mijn blik op de wereld vanaf 60 Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin. Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating. Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
01-03-2010
maanzaad?
Maanzaad kennen we allemaal als die zwarte, grijze of blauwgrijze minuscule bolletjes die men op broodjes en brood strooit voor het bakken. Maar van welke plant komen ze? En waarom maanzaad?
De plant is de maankop, beter bekend als de papaver of klaproos. Maankop is ook de benaming van het doosje waarin de zaadjes zitten. Volgens Van Dale is het eerste gedeelte maan afgeleid van het Grieks mèkoon, papaver, en het tweede deel wijst op de vorm van het zaaddoosje. Als je met een vergrootglas naar zon zaadje kijkt, dan zie je goed dat die ook maan- of niervormig zijn. De zaadjes hebben een licht nootachtige smaak en zitten vol olie. Die maanzaadolie wordt geperst; wat overblijft, is dan maanzaadkoek.
De papaver, of toch bepaalde soorten, wordt ook gekweekt om er verdovende middelen van te maken: opium is het basisproduct, en daarvan maakt men morfine, codeïne, maar natuurlijk ook heroïne.
Maanzaadjes zijn volkomen onschuldig, misschien op dit detail na: bij bepaalde drugtests kan je positief reageren als je maanzaad gegeten hebt.
Een taalkundige eigenaardigheid: moonseed is helemaal geen maanzaad, het is de naam van een heel andere bloemsoort. De Engelse benaming voor maanzaad is poppy seed, natuurlijk, want papavers zijn poppies, en poppy is een verbastering van papaver.
We kennen de poppies van het gedicht In Flanders Fields dat John McCrae schreef op 3 mei 1915 en dat later dat jaar gepubliceerd werd in Punch.
In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row,
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.
We are the Dead.
Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow,
Loved, and were loved, and now we lie
In Flanders fields.
Take up our quarrel with the foe:
To you from failing hands we throw
The torch, be yours to hold it high.
If ye break faith with us who die
We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields.
Ik vertaalde het gedicht voor Lut, die houdt van papavers in de tuin en ze ook graag schildert.
In Vlaandrens akkers
waaien de klaprozen
rij na rij, tussen de kruisen,
die onze rustplaats wijzen.
In de lucht vliegen de leeuweriken,
almaar dapper zingend,
nauwelijks te horen onder het kanongebulder
hier beneden.
Die doden, dat zijn wij.
Enkele dagen geleden nog
leefden we, voelden de dag ontluiken,
zagen de gloed van de ondergaande zon,
wij hadden lief, men had ons lief.
Nu liggen wij hier
in Vlaandrens akkers.
Neem nu onze strijd met de vijand op.
Naar jullie werpen we met onze krachteloze handen
de fakkel die jullie hoog moeten houden.
En als jullie het vertrouwen beschamen van ons, de doden,
dan zullen wij niet rusten zolang er klaprozen groeien
In Vlaandrens akkers.
De poppy is in vele geallieerde landen het officiële symbool van Remembrance Day, Wapenstilstandsdag op 11 november. De bloemen die we rond die tijd zien op BBC in alle knoopsgaten en in kransen zijn natuurlijk papieren kunstbloemen.
Daniel Dennett, ConsciousnessExplained, xiii
+ 511 pp., appendices, bibliography, index, Little, Brown, 1991, nieuw $ 28.
vertaald als: Het bewustzijn verklaard, 570
blz., Olympus, 1999, ongeveer 17.
Dit is voorwaar geen gemakkelijk boek. Als
je dit van mij hoort, dan wil dat wat zeggen, ik ben wel een en ander gewoon.
Ik heb al verscheidene werken van Dennett gelezen en er ook steeds van genoten,
dus ik ben niet negatief vooringenomen tegen hem. Ik weet niet of de vroege publicatiedatum
er iets mee te maken heeft: het boek is verschenen in 1991, mijn exemplaar is
een tweedehandse eerste editie van de hardcover. Misschien heeft Dennett zijn
didactische kwaliteiten sindsdien aanzienlijk verbeterd, dat zou kunnen. Het
zou ook kunnen liggen aan de enigszins omslachtige methode die de auteur
gebruikt in dit boek. Hij geeft de voorkeur aan een constante intense en
gedetailleerde dialoog met opvattingen van andere auteurs en met het spontaan
en intuïtief aanvoelen. Hij werkt via ingenieuze denkexperimenten die ons
stilaan op weg moeten zetten om zijn alternatieve voorstellingen te begrijpen
en te aanvaarden. Misschien is dat nuttig en zelfs nodig, maar af en toe smeek
je de auteur om nu eens klaar en duidelijk te zeggen wat hij dan wel bedoelt.
Ik heb gezweet op dit boek en enkele al te
uitgesponnen bladzijden heb ik gewoon cursorisch gelezen, ik geef het toe. Wie
een uitvoerige inhoudelijke bespreking wenst, kan daarvoor onder meer terecht
op deze site, er zijn twee delen: http://www.webfilosofen.nl/artikel.php?bewustzijndennett.
Toch heb ik het de moeite gevonden om vol
te houden. Zoals vaak met dergelijke teksten kan ik mij er niet van weerhouden
om wat gezegd wordt onmiddellijk te testen op mijzelf, om zo te zien of het
klopt. Misschien is dat wel de reden waarom het lezen zo traag en zo moeizaam
vooruit ging: het was een voortdurende confrontatie van de tekst met mijn eigen
reacties, commentaren en spontane gedachten.
Nadenken over het bewustzijn is een vorm
van introspectie, een gewetensonderzoek, een zelfpsychoanalyse. Het is de vraag
naar wie ik ben, naar mijn persoonlijkheid, mijn ego, mijn zelf, mijn ziel, mijn
eigenheid, mijn individualiteit, mijn ik.
Wat ligt er meer voor de hand dan dat?
Descartes vertrok daarvan: ik denk, dus ik ben. Let op de ik-vorm Ik eet, ik
drink, ik ga, ik sta, ik lig, ik plant mij voort, ik leer, ik geniet, ik vergis
me, ik geniet, ik slaap, ik werk, ik verdien geld, ik ga dood. Is het mogelijk
dat wij ons in al die gevallen vergissen, dat er geen ik bestaat?
Het is in alle geval niet gemakkelijk om
dat ik te vatten. Descartes situeerde het in de pijnappelklier in onze hersenen,
anderen op andere plaatsten in ons lichaam, ons hart, ons hoofd, onze inborst.
Anderen hebben daaraan getwijfeld en vandaag spreekt de moderne wetenschap niet
meer in die termen. Wat ze dan wel zegt, is zeer problematisch en ingewikkeld,
er zijn vele opvattingen, of anders gezegd: men weet het niet. Dat ons ik iets
zou zijn, dat zich ergens bevindt, dat gelooft vrijwel niemand meer. Het is
geen voorwerp, geen tastbaar iets, zoals onze lever of zelfs onze hersenen. Het
heeft vooral met onze hersenen te maken, maar het kan er niet mee gelijkgesteld
worden. Zonder hersenen is er geen ik, zelfs geen mens. Maar een mens met
hersenen die niet meer werken is hersendood en ook dat aanzien we niet als een
mens, ook al weten we niet goed hoe we ermee moeten omgaan.
Ons bewustzijn heeft te maken met de
activiteit van onze hersenen in ons lichaam, maar ook dat is geen afdoende
verklaring, want die activiteit speelt zich grotendeels onbewust af, wij hebben
er geen vat op, wij kunnen onze hersenen niet doen werken zoals onze armen en
benen of onze ogen. We beseffen dat het te maken heeft met denken, met
gedachten, maar ook met emoties, gevoelens, maar wat dat precies is, dat weten
we niet.
Wat is een gedachte? Is dat iets dat bestaat,
tastbaar is, iets dat kan vastgesteld worden met een apparaat? Zijn de elektromagnetische
golven die men ziet dan ook de gedachte? Kunnen we met een hersenscanner
iemands gedachten lezen? Het is allemaal heel onduidelijk.
Wat we wel zeker weten is dat ons
bewustzijn verbonden is met ons lichaam. Het is mijn bewustzijn, het behoort
bij deze persoon, deze mens. Het kan niet plots overgaan naar een andere. Twee
personen kunnen niet samen één bewustzijn hebben, al zijn er vreemde toestanden
met eeneiige tweelingen. Een persoon kan niet twee bewustzijns hebben, het
meervoud bestaat niet eens, al zijn er vreemde toestanden met meervoudige
persoonlijkheden. Mijn bewustzijn beperkt zich tot mijn eigen lichaam, ik kan
de gedachten van iemand anders niet lezen zoals ik mijn gedachten heb, ik kan
zijn lichaam niet voelen in al zijn aspecten zoals ik het mijne voel. Er is dus
een grens aan mijn bewustzijn en die valt samen met mijn lichaamsgrenzen.
Maar dan ook weer niet, want met mijn
lichaam treed ik in contact met de wereld. Ik ben mij niet alleen bewust van
mijn innerlijk lichaam, maar vooral van de wereld om mij heen, mijn lichaam én
mijn bewustzijn reageren op mijn omgeving. Die omgeving staat in nauw contact
met mij. Wij zijn totaal van onze materiële omgeving afhankelijk, anders gaan
we dood. We ademen de lucht om ons heen in en uit; als die lucht te vervuild is
of te dun, dan overleven we dat uiteindelijk niet. We eten en drinken onze
omgeving, we gebruiken, vervuilen, recycleren ze. Ons lichaam bestaat volledig uit
elementen die we uit onze omgeving halen.
Ik noem het mijn lichaam, maar ik zou beter
zeggen: ons lichaam, want het is bevolkt met miljarden andere levende wezen,
bacteriën, virussen en talloze minuscule organismen. Sommige daarvan hebben we
nodig, bijvoorbeeld voor de spijsvertering. Andere dulden we, zoals alles wat
zich op onze huid en in ons haar bevindt. Andere bestrijden we, zo goed en zo
kwaad als het gaat, want sommige zijn onze vijanden en kunnen ons doden: aids,
kanker en al die andere belagers. Zijn al die vreemde gasten ook ik? Ben ik
hen?
Wij leven in onze omgeving, we zijn een
deel ervan, wij zijn onze omgeving. De atomen waaruit wij zijn samengesteld
zijn identiek met die van de wereld om ons heen, de cellen waaruit we bestaan
zijn identiek met die van alle andere levende wezens.
Het gaat nog veel verder. Wij zijn niet
alleen materieel een deel van onze omgeving, maar ook economisch en sociaal.
Onze wereld is een zeer complex samenspel van dode materie en van werkelijk
ontelbare soorten levende organismen. Die kwetsbare samenhang is noodzakelijk
voor ons voortbestaan. We leven en werken samen met andere mensen en met andere
levende organismen, dieren en planten en bacteriën en al. We zijn helemaal op
elkaar en op onze wereld aangewezen. Ook emotioneel kunnen we niet zonder
elkaar, zonder onze huisdieren, ons vee, de fauna en de flora.
Op een zeer intense manier zijn we met onze
medemens verbonden in de voortplanting. We verenigen onze genetische eigenheid
met die van een ander individu door de helft van ons DNA samen te koppelen aan de
helft van dat van onze partner en daaruit ontstaat een nieuw levend wezen, dat
op een unieke manier die twee combineert. In dat seksueel contact voegen we onze
lichaamsvochten samen, iets dat we anders nooit doen: eens die ons lichaam
verlaten hebben, ons speeksel, oorsmeer, snot, braaksel, sperma, uitwerpselen,
bloed hebben we zelfs een afkeer van de producten van ons eigen lichaam. Bij
seks dringen we in elkaar binnen langs alle mogelijke wegen en gaan met elkaars
lichaam om alsof het ons eigen is, we worden één vlees.
We beginnen ons leven dus als twee onooglijke
stukjes van andere mensen. Dan begint onze eigenheid. Maar zeker in die eerste
periode zijn we volledig afhankelijk van onze omgeving en van andere mensen, in
de eerste plaats de moeder. Wat is de eigenheid van een embryo? In hoeverre is
het een deel van het moederlichaam en in hoeverre is het zelfstandig? De
katholieke kerk zegt dat bij de conceptie, dus bij de bevruchting van de eicel,
God een onsterfelijke ziel instort in de vereniging van die twee cellen. Maar
wij weten niet wat daarmee bedoeld is: wie of wat is God? Een ziel? Instorten?
Wat gebeurt er precies? Hoe weten we dat? Is dat aanwijsbaar? Betekent dat
iets?
Wanneer begint het individuele bewustzijn
van een embryo? Wij weten het niet. Hebben planten en dieren een bewustzijn?
Wij weten het niet!
Het is wel evident dat er vanaf de geboorte
een individu is, dat kan je gewoon zien: er is een nieuwe, afzonderlijke mens.
Maar het is een zeer afhankelijke mens die slechts kan overleven met de grootst
mogelijke zorgen, bijvoorbeeld de voeding door het lichaamsvocht van de moeder
bij het zogen. Wat betekent het zelfbewustzijn van een zuigeling?
En dan begint het hele complexe proces van
het opgroeien tot zelfstandigheid. Het bewustzijn van een kind groeit elke dag,
elk uur, elke minuut. Het begint niet als een onbeschreven blad, zoals men
vroeger dacht. Nee, er zijn patronen die genetisch vastgelegd zijn. Zoals een
vogel geen instructies nodig heeft van zijn ouders, geen geschreven handleiding
of een voorbeeld voor ogen om zijn nest te bouwen, zo zijn er in de mens systemen
ingebouwd, te beginnen met de ademhaling, de zuigreflex enzovoort. In een
moeilijk te begrijpen samenspel van opvoeding en geschiktheid ontwikkelt het
kind zich tot een mens die kan overleven in zijn omgeving.
Vanaf wanneer spreken we van een volledig en
zelfstandig bewustzijn? Er zijn vele stappen: de kleuterschool, het lager
onderwijs, het secundair, de initiatieriten; vanaf 16 krijg je bepaalde rechten,
vanaf 18 nog andere, vroeger was dat 21. Dan ben je volwassen, maar als je nog
thuis woont en economisch afhankelijk bent van je ouders en omgeving, hoe
zelfstandig ben je dan? Hoe vaak zeggen we niet dat mensen pas volwassen worden
als ze gaan werken en geld verdienen, als ze een partner en eventueel kinderen
hebben? En hoe zelfstandig zijn ze dan, verbonden als ze op hun beurt zijn met hun
gezinsleden?
Alles wijst erop dat het ik vele aspecten
heeft, op veel manieren kan omschreven worden en dat die elkaar niet volledig
dekken. Dat geeft aanleiding tot problemen die geen eenvoudige oplossing
hebben. Iemand die een misdaad begaat moet gestraft worden. Maar er zijn
omstandigheden waarin we aarzelen. Wie een passionele moord begaat, gaat soms
vrijuit of krijgt opschorting van straf. Wie niet toerekeningsvatbaar is, wordt
niet gestraft maar geïnterneerd, als een beschermende maatregel, tegenover de
maatschappij en tegenover dat individu. We doen iets met zijn lichaam,
opsluiten, behandelen, omwille van iets dat zijn lichaam heeft gedaan, zonder
dat zijn bewustzijn daarvoor verantwoordelijk was.
We maken dus soms een onderscheid tussen het
lichaam en het bewustzijn en dat is zeer vreemd, want hoe kan het ene bestaan
zonder het andere? Is er dan geen identiteit tussen de twee?
Een dood lichaam is geen mens, maar toch
gaan we uiterst respectvol om met onze lijken, dat is een vast element in elke
beschaving. We gooien onze lijken niet op het stort en stoppen ze niet in
vuilniszakken (tenzij bij een misdaad). En toch heeft een dode mens geen
bewustzijn meer.
Een mens kan zich het ene moment laten
lijden door emoties, dan weer door primaire aandriften, dan weer door
zorgvuldig en logisch overleg. Soms doet een mens verbazingwekkende dingen,
goede en kwade. Soms hebben mensen echt twee gezichten, Jekyll en Hyde, denk
aan psychopathische moordenaars: ze leiden een ogenschijnlijk normaal leven,
maar s nachts gaan ze op moordtocht, soms jaren lang.
Men spreekt van een gespleten
persoonlijkheid, maar wat is dat precies? Twee bewustzijns in één persoon? En
wie is dan de schuldige, wie moeten we straffen?
Dit zijn slechts enkele van de overwegingen
die bij mij opkwamen bij het lezen van dit boek van Dennett. Hij stelt veel
vragen en haalt veel gevestigde opvattingen neer en hij doet dat op een
overtuigende manier. Hij doet ons nadenken en inzien dat het allemaal niet zo
simpel is als wij dachten of als men ons wil doen geloven. Zijn belangrijkste
bijdrage tot de discussie lijkt me het sloopwerk. Wat hij in de plaats
aanbiedt, is veel minder duidelijk of evident. Je kan aan het einde van het
boek niet opgelucht ademhalen en zeggen: nu weet ik wat het bewustzijn is! Je
weet veeleer wat het niet is Vandaar dat hijzelf en anderen na hem wel eens
zeggen dat de titel van zijn boek zou moeten zijn: Consciousness explained away, wat we benaderend kunnen vertalen
als: het bewustzijn weg verklaard.
Want wat blijft er over van het
traditionele beeld dat wij hebben van het bewustzijn? Is het niet meer dan een
indruk die wij hebben, een zinsbegoocheling? Een gemakkelijkheidsoplossing, een
doen alsof er zoiets is als een zelfbewustzijn, een manier van zeggen? Het
lijkt wel op die jonge vrijzinnige filosoof die stelde dat er geen God is, maar
dat we moeten leven alsof er wel een is. Onzin, toch?
Ook de vergelijking met de software op een
computer gaat mank. Ons bewustzijn is geen software die op onze hersenen
draait, maar hoogstens als een software, het blijft een vergelijking, want
software is wel degelijk iets dat gemaakt is, dat materieel bestaat uit geschreven
opdrachten, door andere mensen gemaakt. Dat is ons bewustzijn nadrukkelijk
niet: het is wel degelijk onze identiteit, geen geleende of gekochte. Het is
niet de instructies, maar het uitvoeren ervan.
Wat is trouwens de virtuele realiteit van
het bewustzijn in Dennetts visie? We hebben de ziel verworpen als een theologisch
verzinsel, iets dat niet bestaat, een begrip dat nergens op slaat en nergens
toe dient. We verwerpen elke metafysische realiteit: er is niets dat niet
fysisch is. Maar wat betekent virtueel bestaan? Is dat niet slechts een
andere naam voor een theologische of filosofische, metafysische manier van
bestaan en dus even onzinnig, nutteloos en misleidend?
Dennett zelf zegt ergens terloops dat er
geen duidelijk antwoord is op de vraag wat een gedachte is. Het kan niet anders
dan dat er dan ook (nog?) geen duidelijk antwoord is op de vraag naar het
bewustzijn. Ik ben het met hem eens als hij zegt dat er geen materieel
aanwijsbaar ik is ergens in onze hersenen. Maar wat is dan dat niet-materiële?
Je kan zeggen dat er niets bestaat dat niet materieel is, maar we hebben
zeker gedachten, ze bestaan op een of andere manier, het is geen fictie, maar
ze bestaan ook niet materieel zoals een steen, een koe of een computer.
Wat is dan een gedachte? Het is een
activiteit van of in onze hersenen, maar is die fysieke activiteit alles wat de
gedachte is? Wat wij bedoelen met een gedachte is niet die fysieke activiteit
van onze hersencellen, maar het verstaan, de inhoud als het ware van die gedachte,
de betekenis die het heeft voor een persoon, het uitspreken ervan of het ermee
rekening houden bij het handelen.
