NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Foto
Categorieën
  • etymologie (72)
  • ex libris (36)
  • God of geen god? (141)
  • historisch (27)
  • kunst (5)
  • levensbeschouwing (209)
  • literatuur (27)
  • muziek (68)
  • natuur (7)
  • poëzie (80)
  • samenleving (192)
  • spreekwoorden (11)
  • tijd (11)
  • wetenschap (50)
  • stuur me een e-mail

    Druk op de knop om mij te e-mailen. Als het niet lukt, gebruik dan mijn adres in de hoofding van mijn blog.

    Zoeken in blog

    Blog als favoriet !
    interessante sites
  • Spinoza in Vlaanderen
  • de blog van Lut
  • The Secular Web
  • Vladimir Nabokov
  • tweedehandse boeken
    Archief per maand
  • 05-2019
  • 03-2019
  • 10-2018
  • 09-2018
  • 08-2018
  • 04-2018
  • 01-2018
  • 11-2017
  • 10-2017
  • 09-2017
  • 07-2017
  • 06-2017
  • 04-2017
  • 03-2017
  • 02-2017
  • 01-2017
  • 12-2016
  • 11-2016
  • 10-2016
  • 06-2016
  • 05-2016
  • 03-2016
  • 02-2016
  • 01-2016
  • 12-2015
  • 11-2015
  • 10-2015
  • 09-2015
  • 08-2015
  • 07-2015
  • 06-2015
  • 05-2015
  • 04-2015
  • 03-2015
  • 02-2015
  • 01-2015
  • 12-2014
  • 11-2014
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 01-2010
  • 12-2009
  • 11-2009
  • 10-2009
  • 09-2009
  • 08-2009
  • 07-2009
  • 06-2009
  • 05-2009
  • 04-2009
  • 03-2009
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 12-2008
  • 11-2008
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 12-2007
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 04-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 12-2006
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 06-2006
  • 05-2006
  • 04-2006
  • 03-2006
  • 02-2006
  • 01-2006
    Kroniek
    mijn blik op de wereld vanaf 60
    Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
    Elke week zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
    Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
    Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1300! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
    Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
    Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
    08-06-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Sonnet 129
    Klik op de afbeelding om de link te volgen






















































    William Shakespeare 1564-1616

    Sonnet 129

    Th' expense of spirit in a waste of shame
    Is lust in action; and till action, lust
    Is perjur'd, murderous, bloody, full of blame,
    Savage, extreme, rude, cruel, not to trust;
    Enjoy'd no sooner, but despised straight;
    Past reason hunted; and no sooner had,
    Past reason hated, as a swallow'd bait,
    On purpose laid to make the taker mad:
    Mad in pursuit, and in possession so;
    Had, having, and in quest to have, extreme;
    A bliss in proof,--and prov'd, a very woe;
    Before, a joy propos'd; behind, a dream:
    All this the world well knows; yet none knows well
    To shun the heaven that leads men to this hell.

    Lijf en ziel verdoen in kwistig beschamen
    is lust te keer; en eer zo te keer, is lust
    vermaledijd, moorddronken, bloeddorst, met schuld beladen,
    extreem, onbeschoft, wreed van aard, trouweloos, onbesuisd;
    amper nog genoten, alras toch veracht;
    nagejaagd tegen alle rede, van zodra in pacht,
    tegen alle rede veracht; als verzwolgen lokaas,
    met list gelegd om de zwelger te keren in een dwaas;
    dwaas in ’t bejagen, in het bezitten dwaas nog meer, maar
    genoten, genietend en in ’t gieren op ’t genot zonder weerga;
    welig in ‘t proeven en eens geproefd wee, waanzin, ellende;
    aleer, vreugde alvast verworven, als droom, illusie aanzien, erkend:
    gewis dat de wereld dit wel weet, en toch is ‘t niet één bekend
    hoe die hemel schuwen die ons mensen te dier helle wendt.

    vertaling Karel D’huyvetters, juni 2006


    07-06-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Scharlaken Rackham?
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Over Scarlatti wou ik het even hebben. Hij leefde van 1685 tot 1757, niet de prettigste tijd in Europa. Een groot deel van zijn leven bracht hij door aan het Spaanse hof, waar hij muziek schreef voor de Spaanse koning, zijn zoon en zijn schoondochter. Farinelli, de man (minus sommige gewoonlijk als essentieel aanvaarde onderdelen) die via de gelijknamige film bij het publiek bekend werd om zijn fabelachtige castraatstem, leefde daar ook. (Omdat we nu geen castraten meer hebben, of onze zangers niet meer castreren, heeft men voor de film de stemmen van een hoge tenor (een man met een hoge stem maar mèt de bekende onderdelen, vermoedelijk) en een lage alt (een vrouw met een stem als van een man zonder de bekende onderdelen, als je nog kan volgen), elektronisch gemengd.) De koning had dus de meest beroemde en meest begaafde muzikale kunstenaars van zijn tijd opgekocht en die leukweg in zijn kasteel gelogeerd, waar ze hem moesten helpen zijn migraines te verjagen. Niemand anders mocht Farinelli horen zingen, niemand anders mocht een sonate van Scarlatti horen. Dit heeft ertoe geleid dat we van de 555 (echt waar!) sonates van onze vriend geen halve noot door hem zelf geschreven op papier hebben, en geen enkele uitgave door hem tijdens zijn leven. Ter vergelijking: stel u eens voor dat we van Madonna geen enkele cd hebben, geen enkele videoclip, geen enkele film, enkel verhalen van enkele vrienden en kennissen die haar eens hebben horen zingen op een feestje ergens in een Schots kasteel. Of dat we van Harry Potter alleen maar een versie hebben van iemand die het verhaal had horen vertellen bij het haardvuur, en die zich dat jaren nadien probeerde te herinneren en opschreef voor het nageslacht.

    Kijk, dan ben ik blij dat ik nu leef en niet in 1700. Ik kan Scarlatti alle dagen horen, voor twee keer niets. Briljant Classics is bezig met een uitgave van alle sonates, en voor de prijs moet je het niet laten, zoals bekend. Onlangs kon ik de hand leggen op een goedkope uitgave van de onovertroffen en waarschijnlijk ook onovertrefbare versie van die sonates van de veel te vroeg gestorven Scott Ross: dat ik dat nog mag meemaken! Ik luister ernaar in mijn luie zetel, of in de tuin, met het venster open, of op de bus met een sportieve koptelefoon en een draagbare cd-speler (ik vind oortjes wat irritant), of op mijn PC. En ik moet Scarlatti en zijn familie niet onderhouden. En geen clavecimbel voor hem kopen en stemmen, en afstoffen... Ik kan op dezelfde manier naar een elektronische Frankenstein-Farinelli luisteren, of naar Farinelli-aria’s gezongen door een jonge vrouw uit Alaska die in Wenen les volgde bij onze Vlaamse René Jacobs en zeker door Filips VI zou geschaakt zijn voor zijn persoonlijk en exclusief muzikaal (! natuurlijk) plezier indien hij haar had gehoord, maar dat heb ik dan weer op hem voor: ik kan haar wel horen, en met veel plezier. Viveca Geneaux is haar naam, en ze kweelt als, als, wat zal ik zeggen, als Farinelli, voor zover we weten, en niemand die ervoor gecastreerd is, wat toch ook mooi meegenomen is, zeker als je betrokken partij (!) bent.

    In mijn muzikale bijdragen krijg je altijd een aanmoediging om naar de discotheek te snellen en een cd of dvd te ontlenen. Dat is nu niet anders. Haal eens iets in huis van Domenico Scarlatti (Alexander, zijn vader, is voor mij en wellicht vele anderen een illustere onbekende, al dan niet terecht). Of iets met Farinelli: de cd van de film is een leuke eigenaardigheid, de cd met Farinelli-aria’s van Viveca Geneaux is een een lust voor het oor en zij voor het oog, en dat wil ook wat, toch? De engelachtige stem van Andreas Scholl zingt Farinelli alsof hij nooit iets anders gedaan heeft. Of zelfs iets van René Jacobs: zijn vroege cd’s voor zijn unieke stem, of zijn recente voor zijn muzikale ontdekkingen van heerlijke verloren gewaande componisten en muziekstukken. Jacobs behoort tot ons Vlaams erfgoed, maar het is enkel in het buitenland dat ze dat weten. Zo gaat het bij ons: geen sant in eigen land, een zekere Bob met die naam trekt naar Griekenland om zijn klanten (ondermeer) van hun depressies te verlossen. Er zijn minder aantrekkelijke manieren om dat te doen. Er zijn waarschijnlijk ook betere. Je leven opvrolijken met muziek lijkt me een kordaat middel tegen zwartgalligheid. Dat is alvast een begin. Waar wacht je nog op? Voor mij werkt het perfect. Het is ook goedkoper dan Griekenland. Misschien moeten de mutualiteiten maar eens overwegen om cd’s terug te betalen als antidepressiva. Of een St (pauze) St-stunt in deze bijna-verkiezingstijd: gratis cd’s?

    Bij Kruidvat doen ze het elke week, of toch bijna.

    Zet hem op… die cd!

     

     


    06-06-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Beatrice di Tenda van V. Bellini
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Vorige zaterdag was er op Mezzo nog eens Beatrice di Tenda van Vincenzo Bellini, een productie van de opera in Zürich van 2001.

    Mezzo is een van die Tv-stations die je digitaal kan nemen. Ze hebben ook een website met de programma’s voor de hele maand. Het aanbod is uitstekend: recente en historische opnamen, ruime keuze, jazz, klassiek, ballet… Alles wordt een aantal keren herhaald op een ander uur.

    Terug naar Beatrice.

    In de titelrol de ongelooflijk mooie stem van Edita Gruberova. Ik zeg wel degelijk stem, want Edita was toen echt geen spring chicken meer. Ik mag er niets van zeggen, want we zijn van hetzelfde jaar, 1946 en ik zie er al niet beter uit... en ik kan niet zingen. Zij had toen nog zowat de charme en de uistraling van een veldmuis. En ofwel was de regisseur in slaap gevallen of ontslagen, ofwel mocht geen van de zangers ook maar enigszins acteren wegens een vakbondsactie of een experiment in energiebesparing. Het decor was postmodern abstract: enkele trappen met buizen als leuning, een paar schelpstoelen, donkere gordijnen, dat was het. De kostuums waren vaag 1830. Scenisch was het dus een saaie boel, op wat overacting na, helaas, en ook de andere stemmen waren niet om over naar huis te schrijven: een mengeling van subtop op de terugweg en jonge strebers die nog wel wat te leren hebben, dus goed, maar niets bijzonders, en dat bijzondere is nu eenmaal wat je van een opera-opvoering verwacht. Gruberova's stem maakte (bijna) alles goed: een parelende coloratura, adembenemend in de hoogte, meesterlijke stemcontrole in de ppp-passages. Genieten dus bij haar solo aria's. Helaas voor de rest.

    Beatrice di Tenda is goede Bellini. Geen groot theaterstuk, maar heerlijke solo’s en best leuk koorwerk. Men vergelijkt hem wel eens met Chopin, wellicht omwille van de afwisselend ingehouden gevoeligheid en explosieve bravoure van zijn melodieën. Als we een kleine inspanning doen (en Verdi, Puccini maar vooral Donizetti even vergeten, maar dat is niet gemakkelijk…) dan zijn de opera’s van Bellini best wel het beluisteren waard.


    De productie bestaat ook op DVD (TDK, Opernhaus Zürich).

    PS Mag ik mij een ietwat incorrect grapje permitteren? Als je met Google corolatura opzoekt in plaats van coloratura, dan vind je het ook: op Japanse en Chinese sites... echt waal, plobeel het zelf eens. Google is dan weer slim: zij suggereren onmiddellijk het correcte woord als zoekterm.

    En naast het correcte Donizetti vind je ook heel wat sites die Donnizetti hebben. Vreemd. En leve het web!


    05-06-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vladimir Nabokov, Signs and Symbols
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Tekens en symbolen

     

    Het was de vierde keer in evenveel jaren tijd dat ze geconfronteerd werden met het probleem: wat voor verjaardagsgeschenk breng je naar een jongeman die ongeneeslijk ziek is in zijn hoofd? Er was niets dat hij verlangde. Voorwerpen die door mensen gemaakt waren, vormden voor hem een nest van boosheid, trillend van kwaadaardig leven dat alleen hij kon ontwaren, of wansmakelijke geneugten waarvoor in zijn abstracte wereld geen zin kon gevonden worden. Sommige konden ze meteen uitsluiten omdat ze hem ontstemden of schrik aanjoegen: elke gadget was bijvoorbeeld uit den boze. Daarom kozen zijn ouders een leuke, onschuldige snuisterij: een mandje met tien verschillende fruitsnoepjes in tien kleine potjes.

    Toen hij geboren werd, waren ze al een hele tijd getrouwd; sindsdien waren er wel twintig jaar voorbijgegaan, en nu waren ze al echt oud. Haar vaal grijs haar was willekeurig opgedaan. Ze droeg goedkope zwarte kleren. In tegenstelling met andere vrouwen van haar leeftijd, zoals mevrouw Sol, hun overbuur, haar aangezicht helemaal roze en paars met make-up en een hoed van veldbloemen, bood zij aan de onthullende stralen van de lentezon een naakte, witte aanblik. Haar echtgenoot was in hun oude land een vrij succesvol ondernemer geweest, maar was nu totaal aangewezen op zijn broer Isaac, een echte Amerikaan sinds meer dan veertig jaar. Ze zagen hem zelden en hadden hem de Prins als bijnaam gegeven.

    Die vrijdag ging alles verkeerd. De metrotrein verloor zijn levensstroom tussen twee stations in en een kwartier lang kon je niets horen dan het plichtsbewust kloppen van je hart en het ritselen van kranten. De bus die ze vervolgens moesten nemen, liet uren op zich wachten en toen hij eindelijk arriveerde, was hij afgeladen vol met kwetterende schoolkinderen. Het regende flink door toen ze het bruine pad opliepen dat naar het sanatorium leidde. Daar wachtten ze weer; in plaats van hun zoon naar binnen te zien schuifelen zoals gewoonlijk, zijn arme gezicht verknoeid met acné, slecht geschoren, lusteloos, en verward, verscheen er uiteindelijk een verpleegster die ze kenden maar niet erg apprecieerden, en die onthulde met opgewekte stem dat hij weer geprobeerd had een einde te maken aan zijn leven. Hij was buiten gevaar, zei ze, maar een bezoek zou misschien storend werken. De instelling was zo ellendig onderbezet van personeel en allerlei zaken raakten verloren gelegd of al te gemakkelijk verwisseld, dat ze besloten om hun geschenk niet achter te laten in het kantoor, ze zouden het meebrengen bij hun volgend bezoek.

    Ze wachtte tot haar echtgenoot zijn paraplu had geopend en nam dan zijn arm. Hij schraapte voortdurend zijn keel op die luidruchtige manier die hij had als hij ontdaan was. Ze kwamen bij het bushokje aan de overkant van de staat en hij vouwde zijn plu dicht. Een meter daarvandaan, onder een wuivende, druipende boom, lag een piepklein naakt vogeljong halfdood hulpeloos in een plas te trillen.

    Tijdens de lange rit naar het metrostation wisselden zij en haar echtgenoot geen woord, en elke keer als ze naar zijn oude hand keek, gezwollen aders, bruine vlekken op de huid, het handvat van de paraplu schokkend vasthoudend, voelde ze de drang van haar opwellende tranen. Ze keek op, om haar gedachten vast te klampen aan het een of ander en het gaf haar een lichte schok, een mengeling van medelijden en verwondering, toen ze merkte dat een van de andere reizigers, een meisje met donker haar en slonzige rode teennagels, lag te wenen op de schouder van een oudere vrouw. Op wie leek die vrouw toch? Ze leek sprekend op Rebecca Borisovna, haar dochter was getrouwd met een van de Soloveichiks, dat was in Minsk, jaren geleden.

    De laatste keer dat hij het had geprobeerd, was zijn methode, zoals de dokter het zei, een wonder van vindingrijkheid; en het zou hem ook gelukt zijn, als een afgunstige medepatiënt, die dacht dat hij leerde vliegen, hem niet had tegengehouden. Wat hij echt wou doen was een gat scheuren in zijn wereld en ontsnappen.

