïsme, ongeloof, blasfemie en al wat ingaat tegen God en Kerk.
Is Spinozisme
en atheïsme dan misschien niets anders dan Godsgeloof onder een andere naam? Ik
denk vaak dat het inderdaad zo is. Als we theologische concepten zoals God en
openbaring goed verstaan, dan zijn er ten hoogste nog nuanceverschillen, zo al niet
identiteit, tussen atheïsme en Godsgeloof. Dat liet Spinoza toe om letterlijk te
stellen: Deus sive Natura, waarbij
hij kernachtig duidelijk maakte dat voor hem God en de Natuur een en hetzelfde
zijn.
Laten we dat
even toepassen op de openbaring. Letterlijk en zoals het ons is voorgehouden
door de kerk, betekent het dat God zich aan de mensheid openbaart. Dat gebeurt
op verscheidene manieren. Hij heeft zich op een bijzondere wijze gemanifesteerd
aan zijn uitverkoren volk, Israël. Vervolgens heeft hij zijn eigen Zoon mens
laten worden en zo als het ware zelf tot de mensheid gesproken. De volgelingen
van Christus hebben dan een kerk gesticht om zijn werk voort te zetten en Gods Geest
staat hen bij in hun verkondigingswerk.
Als we dat
op een naïeve, kinderlijke en dus zeer antropomorfe manier bekijken, hebben we ergens
in de wolken een God die boodschappen en boodschappers stuurt naar de mensen
hier op aarde: profeten, engelen, zijn Zoon, zelf ook God in eenheid met de
Vader, apostels en evangelisten, kerkgeleerden en onfeilbare kerkvorsten die
rechtstreeks door Hem Zelf geïnspireerd worden. Zij zijn slechts de spreekbuis
van God, wat zij vertellen en neerschrijven hebben zij niet uit zichzelf, zij
zijn vol van de Geest van God, God houdt de hand vast van de evangelisten in
een soort van écriture automatique.
De kerk wordt op wonderbaarlijke wijze geleid door God zelf, in die mate dat
het opperste gezag van de kerk, de paus, een gewone mens, door het opnemen van
zijn functie zonder meer onfeilbaar wordt, precies omdat hij door Gods Geest
aangestuurd wordt en dus niet meer zijn eigen mening verkondigt, maar het Woord
van God.
Het lijkt
gemakkelijk, en dat is het ook, om bij zoveel fantasie gewoon de schouders op
te halen en te zeggen: nee, zo is het niet. Er is helemaal geen God, er is geen
enkele reden om aan te nemen dat er zo een God zou zijn, het is allemaal
verzonnen, het is totaal ongeloofwaardig.
Maar we
kunnen die traditionele voorstelling ook anders bekijken. We kunnen dieper
graven dan die kinderlijke voorstelling en ons afvragen of daaronder geen
diepere waarheid schuilgaat. Ongetwijfeld hebben vele gelovigen zo geredeneerd.
Kerkleiders, begeesterde gelovige denkers en verstandige theologen en filosofen
hebben altijd geprobeerd om aan die fundamentele gelovige houding een diepere
inhoud te geven, met wisselend succes, binnen en buiten de kerk.
Wanneer we echter
vertrekken van een atheïstische opvatting, dan zeggen we dat er geen God is die
zich aan de mens openbaart. Wat is het gevolg voor wat men de openbaring noemt?
Al de vermeende boodschappen van God verdwijnen daarmee niet in het niets. Het
Oude Testament blijft bestaan, de geschiedenis van Gods volk wordt de
geschiedenis van Israël, opgetekend door mensen. Christus wordt een charismatische
mens, de evangelisten en Paulus ook, en Hieronymus, Augustinus, Thomas Aquinas,
Erasmus, Luther, Calvijn enzovoort. Ook de leer van de kerk, opgesteld door
theologen en kerkvorsten, wordt een neerslag van wat verstandige en
geëngageerde mensen in de loop van de eeuwen hebben gedacht. Gods openbaring
wordt mensenwerk dat we niet zomaar moeten verwerpen, wanneer we op een goede
dag stellen dat er geen God is die erachter zit.
Het is een
beetje een Copernicaanse omkering: de openbaring is er wel degelijk, maar ze
komt niet van God, ze is niets anders dan het inzicht dat de mensheid zelf heeft
verworven, haar eigen wijsheid en ervaring. Meteen verdwijnen dan al de
moeilijkheden die veel verstandige mensen hebben met het kinderlijk Godsbeeld.
God is niets anders dan de menselijke beschaving die zich realiseert. Hegel en
Schopenhauer en zelfs Nietzsche hebben dit aangevoeld en uitgesproken. Het is ook
de basisgedachte van Spinoza: God is de Natuur, de Wereld, het Al. Dus geen
wonderbaarlijke toestanden, geen goddelijke inspiratie, geen heilige boeken, geen
onfeilbaarheid, geen starre onderdanigheid aan traditie en gezag. We kunnen weer
de hele omvangrijke en diverse christelijke literatuur gaan lezen en daaruit
waardevolle inzichten putten.
Er zijn
evenwel enkele moeilijkheden met een dergelijke benadering, dus wacht nog even
voor je enthousiast naar je Bijbel, Koran of hymnenbundel grijpt, of de
verzamelde werken van Bossuet, Sint Jan van het Kruis of Hildegard von Bingen.
Vooreerst is
de kerk het niet eens met deze interpretatie: indien ik dit zou neergeschreven
hebben in vroegere tijden, dan was ik op de brandstapel beland en ook nu
riskeer ik nog altijd excommunicatie voor dergelijke uitspraken. God is
helemaal geen fictie, geen manier van spreken, geen metafoor. De kerk verwerpt
die opvatting formeel en met alle kracht. Ze heeft dat altijd gedaan en doet
dat nog steeds onverminderd. Dit is Spinozisme en dat staat voor de kerk gelijk
met atheïsme en godloochening en het misleiden van de gelovigen. Er is voor
deze opvatting geen plaats binnen de gemeenschap der christenen. Het is
verboden om zo te denken, het is een afschuwelijke dwaling, een ketterij.
Dat is een.
Maar goed, stel dat je daarbij de schouders ophaalt en zegt: wat dan nog, de
kerk kan me gestolen worden, ik behoor toch niet tot dat instituut, ik wil mijn
eigen interpretatie geven aan het christelijk erfgoed, ook als dat het
kerkelijk gezag niet zint.
Lieve lezer,
ook dan kan ik je geen tuin vol rozen beloven. Neem om het even welk joods of christelijk
document en probeer het te lezen met je nieuw verworven inzicht in wat de
openbaring echt is: de ontplooiing van het menselijk denken. Je staat dan voor
een quasi ondoordringbare mist van begrippen, uitdrukkingen, concepten, dogmas
en leerstellingen, mystieke ontboezemingen, filosofische en theologische
haarklieverijen en klinkklare nonsens die het zo goed als onmogelijk maken om
ook maar enigszins de menselijke waarden te onderkennen die achter deze geschriften
schuilgaan.
Ik heb hier
in mijn Kroniek al herhaaldelijk Bijbelse teksten geanalyseerd, uit het Oude
Testament en het Nieuwe, niet vergezochte en esoterische, maar de meest
bekende: het Onze Vader en het Weesgegroet; de Tien Geboden en de Vijf geboden;
het Credo en het Gloria; het kerstverhaal en de passie; het offer van Isaac en
nog veel meer. Telkens bleek het zelfs met de beste wil van de wereld niet
doenbaar om ook maar een zweem van menselijke waarden te ontdekken, zeker niet
voor deze tijd. Het probleem met de christelijke literatuur is dat ze zich
vastgepind heeft op de kinderlijke manier om over God te denken. Men heeft zich
louter bezig gehouden met het verzinnen van een uitleg voor dingen die niet uit
te leggen zijn, zoals het bestaan van God, zijn Zoon en zijn Moeder, zijn
Geest, engelen en duivelen, hemel en hel, zonde en vergiffenis, dood en
verrijzenis, het eeuwig leven
De zeldzame personen
die ooit op een andere manier over deze dingen hebben durven spreken, hebben
het meestal niet overleefd, hun geschriften zijn met hen verbrand. Ze zijn
verketterd en doodgezwegen. Er is in het Westen enkel een verborgen traditie
van dit alternatief denken, die ook vandaag nog maar schuchter in de
openbaarheid treedt. De macht van het kerkelijk gezag is nog steeds
aanzienlijk, de stem van de oppositie komt nog maar nauwelijks aan bod.
Een
alternatieve lezing van de christelijke literatuur is niet iets dat je geredelijk
kan aanpakken: je zal grotendeels zelf het werk moeten doen. En dan zal je
vaststellen dat het nauwelijks de moeite loont. De aanzienlijke inspanningen
die je je moet getroosten, zullen je niet alleen uitgeput maar ook zwaar
teleurgesteld achterlaten: is het maar dat? Is dat die fameuze onderliggende christelijke
boodschap? Want het komt neer op slechts dit: behandel je medemens zoals je zou
willen dat je zelf behandeld wordt, of: bemin uw naaste zoals uzelf. God
beminnen is niets anders dan u gedragen als een eerlijk en rechtvaardig mens.
Al de rest is bijzaak, ballast, folklore, bijgeloof of, erger nog: onzin.
Het is een
ontnuchterende gedachte. De christelijke levensbeschouwing en haar Joodse
voorgeschiedenis samengevat in één simpele gedachte en dan vaststellen dat men
zich vierduizend jaar heeft bezig gehouden met die te verpakken in een gedrocht
van een ideologie en een godsdienst, waarover men dan met een aan waanzin
grenzend fanatisme onder elkaar en met de heidenen ten strijde is getrokken,
in weerwil van de onderliggende boodschap. Je tegenstanders uitroeien in naam
van de naastenliefde, mooi is dat.
Het is zo
jammer. We verliezen onze tijd met twisten over bijzaken en vergeten dat we
slechts eventjes hier zijn en dan weer niet meer. We zouden beter de korte tijd
die we hebben, gebruiken om gelukkig te zijn en anderen gelukkig te maken.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
30-11-2011
Het nut van vrome leugens: Schopenhauer
Onlangs was
ik in de Leuvense stedelijke bibliotheek Tweebronnen de rekken die aan
filosofie gewijd zijn aan het afspeuren op zoek naar twee werken die daar volgens
de catalogus te vinden moesten zijn, maar die om een of andere duistere reden
ontbraken. Daarbij viel mijn oog op een titel die me meteen aansprak: Het nut
van vrome leugens. Over godsdienst. Het bleek de vertaling te zijn van drie essays
van Arthur Schopenhauer door Hans Driessen.
Over de metafysische behoefte van de
mens is een
hoofdstuk uit het voornaamste werk van Schopenhauer, De wereld als wil en voorstelling. Het lijkt oneerlijk om het te
beoordelen los van de context van dit zeer uitvoerige werk, maar het heeft me ondanks
een zeer markante aanval op alle vormen van godsdienst toch een beetje teleurgesteld.
Schopenhauer wijst, net zoals Kant, elke bovennatuurlijke verklaring van de
werkelijkheid af, maar zoals Kant ziet hij wel een plaats voor de filosofie en
zelfs voor een metafysica, een leer dus die zich bezighoudt met een
werkelijkheid die achter de zichtbare wereld ligt en die bepalend is voor hoe
deze wereld aan ons verschijnt, hoe hij in zijn werk gaat en wat de zin en
bedoeling ervan is.
Het is
echter precies op dit punt dat dit hoofdstuk op zichzelf volkomen tekortschiet.
Schopenhauer slaagt er niet in om ook maar een aanzet te geven van hoe we deze
metafysica en deze achterliggende wereld moeten verstaan. De wereld die we zien
is maar schijn, het is de wereld zoals de mens die ziet. Onze aandacht moet
echter niet gaan naar hoe die wereld verschijnt, maar wat er verschijnt, wat
zich aandient door het verschijnende heen. Wat dat kan zijn, daar hebben we eigenlijk
het raden naar. Hij verwijst ons naar de rest van zijn boek, maar voor de lezer
van dit essay is dat weinig relevant. Het gaat er bij Schopenhauer om dat de
mens in staat is om met behulp van zijn zelfbewustzijn door te dringen tot de
kern der dingen. Hij stelt dat metafysica niet transcendent kan zijn, maar
immanent, omdat ze onlosmakelijk verbonden is met de waarneming van de dingen.
Maar als dat zo is, dan is het geen metafysica meer, want die houdt zich precies
bezig met datgene wat de waarneembare realiteit overstijgt.
De cirkelredenering
die Schopenhauer aan Kant toeschrijft, blijkt ook uit zijn eigen vasthouden aan
een denkwijze die de Westerse filosofie kenmerkt sinds haar ontstaan en waaraan
ook vandaag nog slechts met grote huiver wordt geraakt. Het Westers denken is
metafysisch, het zoekt naar bovennatuurlijke verklaringen voor de werkelijkheid.
Die zijn er evenwel niet, geen enkele filosoof heeft ze ooit gevonden, de Westerse
metafysica is een onverstaanbaar verhaal van elkaar op alle punten
tegensprekende denkers, een warrig verhaal dat zich afspeelt in het
luchtledige, op vele lichtjaren verwijderd van elke realiteit. De metafysica is
inderdaad het zoeken naar een zwarte kat in een donkere kamer, terwijl er
helemaal geen kat is (de theologie vindt ze desondanks).
Dat
Schopenhauer vasthoudt aan deze zinloze zoektocht is des te merkwaardiger wanneer
we nader ingaan op de opvattingen van deze filosoof over zijn collegas en over
godsdienst in het algemeen en het christendom in het bijzonder. Telkens weer
blijkt immers dat hij elke bovennatuurlijkheid fundamenteel verwerpt.
Godsdienst is voor hem niets anders dan ten hoogste een allegorie, een
verhaaltje ten behoeve van de 90% van de mensheid die niet in staat is om
zelfstandig te denken, omdat ze het te druk hebben met te werken en af te zien.
Dat is de kern van het tweede essay Over
godsdienst, dat genomen is uit de Parerga
et paralipomena, een verzameling van essays en opstellen allerhande. Het
neemt de traditionele vorm aan van een dialoog tussen de vriend van de
waarheid en de man van het volk, gevolgd door enkele algemene beschouwingen
over godsdienstige onderwerpen. Men vindt er veel van de argumenten in die ook
vandaag nog aangehaald worden in verband met godsdienst, à charge et à decharge.
Het derde
essay is niet meer dan wat zijn titel zegt: Enkele
woorden over het pantheïsme en het is het lezen niet waard. Ik maak me
sterk dat wat ik hier zelf schreef over atheïsme, agnosticisme en pantheïsme
meer verhelderend is dan wat deze grote filosoof hier aan het papier heeft
toevertrouwd. Pantheïsme is een contradictio in terminis, het is Een onmogelijk
woord: als God (theos) gelijk staat
met alles (pan), dan is het God niet
meer, want dat begrip is eenduidig verbonden met een persoonlijke, almachtige
en transcendente schepper en in standhouder van de wereld, Iemand die buiten de
wereld staat. Wanneer men het geheel der dingen voor God houdt, dan spreekt men
ook niet meer van een godsdienst, maar van een eerbiedige en ontzagvolle
houding tegenover het bestaan, waarvan men zelf deel uitmaakt. Dat is geen -theïsme,
er is geen God mee gemoeid. In die zin is ook Schopenhauers hautaine afwijzing
van Spinoza en van alle naturalisme en materialisme erg bedenkelijk: zijn eigen
opvattingen staan immers veel dichter bij deze strekkingen dan bij de Westerse
metafysische traditie.
Wat me in
deze drie essays het meest deed grommen, zijn de blatante en onbeschaamde antisemitische
uitspraken van een man van het intellectueel kaliber van een Schopenhauer. Hij
heeft het herhaaldelijk over jodenstank en laat geen gelegenheid onverlet om
het Joodse volk en de Joodse religie te beschimpen. Het is geen excuus dat hij zich
daarin niet onderscheidt van zijn voorgangers, tijdgenoten en volgelingen. Een
echte intellectueel houdt zich ver van dergelijke vuilbekkerij.
Arthur
Schopenhauer, Het nut van vrome leugens.
Over godsdienst, vertaald door Hans Driessen, Wereldbibliotheek Adam,
2007, 144 blz., paperback, nieuw 12.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
08-11-2011
van god los
Een
organisatie zoals het christendom of zelfs de katholieke kerk zou fantastisch
zijn, indien ze niet over God ging, maar over de mens. Ik wou inderdaad dat er
een wereldwijde gemeenschap was van mensen die eensgezind maar zonder dwang zouden
samenwerken in liefde voor elkaar en voor de natuur, maar dan zonder de
traditionele christelijke personele God, die men vereert, aanbidt, aanroept
enzovoort, die de schepper is van alles en die alles in de hand houdt, die het
goed voor heeft met elk van ons en met de mensheid als geheel. Een dergelijke bevrijde
gemeenschap heeft ook geen behoefte aan een onfeilbaar geachte leider, noch aan
een kerk met centrale en nationale kerkvorsten die uit zijn op wereldse macht
en bezit. Wel kunnen plaatselijke gemeenschappen desgewenst iemand uitnodigen om
hen dienstbaar bij te staan in hun vieringen van vreugde en smart.
Elk
antropomorfisme bij het beschrijven van God is uit den boze. De mens denkt niet
automatisch in antropomorfe termen over God, dat is de schuld van de priesters,
de uitvinders van de godsdienst, die een personele almachtige God nodig hebben
om hun eigen wereldse macht te vestigen en in stand te houden. Wanneer we dan God
beschrijven zonder personele kenmerken, los van elke openbaring, wars van elke
kerk, komen we automatisch bij het pantheïsme terecht, een vorm van religieus
en spiritueel en liturgisch atheïsme, of een godsdienst zonder God.