Ik kan het boek enkel aanraden aan mensen
die naast enige filosofische voorkennis ook een aanzienlijk intellectueel uithoudingsvermogen
hebben. Ikzelf zal op zoek gaan naar een ander boek over het bewustzijn, een
dat minder aandacht geeft aan de traditionele opvattingen of de theorieën van andere
wetenschappers en filosofen, maar dat veeleer een eigen visie ontwikkelt. Ik
besef dat zoiets niet eenvoudig is, maar naast de historisch-kritische en
analytische methode die Dennett hier zo briljant en zelfs met succes hanteert, moet
er toch ook een andere zijn, die wel voortbouwt op de veelheid van opvattingen
over het bewustzijn, inclusief die van Dennett, zonder enige twijfel, maar die
meer gericht is op een (voorlopige) synthese en een grotere onmiddellijke verstaanbaarheid,
ook voor een publiek van belangstellende leken in het vak. In vergelijking met
zijn andere boeken is Consciousness
Explained op dat punt zeker het minst geslaagd te noemen.
Sommige filosofen en wetenschappers stellen
dat de mens zijn eigen denken nooit zal begrijpen: het denken is niet gemaakt
om over het denken te denken, zoals een hamer niet gemaakt is om zichzelf te
slaan. Dat lijkt een mogelijkheid, maar voor we daartoe besluiten zou ik er
toch voor pleiten om nog even verder op zoek te gaan. Het zelfverstaan is voor
de mens de meest fascinerende opdracht. We voelen aan dat het ultieme resultaat ervan van ongemeen belang is voor ons, als individu en als samenleving. Sinds de mens
homo sapiens is, hebben we niet opgehouden ons daarover vragen te stellen en
het ziet er niet naar uit dat we daar ooit zullen mee ophouden. Goed zo.
Categorie:levensbeschouwing Tags:filosofie
26-02-2010
etymon: rode draad
Het heeft aan een zijden draadje gehangen. Zijde wordt gesponnen door de zijderups, net zoals het web van de spin. Het is dus heel dun en heel breekbaar, vandaar. Maar als we die draden gaan spinnen (ze ineenvlechten door een draaiende beweging, vandaar draad) krijgen we zijdegaren, en dat is heel sterk. Lunion fait la force, zo blijkt. In het Latijn hangt het aan een dunne draad (tenui filo), in het Duits een draadje (Fädlein), het Engels a (thin) thread en het Frans zegt men il ne tient quà un fil.
In het Grieks is het een haar (thrix). We denken dan meteen aan het zwaard van Damocles, maar dat is een ander verhaal, een legende die teruggaat op een anekdote die Cicero aanhaalde. Een zekere Dionysos was in de vierde eeuw voor onze jaartelling tiran van Syracuse, een stad op Sicilië. Volgens een van zijn hovelingen, Damocles, was hij zowat de gelukkigste man op de wereld en leidde hij een totaal onbezorgd leven. Dionysos stelde voor dat Damocles een dagje zijn plaats zou innemen, wat die natuurlijk meteen deed. Tijdens een groot feest liet hij zich verwennen met eten en drinken en wat hij maar kon bedenken en genoot van de macht die hij had over zijn hele omgeving. Tegen het einde van de maaltijd wees Dionysos naar het zwaard dat hij boven Damocles hoofd had opgehangen aan een paardenhaar. Meteen had Damocles geen zin meer en mocht Dionysos zijn plaats weer innemen.
Aan de Grieken danken we nog een andere bekende draad, die van Ariadne. Zij was de dochter van Minos, de koning van Kreta, maar hielp Theseus, een Athener, het monster Minotauros doden; elk jaar moesten de Atheners namelijk zeven maagden aan dat monster afstaan. Ariadne gaf Theseus een draad mee die hij kon afrollen in de doolhof en zo vond hij de weg terug. Wie de draad kwijt is, weet niet meer waar hij is, bijvoorbeeld in een toespraak of een gesprek. Dat zou kunnen verwijzen naar deze Griekse legende, maar ook naar alle vrouwen die sponnen, weefden, naaiden of borduurden en die ooit eens de draad waren kwijtgeraakt.
En dan is er de rode draad. Je komt die in zowat alle Europese talen tegen, maar waar komt die vandaan? Ik vond een verwijzing naar Goethe; die zou in zijn boek Die Wahlverwandtschaften (1809) het gebruik van die beeldspraak voor een terugkerend thema of motief, of een bepaalde gedachtenlijn, toegelicht hebben met een verwijzing naar het touwwerk van de Britse marine waarin, voor de herkenbaarheid, altijd een rode draad zou gevlochten zijn. Of die etymologie klopt, heb ik niet kunnen achterhalen. In het Engels komt de uitdrukking nauwelijks voor, dat is al wat verdacht, dus. Ze kennen wel red tape, maar daarmee bedoelen ze: overdreven bureaucratie; de oorsprong daarvan zou liggen bij de rode draden of linten waarmee officiële documenten werden samengebonden; in België is dat nu soms nog een tricolore touwtje.
In het Duits, Nederlands en Frans vinden we onze rode draad terug. Zo een draad valt natuurlijk goed op en het is dus heel goed mogelijk dat onze uitdrukking gewoon daarop teruggaat. Een anekdote zal dat duidelijk maken; ik was erbij toen het gebeurde.
Een zeer bekend Frans filosoof gaf in Leuven een lezing; de opkomst was enorm, de mensen stonden zich buiten te verdringen. Na de lezing was er een receptie, waar het ook behoorlijk druk was. Toen onze bejaarde filosoof wou vertrekken, viste hij van tussen de vele kledingstukken (het was winter) op de enige kapstok in het lokaal zijn zware zwarte overjas. Met een twinkeling in zijn ogen zei hij tegen de rector van de universiteit: Dit helpt me altijd om mijn jas onmiddellijk terug te vinden! en wees daarbij op een rode draad in het knoopsgat van zijn revers. De rector, die dagelijks ettelijke recepties deed, vond het een goed idee: Dat moet ik onthouden, ik heb ook altijd last om mijn jas te vinden! Consternatie alom, vooral bij Lévinas, die stotterde: Mais cest ma Légion dhonneur!
Een trouwe lezer en pennenvriend vestigde
mijn aandacht op een festival over de hersenen, dat binnenkort plaatsvindt in
Gent, klik hier voor alle details: http://www.i-brain.be/index.php.
Het is mijn gewoonte niet om hier reclame
te maken, maar dit is toch wel heel bijzonder, vandaar.
Het valt me de laatste tijd op dat er in
het Leuvense zo weinig initiatieven zijn met een vrijzinnig karakter, zeker als
we dat vergelijken met Brussel en Gent. De aanwezigheid van een katholieke
universiteit in de ene stad en van vrijzinnige in de twee andere zal daaraan
wel niet vreemd zijn, maar toch. Ik kan me niet voorstellen dat er in
Vlaams-Brabant helemaal geen vrijzinnigen zouden zijn, of dat activiteiten rond
dit thema in een universiteitsstad als Leuven geen kans op succes zouden
hebben. Men heeft hier een van de grootste concentraties in Vlaanderen van
jonge en oudere intellectuelen, wat statistisch een relatief hoog aantal
vrijzinnigen en atheïsten met zich zou moeten brengen. En toch is hier niets,
maar dan ook niets te bespeuren.
Onlangs was er op de VRT-site een opiniestuk
van Marc Eyskens, klik hier: http://opinie.deredactie.be/2010/02/18/de-relevantie-van-christelijk-en-katholiek-in-een-pluralistische-samenleving/.
Daarin vermeldt hij dat hij al twee keer uitgenodigd is om te gaan spreken voor
de Antwerpse loge en hij ziet dat als een bewijs van de openheid, het
pluralisme van katholiek Vlaanderen. Vreemd, denk ik dan: in de veertig jaar
dat ik aan de Katholieke Universiteit Leuven heb gewerkt, heb ik niet één keer
een logebroeder op een spreekgestoelte gezien. Het aantal Gentse of Brusselse
professoren dat in Leuven uitgenodigd is voor een gastlezing, een leerstoel of
een eredoctoraat is onbeduidend of onbestaand. Nee, Vlaanderen is nog altijd
sterk verzuild.
Een echt pluralistische samenleving is niet
voor morgen, dat hebben we ook gezien in de reacties van de katholieke partij Cd&V
op een bescheiden voorstel om de katholieke aartsbisschop en primaat van België
te verwijderen van zijn eerste plaats op de lijst van het diplomatieke
protocol. Ik twijfel er niet aan dat men ook binnen die partij wel beseft dat
dit gebruik vandaag geen zin meer heeft, maar het is voor hen onbespreekbaar,
omdat het een overwinning zou zijn aan de vrijzinnigheid en dus een nederlaag
voor de katholieken.
Wat moeten we overigens verstaan onder
pluralisme? Letterlijk betekent het veelvormigheid, dus een erkenning dat er
meer dan één opvatting is over maatschappelijke, politieke, culturele onderwerpen
en dat die naast elkaar moeten kunnen bestaan. Wil dat ook zeggen dat alle
opvattingen evenwaardig zijn? Ik meen van niet.
Laten we een extreem voorbeeld nemen.
Misschien herinneren we ons nog Jonestown in 1978 en de Branch Davidians in
1993, indien niet: klik hier: http://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=278.
Dit waren extreme, fanatieke sekten die op een bijzonder gewelddadige manier
aan hun einde gekomen zijn. Moeten we die ook tolereren, een plaats geven in
een pluralistische maatschappij? Er zijn maar weinig mensen die in hun
pluralisme zo ver zullen gaan. Een maatschappij moet telkens de afweging kunnen
maken of een groep of vereniging een gevaar betekent voor het voortbestaan van
de maatschappij en van haar leden. Wanneer een groep of vereniging de wetten
overtreedt, dan moet zij daarvoor vervolgd worden. Dit is bijvoorbeeld zo voor
de zogenaamde kerk of godsdienst Scientology. Het verbaasde mij te vernemen dat
senator Hugo Coveliers onlangs is gaan spreken op een bijeenkomst van die sekte
en er ook nadien veel goeds wist over te vertellen.
Het verwondert mij niet minder dat
christenen vaak jaloers kijken naar het succes van de Islam en daarin een
herleving zien van het godsdienstige. En het blijft me ergeren dat zovele
intellectuelen, die overigens vrijwel niets afweten van de leer van het
katholieke christendom, dit toch blijven verdedigen omwille van de
uitzonderlijke betekenis ervan voor onze beschaving. Ik moet nog altijd de
eerste ernstige argumenten horen voor die afgezaagde stelling. Ik blijf erbij
dat onze beschaving zich ontwikkeld heeft in een voortdurende en pijnlijke strijd
tegen de principes van het christendom.
Want wat zijn de grote principes, de
universele waarden van onze huidige wereldwijde beschaving? Democratie; raciale
en seksuele gelijkheid; individuele vrijheid van levensstijl; volle vrijheid
van denken, spreken en de pers; afwezigheid van elke religieuze autoriteit in
het legislatief proces en het onderwijs; absolute scheiding van kerk en staat.
Denk eens twee minuten na en zeg dan zelf welke bijdrage de godsdiensten
daaraan ooit geleverd hebben of vandaag leveren. En vergelijk dat eens met de
niet aflatende inspanningen van vrijdenkers, vrijzinnigen en atheïsten door de
eeuwen heen.
Nochtans is het bewust atheïsme, dat enkel
deze principes aanhangt, een kleine minderheid, nauwelijks geduld in zelfs de
meest pluralistische delen van onze maatschappij.
Gaan we terug naar de tijd van de Contrareformatie en de Verlichting, de
Inquisitie, de Franse Revolutie en de Restauratie? Leren we dan werkelijk niets
uit de bloedige geschiedenis en moeten we ze dus helaas herhalen?
Misschien is een festival over de hersenen
echt wel een goed idee.
Categorie:samenleving Tags:maatschappij
24-02-2010
het oordeel over Robert King
Liefhebbers van oude muziek zijn er in
Vlaanderen en in Nederland genoeg. De Lage Landen aan de zee lagen mede aan de
basis van de glorieuze herleving van de oude muziek en de authentieke
uitvoeringspraktijk, vooral vanaf 1970. Vandaag is dat een vaste waarde. Je
hoort de muziek van de middeleeuwen, de renaissance en de barok vrijwel nooit nog
anders uitgevoerd dan op die historiserende manier. Onder meer in Brugge en
Utrecht zijn er jaarlijks druk bijgewoonde festivals.
De naam van The Kings Consort zal velen bekend in de oren klinken. Het werd
gesticht in 1980 door Robert King en bracht sindsdien meer dan 90 CDs uit, vooral
bij Hyperion, goed voor een miljoen verkochte exemplaren. King is ook veel
gevraagd als dirigent en muzikaal adviseur. Hij werkte mee aan verscheidene
bekende films, zoals The Kingdom of
Heaven, Pirates of the Caribian, Shrek, The Da Vinci Code. Zijn website
vertelt je alles: http://www.robertking.eu/Home/page/20/index.htm.
Dat laatste is niet helemaal juist, zijn
website vertelt je niet alles.
Ik probeer meestal ruimdenkend te zijn en
wat volwassenen samen onder de lakens of desnoods in hun achtertuin doen, dat
is het verste van mijn zorgen. Ik begrijp dan ook de smeuïge nieuwsgierigheid
niet van de lezers van de boulevardbladen voor het seksuele leven van artiesten,
prominenten en mediafiguren. Maar er zijn grenzen.
Robert King werd in 2007 veroordeeld tot
vier jaar cel voor veertien gevallen van seksueel misbruik van mannelijke minderjarigen,
in de periode 1982 tot 1995. Tijdens het proces ontkende hij de feiten. De
rechter verbood hem niet om nog met jongeren om te gaan, zoals gebruikelijk in
dergelijke gevallen, omdat hij nadien een normaal leven is gaan leiden,
getrouwd is en kinderen heeft. Hij kwam vrij in 2009.
Ten tijde van het proces en tijdens zijn
gevangenisstraf verwijderde Hyperion alle verwijzingen naar zijn persoon en
werk. The Kings Consort ging verder
onder de leiding van een van de assistenten van King. Hij werd overal vervangen
als dirigent. Maar als je vandaag gaat kijken op de website van Hyperion of van
The Kings Consort, dan is alles back to normal, met een uitgebreide
biografie, fotos en al. Ook de website van King zelf vermeldt met geen woord
de veroordeling of de afwezigheid tijdens zijn verblijf in de gevangenis.
Toen ik enige tijd geleden heel toevallig
dit nieuws vernam, via een zeer kort berichtje in kleine letters in het
muziektijdschrift Luister, heb ik
daarover vaak nagedacht. De beste manier om tot enig besluit te komen, is
erover praten of erover schrijven. Dat dwingt je om een stelling in te nemen,
een standpunt te bepalen.
Wat moeten we over dit verhaal denken? Wat
mij vooral gestoord heeft, is enerzijds de vrij lange periode, meer dan tien
jaar, waarin de feiten zich hebben voorgedaan. Er waren vijf slachtoffers in
het proces betrokken, met leeftijden van 12 tot 16 jaar toen ze misbruikt
waren. De jongste heeft dat meer dan drie jaar ondergaan. Een tweede element
dat me opviel was de houding van King tijdens het proces: hij minimaliseerde en
ontkende de feiten, gaf op geen enkel ogenblik toe dat hij iets verkeerds had
gedaan. Hij was het slachtoffer van idioten, kwaadwillige leugenaars en gekken.
Ik heb er geen weet van, natuurlijk, maar
ik kan me niet van de indruk ontdoen dat er naast de mensen die zich hebben
bekend gemaakt, nog wel anderen zullen geweest zijn. Het kan ook niet anders
dan dat velen in de omgeving van King op de hoogte waren van de feiten. En toch
heeft niemand het aangedurfd of nodig gevonden om te spreken. Toen een van de slachtoffers,
na jaren therapie nog steeds niet hersteld van de aanrandingen, zich tot King
zelf richtte in een brief, kreeg hij daarop een heftige negatieve en
verontwaardigde reactie. Pas daarna heeft hij klacht neergelegd, daarin later
bijgetreden door vier andere slachtoffers.
King heeft zijn straf gekregen en ze ook
uitgezeten, gedeeltelijk, zoals iedereen die zich goed gedraagt. Hij kan nu
verder met zijn leven. Hij heeft zich wel moeten laten registreren als seksueel
delinquent.
Als ik zie hoe bijna alle sporen van zijn
wangedrag verdwenen zijn en hoe snel hij weer overal kan optreden, dan is er
toch iets dat wringt bij mij. Het lijkt wel of hij gelijk krijgt, alsof de
aanklachten vals waren, alsof het een moeilijke periode was in zijn leven en
hij zich nu weer helemaal aan zijn kunst kan wijden, de grote dirigent, de
beroemde leider van zijn ensemble, de gevierde kunstenaar. Nog even en niemand
herinnert zich nog dat er ooit iets geweest is. Straks horen we hem weer op de
radio en in de concertzalen. Niets aan de hand, toch?
Indien hij had bekend en zijn spijt had
uitgedrukt, dan zou ik daar wellicht kunnen mee leven. Zoals het nu gegaan is,
kan ik nog moeilijk enige sympathie opbrengen voor deze man en dat beïnvloedt
ook mijn oordeel over de persoon van de kunstenaar. Hij mag nog zo beroemd zijn
als hij wil en een belangrijke figuur, voor mij heeft hij afgedaan, ik zal zijn
werk zoveel als mogelijk vermijden. Ik kan niet naar muziekuitvoeringen onder
zijn naam luisteren zonder te denken aan zijn slachtoffers en dat maakt het
muzikaal genieten voor mij totaal onmogelijk.
Categorie:muziek Tags:maatschappij
22-02-2010
alleen op de wereld?
Zoals veel andere websurfers heb ik ook permanent
enkele nieuwspaginas open staan. Bij mij is dat enerzijds de VRT nieuwssite www.deredactie.be, anderzijds de
vernieuwde beginpagina van Seniorennet www.seniorennet.be.
Beide hebben verwijzingen of links
naar de nieuwssites van de kranten. In de loop van de dag krijg je zo allerlei berichten
te zien. Daarnaast staat de radio de hele dag op, meestal Klara, tenzij ze weer
eens aan het kletsen gaan, dan schakel ik over naar Musiq3, de Franstalige klassieke
zender. Ook op de radio krijg je op het uur nieuws, zelfs vrij uitgebreid om 13
uur. Wij kijken ook steevast naar het journaal op Een (VRT).
Dat alles samen, met de voortdurende
herhalingen, geeft mij een indigestie, een overdaad aan nieuws. Bovendien is
het grootste gedeelte van die informatie voor mij totaal onbelangrijk.
Ik volg de sportgebeurtenissen niet en kijk
slechts heel uitzonderlijk naar een sportreportage. Dat is al een groot
gedeelte van het nieuws dat aan mij voorbijgaat, of dat me irriteert omdat er
zoveel aandacht aan geschonken wordt.
Ik wens ook niet geïnformeerd te worden
over allerlei misdaden. Vroeger was er een afspraak tussen de geschreven pers
en de andere media dat moord, diefstal, verkrachting etc. enkel in de
geschreven pers verscheen. Dat kwam mij goed uit, want ik heb de kranten nooit gelezen
en evenmin weekbladen. Die tijd is helaas lang voorbij: ook de staatszender, de
VRT, brengt nu al het sensationele nieuws, met de dagelijkse bloederige en
hartverscheurende emotionele beelden. En ook de nieuwssites haasten zich om het
ons voor te schotelen.
Ik heb daarnet nog eens gekeken wat de VRT
allemaal op de site zet en ik werd er een beetje triest bij. Het is voor de
volle 100% slecht nieuws, er is geen enkele verademing, op de geboorte van een
kindje bij een mij onbekende bekende Vlaamse mediafiguur na. Ik krijg er zowaar
een afkeer van en overweeg drastische maatregelen: ik kijk niet meer naar het
nieuws!
Dat is niet gemakkelijk. Ik ben niet alleen
in huis, Lut heeft een gezonde, normale belangstelling voor het nieuws, maar ze
wordt er niet zo door gekweld als ik. Het werkt minder op haar zenuwen, ze kan
er beter tegen, ook als ze het even banaal of agressief of sensationeel vindt
als ik. Ik kan moeilijk telkens in de kelder kruipen of oordopjes gebruiken
telkens er een nieuwsbericht is. Wat ik wel kan doen is niet meer kijken naar
de nieuwsberichten op internet. Ik heb die vensters meteen gesloten.