    Het systeem van zijn waanbeelden was het voorwerp geweest van een uitgebreid paper in een wetenschappelijk maandblad, maar zij en haar echtgenoot hadden het al lang tevoren zelf ontdekt. ‘Referentiële manie’ had Herman Brink het genoemd. In dit uitzonderlijk soort gevallen verbeeldt de patiënt dat alles dat om hem heen gebeurt een versluierde verwijzing is naar zijn persoonlijkheid en zijn bestaan. Reële personen worden uitgesloten van die samenzwering, want hij beschouwt zichzelf als zo veel intelligenter dan andere mensen. De zichtbare wereld volgt hem waar hij ook gaat. De wolken aan de starende hemel zenden elkaar met langzame tekens ongelooflijk gedetailleerde informatie over hem door. Zijn diepste gedachten worden bij het vallen van de nacht besproken, in handalfabet, door donker gesticulerende bomen. Keitjes of vlekken of plekjes zonlicht vormen patronen die op een afschuwelijke manier boodschappen voorstellen die hij moet onderscheppen. Alles is een geheime code en van dat alles is hij het thema. Sommige spionnen zijn afstandelijke toeschouwers, zoals glazen oppervlakten of stilstaand water; andere, zoals jassen in etalages, zijn bevooroordeelde getuigen, klaar om hem te lynchen; nog andere, lopend water, regenbuien zijn hysterisch, vrijwel krankzinnig en hebben een verstoord beeld van hem en leggen zijn daden op een groteske manier totaal verkeerd uit. Hij moet voortdurend waakzaam zijn en moet elk moment en module van zijn leven wijden aan het ontcijferen van de golvende beweging van de dingen. De lucht zelf die hij uitademt wordt geïndexeerd en geklasseerd. En als het alleen maar zijn onmiddellijke omgeving was die zich zo voor hem interesseerde, maar dat is niet zo! Hoe verder af, hoe geweldiger en welsprekender de schandelijke watervallen worden. De schaduwen van zijn bloedlichaampjes, een miljoen keer vergroot, vlieden over weidse vlakten; en nog verder weg zijn er machtige bergen, ondraaglijk solide en hoog, die in termen van graniet en kreunende naaldbomen de ultieme waarheid over zijn bestaan samenvatten.

    Toen ze het gedonder en de vieze lucht van de metro achter zich gelaten hadden, waren de laatste overblijfsels van de dag verweven met de straatverlichting. Ze wou wat vis kopen voor het avondmaal en dus reikte ze hem het mandje met de snoeppotjes aan en zei dat hij alvast naar huis moest gaan. Hij liep de trappen op tot de derde overloop en herinnerde zich dan dat hij zijn sleutels eerder die dag aan haar gegeven had.

    Zonder iets te zeggen ging hij zitten op de trappen en zonder iets te zeggen stond hij weer op toen ze tien minuten later toekwam, moeizaam strompelend, met een vermoeide glimlach, hoofdschuddend haar misprijzen uitend over haar eigen domheid. Ze gingen hun tweekamerappartement binnen en hij ging meteen voor de spiegel staan. Met zijn duimen trok hij zijn mondhoeken uiteen tot een afschuwelijk maskerachtige grimas en verwijderde dan zijn nieuw, hopeloos oncomfortabel gebit en doorbrak de lange speekselslierten die hem met zijn gebit verbonden. Terwijl zij de tafel zette, las hij zijn Russische krant. Zonder te stoppen met lezen nam hij het bleke voedsel tot zich dat geen tanden behoefde. Zij wist van zijn nukken en zweeg eveneens.

    Toen hij naar bed was, bleef zij in de woonkamer met haar verfomfaaid pak kaarten en haar oude fotoalbums. Aan de overkant van de binnenkoer, waar de regen in het donker tikte tegen een paar versleten vuilnisbakken, lichtten ramen op en in een daarvan kon je een man zien liggen, gekleed in een donkere broek, languit op een niet-opgemaakt bed, zijn naakte ellebogen in de lucht. Ze trok de blinden naar beneden en bekeek de foto’s. Als baby zag hij er nog verbaasder uit dan de meeste andere. De Duitse meid die ze in Leipzig hadden, gleed van tussen de bladen van het album, samen met haar verloofde met zijn vette kaken. Minsk, de Revolutie, Leipzig, Berlijn, Leipzig, een scheve gevel totaal uit focus. Vier jaar oud, in een park: nukkig, verlegen, met gefronst voorhoofd, wegkijkend van een opdringerige eekhoorn zoals hij wegkeek van elke andere vreemde. Tante Rosa, een bezige, hoekige oude vrouw met wilde ogen, die geleefd had in een beverige wereld van slecht nieuws, bankroet, treinongelukken, kankergezwellen, tot de Duitsers haar ombrachten, samen met al de mensen over wie ze zich zo’n zorgen had gemaakt. Zes jaar oud, dat was toen hij wonderbare vogels tekende met mensenhanden en voeten en aan slapeloosheid leed als een volwassen man. Zijn neef, nu een beroemd schaakspeler. Nog eens hij, ongeveer acht jaar, al moeilijk te verstaan, bevreesd voor het behang op de gang, bevreesd voor een bepaalde prent in een boek, die niets anders toonde dan een idyllisch landschap met rotsen op een bergrug en een oud karrenwiel aan een tak van een ontbladerde boom. Tien jaar oud: het jaar dat ze Europa ontvluchtten. De schaamte, het medelijden, de vernederende problemen, de lelijke, gemene, achterlijke kinderen die met hem op die speciale school zaten. En dan kwam die periode in zijn leven, net toen hij langdurig herstellend was van een longontsteking, dat die kleine fobieën van hem, die zijn ouders koppig bleven zien als de eigenaardigheden van een buitengewoon begaafd kind, verhardden tot een dicht net van illusies die logisch samenwerkten en hem totaal onbereikbaar maakten voor normaal verstand.

    Dat alles en nog veel meer aanvaardde ze, want al bij al was het leven niets anders dan het verlies aanvaarden van het ene plezier na het andere en in haar geval zelfs niet van vreugden, nee, nauwelijks meer dan mogelijkheden voor verbetering. Ze dacht aan de eindeloze golven van pijn die zij en haar echtgenoot moesten verduren, om een of andere reden; aan de onzichtbare reuzen die haar zoon zo onvoorstelbaar pijnigden; aan de onnoemelijke hoeveelheid tederheid aanwezig in de wereld; aan het lot van die tederheid, die ofwel vermorzeld wordt, of verspild, of omgezet in waanzin; aan verwaarloosde kinderen, neuriënd in zichzelf in stoffige hoeken; aan prachtig onkruid dat zich niet kan verbergen voor de boer en hulpeloos moeten toezien hoe de schaduw van zijn aapachtige bolle rug een spoor van vermaalde bloemen achterlaat, terwijl de monsterachtige duisternis naderbij komt.

     

    Het was al na middernacht toen ze vanuit de woonkamer haar man hoorde kreunen; en nu kwam hij de kamer binnen, met over zijn nachtkleed de oude overjas met de astrakan kraag die hij zoveel liever droeg dan de nette blauwe badjas die hij had.

    Ik kan niet slapen, riep hij.

    Hoe komt het, vroeg ze, waarom kan je niet slapen, je was zo moe?

    Ik kan niet slapen omdat ik crepeer, zei hij en legde zich neer op de sofa.

    Is het je maag? Moet ik dokter Solov bellen voor jou?

    Geen dokters, geen dokters, kreunde hij. Naar de duivel met dokters! We moeten hem daar snel weghalen. Anders zijn wij verantwoordelijk. Verantwoordelijk! riep hij nogmaals en rukte zich omhoog tot hij rechtop zat, zijn beide voeten op de grond, met zijn gebalde vuist op zijn voorhoofd bonzend.

    Goed, zei ze zachtjes, we brengen hem morgenvroeg naar huis.

    Ik zou wat thee willen, zei haar echtgenoot, en hij verdween naar het toilet.

    Ze boog moeizaam voorover en raapte enkele speelkaarten op en ook een paar foto’s die van de sofa op de vloer gevallen waren: hartenboer, schoppennegen, schoppenaas, Elsa en haar beestige vrijer.

    Hij kwam opgewonden terug en zei heel luid: Ik heb het allemaal uitgekiend. We geven hem de slaapkamer. Elk van ons beiden brengt een deel van de nacht dicht bij hem door en de rest van de nacht hier op de sofa. Elk om beurt. We zorgen ervoor dat de dokter hem ten minste twee keer per week ziet. En het kan me niet schelen wat de Prins ervan zegt. Trouwens, veel kan hij niet zeggen want zo zal het al bij al goedkoper uitkomen.

    De telefoon rinkelde. Het was een ongewoon uur voor de telefoon om te rinkelen. Zijn linker sloef was van zijn voet gegleden en hij viste ernaar met zijn hiel en zijn tenen terwijl hij in het midden van de kamer stond en kinderlijk, tandeloos zijn vrouw aangaapte. Haar Engels was beter dan het zijne, en daarom beantwoordde zij alle telefoons.

    Kan ik Charlie spreken, zei een dun, vlak meisjesstemmetje.

    Welk nummer wou je bereiken? Nee, dat is een ander nummer.

    De hoorn werd zachtjes opgehangen. Haar hand tastte naar haar vermoeide oude hart.

    Ik was erdoor verschrikt, zei ze.

    Hij glimlachte even vluchtig en hervatte dan meteen zijn opgewonden monoloog. Ze zouden hem gaan halen van zodra het licht werd. De messen zouden ze in een afgesloten lade moeten houden. Zelfs in zijn slechtste momenten vormde hij niet echt een gevaar voor anderen.

    De telefoon rinkelde andermaal. Dezelfde toonloze angstvallige jonge stem vroeg naar Charlie.

    Dat is een verkeerd nummer dat je hebt. Ik weet wat je verkeerd doet: je draait de letter O in plaats van het cijfer 0.

    Ze gingen zitten voor hun onverwachte feestelijke middernachtelijke thee. Het verjaardagsgeschenk stond op tafel. Hij slurpte luidruchtig; zijn gezicht was aangeschoten; keer op keer gaf hij zijn opgeheven theeglas een draaiende beweging om de suiker grondiger te doen oplossen. De ader aan de zijkant van zijn kaal hoofd waar een grote geboortevlek was, tekende zich duidelijk zichtbaar af en hoewel hij zich die morgen geschoren had, vertoonde zijn kin zilveren stoppels. Terwijl zij hem nog een kop thee uitschonk, zette hij zijn bril weer op en bekeek opnieuw met plezier de kleine doorschijnend gele, groene, rode potjes. Zijn onhandige vochtige lippen spelden hun welluidende etiketten: abrikoos, druif, zeepruim, kweepeer. Hij was aan wilde appel gekomen, toen de telefoon weer rinkelde.

    Vladimir NABOKOV, Signs and Symbols, door mij vertaald voor Lut.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ex Libris: Lee CHILD
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Lee CHILD, Without Fail, 2002, 374 pp. (hardcover, tweedehands € 10)

    In de boekenrubriek van Knack Focus besprak Hans Comijn enkele weken gelden de nieuwste van Lee Child: The Hard Way, en wel op een erg positieve manier. Voor mij was Child een onbekende en dus was mijn nieuwsgierigheid gewekt. Bij een volgend bezoek aan De Slegte dus even gezocht en ja hoor, bij de hardcovers prijkten twee van de tien tot nu toe verschenen misdaadromans in de rekken voor minder dan de helft van de prijs. Wie kan daaraan weerstaan? Tijdens het weekend ben ik aan mijn eerste Lee Child begonnen, en ik heb amper onderbroken om Clijsters en Hénin te zien doorgaan naar de volgende ronde.

    Child werkte vroeger voor de BBC, en dat is op zichzelf ook al een aanbeveling natuurlijk. Hij werkte daar mee aan beroemde series zoals Brideshead Revisited van Evelyn Waugh. Binnenkort komt die serie terug op Canvas, verneem ik, zij het op een ontiegelijk laat uur… Weten die programmatieverantwoordelijken eigenlijk wel iets van de leefgewoonten van de gemiddelde Vlaming? Of mag ik mij daar ook al niet meer toe rekenen? En ben ik dan ontoerekeningsvatbaar? Maar we dwalen af.

    Without Fail is een klassieker in het misdaadgenre: een mysterieuze bron stuurt moordbedreigingen naar de Secret Service: de Vice-President van de U.S. zal sterven. De Service haalt een externe specialist in huis om de veiligheidsrisico’s te analyseren. Wie zal het halen?

    Dat is in feite het hele verhaal. Oh, ja: zal Jack Reacher, de hoofdfiguur in de tien krimi’s van Lee Child, zich laten verleiden door de jonge vrouw die instaat voor de beveiliging van de VP? Of door zijn ietwat stoere collega?

    Het antwoord op beide vragen ligt natuurlijk binnen de verwachtingen. Maar bij het lezen vergeet je dat. Je bent geboeid door de knappe plot, de onverwachte wendingen, het zeer realistische en geloofwaardige verhaal, de goed getekende personages, zelfs de randfiguren, de spanning die je op elke bladzijde voelt: bij momenten zat ik inderdaad te trillen, merkte ik enigszins tot mijn verbazing: mijn hartritme volgde zowaar de climaxen van de man hunt. En dat is al even geleden, ik moet al enkele tientallen jaren teruggaan in de tijd…

    Zeker de eerste negen Jack Reacher-boeken zijn ook in het Nederlands beschikbaar, als paperback zelfs nieuw niet duurder dan € 7, dus tweedehands voor een habbekrats.

    Er is ook nog ene Lincoln Child, ook een crime writer, dus kijk even uit. Van die Lincoln heb ik nog niets gelezen, ik houd u op de hoogte.


    02-06-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.10
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    … van de Bolero.

     

    Zo weet je het meteen: we hebben het over Ravel. Meestal wacht ik tot ergens midden in mijn stukje om te vragen: kennen we iets van hem? Nu hoef ik niet eens ‘jewèèèèl, te zeggen, jullie zijn me al voor, want iedereen kent de B van R, iedereen heeft op zijn minst al eens een keer een paar maten gehoord, iedereen herkent die maten ook onmiddellijk: dat is de Bolero van Ravel!

    Maurice Ravel (hij heeft inderdaad een voornaam, en het is niet Bolero) werd geboren op 7 maart 1875 en overleed op 28 december 1937. Zoals ik al eens opmerkte: dat moet een van de meest de meest fascinerende periodes geweest zijn uit onze beschavingsgeschiedenis en als ik toch zou moeten herboren worden, dan zou dat wellicht mijn eerste keuze zijn. Zijn vader was een Frans-Zwitser, zijn moeder een Baskische. Bij het woordje Bask gaan er bij ons nu allerlei alarmbelletjes rinkelen: wij zien meteen gemaskerde en gewapende terroristen, uitgebrande autowrakken, stille betogingen, Basta Ya, zo is het wel genoeg geweest. Basken zijn geen Fransen en ook geen Spanjaarden. Het gebied dat zij als hun vaderland opeisen ligt op de grens van die twee landen, en als volk beweren ze af te stammen van een mysterieuze volksstam ergens in de mist van de geschiedenis. Misschien vinden we in Europa ooit de moed om hen het recht op zelfbeschikking te geven. Hun radicale en gewelddadige acties dragen daartoe helaas niet bij. In Vlaanderen is het er rustiger aan toe gegaan om onze eigenheid te affirmeren.

    Toen hij amper drie maand oud was, trok de familie naar Parijs, en daar is Ravel altijd gebleven. Vader Ravel was burgerlijk ingenieur, en zoals wel meer mensen met dat diploma, ook een begenadigd muziekamateur. Hij hielp zijn zoontje om zijn vroege belangstelling voor alles wat muziek was heel snel te ontwikkelen. Toen Maurice zes was, leerde hij piano te spelen; hij kon toen nog maar amper noten lezen. Hij kreeg van zijn vader extra zakgeld voor elk uur dat hij nuttig aan de piano doorbracht. Later, toen hij een erkend meester was, zou men zeggen dat hij nog steeds alleen werkte als er geld aan vast zat… In Parijs krijgt hij pianoles onder meer van Charles de Bériot.