Wanneer men mensen
vraagt of ze in God geloven, krijgt men vaak het antwoord: misschien, maar ik
geloof wel dat er iets is dat de mens overstijgt, dat er iets anders is dan
alleen maar de mens.
Natuurlijk
is er iets dat de mens overstijgt, er is zelfs heel wat dat ruimer is dan de
mens: de mensen, de mensheid, de geschiedenis van het mensdom; onze cultuur,
de beschaving; het leven op aarde, het universum. Vanzelfsprekend zijn er
krachten in de natuur die de mens overschrijden, zoals de zwaartekracht en alle
andere krachten die we al kennen en die we nog kunnen ontdekken. Zeker, er is
een dynamiek in de natuur, er zijn er zelfs veel, waarvan sommige de mens raken
en andere helemaal niet. En ook in onze menselijke verhoudingen zijn er
mechanismen en wetmatigheden die wij stilaan ontwaren.
Wanneer men
dus stelt dat er iets is dat de mens overschrijdt, dan is dat een enorm
understatement.
Maar van al
wat de mens overschrijdt is er niets dat men kan identificeren als een soort
mens met superlatieve kenmerken, zoals almachtig, alwetend, oneindig goed, de
schepper van hemel en aarde, kortom de traditionele kenmerken van God.
De
verleiding is blijkbaar nochtans groot om de ontwikkeling van de gedachten van
de mensheid en de evolutie van onze beschaving te zien als een zinvol proces,
teleologisch van aard, dus met een einddoel en daartoe geleid door een of
andere immanente of transcendente kracht. Dat is echter Intelligent Design
toegepast op de filosofie en dus even grote onzin.
Net zoals de
fysische wereld, inclusief het leven zelf zich ontplooid heeft volgens de eigen
wetmatigheid en het toeval, is ook de menselijke beschaving het product van eigen
wetmatigheden en van het toeval. Maar terwijl natuurwetten een grotere rol
spelen in de ontwikkeling van de fysische wereld dan het toeval, is het
omgekeerde waar voor de beschaving. Mensen zijn individueel zo verschillend en
zo onberekenbaar complex dat het samenspel van de mensheid meer weg heeft van
chaos dan van enig systeem. Waar men de meeste natuurverschijnselen vrij tot
uiterst accuraat kan voorspellen, zijn voorspellingen betreffende de mens of de
mensheid quasi onmogelijk. Waar men met de materie op een uiterst
gecontroleerde manier kan omgaan, is elke manipulatie van mensen onderhevig aan
onberekenbare risicos.
Alle
pogingen om in de evolutie van de beschaving een drijvende kracht of een
uiteindelijk doel te onderscheiden, zijn gedoemd om te mislukken. Men kan misschien
wel tijdelijke trends vaststellen of bepaalde aspecten blootleggen, maar een algemeen
systematisch en onfeilbaar patroon is er niet, net zoals er geen kracht of
entiteit is die daarvoor verantwoordelijk zou zijn.
De wereld is
veel eenvoudiger te verklaren dan gelijk welke godsdienst ons wil doen geloven.
Maar tegelijkertijd is hij oneindig veel ingewikkelder dan om het even welke
godsdienst kan bevroeden.
De
wetenschap heeft sinds lang elk godsbeeld achter zich gelaten bij het verklaren
van al wat is en in haar spectaculaire impact op de wereld. Het wordt hoog tijd
dat wij ook in de verdere ontwikkeling van onze samenleving de laatste nutteloze
overblijfselen van alle nefaste godsdiensten opruimen en de wereld welgemoed en
enthousiast tegemoet treden, bewust van onze eigen waarde, mogelijkheden en
beperkingen, in volle respect voor onze medemens en voor de natuur.
Categorie:God of geen god? Tags:levensbeschouwing
25-09-2011
Godsdienst verklaard, Pascal Boyer
Pascal Boyer, Religionexplained. The human instincts that fashion
gods, spirits and ancestors, William Heinnemann (sic)-London, 2001, x + 430 pp.,
notes, bibliography, index; soft cover. Je kan deze uitgave tweedehands kopen voor minder dan vier
euro. Er is een Amerikaanse uitgave bij Basic Books met een andere ondertitel: The evolutionary foundations of religious
belief, gebonden 31 en als paperback 13 maar in beide vormen
tweedehands en zelfs nieuw te vinden bij Amazon voor ongeveer de helft van de
prijs. Er is een Nederlandse vertaling: Godsdienst verklaard: de oorsprong van
ons godsdienstig denken, De Bezige Bij, 2002, 462 pp., paperback, 14 x 22 cm, tweedehands
te koop, onder meer bij Bol.com en In t Profijtelijk
Boeksken, ongeveer 14.
Pascal Boyer
is als cognitief antropoloog verbonden aan de Washington University, St. Louis.
Hij is karig met informatie over zijn geboortedatum en (Franse) afkomst, als je
meer over zijn carrière en publicaties wil weten kan je terecht op zijn homepage. Er
zijn Wikipedia-bijdragen over hem in het Engels en het Nederlands.
Van bij de
eerste bladzijden al wist ik dat dit boek als het ware voor mij geschreven was.
Ik ben immers al sinds mijn prilste jeugd op zoek naar een verklaring voor het
verschijnsel godsdienst, omdat de hele bedoening zo totaal en evident ongeloofwaardig,
vergezocht, irrationeel, nutteloos en zelfs schadelijk lijkt als men er even
bij stilstaat. Hoe is het mogelijk, heb ik niet opgehouden mij af te vragen tot
op de dag van vandaag, dat verstandige mensen zich met dergelijke onzin bezig
houden? Hoe is het mogelijk dat men in deze tijd maar niet minder in vroegere
tijden een dergelijk liturgisch circus blijft opvoeren en bijwonen? Waarom (b)lijken
mensen die je voor het overige niets kan wijsmaken zo klakkeloos de klinkklare
nonsens te geloven die de christelijke maar ook andere geloofsvormen hen
voorhouden?
Er zijn al
heel veel auteurs geweest, sinds de oudheid maar vooral sinds ongeveer 1650 en
dan ononderbroken tot aan de explosie van de laatste jaren, die zich daarover
druk gemaakt hebben en die aangetoond hebben hoe dwaas allerlei aspecten van
godsdiensten zijn en hoe nefast voor de maatschappij. Het roemruchte boek van de
vermaarde professor Richard Dawkins, The
God Delusion, waarvan de titel zwak vertaald is als God als misvatting, is
daarvan een heerlijk en onmisbaar voorbeeld. Zolang er nog godsdienst is,
zullen er dergelijke boeken (moeten) blijven verschijnen. Maar daarmee is het
verschijnsel godsdienst nog niet verklaard: waarom inderdaad is er ooit
godsdienst ontstaan, waar komt die vreemde godsidee vandaan, hoe komt het dat bijvoorbeeld
het christendom gedurende tweeduizend jaar de hele Westerse wereld en grote
gebieden daarbuiten heeft overheerst en zo ingrijpend onze cultuur heeft
getekend?
Men kan dat
proberen te verklaren vanuit het christendom zelf, wijzend op de rol die het
gespeeld heeft voor mens en maatschappij. Maar dat legt nog altijd niet uit hoe
het begonnen is, hoe het kon beginnen, noch hoe het zo onwaarschijnlijk lang
heeft standgehouden. Dat te verklaren is wat professor Boyer zich hier tot doel
stelt. Hij doet dat als antropoloog, dat wil zeggen dat hij zich richt op het menselijk
en maatschappelijk sociaal verschijnsel godsdienst, bij primitieve stammen
overal ter wereld maar ook in de grote wereldgodsdiensten. Hij vraagt zich
daarbij niet af of de God of de goden of de engelen, duivels, heiligen, de geesten
van voorouders of mythische stamvaders, de heksen en wat er nog allemaal bedacht
en verzonnen is in godsdiensten in werkelijkheid ook bestaan, of er een
metafysische werkelijkheid is of niet. Hij bestudeert het merkwaardige universele
verschijnsel godsdienst in zijn vele vormen en probeert de aanwezigheid ervan
te verklaren.
Hij is een cognitief
antropoloog en dat vraagt misschien toch een woordje uitleg, omdat dit
onderscheid wel degelijk belang heeft voor zijn onderzoek. Cognitief is
afgeleid van het Latijnse werkwoord cognoscere,
kennen. Je herkent er het Griekse gnosis
in, kennis. De cognitieve wetenschap is de vrij recente interdisciplinaire
studie van de menselijke kennis in al haar aspecten. Wat is kennis, wat doet
ze, hoe werkt ze? Hoe wordt kennis verwerkt en waar? Hoe verhoudt zij zich tot het
gedrag van mens en dier? Is zoiets als artificiële intelligentie (AI) mogelijk?
Kan een computer weten? Zowel de psychologie als de neurologie, filosofie,
antropologie, linguïstiek, sociologie, pedagogie en nog enkele andere domeinen
van de wetenschap houden zich daarmee de laatste vijftig jaar zeer intensief
bezig.
Het zal
daarbij duidelijk zijn dat al deze disciplines een grote belangstelling aan de
dag leggen voor de evolutie van het menselijk (en dierlijk) brein. Vanaf het
ogenblik dat men eindelijk afstapte van de waanidee (the God delusion) dat God de mens geschapen heeft zoals hij nu is
en inzag dat het veeleer gaat om een zeer lange evolutie van het biologisch
leven op aarde, waarbij de mens (slechts) een van de vormen is die het leven
heeft aangenomen, een laat en uiterst gecompliceerd wezen, dat zich vooral
onderscheidt door de vorm en de relatieve omvang van zijn hersenen en door het
gebruik dat dit wezen ervan maakt; vanaf dat ogenblik, zeg ik, is het evident
dat dit brein zich ontwikkeld heeft in een specifieke context en dat het
daarvan ook de duidelijke sporen zal dragen. Zoals ook de rest van ons lichaam
geëvolueerd is tot de zeer specifieke vorm die het vandaag heeft, zo ook onze
hersenen, ons brein.
Vandaar dat
men cognitief heel vaak in een adem vermeld vindt met evolutionair en dat
is ook het geval bij Pascal Boyer. Hij behoort tot of leunt aan bij de belangrijke
groep van evolutionaire psychologen waarvan ook Steven Pinker, E.O. Wilson,
Jerome Barkow, Leda Cosmides, Sarah Blaffer Hrdy, Matt Ridley, John Tooby, Robert
Trivers, D.S. Wilson behoren, om slechts enkele van de meest bekende te noemen.
Hij zal dus bij het zoeken naar verklaringen voor het menselijk gedrag en meer
bepaald het religieus aspect daarvan, vooral aandacht hebben voor de evolutie
van dat gedrag en het situeren in de algemene ontwikkeling van het menselijk
verstand vanaf de vroegste stadia, toen de mens zich stilaan ging onderscheiden
van de andere humanoïde diersoorten en zich organiseerde in
samenlevingsmodellen.
Al die
geleerde uitleg zou je haast doen vermoeden dat dit een onleesbaar ingewikkeld,
moeilijk en saai boek is geworden. Lieve lezers: niets is minder waar! Pascal Boyer
schrijft een heerlijk, bijwijlen sappig Engels (hij heeft ook lang in Cambridge
gewerkt) en hij heeft dit boek helemaal niet geschreven voor specialisten, al
zullen die er ook zeker hun voordeel mee doen, maar voor mij en voor jou,
geïnteresseerde leken met een ruime belangstelling. Bovendien slaagt hij erin
om van het begin tot het einde een opgewekte, meeslepende taal en stijl te
hanteren en zijn betoog te verluchten met talloze sprekende voorbeelden uit zijn
antropologisch onderzoek in Afrika, Azië en Zuid-Amerika, maar ook uit onze
contreien. Hij doet dat vaak op een ietwat ingehouden geamuseerd-luchtige
manier, tongue in cheek Britse humor
gecombineerd met Franse esprit en ontwapenende
Amerikaanse ironie. Ik heb herhaaldelijk zitten schateren en kon het niet laten
om Lut dan mee te laten genieten van nog maar eens een schitterende beschrijving
of een hilarisch understatement of speels innuendo. Dit is genieten! Ik hoop
dat de Nederlandse vertaling die typische intonatie heeft kunnen behouden.
Ik heb dus
op een uiterst aangename en boeiende manier veel geleerd van dit boek. Ik zal
hier geen poging doen om het samen te vatten, dat is onmogelijk. Ik wil enkel
nog wijzen op enkele aspecten die me bij het lezen en verwerken zijn
opgevallen.
Zo herhaalt
de auteur voortdurend, aan de hand van concrete voorbeelden, hoe weinig
rationeel wij met godsdienst omgaan. In dat domein aanvaarden wij allerlei ongerijmdheden
die wij zelfs in de meest populaire vormen van cultuur zoals literatuur,
theater niet zouden gedogen. Bovendien lijken we vast te houden aan die typisch
godsdienstige waarheden zonder er veel over na te denken of er lang bij stil
te staan. Toch een voorbeeld daarvan: een bepaalde stam in Afrika gelooft zeer
sterk in de werkzame aanwezigheid van de geesten van hun afgestorvenen. Maar
wanneer antropologen hen daarover vragen stellen, zelfs de meest eenvoudige en
voor de hand liggende, kijken ze de vraagstellers onbegrijpend aan en kunnen ze
slechts de meest vage en antwoorden verzinnen, waarbij ze elkaar voortdurend
tegenspreken. Wij kunnen hetzelfde vaststellen bij overtuigde christenen: niet
alleen weten ze vrijwel niets over de belangrijkste elementen van hun geloof,
ze houden er daarover ook heel specifieke eigen meningen op na, die niet zelden
totaal verschillend zijn van die van het geloofsgenoten.
Godsdienst
behoort duidelijk niet tot het wetenschappelijk kennen, alle inspanningen van
de theologie, de theodicee (de redelijke verklaring van het geloof) en de zogenaamde
godsdienstfilosofie ten spijt. Godsdienst behoort tot het domein van de
fantasie, van de verbeelding, van de primitieve verhalen. Dit lijkt misschien
evident, maar het is wel in tegenspraak met alles wat godsdiensten verkondigen.
Zelfs voor een overtuigd atheïst als ik was dit nog altijd een verrassende en ontnuchterende
conclusie, waarvoor ik de auteur blijvend dankbaar ben.
Godsdienst
heeft ook slechts een oppervlakkige reële impact op het dagelijks leven. Wij
mogen ons niet laten verleiden door allerlei zichtbare rituelen, bij primitieve
volkeren of in onze moderne wereld. Als de paus een land bezoekt, komen daar
miljoenen mensen op af en allerlei gezagsdragers verdringen zich om zijn ring
te kussen of hem met militaire eer te ontvangen als een bevriend staatshoofd.
Wanneer dat circus weer voorbij is, schenkt niemand ook maar enigszins aandacht
aan wat die paus te vertellen heeft en gaat men ongestoord verder met het
gewone leven. Primitieve stammen (als die er nog zijn ) en devote beoefenaars
van de kerkelijke rituelen (als die er nog zijn, zowel de devote beoefenaars
als de rituelen ) zijn ook heel gewone mensen, die zich in het dagelijkse leven
meestal net zo realistisch gedragen als hun minder religieuze medemensen. Het
was ook vroeger al zo: na de mis trok iedereen naar het dorpscafé, religieuze
feesten waren ook altijd volkse kermissen.
Waarom, o
waarom toch lezen wij geen boeken als dit? Waarom verzwijgt men ze? Wat hier te
lezen staat, zou elke jongere moeten te horen krijgen op school, in plaats van
de flauwe kul die ze nu naar verluidt krijgen, zowel in de godsdienstles als in
de lessen niet-confessionele zedenleer. Voor elke volwassene is deze zinnige
uitleg een bevestiging van wat hij of zij zelf ook al lang aanvoelt. Voor elke
senior die opgegroeid is in die turbulente periode rond het midden van de
twintigste eeuw is dit een lang verbeide opluchting: eindelijk weten we waarom
(sommige) mensen zich zo gemakkelijk laten verleiden door het religieuze
gedachtegoed. En eindelijk weten we allen dat hoewel godsdienst zo evident
lijkt, er in feite geen enkele goede reden is waarom we er ook maar één
ogenblik echt zouden in geloven.
Ik kan dit knappe
boek niet genoeg aanbevelen. Dit moet je echt lezen. Het is een verrukking voor
de geest en het zal voor altijd je kijk op het godsdienstige veranderen, ten
goede, wel te verstaan.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
06-08-2011
Jezuïetenstreken: de St. Cuthbert Gospel
Jezuïetenstreken zijn het!
Het zal niet toevallig zijn dat die uitdrukking in ons
taalgebruik gekomen is. De Jezuïeten waren sinds het ontstaan van de orde de intellectuele
frontsoldaten van Rome, met een heuse generaal aan het hoofd. Zij stonden erom
bekend de kerkelijke leer en wetgeving zo te interpreteren, dat zij om het even
wat konden bewijzen.
Een typisch grapje legt het goed uit: twee paters, een
franciscaan en een jezuïet, zijn in de tuin aan het brevieren. Ze hebben
allebei trek in een sigaartje en de franciscaan wordt erop uit gestuurd om
toelating te vragen. Met een bedrukt gezicht komt hij terug: mag niet! Daarop
trekt de jezuïet naar de overste en komt terug, genietend van een sigaartje. Hoe
heb je dat gelapt? vraagt de franciscaan. Wat heb jij precies gevraagd? zegt
de jezuïet? Of we mochten roken tijdens het brevieren. Ja, dan is het nogal
wiedes dat het niet mag. Wat heb jij dan gevraagd? Of het toegelaten is om te
bidden tijdens het roken!
Wellicht weten nog maar weinig mensen wat brevieren is, of
hebben ze het nooit precies geweten. Priesters waren vroeger verplicht om elke
dag een reeks gebeden op te zeggen, psalmen en andere teksten, die in het Breviarium stonden, zoals de monniken in
de kloosters de getijden baden of zongen.