Ik ben niet alleen op de wereld. Ik ben in
mijn bestaan totaal afhankelijk van de wereld waarin ik leef. Er is niets,
niets dat ik kan doen zonder anderen, of zonder de dingen om mij heen. Op mijn
eentje, naakt, te midden van het niets, bijvoorbeeld op zee of in een woestijn,
zijn mijn overlevingskansen zelfs op korte termijn absoluut minimaal. Ik heb om
te beginnen de zuurstof nodig die de lucht bevat. In de ruimte overleef ik geen seconde zonder ruimtepak.
Als ik bekijk hoe ik vandaag leef, dan moet
ik toegeven dat er van dat alles niets zou overblijven als ik helemaal allen
was of als ik me volledig zou afsluiten van de rest van de wereld.
Wij zeggen het wel gemakkelijk: een mens is
niet gemaakt om alleen te blijven, maar we beseffen te weinig hoe verregaand
dat waar is. Ook zeer vereenzaamde ouderen zijn nog altijd aangewezen op hun
omgeving om te overleven, op een maatschappij die hen essentiële zorgen
verleent.
We zijn allemaal grote individualisten, om
niet te zeggen egoïsten, we denken altijd in de eerste plaats aan onszelf, ook
als we met anderen omgaan. Denken is een eenzame bezigheid, dat doen we
alleen, je kan niet met tweeën denken. Eten, drinken: je voedt jezelf, het
ergste dat ons kan overkomen is dat iemand anders ons moet voeden. Ons ego, ons
zelfbewustzijn, dat is wie we zijn, de aller-persoonlijkste ervaring.
Het is daar dat het schoentje wringt. Elke
mens is een individu, maar een individu kan alleen maar bestaan in de wereld en
in een samenleving.
In een samenleving is het altijd een
kwestie van geven en nemen. Er is geen plaats voor parasieten, dat is een van
de meest gevoelige antennes die we hebben: het identificeren van valsspelers, op
welk niveau van de samenleving dan ook, van mensen die wel van de voordelen van
de samenleving genieten, maar er zelf niet toe bijdragen, die zichzelf
verrijken ten koste van anderen, die zich onttrekken aan hun maatschappelijke
verplichtingen. Dat wekt onze verontwaardiging en terecht, maar dat betekent
ook dat we ons zelf daaraan niet mogen schuldig maken, dat gaat niet op.
Enerzijds is er dus mijn afkeer van vele
aspecten van onze maatschappij, lokaal, regionaal, nationaal, Europees en
mondiaal. Anderzijds moet ik erkennen dat mijn leven zich nu eenmaal afspeelt
in deze wereld, hier en nu, dat ik mij er niet kan aan onttrekken.
Zeker, ik kan, net zoals iedereen, selectief
te werk gaan. Niemand die me verplicht om naar het voetbal te kijken of de
Olympische spelen, de soaps en de talkshows, de krant te lezen of
tijdschriften, gebak te kopen, vlees te eten, te roken of te drinken, reizen te
maken, deel te nemen aan culturele activiteiten zoals film, theater, opera,
tentoonstellingen etc. Ik hoef geen lid te zijn van verenigingen, ik kan mijn
familiebezoeken uitstellen en het contact met mijn buren beperken tot een vriendelijke
goeiedag of een zwaai met de arm. Als ik zelf geen inspanningen doe, blijven
vrienden en kennissen vanzelf wel weg.
Ik kan overleven in de maatschappij zonder direct
en persoonlijk contact met andere mensen, alleen gebruik makend van hun
functie: de vuilnisman, de postbode, de man of vrouw aan de kassa in het
grootwarenhuis, de bediende in de bank of het postkantoor, de controleur van de
belastingen, de politieman of vrouw enzovoort. Ik vermoed dat heel wat mensen,
niet het minst senioren, zich in die situatie bevinden. Wij maken gebruik van allerlei
diensten, maar op een veeleer passieve manier. Wij ondergaan de maatschappij,
wij maken ze niet, of niet meer.
Ik heb altijd een min of meer
verantwoordelijke functie gehad: wat ik besliste of deed had gevolgen voor heel
wat mensen. Ik bepaalde, samen met anderen, wat er zou gebeuren en hoe. Ik gaf
mede vorm aan de wereld, aan het stukje waarvoor ik verantwoordelijk was. Toen
ik op pensioen ging, veranderde dat helemaal. Ik ben nu nog enkel verantwoordelijk
voor mezelf en samen met Lut, voor ons gezin. De kinderen zijn volwassen en
staan op eigen benen. Mijn verantwoordelijkheden zijn dus beperkt,
zeer beperkt. Het gevaar is zeer reëel dat de kring om mij heen steeds nauwer wordt,
dat ik op een alsmaar kleiner eiland ga wonen, zoals in het kortverhaal van
D.H. Lawrence, The Man Who Loved Islands,
een verhaal dat niet goed afliep. Het verbaast me niet echt te vernemen dat
oudere mannen een erg groot aandeel hebben in de statistieken over zelfdoding.
Gelukkig vinden heel wat ouderen een of andere
manier om aan de verveling, de frustratie, de wanhoop of de depressie te
ontsnappen, precies door zich niet af te sluiten van hun omgeving, door
inspanningen te doen om naar buiten te komen, ook als dat niet gemakkelijk is,
als de drempel hoog is en de verleiding om in je zetel te blijven zitten erg
groot.
Voor mij is mijn Kroniek erg belangrijk,
mijn blog, mijn website, waar ik terecht kan met teksten zoals deze en met nog
veel andere. Het geeft me wat te doen en vooral: ik treed ermee naar buiten, er
zijn andere mensen die me lezen en die daarop reageren, soms door me een
mailtje te sturen, soms ook alleen maar door, al was het maar heel even, zelf na
te denken over wat ik schrijf. Dat betekent heel veel voor mij. Het is mijn
manier om me niet helemaal nutteloos te voelen en om de vereenzaming tegen te
gaan.
Voor jullie belangstelling ben ik dan ook
zeer dankbaar.
Categorie:levensbeschouwing Tags:maatschappij
21-02-2010
Epitaaf voor de sela
Kruiswoordraadsels zijn voor velen een onmisbare hulp om de ledigheid te verdrijven, de eindeloze winterse uren of de levens die noodgedwongen binnenshuis moeten doorgebracht. Het is een onschuldige verslaving, die men met speciaal daarvoor geschreven puzzelwoordenboeken beoefent. Mijn buurman heeft het tot kort voor zijn dood gedaan, toen hij al lang het spreken had moeten laten. Mijn schoonmoeder, die nooit een boek las, kon daarin haar ruige liefde voor de taal botvieren.
Er zijn van die kruiswoordraadselwoorden, hele korte, om de gaatjes op te vullen: aa, en ee, en oc en ai... Er zijn ook ietwat langere, elusieve, heimelijke, die je enkel daar tegenkomt: de Japanse ama, de bezige ieme.
En de sela.
De hint is meestal: rustteken; dat zet je meteen op het verkeerde been, want dan zoek je koortsachtig naar de naam van een rustteken in de notenleer, maar dat is gewoon een rust. Door de kruisende woorden in te vullen kom je uiteindelijk bij sela, een woord dat geen bellen doet rinkelen.
Sela?
Geen mens die weet wat het betekent. Het woord komt 85 keer voor in de Bijbel, het Oude Testament. Acht keer is het een eigennaam, als plaatsnaam misschien een synoniem voor Petra, de overige keren staat het er gewoon na een of ander vers: de Heer is mijn redder. Sela.
Punt uit.
Er zijn opinies genoeg: een rustteken bij het voorlezen, of een plaats waar de stem verheven wordt, of waar de gemeente invalt, of waar een buiging of een ander liturgisch gebaar gemaakt wordt of een muzikaal intermezzo volgt. Maar weten doen we het niet. Het moet ooit een functie gehad hebben, een betekenis, maar die is verloren gegaan in de mist der tijden.
In niet-Bijbelse, niet-religieuze context zou het woord wellicht ook echt verdwenen zijn uit onze taal. Taalwetenschappers houden zich bezig met het napluizen in welke periode een woord actief is: wanneer verschijnt het voor het eerst, hoe vaak, wanneer begint het gebruik te verwateren en wanneer is het voor het laatst gebruikt? Zij schrijven de efemeriden van woordenvloed en sprakeloos, redeloos verstomd eb.
Maar sela staat in de Bijbel en dus is het het eigenste woord van God, waaraan in eeuwigheid niet zal geraakt worden, ook al verstaan we het niet of niet meer. Dus blijft het er staan, als een enigmatisch rustteken, een parmantig paradigma, een stofferig stopwoord, door een plunderzieke pluizer verbannen naar het puin van de puzzelpagina.
Voor Schriftgeleerden is het een (waarvoor we niet eens een Nederlands woord hebben), een obelus met erectiestoornissen, een vertwijfeld onbevredigbaar onerotisch crux interpretum.
Een onkuis woord, een kruiswoord.
Sela staat voor ons
lonkend te pronken
dor symbool van Bijbel en religie
versleten, vergeten,
ongrijpbaar, onbegrepen
door trouwe traditie onterecht ongerept overgeleverd
Susan Blackmore, The Meme Machine, xxi + 264 pp., with a forword by Richard Dawkins, references, index, Oxford UP, 1999
(geen Nederlandse vertaling gevonden, hoewel het boek vertaald is in 15 talen!)
Laat je niet afschrikken door de titel: het
woord meme heeft zijn weg gevonden in het Nederlands, Van Dale omschrijft het
als eenheid van culturele overdracht en vermeldt dat het afgeleid is van mimesis. Heel nauwkeurig is dat niet,
maar dat durven we zelfs niet meer hopen bij de vandaal van de Nederlandse lexicografie.
Het was Richard Dawkins die in 1976 in de
laatste hoofdstukken van The Selfish Gene
het woord meme bedacht, als een korte versie van mimeme en naar analogie
met gene, in het Nederlands gen,
meervoud genen. Mem zou dus een betere Nederlandse vertaling geweest zijn, maar
dat woord bestaat al, afgeleid van Lat. mamma,
borst (van een zogende vrouw).
Wat is een meme? De uitleg van Van Dale is
een letterlijke vertaling van Dawkins: a
unit of cultural transmission, or a unit of imitation. Het was zijn
overtuiging dat onze wereld niet alleen bestaat uit biologische genen die zich
vermenigvuldigen (the selfish genes),
maar ook uit andere soorten van replicators,
letterlijk dingen die zich vermenigvuldigen, die replicas maken van zichzelf. Zoals
genen instructies zijn, opgeslagen in ons DNA, bijvoorbeeld om van een
bevruchte eicel een voldragen foetus te maken, zo zijn er ook instructies die
vastgelegd zijn in onze beschaving. Denk bijvoorbeeld aan het wiel. Het is een
uitvinding die in vele beschavingen is opgedoken, maar in andere helemaal
niet of niet als een algemeen toegepast systeem. Het is mogelijk dat het op één
enkele plaats is ontdekt, door één persoon. Het is ook mogelijk dat het
herhaaldelijk is uitgevonden, door onafhankelijke personen of groepen. Maar het
is absoluut zeker dat wie ooit een wiel voor het eerst in gebruik zag, erdoor
gefascineerd was. Van een dergelijk eenvoudig ontwerp gaat een grote
aantrekkingskracht uit en het laat zich ook gemakkelijk imiteren (mimesis
meme).
Zo kan men talloze concepten bedenken die
hebben bijgedragen tot onze beschaving, grote en kleine: een lepel, een dam,
een dak, vuur maken
Een woord nog over dat imiteren, nabootsen.
Het gaat niet zozeer om na-apen (een misleidend woord, want apen zijn in de
realiteit niet zo heel goed in het imiteren, zoals blijkt uit
laboratoriumproeven). Als we iemand iets zien doen, een voorwerp gebruiken
bijvoorbeeld, zoals spitten of ploegen of zagen en schaven, dan imiteren we
niet zozeer het doen, de handeling en ook niet het voorwerp zelf. Nee: we
begrijpen wat die andere persoon aan het doen is, we zien niet alleen hoe hij
het doet en met wat, we zien vooral wat hij doet. We imiteren wat hij doet,
niet zozeer hoe hij het doet. Je kan de meeste dingen op verscheidene manieren
doen; er zijn goede en slechte en wat voor de ene persoon de goede manier is,
kan voor een andere totaal onmogelijk zijn. Mensen apen elkaar niet na. Ze
stelen met hun ogen en leren dan zelf wat de beste manier is om iets te doen.
Taal is daarvan een mooi voorbeeld.
Kinderen leren de taal lang voor ze voor het eerst naar school gaan en ook daar
is het echte taalonderwijs zeker in het begin niet de hoofdzaak. Het is
verbazingwekkend wat een peuter van vijf jaar allemaal gezegd krijgt op een
heel behoorlijke manier. Hoe hebben ze dat geleerd? Het kan niet anders dan
imitatie zijn. We leren het van onze ouders en onze omgeving, we pikken het
moeiteloos op. Het is bijvoorbeeld veel moeilijker en het duurt veel langer om
een kind te leren droog te zijn dan om het te leren praten Maar het is geen
na-apen. Een kind gaat zelf met de elementen van de taal om, op een ongelooflijk
originele manier. Het weet niets van grammatica, maar het vormt zinnen, maakt
meervouden, verkleinwoorden, verzint nuances en nieuwe betekenissen, vervoegt
en verbuigt dat het een lieve lust is, zelfs de fouten die het maakt zijn vaak
spetterend taalgebruik.
Susan Blackmore probeert een duidelijk
onderscheid te maken tussen wat zij ziet als memen en wat niet. De basisregel
daarvoor is de analogie met de genen.
Laten we nog Darwins glorieuze inzicht nog
eens kort samenvatten. Evolutie is het voortplantingssysteem waarbij er
toevallige genetische verschillen opduiken tussen de generaties, tussen de
ouders en de kinderen dus. Bij seksuele voortplanting, bijvoorbeeld bij de
mens, gebeurt dat bij de samenvoeging van het genetisch materiaal van de man en
de vrouw in de bevruchte eicel. De minuscule verschillen die opduiken in de
kinderen kunnen een voordeel zijn of een nadeel voor de overlevingskansen en
dus voor het succes bij de voortplanting. In een vijandige omgeving, waarin de
middelen schaars zijn en de competitie zelfs onder soortgenoten onverbiddelijk,
is elke klein voordeel van levensbelang voor het individu. De overdracht en
opeenstapeling van dergelijke kleine positieve genetische verschillen en het
elimineren van de nadelige kan op langere termijn opmerkelijke gevolgen hebben en
aanleiding geven tot het ontstaan van nieuwe soorten. Zo is het leven op aarde
zoals het er nu uitziet, ontstaan uit de oersoep.
Je hebt dus voortplanting en erfelijkheid nodig,
genetische verschillen en een selectieve omgeving. Dat is het universeel
Darwinisme.
Werken memen op een identieke manier? Dat
is de grote vraag. Ik heb niet het gevoel dat Darwin, Dawkins, Dennett of
Blackmore daarop een afdoend en definitief antwoord hebben gegeven. Blackmore
haast zich om te zeggen dat we de analogie met de genen niet te ver mogen
doortrekken. Het zou inderdaad al te simplistisch zijn om het fysisch verschijnsel
van de evolutie zonder meer toe te passen op alle cultuurelementen. Men moet de
memen veeleer zien als een noodzakelijke aanvulling bij het fysisch, genetisch
Darwinisme. Niet alles kan zomaar met Darwins biologische basisregel afdoend verklaard
worden.
Het systeem van de genetische voortplanting
is duidelijk en eenvoudig, het kan wetenschappelijk aangetoond worden. De
overdracht van memen gebeurt, zoals het woord zelf zegt, door mimesis, door
imitatie. Dat is een veel minder eenduidig proces dan het genetische. Het kan
vele vormen aannemen. De overdracht van taal is een veelzijdig, complex en
diffuus proces, nauwelijks te vergelijken met de samenvoeging van het DNA van
twee ouders in een bevruchte eicel. Beide zijn zeer complexe gebeurtenissen,
maar het proces zelf is in het ene geval uiterst eenvoudig (er is bevruchting
of er is er geen), in het andere geval van de culturele overdracht is de
voortplanting, het proces van de overdracht veel moeilijker te omschrijven.
Allicht is er sprake van succesvolle memen en ook van competitie, zelfs van een
vorm van erfelijkheid, zowel tussen generatiegenoten als van de ene generatie
naar de andere. Dat onze beschaving zo spectaculair veranderd is, vooral in de
laatste eeuwen, bewijst dat er een evolutie is. Vooral de technologische
vooruitgang is onmiskenbaar en te verbluffend om te negeren. Wie had enkele
jaren geleden gedacht dat jij en ik ooit op deze manier met elkaar zouden
communiceren?
Het verhaal dat Blackmore ons brengt is
verhelderend, omdat het ons wijst op bepaalde mechanismen die aanwezig zijn in
onze beschaving. De analogie met het genetische, met het universeel Darwinisme
is in vele gevallen nuttig en af en toe zelfs spectaculair. Herhaaldelijk wijst
de auteur erop dat men zonder die analogie vastloopt en dat een Darwinistische
benadering vaak uitkomst biedt. Een duiding van onze cultuur, onze beschaving
op basis van het biologisch genetische alleen is evident onmogelijk, zeker voor
de meest gevorderde toepassingen, zoals taal en technologie en wetenschap. Het
is uiterst belangrijk om de culturele mechanismen te onderzoeken die aan het
werk zijn bij de informatieoverdracht in onze samenleving.
Maar ik blijf met twijfels zitten of de
memen in dat uiterst ingewikkelde en veelzijdige proces de prominente of zelfs exclusieve
rol spelen die Blackmore hen toedicht. Zij hebben zeker niet de aantrekkelijke
eenvoud die de genen bieden. Je hebt niet het gevoel dat met de memen alles op
zijn plaats valt, daarvoor zijn ze te vaag als begrip. Het is zeer de vraag of
men alle culturele verschijnselen kan vatten onder het begrip meme. En als we
dat doen, heeft die term dan nog enige concrete inhoud?
Ook als wij ze erkennen als de eenheid van
culturele overdracht, dan nog hebben we niet gezegd hoe die overdracht gebeurt.
Imitatie, nabootsing is zeker een aspect ervan, maar is dat het enige? Er is
een groot verschil tussen na-apen (van modeverschijnselen, bijvoorbeeld, ook
een cultuurfenomeen) en bewust instemmend navolgen (in een godsdienst, een
filosofie of een levenshouding).
Dat is het grote onderscheid met de genen:
daar is het proces van de overdracht meteen ook de essentie van de genen, genen
zijn wat overgedragen wordt. Met de memen weet men niet goed waar ze beginnen
en eindigen, ze kunnen zo klein zijn als een molecule en zo groot als het
kapitalisme. Noch weten we hoe de overdracht precies gebeurt. Evenmin zijn we
zeker dat er geen andere mechanismen aan het werk zijn, integendeel: we hebben
sterk de indruk dat de memen niet de uiteindelijke verklaring zullen zijn, als
die er ooit komt
Hoe dan ook, dit is een origineel en ook wel
een belangrijk boek. Het is een interessante uitwerking van ideeën van Dawkins,
Dennett en anderen en een aanvulling van elke al te eenzijdige genetische
verklaring van de beschaving. Het is zeer goed geschreven, in een frisse,
aantrekkelijke en rijke taal, met talloze voorbeelden, goed gestructureerd en voorbeeldig
didactisch gepresenteerd. Het neemt je moeiteloos mee op een fascinerende reis
met talloze boeiende ontdekkingen, onvermoede vergezichten en verhelderende
verrassingen. Het doet je voortdurend nadenken. Bij elke stelling, beschrijving
of interpretatie probeer je spontaan om dat toe te passen op je jezelf en je
eigen ervaringen, je probeert of haar uitleg klopt, of het werkt. Dat is een
bewonderenswaardige verdienste van om het even welk boek, maar zeker van een
doorgedreven wetenschappelijke uiteenzetting. Het maakt het populaire
wetenschap in de beste betekenis van het woord, het tegenovergestelde van
vulgariserend.