    Ik waag het erop om hier een kleine excursus te maken (stoor u niet aan dit woord: het betekent gewoon een uitwijding, een terzijde, een afwijking van de hoofdlijn van mijn verhaal). Charles de Bériot werd geboren in Leuven, in 1802. Hij heeft daar zelfs een straat naar hem genoemd gekregen: de Debériotstraat, die van de Naamsestraat naar de Tiensestraat loopt, langs het Sint-Donatuspark. Hij was een uitstekend vioolspeler, een beroemdheid in zijn tijd, hofviolist van Frankrijk en van de Nederlanden, de eerste in een lange reeks van Belgische vioolvirtuozen en -leraars, samen wel eens de Belgische school genoemd. En dan zeggen ze dat er geen beroemde Belgen zijn…. Hij trouwde met Maria Garcia, eveneens wereldberoemd, maar dan als operazangeres: La Malibran, zoals ze bekend was, naar haar eerste echtgenoot, de zanger Malibran. Zij was de dochter van een ook al wereldberoemde vader: de operazanger Manuel Garcia. Toen ze enkele maanden getrouwd waren, ik bedoel de Bériot en La Malibran, viel zij van haar paard... Eerst leek er niets aan de hand, maar na enkele dagen en weken kwamen de problemen. Zij verzette zich moedig tegen de snelle aftakeling, en bleef haar zeer druk leven als operazangeres tot het einde toe volhouden. Op een avond bleef een laaiend enthousiast publiek om bisnummers schreeuwen, en hoewel ze eigenlijk niet meer kon, bleef ze zingen, ook al om een rivale de loef af te steken. Die avond volgde de totale ineenstorting. Ze overleed kort nadien, pas achtentwintig; ze was amper enkele maanden getrouwd geweest. Charles de Bériot richtte voor haar een praalgraf op in Laken. Superman Reeve was dus niet de eerste die een fatale val van zijn paard deed, en helaas ook niet de laatste. Een gevaarlijke sport, blijkbaar.

     

    Maar we hadden het over Ravel. Uit zijn eerste composities blijkt zijn bewondering voor zijn leraar Emmanuel Chabrier, die ook al iets had met Spanje. In 1899 werd Ravel als dirigent van een eigen ouverture fameus uitgefloten door het publiek en belachelijk gemaakt door de kritiek. Dat zelfde jaar schreef hij het pianowerkje met wellicht de gelukkigste vondst ooit voor een titel: de Pavane pour une infante défunte, de trage dans voor een overleden kroonprinses, maar dat klinkt zoveel beter in het Frans. Het is geen meesterwerk, zeggen sommigen maar ik hoor het steeds graag (net als de derde fantasie van Peter Benoit, trouwens, samen met vele andere liefhebbers). In 1902 volgde dan de doorbraak met Jeux d’Eau, “Fonteintjes”. Debussy woonde de eerste uitvoering bij en was in alle staten: zo had men nog nooit piano gespeeld! Wat later volgde een erg levendig strijkkwartet, daarna Shéhérazade voor sopraan en groot orkest, een eerste bewijs van zijn verbluffende kunst om ook met het orkest klankleuren te schilderen; de Rapsodie espagnole volgde. Hij bleef voor de piano componeren, en hoe! Met ‘Gaspard de la nuit’, geïnspireerd door de prozagedichten van de dichter Bertrand, verlegde hij nogmaals duidelijk de grenzen van wat je met een piano kan doen.

    Tussendoor was Ravel onderhevig aan lange periodes van doelloosheid: weken, soms maandenlang deed hij eigenlijk helemaal niets: hij zwierf rond in Parijs, rookte als een …, nee dat mag niet meer, hij rookte dus veel, sigaretten en misschien ook wel wat ander stuff. Hij bracht uren door in antiekzaken, brocante- en souvenirwinkeltjes en verzamelde allerlei prularia. Over dat laatste wil ik evenwel geen kwaad woord horen: van achter mijn PC zie ik op mijn boekenrekken en op mijn schrijftafel tientallen postuurtjes, zoveel herinneringen aan toevallige ontdekkingen als strandjutter van onze nuttelozevoorwerpenindustrie. Wie maakt die dingen toch allemaal?

    In 1912 vond de première plaats van Daphnis et Chloé, een choreografische symfonie, of een muziekstuk om op te dansen. De bestelling kwam van Serge Diaghilev, de directeur van de Ballets Russes, die in 1913 Le sacre du printemps van Stravinski zouden brengen, met het kabaal en de vechtpartijen die ik in een ander stukje beschreef. Pas veel later, in 1928, haalde dit verfijnde muziekstuk de Opéra en algemene publieke bewondering.

    Tijdens de eerste wereldoorlog werd Ravel, die voor de rest ronduit verklaarde dat hij nergens om gaf, behalve om de muziek (in 1920 weigerde hij zijn Légion d’honneur, de hoogste Franse onderscheiding; hij vond dat de politiek zich niet moest inlaten met kunst) plots een echte Franse patriot: op zijn veertigste meldde hij zich aan bij het leger; hij werd afgekeurd voor actieve dienst omwille van zijn zwak gestel en kreeg allerlei vervelende opdrachten ver achter het front: de wacht houden bij een kazerne, met een zware vrachtwagen rijden (daar kwam een einde aan toen hij in een gracht belandde en de beide assen brak), machinegeweren repareren…echt iets voor een componist en verfijnd pianist. Ravel werd ernstig ziek, moest het leger verlaten en keerde terug naar Parijs. Daar vond hij zijn moeder stervend; zij was steeds zijn beste vriendin geweest, en nu werd Ravel, die nooit trouwde, nog eenzamer dan tevoren. Hij schreef in 1917 Le tombeau de Couperin, zes stukken voor piano, elk opgedragen aan een vriend die aan het front gesneuveld was. Nadien liet zijn (geestelijke) gezondheid het afweten, en kwam hij niet aan componeren toe. Pas in 1920 verscheen dan La Valse, een wervelend orkeststuk waarin hij naar eigen zeggen de sfeer oproept van Wenen rond 1855. Het was een opdracht van Diaghilev, maar de Ballets Russes hebben het nooit opgevoerd; de beide heren raakten in onmin, en zelfs jaren later nog weigerde Ravel de hand te drukken van de grote Diaghilev. De orkestuitvoering was een opgemerkt succes.

    Het is met het orkest dat Ravel zijn grootste populaire successen haalde. Veel van zijn pianowerken heeft hij later herschreven voor groot orkest, en het publiek kent ze meestal enkel zo. Hij gebruikte zijn uitzonderlijk talent ook voor werk van andere componisten, zoals de Tableaux d’une exposition, de Schilderijententoonstelling, dat velen onder ons kennen uit de lessen over muziek die we op school kregen. Mussoergski’s pianomuziek, geïnspireerd op de expositie van schilderijen van een bevriend schilder, bracht hij als een meesterlijk illustrator tot leven, in opdracht van topdirigent Serge Koussevitsky, voor de Amerikaanse markt… een voorloper van Walt Disney’s Fantasia?

    Uit dezelfde periode dateert Tzigane, een spectaculair bravourewerk, oorspronkelijk voor viool en piano (met een speciaal register om het zigeunerinstrument, het cymbalon, na te bootsen). Een tsigane is (net zoals die afschuwelijk zware Franse sigaret, de Gitane) een zigeuner/in, natuurlijk. Wij kennen het stuk van de koningin Elisabeth-wedstrijden, waar het vrij vaak gebracht wordt door jonge virtuozen die hun technische kunstjes willen tonen. Natuurlijk heeft Ravel er nadien ook een orkestbegeleiding voor gecomponeerd.

    Ravel hield van jazz, hij was er dol op, en dus ook van de blues. De trage beweging van zijn sonate voor viool en piano kreeg zelfs die ondertitel ‘Blues’, maar jazz is het niet, hoogstens een speelse verwijzing naar zijn geliefde ‘andere’ muziek.

    Begin 1928 trok Ravel naar Amerika voor een concertreis en oogstte er overal ongelooflijk veel succes. Hij ontmoette er ook George Gershwin, die hem vroeg of hij bij hem orkestratieleer kon volgen. Ravel had de blitse sportwagen gezien waarmee Gershwin naar het hotel was gekomen, en zei droogjes: misschien moet ik wel bij jou in de leer gaan, monsieur….

    In 1928 komen we eindelijk bij onze Boléro. Ravel componeerde hem voor de Amerikaanse choreografe Ida Rubinstein. Het is een dans in een enkele constante beweging, met een egaal ritme, dat door de trommel wordt  gemarkeerd, en een melodie die achttien keer wordt herhaald met de verschillende instrumenten en combinaties van het orkest, in een langzaam aanzwellende crescendo naar een tumultueus einde. Bo Derek wist in ‘Ten’ daarop heel precies haar orgasme te timen.

    In 1931 en 32 volgden nog de beide pianoconcerti, waarvan eentje voor enkel maar de linkerhand. Dat was een bestelling van Paul Wittgenstein, die in de eerste wereldoorlog zijn rechterarm verloren had. Als je het niet weet, zou je nooit denken dat er maar één hand aan het spelen is. Als je een uitvoering ziet door een pianist met twee armen, dan is dat heel raar: de ene hand blijft rustig op de schoot liggen, of zweeft wat rond, terwijl de linkse soms als een gek over het klavier raast om toch maar alle noten gespeeld te krijgen. We kennen de broer van Paul, Ludwig Wittgenstein als de filosoof die zowat de even kernachtige als nuttige raad heeft gegeven voor alle pompeuze leuteraars: waarover we niets te zeggen hebben, daarover zouden we het best ook zwijgen.

    Ravel was gedurende zijn hele leven vaak heel neerslachtig, angstig, depressief, depri zouden we nu zeggen. Al het succes dat hem te beurt viel in eigen land, met straten die naar hem genoemd werden, een gedenksteen in zijn geboortehuis, triomfen in de grootste orkestzalen over de hele wereld, met de bekendste vertolkers die vroegen om werken voor hen te schrijven, zijn trouwe intieme vrienden en de vele bewonderaars, dat alles vergat hij als hij weer eens in de zwartste melancholie wegzonk. In zijn villa hield hij zich dan bezig met al de ongelooflijk banale kitsch die hij had verzameld, en in zijn beste momenten ook met zijn tuin en met de vogels die hij allemaal kende van uitzicht en zang en die hij perfect kon nafluiten. Vanaf 1918 al vreesde hij dat hij aan een ongeneeslijke ziekte leed, en in 1933 werden daarvan ook de eerste tekenen zichtbaar: hij kon de zwemslagen niet meer maken en al snel werden ook heel eenvoudige dagelijkse bewegingen onmogelijk: eten, schrijven…Een hersentumor werd ontdekt, waarschijnlijk was die er al heel lang. Zijn vrienden hielpen hem zo goed ze konden, namen hem nog mee op verre reizen. In 1936 ging hij heel snel achteruit, hij herkende zelfs zijn beste vrienden niet meer, of zijn eigen muziek. In 1937 werd hij nog geopereerd, maar na negen dagen stierf hij. Zijn familie en omgeving hebben jaren gevochten om zijn erfenis, en die was niet mis: alleen al de royalty’s voor de Boléro brachten elk jaar fortuinen op.

    Wat hij ons allen naliet is een blijvend erfgoed, muziek in vele vormen en kleuren, steeds volmaakt in wat ze wou zijn, charmant voor de oppervlakkige luisteraar, fascinerend voor de liefhebber, een plezier voor de uitvoerders.

    De Boléro van Ravel, ja, maar niet Ravel van de Boléro alleen. Doe eens een kleine moeite, haal de sonate voor viool en piano eens in huis en luister naar die verleidelijke Blues, je zal hem nooit meer vergeten. Of luister eens aandachtig als bij de Koningin Elisabeth-wedstrijden een ietwat te welgedane jonge Rus met een weerbarstige haarbos overvloedig zwetend Scarbo te horen brengt, uit Gaspard de la nuit, en verbaas je erover hoe slechts tien vingers dit wonder tot stand kunnen brengen. En dan nog het pianoconcerto voor de linkerhand, dat zijn maar vijf vingers, en het blijft heerlijke muziek. Je moet het kunnen. Ravel kon het.

     

     


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Verduiveld
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Diabolus in musica

    Zelfs wie helemaal niets afweet van muziek hoort het verschil tussen twee tonen die goed samenklinken en twee die dat niet doen. Als je op een piano twee opeenvolgende witte toetsen tegelijk aanslaat, krijg je een wanklank, een dissonant. En sla je één witte over, dan klinken die wel goed samen. Dus do en re samen: neeee! en do en mi samen: ja!

    De afstand tussen do en re is een volle toon, of twee halve; men noemt dat ook een secunde: de afstand tussen twee opeenvolgende noten. De afstand do-mi noemt men een terts: er zijn drie noten mee gemoeid, do-re-mi. Een toonafstand van een terts klinkt dus aangenaam in de oren.

    Er zijn wel meer toonafstanden die een goede samenklank geven, en er zijn er ook die absoluut vals klinken.

    Eentje is zo bijzonder dat hij al heel vroeg in de muziekgeschiedenis als absoluut te vermijden beschouwd werd: de tritonus, de afstand van drie volle tonen, bijvoorbeeld fa+si. Veel van de vroege muziek was gezongen, en met zijn tweeën of meer zo een dissonant zingen is, in tegenstelling met wat je zou denken, moeilijk: je toon houden als de andere naast jou een toon zingt die daarmee niet samenklinkt, is enkel professionelen gegeven. Het is wel zonder meer mogelijk op een orgel, bijvoorbeeld, daar moet je enkel de twee toetsen indrukken… en je oren dichtstoppen. Omdat het zo moeilijk te zingen was en omdat het zo slecht klonk, vermeden de vroege componisten die samenklank.

    En zoals dat gaat in een geregelde samenleving, wordt wat natuurlijk en als vanzelfsprekend aanvaard wordt door iedereen, vastgelegd in regels. De katholieke kerk heeft voortdurend reglementen uitgevaardigd over de muziek die in de kerk gezongen en gespeeld werd of er verboden was. En een van die regels was dat de tritonus niet mocht gebruikt worden. Sommigen zeggen dat de kerk aanvankelijk beweerde dat de tritonus voorbehouden was voor God zelf, omdat hij verwees naar de Heilige Drievuldigheid: tritonus=trinitas. Maar vrij snel al werd die schrijnend onvolmaakte wanklank geassocieerd met het kwade zelf, en dus met de duivel, en zo kreeg die toonafstand zijn naam: diabolus in musica, de muziekduivel. Daar rond ontstond dan een irrationele waas van suggestie van duivels en boze geesten die tot lang na de Middeleeuwen nog erg reëel aanwezig was onder de mensen.

    In de romantiek tastten componisten nieuwe mogelijkheden af, en stoorden zich, als autonoom kunstenaar, ook niet meer aan het kerkelijk verbod. ‘Duivelskunstenaars’ als Liszt en Paganini zochten die zelfs bewust op, maar ook Wagner en Debussy gebruikten hem voor speciale effecten.

    Ook in de jazzmuziek komt hij geregeld voor, en derhalve ook in muziek die daarbij aansluit, zoals Gershwin of Bernsteins West Side Story.

    In de hedendaagse populaire muziek, meer bepaald in het Heavy Metal genre, is de diabolus in musica ook opgedoken, samen met de figuur van de duivel en een hele esoterische mode van kledij, symbolen, figuren en codewoorden, overgoten met stage effects van rook, vuur en lichteffecten. De diabolus in musica zou de duivel zelf oproepen, want drie hele tonen is zes halve, en is het symbool van de duivel niet 666, the number of the beast?

    Focus, de mediabijlage van Knack brengt deze week een nummer dat deze symboliek op de pikzwarte cover uitsmeert, en binnenin krijg je artikels over films en populaire muziek met diabolische thema’s. Daaruit moge blijken dat een niet onbelangrijk aantal mensen nog steeds gefascineerd is door de duivel en al wat erbij hoort. De cultus die sommigen ervan maken, vooral om commerciële redenen, kan goedgelovige of minder sterke geesten (?) toch wel eens op het verkeerde spoor brengen. De Manson-moorden en de Helter Skelter-incidenten zouden ons daarvoor voldoende moeten waarschuwen.


    31-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Malchus' oor
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Malchus’ oor

     

    Men zegt: het doel heiligt de middelen.

    Men zegt: wie met het zwaard omgaat, zal door het zwaard vergaan.

     

    Dan is de vraag: heiligt het doel ook het zwaard?

     

    Laatst nog verzette Godfried Kardinaal Danneels zich voor de camera tegen de hongerstakende sans-papiers door te stellen dat een immoreel middel, zoals hongerstaking, nooit kan leiden tot een moreel verantwoord doel, in dit geval het verkrijgen van een verblijfsvergunning. De misdaad in ons voorbeeld is: het mishandelen en misschien zelfs doden van het eigen lichaam.