De jezuïetenstreek uit het grapje is nog onschuldig, ieder
diertje zijn pleziertje en sigaartjes behoorden bij priesters en kloosterlingen
tot de weinige geneugten die niet verboden waren. De kamers van de
priester-leraars in de colleges waren doordrongen van die weeë geur. Veel
jongeren hebben leren roken in de katholieke jeugdbeweging, naar het voorbeeld
van de proost.
Vandaag vernemen we dat de Britse jezuïeten een oud
manuscript van het Johannesevangelie, de zogenaamde St. Cuthbert Gospel van
rond 700, verkocht hebben aan de British
Library, voor meer dan tien miljoen euro. Ze hadden het boekje al meer dan
250 jaar in hun bezit en hadden het in 1979 in bruikleen gegeven aan de Library.
Kijk, dat is pas een jezuïetenstreek! Ik heb er geen idee
van hoe ze dat manuscript verworven hebben en dat doet er ook niet toe, ze
hebben er zeker nooit tien miljoen voor betaald. Ik vind dat dergelijke
waardevolle stukken tot het menselijk erfgoed behoren en die mening is
blijkbaar ook de British Library toegedaan.
Liever dan dat Brits cultureel erfgoed in privé handen te laten verdwijnen,
eventueel zelfs in het buitenland, hebben zij een oproep gedaan aan het publiek
om geld te storten om het te bewaren waar het al is, in een publieke Britse bibliotheek.
Maar daarvoor moesten ze wel 9 miljoen pond veil hebben.
Ik noem dat diefstal en woekerwinst. De jezuïeten hebben op
geen enkele manier bijgedragen tot de huidige fabuleuze meerwaarde van dit
boekje en kunnen, objectief gezien, zelfs hun zakelijk eigendomsrecht nauwelijks
laten gelden. Het boekje is op een of andere manier in hun bezit gekomen, zoals
zoveel waardevolle dingen die hun weg vinden naar kloosters en kerkelijke
paleizen. Het Vaticaan zit van onder tot boven vol met kunstschatten. Zij zijn wel
de tijdelijke bewaarders geweest en daarvoor zouden ze een billijke vergoeding
mogen krijgen. Maar tien miljoen euro?
Het doet er ook niet toe waarvoor ze dat geld gebruiken: ze
gaan er enkele van hun scholen en kerken mee herstellen. Het zou iets anders
zijn mochten ze het geld aan een werkelijk goed doel schenken, zoals de
hongersnood in Afrika. Maar wat wij echt van hen verlangd hadden, maar niet
echt verwacht, was dat ze het boekje hadden gelaten waar het was, in veilige
bewaring onder de beste omstandigheden in de British Library, waar het echt thuishoort als nationaal erfgoed, desnoods
voor een symbolische vergoeding, een kistje sigaartjes bijvoorbeeld.
Tien miljoen euro is een schande. De kerk heeft nog maar
eens haar ware gelaat getoond.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst
04-08-2011
voor mij geen engelenkoren
Op mijn
jongste tekst over het Vie de Jésus
van Ernest Renan kreeg ik alvast een leuke reactie van trouwe lezer en
puntdichter Jacques Quekel, die ik jullie niet wil onthouden:
Toen Karel in Eeklo werd geboren
klonken er geen engelenkoren
ook de Heilige Geest
kwam niet naar het feest
daarom ging hij later voor de goden
verloren.
Dank je wel,
Jacques.
Zelf maakte
ik me de bedenking dat indien ik hier over de Islam zou schrijven zoals ik over
het Christendom schrijf, de reacties ongetwijfeld anders zouden zijn.
Vooreerst
zouden de brave katholieken niet geschandaliseerd zijn, maar in tegendeel mijn harde
taal toejuichen.
Vervolgens
zou ik een totaal ander publiek aanspreken. Ik vermoed dat lezers die hier vaak
terugkomen zich toch enigszins herkennen in wat ze hier vinden. Je moet al een
vreselijke masochist zijn om jaren aan een stuk twee of drie keer per week ellenlange
teksten te lezen die indruisen tegen alles wat je dierbaar is. Mocht ik hier
bijna dagelijks de Islam verketteren en racistische praat vertellen over allochtone
Belgen en autochtone Arabieren, dan zouden de meer evenwichtige, bedachtzame en
redelijke mensen die naar ik vermoed nu soelaas vinden in mijn Kroniek, al gauw
de wijk nemen en plaats maken voor een publiek dat men in Vlaanderen
traditioneel veeleer bij de harde kern van het Vlaams Blok/Belang situeert en
in Nederland, als ik goed ingelicht ben, bij de meer rabiate volgelingen van
ene meneer Wilders.
Nochtans
geldt al wat ik over het Christendom zeg ten minste evenzeer voor de Islam.
Mijn harde kritiek is niet zozeer gericht op het katholicisme of op de
katholieke kerk, als wel op de godsdienstige instelling waar ook ter wereld en,
misschien vooral, op het klerikalisme, op de wereldse invloed van de kerken. Vandaag
is dat klerikalisme bijvoorbeeld veel opvallender en meer flagrant aanwezig in
Iran dan het hier bij ons wellicht ooit geweest is.
Waarom
schiet ik dan zo onvermurwbaar op het christendom en meer bepaald het katholicisme,
dat van mijn jeugd?
Omdat het me
getekend heeft voor de rest van mijn leven, omdat het me gemaakt heeft tot wie
ik ben. Omdat het me toen zo hopeloos veel en zo totaal nodeloos pijn heeft gedaan.
Omdat het me zo zwaar teleurgesteld heeft, omdat het me zoveel onthouden en
afgenomen heeft, omdat ik daardoor zoveel gemist heb, zoveel tijd verloren die
ik nooit meer kan recupereren. Ik kan hoogstens nog trachten te begrijpen wat
er toen gebeurd is en waarom, misschien, heel misschien, waarom toch?
Ik heb
altijd geweten dat het een foute boel was, dat men niet eerlijk was, dat men
ons bedroog. Maar toen was het gezag identiek met de godsdienst, zeker op
school en in de jeugdbeweging, maar eigenlijk in het hele segment van de
maatschappij waarin ik me door mijn afkomst bevond: de katholieke zuil in
Vlaanderen in het midden van de twintigste eeuw. Later, wanneer ik er niet meer
zal zijn, zal men daarover sociologisch onderzoek doen en zal men de psychologische
analyse maken van de machtsprocessen die zich toen ontplooid hebben. Voor ons,
die het meegemaakt hebben, is dat onmogelijk, wij kunnen er nog steeds
nauwelijks over spreken. Ook ik heb als peuter te maken gehad met de onverwacht
steels graaiende handen van een jonge priester-leraar in mijn gestreept pyjamabroekje.
Het kost me zelfs nu, in de post-Vangheluwe-periode nog steeds moeite om dat
hier neer te schrijven. Maar het was niet alleen of niet zozeer dat ene moment,
dat nochtans onuitwisbaar in mijn arme ziel gebrand staat, maar de hele terreur
die wij toen hebben moeten doormaken en die men toen normaal vond. Ik zeg het
hier met de grootst mogelijke nadruk en met al de ingehouden verontwaardiging
die ik kan opbrengen: het was niet normaal, het was misdadig!
En waar
misdaad was, is er schuld. Bij de ontelbare daders, zeker. Zij hadden geen
enkel excuus, zij wisten verdomd goed dat wat ze ons aandeden verkeerd was, en
geen klein beetje. Het waren geen relatietjes, het was seksueel misbruik van
onschuldige, nietsvermoedende kinderen, die zich in vertrouwen tot mensen
wendden die aangesteld waren om voor hun zielenheil te zorgen. Het was
machtsmisbruik op grote schaal en misbruik van vertrouwen op alle gebied, ook
materieel en financieel. Het was bewuste indoctrinatie, doordachte hersenspoeling,
met gevolgen tot op het einde van onze dagen en die zelfs deels voortleven in
onze kinderen, omdat we ondanks onszelf, zoals zoveel slachtoffers van
misbruik, op onze beurt ook daders zijn geworden, zelfs tegenover hen die we
het meest van al liefhadden. Dat is misschien wat me nog het meeste verdriet,
wat me nog het meest furieus opstandig en zelfs wraakzuchtig maakt.
De grootste schuld
treft hen die het systeem hebben ontworpen en in stand gehouden, eeuwen lang en
tegen alle beter weten in: de kerkelijke hiërarchie, al wie op een of ander
niveau verantwoordelijk was voor de kerkelijke organisatie, voor de macht in de
kerk.
Maar ook de
intellectuelen van de kerk zijn mede schuldig, in hoge mate, omwille van hun
stilzwijgende toestemming. Qui tacet
consentire videtur. Zij hebben zich gehuld in hun zwarte, alles verhullende
gewaden en hun dure togas, zich verborgen in hun ivoren torens, zich vermeid in
hun pseudowetenschappelijke spielereien, steeds genietend van hun
maatschappelijke onaantastbaarheid en hun pecuniaire veiligheid. Zij wisten, en
ze hebben gezwegen, schandelijk gezwegen. Van een eenvoudige broeder in een
klooster kan men nog beweren dat hij niet beter wist, dat hij onwetend niet kon
zondigen. De zwartste zonden hebben de wetenden bewust begaan, keer op keer, jaar
na jaar, eeuw na eeuw. En nog zwijgen zij en ontkennen zo alles wat er ooit is
geweest, alles wat ooit verkeerd is gegaan en dat is zoveel, lieve God, zoveel!
Ik ben de
zondebok geweest van hun systeem. Zij hebben mij beladen met hun zonden en me
de woestijn in gestuurd om daar verdwaasd en van God en mens verlaten vergeefs
rond te kijken, op zoek naar een beetje menselijke warmte. Ze hebben mij mijn
seksualiteit afgenomen omdat de kerk hen van de hunne had beroofd. Ze hebben
voor altijd dat mooiste, diepste, meest aangrijpende en heerlijkste aspect van
mijn mens-zijn besmeurd met hun eigen geile frustraties. Ze hebben het meest
lieflijke en levenskrachtige in mij grondig smerig gemaakt, voorgoed verguisd, tot
in zijn diepste kern verknoeid, totaal kapotgemaakt, zonder enige kans op
herstel. Ze hebben van mij een zondaar gemaakt, een misdadiger, terwijl ik een
onschuldig slachtoffer was en zoveel zuiverder dan zij.
Ik heb
altijd geweten dat niet ik, maar zij de daders, de misdadigers waren. Dat niet
zij maar ik het goed voorhad. Maar wat doe je daaraan, als peuter, als kind,
als knaap en zelfs als jonge man? In Vlaanderen in de tweede helft van de
twintigste eeuw? Of in Spanje in de veertiende, in Zuid-Amerika in de vijftiende,
in Nederland in de zestiende, in Frankrijk in de zeventiende, in Engeland in de
achttiende, in Duitsland in de negentiende?
Ik kan er nu
iets aan doen. Niet aan mijn verleden en niet aan dat van het christendom, van
de kerk. Maar, voor wat het waard is, ik kan en moet spreken en ik zal niet
zwijgen. Men zal van mij niet zeggen dat ik gezwegen en verzwegen heb.
Jaccuse, godverdomme, ik klaag jullie aan,
tot ik er bij dood val!
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
02-08-2011
Het leven van Jezus volgens Ernest Renan
Was er een
os en een ezel in de stal waarin Jezus geboren is?
Lucas is de
enige evangelist die Jezus laat geboren worden in een stal, omdat er in het
gastenverblijf geen plaats meer was. Maria bakert haar pasgeborene en legt hem
in een kribbe, dat is een voederbak voor het vee, als een schraag of hangend
aan de muur. Er is geen sprake van een os of een ezel. Waar komen die dan
vandaan?
Als er een
krib was in de stal, dan moet er ook vee geweest zijn, zo gaat de redenering.
Een os, een lastdier, is dan waarschijnlijk. De ezel was en is een rijdier rond
de Middellandse Zee. Het lijkt onwaarschijnlijk dat Jozef zijn hoogzwangere
vrouw de reis van Nazareth naar Bethlehem, ongeveer 140 km, te voet zou laten
afleggen. Een ezel ligt dan voor de hand.
Wij kennen
allemaal de afbeeldingen van de zwangere Maria op haar ezel (bijvoorbeeld op de
heerlijke volkstelling van Breughel, zoek haar op het schilderij), en van het kindje Jezus in het kribbeke,
met de os en de ezel die voor wat dierlijke warmte zorgen in de stal. Maar er
is geen enkele Bijbelse grond voor deze zo vertrouwde iconografische elementen.
Toch wij twijfelen er geen ogenblik aan dat het zo gebeurd is. Waarom?
De eerste geschreven
getuigenissen over de ezel en de os zijn ongeveer zo oud als het
kindsheidevangelie van Lucas, dat wil zeggen ergens in rond het jaar 200. Men
gaat ervan uit dat die teksten vroeger ontstaan zijn, misschien wel honderd
jaar vroeger, maar dat zijn veronderstellingen, gebaseerd op controversiële literaire
theorieën. Naast de vier evangelies waren er talrijke andere teksten die wijd
verspreid waren. Het was Irenaeus of Lyon die rond 180 in zijn Adversus haereses voor het eerst
uitdrukkelijk de vier evangelies vooropstelde en alle andere geschriften
verwierp als ketters. Pas rond het jaar 400 werd de canon formeel vastgelegd in opeenvolgende concilies. De Vulgaat, de
Latijnse vertaling omstreeks 400 door Hieronymus van het Oude testament en zijn
herschrijving van de oud-Latijnse tekst van het Nieuwe Testament, legde voorgoed
de samenstelling van de canonieke boeken vast. Al wat daartoe niet behoorde,
was verboden lectuur voor de christenen.
Maar in de
jaren die daaraan voorafgingen, waren er heel wat geschriften ontstaan die
afweken in hun samenstelling van de vier evangelies. Sommige hadden elementen
die niet in de vier evangelies stonden, andere lieten stukken uit het evangelie
onvermeld. Sommige waren vrij kort, andere meer uitvoerig. Er is dus een lange
periode geweest sinds het ontstaan van het christendom, waarin het helemaal
niet duidelijk was welke teksten als officieel erkend werden en welke niet. Ook
na 400 bleven allerlei versies circuleren, sommige waren zelfs meer populair
dan de vier evangelies. In sommige streken (er-)kende men zelfs de evangelies
niet en hield men het bij de traditionele plaatselijke teksten.
Een
aanzienlijk aantal zogenaamde apocriefe (letterlijk: verborgen) boeken van de
Bijbel behandelt de voorgeschiedenis van de Bijbel, een soort prequel (het tegenovergestelde van een sequel, een vervolg). Goede voorbeelden daarvan zijn de zogenaamde Kindsheidevangelies
van Thomas de Israëliet en van Jacobus, de zogenaamde proto-evangelies. Het
gaat dan over de ouders van Maria, haar geboorte en jeugd, haar verloving met
Jozef, de geboorte van Jezus en zijn jeugd. Het is uit die geschriften dat wij
de kleurrijke details hebben overgenomen zoals de ezel van Jozef en Maria en de
os en de ezel in de stal, maar ook de heel concrete uitleg over haar
maagdelijkheid, voor en na de geboorte van Jezus, vastgesteld door een
vroedvrouw. Sommige andere verhalen zijn nog minder geloofwaardig. Zo zullen
mensen van mijn leeftijd zich wellicht het verhaaltje herinneren van Jezus en
Sint-Janneke die als kinderen in de zandbak aan het spelen waren; Jezus maakte
met zand en water twaalf mussen (ondanks het feit dat het sabbat was!) en
klapte in zijn handen, waarop de mussen verschrikt wegvlogen
Het geloof
van de christenen is niet zozeer wat Rome er vandaag over zegt, niet wat
theologen erover schrijven, niet wat in de officiële Catechismus van de
Katholieke Kerk staat en ook niet wat in de erkende Bijbel staat. Het is veeleer
een vreemde verzameling van elementen die elke christen verzameld, betwijfeld
en verworpen of behouden heeft in de loop van zijn of haar persoonlijke
geschiedenis. Niemand kent alles, dat is onmogelijk. En zelfs wie ooit alles
gelezen heeft, de hele Bijbel, de hele (dikke) catechismus, alle encyclieken en
een berg theologische geschriften, de hele CodexIurisCanonici, die kan onmogelijk alles onthouden uit die vaak
tegenstrijdige geschriften.
Het
christendom is wat christenen ooit gedacht hebben, gedurende tweeduizend jaar.
Dat is een bonte verscheidenheid van opvattingen, door de eeuwen heen en
verspreid over het grootste gedeelte van de wereld. Het officiële christendom
was en is daarvan slechts een heel beperkt gedeelte, op verscheidene momenten vastgelegd
door de tijdelijke gezagsdragers van de kerk. Ook vandaag denken christenen
overal ter wereld ongeveer wat ze willen, zonder zich druk te maken over Bijbel,
catechismus, dogma, encycliek of theologie.
Een typisch
voorbeeld daarvan is het onderzoek naar de historische Jezus. Het Nieuwe Testament
is de enige bron voor wat we weten over het leven van Jezus. Er is geen enkele
betrouwbare historische bron die ook maar iets bevestigt over Jezus, zelfs niet
het pure feit van zijn bestaan. Alles wat over hem geschreven is, staat enkel in
de geschriften van de christenen, die allemaal ontstaan zijn lang na zijn
vermeend leven. Zelfs de canonieke evangelies spreken elkaar voortdurend tegen,
ook over de belangrijkste kwesties, zoals zijn geboorte, zijn mirakels, zijn
boodschap, zijn lijden, zijn dood, zijn wederopstanding. De leer van het
christendom heeft op vele punten nauwelijks iets te maken met het leven en de
leer van Jezus zoals we dat kennen uit de evangelies, maar alles met de
kerkelijke organisatie en de wereldlijke belangen van de kerk.