Met dit boek is het laatste woord niet
gezegd, dat is duidelijk. Maar het is een uitstekend vertrekpunt voor verder denkwerk
en daarvoor moeten we de auteur dankbaar zijn.
Een waarschuwing voor wie dit boek zou
kopen in de paperback uitgave van OUP (ongeveer 12 euro): de letters zijn
misdadig klein, ik krijg er vreselijke koppijn van en brandende, tranende ogen,
dagen lang. Dit is echt niet goed. Akkoord, goedkope uitgaven van dergelijke
werken zijn noodzakelijk en dat juichen we toe. Maar zou het echt zoveel duurder
zijn om de letters wat groter te maken, het boek enkele tientallen bladzijden
dikker? Mijn besluit staat vast, ik lees alleen nog paperbacks als ze leesbaar
zijn en anders hardcovers. Lezen moet een feest zijn, geen corvee.
Categorie:levensbeschouwing Tags:maatschappij
14-02-2010
tatsam en tadbhav
Ik durf er veel op verwedden dat je niet
weet wat een tatsam is, of een tadbhav. Ik zal eerlijk zijn (dat ben ik
overigens altijd, tenzij ik mezelf onbewust bedrieg): ik weet het ook nog maar
pas.
Het gaat zo: je bent op zoek naar iets en
plots duikt er iets anders op dat je aandacht trekt, iets dat je niet kent,
iets nieuws! En zoals dat wel eens meer gebeurt, ga je dan weer verder,
speurend naar je oorspronkelijke prooi. Je vergeet dat fait divers weer, het is
ergens opgeslagen in je brein, samen met miljoenen andere nutteloze gegevens en
je denkt dat het daar te gelegener tijd moeiteloos weer kan opgehaald worden.
En zoals dat wel eens meer gebeurt, ben je enkele dagen nadien iets aan het
schrijven en je denkt, tiens, hier zou ik die vreemde term van enkele dagen
geleden leuk te pas kunnen brengen. Maar hoe was die ook weer?
Het was een term uit het Sanskriet, twee
lettergrepen, een s ook. En voor je het weet ben je weer op zoek, teruggaand
op je stappen van toen, al de aanknopingspunten en spontane associaties weer
naar boven halend, maar nee, het wil niet komen. Ik heb uren zitten googelen en
verbeten Wikipedia afgeschuimd. Noppes. Dan dacht ik: een computer houdt alles
bij, er moet dus ergens een spoor zijn. Even de geschiedenis van de web browser
nakijken, waar netjes de plaatsen staan die je op een bepaalde dag hebt
bezocht. Bij een eerste poging vond ik het nog altijd niet, een link was
gebroken en ik was al suf gezocht.
Maar enkele uren later probeerde ik het nog
eens en ja hoor, daar stonden ze te prijken in al hun esoterische pracht:
tatsam en tadbhav, de verloren schapen.
Het zijn moeilijke namen, maar het
verschijnsel kennen we wel. In elke taal is er de neiging om woorden uit een
andere taal over te nemen, meer bepaald geleerde of moeilijke woorden,
bijvoorbeeld: emancipatie, anomie, multiculturaliteit, specifiek Het zijn
woorden waarin je niet onmiddellijk een Nederlandse stam herkent. Je kan ze
enkel begrijpen als ze helemaal ingeburgerd zijn, of als je de vreemde taal
kent waaruit ze overgenomen zijn. Die andere taal is meestal een overheersende
taal: we gaan geen woorden lenen uit een of ander lokaal dialect op een eiland
in de Stille Zuidzee. Latijn en ook Grieks hebben die rol gespeeld in vele
Europese talen, vooral sinds de Renaissance, maar zelfs tot op onze dagen. Vandaag
is het vooral Engels dat die rol speelt.
Wetenschappers van alle slag hebben een
sterke neiging om zich aan dat soort van nieuwlichterij te bezondigen: ze
gebruiken neologismen, wat Van Dale nieuwvorming of taalnieuwigheid
noemt. Geef toe: je zal waarschijnlijk al vaker het zogenaamd moeilijke woord
neologisme tegengekomen zijn dan het ongebruikelijke nieuwvorming of
taalnieuwigheid, al zeggen die evengoed waar het om gaat. Neologisme is de vaste
term geworden.
Als we een woord letterlijk en onveranderd
uit een vreemde taal overnemen, dan is dat een tatsam. Da capo en nog een
heleboel andere Italiaanse muziektermen zijn daar goede voorbeelden van, maar
ook de vele computertermen waarover ik het hier enkele dagen geleden had:
download, upgrade, delete enzovoort. Tatsam is er zelf ook een, natuurlijk.
Tatsam, of tatsama betekent letterlijk, in
het Hindi, hetzelfde als dat en is een afkorting van hetzelfde als in het
Sanskriet, dus een letterlijke, onveranderde overname. Tadbhav of tadbhava
betekent letterlijk afkomstig uit dat, dus uit het Sanskriet. Bij een tadbhav
hebben we het overgenomen woord aangepast aan onze eigen taal: sigaar, dineren,
fabriek, krant Wij noemen dat bastaardwoorden en ze zijn legio (uit het Latijn,
oorspronkelijk een legioen, maar nu een groot aantal, talrijk, ontelbaar),
ook in het Nederlands: Van Dales Groot Leenwoordenboek telt 28.000 lemmata
(van het Grieks via het Latijn, trefwoord), ontleend uit 28 talen.
Tatsam en tadbhav zijn allebei barbarismen,
leenvertalingen en taalpuristen proberen die te vermijden. Ze verkiezen ontvoogding
boven emancipatie, wetteloosheid boven anomie enzovoort, maar ze vechten
meestal tegen de bierkaai.
Even een terzijde daarbij als afsluiter:
een bierkaai is precies dat, een kade waar het bier gelost wordt, meer bepaald die
in Amsterdam. De mensen die daar woonden en rondhingen, stonden bekend als
onverbeterlijke vechtersbazen, allicht mede onder de invloed van de drank.
Vechten tegen de Bierkaai, of die van de Bierkaai, was een hopeloze zaak, een
strijd die je onmogelijk kon winnen en zo is het spreekwoord ontstaan. Van Dale
weet etymologisch weer van niets.
Wat een synoniem is, dat weet iedereen wel: een ander woord voor het zelfde, zoals gesloten en dicht. Sommige woordenboeken, bijvoorbeeld de altijd nuttige Engelse Websters Collegiate Dictionary, maar niet Van Dale, vermelden synoniemen bij een aantal trefwoorden (ook wel lemmata genoemd). En af en toe worden zelfs antoniemen vermeld: woorden die het tegenovergestelde betekenen. Handig en verhelderend.
Maar wat is een homoniem? Van Dale vermeldt die in de elektronische versie onder de rubriek dubbelgangers: het zijn woorden die eender klinken, die op dezelfde wijze uitgesproken worden, maar die een andere betekenis hebben, zoals meid, mijt en mijdt. Let wel: homoniemen kunnen een andere spelling hebben zoals in ons voorbeeld, maar dat hoeft niet: het woord 'aanleg' heeft een tiental verschillende betekenissen in Van Dale en dat zijn dus volgens de definitie allemaal homoniemen: zelfde klank, andere betekenis. Maar meestal zal men dat geen 'echte' homoniemen noemen.
Homoniemen zijn handig voor dichters die rijmen zoeken, maar daarvoor is een retrograde woordenboek beter, dat rangschikt de woorden achterstevoren gespeld, zodat woorden die met dezelfde letters eindigen komen samen te staan. Er bestaan ook echte rijmwoordenboeken, waarin de woorden die op dezelfde klank eindigen samen staan. Een singer-songwriter zoals Jacques Brel had er steeds eentje op zak, en dat hoor je ook in zijn teksten, die tal van verrassende rijmen tellen.
We kennen dus nu al syn-, ant- en hom-oniemen en hun betekenis leiden we af uit syn: samen; anti: tegenovergesteld; homo: hetzelfde.
En wat is dan dat oniem?
Syn, anti en homoios zijn Griekse woorden. Ook oniem komt van het Grieks, namelijk naam: onoma, het lijkt er ook wat op, niet? Andere vormen zijn: onyma, oenoma, oonoma. In het klassieke Grieks krijg je zo: syn-oonymos, homoonymos. Antoonymeoo betekent: een andere naam geven. Antoonymia komt dan weer van anta (vóór), niet van anti (tegen) en betekent dus gewoon iemands voornaam.
Er zijn nog andere samenstellingen met niem. Eentje wil ik hier speciaal vermelden, omdat het vrij recentelijk is opgedoken in het Nederlands, volgens Van Dale pas in 1981! Het gaat om eponiem.
Ook in andere talen zoals het Frans en het Engels is het een recente verschijning: 1755 en 1846 respectievelijk. Nochtans is het Griekse epoonymos van in de Oudheid bekend. De samenstelling is eenvoudig: epi (bij) + onyma, dus bij-naam; iets krijgt een naam van iets of iemand anders.
Een interessante toepassing was de benaming die men gaf aan het lopend jaar. Voor ons is het nu vanzelfsprekend dat wij de jaren noemen met hun rangnummer: 2010, maar vroeger was dat niet zo en ook wij doen dat nog maar sinds de middeleeuwen.
In het oude Griekenland en meer bepaald in Athene bijvoorbeeld telde men de jaren niet vanaf een bepaalde gebeurtenis, zoals wij vanaf de (vermeende) geboorte van Christus, maar men verwees naar bepaalde specifieke kenmerken van dat jaar, bijvoorbeeld de namen van wie toen de archonten waren, de hoogste ambtenaren zeg maar, die wisselden namelijk jaarlijks. In Rome had men wel een telling aUc, ab Urbe condita, vanaf de stichting van Rome, maar gemakshalve noemde men het jaar meestal naar de voor dat jaar verkozen consuls, zoals in Griekenland de archonten. Later, toen er keizers waren, zei men: in het derde jaar van het keizerrijk van Augustus. Het kerstverhaal begint traditioneel met: In die dagen verscheen een besluit van keizer Augustus om een volkstelling te houden over heel de wereld. Dit gebeurde eer Quirinus landvoogd van Syrië was. Zo ging dat toen. Vandaar dat we niet weten in welk jaar Christus geboren is. Lees daarover meer en klik hier: http://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=360
Als een jaar genoemd was naar twee consuls, zeg maar Caius en Marius, dus het jaar van de consuls Caius en Marius, dan wist iedereen ook in de eerstvolgende jaren welk jaar bedoeld was. Caius en Marius waren dus de eponieme consuls: zij hadden de bij-naam gegeven aan het jaar.
Dat doet me terugdenken aan een paradigma, een voorbeeld uit de spraakkunst van Pater Geerebaert S.J. : Romae consules, Athenis archontes, Carthagine reges quotannis creabuntur. Ongelooflijk hoe zoiets na vijftig jaar nog steeds in een mens zijn geheugen gegrift is...
Vandaag is een eponiem een naam die aan iets gegeven is op basis van iets of iemand anders. Een voorbeeld maakt het meteen duidelijk.
Wij weten allemaal helaas maar al te goed wat een kalasjnikov is, of een colt, of een winchester, of een uzi, of zelfs een mauser, een luger, een walther, een derringer of een browning: het zijn allemaal (hand)vuurwapens, en ze zijn genoemd naar hun uitvinders. Dat zijn dus allemaal eponiemen.
We kennen er nog wel meer: masochisme (von Sacher-Masoch), sadisme (marquis de Sade), clementines (père Clément), praline (Praslin), nicotine (Nicot), braille, dahlia, freesia, fuchsia, forsythia, hortensia, decibel (Bell), diesel, guillotine, dolby, hertz, lynchen, macadam, mach, molotovcocktail, morse, Parkinson, pasteuriseren, röntgen, salmonella (Dr. Salmon), sandwich, saxofoon, volt, watt om maar enkele bekende te noemen.
Eentje als uitsmijter: een vespasienne is een ander woord, eigenlijk een eufemisme voor pissijn of urinoir. De naamgever is de eponieme Romeinse keizer Vespasianus, die regeerde van 69 tot 79. Openbare toiletten bestonden al in Rome en Vespasianus hief een belasting, niet op het plassen in die urinoirs, zoals wel eens gedacht en geschreven wordt, want dat zou niet praktisch zijn, maar op leerlooiers die de urine kwamen ophalen om er de dierenhuiden soepel mee te maken. De zoon van de keizer vond dit een keizer onwaardig. Zijn vader liet hem ruiken aan een gouden muntstuk. Zoon Titus keek hem verbaasd aan: non olet!? Ik ruik niets Waarop Vespasianus: en toch is het gemaakt van zeik! Geld stinkt niet, zeggen we nu nog.
Terloops wil ik u nog meegeven dat een leerlooier ook wel een huidevetter genoemd wordt. Non olet, hoop ik.
Vandaag is er in Vlaanderen weer smogalarm.
Er zitten te veel fijne stofdeeltjes in de lucht en dat is ongezond. Weten we
nog waar het woord smog vandaan komt?
Het begon allemaal in Londen aan het begin
van de twintigste eeuw. De combinatie van de vaak voorkomende mist met de rook door
de verbranding van kolen in de huizen, bedrijven en door de industrie, zorgde
voor die karakteristieke Londense fog, die men in het Nederlands ook wel eens
erwtensoep noemde. Het was een dokter, Antoine Des Voeux, die daarover een
paper schreef in 1905, Fog and Smoke.
De naam voor de combinatie van de twee verschijnselen is dus geboren uit de
combinatie van de twee woorden: smoke en
fog, smog. We staan er niet bij stil,
maar zo is het wel.
Wij passen onze taal aan om de dingen een
precieze naam te geven. Het is niet zomaar mist, er zit rook bij. In Londen was
het een typisch lokaal verschijnsel en dus sprak men van een Londense mist, ook
wanneer die ver daarvandaan voorkwam. Toen men in Londen het woord smog had ontdekt of gemaakt, kon dat
woord de wereld veroveren samen met het onzalige verschijnsel zelf. Wij zijn
een beetje lui: we lenen gewoon het Engelse woord en maken er een Nederlands
van. Je hoeft smog niet tussen aanhalingstekens te zetten of cursief te
schrijven, het is een aanvaard Nederlands woord.
We hadden zelf ook een combinatie kunnen
bedenken: rook en mist, dus waarom niet rist, of mook? Rist bestaat al, dat is
een reeks, een groep, een hoeveelheid gelijke dingen. Mook dan? Maar nee, we
zijn gewoon lui en halen het Engelse smog binnen. Het heeft zelfs een
Nederlandse bijklank, in ons dialect is smoor zowel rook als mist. Die alliteratie
heeft de aanvaarding van smog wellicht nog vergemakkelijkt.
De woorden die we de laatste decennia uit
het Engels overgenomen hebben zijn niet te tellen. Vooral de media (dat is er
ook een) doen dat en de reclame nog meer. Engels is in, het is hip, het is
up to date. Luister maar eens naar de nieuwsitems (daar gaan we) of een
talkshow (juist), let eens op bij de reclamespotjes (ook een bastaardje), dan
merk je wel hoe argeloos wij bij de buren gaan lenen. Andere talen, zoals het Duits en
het Frans, doen pogingen om zich daartegen te verzetten en eigen woorden te
verzinnen. In het Frans spreekt men niet van software maar van logiciel, in het Duits wel.
Het is
vooral in het computerlandschap dat talloze Engelse leenwoorden opduiken en die
zijn nu zo ingeburgerd dat we ze zelfs gaan vervoegen als Nederlandse
werkwoorden: updaten, ik update, jij updatet, ik updatete, ik heb geüpdatet,
vreselijk toch? Downloaden: ik download, jij downloadt, ik downloadde, ik heb
gedownload. Afschuwelijk. Maar we zeggen het wel alle dagen. Het is nu te laat
om nog eigen termen te verzinnen, we zullen moeten leren ermee te leven. De basisregel
voor de vervoeging van werkwoorden ontleend aan het Engels is vrij eenvoudig:
je neemt de stam (download, upgrade, fax, mail, facelift, barbecue, bingo, save,
delete, golf, brief, lease, scrabble enzovoort) en je doet ermee wat je ook in
het Nederlands zou doen:
ik loop, dus ik fax, delete enzovoort;
ik ontmoette, dus ik faxte, deletete
enzovoort. Let wel: we zeggen ik dieliet in de tegenwoordige tijd en in de
verleden tijd zeggen we dus ik dieliete, maar we schrijven ik deletete;
ik heb gevoed, dus ik heb gedownload enzovoort;
gemeld, dus geüpgraded enzovoort, maar zeg:
geupgreed.
De gefacelifte filmster mailde en forwardde
mij een gefaxte en geprinte tekst, die ze eerst gesaved had, bang als ze was om
hem te deleten op haar geüpgradede geleasede of geleasete computer, waarin ze
me briefte of briefde over het feit dat ze vroeger wel had gebaseballd, maar
niet gevolleybald, gegolfd of gegolft, gescrabbeld, gebingood of gebarbecued. Ze
heeft wel al veel gegoogeld. Gelukkig was haar tekst niet gescrambeld of geëncrypt,
anders had ik hem moeten reshuffelen, dat zou echt a pain in the ass geweest zijn, dat vertaal je zelf maar.
Het was heel lang geleden dat ik nog een roman
had gelezen uit de Engelstalige bestsellerslijsten. Hoe kan het ook anders? Er
ligt zoveel interessants te wachten op mijn leestafel en er komen bijna elke
week nieuwe dingen bij. Ik heb voor mezelf ook een lijstje gemaakt van
klassiekers uit de wereldliteratuur die ik absoluut nog wil lezen voor ik
doodga en dat is ook al la mer à boire.
Onlangs sprak mijn jongste zoon me aan over
de verfilming van het jongste boek van Cormac McCarthy (1933-), The Road. Ik heb vroeger zijn trilogie
gelezen: All the Pretty Horses (1992),
The Crossing (1994), Cities of the Plain (1998), met gemengde gevoelens.
Zijn twee recente werken, No Country for
Old Men (2005) en The Road (2006)
had ik in huis, maar nog niet gelezen. Het eerste, No Country for Old Men is verfilmd in een regie van de gebroeders
Coen in 2007 en kreeg een Academy Award; in de hoofdrollen Tommy Lee Jones,
Josh Brolin, Javier Bardem. Zijn meest recente roman, The Road, is eveneens verfilmd, met Viggo Mortensen, Charlize
Theron en Robert Duvall. Hij kwam in het najaar van 2009 uit en kreeg
uiteenlopende kritieken.
Dat was de aanleiding om toch maar aan No Country for Old Men te beginnen. Ik
ben ook snipverkouden en wat grieperig en dat noodt niet echt tot zware lectuur.
Het is een teleurstelling geworden.
Vooreerst kan ik moeilijk overweg met zoveel
bruut en willekeurig geweld. In dit boek vallen tientallen slachtoffers, de
meeste in koelen bloede afgemaakt. Misschien wil de auteur door die overdosis
aan geweld ons wakker schudden, maar dat heeft althans bij mij het omgekeerd
effect gehad. Er is al genoeg geweld in onze wereld, het is helemaal niet nodig
daarop nog de aandacht te vestigen.
Bovendien ben ik het oneens met de
voorstelling van zaken die de auteur geeft. Een van de hoofdfiguren, de koele
maar gewelddadige moordenaar, is een soort Superman, maar dan van het Kwaad,
Satan als robot. Hij staat in schril contrast met de rest van de menselijke
soort, die wel emoties kennen en scrupules en morele beginselen. De auteur schetst
een wereld waarin de zware misdaad een normale vorm van economische
activiteit is geworden, een aanvaarde manier van (snel en veel) geld verdienen.