    Er zijn middelen die immoreel zijn, en dus verboden. Het is een redenering die lijkt te kloppen: je mag je doel alleen op een aanvaardbare manier nastreven, je mag geen misdaden begaan om zelfs een nobel doel te bereiken.

    Wie over lijken gaat om te bekomen wat hij wil, bijvoorbeeld dictators zoals Stalin, Hitler, Mao, Pol Pot, wordt door iedereen veroordeeld, zou je denken. Maar zelfs een intellectueel zwaargewicht als Sartre heeft jarenlang het communisme, met al zijn zware tekortkomingen en ronduit genocide aberraties, onverdroten verdedigd. Het was, zoals Marx en Engels al gesteld hadden, een noodzakelijke gewelddadige tussenfase om de dictatuur van de adel en de kerk te breken en de macht zo aan het volk terug te geven. Eens dat doel bereikt was, zou men terugkeren naar een geweldloze maatschappij en naar democratie.

    Wij hebben gezien dat dit een vergissing was.

    Er zijn wel meer mensen, ook hier bij ons en vandaag nog, die denken dat er ook goede dictators zijn, die zich opofferen om eens en voor altijd komaf te maken met al wat er verkeerd is, tabula rasa, een schone lei. En dat daarbij lijken vallen, dat wil men er nog bijnemen, het is een prijs die men wil betalen.

    Helaas blijkt de redenering nooit te kloppen. De slachtoffers vallen wel, maar het kwaad raakt maar niet uitgeroeid, er moeten steeds nieuwe categorieën van mensen uitgeschakeld worden, er staan steeds nieuwe tegenstanders op, de heilsstaat is altijd voor morgen.

    En ook de dictators blijken niet die onzelfzuchtige redders in de nood te zijn, die na volbrachte taak de macht weer afstaan aan het volk dat hen luidkeels heeft toegejuicht toen ze de macht grepen. Ze worden keer op keer herverkozen, in steeds grondiger vervalste verkiezingen, of ze schaffen de verkiezingen en het parlement ‘tijdelijk’ af. Ze worden ‘Président Fondateur à vie’, en zelfs na hun dood regeren ze verder, in de persoon van hun zoon, Baby Doc, Kim bis of Kabila fils.

    Na enige tijd blijkt ook dat zij kwansuis enorme persoonlijke rijkdommen vergaren, die ze dan het liefst op buitenlandse banken plaatsen, waar hun familie er ook na de val nog kan van genieten. En dat ze zichzelf goed soigneren: ook de Sovjet dictators reden in Rolls Royces rond, dronken champagne en aten kaviaar, namen vakanties, maîtresses… Het patroon is helaas voorspelbaar: als een man alle macht naar zich heeft toegetrokken, wordt hij een grootschalig moorddadig beest, een seksuele pervert, een ordinaire dief, een drugverslaafde, een leugenaar, bedrieger, schrift- en geschiedenisvervalser.

    Power corrupts, absolute power corrupts absolutely.

    Ook binnen de Rooms-katholieke kerk heeft het doel vaak de middelen geheiligd. De kruisvaarten zijn een gemakkelijk, maar onweerlegbaar voorbeeld met verschrikkelijke impact. Om de heilige plaatsen te vrijwaren van Moslim bezetting en desecratie werden oorlogen uitgevochten op een nooit geziene schaal. Of neem de verovering van Amerika door Los Reyes Catolicos, waarbij in de naam van die ene god de gelovigen van elke andere gewelddadig werden bekeerd of gekeeld. De uitroeiing van de Katharen, Albigenzen, Hugenoten en andere protestanten… The Defenders of the Faith mochten alle middelen gebruiken, en maakten maar al te graag van dat privilege gebruik. Van onschuldige mannen en vrouwen werden bekentenissen afgedwongen door onwaarschijnlijk afschuwelijke foltering, en wanneer ze dan hun onbestaande schuld bekend hadden, werden ze publiekelijk verbrand.

    Ik ben geneigd om de Kardinaal voor één keer gelijk te geven: het is altijd verkeerd om moreel verwerpelijke middelen te gebruiken, want wie ze gebruikt, gaat er onvermijdelijk aan ten onder.

    Wie er met de vuile voeten doorgaat, heeft geen propere handen.

    Wie dus met het zwaard omgaat, zal erdoor vergaan. Helaas kan niet elk oor geheeld worden dat door Petrus is afgehouwen.

     

    Maar wat dan met het legitiem verzet tegen bijvoorbeeld net zo’n dictatuur? Wat met de zogenaamd rechtvaardige oorlog? De verdediging van have en goed, jezelf en je familie?

    Dat is voor een volgende keer.


    28-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ex libris
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Andrew Miller, Ingenious Pain, 1997, 337 pp. paperback

     

    De historische roman is een genre apart, waarin elk jaar weer talloze nieuwe afleveringen verschijnen. Er zijn schrijvers die enkel in dat genre actief zijn en uitgeverijen die niets anders publiceren. Er is een markt voor, historische romans hebben een eigen publiek, dat (bijna) niets anders leest. Daarnaast zijn er ook auteurs die af en toe een historische roman plegen, naast ander werk.

    Andrew Miller (°1960) heeft vier romans op zijn naam: Ingenious Pain (1997), Casanova (1998), Oxygen (2001), The Optimists (2005). De eerste twee zijn historische romans, de volgende niet. Enkel De Optimisten lijkt beschikbaar in vertaling.

    Romans die zich afspelen in het verleden worden vaak in de eerste plaats beoordeeld op hoe goed de auteur zijn huiswerk gemaakt heeft: is de feitelijke beschrijving van de omgeving correct, heeft hij de details opgezocht en: heeft hij zich ingeleefd in de tijdsgeest? Vaak gebruikt de auteur ook een taal die schatplichtig is aan de periode die hij beschrijft. Dat begint met de dialogen, je kan immers een middeleeuwer niet echt geloofwaardig laten praten in de taal die onze kinderen gebruiken als ze sms-en. Maar ook het verhalende werk kan een gekunsteld verouderde taal aanwenden, om de lezer nog meer te verplaatsen in de tijd. En ook de psychologie kan kunstmatig gedateerd zijn: moderne freudiaanse duiding toepassen op 18de-eeuwse personages is link.

    Het probleem is natuurlijk dat je op den duur beter een origineel 18de-eeuwse roman kan lezen. Het is immers heel moeilijk voor een auteur om al dat gekunstelde een heel boek lang vol te houden en voor de lezer is het al even onhoudbaar om die fictie, dat je een verhaal leest d’époque, te blijven geloven.

    Ingenious Pain is toch op zowat alle punten geslaagd als historische roman én als roman tout court. Het uitgangspunt wordt al heel snel duidelijk, dus ik verraad niets als ik vertel dat James Dyer, de hoofdfiguur, geboren wordt rond 1750 zonder het vermogen om pijn te voelen, fysieke pijn of zielensmart. Dat maakt hem tot een soort robot, een automaat, overigens een geliefkoosd tijdverdrijf voor de aristocratie in die periode. Voor de auteur is het een middel om de maatschappij te beschrijven aan de hand van haar reacties op deze zonderlinge figuur. Dat gaat van kindermisbruik tot verafgoding en vervloeking. Hij is op die manier een spiegel voor die maatschappij, die in die confrontatie haar eigen tekorten in alle scherpte ervaart: een mens zonder gevoelens legt de vinger op de zere plek van ons bestaan: ons vermogen om pijn te voelen, te lijden.

    Zoals die tijd is ook het boek niet vrij van allerlei irrationele toestanden: mysterieuze zwijgende vrouwen, boosaardige mannen, geesten, heksencirkels, vreemde brouwsels, bijgeloof. Zolang dit behoort tot de sfeerschildering is er niets aan de hand. Maar af en toe, op cruciale momenten, is het dat irrationele dat het verhaal doet keren, en dat maakt het voor de gewone lezer, of althans voor deze lezer, minder geloofwaardig. Het mysterieuze blijft het best in the eye of the beholder, de realiteit blijft het best rationeel, anders komen we terecht in nog een heel ander genre, dat van de fantastische literatuur, the gothic story.

     

    Het is een boek dat je niet met rust laat. De spiegel wordt ook de lezer voorgehouden. Hoe ga jij om met gevoelens, met geweld, met lijden? Het geweld dat een kind, een man zonder gevoelens wordt aangedaan is een aanklacht tegen alle geweld in deze wereld, tegen alle cynisch of pervers misbruik van de machtelozen.

    In het boek zal je echter tevergeefs naar duiding zoeken. De auteur slaagt in zijn meesterlijke sfeerschepping, in een schrijnende analyse van de mens in die bepaalde periode, met existentiële vragen die wij ook vandaag voorgeschoteld krijgen. Maar hij laat ons in de steek als we bij hem te rade gaan voor een antwoord, of zelfs een suggestie, een wegwijzer. Op dat punt is de auteur een beetje zoals zijn hoofdfiguur, James Dyer: een Mann ohne Eigenschaften die, wanneer hij zijn ene uitzonderlijke kenmerk verliest, niets anders kan dan ten onder gaan en, uiteindelijk, sterven.

     


    26-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.meta sonnet
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Sonnet

    Waarom nog een sonnet gaan schrijven
    een dichtvorm versleten in ’t verleden
    verdorder nog dan oude schietgebeden
    daarom kan het best verschoten blijven

    Petrarca bezong in smachtend schrijven
    zijn muze eens gezien dan vermeden
    nooit omhelsd bemind van ver aanbeden
    zo ver kan ons nooit een passie drijven

    ik dicht in metrum en noeste ijver
    gevangen in slechts tien lettergrepen
    in twee kwatrijnen dan twee terzetten

    ontrafel wat zolang dicht moest blijven
    abba abba abc abc nu begrepen
    om ‘t sonnet zo net op ’t net te zetten


    25-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Klassiek, maar duur
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

     

    In zowat alle kranten en tijdschriften vindt men recensies van nieuw verschenen klassieke CD’s en DVD’s. Klara heeft Kompas, waarin die besproken worden en ook van een aantal sterren voorzien. Fred Brouwers signaleert ook nieuwe producties en praat met uitvoerders. Er zijn gespecialiseerde muziektijdschriften die bol staan van recensies en advertenties, zoals Luister, Diapason, Gramophone, Le Monde de la Musique.

    Meestal ontbreekt bij die besprekingen de prijs. Soms is er een vage aanduiding, zoals full-, mid- of low-price. Ik weet niet goed wat het grote taboe is. Zouden er juridische caveats zijn?

    Ik vind dat de prijs er wel toe doet, als je een aankoop overweegt, en waarom lees je anders een recensie? Natuurlijk is een Porsche een pracht van een wagen, maar wie kan dat betalen? Ik ben dan ook niet echt geïnteresseerd in de besprekingen van allerlei droomwagens in Knack, om maar iets te noemen. De belasting op de inbedrijfstelling kost al meer dan ik voor een wagen wens uit te geven.

    Bij al wat we aankopen houden we rekening met de prijs, of dat nu een liter melk is of een krat Duvel, een bloementuil of een verjaardagsgeschenk. Waarom zouden we dan geen rekening houden met de prijs van muziek op schijf?

    Toen we het nog met vinylplaten moesten stellen weigerde ik die afschuwelijk dure en al even kwetsbare dingen te kopen, ik ontleende wat ik wou horen in de plaatselijke mediatheek, en nam de krassen en tikken erbij. Net voor de introductie van de CD heb ik toch een paar platen gekocht, omdat ik die muziek echt bij me wou, zoals de 15 strijkkwartetten van Dmitri Sjostakovitsj.

    De Cd overtuigde mij om toch zelf een collectie te beginnen, door de kwaliteit van de weergave en de onkrasbaarheid van het medium. Je kon ervan op aan dat je muziek ook na jaren nog goed zou blijven, en dat is ook gebleken. CD’s waren ook goedkoper dan de platen, en er stond al gauw meer dan een uur muziek op, dus niet meer recht uit je zetel om de plaat te draaien na twintig minuten. Maar echt goedkoop waren ze niet, in het begin. Maar na enkele jaren kon je ook goedkope uitgaven vinden: verzamelopnamen, heruitgaven van oudere werken, AAD en ADD, stond er dan op, nu zie je nog nergens het trotse DDD vermeld, zo vanzelfsprekend is het. En dan kwam er Naxos, voor ongeveer de helft van de prijs, met een ruim aanbod. Ze zijn er nog altijd, en doen echt pionierswerk. In Nederland heb je Brilliant, en ook dat is een verhaal apart. Iemand die lang voor de grote productiehuizen had gewerkt, vond dat hij het beter én goedkoper kon doen. Hij koopt de rechten op oudere opnamen en zet ze op schijfjes en verkoopt ze aan iets minder dan €3 per stuk, soms zelfs nog goedkoper. Er zijn ook gloednieuwe opnames bij, speciaal voor het merk gemaakt, zoals de volledige sonates van Scarlatti, of de volledige kwartetten van Haydn. De keuze is uitstekend, de kwaliteit onberispelijk tot zeer goed, ook volgens de professionele recensenten. Voorbeeldig zijn ook hun Bach en Mozart uitgaven: 160 CD’s met alles van Bach voor minder dan €100, minder dan €90 voor alles van Mozart op 170 CD’s… Laatst kreeg de 9-CD-box met de verzamelde klaviersonates van Beethoven door Friedrich Gulda (1967) de hoogste quotering (*****) van Karel Nijs in Kompas op de VRT, en dat kost u net geen €18, dat is minder dan je moet neertellen voor de highlights uit de nieuwste Traviata met Netrebko en Villazon, de integrale kost u €41,59 alstublieft, voor de CD, niet eens de DVD!

    Er zijn dus dure en goedkope CD’s, en in beide categorieën zitten er pareltjes en overbodige producten. Het valt me echter op dat de meeste recensies over de dure CD’s en DVD’s gaan, op de goedkope wordt, op enkele uitzonderingen na, wat neergekeken vanuit de hoogte. Natuurlijk zijn we blij met nieuwe talenten en we vragen niet liever dan dat ze op de markt verschijnen, want niet iedereen heeft tijd, geld en energie genoeg om zomaar naar een live-concert te gaan, als je al zou binnen geraken, natuurlijk. Maar als we moeten afwegen welke CD we ons aanschaffen is het toch wel de moeite om het volledige aanbod eens te bekijken. Villazon is heerlijk om naar te luisteren, maar hij is geen Pavarotti, en zeker geen Carlo Bergonzi; Netrebko is betoverend, maar wil je persé haar versie in je kast naast die van Callas, Sutherland en zelfs Angela Gheorghiu (integraal goedkoper op DVD dan de CD van Villazon en Netrebko)?

    Als ik in een bij uitstek democratische publicatie als het ledenblad van de Gezinsbond dan recensies lees waar geen prijzen bij staan, en waarvan bij nazicht blijkt dat het vrijwel steeds gaat om weliswaar voorbeeldige maar anderzijds peperdure nieuwe versies van wat al ruimschoots aanwezig is, dan heb ik zo mijn twijfels. Die nieuwe producties moeten het hebben van reclame, en dus worden ze ‘geplugd’, dat wil zeggen gratis aangeboden aan recensenten, die dan gewillig hun nummertje afschrijven van de hoes, enkele minuten werk voor een mooie CD, lekker meegenomen, maar kritisch?

    De gewone gebruiker, de niet-gespecialiseerde muziekliefhebber zoals u en ik zouden ten minste mogen vernemen wat hem dat gaat kosten, en zou zijn voordeel doen als er verwezen wordt naar andere, goedkopere versies, ook als die al wat ouder zijn.

    Naar verluidt is er een onrustbarende daling in de verkoop van CD’s, ook klassieke. Geen wonder, met die prijzen. Als we zelf een lege CD kopen, dan weten we dat de prijs van het ding zelf zo goed als verwaarloosbaar is. Waarom moet er dan €45 aangerekend worden voor een dubbel-CD? Akkoord, er is een boekje bij in drie talen, maar de informatie daarop is dus maar voor 1/3 bruikbaar, of zelfs helemaal niet, want Nederlands is er niet bij, en je vindt betere teksten en libretti op het web. Akkoord, zo’n opname is duur, en de artiesten moeten betaald worden, maar meestal wordt zo’n opname gemaakt van of naar aanleiding van een live opvoering, en is iedereen zo al betaald. En wat is de zin van de fenomenale bedragen die enkele top-artiesten zelfs in hun nadagen krijgen, terwijl jongeren het met zoveel minder moeten doen?