Men heeft
dus van bij het prilste ontstaan van het christendom, in de kleine groep van joden
en heidenen die zich op hem beriepen, steeds aan de het historische beeld van
Jezus gewerkt. Vetrekkend van ongeveer niets, heeft men een figuur ontworpen
die uiteindelijk God zelf was. Wat weten we met zekerheid over Jezus? Niets.
Waarover is het christendom het eens? Dat hij geboren is in Israël, daar gepredikt
heeft, wonderen verricht, dat hij door de Joden aan de Romeinse bezetter is
overgeleverd en door hen ter dood gebracht. Van zijn prediking is niets
genoteerd, de latere geschriften spreken elkaar voortdurend tegen en zijn niet
op ooggetuigen gebaseerd. De mirakels zijn op zichzelf om evidente redenen totaal
ongeloofwaardig, maar zelfs over die verhalen verschillen de evangelies, over
het aantal zowel als de omstandigheden. Sommige komen voor bij de ene, andere
bij de andere evangelist, er is geen eensgezindheid.
Vandaar dat er
zoveel verschillende bronnen zijn, canonieke en apocriefe, die de verhalen brengen
in allerlei versies, ze uitbreiden en aandikken met de meest fantastische
elementen. In de loop van 2000 jaar, maar vooral in de eerste 1500, is er een
kluwen van legenden ontstaan in allerlei vormen, literaire, artistieke,
theologische, maatschappelijke en morele. De beschavingsgeschiedenis van het
Westen was tot voor kort de geschiedenis van het christendom en die
geschiedenis is goeddeels gebaseerd op legenden, vooral in de uiterlijke vorm
van onze cultuur. Het is geen geschiedenis van God, maar een geschiedenis van
mensen.
Verstandige
mensen hebben dat steeds ingezien. Zij konden niet anders dan vaststellen dat
wat de Kerk als de onwrikbare waarheid verkondigde niet klopte, dat er teveel
interne contradicties waren, dat mirakels nu eenmaal niet gebeuren, dat de idee
van een God zelf kunstmatig is, dat de bronnen van het geloof niet betrouwbaar
zijn en de behoeders ervan niet te vertrouwen.
Met het
ontstaan van de historische en literaire kritiek vanaf de Renaissance komt de
hele geloofsstructuur onder vuur te liggen. Men bestudeert de Bijbel en ziet
dat het onmogelijk het Woord van God kan zijn. Stilaan ziet men de hele
christelijke beschaving voor wat ze is: het werk van mensen en niet altijd van
de beste mensen. Het geloof wankelt en uiteindelijk gaat men zich ook vragen
stellen over de legendarische, mythische, goddelijke stichter: Jezus. Sommigen
blijven trouw aan de Bijbel maar verwerpen de vulgaire, inhalige, wereldse
Roomse kerk of proberen haar te hervormen. Anderen gaan op zoek naar de kern
van de Bijbelse verhalen, naar de authentieke boodschap van de stichter, Jezus.
De Roomse kerk en ook alle andere ondertussen afgescheiden kerken en sekten
verzetten zich met hand en tand tegen een objectieve, wetenschappelijke
benadering van de geloofsgegevens, zelfs door bona fide gelovigen.
Een mijlpaal
in die alternatieve lezing van de Bijbel is die van David Friedrich Strauss
(1808-1874), die zijn Das Leben Jesu
liet verschijnen in 1835. Hij schokte toen Europa met zijn stelling dat de
mirakels van Jezus niet echt gebeurd zijn. Hij interpreteert ze als pogingen om
op Oudtestamentische gronden Jezus als de Messias voor te stellen. Door hem de
Bijbelse voorspellingen te laten vervullen leveren de evangelies het bewijs van
zijn messiaanse authenticiteit.
Lang voor
Strauss was er al ernstige kritiek op de Bijbelse mirakels, zowel die in het
Oude testament als die van Jezus en de Apostelen. Spinoza publiceerde zijn Tractatus theologico-politicus anoniem
in 1670, dus bijna tweehonderd jaar voor Strauss. Hij bespreekt daarin
uitvoerig de profetieën, mirakels en bovennatuurlijke gebeurtenissen uit de
Bijbel en verklaart ze, enerzijds door te verwijzen naar de onderliggende
normale, natuurlijke maar niet onderkende feiten, anderzijds naar de nood die
elke godsdienst heeft aan een bovennatuurlijk kader als legitimatie van zijn
aanspraken op werelds en goddelijk gezag. Dit was de basis voor de godsdienstkritische
houding van de hele Verlichting. Spinozisme was eeuwenlang synoniem voor
ongeloof in heel Europa.
In Frankrijk
was het Ernest Renan (1823-1892) die, grotendeels geïnspireerd door Strauss en
andere Duitse historici, filosofen en exegeten, een lans brak voor de
wetenschappelijke studie van de geloofsbronnen. Het begon met zijn Vie de Jésus van 1863 en schreef tijdens
zijn leven in totaal zeven volumes van zijn Histoire
de origines du christianisme (1863-1881). Zijn Vie de Jésus verwekte schandaal, paus Pius IX noemde hem de grootste
godslasteraar van Europa. Renan werd ontzet uit zijn ambt als professor aan het
Collège de France, de hoogste onderscheiding in het hoger onderwijs in
Frankrijk. Later werd hij in zijn eer hersteld, hij werd zelfs administrateur van het Collège de France en kreeg de hoogste
onderscheidingen, tot lidmaatschap van de Académie
Française en het Légion dhonneur toe.
Ernest
Renan, Vie de Jésus (Paris: Michel Lévy, 1863) verkocht als zoete
broodjes. Een maand na de publicatie in juni 1863 schreef zijn uitgever hem:
La Vie de Jésus continue à senlever
comme du pain! Je compte mettre en vente la 5e édition
avant la fin de cette semaine. In het jaar volgend op zijn publicatie waren er dertien
uitgaven, de 61ste werd bereikt in 1921. De édition populaire van
1864 kende nog meer succes en kende maar liefst 130 edities voor 1921. De
belangrijkste revisie van het originele werk was die voor de 13de editie
van 1864 (hoewel hij zelf spreekt van quatre ans depuis que le livre a paru),
waarin Renan zijn positie verduidelijkt en herziet in verband met het Johannesevangelie.
Van dit
alles is er in mijn jeugd en mijn opvoeding tot in de (katholieke) universiteit
toe nooit ofte nimmer sprake geweest. Kritiek, onder welke vorm dan ook op God,
Christus, het christendom, de kerk of haar gezagsdragers, was totaal
ondenkbaar. Er werd met geen woord gerept, zelfs niet om ze te veroordelen,
over de talrijke ernstige auteurs die zich in de loop van de voorbije twintig
eeuwen kritisch hebben uitgelaten over een of ander aspect van de godsdienst.
Het is pas sinds ik op pensioen ben en probeer om in het reine te komen met
mijn opvoeding en mijn actief leven, dat ik heb kennisgemaakt met deze rijke
alternatieve traditie.
Enige tijd
geleden vermeldde een bevriende kunstenares me terloops, naar aanleiding van
een gesprek over geloof en atheïsme, dat zij een exemplaar bezat van Renans Vie de Jésus. Bij een volgende
ontmoeting herinnerde ik haar daaraan, waarop ze me met enige aarzeling het
mooi ingebonden boekje overhandigde dat ze altijd in de huisbibliotheek van
haar vader had gezien en dat ze uiteindelijk had geërfd. Ik moest haar dure
eden zweren dat ik het na lezing ongeschonden zou retourneren.
Thuisgekomen
begon ik nieuwsgierig de lezing, maar onderbrak die al na enkele bladzijden van
het avertissement waarmee het boekje,
s.d. maar waarschijnlijk in 1928 in een populaire reeks meesterwerken uit de
literatuur uitgegeven door Nelson en Calman-Lévy te Parijs maar gedrukt bij Nelson
in Edinburgh, Schotland, begint. In dezelfde reeks vinden we onder meer Balzac,
René Bazin, Chateaubriand, onze Henri Conscience, Alphonse Daudet, Dickens,
Dumas Père & Fils, Flaubert, Anatole France, Théophile Gautier, Kipling, La
Bruyère, Lamartine, Pierre Loti, Maeterlinck, Prosper Mérimée, Poe (vertaald
door Baudelaire!), Paul et Virginie van Bernard de St. Pierre, Saint-Simon,
George Sand, Scott, twee Ségurs, Quo Vadis van Sienkiewicz, Stendhal, Tolstoï,
Toergeniev, om slechts de meest bekende te noemen. Je vindt de reeks nog vaak
in tweedehandse-boekenwinkels.
Vanwaar dat
abrupt afbreken van die toch gefascineerde lectuur? De waarschuwing van de
auteur was niet overbodig. Deze uitgave was immers niet zijn originele Vie de Jésus van 1863, maar de édition populaire die hij daarvan vrijwel
onmiddellijk maakte. Ik citeer: Puisquil m été donné de tracer de Jésus une image qui a obtenu quelque
attention, jai cru devoir offrir cette image, sous une forme convenablement
préparée, aux pauvres, aux attristés de ce monde, à ceux que Jésus a le plus
aimés. Beaucoup de personnes ayant regretté que le livre, par son prix et son
volume, ne fût pas disponible à tous, jai sacrifié lintroduction, les notes
et certains passages de texte (p. 7).
In de dertiende, gereviseerde uitgave schrijft hij, in
de voetnoot op p. 33 van de Préface: Toutefois, comme en de tels sujets lédification
coule à plein bords, jai cru devoir extraire de la Vie de Jésus un petit volume où rien ne pût arrêter les
âmes pieuses qui ne se soucient pas de critique. Je lai intitulé Jésus, pour le distinguer du présent ouvrage,
lequel seul fait parti de la série intitulée: Histoire des Origines du
Christianisme. Aucune des modifications
introduites dans lédition que joffre aujourdhui au public natteint ce petit
volume : je ny ferai jamais de changements.
Je begrijpt
meteen mijn reactie: ik legde het petit
volume kuis terzijde en spoedde me naar de website van In t Profijtelijk Boeksken, op zoek naar de ongekuiste dertiende
uitgave. Ik vond en bestelde een gaaf exemplaar met slappe kaft maar zeer
leesbare druk uit 1960, nog steeds uitgegeven bij Calman-Lévy in Parijs, voor
amper zes euro, dat ik onlangs ging afhalen in Leuven en meteen uitlas.
Lieve lezer,
bereid je voor op enige superlatieven, maar tevens op de gebruikelijke kritiek.
Ik bewonder
dit werk ten zeerste. Het is een staaltje van de grote Franse prozastijl van de
19de eeuw, uiterst vlot geschreven, in een prachtige beeldrijke maar
zeer gemakkelijk te begrijpen taal, zelfs voor iemand als ik, voor wie het
Frans slechts de derde taal is, waarvan mijn competentie ver beneden die van
het Nederlands, mijn moedertaal blijft en ook veel beperkter dan mijn kennis
van het Engels. Een plezier om te lezen dus, alle 430 bladzijden.
Ik was ook
in de wolken over het objectieve standpunt dat de auteur inneemt. Vanaf de
eerste bladzijde stelt hij dat hij niet gelooft in mirakels, profetieën of
bovennatuurlijke verschijnselen. Hij gaat als historicus op zoek naar de
historische Jezus. Meteen stelt hij vast dat onze wetenschappelijke kennis
berust op zeer zwakke gronden, dat we zo goed als niets weten over Jezus. Maar
daardoor laat hij zich niet afschrikken. Als we uit de geschiedenis enkel die
feiten zouden aanvaarden die uitvoerig gedocumenteerd zijn door betrouwbare
ooggetuigen, dan zou de geschiedschrijving een mager beestje zijn. Hij wil dus,
op basis van onvolledige en onbetrouwbare getuigenissen, op basis van de
legendarische verhalen, een beeld schetsen van wie Jezus zou kunnen geweest
zijn. Hij geeft daarbij grif toe dat er geen enkele garantie is dat het
resultaat van zijn creatief werk overeenstemt met de werkelijke Jezus. Hij
hoopt alleen dat het een geloofwaardig beeld is, in overeenstemming met de kern
van de legenden en niet in strijd met de verifieerbare kennis die we hebben van
de historische omstandigheden ten tijde van Jezus.
Hij doet
daarvoor een beroep op de evangelies en andere Bijbelse teksten, maar ook op historische
bronnen uit die tijd en op apocriefe Bijbelteksten, evenals latere christelijke
teksten, vooral omwille van de citaten die ze bevatten uit vroegere,
ondertussen verloren gegane teksten. Het is een boeiend puzzelwerk geworden, de
auteur moet zich daarbij kostelijk geamuseerd hebben, en ik bedoel dat echt
niet ironisch.
Er zijn
echter ook een aantal ernstige problemen. Het belangrijkste is dit: Renan gaat
ervan uit dat Jezus echt geleefd heeft in de periode die de evangelies
beschrijven; hij neemt ook aan dat de feitelijke gegevens van het Nieuwe
Testament globaal gesproken correct zijn; hij aanvaardt bovendien dat de
(synoptische) evangeliën grotendeels de ipsissima
verba Christi bevatten, dat zij een vrij goede weergave zijn van wat Jezus
werkelijk heeft gezegd.
Als
rationalist verwerpt Renan alle mirakels, profetieën en bovennatuurlijke
verschijnselen en aanspraken op goddelijkheid. Zijn Jezus is een mens, maar dan
een uitzonderlijke mens, het beste wat de mensheid ooit heeft voortgebracht,
een uitzonderlijk genie, de stichter van de beste godsdienst, nee, de enige
echte godsdienst, een religie voor de universele mensheid. Dat bewijzen, zonder
de mirakels, zonder bovennatuurlijke elementen is echter een zo goed als
onmogelijke opgave. Zijn Jezus is een eenvoudige figuur in woord en daad,
iemand die zich slechts langzaam bewust wordt van zijn uniciteit en van de
mogelijkheden en opdrachten die hij daardoor heeft. Zijn Jezus is een mens,
geen God, niet de Zoon van God. Renan vermeldt God geen enkele keer. Hij is een
atheïst, dat heeft de paus en de kerkelijke hiërarchie en de hele katholieke
gemeenschap goed begrepen.
Jezus komt
in opstand tegen zijn Joodse omgeving, vooral de formalistische farizeeën. Hij
verwerpt ook de politieke heersers, de Romeinen en hun poging om de wereld te
ordenen door hem te onderwerpen aan hun werelds gezag. Het is een reine dwaas,
die iedereen oproept tot de absolute zuiverheid van hart die Renan hem
toedicht. Wij moeten volmaakt zijn, zoals onze goddelijke Vader volmaakt is. De
volmaaktheid van die Vader is niets anders dan het beste waartoe de mens in
staat is, de idealisering, de verabsolutering van wat goed is in de mens, maar
daar slechts op zeer onvolmaakte wijze aanwezig. Wij mogen nooit met minder
tevreden zijn dan met het allerbeste, het moreel meest hoogstaande. Dat is de
eenvoudige boodschap van Jezus.
Maar zo simpel
is het natuurlijk niet. Wij zijn het zeer zelden eens over wat nu precies het
beste is in concrete gevallen. Wij wensen ook voortdurend rekening te houden
met die omstandigheden en met onze zeer reële beperkingen. Niemand is volmaakt,
zeggen wij en we stellen ons noodgedwongen tevreden met veel minder dan het
optimale. Idealen zijn er om na te streven, niet om ze te bereiken. Jezus
uitdagende boodschap klinkt goed, maar ze is een beetje puberaal en dat is
precies hoe Renan Jezus omschrijft bij het begin van zijn publiek leven: als
een geëxalteerde, onrealistische, levensvreemde, landelijke charmante puber. En
dat beeld verandert niet echt. Jezus groeit niet, wordt niet volwassen. Hij
trouwt niet, heeft geen kinderen, werkt niet, hij leeft van de hemelse dauw.
Hij laat zich onderhouden door zijn vrienden en vriendinnen en zwerft door een
idyllisch geschilderd Galilea. Wanneer hij uiteindelijk toch in Jeruzalem de
confrontatie aangaat met het establishment, de Joodse priesters en de Romeinse
bezetter, gaat hij op korte tijd ten onder. Hij ziet het onvermijdelijke
daarvan in en verzet zich niet eens.
Er is in het
boek van Renan een diepe tegenstelling tussen al het positieve dat hij zegt
over de historische, menselijke, eenvoudige Jezus, een dromer zonder enige
ambitie en zijn rol als goddelijke stichter van de christelijke godsdienst.
Renan komt daar niet uit. Net zoals Jezus verwerpt hij ongeveer alles wat
nadien gebeurd is. Hij verfoeit het concrete christendom, vroeger en nu, maar
zweert bij het originele christendom van de jonge Jezus in Galilea, de
absolute zuiverheid van het reine hart. Hij verwerpt al de dogmas, de hele
metafysica, de verrijzenis, het eeuwig leven, de beloning van de goeden en de
bestraffing van de kwaden. Wat hij in de plaats stelt, is een idyllisch beeld
van een schare jonge, ongeschoolde rondtrekkende joden, met een charismatische,
fysiek aantrekkelijke centrale figuur, die de mensen meesleept met zijn
eenvoudige boodschap.
Het is een
beeld dat de kritiek niet doorstaat. Renan citeert de evangelies overvloedig,
maar doet dat zeer selectief. Hij zweert bij de Bergrede als een onovertroffen
morele gids, maar hij leest die Bergrede niet aandachtig, net zomin als al de
andere teksten die hij aanhaalt. En wat niet past in zijn plaatje, dat vermeldt
hij niet en dat is het grootste gedeelte van de evangelies. Renan is al net zo
geëxalteerd en onrealistisch als de Jezus die hij tekent.
Bij het
lezen van zijn Vie de Jésus merkte ik
een knagende twijfel die bij mij opkwam. Renan geloofde zelf niet wat hij
schreef. Op bepaalde momenten zie je dat hij begint te twijfelen, dat het
idealistische bouwwerk dat hij opzet en dat ongetwijfeld verantwoordelijk is
voor het enorme succes dat zijn boek heeft gekend, wankelt op zijn grondvesten.