De misdadigers hebben geen enkel moreel besef, een mensenleven is van geen tel,
moord is gewoon opruimen, zonder verpinken.
Men maakt in de Verenigde Staten natuurlijk
wat mee aan misdadige activiteiten, vooral rond de drughandel. Men zou de
indruk kunnen krijgen dat de mensen die daarmee bezig zijn allemaal totaal
gewetenloze moordmachines zijn. En toch heb ik daar mijn twijfels over. Ik kan
niet geloven dat die mensen, want dat zijn het toch, niet weten dat ze een
misdaad begaan als ze iemand vermoorden en dat hen dat totaal onverschillig
laat, zoals de auteur het voorstelt.
Neem nu de misdadigers die enige tijd
geleden een vrouwelijke politieagent doodschoten en een andere zwaar verwondden
toen ze betrapt werden bij een homejacking. Dat is een zeer zware misdaad en
het lijkt wel of die criminelen nietsontziend te werk gingen, dat het geweld
dat ze gebruikten niet in proportie stond met de diefstal van een auto. Maar ik
weiger zelfs in dat extreem geval te geloven dat wij te maken hebben met een
nieuwe vorm van misdaad, waarbij mensen zonder enige scrupule, zonder ernstige
redenen en zonder emoties andere mensen afmaken.
Ik kan dat alleen aannemen in het geval van
psychopaten en andere geesteszieken, die door die stoornis niet in staat zijn
tot normale menselijke gevoelens. Zeker, dergelijke misdaden gebeuren ook door
koele, berekenende misdadigers, maar ik kan niet aannemen dat die zo moreel
afgestompt zijn dat zij niet meer beseffen waarmee ze bezig zijn. Ik maak
bezwaar tegen het beeld van de superintellectuele misdadiger die ook nog
kunstkenner is en een gewiekst zaakvoerder. Het lijkt me onmogelijk dat iemand
echt intelligent, een echte intellectueel is en tevens een moordmachine. Het is
een contradictio in terminis, want wie zich echt een homo sapiens wil noemen,
is niet in staat tot overdadig geweld als zakelijk middel om rijkdom te
verwerven.
Dat is wat me vooral heeft gestoord in dit
boek. Naast de overdosis aan moorden zijn er nog andere verhaallijnen, maar die
verdwijnen naar de achtergrond bij al het geweld. Wat de auteur via zijn
personages vertelt over drugs, Vietnam en de andere Amerikaanse agressies, over
ordehandhaving in het landelijke Amerika, over ouderdom en desillusie, over
jong zijn en idealen, over verraad en trouw: het zijn niet meer dan clichés die
er op geen enkel moment in slagen om een gore misdaadthriller tot literatuur te
verheffen. Dat de film een Academy Award gekregen heeft, zal wel alles te maken
hebben met onze fascinatie voor surrealistisch geweld in de film, waar moord
meer een soort ritueel is geworden, een macaber ballet, waarmee we ons willen
harnassen tegen het reële, normale, meestal passionele geweld dat blijkbaar
onvermijdelijk is onder mensen, zoals de geschiedenis ons leert.
Ik twijfel er sterk aan of boeken en films als
deze ons in de goede richting doen evolueren. Zij lijken me veeleer bij te
dragen tot de banalisering van het kwaad en het geweld en dat is wat we vooral
moeten vermijden.
Categorie:ex libris Tags:ex libris
07-02-2010
de kerk en de fiscus
Het doet me altijd plezier als er iemand
reageert op wat ik hier schrijf, ook als men het niet met me eens is. Ik kreeg
een reactie op mijn uitleg over de Kirchensteuer
in Duitsland, een belasting die gelovigen betalen en die aan de kerken als
subsidie wordt gegeven. Die belastingen zijn fiscaal aftrekbaar, om het
aantrekkelijk te maken. Ik schreef dat je als gelovige belastingsbetaler
daaraan een voordeel hebt, en precies die zinsnede zette mijn correspondente
aan het schrijven. Hoe kan je er voordeel bij hebben om geld af te staan?
Dat is een zeer terechte opmerking,
natuurlijk. Ook in België hebben wij een dergelijk systeem. Al wat je stort voor
erkende goede doelen, maar bijvoorbeeld ook aan universiteiten, mag je fiscaal
aftrekken. Denk aan 11.11.11: als je dertig euro stort, word je op dat kleine
deel van je inkomen niet belast; met een aanslagvoet van ongeveer 50 % betekent
dat een belastingsvermindering van 15 euro. Je stort dus 30 euro, maar je
krijgt er 15 terug na berekening van je belastingen. Je hebt daarbij geen netto
persoonlijk voordeel, dat is duidelijk: je bent nog altijd 15 euro kwijt. Dat
heeft mijn correspondente goed gezien.
Toch wil ik bij dat systeem enkele
kanttekeningen maken.
Als je, om bij ons voorbeeld te blijven, 30
euro schenkt en er 15 recupereert via belastingsvermindering, dan wil dat
zeggen dat de staat in feite die 15 euro moet derven. Voor 2008 was dat in
Duitsland voor de kerkbelasting een bedrag van meer dan drie miljard euro. Als
dat systeem van fiscale vrijstelling voor schenkingen aan kerken niet zou
bestaan, zou de Duitse staat dus drie miljard euro meer inkomsten hebben.
Anders gezegd: men zou drie miljard minder belastingen moeten heffen. In beide
perspectieven zijn de niet gelovigen de dupe: zij betalen mee voor de drie
miljard die de staat aan de kerken geeft.
Maar er is een tweede kwestie. Gelovigen
die kerkbelasting betalen, krijgen de helft van hun schenking terug als
belastingsvoordeel. Dat is een zeer goedkope manier om een kerk te
ondersteunen: in feite betaalt de staat, dat wil zeggen alle burgers, ook de
niet-gelovigen voor elke euro die men schenkt, nog een extra euro aan de kerk. Wij
mogen geredelijk aannemen dat een gelovige een voordeel heeft aan zijn kerk,
materieel of spiritueel. Dan mag je stellen dat die gelovigen een goede zaak
doen: zij krijgen hun kerk aan halve prijs.
Het voordeel dat gelovigen doen aan hun
kerk is niet louter spiritueel. Als zij naar de misviering gaan, dan is dat in
goed onderhouden en verwarmde gebouwen, met priesters die een zeer behoorlijk
inkomen hebben. Als zij deelnemen aan de activiteiten van de vele kerkelijke
organisaties, bijvoorbeeld pelgrimstochten en bedevaarten, dan is dat ook aan
voordeelprijzen, want die organisaties werken met kerkelijk belastingsgeld. Als
iemand zitting heeft als bestuurslid in een kerkelijke organisatie en daarvoor
zitpenningen krijgt, dan is dat met hetzelfde belastingsgeld. Het is niet
vergezocht om te stellen dat precies de meest milde schenkers ook het meest
indirect voordeel halen uit hun steun. Wie een forse schenking doet, mag
verwachten dat hij of zij in aanmerking komt voor een positie aan de top van de
kerkelijke organisatie die hij of zij steunt. Denk ook aan al de bezoldigde
postjes die moeten verdeeld worden: de kerk is een enorme organisatie in
Duitsland, negen miljard euro is geen peulschil.
Je merkt het indirect voordeel het best als
je vergelijkt met een organisatie die niet kan rekenen op het fiscaal voordeel.
Neem bijvoorbeeld een club van liefhebbers van modeltreinen. Die moeten het
doen met de bijdragen van de leden, die daarvoor geen belastingsvermindering
krijgen. Wie dertig euro geeft, is ook dertig euro kwijt. Wie dertig euro aan
de kerk geeft, is maar vijftien euro kwijt en de kerk heeft toch dertig euro.
Het is dus duidelijk dat de gelovigen er voordeel bij hebben om geld te geven
aan hun kerk; elke euro brengt daar een extra euro op. En zeggen dat een
gelovige geen voordeel heeft aan zijn kerk, dat gaat niet op. Overtuigde
gelovigen willen niets liever dan dat hun kerk het goed doet en dat is ook hun
goed recht, maar waarom mogen anderen niet van dezelfde voordelen genieten? En
waarom moet de gemeenschap opdraaien voor het fiscale nadeel dat de staat
lijdt?
Je hoort in deze context vaak ook het
argument dat de staat de kerken hun bezittingen heeft afgenomen bij de Franse
revolutie. Dat de staat nu de wedden betaalt van de parochiepriesters en
instaat voor de kerken en de pastorieën is dan maar een kleine compensatie voor
die diefstal. Ook daarbij kan men bedenkingen maken. Er zijn nu tweehonderd
jaar voorbijgegaan sinds de Franse revolutie. Zolang al betalen we de wedden
van de priesters en bouwen we kerken en andere kerkelijke gebouwen. Dat zijn
enorme sommen. Ik denk niet dat het voor de kerk een slechte overeenkomst is,
ik heb in alle geval de kerk nog niet horen klagen of voorstellen formuleren om
dat systeem te veranderen. Bovendien mag men zich afvragen waarom de Franse
revolutionairen die bezittingen geconfisqueerd hebben: omdat zij aanvoelden dat
die bezittingen van de kerk, zoals die van de adel, onrechtmatig verworven
waren op de rug van de arme man en vrouw. Zij meenden slechts terug te nemen
wat hen was ontvreemd door de kerk. Met de restauratie na Napoleons nederlaag heeft
de kerk overigens een zeer groot deel van haar bezittingen teruggekregen van
gelovigen die ze hadden gekocht van de staat.
Ik herhaal mijn pleidooi voor een totale
scheiding van kerk en staat en een volledig neutrale houding van de staat
tegenover de kerk. Als de kerk erin slaagt om veel gelovigen rond zich te
verzamelen en van hen op legale wijze middelen ontvangt voor haar werking, dan
kan niemand daartegen een bezwaar hebben. Maar het spel moet wel eerlijk
gespeeld worden. Belastingsvoordelen en subsidies gebaseerd op feiten die
honderden jaren geleden gebeurd zijn, dat is niet meer van deze tijd.
Het zou voor de kerken trouwens veel beter
zijn, indien zij zich zouden bevrijden van alle wereldlijke bezittingen en
machtsambities. Gisteren stelde ik dat een kerk zonder rijkdom niet kan
overleven. Ik bedoelde daarmee de kerken zoals wij ze kennen. Maar er zijn vandaag
hier en daar ook kleine religieuze gemeenschappen die het helemaal zonder
middelen doen, zonder kerken of kapellen, zonder organisaties en zuilen, zonder
subsidies. Zij zijn teruggegaan naar de bron, naar de eerste
christengemeenschappen. Zij hebben niets anders nodig om te overleven dan hun
geloof en hun liefde voor elkaar. Voor die idealisten heb ik een diep respect,
meer nog, ik bewonder hen zeer. Indien ik jonger was, was ik misschien wel een
van hen.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
06-02-2010
Het geld van de kerk
Terwijl ik toch bezig was, heb ik meteen
ook een tweede boekje besteld via het interbibliothecair leenverkeer van onze
openbare bibliotheek:
Harm Visser, Leven zonder God. Elf interviews over ongeloof, 192 blz., uitg.
Veen, Amsterdam/Antwerpen, 2003 15,50
De elf geïnterviewden zijn Nederlandse
schrijvers, kunstenaars en wetenschappers en mij totaal onbekend, op Herman
Philipse na, van wie ik het Atheïstisch
manifest hier besprak. Het literaire genre van het neergeschreven interview
ligt me niet, moet ik toegeven. Van een boek verwacht ik dat het met overleg
geschreven is en goed gestructureerd. Met interviews is dat zelden het geval.
Als je bovendien aan elf atheïsten ongeveer dezelfde vragen stelt, is de kans
op herhaling en overlapping vrij groot. Voor mij hoeft dit boekje dus niet, maar
ik geef toe dat ik het helemaal heb uitgelezen en dat er zeker een aantal
boeiende passages in staan. Wie een uitvoerige inhoudelijke bespreking wenst,
verwijs ik naar Liberales, klik dan
hier: http://www.liberales.be/boeken/visser.
Wat ik ten enen male miste in de verklaringen
voor het verschijnsel religie die hier naar voren gebracht worden, is de band
tussen godsdienst en wereldlijke macht. Het is misschien leuk om allerlei
psychologische interpretaties en veronderstellingen te etaleren, maar veel
belangrijker lijkt me te wijzen op het in het oog springende verband tussen de
wereldlijke macht en de gevestigde godsdiensten. Het christendom is zijn opgang
maar begonnen toen Constantijn zich erachter zette, zonder zich overigens zelf
te bekeren, hij liet zich naar verluidt pas op zijn doodsbed dopen, maar
dergelijke verhalen zijn steeds afkomstig van de gelovigen zelf, zonder
confirmatie en zijn zelden geloofwaardig.
Ook de Islam had een staat en een leger
nodig en dat is nog steeds zo. Omgekeerd zien we hier bij ons dat de kerk
steeds minder aantrekkelijk wordt naarmate haar wereldlijke macht taant. De
laatste bolwerken zijn het katholiek onderwijs en de katholieke
gezondheidszorg, maar die draaien dan ook voor volle 100% op staatskosten en op
de inzet van leken, van wie slechts een zeer gering aantal pratikerende gelovigen
zijn. Geen enkele katholieke school, geen enkel katholiek ziekenhuis kan
één dag overleven zonder subsidies van de neutrale staat.
Een godsdienst die niet over
maatschappelijke, financiële, politieke macht beschikt, is geen lang leven
beschoren. Anderzijds is het stichten of het in stand houden van een succesvolle
godsdienst een zeer lucratieve bezigheid. Godsdienst en macht zijn
onlosmakelijk verweven, al de rest is praat voor de vaak, mythologie, psychoanalytisch
gezwets, modieuze pseudofilosofie.
Om al die redenen ben ik niet alleen overtuigd
atheïst, maar ook ongeremd antiklerikaal. Ik word heel verdrietig als ik de kathedralen,
kerken, kloosters en abdijen zie, met hun kunstwerken en kunstschatten. Waar
komt al die rijkdom vandaan? In welke omstandigheden leefde toen de gewone man
en vrouw? Ik voel een diepe plaatsvervangende schaamte als ik met de aimabele
abt door het majestueuze gebouw en de goed onderhouden tuinen van een abdij
kuier en luister naar wat hij in alle nederigheid te zeggen heeft over God en
mens, over materiële onthechting en geestelijke rijkdom.
Wanneer georganiseerde godsdiensten
bezittingen verwerven en betaald personeel in dienst nemen, zijn ze economisch
actief en dan moeten ze behandeld en belast worden zoals andere bedrijven. Er
is geen enkele reden om hen een voorkeurstatuut te geven. Het is niet omdat men
pretendeert door God zelf gezonden te zijn dat men geen belastingen hoeft te
betalen. Er is nog veel minder reden om aan godsdiensten belastingsgeld te
geven om hun handel te drijven.
Voor de erediensten die
per 1 september 1996 door de Belgische Staat worden erkend, worden de subsidies
verdeeld als volgt:
katholieke eredienst:
5 240 bedienaars van de eredienst met een totale bezoldiging van 3 275 563 527
frank.
protestantse
eredienst: 85 bedienaars van de eredienst met een totale bezoldiging van 77 965
198 frank.
anglicaanse
eredienst: 11 bedienaars van de eredienst met een totale bezoldiging van 7 999
608 frank.
israëlitische
eredienst: 26 bedienaars van de eredienst met een totale bezoldiging van 19 238
696 frank.
orthodoxe eredienst:
40 bedienaars van de eredienst met een totale bezoldiging van 32 984 010 frank.
Dit komt
neer op een totaal bedrag van 3 413 751 040 frank.
Wat de
islamitische eredienst betreft deelt de minister van Justitie mee dat een
bedrag van 5 miljoen frank is toegekend aan het Executief van de Moslims van België
voor het dienstjaar 1997.
De
subsidie voor de erkenning van de vrijzinnige levensbeschouwing bedraagt 122
400 000 frank.
(geciteerd uit een gedateerd wetsvoorstel van de Senaat; wat de steden en gemeenten daarboven nog betalen
voor de bouw en het onderhoud van de kerken en pastorieën is hierin niet
begrepen).
De staat moet zich onthouden van elke kerkelijke
subsidiëring, zoals dat in Frankrijk geval is. Het Duits systeem van de Kirchensteuer is zeer dubbelzinnig. Het
is waar dat niet-gelovigen die belasting niet moeten betalen. Maar als je die
betaalt, zijn de sommen volledig aftrekbaar van de inkomsten, zodat je er uiteindelijk
toch een voordeel aan hebt, wat natuurlijk het betalen van Kirchensteuer aantrekkelijk maakt. Het is op die manier dat de Duitse
katholieke kerk jaarlijks ongeveer 5 miljard euro inkomsten verwerft, de
Evangelische kerken ongeveer 4 miljard euro.
Ik zeg niet dat er geen goede mensen zijn
onder de gelovigen of de bedienaars van de eredienst. Ik meen alleen dat ze
niet beter zijn dan een ander en dat ze derhalve ook geen bijzonder financieel statuut
of bescherming behoeven. Wat denkt u van de overlevingskansen van de kerken als
ze uitsluitend moeten leven van de vrijwillige bijdragen van de gelovigen?
Juist. Als ze zonder die bescherming niet kunnen overleven, dan blijkt daaruit
dat ze al bij al best gemist kunnen worden. Dat is de oorzaak van het faillissement
van de katholieke kerk in Vlaanderen: er is geen belangstelling voor het product.
Een overjaarse rechtgelovige crisismanager zal daaraan niets veranderen, niet
in Rome, niet in Vlaanderen.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
05-02-2010
Hoe komen we (niet) van religie af?
Floris van den Berg, Hoe komen we van religie af? Een ongemakkelijke liberale paradox, 156
blz., bibliografie, noten, Houtekiet/Atlas, 2009, 16,50
Ik kwam dit boekje toevallig op het spoor
toen ik aan het snuffelen was in de catalogus van de openbare bibliotheken van
Vlaams-Brabant. Het was niet beschikbaar in Leuven of Rotselaar, maar er
bestaat ook zoiets als Interbibliothecair leenverkeer (IBL). Dat betekent dat
jouw plaatselijke bibliotheek een boek kan opvragen in een andere; je betaalt
daarvoor een bescheiden vergoeding: 1,5.
Wat zal ik over dit boekje, een pamflet,
volgens de auteur, zeggen? Niet veel en dat is omineus (van Lat. omen, voorteken, zoals in nomen est omen): het voorspelt niet veel
goeds.
De auteur heeft een aantal boeken gelezen
over atheïsme en ongeloof. Die zijn ook hier op mijn blog de revue gepasseerd,
telkens met enig commentaar. Wat deze nogal opgewonden auteur doet is stukken
uit die boeken citeren en parafraseren. Dat is nu net wat ik niet doe. Ik wil
mijn lezers aanzetten om zelf te gaan lezen, dat lijkt me veel nuttiger. Ik
verberg (no pun intended) mijn eigen
gedachten niet onder die van anderen. Wat ik zelf te zeggen heb, doe ik zonder
verwijzingen naar wat ik gelezen heb. Zo weten mijn lezers ook wie aan het
woord is. Dat is niet altijd het geval in dit boekje en dat is vervelend, om
niet meer te zeggen.
Het is dan ook geen gestructureerd betoog,
veeleer een badinerie. Van Dale kent dit woord niet, wel badineren, maar als
enige etymologische aanduiding vinden we daar van het Frans. Dat zal wel,
maar dat hadden we zelf ook kunnen vinden. De verre oorsprong ligt bij het volkslatijnse
batare, met de mond open staan,
gapen. Badin werd later een adjectief
en een substantief, met de betekenis van vrolijk, opgewekt, maar met een
spottend kantje. Badineren is gekscheren, de draak steken met iets.