    Ik besluit:

    -       vele nieuwe CD’s en DVD’s zijn ondemocratisch en onredelijk duur

    -       er zijn heel wat goede en goedkopere versies op de markt

    -       vergelijk dus als je een aankoop overweegt

    -       op het web vindt je daarvoor alle informatie.


    24-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Richard Strauss
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    En dan is er Richard Strauss, dus met dubbele s, niet met sz.

     (dit is het vervolg van mijn vorige bijdrage)

    Toen men hem eens vroeg of hij familie was van Johann, antwoordde hij ontkennend, maar voegde eraan toe dat hij hoopte dat men ooit zou vragen of de Strauszen familie van hém waren. Hij heeft nog gelijk gekregen ook. Hij was geen Oostenrijker, maar een Duitser, al was dat een hele tijd een futiel onderscheid. Hij werd geboren te München in 1864 en stierf in 1949 in Garmisch, bekend van het schansspringen op TV, na het nieuwjaarsconcert. Zijn vader was hoornspeler in het hoforkest, na een lange carrière als volksmuzikant. Zijn moeder kwam uit een brouwersfamilie, zodat het gezin tot de begoede burgerij behoorde. Richards muzikaal talent bleek al heel vroeg. Reeds toen hij 16 was werden zijn composities ook uitgevoerd, mede dank zij de connecties van zijn vader en het geld van zijn moeder. In 1885 leert hij Hans von Bülow kennen, de echtgenoot van Cosima Liszt, de dochter van Franz Liszt, op wie Wagner later verliefd zou worden en ook iets meer dan alleen maar verliefd: ze hadden samen drie kinderen.

    Aanvankelijk waren het Brahms, Mendelssohn en Schumann die de grootste invloed hadden op de jonge Richard, terwijl ook zijn vrij strenge en conservatieve vader, een hevig tegenstander van de nieuwlichters zoals Wagner en Liszt, hem op traditionele paden wou sturen. Richard werkte als dirigent, steeds bij belangrijker orkesten. Stilaan groeide zijn belangstelling voor de nieuwe muziek, die van Liszt en Wagner. Voor (de meesten onder) ons is dat nu een pot nat, maar voor het publiek en de kenners uit die periode moet dat zoiets geweest zijn als het verschil tussen zeg maar nonkel Bob en The Rolling Stones (die ooit door nonkel Bob op TV werden geïnterviewd en ingeleid…).

    Het eerste werk voor orkest van Richard Strauss is: ‘Aus Italien’, na een reis naar Italië, juist. Aan het einde van de jaren 1880 reist hij verscheidene malen naar die streken, en leert ondertussen ook Mahler kennen. Later wordt hij ernstig ziek, en maakt vervolgens een grote reis om gezondheidsredenen. In 1894 trouwt hij met Pauline de Ahna, een Duitse opera-sopraan. Zij zouden samen blijven tot zijn dood en zij stierf een jaar later, in 1950. Voor haar schreef hij talloze liederen en ook voor zijn opera’s moet hij haar vaak in gedachten gehad hebben, en niet alleen voor de muziek, maar daarover, en over Hugo von Hofmansthal, die hij in 1900 leert kennen, later meer. In deze eerste bijdrage over Richard Strauss wil ik me beperken tot zijn orkestraal werk, over zijn vocaal werk, de opera en de liederen, hoop ik later te schrijven.

    Kennen wij iets van Richard Strauss? Zoals gewoonlijk zeg ik daarop: jewèèèl! Denk maar aan de beginscène van 2001 A Space Odyssee, de SF-film van Stanley Kubrick uit 1968. Een (ietwat té mensachtige) aap zit te spelen met knoken van het geraamte van een groot dier, een koe of zo. Stilaan begint hij een flinke knook als een soort hamer of bijl te gebruiken, en ontdekt zo hoe je een voorwerp als een hulpmiddel kan gebruiken, of als een wapen, wat ook prompt gebeurt: dit is de eerste stap in de ontwikkeling van de mens… De muziek die je op de achtergrond hoort, een enorm crescendo naar een triomfantelijke orgelstoot, dat is het begin van ‘Also sprach Zarathustra’ (1895). (Tussen haakjes, de muziek op de achtergrond van de tocht van het ruimteschip is de Blaue Donau, van die andere Strausz).

    Voor veel mensen, ook voor mij, was dat een eerste verwijzing naar de muziek van Strauss. Ik was toen 22, en klassieke muziek was voor mij toen vooral Beethoven, de Messiah van Haendel, opera-aria’s op zondagnamiddag, de Matheus-passie van Bach, dat soort dingen. Richard Strauss was toen een cultfiguur, en ik heb de indruk dat hij dat enigszins gebleven is tot op vandaag. Toch zegt men dat hij de meest gespeelde componist is, na Mozart, Verdi en Wagner. Zijn Till Eulenspiegels lustige Streiche, met de speelse inzet, werd vroeger vaak gebruikt in lessen muziekbeluistering. Je hoort hem ook vaak op de radio en tijdens concerten, en veel van zijn opera’s worden elk jaar opnieuw overal ter wereld opgevoerd. In de bibliotheek vind je talloze uitvoeringen van zijn werk op CD en ook op DVD. En toch is hij niet zo bekend bij het publiek als bijvoorbeeld Beethoven en Mozart. Waarom?

    Zijn muziek is eigenaardig. Zijn melodieën zijn vaak heel toegankelijk, aangenaam om horen, helemaal niet zoals bij vele van zijn tijdgenoten zoals Arnold Schönberg, Alban Berg of Anton Webern, of zelfs Bartok of Debussy. Maar probeer ze eens mee te zingen of na te fluiten? Dan blijkt dat zijn muziek niet zo gemakkelijk is als ze lijkt. Hij gebruikt het orkest veeleer zoals Wagner, Liszt en Mahler, vaak met heel veel instrumenten en eigenaardige combinaties, zodat na een bepaalde voorstelling een kritiek voorspelde dat de volgende keer ook zeven misthoorns, waterorgels, kanonnen, drilboren, aambeelden, sjofars (Joodse hoorns) etc. zouden ingezet worden. Het orkest is soms overweldigend, een echte orgie van klanken fortissimo gespeeld. Soms zijn het ook de meest lieflijke klanken die je ooit gehoord hebt, vertederd stil, intiem, of bevallig, speels, vaak grappig of zelfs boers. Strauss is een componist die zich kostelijk amuseert. Hij beheerst het orkest, en de menselijke stem, zoals geen ander.

    Zangers en zangeressen zijn het erover eens dat zijn muziek een balsem is voor de stem, in tegenstelling tot heel wat andere componisten, zowel oude, moderne als hedendaagse. Anderzijds kwam een klarinetspeler hem ooit zeggen dat een bepaalde passage misschien wel op de piano kon gespeeld worden (componisten proberen wat ze schrijven vaak uit aan de piano), maar zeker niet op de klarinet. Waarop Strauss: maak je geen illusies, op de piano gaat het ook niet. Zijn muziek is dus een vreemde mengeling van vertrouwde melodieën en ritmes en van bekende orkestklanken, van klassieke recepten en vormen, en toch ook weer volkomen modern. Je voelt dat Strauss muziek schrijft om zijn luisteraars te boeien; ik kan me niet voorstellen dat er ook maar iemand in slaap zou vallen bij zelfs zijn langste werken.

    Zijn werken voor orkest noemt men symfonische gedichten, zoals de werken van Liszt. Voor hetzelfde geld kan men in beide gevallen van symfonieën spreken, maar dat klinkt niet zo modern. Men zegt ook vaak dat het programma-muziek is, muziek die gebaseerd is op niet-muzikale motieven. Het feit dat zijn stukken allemaal een naam hebben, en niet gewoon een nummer, zoals de negen symfonieën van Beethoven (al hebben enkele daarvan ook een naam gekregen: de Eroica (de spellingcontrole suggereert Erotica…) (III), de Noodlotsymfonie (V), de Pastorale (VI) en de Ode an die Freude (IX)).

    Aus Italien, dat spreekt. Tijl Uilenspiegel ook. Er is ook nog Macbeth, Don Juan, Also sprach Zarathustra, Dood en verheerlijking, Don Quichote, Een Heldenleven, een Huiselijke symfonie en een Alpensymfonie. Vooral deze laatste vraagt erom: bij elk onderdeel wordt in een zinsnede gezegd waarover het gaat: de zonsopgang, het begin van de wandeling, de bergbeek, op de alpenweide, op de top, onweer, afdaling, invallen van de duisternis. Bij Tijl Uilenspiegel kan je ook een aantal fratsen bedenken uit het boek (of de strip), die passen bij de muziek. Toch is het niet zo simpel als het lijkt: sommige van die teksten zijn achteraf gemaakt, toen de muziek al af was… De fratsen van Tijl Uilenspiegel zijn muzikale grapjes, geen vertaling van bijvoorbeeld Tijl die zonder broek op een ezel door de stad rijdt. En zelfs de Alpensymfonie kan je gewoon beluisteren als een spectaculair orkestwerk, net zoals je Zarathustra kan aanhoren zonder ook maar iets te weten over Zoroaster (dat is de Griekse vorm van zijn naam), een Perzische ‘filosoof’ uit 650 voor Christus, of over Friedrich Nietzsche, een Duits filosoof zonder aanhalingstekens die leefde van 1844 tot 1900, de auteur van een werk dat dezelfde naam draagt als het symfonisch gedicht, en waaruit citaten genomen zijn als titels van de delen van het orkestwerk.

    Ook Strauss zelf had lak aan het onderscheid tussen zogenaamde absolute muziek, waarin geen verwijzingen voorkomen naar iets buiten de muziek, en programmamuziek, een soort illustratie in muzikale termen van iets anders, bijvoorbeeld de natuur (denk aan de Pastorale van Beethoven, die ook titeltjes heeft zoals de Alpensymfonie, maar die je ook kan beluisteren en smaken zonder te denken aan beekjes en stormen, al is de storm echt wel leuk om horen…), of een filosofische uiteenzetting over dood en verheerlijking. Daarbij wordt absolute muziek dan als ernstiger, belangrijker, want zuiverder muzikaal beschouwd dan de beschrijvende programmamuziek. Voor Strauss was dat onderscheid niet bestaande, wellicht omdat hij beter dan wie ook wist welke rol die extra-muzikale elementen gespeeld hadden bij de compositie van zijn werken. Misschien probeerde hij, naar de mode van zijn tijd, de literatuur bij zijn muziek te betrekken, zoals sommige schrijvers de muziek in hun werk binnenhaalden, denk maar aan de Toverberg van Thomas Mann, waarin minutieus een aantal muziekstukken worden beschreven en gesmaakt. In zijn opera’s heeft hij die link met de literatuur uitgewerkt tot een sluitend geheel, maar, zoals beloofd, daarover later.

    Zeker is dat de orkestwerken van Strauss op zichzelf boeiend zijn, helder, een staalkaart van wat je met een orkest kan doen in alle mogelijke variaties, klankkleuren, stemmingen, ritmes etc. Ik moet steeds denken aan het publiek dat op een mooie avond naar de concertzaal trok voor de eerste opvoering van bijvoorbeeld de Alpensymfonie. Men kende Strauss en wist dus dat hij weer zou uitpakken met een formidabel orkest, met fluisterende passages en donderende fortissimi, kortom je zou waar krijgen voor je geld en je geen seconde beklagen dat je erbij was. Strauss zorgde goed voor zijn publiek, maar stelde hun smaak vaak op de proef met zijn Uilenspiegel-fratsen.

    Ik eindig met een paar woorden over Richard Strauss zelf, dus niet over zijn muziek. Hij leefde in een tijd waarin de wereld grondig veranderde (maar is dat niet precies zo voor elk van ons, steeds weer? Denk eens aan de wereld van je ouders, en dan die van jou…), waarin wereldoorlogen miljoenen slachtoffers eisten, wij kunnen ons dat nauwelijks voorstellen. Hij was een Duitser in die beide oorlogen, en overleefde ze allebei. Hij was de belangrijkste componist in Duistland onder het Nazisme, en zijn werken werden zelfs gedurende de tweede wereldoorlog opgevoerd, maar hij werkte zolang hij kon samen met Stefan Zweig, de Joodse auteur, en had ook Joodse familieleden en vrienden. Hij was kort in officiële dienst voor de Nazi’s, maar werd ontslagen toen ze een brief van hem onderschepten waarin hij duidelijk maakte hoe hij over hen dacht.

    Hij verdiende goed geld aan zijn werk: een van zijn opera’s, het voor die tijd gewaagde Salomé, stuitte op veel kritiek bij de burgerij en de georganiseerde godsdienst. Men zei dat die zedeloze opera hem veel schade zou bezorgen; waarop Strauss: kan zijn, maar met die schade bouwde ik mijn villa in Garmisch… Hij was een verwoed kaartspeler, zowel thuis als op reis. Op een dag ‘broste’ hij zelfs een belangrijke voorstelling van zijn werk, waarop hij eregenodigde was, omdat hij zo gezellig aan het kaarten was. De volgende dag verscheen in de kranten dat hij met griep in bed had gezeten. Strauss was een levensgenieter, een optimist, een overlever, iemand die zich kon aanpassen aan omstandigheden om zijn ding te kunnen doen, en dat ding was muziek maken. Zijn vrouw, die duidelijk baas was in huis, aarzelde evenwel niet om hem naar het dorp om melk te sturen terwijl hij bezig was een meesterwerk te componeren. Terug thuis, en na zijn voeten keurig geveegd te hebben, eerst met een natte en dan met een droge vod, nam hij de pen weer op en ging verder alsof er niets gebeurd was. Hij was een beroeps op dat punt, wist wat hij kon en later, toen hij al ouder werd, ook wat hij niet meer kon. Toch slaagde hij erin om in 1945, toen hij dus 81 was, een diepgaand werk voor 23 strijkers af te leveren, de Metamorphosen, ter herinnering aan de zinloze verwoesting door ‘Bomber’ Harris en de RAF van Dresden, en dus ook van de opera, waar zo veel van zijn opera’s hun eerste opvoering hadden gekregen. In 1948, een jaar voor zijn dood, schonk hij ons de ‘4 laatste liederen’, die nu nog steeds ontroeren, zelfs als opgelegd stuk in de koningin Elizabeth-wedstrijd voor zang.

    Je ziet het, ik ben een beetje een Richard Strauss-fan. Een mens kan slechter kiezen. Zou je verkiezen dat ik over Duitse charmezangers schrijf? Misschien doe ik dat nog wel eens, op een erg mistige dag… Ondertussen: haast je naar de bibliotheek, en ontleen er als de bliksem een CD met orkestmuziek van Strauss, je weet wel, Richard, met twee s’en, het liefst in een uitvoering van Rudolph Kempe met de Staatskapelle Dresden, die koop je bij Brilliant (Kruidvat, zie de afbeelding) voor net geen € 19 voor negen CD’s, maar al de andere zijn ook goed. Ik garandeer je enkele uren pure muzikale vreugde.
    Mocht het toch teleurstellen, stuur me dan maar een boze mail.


    22-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Strauss & Co.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Straus, Strausz & Strauss, de Beatles van hun tijd.

     

    We hebben de neiging te denken dat pas met de Beatles de gekte om muzikanten begonnen is. Heel de wereld kende de Beatles, en waar ze kwamen stroomden fans massaal toe. Hun platen verkochten als de spreekwoordelijke zoete broodjes of moeten het Big Mac’s zijn? Iedereen zong mee met Yesterday, Michèle, Hey Jude en zo verder. Niet alleen muziektijdschriften maar ook ernstige kranten stonden vol met hun exploten en hun foto’s. Hun privé-leven en dat van hun vriendinnen en echtgenotes, zoals Joko Ono, werd op de voet gevolgd. Toen ze uiteengingen was dat hét nieuws van de dag, en toen John Lennon vermoord werd door een zwakzinnige (wie anders zou John willen vermoorden?), rouwde de wereld. Vandaag toert een pensioengerechtigde Paul McCarthy de wereld rond met fenomenaal succes.

    Maar er is niets nieuws onder de zon. Ook vroeger waren het vaak muzikanten die in het centrum van de belangstelling stonden. Toen Wagner zijn Ring liet opvoeren kreeg dat meer aandacht dan de verfilming van The Lord of the Rings nu, en dat wil al wat zeggen. De discussie rond zijn muziek en die van Brahms verdeelde Duitsland in twee groepen die elkaar zelfs soms letterlijk te lijf gingen en elkaar verder dagelijks met de meest grove scheldwoorden bestookten. Tijdschriften en kranten stonden bol van commentaren op muziekopvoeringen, zeker bij nieuwe stukken, en de kritieken bepaalden vaak in grote mate het succes.