Jeugdig idealisme is mooi, maar daarop bouw je de wereld niet. Dat wist Renan
maar al te goed. Wat hij gedaan heeft is een voor zijn tijd origineel en
boeiend boek schrijven, niet de wereld veranderen.
Ik verdenk
Renan er zelfs van dat hij zich daarvan zeer goed bewust was. Er zit onder zijn
enthousiasme voor de jeugdige rebel Jezus een andere boodschap verborgen,
misschien zelfs voor hem, zeker toen hij het boek schreef. Men kan zeer
moeilijk atheïst zijn en tegelijk Jezus ophemelen als een unieke figuur, de
beste aller mensen, die door zijn leven en leer ons allen de weg wijst naar het
geluk hier op aarde. Bovendien is het historisch materiaal daartoe zelfs met de
beste wil ter wereld totaal ontoereikend. Hij moet ingezien hebben dat zijn
etiologische verklaring van het christendom niet klopte. Het christendom is niet
ontstaan door het historische leven van Jezus, wellicht heeft die nooit echt
bestaan, of zijn er talrijke dergelijke mensen geweest, zonder enig verder
gevolg voor de geschiedenis. Veel eenvoudiger dan het historisch reconstrueren
van de mythische, legendarische figuur van de Jezus van het christendom is het
blootleggen van de mechanismen die het christendom heeft gebruikt om de figuur
van haar stichter achteraf te construeren, als een goddelijke sanctionering
voor haar wereldlijke macht. Door zijn reconstructie zo onwaarschijnlijk te
maken, geeft Renan ons een sterke aanzet om het tegenovergestelde te denken. Hijzelf
stelt het zelf zo: Certes, nous
reconnaissons que le christianisme est une uvre trop complexe pour avoir été
le fait dun seul homme. En un sens, lhumanité entière y
collabora.
Dat is
inderdaad het geval. Paulus bijvoorbeeld is voor het christendom van veel
groter belang geweest dan welke denkbeeldige of reële Jezus dan ook en dat is
ook zo voor Constantijn, Augustinus, Thomas Aquinas en nog vele anderen. Wat er
met het prille christendom gebeurd is, ruwweg sinds de verwoesting van de
tempel in Jeruzalem in het jaar 70, is aanvankelijk het werk geweest van een
kleine groep overijverige fanatieke Joodse zeloten, leden van een sekte, waarbij
zich gaandeweg zeer velen hebben aangesloten, religieus geïnspireerde mensen en
anderen die uit waren op wereldse macht en bezit.
Het christendom
is een aspect van onze beschaving, maar het is niet het enige. Het christendom
is, in tegenstelling met wat de Bijbelse Jezus ervan zei, een zeer wereldse
ideologie, een theocratie, of beter gezegd, een hiërocratie, een
wereldheerschappij van de priesterkaste. Het christendom is een godsdienst die
vooral uit is op uiterlijk vertoon en wereldse macht, zoals de farizeeën die
Jezus zo haatte. Het christendom is zeer zichtbaar in onze beschaving, maar op
een zeer oppervlakkige manier. De kathedralen, de schilderijen, de
beeldhouwwerken, de literatuur, de muziek die het christendom opeist zijn niet
het werk van God, maar van mensen en daarin hebben zij veel meer uitgedrukt dan
alleen maar christelijke gevoelens. Ik maak me sterk dat de inspiratie voor de
meeste of zeker voor de grootste kunstwerken en kunstenaars die de christelijke
beschaving heeft voortgebracht nauwelijks iets te maken heeft met de
christelijke of zelfs met welke religieuze ingesteldheid dan ook, maar alles
met de diepmenselijke gevoelens en vragen waarvoor kunstenaars zo gevoelig
zijn.
Dat alles heeft
Renan zeer scherp aangevoeld en dat staat te lezen op elke bladzijde van zijn
boek. Maar daarvoor moet men de tekst goed lezen en dieper graven dan het
oppervlakkige enthousiasme dat Renan hier tentoon spreidt voor zijn wel zeer fictieve
Jezus-figuur.
Albert Schweitzer (1875-1965) publiceerde in 1906 zijn Geschichte der Leben-Jesu-Forschung. Hij stelt daarin klaar en duidelijk: De
Jezus van Nazareth die openlijk naar voren kwam als de Messias, die de ethiek
predikte van het Koninkrijk Gods, die het Koninkrijk der Hemelen stichtte op
aarde en die gestorven is om aan zijn werk zijn finale consecratie te geven,
die Jezus heeft nooit bestaan. Schweitzer gaf zijn werk als priester en als
theoloog op en vertrok naar Afrika om daar als arts te werken voor de
gezondheid van de inheemse bevolking. Dat was consequent denken en handelen.
Hij kreeg in 1952 de Nobelprijs voor de vrede voor zijn zeer humanistische
filosofie.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
10-07-2011
Is God dood?
Ulrich Libbrecht, Is God dood?
Zoektocht naar de kern van de spiritualiteit, Lannoo-Tielt, 2004, 292 blz.,
paperback, 16,95, ontleend in Tweebronnen, Leuven
Ulrich Libbrecht (°1928) was van 1973 tot aan zijn emeritaat in 1994
hoogleraar Sinologie en Oosterse filosofie aan de Leuvense Universiteit. Hij
heeft een eigen website, klik hier.
In dit boek dat hij op rijpere leeftijd schreef, heeft hij een moedige
poging ondernomen om zijn verhouding tot het westerse christendom uit te klaren
in het licht van zijn vertrouwdheid en affiniteit met de oosterse filosofie. Ik
vermoed dat het materiaal van dit boek in ruime mate teruggaat op de vele lezingen
die hij heeft gehouden over dit onderwerp. Dat blijkt uit de spreektrant die
overal duidelijk aanwezig is, maar helaas ook uit de vele herhalingen en
uitweidingen.
In feite is het een harde afrekening geworden met het christendom. Als je
alles wat hij daarover zegt apart zou zetten, dan zou je een zeer leesbare
samenvatting overhouden van de kritiek die men vanuit verschillende standpunten
kan hebben op de christelijke leer en op de Westerse Godsidee en metafysica.
Libbrecht is zoals hij zelf zegt een ketter, ik noem hem een atheïst. Hijzelf
neemt dat woord nooit in de mond, maar op de keper beschouwd is hij het wel,
voortgaand op wat hij in dit boek over God en geloof schrijft. Hij verkiest de
term panentheïst. Laten we daar even bij stilstaan.
Pantheïsme noemt men die opvatting waarbij het Universum een eenheid is met
een sacraal karakter. Er bestaat dus niets buiten het Universum. Het Universum
en God zijn identiek. Alles behoort dus tot God, vandaar pantheïsme, van het
Grieks pan (alles) en theos (God). Waarin bestaat nu het
sacraal karakter van het Universum? Dat is verre van duidelijk. Indien God in
alles is en alles in God, dan is alles ook sacraal. Maar als alles sacraal is, als
er niets is dat niet sacraal is, dan is dat een lege term, een die geen
onderscheid aanduidt en die dus helemaal niets meer uitdrukt. Dat is zeker zo
voor Spinoza, die geen onderscheid maakt tussen God en de Natuur (Deus, sive Natura) en die elk sacraal
karakter van God of de Natuur ontkent. Voor hem is godsdienst een sociaal
fenomeen, dat maatschappelijk nuttig kan zijn, vooral voor de lagere klassen.
Maar het Universum is gewoon wat het is. Hij is dus een atheïst, zoals Steven Nadler
en Jonathan Israel overtuigend aangetoond hebben.
Ik heb hier al verwezen naar het World Pantheist Movement (klik op de naam als
je naar hun website wil gaan). Zij hebben het over een eerbied voor het
Universum en over een spiritualiteit die daarop steunt. Maar ik zie met de
beste wil van de wereld niets theïstisch in hun beginselverklaringen, er is
nergens sprake van een God, enkel van het Universum. Waarom zich dan (pan-)theïstisch
noemen? In feite zijn ook zij zuivere atheïsten. Het is niet omdat men
bewondering, ontzag en eerbied heeft voor het Universum dat men een of andere
vorm van theïsme aanhangt. Het is evenmin zo dat men als atheïst géén eerbied,
ontzag of bewondering zou mogen hebben voor het Universum, of dat men geen behoefte
heeft aan een spiritualiteit, een ethiek of een vorm van beleving en ritueel,
individueel of met anderen.
Ik meen dus dat pantheïsme een onduidelijke term is. Als een vorm van
theïsme verwijst hij naar een levenshouding waarbij men het bestaan van een
transcendente God erkent, een alomtegenwoordige Kracht die het Universum
schraagt, maar die toch op een of andere manier verschillend is van dat
Universum. Maar als pan-theïsme ontkent men dan weer dat dualisme: God en de
natuur zijn één.
Panentheïsme, van het Grieks pan,
theos en en (in), dus God is in
alles, stelt dat God het Universum overstijgt, maar dat hij alomtegenwoordig is
in het Universum. Gans het Universum is dus vervuld van God, maar valt er niet
mee samen. God is een kracht die het Universum doordringt en vervult, maar
naast of boven het Universum is er iets dat anders, meer is dan het Universum.
De vraag is dan: wat kan er buiten het Universum nog zijn? Wat is de verhouding
tussen dat iets en het Universum? Wat kunnen we over dat iets zeggen? Ook
Libbrecht zal met die vraag worstelen: hij noemt het een Mysterie, iets
waarover we niet kunnen spreken, maar dat we wel kunnen ervaren, namelijk in de
mystiek. We komen hierop nog terug.
Libbrecht wijst het christendom waarin hij is opgegroeid en dat hij grondig
heeft bestudeerd, radicaal af. Op grond daarvan kan men niet anders dan hem een
atheïst noemen. Maar hij kan blijkbaar niet helemaal afstand nemen van de
godgedachte en van een of andere vorm van metafysica, van het bestaan van iets
(hij noemt het N-iets) dat het Universum overstijgt. Hij is daarvoor op zoek
gegaan in de Oosterse filosofie en de Oosterse religieuze traditie. Hij probeert,
zegt hij herhaaldelijk, het christendom te ver-oosteren, te boeddhiseren. Hij
doet dat op grond van zijn kennis van de oosterse filosofie en godsdiensten,
maar ook op basis van mystieke ervaringen die hij heeft gehad op bepaalde
plaatsen en bij bepaalde gelegenheden.
In zijn boek vinden we van beide aspecten een overvloed van informatie. Wat
hij ons aanreikt aan kennis van de oosterse filosofie en godsdienst, met haar
talrijke vreemde kernwoorden, is verwarrend, bevreemdend en in de grond
nietszeggend. Het blijft een vreemde wereld voor ons, we kunnen wel enigszins
vermoeden waar het om gaat, maar het is allesbehalve overtuigend, zelfs niet na
een grondige studie van de gebruikte termen. Bovendien zegt de auteur zelf dat
die filosofische en godsdienstige formuleringen noodzakelijkerwijze voorbijgaan
aan het essentiële: de mystieke ervaring.
Wat hij dan zegt, of probeert te zeggen over die mystieke ervaring, over
het Mysterie dat bestaat buiten het Universum, is even noodzakelijkerwijze nog veel
waziger en nog minder overtuigend. Ik twijfel geen ogenblik aan de eerlijkheid
van de auteur en aan de ernst en de diepgang van de ervaringen die hij heeft
gehad in Ierland en in het Verre Oosten. Maar wat heb ik daaraan? Wat hebben
wij allen daaraan? Religieuze ervaringen zijn persoonlijk en niet
overdraagbaar. Ze vinden hun oorsprong in de ontmoeting van een ontvankelijke
mens met bepaalde omstandigheden in het leven en in de natuur die tot een of
andere onzegbare extatische ervaring kunnen leiden. We hoeven niet aan
dergelijke ervaringen te twijfelen, ze zijn afdoende beschreven, onder meer op
uitstekende wijze door William James in zijn Varieties of Religious Experience, klik hier
voor mijn bespreking. Maar er is geen enkele aanwijzing, laat staan een bewijs,
dat er aan die reële ervaringen van concrete mensen ook maar iets zou
beantwoorden in de wereldse of buitenwereldse realiteit (wat dat ook moge wezen ).
Het zijn emotioneel sterk gekleurde ervaringen, maar ze hebben geen enkele
wetenschappelijke, filosofische of zelfs religieuze bewijskracht, ze bewijzen
niets, behalve zichzelf.
Professor Libbrecht meent van wel. Hij bouwt er zelfs zijn hele betoog op.
In de mystieke ervaring heeft de mens rechtstreeks contact met het Mysterie.
Dat contact is voor hem het hoogste en meest sublieme dat de mens kan
betrachten of verhopen. Het ontlokt de auteur enkele beeldrijke paragrafen,
zowel over oosterse als over westerse mystiek en mystici. Maar zoals ik al zei:
wat hebben wij daaraan? Het lijkt een beetje op het mysterieuze land El Dorado,
waar het goud in overvloed aanwezig was, maar dat niemand ooit heeft kunnen
vinden. Het is niet omdat sommigen zeggen dat ze dat land gezien hebben, dat
het er ook is
In de vlotte verteltrant van dit boek botsen deze verschillende ideeën
voortdurend met elkaar, soms met verhelderend effect, maar vaak ook met
frustrerende verwarring als gevolg. De scherpe afrekening met het katholicisme
leidt de lezer recht naar atheïsme en antiklerikalisme, maar dat wordt doorbroken
door de pogingen van de auteur om bepaalde christelijke dogmas te redden door
ze een (soms zeer vergezochte) nieuwe duiding te geven vanuit het boeddhisme.
Zijn afwijzing van de traditionele westerse filosofie en metafysica wijst
eveneens in de richting van scepticisme, monisme en wetenschappelijk naturalisme,
maar dan komt hij weer aandraven met zijn persoonlijke mystieke ervaringen en
die van anderen en met de rijke tradities van de oosterse filosofieën en
godsdiensten, die hem doen geloven in dat mysterieuze Niets.
Zo komen we er niet uit, lieve lezer. Er zijn geen zeven wegen naar de ene
waarheid en er zijn ook geen zeven waarheden. Professor Libbrecht is zeer
overtuigend in zijn ongenadige kritiek op het katholicisme waarin hij is
opgegroeid en waarin hij heeft geleefd. De beschrijving van zijn geestesnood
bij de ongerijmdheden van het geloof van zijn vaderen is zowel schrijnend als
respectabel in haar wanhopige eerlijkheid. Maar wat hij in het Oosten heeft
gevonden, het Licht dat hij daar meent te ontwaren, is mijns inziens slechts de
weerkaatsing, in een duistere spiegel dan nog, van het valse Licht der Wereld
dat het christendom in het Westen verkondigd heeft. De oosterse filosofie en
godsdiensten verschillen niet fundamenteel van de westerse, enkel in hun vorm,
zoals ook de oosterse en westerse mens niet fundamenteel van elkaar verschillen.
Het Boeddhisme biedt geen oplossing, niet als een alternatief voor het
christendom en niet als een inspiratiebron om het versleten christendom op een
nieuwe leest te schoeien en zo te revitaliseren.
Wie zoals de auteur teleurgesteld is en zelfs gedegouteerd door het
christendom, zal in dit boek veel treffende en overtuigende raakpunten vinden. De
laatste jaren zijn er anderzijds steeds meer mensen die in het Boeddhisme een
alternatief gevonden hebben voor de godsdienst van hun jeugd. Het weze hen
vergund en voor hen zal wat professor Libbrecht hier aanreikt wellicht zinvol
zijn. Maar de echte zoekende mens zal zich net zo min tevreden stellen met de
exotische terminologie van de oosterse filosofie en kleurrijke godsdienstige rituelen
als met de christelijke theologie en mystiek. Wie behoefte heeft aan een
godsdienst, kan maar best aansluiten bij de meest gangbare in zijn of haar
omgeving, dat zei ook Spinoza al: het heeft geen zin om met veel bombarie het
katholicisme af te zweren om prompt bij het protestantisme te belanden in zijn
tijd, of om vandaag over te schakelen naar het boeddhisme, hindoeïsme, taoïsme
of, godbetert, de beruchte scientology-kerk.
We hoeven het christendom niet
te proberen boeddhiseren of te hindoeïseren, dat lukt toch nooit, zoals ook
pogingen om inheemse godsdiensten te christianiseren altijd deerlijk mislukt
zijn. Er is geen toekomst voor godsdiensten, behalve als een ontoereikend soort
soelaas, een doekje voor het bloeden of een pleister op een houten been, de
opium van het volk. De grond van het probleem, namelijk de zingeving voor de
niet-gelovige moderne mens, de kern van de spiritualiteit voor deze tijd, daar
komt professor Libbrecht niet aan toe. Wellicht is dat werk voor de volgende
generatie, maar dat kan alleen lukken als we daar vanaf vandaag werk van maken.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
09-07-2011
Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.
'Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.'
Het woord koninkrijk komt in de Nieuwe Bijbelvertaling niet zo heel vaak voor. Dit zijn de aantallen voor het Oude Testament:
De hoge frequentie in Daniël is volledig te wijten aan de droom van Nebuchadnezar en de uitleg die Daniël eraan geeft: het gaat om het koninkrijk van de Meden en de Perzen.
De joden hadden het niet zo begrepen op koningen. De verhalen die we in de Bijbel daarover aantreffen, lopen meestal niet goed af. Geen wonder dat men uiteindelijk besliste om geen koningen meer aan te stellen: alleen Jahweh heerste. Wellicht ligt daarin de oorsprong van het Joodse monotheïsme: Jahweh als koningsfiguur, de priesters als wereldlijke én religieuze leiders, een echte hiërarchie, van het Griekse hieros, priester en archein, heersen, besturen, leiden.