Dat is wat van den Berg doet: hij maakt de
godsdienst in het algemeen en het fundamentalisme en de Islam in het bijzonder,
belachelijk. Zijn taal is agressief, zijn argumenten ook.
Het derde, veel te lange hoofdstuk gaat
uitsluitend over de hoofddoekenkwestie, ruim dertig bladzijden. Ik had het hier
ook al over dat onderwerp en mijn besluit was: niet wat je op je hoofd hebt is
belangrijk, maar wat er in zit en wat je daarmee doet. Hoofddoeken zijn
kledingstukken. Zij krijgen maar betekenis als men er een aan geeft. Dan worden
het symbolen. Ik vermoed dat slechts een beperkt aantal moslimvrouwen, en dan
nog uitsluitend in het Westen, hun hoofddoek als een bewust symbool beschouwen.
Voor de anderen behoort het gewoon tot de traditionele klederdracht. Het zijn
vrijwel uitsluitend mensen zoals van den Berg, Theo van Gogh en Wilders (die
een kopvoddentaks wou invoeren) die zich druk maken over dit symbool.
Anderen, zoals enkele geëmancipeerde moslimas, kunnen zich ook behoorlijk boos
maken. Ze rekenen op die manier af met hun verleden en dat is hun goed recht
als persoon, als individu. Maar dat is naast de kwestie in de maatschappelijke
discussie over hoofddoeken. Zelfs als een hoofddoek een symbool is van de
onderdrukking van de vrouw in de Islam, dan nog haalt het niets uit om tegen
het symbool te keer te gaan.
Het is een totaal onschuldig symbool, er is
niets verkeerds met een hoofddoek, ik vind die trouwens meestal erg mooi en
flatterend, ik zie er niets onderdrukkends in. Het verminken van de vrouw,
zoals destijds bij het inbinden van de voeten in het China, of bij de genitale
verminking, dat zijn symbolen waartegen wij ons met hand en tand moeten
verzetten. Vestimentaire gebruiken zijn zeker in vergelijking daarmee totaal
onbelangrijk, op enkele uitzonderingen na: toen een van de Britse prinsen op
een verkleedpartij verscheen als een nazi, was dat niet zomaar smakeloos of
ongepast: zoiets is verwerpelijk, misdadig zelfs. Maar voor de rest: als je
ziet wat mensen allemaal dragen aan kledij of versierselen, dan kunnen we het
best de schouders ophalen en zeggen: zoveel hoofden, zoveel doeken.
Wie mijn veelvuldige teksten over religie,
geloof, ongeloof en atheïsme hier een beetje gevolgd heeft en misschien zelf
ook enkele boeken over dat onderwerp heeft gelezen, bijvoorbeeld Dawkins en
Dennett, kan zich de moeite besparen om dit boekje te lezen. Er staat geen
enkele originele gedachte in. Ik vermoed dat de auteur ook niet veel succes zal
boeken met zijn acties om de godsdienst uit de maatschappij te weren of te
beperken tot een louter persoonlijke zaak. Ik zag hem toevallig enkele minuten
tekeer gaan op de Nederlandse televisie: geen fraai beeld. Zo stoot je mensen
af, niet alleen fundamentalisten of gelovigen. Je plaatst je daarmee op het
zelfde bedenkelijke niveau als degenen die je bestrijdt en dat kan toch de
bedoeling niet zijn, meen ik.
Ik heb me in mijn teksten zelden uitgelaten
over de Islam. Ik weet er te weinig over en wat ik weet zet me niet aan om mij
erin te verdiepen. In mijn directe omgeving ken ik geen enkele moslim/a. Hier
bij ons is de Islam geen maatschappelijk probleem. Ik kan me moeilijk
uitspreken over de situatie in Nederland of in Brussel of Antwerpen. Ik maak me
wel ernstige zorgen over de verbreiding van de Islam wereldwijd, maar niet meer
dan over het christendom of andere godsdiensten en sekten. Het feit dat vele
terroristen moslims zijn, betekent nog niet dat vele moslims terroristen zouden
zijn of ermee sympathiseren. Het feit dat vele mensen moslim zijn en de
gebruiken van die godsdienst naleven, is even verontrustend als het feit dat
ongeveer evenveel mensen zich christelijk noemen en christelijke gebruiken hebben
die daar niet essentieel van verschillen. Ik hoop dat mettertijd de Islam wat
gaat verwateren, zoals het christendom in het Westen, met het doordringen van
de welvaart en de beschaving. Maar misschien ben ik een beetje naïef op dat
punt.
Dat zij dan zo. Liever naïef dan rabiaat.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
04-02-2010
Seks in de zeventiende eeuw: Matthew Cobb, Generation
Ik weet niet, beste lezers, hoe uw seksuele
voorlichting verlopen is, maar ik vermoed niet veel anders dan die van mij. Niet
in de huiskring en ook niet op school: daar was seks taboe. Een leraar maakte
van een gesprek over mijn vroege literaire pogingen gebruik om aan de hand van
enkele kleurrijke platen een en ander anatomisch duidelijk te maken en ook in
de jeugdbeweging was er een dokter die enkele algemeenheden kwam vertellen,
maar dat was allemaal zeer theoretisch en had niets, maar dan ook niets te
maken met de meisjes en vrouwen die we zagen rondlopen. Ik heb meer geleerd van
de vuile moppen die we als jonge snaken snoevend aan elkaar vertelden, hoewel
we nauwelijks wisten hoe de vork aan de steel zat. Later, toen ik meisjes van
naderbij leerde kennen en zelfs onder de rok ging vrijen zoals dat toen
heette, was het een kwestie van trial and error: je probeerde hoe ver je te
ver kon gaan. Als een zwaard van Damocles hing altijd de dreiging van
ongewenste zwangerschap boven je hoofd.
Het taboe is er altijd gebleven, zo stevig
was het erin gehamerd en geklopt: ik herinner me levendig hoe mijn oudste broer
ooit betrapt werd met een (zeer ouderwets en dus erg preuts) voorlichtingsboekje
en daarvoor slaag kreeg van mijn overigens uiterst zachtaardige vader Ik moet
bekennen dat ik zelfs nu nog altijd niet helemaal ongedwongen en open over seksualiteit
kan praten, laat staan ermee omgaan. We zijn verknoeid op dat punt in onze
jeugd en daar heeft geen Jan Cremer of Ouders van nu iets aan veranderd en nu
is het te laat.
Toen ik enkele weken geleden bij de Slegte
een boek zag met op de aantrekkelijke cover een tekening van acht spermatozoïden,
nam ik het met enige schroom maar met blijkbaar net nog iets meer
nieuwsgierigheid ter hand.
Het was Matthew Cobb, Generation. The Seventeenth-century Scientists Who Unraveled the
Secrets of Sex, Life and Growth, xv + 333 pp., notes, bibliography, index,
Bloomsbury, 2006. Eerder uitgegeven in het U.K als The Egg and Sperm Race. $ 24,95, bij de Slegte 8,5 voor een fraai
uitgegeven en voorbeeldig gedrukte hardcover; 11,95 bij Proxis voor de
paperback (Britse titel).
Lieve lezers, wat een interessant, nee,
fascinerend boek is dit! Vooreerst is het buitengewoon goed geschreven. Toen ik
op de achterflap las dat de auteur biologieprofessor was, was ik even bang voor
droge kost of onhandige formuleringen, maar nee hoor: prachtig Engels,
heerlijke stijl, helder en duidelijk, bezorgd om de lezer, een plezier, echt
waar. En dan de inhoud: fascinerend, er is geen ander woord voor.
Het gaat om het verhaal van de
wetenschappelijke ontdekkingen over de voortplanting. Dat begint al bij de
Grieken en de Romeinen, maar pas met de Renaissance gaat men dieper in de op de
zaken en pas in de zeventiende eeuw gaat men ook voorzichtig aan anatomisch
onderzoek en aarzelende experimenten doen. Dat alles wordt hier uitvoerig en
met veel gevoel voor de tijdsomstandigheden uiteengezet, op basis van de
originele publicaties en briefwisseling, geïllustreerd met tekeningen en
gravures uit die tijd.
Wat me vooral is opgevallen is een dubbele
paradox. Enerzijds is het evident dat de mens maar al te goed wist hoe zich
voort te planten, vanzelfsprekend. Ook de veeteelt dateert van vele millennia
geleden en ook daar wisten althans de boeren precies hoe alles in zijn werk
ging. Men castreerde bijvoorbeeld al dieren, zowel mannelijke als vrouwelijke
lang voor onze tijdrekening. Men was ook niet blind voor een aantal erfelijke
eigenschappen: kinderen lijken op hun ouders, op hun vader net zo vaak als op
hun moeder en soms op allebei of op geen van beiden. Er was dus een zeer ver
doorgedreven praktische kennis van de seksualiteit en het systeem van de voortplanting.
Anderzijds was de wetenschappelijke kennis ervan uiterst beperkt. De grootste filosofen,
geneesheren en andere geleerden die zich ermee bezig hielden, kwamen tot de
meest vergezochte theorieën, die nauwelijks iets met de zaak te maken hebben,
terwijl de realiteit zich toch onder hun neus afspeelde.
Dat de man een bijdrage leverde tot het
proces was duidelijk, daar twijfelde niemand aan. Dat ook de vrouw erbij nodig
was, daar kon je ook niet naast kijken. Maar wat er precies gebeurde bij de coïtus
en hoe het daarna verder ging? Daarover wist men ongeveer net zoveel als ik
toen ik twaalf, dertien jaar was. En dat is zo gebleven tot, schrik niet, 1870
en het is pas echt duidelijk geworden rond 1950
Een van de grote discussies was die over
het ei. Men kon bij vogels en andere dieren vaststellen dat die eieren legden
en dat uit die eieren ook jongen konden komen. Maar andere dieren en ook de
mens zijn niet ovipaar (eierenleggend) maar vivipaar (levendbarend). Toch is
men er vrij snel toe gekomen om te veronderstellen dat ook bij de mens een ei
een rol speelde. Meteen werd de vraag gesteld: waar kwam dat ei vandaan? Was
het de man die het plantte in de schoot van de vrouw? Was het de vrouw die het
ei leverde? Maar wat was dan de rol van het mannelijk zaad?
De moeilijkheid was dat men het vrouwelijk
ei niet vond, ook niet met de primitieve maar buitengewoon efficiënte
microscopen van die tijd, bijvoorbeeld die van Leeuwenhoek. Nochtans is de
eicel de grootste cel van het menselijk lichaam, veertig keer groter dan een
spermacel, en zelfs met het blote oog zichtbaar. Toch is men er lang van uitgegaan
dat de mens uit een of andere vorm van ei voortkwam.
Leeuwenhoek zag zijn eigen spermacellen in
1677. In zijn verslag benadrukte hij dat hij dat niet op een onkuise manier had
geproduceerd, maar bij een legitieme vrijpartij met zijn eigen vrouw Maar ook
hij maakte de connectie niet: hij dacht niet dat die beestjes
verantwoordelijk waren voor de voortplanting. Toch was hij een tegenstander van
de ei-theorie, precies omdat hij geen eieren vond bij vrouwen. Het lijkt wel
dat hij ze niet wou zien, achteraf bekeken.
Hoe dan ook, zelfs toen men veel later wel
degelijk het ei en de spermatozoïden had gezien, kwam men nog altijd niet tot
de voor ons evidente conclusie. Men besefte dus enerzijds wel dat de man en de
vrouw samen seks moeten hebben om tot voortplanting te komen, men wist dat het
sperma en de eieren (eicellen, weten we nu) daarbij een rol speelden, maar ondanks
uiterst doorgedreven anatomisch en microscopisch onderzoek wist men niet dat een zaadcel moet
binnendringen in een eicel, precies zoals de man de vrouw penetreert. Die
inzichten dateren van de twintigste eeuw Een ontnuchterende vaststelling.
Het is bijzonder interessant om te zien hoe
schrandere geleerden en uiterst pientere onderzoekers ondanks hun beste
inspanningen gedurende tweeduizend jaar zijn blijven hangen in mythische
verhalen, vage theorieën, ronduit fantastische interpretaties en idiote
redeneringen over een zo belangrijk onderwerp als onze eigen voortplanting. De
auteur benadrukt dat wij zelfs vandaag nog niet alle aspecten ervan volledig hebben
onderzocht of uitgeklaard, er blijven nog steeds mysteries op te helderen. Maar
wij hebben gelukkig de grote principes onderkend en dat laat ons toe om
bijvoorbeeld dieren te klonen, kunstmatig te insemineren en in vitro te bevruchten, zwangerschap te
voorkomen en zo de kinderwens te beperken en te plannen enzovoort.
Ik kan dit boek niet genoeg aanbevelen. Ik
heb geen Nederlandse vertaling gevonden, jammer. Maar wie een beetje Engels
kent, zal er veel plezier aan beleven, zowel wegens het boeiende onderwerp als
voor de schitterende manier waarop het gebracht is.
P.S. Ik haast me om iets recht te zetten. Dank
zij een snelle en vakkundige reactie van een van mijn trouwste lezers, die zich
herhaaldelijk ergert aan mijn voorliefde voor niet-Nederlandstalige boeken, kan
ik hier meegeven dat er wel degelijk een Nederlandse vertaling bestaat van het
boek van Matthew Cobb, Generation dat
ik hier gisteren besprak.
Matthew Cobb: De ei-
en spermarace. Hoe zeventiende-eeuwse geleerden de geheimen van seks, leven en groei
ontraadselden, De
Bezige Bij Amsterdam, 2006, 375 p.; ill.
, 22,5 ISBN 90-234-2081-0. Vert. van: The egg & sperm race.
Distributie: WPG Uitgevers
Mijn correspondent voegde
daaraan ook nog een interessante boekbespreking en flaptekst toe, maar die
onthoud ik u bewust. Enerzijds kan je die wellicht zelf vinden, goegel dan op
de Nederlandse titel; anderzijds probeer ik met mijn boekbesprekingen mijn
lezers warm te maken voor boeken die ik zelf met plezier heb gelezen, maar dan
zonder de inhoud te verklappen en zo hun leesplezier gedeeltelijk te bederven.
Ik vermijd zelf ook het lezen van wat men in het Engels spoilers (bedervers) noemt: gegevens die de inhoud verklappen.
Vandaar dus.
Ik vermeld nog graag dat deze
Nederlandse vertaling ook beschikbaar is in openbare bibliotheken, onder meer
die van Leuven.
Categorie:wetenschap Tags:wetenschap
02-02-2010
Drastische oplossingen
Het is me weer wat. Enkele jonge boeven
raken slaags met enkele jonge politieagenten en het land staat in rep en roer.
De verontwaardiging is groot, althans in Vlaanderen. Niet zo in Brussel en
Wallonië, daar zijn ze blijkbaar wel wat gewoon op dat punt. Zei de jolige burgemeester
van Brussel-stad niet: geweld? waar? wanneer? En: is het anders dan anders? Vlamingen die maatregelen vragen tegen Franstalige
allochtone misdadigers worden al gauw van verdoken racisme verdacht. De betrokken
ministers gaan weer samenzitten. Mijn vader zaliger zei daarover: ze
dronken een glas en ze deden een plas en alles bleef gelijk het was.
Laten we het eens over die verontwaardiging
hebben. Wij reageren op het nieuws van dat geweld alsof we er zelf bij waren, bijna
alsof het op ons gepleegd was. Wij stellen ons in de plaats van de betrokkenen.
Men noemt dat: plaatsvervangende verontwaardiging. De burgemeester van
Brussel-stad bekijkt enkel de statistieken: is er opvallend meer geweld? Nee?
Dan is er niets aan de hand: een fait divers. Wij reageren emotioneel op het
sensationeel gebrachte nieuws, hij niet. We hebben allebei gelijk, natuurlijk.
Laten we het even over mogelijke
oplossingen hebben. Niet voor dit ene probleem, maar meteen voor alles wat
verkeerd gaat in de maatschappij, waarom niet?
Zolang als er al mensen samen wonen, dat
wil zeggen van zodra er mensen op aarde verschenen, proberen zij zo goed en zo
kwaad als het gaat samen te leven. Men heeft daarvoor ontelbare systemen,
methoden, regels, voorschriften, afspraken en wetten gemaakt en ook godsdiensten
verzonnen. Onze geschiedenis leert ons dat geen enkel systeem alleenzaligmakend
is, dat men er nog nooit in geslaagd is om de perfecte maatschappij te
realiseren, verre van. Er zijn steeds conflicten, op grote en kleine schaal, er
is steeds geweld, oneerlijke verdeling van de lusten en de lasten, verkwisting
en misbruik allerhande.
Daartegen hebben de mensen steeds
gereageerd en voorstellen geformuleerd om die problemen op te lossen, de kleine
en de grote. Dat heeft slechts heel zelden echt iets opgeleverd en dan nog
meestal voor korte tijd. De mens verandert niet en zijn problemen evenmin.
Wanneer er zich weer eens iets voordoet,
hoort men stemmen opgaan die radicale oplossingen voorstellen of eisen. Het zou
in Brussel ongetwijfeld rustiger en veiliger zijn, indien men alle jongeren van
allochtone afkomst tussen 12 en 32 zou opsluiten. Het lijkt wel alsof sommigen
precies dat ook zouden willen.
Het is evident dat zoiets niet mogelijk is,
praktisch gesproken, om nog te zwijgen van de ethische implicaties. Je kan
alles oplossen met drastische maatregelen, maar die zijn (helaas, volgens
sommigen, gelukkig, volgens sommige anderen) onuitvoerbaar. We hebben de
middelen niet om alles optimaal te laten verlopen. Meer nog: als we die
middelen toch zouden hebben, dan zou er toch nog van alles verkeerd gaan, daar
kan je van op aan. Het zijn niet alleen uitzichtloze achtergestelde jongeren
die misdaden begaan, er is ook witteboordencriminaliteit. Stinkend rijke
mensen, die niets tekort hebben, die zich alles kunnen permitteren, stelen de
spaarcenten van argeloze beleggers, of vergiftigen bewust honderdduizenden
Chinese kinderen.
En toch zijn er altijd en overal mensen die
voor drastische maatregelen pleiten en die het laten voorkomen alsof die ook
perfect realiseerbaar zijn. Vaak zijn dat de kopmannen van (extreem-)rechtse
partijen. Zij spreken daarmee een bevolkingsgroep aan die zich niet kan
voorstellen dat er geen eenvoudige oplossingen zijn voor de problemen, die ze in
hun stamcafé elke dag op luidruchtige wijze oplossen in de walm van hun sigaretten
en de roes van hun alcohol.
Maar er zijn ook anderen. Er zijn in het
verleden altijd mensen geweest die dachten dat zij zouden slagen waar alle
anderen hadden gefaald. Meestal neemt dat de vorm aan van een dictatuur, al
begint het op een meer onschuldige manier. Enkele voorbeelden: het Romeinse
rijk, het christendom, het Ottomaanse rijk, de Islam, het communisme, het
fascisme, het kapitalisme. Allemaal boden ze allesomvattende oplossingen voor
alle problemen. Ze eindigen alle op dezelfde manier: in onderdrukking,
overheersing, dood en verderf, zonder ook maar één probleem ook maar enigszins
opgelost te hebben, integendeel. Lenin en zelfs Stalin waren wellicht
aanvankelijk bezield met grootse idealen, Hitler was de redder van Duistland. Vele
miljoenen doden zijn er telkens nodig geweest om de zaken weer een beetje
convenabel te maken.
Wat moeten we daaruit besluiten?
Vooreerst dat we wantrouwig moeten zijn
tegenover eenieder die radicale oplossingen vraagt of voorstelt. De vraag is
misschien nog te vergoelijken als een emotionele reactie, maar erop ingaan is
nefast. Als iemand met een radicaal voorstel afkomt, let dan goed op, want voor
je het weet ben jij de pineut en hij machtig en rijk.