    De naam Strauss is onlosmakelijk verbonden met de muziek. Laten we het eerst even over die naam zelf hebben, want die zorgt al meer dan honderd jaar voor verwarring. Dat begint al met de spelling: het is Oskar Straus, maar Johann, Johann jr. en Josef Strausz, doch nu meestal ook Strauss geschreven, en Richard Strauss.

    Spontaan denk je: Strauss? een walsje, het nieuwjaarsconcert in Wenen, lange rokken, een bevroren glimlach, een balzaal met spiegels, goud en glitter. En met reden: dat was wat je te zien kreeg in het begin van de negentiende eeuw in zowat heel de Westerse wereld en zelfs daarbuiten.

     

    Johann Strausz (vader, noemt men hem; 1804-49), was een populaire muzikant, die rond 1825 zelf begon te componeren, en rond 1830 met zijn walsen Wenen, de culturele hoofdstad van de wereld, in zijn greep had, maar ook in het buitenland op tournee ging en overal met open armen ontvangen werd. Met de revoluties van 1848 koos hij de kant van de conservatieven, en dat bezorgde hem heel wat vijanden. Toen dat weer wat begon te luwen, stierf hij aan roodvonk. Zijn meest bekende compositie is net geen wals, maar de meer dan bekende Radetzky-marsch, die van het nieuwjaarsconcert, waarbij het publiek mag meeklappen…

     

    Johann Strausz (zoon, zegt men erbij, 1825-1899), was nog meer succesvol dan zijn vader. In 1844 vormde hij al een eigen orkest, en haalde daarmee veel succes. Vader Strausz kon daar niet mee lachen, en het is nooit meer goed gekomen tussen die twee. Pas toen de vader stierf en de zoon zijn orkest overnam kwam er een einde aan de rivaliteit, meer bepaald toen zoon Johann de kerkdienst opluisterde bij de begrafenis van zijn vader. Gek hoe mensen, zelfs vader en zoon, elkaar kunnen haten… Het succes van Johann jr. was al even internationaal als dat van Sr. Zo werd ‘an der Schönen blauen Donau’ pas een hit bij de opvoering op de wereldtentoonstelling van Parijs in 1867. Later probeerde Strausz jr. ook ‘ernstige’ muziek te schrijven en langere werken. Dat lag hem blijkbaar niet zo goed. Enkel de opera-operette Die Fledermaus van 1874 lukte, zij het aanvankelijk maar matig. Het duurde tot 1885 voor er weer een belangrijke compositie kwam: Der Zigeunerbaron. In 1888 schreef hij de Kaiserswalzer voor de veertigjarige ambtstermijn van keizer Franz Joseph, een van zijn mooiste, die we ook allemaal kunnen meezingen als we hem horen. Zelfs na zijn dood bracht men uit zijn nagelaten schetsen en onuitgegeven werken nieuwe werken uit, zoals het bekende Wienerblut. Johann Strauss (zo zal ik het nu ook maar eens spellen) viel zowat elke mogelijke eerbetuiging te beurt in binnen- en buitenland. Zijn leven leest als een roman: hij trouwde drie keer, zijn tweede vrouw, een dom blondje (sorry…) dat dertig jaar jonger was dan hij liet hem in de steek na een huwelijk dat meer op een kruising van een triller en een slechte soap leek, maar zijn derde vrouw slaagde erin om hem terug aan het componeren te zetten. Met de jaren verloor de onbetwiste ster van de Weense muziekwereld meer en meer van zijn schwung, zijn originaliteit en zijn vrolijkheid. Hij begon aan zichzelf te twijfelen, de kanker voor elke scheppende kracht; hij werd achterdochtig en bijgelovig, en dronk meer champagne dan goed voor hem was (al is het nu nog zo dat je champagne altijd en overal kan aanbieden en drinken, men geeft het zelfs aan een stervende mens, zeggen ze bij ons). Tegenwoordig zou men zeggen dat hij in een diepe depressie was geraakt. De begrafenisstoet werd door honderdduizenden gevolgd, hij werd begraven naast Brahms, rechtover Schubert.

     

    Johann jr. had een broer, Josef, 1827-70. Hij verscheen ten tonele toen Johann in 1853 ernstig ziek werd en moest vervangen worden: the show must go on… Nadien wisselden de broers elkaar af als leiders van de drie orkesten die ze meestal gelijktijdig in Wenen lopen hadden; soms tekenden ze ook samen voor een compositie, zoals voor de levendige en alom bekende Pizzicato Polka (pizzicato wil zeggen dat de snaren ‘geplukt’ worden zoals bij een gitaar, niet gestreken met de strijkstok meestal doet men dat af en toe, als ondersteuning, een beetje zoals de contrabas in een jazz-quartet, maar in deze wals spelen alle strijkinstrumenten samen op die manier). Hij liep een hersenschudding op tijdens een concertreis in Rusland en stierf kort nadien.

     

    Eduard Strausz (1835-1916) was het vijfde kind van Johann Sr. Hij draaide mee in het familiebedrijf met Johann jr. en Josef en schreef zelf ook 300 dansen, maar verbrandde later bijna al zijn partituren, wellicht in het besef dat zijn broers net iets beter waren dan hijzelf.

     

    Over Oskar Straus, één s, dus geen familie, kunnen we kort zijn. Hij was ook een Oostenrijks componist, leefde van 1870 tot 1954. Zijn grootste succes was de operette ‘Ein Waltzertraum’, dat meer dan 5000 keer werd opgevoerd, echt waar. Een operette is een voorloper van de musical: een opera met een leuk verhaaltje, meestal met een happy end, zonder al te veel diepgang, met heel vlotte melodietjes, echte meezingers, maar in de beste gevallen ook heel goede muziek.


    En dan is er Richard Strauss, dus met dubbele s, niet met sz.  Over hem een volgende keer meer.

    15-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Drugs
    Klik op de afbeelding om de link te volgen









    Drugs, dat wat vreemde woord dat we met de drugs zelf overgenomen hebben uit de internationale, Engelssprekende wereld. Er gaat geen dag voorbij zonder dat de media het daarover uitgebreid hebben. Gisteren nog een Panorama-reportage over meth, de drug die nu blijkbaar het best in de markt ligt.

    Wat heeft de mens toch met drugs?

    Er zijn nu eenmaal in onze leefomgeving een aantal producten die, als ze op een of andere manier met ons lichaam in contact komen, een bijzonder effect hebben. Je hoeft maar een stevige espresso te drinken om te weten dat koffie een opwekkend effect heeft: aaaah, dat doet deugd, zie! En hoeveel mensen zijn er niet die ’s avonds als ze thuis komen een aperitiefje drinken? Ga naar een receptie, en na een half uur stijgt het geroezemoes tot een uitgelaten concert van mensen die alcoholplezier hebben. Rokers krijgen hun kick van hun regelmatige dosis nicotine. Talloze gebruikers van slaapmiddelen rekenen op dat pilletje om snel naar dromenland te vertrekken. En als men zich niet helemaal fit voelt, zijn er gemakkelijk verkrijgbare middeltjes om je wat beter te voelen.

     

    Al zolang als we van de mens weten, weten we ook dat hij met dergelijke middelen omgaat. Het is van alle tijden en alle culturen, het is onvermijdelijk, onuitroeibaar, menselijk, kortom.

    En we zijn ook erg tolerant.

    Het is pas de laatste jaren dat men vindt dat roken niet evident is, en nog steeds zijn er hardnekkige verdedigers, ook al weten zij perfect goed dat roken dodelijk is. Blijkbaar nemen ze dat zeer reële risico erbij. En voor wat? Voor een verslaving aan een drug, voor het zogenaamde genot van het roken. Hetzelfde met alcohol. Lange tijd maakte men zich vrolijk over iemand die eentje teveel ophad. Iemand die wat aangeschoten is, wordt nog altijd niet met de vinger gewezen, nee, op feestjes en zo zijn het eerder de geheelonthouders, de zuurpruimen die het moeten ontgelden, zij zijn de sfeerverstoorders. Wie heeft de moed om een collega aan te spreken op zijn ‘probleempje’, terwijl iedereen ziet dat zijn carrière en zijn huwelijk eronder lijdt? Men haalt ten hoogste de schouders op, en glimlacht meewarig. Ach, ja, hij lust wel graag een pintje…

    En dan de ‘echte’ drugs. Wat is er nu nog verkeerd met een jointje? Het is altijd het vergoelijkende ‘jointJE’. Dat kan toch geen kwaad? Je mag het zelfs bij je hebben, je mag het kopen en gebruiken. Maar je mag het niet kweken of verkopen, vreemd toch. Cannabis lijkt ingeburgerd, de wetgever laat het toe, waarom dan niet? Dokters zeggen dat het zelfs heilzaam kan zijn, en beter af en toe een jointje roken dan zwaar alcoholisme, toch?

    En dan gaat het verder. Er is XTC, en cocaïne, en heroïne en wat nog allemaal. Op party’s en privé-feestjes wordt geëxperimenteerd zonder veel scrupules, ook in ‘goede’ middens.

    De mens tast de grenzen af van de invloed van vreemde producten op zijn lichaam. Hij is op zoek naar rust, naar genot, naar dat goed gevoel, naar extase, naar vergetelheid. Het gewone leven, dat voor de meesten onder ons bestaat uit een derde slaap, een derde werk en een derde vrije en half-vrije tijd, is op zichzelf niet voldoende. We hebben pieken nodig, afwisseling, dingen die de sleur doorbreken, die het leven kleur geven, zoals dat heet, waar we kunnen naar uitkijken. De jaarlijkse vakantie(s), verjaardagsfeestjes, de zilveren bruiloft, oudejaarsavond… En op die momenten willen we ons goed voelen, willen we plezier maken. En dan gaan we eens goed eten. En drinken. En slikken. En spuiten.

    En ’s anderendaags zitten we met een kater, en zweren we dat we nooit nog een glas aanraken.

    En toch…

    We zien de ravages van overmatig gebruik, we hoeven niet ver te zoeken in onze omgeving. Maar dat houdt ons niet tegen. We weten dat we niet volmaakt zijn, dat we zwak zijn, dat we toegeven aan de verleiding, aan onze verslaving. Wij zijn ook maar mensen.

    Het zou zo simpel zijn, als er geen alcohol was, bijvoorbeeld. Dat had je maar gedacht! Kijk maar naar wat er gebeurde tijdens de drooglegging in the USA, en in de Islam-wereld mag zogezegd ook niet gedronken worden, en in Noord-Europa is de drank in de cafés onbetaalbaar, dus wordt er thuis met liters tegelijk verzet.

    Tabak zou je gewoon kunnen verbieden, denk je dan. Maar dat lukt langs geen kanten, denk aan de pantomime over Francorchamps, en dat gaat dan alleen nog maar over de reclame voor tabak!

    Wij weten perfect waar de grondstoffen voor bepaalde drugs vandaan komen, coca, papavers… maar we slagen er niet in die productie stop te zetten. We kennen de transportlijnen en zelfs de criminele cartels die zich met de verkoop bezig houden. Maar we krijgen ze niet klein. In de USA woedt een oorlog tegen de drugs, maar de overwinnaars zijn de bestrijders, die er rijk van worden, en de producenten en verkopers, die nog nooit zo’n goede zake deden. En de verliezers zijn de gebruikers, die wel geklist worden en die massaal opgesloten worden in gevangenissen waar ze meestal blijven gebruiken, en waar ze zeker niet genezen van hun verslaving.

    Sommige mensen hebben blijkbaar niet genoeg aan een rustig leven. Ze hebben nood aan allerlei kicks, aan uitspattingen, aan risico’s. Zonder dat flamboyante is het leven maar saai, het leven niet waard. Zoals mijn broer zaliger zei: je rookt niet, je drinkt niet, je loopt niet achter de vrouwen aan, waarvoor leef je dan nog? Dat je gewoon content kunt zijn zonder roken, drinken, drugs, dat is tegenwoordig bevreemdend. Over vrouwen zullen we het niet hebben, dat zijn geen drugs, voor zover ik weet. Maar ik weet wel dat als je high bent van welke drug dan ook, vrouwen meestal niet veilig zijn voor mannen.

    We krijgen de drugs niet uit onze wereld, we willen dat ook niet, eigenlijk. Dus zullen we er moeten leren mee leven.


    13-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.net gelezen: William Trevor, Fools of Fortune
    Klik op de afbeelding om de link te volgen














    William Trevor, Fools of Fortune, 1983, 192 pp. paperback

     

    William Trevor is een van die auteurs die ik leerde kennen door de kortverhalen die The New Yorker van hem publiceerde. Hij is ondertussen 78, maar nog steeds actief, zijn laatste bundel A Bit on the Side verscheen in 2004.

    Zijn verhalen zijn vrijwel steeds gesitueerd in Ierland, waar hij geboren en getogen is. Hij is een bijna meedogenloos observator van zijn omgeving en de tragiek van het menselijk bestaan, maar zonder ooit expliciet te veroordelen. Hij presenteert de feiten, en laat het oordeel aan de lezer over, over de pekelzonden en het onmenselijke politieke geweld, de onderdrukking en de revolutie, de verzwegen seksualiteit en de onbarmhartige liefde, de tweespalt van religies, de ondergang van het landelijke leven en de troosteloosheid van de moderne tijd, oude vetes en jonge mensen die hun eigen weg moeten gaan. Hij spreekt van onvervuld verlangen, onuitgesproken liefde, jarenlange wrok, onafwendbare drama’s, afwezigheid, verval, en dood. Maar hij kent ook alle nuances van bevrijdende humor, zalig geluk, verbondenheid met de natuur, trouw en onvermoede edelmoedigheid.

    William Trevor heeft vele nationale en internationale prijzen en eerbetuigingen gekregen, de laatste tijd ook voor zijn gehele oeuvre, zoals dat heet, als een auteur ouder wordt. Hij is een alom erkend meester in zijn vak.

     

    Fools of Fortune brengt ons naar Ierland bij het begin van de twintigste eeuw. De onrust van de buitenwereld sluipt binnen in het leven van Willie, die een brutaal einde ziet komen aan zijn idyllisch bestaan. Hij overleeft, maar is getekend door het geweld en door het lot van zijn moeder, die hij ziet wegzinken in haar ellende. Hij wordt verliefd op zijn Engelse nicht, Marianne, maar zijn wraak op de Black and Tans die zijn familie uitroeiden, verhindert hun gelukkig samenzijn. Hun dochter, Imelda, bezwijkt uiteindelijk onder de herinnering aan al het geweld waartoe haar omgeving in staat bleek en verdwijnt in de woordeloze waanzin.

    Het is een aangrijpend, schrijnend en ontstellend verhaal, gebracht in een donkere, maar beeldrijke taal, ingehouden, vaak, impliciet, suggestief, dan weer onvermoeibaar verder gaand, als in een oude legende, die verwijst naar veldslagen in de mist der tijden, naar uitzonderlijke mannen en vrouwen die zich verzetten tegen de gang van zaken, tegen het noodlot, al wordt dat hun ondergang, naar bomen waaraan verraders werden opgehangen, naar ruïnes waar ooit mensen leefden, liefhadden en stierven.

     

    William Trevor stelt nooit teleur.

    Elke nieuwe ontmoeting met zijn wijze, monkelende etsen is een diepe innerlijke verrijking. Elk boek, elk verhaal is af, als een eiken kast in een boerenkeuken, gepolijst door de tijd, als een glasraam in een dorpskerk, met afbeeldingen van mensen en dingen die ooit leefden en verwondering wekten, als een Hollands zeezicht, met eindeloze luchten en bezige mensen op een visserssloep.

    Er is geen menselijker mensenkenner dan William Trevor, geen subtieler stilist, geen waardiger chroniqueur van wat het is mens te zijn.

    Mis de kans niet om hem te leren kennen.


    11-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nous sommes tous des étrangers
    Klik op de afbeelding om de link te volgen












    Ian Rankin, Fleshmarket Alley, 2004, 561 pp., paperback

     

    Nog een naam die me was aangereikt, ik weet niet meer waar of door wie, als een interessante Britse, meer bepaald Schotse auteur van politieromans. Ik kocht het boek ook weer voor vier of vijf euro tweedehands.