En dit zijn de aantallen voor het Nieuwe Testament:
Opvallend is dat het woord koninkrijk het vaakst voorkomt in de synoptische evangeliën, die grotendeels gebaseerd zijn op een gemeenschappelijke vroegere, verloren gegane bron (Q of Quelle). Johannes gebruikt het woord slechts bij twee gelegenheden en Paulus bijna helemaal niet.
Bij Matteüs vinden we bijna uitsluitend de formule: het koninkrijk der hemelen, enkele malen: het koninkrijk van God. Bij Marcus en Lukas is het bijna uitsluitend: het koninkrijk van God. Dat is ook zo bij Johannes en bij Paulus. In Johannes 18, 36 vinden we de bekende tekst: Jezus antwoordde: Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.
Het is de meest nadrukkelijke verklaring van deze fundamentele boodschap, die alleen bevestigt wat we ook bij de synoptici al vonden: het koninkrijk is niet van deze wereld, het is het Rijk Gods, het rijk der hemelen. Het is aan de vertegenwoordiger bij uitstek van de wereldse macht, van de Romeinse bezetter, de landvoogd Pilatus, dat Jezus die verklaring aflegt, om zo het contrast tussen die wereldse macht, de koninkrijken van de aarde en het on-wereldse, bovenaardse koninkrijk der hemelen, het Rijk Gods, in alle duidelijkheid te stellen. Pilatus vraagt hem, de beschuldiging herhalend van de farizeeërs, de Joodse religieuze machthebbers: zijt gij de koning der Joden? Jezus antwoordt: gij zegt dat.
Dit is de volledige passage zoals ze bij Johannes, hoofdstuk 18 staat, hier in de Nieuwe Bijbelvertaling:
28 Jezus werd van Kajafas naar het pretorium gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen ze niet naar binnen, om zich niet te verontreinigen voor het pesachmaal. 29 Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg: Waarvan beschuldigt u deze man? 30 Ze antwoordden: Als hij geen misdadiger was, zouden we hem niet aan u uitgeleverd hebben. 31 Pilatus zei: Neem hem dan mee, en veroordeel hem volgens uw eigen wet. Maar de Joden wierpen tegen: Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen. 32 Zo ging de uitspraak van Jezus in vervulling waarin hij aanduidde welke dood hij sterven zou.
33 Nu ging Pilatus het pretorium weer in. Hij liet Jezus bij zich komen en vroeg hem: Bent u de koning van de Joden? 34 Jezus antwoordde: Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij gezegd? 35 Ik ben toch geen Jood, antwoordde Pilatus. Uw volk en uw hogepriesters hebben u aan mij uitgeleverd wat hebt u gedaan? 36 Jezus antwoordde: Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier. 37 Pilatus zei: U bent dus koning? U zegt dat ik koning ben, zei Jezus. Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg. 38 Hierop zei Pilatus: Maar wat is waarheid?
Merkwaardig is de manier waarop men die ene zinsnede in het Nederlands heeft vertaald. In de vroeger alomtegenwoordige Willibrordvertaling staat het zo:
Pilatus hernam: Gij zijt dus toch koning? Jezus antwoordde: Ja, koning ben ik. Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid.
Let op het verschil met de meer accurate Nieuwe Bijbelvertaling, die veel minder triomfalistisch is: U zegt dat ik koning ben, waaronder we moeten verstaan: ik heb dat niet gezegd, een verwijzing naar de eerste vraag van Pilatus naar Jezus koningschap en Jezus eerste antwoord: Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij gezegd? (34) Ook de Griekse en de Latijnse tekst van de Vulgata zijn ondubbelzinnig: su legeis hoti basileus eimi, tu dicis quia rex sum ego. Er staat niet: Ja, ik ben koning (Willibrord) en er staat ook niet: gij zegt dat ik me koning noem. Jezus neemt klaar en duidelijk afstand van de beschuldigingen van de Joden, die door Pilatus overgenomen worden. Hij zegt zonder meer dat hij géén koning is, dat hij geen aanspraak maakt op die titel, dat hij dat nooit gedaan heeft. Dit wordt bevestigd door al de plaatsen in het Nieuwe Testament waar sprake is van het koninkrijk der hemelen of het koninkrijk Gods: nergens is Jezus de koning, God is de enige heerser. Het Rijk Gods is waarlijk niet van deze wereld, het bevindt zich in de hemelen.
Wanneer de goede moordenaar, die we enkel bij Lukas aantreffen (23, 43-44) hem zegt: Jezus, herinner, nu mij wanneer u komt in uw Rijk, antwoordt Jezus: Vandaag zul je met mij in het paradijs zijn. Voor Rijk staat er: regnum, basileian, koninkrijk dus. Het paradijs waar Jezus over spreekt is ook niet van deze wereld, het is iets dat deze wereld overstijgt, een toestand waarbij men los is van de aarde. Toch nog een woord over de Nieuwe Bijbelvertaling. In de Griekse tekst staat driemaal het woord 'basileia' en in het Latijn driemaal 'regnum'. Waarom dan de eerste twee keer deze woorden vertalen als 'koningschap' en de derde keer, in dezelfde zin, als 'koninkrijk'? Daardoor verdraait men de inhoud bijna zo flagrant als de Willibrordvertaling. Als men Jezus laat spreken over 'mijn koningschap', dan lijkt het alsof hij inderdaad op een of andere manier koning is. Maar dat staat er niet! Hij spreek over zijn koninkrijk, basileia, regnum, dezelfde woorden die er ook telkens staan als hij spreekt over het koninkrijk Gods, het koninkrijk der hemelen.
Het loont ook de moeite om even de verschillen te bekijken in het verhaal over Jezus verschijning voor Pilatus bij de drie synoptici en bij Johannes.
Beginnen we met Matteüs. Op de vraag van Pilatus of hij de koning der joden is, wat in strijd zou zijn met de akkoorden die de joden gesloten hadden met Rome, op hun eigen verzoek, antwoordt Jezus kort: Gij zegt het (tu dicis, su legeis); dat is ook zo bij Mt en Lk. Van dan af doet Jezus er het zwijgen toe, wat de hogepriesters, Herodes of Pilatus hem ook vragen of zeggen. Dat Jezus letterlijk van Pontius naar Pilatus gestuurd wordt, met Herodes als tussenstation, staat enkel bij Lukas; ook de verklaring van Pilatus dat Jezus onschuldig is staat enkel daar vermeld. Mt en Mk sluiten weer aan bij Lk wanneer Pilatus de Joden de keuze laat tussen Jezus en Barabbas. Opvallend daarbij is dat bij Mt Pilatus Jezus niet de koning der Joden noemt, maar Jezus, de zogenaamde Christus. Enkel Markus legt hem deze woorden in de mond: Willen jullie dat ik de koning van de Joden zal vrijlaten?
Wat een verschil met het verhaal van Pilatus rechtspraak dat wij bij Johannes vonden. Enkel daar staat de befaamde tekst over Jezus koninkrijk. De andere twee vindplaatsen voor het woord koninkrijk bij Johannes staan in het derde hoofdstuk, in het nachtelijk gesprek met Nicodemus, telkens als koninkrijk der hemelen.
Er kan dus niet de minste twijfel over bestaan: volgens elk van de vier evangelisten zelf heeft Jezus op geen enkel moment gedacht dat hij hier op aarde een koninkrijk zou vestigen, noch dat zijn leerlingen dit na hem zouden doen. Het nachtelijk gesprek met Nicodemus (Joh. 3) is daarover zeer verhelderend:
1 Zo was er een farizeeër, een van de Joodse leiders, met de naam Nikodemus. 2 Hij kwam in de nacht naar Jezus toe. Rabbi, zei hij, wij weten dat u een leraar bent die van God gekomen is, want alleen met Gods hulp kan iemand de wondertekenen doen die u verricht. 3 Jezus zei: Waarachtig, ik verzeker u: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien. 4 Hoe kan iemand geboren worden als hij al oud is? vroeg Nikodemus. Hij kan toch niet voor de tweede keer de moederschoot ingaan en weer geboren worden? 5 Jezus antwoordde: Waarachtig, ik verzeker u: niemand kan het koninkrijk van God binnengaan, tenzij hij geboren wordt uit water en geest. 6 Wat geboren is uit een mens is menselijk, en wat geboren is uit de Geest is geestelijk. 7 Wees niet verbaasd dat ik zei dat jullie allemaal opnieuw geboren moeten worden. 8 De wind waait waarheen hij wil; je hoort zijn geluid, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat. Zo is het ook met iedereen die uit de Geest geboren is. 9 Maar hoe kan dat? vroeg Nikodemus. 10 Begrijpt u dit niet, zei Jezus, terwijl u een leraar van Israël bent? 11 Waarachtig, ik verzeker u: wij spreken over wat we weten en we getuigen van wat we gezien hebben, maar jullie accepteren ons getuigenis niet. 12 Wanneer jullie me niet geloven als ik over aardse dingen spreek, hoe zouden jullie me dan geloven als ik over hemelse dingen spreek?
Het koninkrijk van God kan men enkel zien als men opnieuw geboren is, als men dus is overgegaan van dit aardse leven naar een nieuw leven. Wie dit niet begrijpt, zoals Nicodemus, nochtans een geleerde, een leraar van Israël, moet bedenken dat Jezus niet spreekt over aardse dingen, epigeia, maar over over hemelse dingen, epourania, dingen die te maken hebben met de ouranos, de hemel. Bij Mt is dit de term die Jezus gebruikt voor het rijk der hemelen: basileia toon ouranoon, dat voortdurend voorkomt in de parabelen: het rijk der hemelen is als...
Bij Johannes neemt Jezus de laatste twijfel weg. Hij wimpelt de beschuldiging af als zou hij zich koning noemen: het zijn anderen die dat gezegd hebben en ook Pilatus zegt het op zijn beurt, Jezus niet, nooit heeft men hem daarop kunnen betrappen. In tegendeel, hij verklaart zich nader, mocht er nog enige twijfel bestaan over zijn zending: de enige reden waarom hij geboren is, waarom hij naar deze wereld gekomen is, is dat hij is komen getuigen van de waarheid. Hij is geen rijk komen stichten op aarde, geen wereldse macht. Hij is een getuige van de waarheid, meer niet. Hij wil dat de waarheid zegeviert, niet de leugen. Hij wil dat de mensen zoeken, inzien wat de waarheid is en er ook naar leven.
In het Grieks staat er voor 'getuigenis afleggen' marturèsoo. De oorspronkelijke betekenis van matyros is helemaal niet 'martelaar', maar getuige. Lut heeft daarover een interessante tekst op haar blog, waar het gaat over de Palestijnse 'martelaars', de zelfmoordterroristen.
En dan volgt een van de meest merkwaardige passages in het hele Nieuwe Testament. Pilatus, Romein onder de Joden, vreemdeling, zoals Mozes stranger in a strange land, de buitenstaander parexcellence, burgerlijk en religieus, de proverbiale plantrekker, de man die zijn handen wast in onschuld en ze dan aftrekt van Jezus om hem over te leveren aan de Joden, die man antwoordt op Jezus verklaring dat hij enkel gekomen is om getuigenis af te leggen van de waarheid. Hij heeft het allemaal al zo vaak gehoord. Als intellectueel, levend in een tijd van syncretisme, waarin talloze godsdiensten elk voor zichzelf de unieke waarheid claimen, weet hij dat er niet één waarheid is, dat de godsdiensten en de filosofen elkaar allemaal tegenspreken en dat ze dus niet allemaal gelijk kunnen hebben. Hij slaakt een diepe zucht en haalt de schouders op bij die plechtstatige verklaring van deze Jezus, zijn mission statement en zegt, de ogen ironisch ten hemel slaand: De waarheid? Maar beste man, wat is de waarheid?... Quid est veritas? Ti estin alètheia?
Daarop breekt Pilatus de ondervraging af. Dit is geen misdadiger, dit is een filosoof! Of een geestesgestoorde. Maar in geen geval schuldig en dat zegt hij ook aan de Joden. Maar het mocht niet baten. Wij kennen de rest van het verhaal.
Ik heb jullie uitvoerig onderhouden (dat hoop ik althans) over het koninkrijk der hemelen, het Rijk Gods en over Jezus vermeend koningschap. Wij hebben gezien dat de Joden in het Oude Testament spaarzaam omgingen met het woord. Ze gebruikten het enkel voor andere koninkrijken, dat van de Meden en de Perzen bijvoorbeeld. Na hun eigen nare ervaringen met koningen in hun verre voorgeschiedenis wensten ze geen koninkrijk meer te zijn, geen koningen meer te hebben naast Jahweh. Wanneer Jezus dan komt en herhaaldelijk spreekt over de komst van het koninkrijk der hemelen, weten zij zeer goed dat hij het niet heeft over een werelds rijk. Maar zij maken misbruik van Jezus woordkeuze om hem bij de Romeinse landvoogd te beschuldigen van wereldse ambities: hij zou zich koning van de Joden genoemd hebben, een manifeste leugen. Jezus heeft steeds duidelijk gemaakt, tot aan het kruis, tot zijn laatste snik, dat hij spreekt over de hemel, niet over de aarde, over het Rijk van God, niet dat van Jezus, een geestelijk rijk, waartoe eenieder kan behoren die oprecht naar de waarheid zoekt.
Wie goed naar Jezus luistert, kan iets vernemen over de waarheid. Dat is zijn enige taak, zegt hij zelf, in het aanschijn van de dood, zijn enig doel: de mensen de weg tonen naar de waarheid, hen zelf doen nadenken over wat waar is en wat niet. Maar zij mogen zich niet vergissen: het gaat niet om het vestigen van een wereldse macht die de waarheid in pacht heeft en die ze oplegt aan de mensen, die hen dwingt te leven volgens hun versie van de waarheid. Dat heeft niets te maken met het Rijk Gods, met het koninkrijk der hemelen, dat bovenaards is, niet van deze wereld. De waarheid vinden we niet in de wereld en niet bij de macht. Iedereen kan de waarheid zoeken, men hoeft niet over macht te beschikken, in tegendeel: hoe meer macht men heeft of ambieert, hoe kleiner de kans dat men de waarheid zal vinden. De waarheid zoeken we het best in ons hart. Ze vinden doen we met onze geestelijke vermogens, met ons verstand, onze geest, ons brein, ons bewustzijn, onze hersenen of hoe je het ook wil formuleren.
Wanneer we deze prachtige gedachten en deze wijze Jezuswoorden ter harte nemen en vervolgens kijken naar de geschiedenis van het christendom, dat zich beroept op deze Jezus en op dit Evangelie, dan wordt het ons droef te moede. Hoe is het zo grondig verkeerd kunnen gaan? Hoe heeft men zo radicaal het tegenovergestelde kunnen nastreven van wat de stichter van het christendom zelf zo overduidelijk heeft gezegd en herhaald: mijn koninkrijk is niet van deze wereld! Hoe heeft men zo flagrant dit mission statement naast zich neer kunnen leggen en zo brutaal en zonder omzien uitgerekend steeds weer net dat kunnen doen wat Jezus niet wou: een werelds koninkrijk hier op aarde stichten en dan nog in zijn naam! Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel, hebben we leren bidden, maar dat is uitgerekend wat Jezus niet wilde, wat hij wou verhinderen, waarvoor hij waarschuwde: als hij dat had gewild, dan had hij wel aan zijn hemelse Vader gevraagd om zijn legioenen naar de aarde te sturen om te verhinderen dat hij zou gevangen genomen worden en uitgeleverd, gehoond, gemartelaard, gedoornekroond en gekruisigd!
Jezus was, naar hij zelf nadrukkelijk verklaarde, niet gekomen om een koninkrijk te stichten op aarde, maar om te getuigen van de waarheid, om ons op te roepen om niet de macht te zoeken, maar de waarheid. Ik laat het aan jou over om de geschiedenis van het christendom te bekijken en de kerk van vandaag en dan te oordelen of Jezus eigen woord gehoor heeft gevonden in de kerk die hem tot God zelf verheven heeft.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
02-07-2011
Vervloekt christendom! De Antichrist van Nietzsche
Ik heb het hier al vaker opgemerkt: in heel mijn katholieke opvoeding is
met geen woord gerept over de kritiek die er nochtans steeds geweest is tegen
het katholicisme, tegen het christendom en tegen godsdienst in het algemeen. De
naam van Friedrich Nietzsche hoorden we wel eens vernoemen en we kenden ook zijn
meest bekende uitspraak: God is dood! Maar daar bleef het bij. Wat Nietzsche zelf
te zeggen had, dat was van geen tel.
Toen ik in Leuven filosofie ging studeren was een van de eerste werkjes die
ik moest maken uitgerekend over Nietzsche: ik moest hem opzoeken in vier
filosofische encyclopedieën, in het Frans, Engels, Nederlands en Italiaans nog
wel. Ik heb dat heel nauwgezet gedaan en er een mooie scriptie aan gewijd die
goed ontvangen werd door wijlen professor André Wylleman, wellicht omdat ik me zeer
kritisch uitliet over de recuperatie door het Nazisme van Nietzsche. Let wel:
ik heb toen geen woord van Nietzsche gelezen, enkel die vier encyclopedie-artikels.
Ik kocht me wat later een pocketuitgave van Also
Sprach Zarathustra, in het Frans, ik weet niet waarom, ik had net zo goed
een Nederlandse vertaling kunnen opzoeken in de bibliotheken, maar dat kwam
toen niet bij mij op, ik was achttien en wist niet beter Hoe dan ook, ik
verstond van Zarathustra geen bal, het sprak me ook niet aan, het leek me hiëratisch
gezwets.
Op mijn verlanglijstje stond al een tijdje het werk dat Nietzsche in 1888
schreef, maar dat pas in 1895 verscheen, sterk gecensureerd door zijn zuster: Der Antichrist. Fluch auf das Christentum. Toevallig viel mijn oog erop in de
Leuvense stadsbibliotheek Tweebronnen. Het is een boekje van bescheiden omvang,
amper honderd kleine bladzijden. De vertaling is oorspronkelijk van Pé
Hawinkels, de Nederlandse auteur die het bestond om in zijn korte leven
(1942-1977, hij stierf aan een hartaanval) zowel Job en Prediker te vertalen
(met Pius Drijvers) als songteksten te schrijven voor de beruchte Herman Brood.