Er zijn, lieve mensen, geen simpele
oplossingen, jammer maar helaas. Drastische ingrepen (van het Grieks drastikos, letterlijk: werkend, actief,
dus efficiënt, effectief, maar bij ons met een superlatieve bijbetekenis: zeer goed
of zeer agressief werkend); drastische ingrepen, zei ik, zijn gevaarlijk, ze
doen meer kwaad dan goed. Artsen weten dat goed en houden zich (meestal) ver
van paardenremedies. Als je een ingegroeide teennagel hebt, kan je de pijn
verlichten door het hele been af te zetten, natuurlijk, maar dat is geen
oplossing, toch? De basisregel van de geneeskunde is: primum non nocere, begin met geen kwaad te doen. Elke oplossing die
een beschadiging inhoudt, is verdacht.
Moeten wij de drie Brusselse overvallers
standrechterlijk afmaken, een publieke lynchpartij? Neen, neem ik aan. Moeten
ze streng bestraft worden en liefst zo vlug mogelijk? Ja en ja, maar is dat wel
mogelijk? Snelrecht, zegt u, maar dat is hier een contradictio in terminis:
recht is niet snel in een moderne maatschappij, laat staan in Brussel. Uitzonderingsrechtbanken
zegt u? Let daarmee toch maar goed op, zo is elke dictatuur begonnen. Zero-tolerance,
lik op stuk, in bepaalde wijken, zegt u?
Maar terwijl we daarmee bezig zijn, lopen
onze kinderdagverblijven gevaar, spelen de banken gevaarlijke spelletjes met onze
spaarcenten, lopen er psychopaten rond, sluikstorters, huisjesmelkers,
zwartwerkers, zwendelaars enzovoort. Het is een kwestie van prioriteiten.
Hoed je dus voor drastische oplossingen
voor specifieke problemen. Maar wees nog meer beducht voor mensen die globale
oplossingen voorstellen voor alle problemen van onze samenleving. Vandaag is
het de Islam die naar voren geschoven wordt als een panacee. (Van Dale zegt dat
we dat woord van het Frans geleend hebben; maar waar hebben de Fransen het
gehaald? Uit het Grieks, weeral: pan alles;
akos geneesmiddel; graag gedaan, Van
Dale, maar waarom doe je je huiswerk niet zelf?) Als we allemaal de koran en de
sharia zouden volgen, dan was het hier een hemel op aarde.
Als je dat gelooft, dan ben je zalig, bij
manier van spreken. Je hoeft maar even te kijken hoe het eraan toe gaat in
landen waar de Islam alleen aan de macht is om te weten dat ook dat geen
oplossing is. Wij hebben dat meegemaakt, gedurende tweeduizend jaar, met het christendom
en we zijn blij dat we daar nu stilaan van af zijn. Het communisme heeft
grotendeels afgedaan. Maar ook het extreme en globale kapitalisme ligt onder
vuur ten gevolge van de herhaalde crisissen, financiële, militaire en politieke.
Er is met andere woorden geen enkele afdoende en algemeen geldende oplossing,
niet voor de grote problemen en niet voor de kleine. Meer nog: we mogen
dergelijke systemen niet vertrouwen, we mogen er zelfs niet naar verlangen,
tenzij op zeer, zeer lange termijn.
De hemel op aarde is niet voor morgen. We
zullen het dus nog even moeten doen met lapwerk, voorlopige oplossingen en onbevredigende
compromissen. Echte successen mogen we alleen verwachten van het ernstige werk
op lange termijn.
Misschien is het beter om onze energie
daarin te steken dan in het aflaten van stoom, plaatsvervangende verontwaardiging
en geroep op de banken, ministeriële overhaasting, doekjes voor het bloeden en
het mediatiek sussen van de publieke opinie in het vooruitzicht van de volgende
verkiezingen. Talkshows kunnen wel eens leuk zijn, maar het echte werk moet
elders gebeuren. Enerzijds in het parlement, anderzijds en veel belangrijker,
in ons eigen hart.
Verbeter de wereld, begin met jezelf.
Categorie:samenleving Tags:maatschappij
29-01-2010
Darwin's Cathedral, D.S. Wilson
David Sloan WILSON, Darwins Cathedral, 268
pp., Univ. Chicago Press, 2002, $ 14 (geen Nederlandse vertaling gevonden).
Ik heb de euvele moed gehad om een boek te
kopen van David Sloan Wilson. Ik was nochtans gewaarschuwd: orthodoxe
sociobiologen zijn het grotendeels oneens met zijn stellingen. Laten we de twee
even kort tegenover elkaar stellen.
De gangbare opvatting, prominent
vertegenwoordigd door Richard Dawkins, is die van de selfish genes, de zelfzuchtige genen. De basisregel voor alle leven
is in leven blijven en het eigen leven of dat van de soort voortzetten. Onze
genen zijn op dat doel gericht en wij, als persoon, zijn een belichaming van
dat ideaal. Vertrekkend van die stelling kan men proberen om alle biologisch
leven te verklaren en dat lukt ook vrij goed. Het is de grondregel van het
Darwinisme en er is nog geen betere verklaring gevonden voor het biologisch leven
op aarde zoals het nu bestaat in al zijn vormen.
D. S. Wilson stemt ermee in dat dit
inderdaad een grondregel is, maar dat die niet beperkt mag worden tot het
niveau van de genen. Niet alles kan verklaard worden op basis van de
overlevingsdrang van de genen alleen. Een eerste hoger niveau is dat van het
organisme, bijvoorbeeld een plant, een dier of en vooral, een mens. Een mens is
niet de slaaf van zijn genen. Met grosso modo hetzelfde genetisch materiaal kan
men tot zeer verschillende resultaten komen. Een tweede stap is om ook groepen
als organismen te beschouwen, bijvoorbeeld een zwerm bijen en vooral, een groep
mensen.
Wilson zegt dat men rekening moet houden
met individuen en groepen om bijvoorbeeld de huidige maatschappij te verklaren.
Hij is het niet eens met Dawkins, die alles terugbrengt tot de ene, genetische
basiswet. Waar Dawkins stelt dat de genen maar één wet kennen, namelijk
overleven, beweert Wilson dat er een evolutionair voordeel is voor personen of
groepen die de samenwerking bevorderen, dat zij dus een grotere overlevingskans
hebben en zich dus beter zullen voortplanten en in de competitie met andere
groepen meer kans hebben om te overwinnen.
Ook Dawkins erkent dat samenwerking vaak,
misschien zelfs meestal voordelig is. Maar hij ziet dat nog altijd genetisch:
men zal samenwerken met die personen die genetisch het sterkst verwant zijn, in
de eerste plaats de eigen kinderen, maar ook de ouders en de broers en zussen,
de ooms en tantes, de neven en nichten enzovoort, en wel precies in de mate van
de genetische verwantschap. Waar het gaat om samenwerking met (genetisch)
vreemden, zal men een houding aannemen die het best verklaard wordt door de
speltheorie (game theory): men
vertrekt van een welwillende houding, maar reageert op de reactie van de andere
precies zoals de andere reageerde op de eigen welwillende reactie. Voorbeeld: twee
leeuwen vinden een prooi; ze kunnen erom vechten of ze samen verorberen. De
meest voordelige houding voor beiden is, op termijn: samen verorberen, zelfs
samen jagen. Maar als de ene leeuw niet wil delen, is het beter om de volgende
keer ook te weigeren.
Wilson zegt dat we niet op het genetisch niveau
mogen blijven om alles te verklaren. Een individu is niet absoluut afhankelijk
van zijn genen, kan erop reageren, kan zich verzetten. Voorbeeld: een
christelijke martelaar in een Romeins circus. Wat heeft die eraan om zich
gewillig te laten opeten door de leeuwen? Volgens Dawkins zou elke vezel van
zijn wezen zich moeten verzetten tegen het aanstormende gevaar: zelfbehoud! En
toch zijn er verslagen, hoewel niet altijd zeer betrouwbare, van dergelijke
serene martelaars. Overtuigender is het verhaal van pater Kolbe, die in
Auschwitz de plaats innam van een andere man die geselecteerd was om omgebracht
te worden. Hij onderging de martelingen lijdzaam en ging inderdaad zijn dood
zingend tegemoet.
Ook op het niveau van de groep is het
volgens Wilson duidelijk dat er gevallen kunnen zijn waar het voordeliger is
voor het individu om niet zelfzuchtig te handelen. Groepen die samenwerken,
doen het beter dan groepen van individualisten of egoïsten. Als je lid bent
van zon groep, verbeter je je eigen kansen, maar je moet wel eerst afstand
doen van je (genetische) drang naar zelfbehoud.
Wilson is een voorstander van de multilevel selection theory. Natuurlijke
selectie speelt, zeker voor mensen, niet enkel op genetisch niveau, maar ook op
het niveau van het individu en het groepsniveau.
Ik heb ook altijd aangevoeld dat een puur
genetisch Darwinisme misschien niet afdoende is om alle aspecten van onze
moderne maatschappij te verklaren. Met de homo sapiens is de wereld grondig
veranderd. De mens kan nadenken, plannen, afwegen. Hij kan rekening houden met
omstandigheden. Hij kan plezier uitstellen, kan lijden verdragen om een ander
doel te bereiken. De mens is essentieel een wezen dat altijd in een of andere
vorm van gemeenschap leeft. De mens is sapiens geworden door in groep te gaan
leven, als individu zou dat nooit gelukt zijn. Het is evident dat enkel de pure
overlevingsdrang niet alle menselijk gedrag kan verklaren. Er is meer uitleg
nodig, toepassingen van die regel, uitzonderingen daarop enzovoort.
De vraag is echter welke mechanismen er dan
wel spelen, als het niet de genetische zijn. Want dit is het grote voordeel van
Darwin-Dawkins: men kan aantonen hoe het fysisch werkt, in de praktijk, al
honderdduizenden jaren. Het bestaan van de genen is onbetwist en ook het
systeem van gedifferentieerde voortplanting en natuurlijke selectie is algemeen
aanvaard. Maar hoe gaat de selectie en de evolutie in zijn werk als die
niet genetisch is? Dat kan kan alleen cultureel zijn, maatschappelijk, in de
beschaving. Tot nog toe is echter niemand erin geslaagd om de complexe
bewegingen binnen onze samenleving en in de loop van de geschiedenis op een
positiefwetenschappelijke basis te beschrijven, laat staan dat men er wetten
zou voor hebben opgesteld die ook maar enige voorspellende waarde hebben. Ik
heb bij Wilson nergens zelfs maar een poging gezien om dergelijke wetten voor
te stellen. Hij beperkt zich ertoe om het genetische niveau als enige
verklaring af te wijzen en aandacht te vragen voor wat zich op de hogere
niveaus afspeelt.
Ook hij geeft geen sluitende verklaring
voor het gedrag van de christelijke martelaars. In dit boek heeft hij het
uitdrukkelijk over godsdienst als een groepsverschijnsel. Godsdienst maakt een
groep krachtiger, omdat het de mensen aanzet tot samenwerking, onder meer door
hen te verbinden rond een bepaald mythisch verhaal. Hij geeft daarvan
voorbeelden, maar men kan er ook andere vinden, waar een dergelijke godsdienst
leidde tot gezamenlijke zelfmoord. Er zijn veel meer godsdiensten verdwenen dan
er nu bestaan.
Mijn indruk na lezing van dit boek is er
een van frustratie. Het is niet altijd gemakkelijk om de redeneringen van
Wilson te volgen, je hebt er meestal geen idee van waar hij naartoe wil en
wanneer hij dan plots verregaande conclusies trekt, heb je niet de indruk dat
het voorgaande voldoende argumenten inhoudt voor die krasse gevolgtrekkingen. Soms
heb ik hem betrapt op drogredeneringen of verdraaiing van de feiten of de
geschiedenis. Zijn voorbeelden zijn dikwijls misleidend, soms absurd en evident
onjuist of perfect anders te verklaren. Maar het meest vervelende is dat je met
zijn conclusies nergens heen kunt. Wat hij zegt over godsdienst zal geen enkele
gelovige bevredigen en geen enkele atheïst geruststellen. De mechanismen die
hij lijkt te veronderstellen in de omgang van de mensen als individuen en in
groep zijn allesbehalve duidelijk en ontberen elke fysiologische,
psychologische en filosofische basis.
Dit boek is goed geschreven en mooi
uitgegeven; het geeft de indruk zeer wetenschappelijk te zijn, met talloze citaten,
verwijzingen en voetnoten uit de meest eminente literatuur. Maar ik ben er niet
gerust in. D. S. Wilson heeft ongetwijfeld zeer goed gezien dat wij de
geschiedenis van de beschaafde mensheid niet volledig kunnen verklaren op basis
van onze genetische drang naar zelfbehoud alleen. Zijn stelling dat wij de
verdere verklaring moeten zoeken op een hoger niveau, dat van de mens als
individu en als groep is verre van origineel, zelfs banaal. Wat hij over die
hogere niveaus te vertellen heeft, is grotendeels onsamenhangend en maakt
niemand wijzer. Het gedrag van de leden van een groep kan mijn inziens nog
altijd veel beter verklaard worden als een toepassing van de drang naar
individueel zelfbehoud dan als de weldoende maar mysterieuze groepsgeest die
Wilson meent te ontwaren.
Mensen zijn individuen, denken als
individuen, handelen als individuen, planten zich voort als individuen, leven
samen als individuen. Er is geen enkele aanduiding dat dit niet zo zou zijn. Ik
hou mijn hart vast voor elke theorie dat wij iets anders zouden zijn dan
individuen. Wij hebben al genoeg voorbeelden gehad, vooral in de geschiedenis
van de 20ste eeuw, van wat er gebeurt als men de mens niet meer als
een individu beschouwt maar als een onbetekenend onderdeel van een groter
geheel of een groter verhaal.
Professor D. S. Wilson is een geleerde mystificateur,
denk ik.
Categorie:levensbeschouwing Tags:maatschappij
28-01-2010
Gedichtendag 2010
Een gedacht is geen gedicht
dichten is niet zomaar woorden schrijven
zonder denken, al dan niet verlicht
kan van dichten niet veel overblijven.
Het is niet omdat ze op rijm staan
dat gedachten een gedicht zijn
of dat ze keurig in de maat gaan
anders zou dat wel verplicht zijn.
Soms voelen we de vreemde behoefte
om onze regels wat korter te maken
maar wie het ooit beproefde
weet: ook dat zal het verschil niet maken.
Dichten is gedachten verdichten
de woorden helderder brengen
zodat ze de lezer verlichten
of verplichten een stille traan plengen.
Dichten is naar binnen kijken
in eigen hart en dat van de dingen
dat kan een vreemde toestand lijken
zoals dagdromen of woordeloos zingen.
Dichten is gedachten dichter schrijven dan gewoon
moeite doen om uit de band te springen
en te spreken op ongewone toon
over verlangens en herinneringen.
Vandaag is het gedichtendag
dat vieren we met deze coupletten
niet met een tricolore of leeuwenvlag
maar met deze verzonnen kwartetten.
Geen zielenroerselen of angstschreeuwen
gewoon deze kleine vingeroefening
geen klotsende baren of krijsende meeuwen
enkel deze broze woordenwisseling.
Toch wil ik zo bij je binnen komen
je prozaïsche taken ernstig verstoren
plaats maken voor koele winterdromen
en het rozevingerig ochtendgloren.
Ik probeer je kwansuis af te leiden
van het ritme van lege dagen
en je stiekem in te wijden
in een weliger welbehagen.
Ik beken het, ik wil je verleiden
versieren met gekunstelde taal
ik wil je van jezelf bevrijden
verzin voor jou een beeldverhaal.
Ik wil als dichter dichter bij je zijn
je omarmen en fluisteren in je oor
woorden van wonne en minnepijn
en dromen dat ik aldoor bij je hoor.
Ik wil even je hele aandacht vragen
je even bij me houden
je schuwe blik even doen vertragen
even, heel even van je houden.
Categorie:poëzie Tags:poëzie
26-01-2010
Het Léonard-kruispunt
Wat God gescheiden heeft, mag de mens niet
verbinden.
Dat is de boodschap die Mgr. Léonard, de
nieuwbenoemde aartsbisschop van Mechelen-Brussel en primaat van België, ons met
mediatieke bravoure brengt. In elk interview tast men hem opnieuw in het kruis
over zijn opvattingen betreffende de menselijke seksualiteit. Steevast is zijn
antwoord: seksualiteit dient voor de voortplanting, dat is de essentie ervan.
Wie dus de seksualiteit voor iets anders aanwendt, wijkt af van de
natuurlijke functie van de seksualiteit.
Het is verbazingwekkend hoe simplistisch
een ogenschijnlijk intelligente man als deze priester Gods kan zijn. Het
reduceren van de seksualiteit tot voortplanting is niet alleen een
verschrikkelijke verarming van dit wondere aspect van onze menselijkheid, het
is biologisch gezien ook goed fout. Seksualiteit is, dat moet toch ook deze man
inzien, zo wereldvreemd is hij toch niet, veel ruimer dan de
voortplantingsdaad? Anders kunnen we ons evengoed beperken tot het bezwangeren
en zich laten bezwangeren, bij voorkeur via kunstmatige inseminatie, zoals bij
het vee.
Nee, het is duidelijk: mensen zijn door en
door seksuele wezens, van hun geboorte tot hun dood, elke dag, elk uur van hun
leven. Een seksuele moraal zoals die van de officiële katholieke kerk, die
enkel over de voortplanting spreekt, heeft het strikt gesproken enkel over die
zeer zeldzame gelegenheden waarbij seks ook leidt tot bevruchting en tot een
nieuwe mens. Dat is dan een periode van slechts enkele jaren in het leven van
een mens en in die periode een totale duur van, zeg maar, een half uurtje of
zo, alles samen? Je ziet zelf wat er allemaal daarbuiten valt: zowat heel ons
leven.
Wat zegt de kerk over de rest van de tijd?
Niets: seks voor of buiten het huwelijk is verboden; seks binnen of buiten het
huwelijk die niet op de voortplanting gericht is, is verboden; seks die niet
tot voortplanting kan leiden, bijvoorbeeld tussen mensen van hetzelfde
geslacht, is verboden; zelfs seks met een impotente partner is verboden, dat is
trouwens de enige aanvaardbare reden voor een kerkelijke echtscheiding.
De kerk sluit zich daarmee af van de
dagelijkse praktijk van álle mensen. Er is niemand, niemand die zich helemaal
aan de strikte leer van de kerk houdt, altijd en overal, ook Mgr. Léonard niet,
want naar zijn eigen zeggen zijn wij allen zondaars en hijzelf, nog steeds in
zijn eigen woorden, de grootste. Maar zij sluit zich daarmee wel op een
spectaculaire manier af van specifieke groepen van mensen: ouders die zelf het
moment en de omvang van hun kinderwens willen bepalen; jongeren voor het
huwelijk en andere ongehuwden; al de mensen die seksueel actief zijn buiten het
huwelijk; homos, lesbiennes en biseksuelen. Ook hier vrees ik dat de
verzameling van deze groepen ongeveer de hele mensheid omvat.
Binnen het geheel van wat wij seksualiteit
noemen, is de voortplantingsdaad slechts een detail. Een belangrijk detail, dat
wel, maar toch niet meer dan dat, zowel in de tijd gezien als in het geheel van
het emotioneel leven. Verliefdheid is zeker zo intens, genegenheid evenzeer,
maar ook verlangen, begeerte, erotiek, herinnering, wanhoop, onzekerheid,
jaloersheid Ach, hoe is het toch mogelijk dat iemand dat allemaal over het
hoofd ziet? Onze hele beschaving, onze cultuur draait rond de verhouding tussen
mensen, mannen en vrouwen, in een ondoorgrondelijke veelheid van daden en
gevoelens. Wat zou onze literatuur, onze kunst, onze samenleving zijn zonder
seksualiteit?
Mgr. Léonard heeft in zijn goed voorbereid
antwoord op de cruciale vragen ook een etymologisch element ingelast. Dat deed
me natuurlijk de oren spitsen. Seksualiteit is volgens hem afgeleid van het
Latijnse werkwoord secare, snijden, splitsen,
scheiden. Dat mag dan al zo zijn, of ze mogen dan al beide teruggaan op een
zelfde stam sec met die betekenis. Maar de zaak is veel complexer dan dat. Bovendien
is een etymologische verklaring, hoe wetenschappelijk die ook moge lijken, niet
meer dan een fiorituur, een spielerei en dus zeker geen absolute verklaringsgrond.
Etymologisch is seks niet wat de mensen
scheidt, zoals Léonard meent, maar wat ze ónderscheidt. God heeft de mensen
niet gescheiden in twee soorten, hij heeft de menselijke soort onderscheiden en
dat op veel meer manieren dan alleen het fysisch seksueel onderscheid van man
en vrouw. Wij hebben niet alleen toevallig verschillende genitaliën, wij zijn anders
mens als man en als vrouw.
Anders gezegd: de menselijke soort is
geëvolueerd, zoals een groot gedeelte van het leven op aarde, als een soort
waarbij de voortplanting gebeurt door de vereniging van de vrouwelijke eicel en
de mannelijke zaadcel. Dat heeft niets met scheiden, uiteenhalen, verwijderen
te maken, maar alles met samenvoegen, verbinden, verenigen. Seksualiteit is wat
mensen met elkaar verbindt, niet wat hen scheidt. Al te lang heeft de kerk zich
ingespannen om de seksen zoveel mogelijk uit elkaar te houden, tenzij het niet
anders kon, namelijk voor de strikte voortplanting. Dat er duizend andere
redenen zijn voor mensen om elkaar te omarmen, samen te zijn, ook seksueel,
daar heeft de kerk nooit oog voor gehad, integendeel, dat heeft ze steeds
ontkend en als zondig bestreden uit alle macht.
Niets is meer essentieel voor de menselijke
soort dan haar voortplanting. Zonder voortplanting sterft de mensheid op zeer
korte tijd uit. De evolutie heeft dat zeer goed ingezien en doet er alles aan
opdat de mens zich zou voortplanten, zowel bij de man als bij de vrouw. Dat is
wat wij onder seksualiteit verstaan: dat wondere geheel van ontelbare en
grotendeels onbewuste elementen die maken dat wij ons graag voortplanten, dat
wij maar moeilijk aan de drang kunnen weerstaan, dat seksualiteit ons hele
leven en de hele samenleving doordringt. Het zit ons letterlijk in het bloed,
of correcter: in de genen en bovendien hebben wij er ons hele bestaan op
gebouwd.
We moeten dat zien als een kenmerk van de
menselijke soort, dat aanwezig is in al de individuele mensen, maar dan op een
individueel verschillende manier, zoals trouwens alle andere kenmerken.
Seksualiteit is veelomvattend en uiterst divers in zijn mogelijke vormen en
belevingen. Er zijn geen twee mensen die eender zijn, er zijn er ook geen twee
die hun seksualiteit op precies dezelfde manier ervaren of vorm geven. Zeker,
er zijn grote lijnen, maar er zijn ook enorm veel afwijkingen. Er zijn
duidelijke voorkeuren en taboes, maar er zijn massaal veel alternatieven en
zelfs perversies en seksuele misdrijven.
Zoals elk ander gedrag moet in een
samenleving ook de seksualiteit geregeld worden. Die regels worden door elke
samenleving opgesteld, gebaseerd op wat mensen doen, wat ze goed vinden en wat
niet. Er zijn maar weinig dingen die door iedereen en altijd afgewezen worden
in de seksualiteit. Incest is er een van. Ik schreef daarover vroeger al, klik
hier: http://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=341
De voortplanting is essentieel voor het
overleven van de soort, maar dat wil niet zeggen dat wij niets anders te doen
hebben dan ons voortplanten, noch dat elk van ons zich zou moeten voortplanten.
Het gaat om de soort, niet om het individu. Trouwens, bij de voortplanting overleeft
het individu niet echt: onze kinderen zijn geen kopieën van onszelf, op geen
enkele manier; genetisch is het een mix van de chromosomen van de beide
partners en het is niet te voorspellen welke kenmerken dominant zullen blijken
te zijn. Bovendien: wat elk kind zelf maakt van het materiaal dat het genetisch
heeft meegekregen, is nog veel minder voorspelbaar. Het is dus onzin om de mens
te herleiden tot een voortplantingsmachine, dat is zelfs bij de meest
primitieve volkeren niet zo. De mens is geen dekstier en geen konijn.
Het leven van de mens wordt niet uitsluitend
bepaald door zijn voortplantingsdrang en die drang wordt niet op een obsessionele
en strikt biologische manier beleefd. De aantrekkingskracht tussen partners is
gericht op een totaalbeleving, niet zomaar op snelle seks. Wij hebben rond de voortplanting
een hele beschaving gebouwd, een complexe samenleving. Wie dat miskent, miskent
de essentie van het mens-zijn en herleid de mens tot een bronstig beest.
Ik wou het ook nog even hebben over de
houding van de kerk, zoals zonder aarzeling of pudeur verwoord door Mgr.
Léonard, tegenover echtscheiding. Hij steunt zich daarbij op Matteus, hoofdstuk
19. Ik citeer de evangelietekst hier voor u:
19
1
Nadat Jezus deze rede had uitgesproken, verliet hij Galilea en ging hij langs
de overkant van de Jordaan naar Judea. 2 Grote massas mensen volgden hem, en
hij genas hen ter plekke. 3 Toen kwamen er farizeeën op hem af om hem op de
proef te stellen. Ze vroegen: Mag een man zijn vrouw om willekeurig welke
reden verstoten? 4 Hij zei: Hebt u niet gelezen dat de schepper de mens bij
het begin mannelijk en vrouwelijk heeft gemaakt? 5 En hij vervolgde: Daarom
zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en
die twee zullen één worden; 6 ze zijn dan niet langer twee, maar één. Wat God
heeft verbonden, mag een mens niet scheiden. 7 Toen vroegen ze hem: Waarom
heeft Mozes dan voorgeschreven haar een scheidingsbrief te geven en haar zo te
verstoten? 8 Hij antwoordde: Omdat u harteloos en koppig bent, daarom heeft
Mozes u toegestaan uw vrouw te verstoten. Maar dat is niet vanaf het begin zo
geweest. 9 Ik zeg u: wie zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt
overspel, tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis.
10
Hierop zeiden zijn leerlingen: Als het met de verhouding tussen man en vrouw
zo gesteld is, kun je maar beter niet trouwen. 11 Hij zei tegen hen: Niet
iedereen kan deze kwestie begrijpen, alleen degenen aan wie het gegeven is: 12
er zijn mannen die niet trouwen omdat ze onvruchtbaar geboren werden, andere
omdat ze door mensen onvruchtbaar gemaakt zijn, en er zijn mannen die niet
trouwen omdat ze zichzelf onvruchtbaar gemaakt hebben met het oog op het
koninkrijk van de hemel. Laat wie bij machte is dit te begrijpen het begrijpen!
Uit de hele context is duidelijk dat het
hier gaat om een discussie over wetten. De Farizeeën citeren de Joodse wet, die
inderdaad in de praktijk nogal vrij omging met het verstoten van echtgenotes.
Zij wisten heel goed dat dit gebruik van de Mozaïsche wet betwistbaar was, dat
het een smoes was die Joodse mannen gebruikten om uit de echt te scheiden, om
welke reden dan ook. Niet dat iedereen dat zomaar deed, maar ongetwijfeld
gebeurde het toen net zo goed en net zo frequent als nu. Jezus legt de vinger
op de wonde: het is omdat de man harteloos (lees: uitgekeken) en koppig (lees:
verliefd) is dat hij zijn vrouw verstoot voor een andere. De wet dient alleen
maar om dat te legitimeren. Het is dus feitelijk een misbruik, want het
goddelijk gebod, dat prioriteit heeft op de wet, is evident: mensenkinderen
zullen hun ouders verlaten en zich aan een partner binden; voor de meesten
onder hen is dat een partner van het andere geslacht en uit die gemeenschap
kunnen kinderen geboren worden, dat is zo genetisch bepaald.
Dat is de basisregel voor de menselijke
soort. Wie die te goeder trouw aangegane verbintenis eenzijdig en brutaal beëindigt
en dus contractbreuk pleegt, handelt niet correct. Maar het gebeurt nu eenmaal,
zo is de mens, daar is niets aan te doen, dat wist men toen ook al, dat blijkt
overduidelijk uit de reactie van de leerlingen: als je niet mag scheiden, wie
zal er dan nog willen trouwen? Beter van gewoon samen te wonen!
En dus waren er voorzieningen in de Joodse wet,
bijvoorbeeld de scheidingsbrief, die de verstoten vrouw kon gebruiken om haar
onschuld en eventueel haar potentiële vruchtbaarheid te bewijzen. In onze tijd
doen wij het net zo. Het huwelijk is in principe een verbintenis op lange
termijn. Wie ze eenzijdig verbreekt, is verplicht om de andere partner
schadeloos te stellen en moet ook blijven bijdragen in de kosten van het
onderhoud van de eventuele kinderen. Indien twee partners in onderling overleg
beslissen uiteen te gaan, regelen zij hun zaken op een correcte manier voor de
notaris en de rechtbank. Lees wat ik daarover schreef, kik hier: http://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=109139.
Dat zijn de termen van de discussie. Wat
doen we dan met dat ene zinnetje: wat God verbonden heeft, zal de mens niet
scheiden? Dat is wat de kerk steeds inroept om zich tegen echtscheiding te
verzetten.
Vooreerst staat er duidelijk: wat God verenigd
heeft; man en vrouw zijn seksueel onderscheiden van elkaar om zich te
verenigen en zo voor nakomelingen te zorgen. Dat is de biologische, genetisch
vastgelegde basisregel. Een man die de ene vrouw zomaar verstoot voor een
andere, zondigt tegen die basisregel, tenzij zijn eerste vrouw onvruchtbaar is
of in het geval van overspel door de vrouw. Dat is een zeer algemeen verspreide
wet.
Toch waren en zijn er in elke samenleving ook
regels die rekening hielden met het mislukken van een huwelijk. Mensen zijn
niet altijd heel wijs of vooruitziend wanneer ze hun partner kiezen: als de
staart staat, zit het verstand inderdaad in de kloten. Er waren dus altijd voorzieningen
om op een billijke manier een einde te maken aan huwelijkscontracten; dat de
mannen daarbij wel eens het laken naar zich trokken, zal niemand verwonderen,
al is het niet goed te praten.
In onze moderne tijd zijn die kwesties vrij
goed geregeld, ook voor de vrouw.
Wij beschikken nu ook over zeer efficiënte en
veilige voorbehoedsmiddelen. Dat heeft ertoe geleid dat seks nu ook mogelijk is
zonder voortplanting. Voor heel wat mensen heeft dat de termen van de discussie
grondig veranderd. Het is nu mogelijk dat partners seks hebben om andere
redenen dan de voortplanting, bijvoorbeeld als een zeer intieme en intense
manier om hun wederzijdse gevoelens te uiten en genietend te beleven, ook
zonder het oog op een huwelijk of samenleven. Dat was vroeger ook al zo, maar
toen was er steeds het risico op ongewenste zwangerschap. Ik weet niet of er nu
meer mensen op die manier hun seksualiteit beleven, maar het is in alle geval
een buitengewoon goede zaak dat zij dat kunnen zonder dat er kinderen moeten
geboren worden die niet gewenst, ja, zelfs verwenst zijn.
Het Evangelie zegt ook een beetje
geheimzinnig dat niet iedereen moet huwen: wie onvruchtbaar is ten gevolge van
een defect van de natuur, wie onvruchtbaar gemaakt is, door castratie
bijvoorbeeld. Maar er is ook een derde categorie: zij die zichzelf onvruchtbaar
gemaakt hebben omwille van het rijk Gods. Nogmaals wordt beklemtoond dat dit
iets is dat niet iedereen kan begrijpen en dat is volkomen terecht.
Het valt op dat alleen deze laatste tekst
enkel bij Matteus voorkomt, dus niet bij de twee andere synoptische evangelisten,
Lukas en Marcus. Dat is veeleer uitzonderlijk. Technisch exegetisch gezien is het
dus een beetje een vreemde, misschien zelfs verdachte, later toegevoegde tekst.
Anderzijds is het niet ongebruikelijk in godsdiensten dat eunuchen tot de
priesterlijke klasse behoren, noch dat eunuchen een bijzonder plaats bekleden
in de maatschappij. Er is echter aan deze tekst een bijzondere moeilijkheid
verbonden. Het gaat immers niet om mensen die fysisch onvruchtbaar zijn zoals
eunuchen of castraten, maar om personen die zichzelf zo gemaakt hebben omwille
van het koninkrijk Gods. Wij mogen veronderstellen dat zij zichzelf niet
letterlijk gecastreerd hebben, al is dat wel hier en daar gebeurd in het vroege
christendom.
Het grote probleem is, dat mensen die zich voornemen
onvruchtbaar te zijn, dat daarom nog niet zijn in de praktijk. Dat is de vloek van
het verplicht priesterlijk celibaat: men blijft vruchtbaar; meer nog:
vruchtbaarheid is een vereiste om priester te mogen worden. Meteen zien we de
gevaren: men blijft een seksueel wezen, men kan zijn mening herzien, men kan zondigen,
men kan kinderen verwekken. Priesters van alle tijden hebben dat dan ook
gedaan, waar een wil is, is een weg, en de geest is gewillig maar het vlees is
zwak. Lees nog eens na wat ik schreef over het celibaat, klik hier: http://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=326591.
We moeten deze uitspraken van het Evangelie
over het onvruchtbaar zijn omwille van het Rijk Gods zien in verband met het
vervolg van de tekst van Matteus 19 over het Koninkrijk Gods en die is wel
helemaal synoptisch, quasi woord voor woord aanwezig in de drie evangelies.
Daarin benadrukt Jezus dat men zich grote opofferingen moet getroosten om het
rijk Gods binnen te gaan: men moet werkelijk alles opgeven. Het duidelijkst en onmenselijkst
staat dat in Lukas 14, 26-27, een van de teksten die door priesters en
aartsbisschoppen ongetwijfeld het minst letterlijk wordt geciteerd: 26Wie mij volgt, maar niet breekt met
zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs met
zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn.27Wie niet zijn kruis
draagt en mij op mijn weg volgt, kan niet mijn leerling zijn. Dit is de erg
eufemistische versie van de Nieuwe Bijbelvertaling. In alle andere versies is
het werkwoord haten, in de Griekse tekst misei
(zoals in misantropie en misogynie, mensen- en vrouwenhaat), in de Latijnse odit, veel duidelijker kan het niet zijn.
Het ziet ernaar uit dat Jezus vraagt dat
men ook de seksualiteit opgeeft om hem te volgen, dat zijn volgelingen dus
zichzelf onvruchtbaar maken, zoals ze ook alle andere wereldse bezittingen
opgeven. In ruil zullen ze wat ze verlaten hebben honderdvoud ontvangen en het
eeuwig leven verwerven. Dat wordt geïllustreerd in de parabelen die de deze tekst
omringen. Merkwaardig is dat voortdurend, ook bij Lukas, die formule herhaald
wordt: niet iedereen kan dit begrijpen, wie oren heeft om te horen die zal het
verstaan. Het lijkt wel een soort van signaal, dat toegevoegd is om te zeggen:
neem dit niet letterlijk, begrijp het niet verkeerd.
Dat is anders wel precies wat de kerk
gedaan heeft: het celibaat is een verplichting, tot op vandaag, voor priesters
en religieuzen, de echte dienaars en volgelingen van Jezus. De anderen, die het
niet verstaan, zijn zondaars. Een zeer groot gedeelte van Jezus boodschap, het
Evangelie, bestaat precies daarin: men moet alles opgeven en hem volgen.
Waarheen en waarom, dat is veel minder duidelijk.
Zijn we afgedwaald? Geenszins.
De kerk heeft deze teksten aangegrepen om
het monogame en onverbrekelijke huwelijk als de enig mogelijke samenlevingsvorm
op te leggen aan iedereen. Wie toch scheidt, om welke reden dan ook, mag niet
opnieuw in het huwelijk treden, ook niet wie buiten zijn of haar schuld
verlaten is of wie zijn vrouw of man verstoten heeft omwille van overspel. De
kerk roept dezelfde tekst in om elke vorm van seksualiteit onder seksgenoten te
verbieden. En ook het verplichte priestercelibaat is erop gesteund.
Nog los van de vraag of het verstandig is
om voor dergelijke belangrijke maatschappelijke kwesties nu nog altijd uitsluitend
te steunen op een zogenaamd heilige tekst, waarvan de ontstaansgeschiedenis allesbehalve
duidelijk is en die overigens geen enkele objectieve autoriteit heeft, is het waarlijk
waanzin om die beslissingen te steunen op een al te letterlijke en uiterst eenzijdige
interpretatie van zeer twijfelachtige en ambigue passages van teksten die op
zichzelf al een bedenkelijke pedigree hebben.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat in grote
delen van het christendom de priesters wel mogen huwen; dat men homoseksuelen erkent
voor wat ze zijn en hen zelfs toelaat tot het ambt; dat echtscheiding als een
persoonlijke aangelegenheid aanvaard wordt waarover de religie zich niet hoort
uit te spreken; dat men seksualiteit als een positieve waarde aanziet, ook
buiten de voortplanting en het huwelijk.
Dat is helaas niet het standpunt van Mgr.
Léonard, of zal ik zeggen de heer Léonard, want mon seigneur is hij echt niet. Een dienaar des Heren zou zich er
overigens moeten voor hoeden om de titel van zijn meester te usurperen: de
knecht zal niet meer zijn dan de meester (Joh. 13, 16). Wij moeten ons ervan
bewust zijn dat wat hij zegt niet de Waarheid is, maar slechts zijn kleine waarheid,
zijn bedenkelijke interpretatie, die slechts gedeeld wordt door een beperkt
aantal gelijkgezinden van dezelfde leeftijd, ook binnen de kerk. Het gezag
waarmee hij zich bekleed acht, is zoals het Evangelie zegt niet van deze
wereld, wij hoeven er dus niet van wakker te liggen, buiten deze wereld is er immers niets.
We mogen er wel verontwaardigd over zijn,
of zwaar teleurgesteld, samen met vele christenen binnen de kerk. Op deze man
rust een loodzware verantwoordelijkheid. De allesbehalve blijde boodschap die
hij brengt is een ontgoocheling en zelfs een belediging voor talloze mensen.
Het vernietigende en hardvochtig oordeel dat hij zo welsprekend uitspreekt over
zijn medemensen is verschrikkelijk, hoe hij zich ook draait en keert in zijn gladde
bewoordingen. De mensen hebben maar al te goed door wat hij werkelijk bedoelt. Zoals
Lukas (17, 1-4) zegt:
1
Tegen zijn leerlingen zei hij: Het is onvermijdelijk dat er mensen ten val
worden gebracht, alleen: wee degene die daarvoor verantwoordelijk is! 2 Het zou
beter voor hem zijn als hij met een molensteen om zijn nek in zee werd geworpen
dan dat hij ook maar een van deze geringen ten val zou brengen. 3 Let dus goed
op jezelf!
Indien
een van je broeders of zusters zondigt, spreek die dan ernstig toe; en als ze
berouw hebben, vergeef hun. 4 En als ze zevenmaal op een dag tegen je zondigen
en zevenmaal naar je terugkeren en zeggen: Ik heb berouw, dan moet je hun
vergeven.
Nog erger zal het vergaan wie zevenmaal per
dag van op de kansel en voor de camera volkomen onschuldigen er ten onrechte van beticht
dat ze zondigen en eist dat ze zevenmaal zeven keer berouw moeten tonen en
vergeving vragen aan een medemens die zich in mateloos aanmatigende trots boven
hen heeft verheven.
Wat de mens bindt, zal geen God scheiden,
laat staan zijn knecht.