    Na mijn vorige tekst, waarin de problematiek van de samenleving met inwijkelingen werd aangeraakt, was het een gelukkig toeval dat de context van dit boek precies die zelfde kwestie is. Natuurlijk is er een moord, en meer dan een, natuurlijk zijn er mensen die verliefd worden, er wordt ook stevig gedronken en nauwelijks geslapen, op het einde is er een wilde achtervolgingsscène, er zijn engelachtige en diabolische figuren… Het heeft geen zin om hier de plot of de ontknoping te verklappen, dat is een goed deel van het plezier bij politieromans.

    Maar ik was getroffen door de eerlijke aanpak van de auteur. Hij misbruikt de problematiek niet om een gemakkelijk kader te maken voor zijn verhaal; ik heb eerder de indruk dat hij zijn verhaal ondergeschikt heeft gemaakt aan de problematiek. Hij toont ons racisten van allerlei slag, de zogenaamd onschuldige, die flauwe grapjes maken, zoals een tros bananen als geschenk voor een zwarte inspecteur, maar ook de rabiate, die lucht geven aan hun hartsgrondige maar onredelijke en dus onverklaarbare haat voor alles wat een donkere of zelfs maar getaande huid heeft, en de racistische moordenaar, die nog minder moeite heeft met het doden van een vreemdeling dan met het ombrengen van een blanke, en de racistische misdadigers, hoog en laag, die weerloze vreemdelingen uitbuiten zonder enige scrupule.

    Hij toont ons ook mensen die een andere mening toegedaan zijn. Dat kan een totale en onvoorwaardelijke inzet zijn, of niet meer dan weigering om mee te doen aan plat racisme in de eigen omgeving. Hij laat ook een evolutie zien in de houding van bijvoorbeeld een van de hoofdfiguren, John Rebus, die zich gaandeweg vragen begint te stellen over het verschil tussen zeggen dat je geen racist bent, en vreemdelingen onder je vrienden hebben…

    In die zin is dit een merkwaardig boek. Je leest het voor het plezier, want het is uitstekend geschreven, en je krijgt alle tricks of the trade van de police procedural. Maar in zijn evenwichtige aanbreng van de problematiek, met uiteindelijk een duidelijke, maar niet opdringerige voorkeur voor de zwakkeren, is het een doordenker, en dat verwacht je niet meteen in dit genre. Het zou wel eens kunnen dat boeken zoals deze meer doen voor de zaak van ons samenleven met vreemdelingen dan vele parlementaire debatten, geleerde studies en nobele oproepen van kerkleiders. Want Ian Rankin is populair, zijn boeken worden op enorme oplagen gedrukt en in alle lagen van de bevolking gelezen.

    Goed zo!

     

    Want wat moet er anders met ons gebeuren? Gaan we een tijd tegemoet waarin mensen elkaar op straat afmaken omdat ze anders zijn? In West-Vlaanderen brandt een huis af, skinheads slaan een zwarte in de coma. In Antwerpen heeft een ‘goth’ drie racistische moorden gepleegd. Het heeft geen zin om dat gotische de schuld te geven, net zomin als het zin had om de Marokkanen of de Polen of de Roma de schuld te geven van die andere moord. Er anders uitzien zou voor een ‘goth’ toch geen probleem mogen zijn? Als je bekijkt hoe bizar hun eigen verschijning is… Je moet simpelweg niet goed bij je verstand zijn om zoiets te doen, gotisch zijn is ruim onvoldoende. En wat ook de band van die jonge kerel moge zijn met extreem rechts, het heeft ook geen zin om hen hier rechtstreeks schuld te geven. Maar nogmaals: als je over vreemdelingen steeds spreekt als gespuis, als je een wereld in het vooruitzicht stelt waarin alle vreemdelingen ofwel verdreven ofwel volledig geïntegreerd zijn, dan ben je bewust oneerlijk bezig, dan lieg je de mensen wat voor.

    Ik wil zelfs toegeven dat het Vlaams Blok enige verdienste heeft gehad in het op de agenda plaatsen van deze problematiek, die aanvankelijk door de andere partijen als een vanzelfsprekendheid werd gezien, zonder dat de bevolking zich erover kon uitspreken. De meeste van de excessen uit die al te idealistische periode zijn ondertussen weggewerkt, het aantal asielzoekers is ook drastisch gedaald.

    Maar vele vreemdelingen zijn dat hier nog altijd: vreemdelingen, zoals de allochtone man die hier al dertig jaar woont, in Vlaanderen, en ons op TV nog toespreekt in het Frans, dat durft geen één Franstalig minister nog, hoe hard hun huig ook onze taal geweld aandoet. En er is ook nog steeds geen begin van een oplossing voor de problematiek van de immigratie. Er zijn nog steeds geen quota, zoals dat al een eeuw in Amerika werkt. Wij weten nu dat we de inwijking niet kunnen terugdraaien, dat we geen aanzienlijke aantallen kunnen repatriëren, en dat we ook in de toekomst de grenzen niet kunnen waterdicht maken, en dat we waarschijnlijk zelfs behoorlijke aantallen vreemdelingen zullen nodig hebben. Om te overleven!

    Maar we hebben er nog geen flauw idee van hoe dat moet.


    10-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.No guide for the perplexed
    Klik op de afbeelding om de link te volgen








    Het moet me van het hart: ik weet niet meer wat ik moet denken over immigranten, illegalen, sans-papiers, asielzoekers. Of van Vlaams-belangers, skinheads, negationisten en religieuze fundamentalisten. Of van Palestijnen, Taliban, Irakezen en Iraniërs. Of van goedbedoelende Vlaamse mensen.

    En ik blijk niet alleen te zijn.

    Op de bus, op straat, in de buurt: voortdurend hoor ik verwijzen naar buitenlanders die hier komen; let wel: men heeft niets tegen buitenlanders, maar… Een politieke partij die andere mensen bestempelt als ‘gespuis’ zal wellicht weer massaal stemmen trekken. Andere partijen putten zich uit in onwaarschijnlijke ijver om de instroom van buitenlanders aan banden te leggen en restrictieve maatregelen te nemen eens ze toch hier geraakt zijn. Er is dus een vrij algemene stemming tegen de immigratie, er is geen draagvlak voor grote aantallen buitenlanders in onze gemeenschap.

    En anderzijds zijn er mensen die voor die buitenlanders opkomen, hen voorthelpen en meewerken aan integratie. Ook de politiek doet daaraan mee. En nu ook de kerken.

    Dat het Vlaams Belang de kaart speelt van de vreemdelingenhaat weten we. Zij hebben van Le Pen geleerd dat je op die manier stemmen kan halen, en het is hen ook gelukt. Je moet alleen maar staan schreeuwen dat het moet gedaan zijn, en je wordt verkozen. Simpel. Een vetbetaalde job, volksvertegenwoordiger. Voor hetzelfde loon moet je in de privé wat meer doen dan schreeuwen.

    De aversie van vreemdelingen van de man in de straat is ook simpel te verstaan. Paula D’hondt deed dat destijds al uit de doeken. Het is de angst van alles wat vreemd is, van alle verandering. Dat zou allemaal wel goed komen als we aan de gewone man zouden uitleggen dat die vreemdelingen mensen zijn zoals wij, dat zij ook hun kinderen graag zien, dat zij ook vooruit willen komen in de wereld, dat het geen sociale profiteurs zijn, dat er niet meer misdadigers in die groep zitten dan bij de Belgen, dat ze onze taal wel snel zouden beheersen… Maar dat is niet gelukt, blijkbaar, ook al omdat een aantal in het oog springende uitzonderingen ervoor zorgen dat men de statistieken niet gelooft. Eén enkele noord-Afrikaan met een witte pet op in een lawaaierige omgebouwde auto met donderbassen en open ramen doet al het goede van een vriendelijke even noord-Afrikaanse kelner in een restaurantje teniet. Iedereen heeft weet van iemand die bestolen is of aangerand, iedereen kent een familie met zestien kinderen en een professioneel werkloze vader, en ja, die statistieken over die criminaliteit, je moet dat globaal bekijken, en je niet blindstaren op de situatie in Brussel of Antwerpen alleen, bijvoorbeeld. Allicht. In Klemskerke wonen niet genoeg immigranten om ook maar enige invloed te hebben op welke statistiek dan ook.

    Er zijn altijd al mensen geweest die zich het lot aantrokken van de medemens in nood, zonder vragen te stellen. Ik vroeg aan een van hen ooit: waarom doe je dat toch? in de hoop een beredeneerd antwoord te krijgen, met een genuanceerd standpunt over immigratie en een politiek inzicht dat voor mij, die van de wal af toekeek, verhelderend zou zijn. De reactie was even kort als onverwacht: omdat ze er zijn. Het zelfde antwoord dat destijds Mallory gaf toen men hem vroeg waarom hij zo nodig de Everest wou beklimmen.

    De kerkelijke mensen die al jaren met het lot van immigranten begaan zijn, zeggen in feite het zelfde. Je moet de ‘armen’ helpen, nu, direct, zonder vragen te stellen, zonder voorwaarden, zonder onderscheid, zonder iets terug te verwachten. Het zijn mensen en ze hebben hulp nodig. Punt uit. Geen politieke boodschap, geen standpunt over immigratie. Ze zijn arm, help ze. Simpel.

    Tegen die eenvoud kan zelfs een minister niet op. Natuurlijk heeft hij gelijk als hij zegt dat veel van die mensen niet eens asiel gevraagd hebben, of al jaren geleden het bevel hebben gekregen het grondgebied te verlaten (en nauwelijks onder de indruk waren van ongetwijfeld de meest hypocriete nonsens die onze juristen ooit verzonnen hebben). Wij zien hem spartelen in zijn gelijk, in zijn terechte weigering om toe te geven aan chantage, in zijn juiste kritiek op kerkleiders die zich nu plots achter de ‘incivieken’ scharen. Hij heeft het gelijk aan zijn kant, maar de vreemdelingenhaters zullen niet voor hem stemmen omdat wat hij doet nog veel te weinig is, en de vreemdelingen en hun sympathisanten evenmin omdat het veel te veel is.

    We leven in een complexe maatschappij, ook al willen we dat niet. We zoeken overal klare lijnen, maar vinden die nergens. We zoeken een overtuiging die ons altijd en overal op het rechte pad houdt, maar de modellen die we daarvoor krijgen zijn zo ontoereikend dat zelfs de gewone man er geen boodschap aan heeft.

    Wat kunnen we nog doen, wat kunnen we nog zeggen?

    Hooguit de excessen veroordelen die ons ter ore komen.

    En de armen helpen. Omdat ze er zijn.

    Simpel.


    07-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.net gelezen: Julian Barnes' Staring at the Sun
    Klik op de afbeelding om de link te volgen



















    Julian Barnes, Staring at the Sun, 1986

     

    Mijn eerdere pogingen om iets van Julian Barnes te lezen leidden tot wisselend resultaat. Het veelbesproken Flaubert’s Parrot (1984) kon me destijds niet onmiddellijk boeien en werd dus terzijde geschoven. Enkele jaren geleden las ik van hem een kortverhaal in The New Yorker, en dat was wel meteen prijs. Wat me toen vooral opviel, was de heel bijzondere manier van opbouw. Spontaan dacht ik daarbij aan muziek; ik verklaar me nader.

    Als je naar een muziekstuk luistert, bijvoorbeeld uit de klassieke periode, dus Mozart, Haydn, dan hoor je enerzijds thema's, invallen als het ware, goede ideeën die leiden tot melodieën en ritmes die je zonder enige moeite bijblijven. Anderzijds heb je de verwerking van die melodieën: de herhaling, door dezelfde instrumenten of door andere; de modulering, dat is de omzetting in een andere toonaard, zodat wat eerst droef klonk plots een blij gezicht krijgt; de variatie, het spelen met de noten van de melodie, die je nog wel herkent, maar die wat verandert, langer wordt of korter. En dan komt er een tweede thema, en later misschien nog een derde, en tussendoor worden de eerste twee thema’s ook nog eens hernomen. Er zijn eindeloos veel mogelijkheden, maar voor veel liefhebbers van die klassieke periode ligt de aantrekkelijkheid ervan in die ogenschijnlijk speelse maar in feite heel goed doordachte opbouw met bekende elementen, wat tot vertrouwdheid, bijna-voorspelbaarheid leidt, en dus rust geeft, en anderzijds het veranderen van die elementen, wat tot frisse, soms verrassende en altijd levendige wendingen leidt, die onze aandacht vasthouden.

    Ik weet niet of Barnes bewust deze technieken uit de muziek heeft overgenomen, maar ook in dit boek, Staring at the Sun, springt de gelijkenis in het oog. Thema’s worden aangebracht, soms kwansuis, onopvallend, zijdelings, en die komen later terug, soms zelfs drie of vier maal, met dezelfde woorden, of lichtjes veranderd, in een andere context, en krijgen daar een nieuwe betekenis, die het anekdotische overschrijdt en een universele, algemeen menselijke waarde krijgt. Het verhaal wint zo aan eenheid: de concrete beschrijving van mensen en dingen, toestanden en gebeurtenissen wordt opgenomen in een groter geheel, waarin de auteur ons zijn visie aanreikt op de mens en de wereld waarin hij leeft.

    Het verhaal zelf is dat van Jean, die we volgen vanaf haar zevende verjaardag tot haar 99ste, in een periode die loopt vanaf omstreeks 1940 tot in een voor ons, nu, in 2006, nabije toekomst.

    Het is niet steeds een gelukkig verhaal. Gezinnen zijn zelden een plaats waar de beide ouders en de kinderen kunnen openbloeien. Liefde is een begrip waarvoor men moeilijk een concrete invulling vindt. Tijdens de oorlog woont een jachtpiloot in bij het gezin, en dat levert gesprekken op over moed, angst, lafheid, vriend en vijand, geweld. Jean komt seksueel totaal onvoorbereid in een huwelijk terecht met een ietwat saaie politieman en kan ook geen vrede nemen met haar ondergeschikte positie die als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Wanneer ze uiteindelijk toch zwanger wordt, verlaat ze haar man. Met haar zoontje, Gregory, begint ze een dolend bestaan als losse medewerker in keukens en bars. Wanneer haar man sterft, erft ze van hem. Dat, en de ondertussen gewijzigde tijdsgeest, geeft haar nieuwe mogelijkheden en ook andere ideeën. Ze gaat reizen in het buitenland. Ze leert Rachel kennen, een van de vriendinnen van Gregory en een echte feministe. Hun gesprekken zijn hilarisch. Door het boek heen volgen we ook de wat excentrieke Oom Leslie, de ongehuwde broer van Jeans moeder, die uiteindelijk sterft in een armoedige zolderkamer.

    Het laatste gedeelte van het boek speelt zich af in de toekomst, al is die sinds 1986 al flink naderbij gekomen. Barnes heeft zich toen goed geïnformeerd over de mogelijkheden van computers, en gebruikt een kruising van Big Brother (niet het TV-programma) en Internet als tegenspeler voor Gregory’s vragen over God en godsdienst, het eeuwig leven, de zin van ons bestaan, de ziel, euthanasie, zelfmoord… Ook dat is vaak komisch, met een tragische noot.

    Gregory heeft op het eind drie vragen voor zijn moeder:

    Is de dood absoluut? Is religie nonsens? Is zelfmoord toegestaan?

    Haar antwoorden: ja, ja en neen.

    Ik heb er lang over gedaan, maar vandaag is dat ook voor mij een goede basis.

    Ik denk dat ik het laatst verschenen boek van Barnes, Arthur & George maar eens ga lezen. En Flaubert’s Parrot krijgt een tweede kans.


    06-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gelezen, maar...
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Walter Mosley, Little Scarlet. An Easy Rawlins Novel, 2004

    Zoals je hieronder kan zien had ik net P.D. James’ The Lighthouse uit toen ik aan deze Mosley begon. Walter Mosley wordt vaak samen vernoemd met de ‘groten’ van het genre, de krimi. Ik had nog niets van hem gelezen, en toen ik dit boek tweedehands maar proper en in een leesbare letter aantrof, dacht ik: eens proberen.

    Het contrast kon moeilijk groter zijn…

    Walter Mosley is een Amerikaanse kleurling. Ik weet het, dat zou geen belang mogen hebben. Toni Morrison is dat ook, so what? In het geval van Mosley, of althans van dit boek van hem, is er weinig kans dat je ook maar even vergeet tot welke bevolkingsgroep de auteur behoort.