De vertaling van 1973 is herwerkt, van een nawoord en noten voorzien en bij De
Arbeiderspers uitgegeven in 1997. Het is tweedehands zeker nog te vinden, prijs
6 tot 12 . Er is ook een Engelse vertaling van niemand minder dan H.L.
Mencken, dat moet de moeite zijn, maar hij gebruikte wel de gekuiste versie. Ik
denk dat ik het origineel eens ga lezen, in het Duits moet dit een bijzonder
krachtige indruk maken, vermoed ik.
Ik heb weinig nieuws gevonden in dit boekje. Dat is geen verwijt, in
tegendeel: het wijst erop dat iedereen die na Nietzsche over God, godsdienst en
atheïsme geschreven heeft bij hem te rade is gegaan, of dat hij in 1888 al tot
dezelfde conclusies was gekomen die wij, ook ik, nu als origineel aanvoeren. Ik
betreur het zeer dat niemand mij ooit aangeraden heeft dit boekje te lezen en
ik wil dat rechtzetten door jou met enige aandrang uit te nodigen om dat alsnog
te doen.
Er zijn zeker een aantal uitspraken van Nietzsche in dit werk die ook nu
nog de lezer sterk zullen beroeren. Hij mijdt het schelden niet en is daarin verrassend
bloemrijk en ongemeen krachtig. Zijn kritiek geldt het christendom maar ook de
voorganger, het Jodendom moet het ontgelden. Dat is zeker sinds de Holocaust
politiek incorrect en het klinkt ook uiterst kwetsend. Maar ik zie daarin geen
antisemitisme van de kant van Nietzsche. Hij kiest de joden er niet uit om ze
specifiek aan te vallen, ze behoren nu eenmaal tot de voorgeschiedenis van het
christendom dat hij op de korrel neemt. Hij noemt het christendom drie keer zo
erg als het Jodendom en dat spreekt elke verdenking van antisemitisme afdoende tegen.
Hij is een tegenstander van het Judaïsme, niet van de joden; van de godsdienst,
niet van het ras.
Het Nazisme heeft zeker ook gnuivend uit dit boekje geput om er zijn
rabiaat en fataal antisemitisme mee te kruiden. Maar kan men Nietzsche kwalijk
nemen dat men een aantal weliswaar krasse maar totaal uit de context gerukte zinsneden
uit zijn werk heeft misbruikt om een ras te denigreren en te proberen om het
uit te roeien?
De grondgedachte van Nietzsches redenering is er een waarmee mijn lezers
zullen vertrouwd zijn: de Godgedachte is een onzalige uitvinding van de mens en
is een voor de mens uiterst nefaste vertekening van de waarheid. De wereld zit
niet ineen zoals de godsdienst het stelt, er is geen God die de wereld bestiert,
geen almachtige Schepper, geen rechtvaardige Rechter, geen liefdevolle Vader.
Het is niet mogelijk om in het ontstaan van de wereld of in het verloop van de
geschiedenis de hand van God te zien. Deze volkomen onterechte hineininterpretierung
staat helemaal op naam van de priesterkaste, die daarmee uitsluitend de
vestiging en instandhouding van haar eigen wereldse macht op het oog had.
Ik heb me bij het lezen ook wel gestoord aan de opdeling die Nietzsche
maakt tussen drie categorieën van mensen: de denkers, de krijgers en het plebs.
Hij geeft teveel de indruk dat het om sociologisch herkenbare gesloten groepen
gaat, waartoe men behoort op basis van afkomst. Hij zag niet genoeg in dat elk
individu de mogelijkheid heeft om, desnoods mits het leveren van aanzienlijke
persoonlijke inspanningen, te ontsnappen aan zijn of haar milieu. Ik benadruk
hier zijn of haar, omdat Nietzsche het ook niet begrepen heeft op de vrouw. In
zijn tijd had de vrouw nog niet haar terechte plaats in de maatschappij
verworven en dat heeft zijn denken sterk beïnvloed. Hij zegt nergens dat de
vrouw hoort te zijn zoals ze toen meestal was, hij stelt alleen vast dat het zo
was.
Ik vind Der Antichrist een
merkwaardig tijdsdocument. Nietzsche had gedroomd van een veel langer werk,
waarin hij zijn opvattingen over de rol van de godsdienst in de geschiedenis en
in de maatschappij nog eens uitvoerig zou uiteenzetten, voortbouwend op wat hij
daarover in vroegere geschriften had gezegd. Die eindafrekening zou gelijktijdig
verschijnen in zeven talen, telkens in een oplage van maar liefst een miljoen
exemplaren. De publicatie ervan zou wereldwijd het einde van het christendom betekenen,
niemand zou zich immers nog christen of gelovig durven te noemen na kennis
genomen te hebben van al de uiterst overtuigende argumenten die hij had
aangehaald.
Het is bij deze inleidende gedreven tirade gebleven. In 1889, minder dan een
jaar na het schrijven van Der Antichrist,
gleed Nietzsche weg in de waanzin. Hij was zijn leven lang in een precaire
gezondheidstoestand geweest, fysiek en mentaal. Sommigen hebben zijn
uiteindelijke ineenstorting toegeschreven aan de gevolgen van syfilis, maar de
ziekte is nooit officieel bij hem vastgesteld en zijn ziektebeeld is ook niet
dat van syfilis: hij heeft nog meer dan tien jaar in zijn waanzin geleefd, terwijl
de typische syfilispatiënt al na een korte periode en zeker na minder dan vier
jaar overlijdt. Zijn boekje verscheen zoals gezegd pas in 1895, buiten zijn
weten, sterk gekuist door zijn zus Elizabeth, om het schandaal een beetje te
beperken. Het heeft niet de definitieve wereldwijde omwenteling teweeggebracht
die de auteur zich ervan voorgesteld had. Maar het is wel een eigen leven gaan
leiden. In elke generatie hebben verstandige mensen het gelezen, vertaald en
verspreid omdat ze het de moeite vonden om dat te doen, ook al zagen ze in dat
het een onvolkomen, beperkt en door zijn scheldende taal en stijl moeilijk
verteerbaar werk was.
Maar niemand kan ontkennen dat de basisgedachte uiterst belangrijk is en
voor haar tijd veeleer uitzonderlijk, dat Nietzsche een geniale analyse heeft
gemaakt van de rol van de godsdienst en van het christendom in het bijzonder,
een analyse die wij vandaag zonder meer onderschrijven. En wat dat schelden
betreft, lieve lezer: ook ik heb mij hier al vaker laten verleiden tot grove
taal en agressieve woorden tegenover mensen die doelbewust hun goedgelovige medemens
bedriegen met als enige bedoeling om hen aan zich te onderwerpen en om te
parasiteren op hun arbeid en welwillendheid.
Je zou verdomme voor minder!
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
30-06-2011
moskeeën en kathedralen
Kathedralen zijn prachtig. Dat heeft men
ons altijd voorgehouden, van kleins af aan en op de duur ga je het ook geloven.
Maar ik niet. Ik was niet geneigd om voetstoots aan te nemen wat men mij
probeerde wijs te maken. Ik bekeek als jonge knaap kapellen, kerken en
kathedralen met een onderzoekende, kritische blik, en ik zag dat het niet goed
was.
Vooreerst zijn dergelijke gebouwen zelden
functioneel. Enkele jaren lang ben ik dagelijks naar de zevenurenmis gegaan in
de Sint-Vincentiuskerk in Eeklo, mijn geboortestad. Het is een neogotische kathedraal
van het einde van de 19de eeuw. We zaten daar met een handvol leerlingen
van de lagere school die zich verplicht voorbereidden op het vormsel en de
plechtige communie, toen nog een gebeurtenis in het leven van kinderen. Af en
toe was er ook een of andere kwezel, een klopje zegt men in Nederland, maar
meestal niet. De parochiepriester van dienst haspelde de betaalde mis af, de koster
ook, al bij al minder dan twintig minuten. Ik heb de kerk toen van alle kanten rustig
kunnen bekijken en vastgesteld dat het geen efficiënt gebouw was: veel te
groot, veel te hoog, met veel verloren ruimten zoals de verwaarloosde kapellen
in de zijbeuken, maar zonder toiletten. Enorme beschilderde glasramen,
versieringen alom op de muren en pilaren, smakeloze schilderijen, kitscherige
plaasteren heiligenbeelden, sombere biechtstoelen. Alleen het reusachtige orgel
op het doksaal kon me boeien. Later heeft men in vele kerken winterkapellen
ingericht, kleine afgesloten ruimten die men wel kon verwarmen, maar dan was
het al te laat.
Ik voelde me er niet thuis, het was geen
gebouw op mensenmaat. Ik voelde toen al aan dat het een enorme verspilling was.
Het was geen functioneel gebouw, het vervulde zijn functie niet. De kerk met
haar toren van net geen honderd meter hoog was niet gebouwd voor de eredienst,
maar om indruk te maken. Maar ook van buiten is het is een aartslelijk gebouw.
Er zijn hier en daar geslaagde neogotieke kerken, maar die van Eeklo is een
monstruositeit.
Diezelfde indruk heb ik bij de vele
kathedralen die ik in de loop van mijn leven bezocht heb in binnen- en
buitenland. Verspilling, grootheidswaanzin. Zeldzaam zijn de kerken die ook
maar enigszins gezellig zijn, interessante ontmoetingsplaatsen voor mensen. Het
moest het Huis van God zijn, zoals het woord kerk zelf zegt: het is afgeleid
van het Griekse woord kuriakos,
daarin zie je de stam kurios, heer
(zoals in Kyrieeleison, Heer heb medelijden). De kerken en kathedralen zijn om
allerlei redenen gebouwd, maar slechts in de laatste plaats om goed gebruikt te
worden. Geen wonder dat ze vandaag leeg staan. Sommige zijn zelfs gewoon
gesloten voor alle gebruik en vervallen onherroepelijk.
Dat geeft maatschappelijke en nu ook
politieke problemen, want het onderhoud van dergelijke gebouwen vraagt
handenvol geld. De katholieke kerk heeft de middelen niet voor het grote en het
kleine onderhoud. De kerkfabrieken en de gemeenten die bij wet verplicht zijn
om daarvoor op te draaien, hebben dat geld evenmin of verkiezen het te
gebruiken voor andere, nuttiger doeleinden zoals het bouwen en onderhouden van
zwembaden, concertzalen, culturele centra, sporthallen, bibliotheken enzovoort.
Ze hebben het alsmaar moeilijker om aan hun burgers uit te leggen dat miljoenen
euros van de belastingen gaan naar het onderhoud van gebouwen waar die burgers
niet meer komen of zelfs niet meer kunnen komen omdat ze gesloten zijn.
Onze Vlaamse regering denkt er nu aan om
de kerken die nog in goede staat zijn open te stellen voor alternatief gebruik,
geheel of gedeeltelijk: tentoonstellingsruimte, ontmoetingsplaats, cultureel
centrum, bibliotheek. Een uitstekend idee, maar een dat ingaat tegen
tweeduizend jaar traditie: de kerk is het Huis van God, kuriakon, een heilige ruimte. Jaren geleden verbood de toenmalige
bisschop van Gent alle uitvoeringen van niet-religieuze muziek, in het kader
van het succesvolle Festival van Vlaanderen of anders, in de kerken en
kathedralen van zijn bisdom. Waarom? Omdat de kerk een heiligdom is, het huis
van God, niet van de mens. Daar spreekt God, daar zwijgt de mens eerbiedig en
buigt het hoofd onderdanig.
We wensen de Vlaamse minister veel
succes. De tijden zijn nu rijper voor dergelijke beeldenstormende ideeën dan in
mijn jeugd, toen de triomfalistische kerk nog dacht dat ze eeuwig was, gebouwd
op Petros, de Rots.
Daar waar de Vlaamse kerken in verval
zijn of nog nauwelijks misgangers trekken, verrijzen er te allen kante moskeeën
en doen moslimgemeenschappen aanvragen om uit te breiden of nieuwe gebedshuizen
te bouwen, met geldelijke steun uit de oliestaten, vooral Saudi-Arabië, dus met
wat wij uitgeven aan benzine en diesel en stookolie. Dergelijke bouwaanvragen
stuiten niet zelden op verzet van de buurt of van het xenofobe zogenaamd Vlaams
Belang. Ook dezer dagen verzetten zij zich tegen plannen om een moskee op te
richten in het Antwerpse havengebied, op de terreinen waar men nog niet zo lang
geleden Opels bouwde. De islam is vandaag blijkbaar een economisch beter
product dan autos. Met de oliedollars die de heilige koeien van het Westen, de
autos, hebben opgebracht, bouwen de oliestaten hier nu gebedshuizen voor moslimmedebroeders
die hun land om een of andere reden ontvlucht zijn, bijvoorbeeld wegens een
gebrek aan democratie, individuele vrijheid, kans op werk, een degelijke
opleiding, gezondheidzorg, sociale zekerheid
Wij verzetten ons tegen de islamisering
van ons land, zoals we ons bijna tweeduizend jaar geleden verzetten tegen de christianisering,
de kerstening door Roomse zendelingen die onze heilige eiken zomaar omhakten.
Het enige verschil is dat de islam en de moskeeën niet voor ons bedoeld zijn,
maar voor de moslims die wij naar hier gehaald hebben of toegelaten tot ons
grondgebied. Wij willen geen minaretten, geen muezzins die vijf keer per dag oproepen
tot het gebed. We verkiezen de klokkentorens die computergestuurd het juiste uur
luiden en bij begrafenissen van de laatste gelovigen moeizaam de doodsklok
luiden over zichzelf en het godsvolk.
Ik heb geen bezwaren tegen godsdiensten
en hun rituelen, zolang het daar bij blijft. Ik deel de mening, voor een keer,
van Steve de allitererende stotteraar Stevaert, de laatste politicus die erin
slaagde om het socialisme als iets aantrekkelijks voor te stellen en die vond
dat het goed is als de kerken vol zitten: baat het niet dan schaadt het niet.
Ik denk inderdaad dat het geen kwaad kan wanneer mensen samenkomen om hun
geloof te belijden en zich te bezinnen over de grote levensvragen. Ik ben het
niet eens met de antwoorden die men hen daarbij probeert op te dringen, maar ik
heb genoeg vertrouwen in de mensheid om te geloven dat ze wijs genoeg zijn om
een onderscheid te maken tussen de onzin en het poëtisch zinvolle, tussen de
dwaasheid en de levenswijsheid.
Het gevaar komt niet van gelovige gemeenten
of gemeenschappen, maar van de organisatie die erachter schuil gaat, de kerk of
in het geval van de moslims, de imams en de buitenlandse religieuze leiders in
allesbehalve democratische landen zoals Iran of de Golfstaten, waar de
priesters regeren, een hiërocratie, en niet God of Allah, wat een theocratie
zou zijn.
Ik ben dus voor kerken en moskeeën, ik
meen dat gelovigen het recht hebben om samen te komen in daartoe geschikte
ruimten. Maar ik vind wel dat ze die zelf moeten betalen. Men zou dus beter de buitenlandse
geldstromen onderzoeken en verbieden waarmee die duistere organisaties die de
imams betalen en de bouw van moskeeën. Dan zou de vraag naar nieuwe moskeeën zich
allicht niet meer zo dringend stellen. Men zou op dezelfde manier de geldstromen
moeten onderbreken die de katholieke kerken lang na hun houdbaarheidsdatum in
leven proberen te houden. Gelovigen hebben niet veel nodig om hun geloof te
belijden, hun rituelen te vieren, dat kan in elke propere zaal, daarvoor heb je
geen exclusieve ruimten nodig, geen majestueuze kathedralen en pronkerige
moskeeën. Die bouwt men inderdaad niet voor de eredienst, maar om ermee te
pronken, om een statement te maken, om te laten zien dat men er is en dat men
geld en macht heeft. Dat heeft niets, maar dan ook niets te maken met geloof,
religie en gemeenschap.
De politici van het zogenaamd Vlaams
Belang vergissen zich dus nog maar eens door hun onnadenkendheid, overigens een
endemisch verschijnsel in die partij; denken is daar zo ongebruikelijk dat men
niet eens de moeite moet doen om het te verbieden. Maar als iemand het toch
waagt, wordt hem of haar de deur gewezen, zoals wijlen Morel, voormalig
voorzitter Vanhecke en nu ook de al te kritische stroppendragers van de
Belfortgroep, maar dat terzijde.
Zij vergissen zich dus, en wel omdat ze
ageren tegen de moslims, terwijl de echte vijand de Islam is, niet als
godsdienst, maar als klerikale en dus wereldse macht, als buitenlandse én ondemocratische
pad in onze Westerse democratische korf. De moslims die hier legaal verblijven
hebben dezelfde rechten als elke andere Vlaming, ook op het gebied van hun
godsdienst en de beleving ervan. Maar zoals Luther zich terecht verzette tegen
de macht van Rome over de Duitse gelovigen, zo hebben wij ook het recht om ons
te verzetten tegen de buitenlandse en ondemocratische inmenging in ons land
door Iranese ayatollahs en Saudische imams, hun betaalde zendelingen en hun met
oliedollars opgerichte luxemoskeeën.
Misschien zal dit standpunt sommige van mijn
lieve lezers verrassen, gewoon als ze zijn aan veel krachtiger taal van
mijnentwege als het over God en godsdienst gaat. Maar wanneer we inzien dat God
niet bestaat, dat het een uitvinding is van de mens, wanneer we ons vervolgens
afvragen waarom de mensen God uitgevonden hebben en blijven uitvinden, wanneer
we dan vaststellen dat de enige bedoeling van die mensen is: hun wil aan
anderen op te leggen en tezelfdertijd zelf vrijgesteld te worden van werken
voor hun boterham zoals iedereen, dan volgt daaruit dat onze strijd niet met
een onbestaande God is, noch met de gelovigen die het slachtoffer zijn, maar
met de ware misdadigers: de gladde en koel berekenende mensen die zich
georganiseerd hebben in kerken en allerlei wazige verenigingen om hun doel te
bereiken: macht en rijkdom verzamelen voor zichzelf en daarvan profiteren
zolang ze kunnen.