    Het verhaal speelt zich af net na de rassenrellen in Los Angeles in 1965. De ik-figuur, Easy Rawlins, is een soort engelbewaarder in de zwarte gemeenschap. Hij wordt door de politie opgetrommeld om de moord op een zwarte jonge vrouw discreet op te helderen, om nieuwe rassenrellen te vermijden. Daar slaagt hij uiteindelijk in. In de loop van het verhaal maken we kennis met zijn familie: zijn vriendin, twee vaag geadopteerde kinderen; zijn vrienden, zijn buren, zijn werkomgeving, een aantal personen, blank en zwart die betrokken zijn bij de moord.

    Als misdaadroman is Little Scarlet best goed: stevige plot, boeiende opbouw naar een aannemelijke oplossing. De personages zijn vaak goed getekend, hun taaltje leuk weergegeven.

    Maar, durf ik het zeggen… het is allemaal een beetje zwart/wit, en voor Mosley is zwart wit, en wit zwart, als je begrijpt wat ik bedoel. Is het nu omwille van de omstandigheden waarin de moordzaak zich afspeelt, namelijk de rassenrellen, ik weet het niet, maar de auteur laat geen halve bladzijde, zelfs geen paragraaf voorbijgaan zonder ons met de neus op de feiten te drukken: de historische schuld van de slavenhandel, de verschrikking van de discriminatie, vroeger en ook toen nog, in 1965. Het is een zeer negatief beeld van een maatschappij, nauwelijks genuanceerd door een enkele blanke ‘good cop’. ‘The brothers and sisters’ daarentegen worden met meer begrip behandeld, ook al zijn het beroepscriminelen die niet terugdeinzen voor moord, of halve bekeerlingen die het toch nodig vinden om te liegen om aan een job te komen. Ik vermoed dat het boek geschreven is voor de zwarte gemeenschap. Maar ik heb sterke twijfels over het succes ervan bij een groot deel van de zwarte gemeenschap, dat zich zeker zal afzetten tegen al de zwarte stereotiepen: de bloedmooie jonge vrouw die na dertig seconden bereid is om met Easy naar bed te gaan; de koele moordenaar die niet zonder ‘pussy’ kan, de Loverboy die leeft van het stelen van wagens, de halfbloeden die hun huidskleur verbergen, maar ook de uiterst toegeeflijke vriendin van Easy die zeven talen spreekt en Latijn leest en iets heeft met een Afrikaanse prins, de voodoo-priesteres, de toegewijde verpleegster…

    De meest ongeloofwaardige figuur is Rawlins zelf. Mosley heeft te veel in hem gestopt, hij wordt een Homerische held: groot, sterk, succes bij de vrouwen van alle leeftijden, begrijpend, vrijgevig, filosofisch, moreel onaantastbaar, intelligent, onuitputtelijk zelfs na dagen zonder slaap en met ettelijke kogels in zijn lichaam… Je weet uiteindelijk niet wat je aan hem hebt: nu eens is hij een van de zwarte oproerkraaiers, snel met zijn vuisten zonder veel aanleiding, en al even snel met zijn erecties, dan weer is hij een vaderfiguur die ook voor open doel niet scoort, en geld geeft voor het tweedekansonderwijs van de donkere schone.

    Voor mij was Walter Mosley een teleurstelling, dat zal wel al duidelijk zijn. Little Scarlet is een boek dat zwarte suburb-jongeren van ongeveer 12 tot 15 kan aanspreken, vermoed ik. Naar verluidt is lezen voor die groep helaas geen grote prioriteit…


    03-05-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Net gelezen: P. D. James, The Lighthouse
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    P. D. James, The Lighthouse, 2005

    Als je in tweedehandsboekenwinkels rondsnuffelt, vind je vaak boeken van P.D. James. Ik vermoedde lang dat het om een auteur van bestsellers ging, een soort van boeken dat nu niet bepaald vooraan op mijn verlanglijstje staat. Onlangs verscheen dit boek van haar, The Lighthouse, en het kreeg een genuanceerde, positieve bespreking in Knack. Toen ik het bij De Slegte als hardcover voor minder dan de helft van de prijs kon op de kop tikken, liet ik die kans niet voorbijgaan. En ik heb het me niet berouwd.

    Thrillers, mystery, crime, wij associëren het vrijwel steeds met Amerikaanse auteurs. En dat is onterecht. John Le Carré bijvoorbeeld was en is het beste in zijn genre, wat we de politieke spionageroman kunnen noemen. Veel van de werken van James zijn verfilmd of in series gegoten, Inspector Dalgliesh is ook bij ons geen onbekende. De auteur is dat grotendeels wel. Zij werd geboren in Oxford in 1920 (!), studeerde in Cambridge en werkte lange tijd in overheidsdienst. Zij heeft zowat alle prijzen gekregen in haar vakgebied, naast eredoctoraten en eervolle posities in de literaire en de publieke wereld. Het was voor mij althans een zeer aangename kennismaking met een erg bijzonder auteur; ik heb meteen nog drie andere romans van haar hand gekocht…

    P.D. James’ laatste roman is een klassieke politieroman, of een police procedural. Van bij pagina 1 weten we dat er een lijk is en dat het ten minste een verdachte zelfmoord is, of anders moord. De auteur leert ons vervolgens alle betrokkenen kennen: de politie, van hoog tot laag, en de personen die met de overledene te maken hadden: zijn familie, de bedienden van het eilandverblijf waar de gebeurtenissen zich afspelen. Al bij al een erg beperkt aantal personen, die een voor een door de auteur in de spotlights gezet worden. Wij leren hun achtergrond kennen, en hun verhoudingen tot elkaar. Zij praten met elkaar, leven gedurende enkele dagen samen op een klein eiland. Het ziet ernaar uit dat iedereen wel een reden had om de man, een beroemde auteur, niet in het hart te dragen, of zelfs te vermoorden. Iedereen blijft verdacht, maar zeer duidelijke aanwijzingen krijgen we niet. In die zin is het geen echt “whodunit”, een zoektocht, ook voor de lezer, naar de moordenaar aan de hand van schrander verborgen clues, maar veeleer een zeer geslaagde beschrijving van een aantal personen die door omstandigheden bijeen gebracht zijn. De ontrafeling van de misdaad zelf is bevredigend, aanvaardbaar, maar nauwelijks spectaculair of onverwacht, en speelt zich af in een kort hoofdstuk aan het einde van het boek, we zijn dan op pagina 292 van de 323 die het boek telt. Het is meer een aanleiding voor verdere toelichting bij het leven van de schuldige en zijn verhouding tot de mensen om hem heen, dan een briljant hoogstandje waarin al de verspreide sporen en dwaalsporen door een briljante detective worden opgelost.

    Dat is waar P. D. James schittert: de personen die wij mogen ontmoeten zijn de moeite waard. Het zijn levensechte mensen, met hun kleine kanten en hun eenvoudige pleziertjes, zoals een tas hete thee of een ietwat betere wijn, of een geslaagde osso bucco, of een wandeling langs de kust. Zij hebben ook een verleden, soms generaties ver, dat hun leven maakt tot wat het is, in goede en kwade dagen. Er worden interessante en zelfs belangwekkende hedendaagse thema’s aangesneden, door personages die er direct bij betrokken zijn. De wereld die ons wordt geschetst is onze wereld, en dat het toevallig om een eiland gaat voor de kust van Engeland, maakt het voor ons hier in Vlaanderen net iets meer exotisch, zodat onze interesse gewekt wordt en onze nieuwsgierigheid ruimschoots bevredigd.

    Ik had jaren geleden de gelegenheid om kennis te maken met sommige plaatsen in Engeland die hier worden beschreven, en met een aantal personen die in dit boek perfect op hun plaats zouden geweest zijn. Ik verbleef zelfs een aantal keer in Holcombe House, net buiten Londen, en ontmoette een lid van een adellijke familie die een eiland bezaten als dat in het boek. Het maakte voor mij het verhaal des te geloofwaardiger en bracht aangename herinneringen terug aan een land waar ik me wellicht thuis zou kunnen voelen.

    En dat is iets wat ik bijvoorbeeld over Amerika nooit zou zeggen.




    Foto

    Foto

    Foto

    Inhoud blog
  • Dichtbundel Mia Loots: wie ik ben
  • Peter Venmans, Discretie (recensie)
  • Het geloof van de kolenbrander
  • Openbaring
  • pas verschenen
  • Luts verjaardag 2018
  • Beestenboek
  • Adam en Eva in het aards paradijs
  • Waarom? Daarom!
  • appartementisering
  • Gedichten-dag 2018
  • René Willemsen, Het onvoltooide leven van Thomas (recensie)
  • Thomas van Aquino, Over het zijnde en het wezen (recensie)
  • What's in a name?
  • Spinoza: Ethica
  • Patrick Lateur (vert.), Goden. 150 epigrammen uit de Anthologia Graeca
  • Ter inleiding bij de tentoonstelling van Lut in De schuur van A, 9 september 2017
  • Paul Claes, SIC, mijn citatenboek
  • Facebook
  • De heilsstaat is niet voor morgen.
  • Paul Claes: Catullus, Lesbia (recensie)
  • het boerkini-verbod en de filosoof
  • de gruwel en de verantwoordelijkheid
  • Exit buxus
  • Terugblik
  • Een poging tot samenvatting
  • Leonard Cohen
  • De wraak van Jan met de pet
  • Foucaults slinger: naschrift ter correctie
  • En toch beweegt ze! Foucaults slinger.
  • Tentoonstelling
  • De rode draad
  • Avondlied
  • Afscheid van kerstmis
  • Spinoza: De Brieven over God
  • Spinoza: de Brieven over God
  • Keren Mock, Hébreu, du sacré au maternel, 2016 (recensie)
  • Geen visum voor vluchtelingen?
  • Rudolf Agricola (recensie)
  • Jan Verplaetse, Bloedroes (recensie, niet voor zachtmoedigen)
  • De verlichting uit evenwicht? (recensie)
  • Godsdienst: macht of inspiratie?
  • 'En bewaar het geheim.' Intieme blikken van vrijmetselaars (recensie)
  • Lamettrie, Het Geluk (recensie)
  • El cant dels Aucells
  • Peter Venmans, Amor Mundi (recensie)
  • Rüdiger Safranski: Tijd (recensie)
  • Terroristen
  • De lastige weg
  • Richard Dawkins, Een kaars in het donker (recensie)
  • Herwonnen vrijheid. Recensie Julian Baggini
  • Gedichtendag 2016
  • virtueel
  • Elfenbankjes
  • Averij - gehavend - average
  • Tentoonstelling Lut De Rudder
  • Tentoonstelling Lut De Rudder, vernissage
  • Parijs: het vendel moet marcheren.
  • Paul Cliteur & Dirk Verhofstadt, Het Atheïstisch Woordenboek (recensie)
  • Romeo & Juliet gedanst
  • Multiculturalisme
  • Matthew Hutson, Magisch denken (recensie)
  • Individu
  • Compelle intrare: dwingen om binnen te gaan.
  • Rik Peters, Verlichte kost. Filosofen van toen over het eten van nu (recensie).
  • Paul Claes, Kinderen van Rousseau (recensie)
  • Leo Beek, Pioniers van de wetenschap (recensie)
  • Asiel
  • van vandaag op morgen
  • Ideeën en gedachten
  • De schoonheid en de troost van het atheïsme
  • Recensie: De schoonheid en de troost van het atheïsme
  • ouderdomsdoofheid
  • het blinde socialisme van Zakynthos
  • The windmills of your mind
  • muziek en dans
  • IS en de ruines van Palmyra
  • Charles Vergeer, Overspoeld door de eindigheid. (recensie)
  • Over baby olifantjes, vermoorde wilde dieren, pandavoyeurisme en huisdieren
  • 50+ en zonder job
  • The Soul Fallacy, Julien Musolino (recensie)
  • De kerk en haar gelovigen
  • (g)een filosofie van de stilte (recensie Jan Hendrik Bakker)
  • Slavoj Zizek, Eis het onmogelijke (recensie)
  • Recensie: Nick Broers, Achter Darwins horizon. Een religie voor atheïsten.
  • Me dunkt...
  • Niemand kan twee heren dienen, nogmaals.
  • bindi, FGM en andere gebruiken
  • Seksualiteit
  • Oost west, thuis best?
  • Recensie: Het voordeel van de twijfel, Tim De Mey.
  • Gedichtendag 2015: Toby
  • Buridans ezel?
  • Spinoza over de Islam
  • Piet Spigt (1919-1990), Nederlands humanist en vrijdenker (recensie)
  • besparen op cultuur?
  • Gelukkig 2015!
  • Imagine...
  • Een zomer met Montaigne (recensie)
  • Dode materie en levende.
  • 300.000 bezoekers
  • Nicholas Carr, De glazen kooi (recensie)
  • Vrijheid en technologie
  • Vrijheid
  • Staken en betogen, of werken?
  • Es geht auch anders...
  • De twijfel van de atheïst
  • Tom Kroon, De morele intuïtie van kinderen
  • Flamenco!
  • Julian Baggini, De deugden van de tafel
  • Edward O. Wilson, The Meaning of HUman Existence
  • Vrijdenken
  • onze hoog-technologische samenleving
  • Tobit
  • De volmaakte priester bestaat niet.
  • La perfection n'est pas de ce monde.
  • Toby
  • Geloof of wetenschap?
  • Besparingen, nogmaals.
  • Besparen op cultuur?
  • Niemand kan twee heren dienen.
  • John Stuart Mill
  • Brief van de bisschop van Antwerpen aan de bisschop van Rome
  • Odette?
  • Onverzoenbaarheid
  • The windmills of your mind
  • Nogmaals: fatalisme en menselijke vrijheid
  • Aarschot, augustus 1914-2014
  • Pastoor Pieter-Jozef Dergent, 1870-1914
  • Yezedi's?
  • Een waanzinnige logica: de Hannibal Directive
  • ongewenst seksueel gedrag
  • Gaza: de grond van de zaak
  • Johan Braeckman, Darwins moordbekentenis
  • Vrijheid en determinisme
  • De blinde telescoop
  • Herakleitos, Alles stroomt (vert. Paul Claes)
  • Antisemitisme?
  • O'Hanlons Helden
  • Polarisatie in Vlaanderen
  • Voetbalgekte
  • Na de verkiezingen
  • Mestkevers?
  • Een eerbaar Vlaams nationalisme
  • Vlaams nationalist, ik?
  • Voor een democratisch Vlaanderen
  • Julian Barnes, The Sense of an Ending
  • Recensie: Ludo Abicht, Democratieën sterven liggend.
  • Recensie: Paul Frentrop, Het jaar 1759.
  • Edward Elgar, Sea Pictures
  • De zoon van de priester
  • Verrijzenis
  • Adel
  • Mijn Spinoza-vertaling
  • Gij zult niet doden...
  • Seksualiteit: idealen en normen
  • The Oxford Handbook of Atheism
  • Hoe we overleven - Mark Rickerby
  • karabiner, musketon, volant en ruflettelint
  • Gedichtendag 2014
  • Antiklerikaal
  • verhitte internetdiscussie
  • Het kruis en de gekruisigde.
  • De seculiere samenleving - Patrick Loobuyck
  • Kweddelen!
  • Euthanasie in België
  • for whom the Bell tolls: exit Didier Bellens
  • De Zevende van Beethoven
  • God bewijzen - Stefan Paas en Rik Peels
  • De Verlichting als kraamkamer, Jabik Veenbaas
  • Recensie: De naakte perenboom. Op reis met Spinoza, Rudi Rotthier
  • In memoriam Luc Verbeke (1924-2013)
  • Gods dobbelstenen
  • Afwezig?
  • Rode kazuifels
  • Socialisme of sociaal-democratie?
  • Late Night Thoughts - Lewis Thomas
  • vrije universiteiten
  • slaagcijfers aan de universiteit
  • Islam, Nazisme en verdraagzaamheid
  • Mes tendres années
  • Caveat emptor!
  • De botten van Descartes - Russell Shorto
  • The Ends of Life - Keith Thomas
  • Goed en kwaad
  • Rebellen - Anne Morelli (red.)
  • Dick Swaab, Wij zijn ons brein
  • Topprestaties, onbehagen en liefde
  • Marius Engelbrecht, De onttovering van de waanzin
  • Siebrand en Hiemstra, Voetangels & Klemtonen
  • meikever
  • Evolutie, cultuur en betekenis - Tom Uytterhoeven
  • Pascal Smet of Pieter Wispelwey?
  • Herbetovering van de wereld - Michael Löwy
  • de utopie van Martin Buber
  • Radicale secularisatie?
  • Economisch nationalisme - Olivier Boehme
  • Kerk en staat
  • bij een overlijden: Macbeth
  • Jacques Brel


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!