Wij hoeven niet bevreesd te zijn voor
gelovigen, maar voor hun leiders. Zonder wereldse leiders zijn gelovigen
meestal totaal ongevaarlijk, in vele gevallen zijn ze in de grond en in de
praktijk even vredelievend en medemenselijk als hun atheïstische of religieus onverschillige
buren. Het gaat maar echt verkeerd als er in hun midden een Messias opstaat of
als een boerenzoon uit het zuiden van Duitsland zich opwerkt tot Paus van alle
christenen, Heilige Vader en plaatsvervanger van God op aarde en zich gaat kleden
in allerlei vreemde gewaden en rare hoeden draagt en toestaat dat mensen voor
hem knielen en zijn ring kussen. Nochtans waarschuwde Johannes al voor valse
leiders, voor de Antichrist die de plaats van God op aarde zou innemen (Joh 2).
Het helpt dus om na te denken over God,
godsdienst, geloof en kerk, op voorwaarde dat we de zaken zien voor wat ze
zijn, namelijk menselijke zaken en geen goddelijke. Als we steeds blijven bedenken,
tegen wat men ons altijd heeft voorgehouden in, dat er geen God is, maar wel
onbetrouwbare mensen die proberen om hun medemens in de luren te leggen voor
hun eigen voordeel, dan zullen we de Antichrist steeds kunnen herkennen aan
zijn leugens, want uit de waarheid komt nooit een leugen voort (Joh 2, 21).
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst
25-06-2011
Atheïsme in de bibliotheek
E
nkele dagen geleden besprak ik hier kort het boek De koningin onttroond, klik hier.
Ik vroeg me toen af wie zon boek zou kopen. Gisteren liep ik eens binnen bij
de Slegte in Leuven en daar werden mijn vermoedens bevestigd: je kan het daar
kopen voor minder dan tien euro, nieuw, in plaats van de oorspronkelijke
24,99. Altijd een teken aan de wand als je in de ramsj belandt
De Leuvense stadsbibliotheek Tweebronnen is nu volledig
geautomatiseerd. Je kiest je boeken, cds, dvds of andere materialen door te
snuisteren in de open rekken of na zoeken in de online cataloog op een van de
vele pcs die overal opgesteld staan. Om de cds vooraf te beluisteren zijn er
vijf cd-lezers ter beschikking met koptelefoon. Klaar? Dan naar de balie, waar
zich vier automaten bevinden. Eerst je kaart laten scannen, dan de uitgeleende
werken een voor een op de tafel leggen, de titels verschijnen op een scherm en
klaar is kees. Als je dat wil krijg je bliksemsnel een ticket met daarop alles
wat je ontleend hebt en wanneer het terug moet. Alles is gratis, maar als je
over tijd bent, betaal je boete. Dat hoeft niet meteen, je kan het laten
oplopen tot het de moeite is om aan de betaalautomaat het bedrag van je
bankkaart te halen of met een biljet te betalen. Het inleveren van de materialen
is nog eenvoudiger: gewoon op een lopende band leggen, de titels verschijnen op
het scherm. Het werkt allemaal feilloos. De besparingen op het gebied van
personeel moeten enorm zijn en die mensen zijn nu ook bevrijd van het eentonige
bandwerk bij het in- en uitchecken. Ze zitten nu te wachten tot je met een of
andere vraag bij hen komt. Met de kaartjes die in elk werk gekleefd zijn houdt men
tevens de beveiliging in het oog: als je naar buiten zou lopen zonder uit te
checken, weerklinkt er een luide pieptoon. Een fantastische oplossing, als je
het mij vraagt. Een klein nadeel: als je daarna een elektronisch beveiligde winkel
binnenwandelt, detecteert men ook daar de aanwezigheid van je ontleende
materialen:
Ik vond er een handig boekje van de hand van de Vlaamse
reus van de vrijzinnigheid, Etienne Vermeersch, die op 21 juni 2011 de tweejaarlijkse
Prijs van het Vrijzinnig Humanisme kreeg. Onder de titel: Atheïsme: de essentie behandelt hij op 72 kleine paginas inderdaad
de belangrijkste vragen die men zich daarover kan stellen, in zijn heldere, no nonsens
stijl. Leuk om als cadeautje te geven of te krijgen: 6,96 bij uitgeverij
Luster of in de boekhandel.
Wat godsdiensten als basiskenmerk gemeen hebben en wat
atheïsten afwijzen, is het bestaan van een onstoffelijk wezen dat niet tot het
universum behoort, maar met wie de mens toch contact heeft, in beide
richtingen: de mens kan zich in gedachten tot dat wezen richten met vragen,
opmerkingen, mededelingen enzovoort, een beetje zoals een virtuele ombudsman,
voor wie men ook ontzag en bewondering kan hebben en op wie men volledig
vertrouwt. Het Opperwezen treedt van zijn kant ook in contact met de mens, op
allerlei manieren, maar vooral door voor elke mens te zorgen in een liefdevolle
relatie.
Het is een vreemde gedachte, als je er even blijft bij
stilstaan. Stel jezelf eens de vraag: is er in mijn leven een dergelijk persoonlijk
wezen, met wie ik als persoon een reële en intense relatie heb?
Als dat niet zo is, dan ben je een atheïst, zoals de
meeste mensen, in de praktijk. Misschien is het tijd dat je dat gaat beseffen
en erkennen. Dan kan je er ook de consequenties uit trekken en je oude banden
met elke godsdienst loslaten en ijveren voor een rechtvaardige wereld zonder
godsdienst. Het is een pad dat niet over rozen gaat, of juist wel: met veel doornen
maar ook met prachtige bloemen!
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
16-06-2011
Religie en atheïsme
Een van mijn lezers is zelf ook behoorlijk actief op
het internet, meer bepaald als dichter. Jacques Quekel schrijft elke dag een
gedicht, behalve op zondag. Hij stuurt die met een mailtje aan zijn vrienden en
kennissen. Je vindt ze ook op een Nederlandse poëziewebsite, klik hier
en op zijn eigen blog, klik hier:
Dit is er eentje dat hij speciaal voor mij schreef,
toen hij mijn inleiding op de retrospectieve tentoonstelling van mijn buurman
Desiré had gelezen:
Maar ook het atheïsme te verdedigen tot elke prijs.
Maar we zullen bij leven,
Die lieve Karel het graag vergeven.
En dit stuurde hij me toe als een reactie op een
artikel in de Nederlandse pers, waarbij de voorzitter van de atheïstische vereniging
De Vrije Gedachte de agnosten op de korrel had genomen, met ongeveer dezelfde
argumenten en bewoordingen die ik gebruikt heb in mijn recente tekst over het
onderscheid tussen agnostici en atheïsten:
Atheïst
Een atheïst,
Is iemand die het religieus gevoel mist.
Maar even waardevol leeft,
Als iemand die dat gevoel van nature heeft.
Het is het gemis, dat hier beslist.
Dat gevoel is je wel of niet geven,
En kan de ander niet worden aangewreven.
Ik vind het een heel leuk versje en het is best wel
diepzinnig. Maar ik ben het hier niet met Jacques eens en ik vind het
belangrijk om dat duidelijk te maken, met dank aan Jacques voor de gelegenheid
die hij me daartoe biedt. Laten we de kwestie eens van nabij bekijken.
Er zijn verscheidene mogelijke etymologieën voor religie.
Cicero hield het op relego: her- of
intensief lezen, of het nauwgezet volgen van godsdienstige voorschriften.
Lactantius verwees naar religo:
samenbinden, verenigen. Wie een Latijns woordenboek openslaat zal versteld
staan over de verscheidenheid aan betekenissen die het woord had in de oudheid.
Geen daarvan komt overeen met wat wij hier vandaag onder religie verstaan: (een
van) de overheersende godsdienst(en). In Vlaanderen en in Nederland is dat het
katholicisme. Maar wij weten maar al te goed dat overheersend nog nauwelijks van
toepassing is. De katholieken vormen nog slechts een zeer beperkte minderheid
en de kerkelijke praktijk is tot bijna niets teruggelopen. Bovendien zijn de
meningen binnen de kerk(en) zo verdeeld dat men geredelijk mag zeggen: tot capita, tot sensus, zoveel hoofden,
zoveel zinnen. Godsdienst is in ruime mate een persoonlijke zaak, niemand laat
zich opleggen wat hij of zij moet geloven. De meeste gelovigen weten overigens
vrijwel niets over het officiële geloof, de dogmas; hun geloof is vooral een
traditie, enkele rituele overblijfsels, een taalgebruik. Ondervraagd over hun
diepere gevoelens en overtuigingen, blijven zij het antwoord schuldig of geven
blijk van een verregaand secularisme.
Religie is vanzelfsprekend veel ouder en veel ruimer dan
het christendom.
Het christendom is slechts één specifieke vorm die
religie heeft aangenomen in de geschiedenis. Dat christendom is zelf is
overigens uiterst verscheiden: hedendaagse westerse katholieken of protestanten
hebben nog nauwelijks iets gemeen met de eerste christengemeenten uit Paulus
tijd, met kerkvaders als Augustinus, met scholastieke denkers als Thomas
Aquinas, met fanatieke hervormers als Luther en zijn bestrijders zoals Philips
II van Spanje, met de inquisitoren en de contrareformatie, met de
triomfalistische kerk van het 19de en vroeg-twintigste-eeuwse katholicisme
of met de gewone gelovigen uit deze perioden uit de kerkgeschiedenis. Er is dus
niet één christendom, maar een veelheid van kerken en bewegingen, met daarbinnen
nog talrijke officieel afwijkende meningen, nog los van het persoonlijk geloof
van de individuele gelovige.
Maar er is in de wereld veel meer godsdienst dan het
christendom alleen, zowel vroeger als nu. Er zijn andere wereldgodsdiensten zoals
het Boeddhisme, het Taoïsme, het Hindoeïsme, het Judaïsme, om maar de grootste
te noemen. Er zijn wereldgodsdiensten geweest die ondertussen volledig
verdwenen zijn, zoals die van de Egyptenaren en de Oosterse volkeren van de
oudheid, van de Grieken en de Romeinen, van de Germanen, maar ook van de andere
continenten, Afrika, de Amerikas, Azië, Oceanië, elk in bonte verscheidenheid
en sterk evoluerend in de tijd.
Het zou dus een ernstige denkfout zijn om religie te
beperken tot een momentopname op één geografische plaats, ook als dat ons
moment en onze plaats is. Men kan dus wel zeggen dat iemand nu niet katholiek
is, maar daarmee is nog niets gezegd over zijn of haar religiositeit. Men kan
duizend andere dingen zijn dan rooms-katholiek en nog steeds zeer religieus. Ik
denk dat dit wel zeer duidelijk is.
Een vraag die men vandaag steeds vaker stelt is deze: bestaat
er een religieus atheïsme? Is dat überhaupt denkbaar of mogelijk?
Het is goed dat we heel duidelijk afspreken wat we met
de beide termen bedoelen. Als religie inhoudt dat men aanvaardt dat er een persoonlijke
God is die boven de wereld verheven is en die ingrijpt op die wereld en op
alles wat erop leeft, dan kan men onmogelijk spreken van een religieus
atheïsme, dan hebben we te maken met een contradictio in terminis. Ook dat is
duidelijk. Maar in het voorgaande hebben we vastgesteld dat religie helemaal
niet hoeft te betekenen, noch ooit uitsluitend betekend heeft dat men gelooft
in één transcendente, almachtige en algoede God. We kunnen dus hoogstens
stellen dat men niet tegelijk rooms-katholiek en atheïst kan zijn.
Voor andere godsdiensten is dat al veel moeilijker: er
is een vrijzinnig protestantisme en idem judaïsme. De oosterse godsdiensten
kennen evenmin de roomse persoonlijke God, zodat het niet per se ondenkbaar is
dat bijvoorbeeld een Zen-boeddhist of een Hindoeïst zich ook atheïst noemt.
We moeten, dat is wel overduidelijk, een andere,
ruimere betekenis geven aan de term religieus. We moeten terug naar de bron,
naar het religieuze aanvoelen, het religieuze vermogen van de mens dat ten
grondslag ligt aan de onvoorstelbare diversiteit van de concrete menselijke
religiositeit. Dat betekent tevens dat we de gevestigde kerken het a priori monopolie
ontzeggen op religie. Wij moeten integendeel nagaan in hoeverre zij nog religieus
kunnen genoemd worden, in welke mate zij trouw gebleven zijn aan hun oorspronkelijke
religieuze inspiratie en aan de historisch onmiskenbare menselijke behoefte aan
religie. Dan zal blijken dat georganiseerde godsdienst er vrijwel nooit in
slaagt om zich te onttrekken aan de verleidingen van de wereldse macht. Vooral de
rooms-katholieke kerk heeft zich daaraan op een ontstellende manier schuldig
gemaakt. Dat heeft in de loop van haar geschiedenis geleid tot talloze
hervormingsbewegingen en schismas, tot een virulent intellectueel en
maatschappelijk antiklerikalisme en uiteindelijk tot haar definitieve ondergang
als wereldgodsdienst in het Westen. Rome is ten onder gegaan aan het eigen schrijnend
gebrek aan oprechte religiositeit, niet aan onverschilligheid of ten gevolge
van de verleidingen of de inspanningen van het atheïsme.
Er is vandaag een duidelijke herleving merkbaar van de
behoefte aan religie. Men heeft zich afgekeerd van de kerk als machtsinstrument
en van de godsidee en dus is men onkerkelijk en zelfs antiklerikaal enerzijds
en atheïst anderzijds. Maar daarmee is men nog niet a-religieus. De geschiedenis,
de filosofie, de antropologie, de sociologie en de psychologie, om nog te
zwijgen over de studie van de letteren en de kunst, leren ons dat de mens een
religieus wezen is en dat wij dat uiten op alle mogelijke manieren. Religie beantwoordt
wel degelijk aan een diepmenselijke behoefte.
Eenmaal we dat hebben vastgesteld, rijst de vraag hoe religie
dat kan doen. Het is meteen duidelijk dat dit niet op een eenvormige manier kan
gebeuren. Dat is precies de vergissing die onder meer Rome gemaakt heeft. Religie
is niet onder één potsierlijke rode saturno-hoed
of tiara te vangen. Er is niet één antwoord op de hunkering naar zingeving en
naar samenhorigheid, net zo min als er één norm is voor kunst, schoonheid, of
liefde. Voor de ene persoon zal religie een zeer persoonlijke kwestie zijn, een
individuele levenshouding die zich uit op eigenzinnige, soms zelfs erg bizarre
manieren. Voor anderen is vooral het samen met anderen ritueel beleven van de
eigen overtuigingen en emoties van belang. Je hebt eenzame langeafstandslopers
en je hebt luidruchtige voetbalfans.
Weinigen voelen zich nog goed in een traditionele kerk
of gemeenschap. Maar even zeldzaam zijn degenen die het kunnen stellen zonder
een of andere vorm van persoonlijke inkeer en bezinning of van gezamenlijke viering.
Atheïsme staat religie niet in de weg. Het is zeer goed
mogelijk of zelfs waarschijnlijk dat men van uit een overtuigd atheïsme
terugkeert naar de diepste grond van het religieus aanvoelen dat de mens
kenmerkt. Ik althans ben ervan overtuigd ik wel zonder God kan, maar niet
zonder een welbegrepen religie. Als atheïst heb ik een wereldbeeld dat me onvermijdelijk
aanzet tot ontzag en dankbaarheid voor het leven in een universum dat me ver
overstijgt in tijd en ruimte, maar waarin ik me thuis weet. Het is niet omdat ik
niet geloof dat er een persoonlijke God is, dat het Al mij niet zou raken. Het
is niet omdat ik niet meega in de versleten mythologieën van de ene of de andere
godsdienst dat ik geen behoefte heb aan zingeving. Het is niet omdat ik geen
goddelijk verordende en door een hautaine kerk verkondigde moraal aanvaard, dat
ik geen nood heb aan een ethiek die me helpt te leven in respect en zelfs
liefde voor de anderen, samen met het andere leven op deze rijke maar kwetsbare
aarde.
We bevinden ons op een keerpunt. Dat is een
gemeenplaats, ik weet het, er is nooit een moment geweest waarop niet ergens
iemand zich liet verleiden tot deze vaststelling. Maar wij zien vandaag toch
dat de traditionele kerken een ongelooflijk zware en misschien wel definitieve
crisis doormaken. De kerkelijke praktijk is vooral in de landen van haar
oorsprong zo goed als uitgestorven. Maar heel wat mensen, zowel eenvoudige
gelovigen als overtuigde ongelovigen zijn ernstig op zoek naar alternatieven.
Ze kunnen zich niet meer vinden in de oude verhalen en mythologieën waaraan de
kerken zich wanhopig blijven vastklampen in een valse hoop op een herleving,
terwijl ze precies daardoor de schapen de wildernis injagen die hen zijn
toevertrouwd. Het zoeken van de moderne mens naar een individuele of collectieve
invulling van de vraag naar zingeving lijkt echter veeleer een veertigjarig
zwerven in de woestijn. Wij hebben geen behoefte aan een nieuwe Mozes, noch aan
wetten die door God zelve in steen gebeiteld zijn. Wij wensen zeker niemand te
verdrijven uit enig land van melk en honing om daarvan dan zelf na-ijverig en
exclusief bezit te nemen.
Maar dat wij allen vertwijfeld op zoek zijn naar een
land waar rust ons hart verblijdt (Tolkien), daar ben ik zeker van.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme