Albrecht Dürer (Neurenberg, °21 mei 1471 - aldaar, †6 april 1528) was een Duits kunstschilder, tekenaar, maker van houtsneden en kopergravures, kunsttheoreticus en humanist uit de Noordelijke renaissance.
De opkomst van de prentdrukkunst, die parallel loopt aan de ontwikkeling van de boekdrukkunst, maakt van Albrecht Dürer de populairste en invloedrijkste Noord-Europese kunstenaar uit deze periode.
Zijn atelier specialiseert zich in druktechnieken.
Met name de kopergravure maakt een grote oplage mogelijk.
Dürer is vooral bekend om zijn veelzijdigheid.
Hij is de bezeten reiziger door Europa en Italië, niet alleen op zoek naar beelden van de renaissance, maar ook naar natuurlijke fenomenen, die hij met veel aandacht vast weet te leggen.
Naast een meesterlijk schilder is hij ook een geniaal graveur en schepper van houtsneden. Ook daar blijkt de invloed van de Gotiek.
Dürer was ook meetkundige.
Dürer is geboren in Neurenberg als de derde zoon van een Hongaarse goudsmid en Barbara Holpe.
Van beiden heeft hij een portret geschilderd.
In 1485 gaat hij in de leer bij zijn vader.
Het oudst bekende werk van Dürer is echter geen edelsmeedkunst maar een zelfportret uit 1484.
Toen zijn talent voor tekenen evident werd deed zijn vader hem in 1484 in de leer bij de schilder en boekillustrator Michael Wolgemuth, waar hij onder andere houtgravuretechnieken leerde.
Na zijn gezellentijd ondernam Dürer reizen naar onder andere de Nederlanden (1520-1521), Zwitserland en - bijzonder belangrijk - Italië.
Dürer was een van de eerste Noord-Europese kunstenaars die de sfeer van de Italiaanse renaissance tijdens een verblijf in Italië onderging.
De belangrijkste invloeden op zijn werk zijn die van Mantegna en Pollaiuolo geweest, later kwam hij onder invloed te staan van de Venetiaan Giovanni Bellini.
Niet alleen door de toepassing van het centraal perspectief, schildertechniek maar ook filosofisch-cultureel is Dürer voor de Noord-Europese kunst een doorbraak.
Voor het eerst heeft een Noorderling, doordrenkt door het Italiaanse humanisme van Michelangelo en Dante, de moed zichzelf in een frontale zelfverzekerde pose op een doek te plaatsen.
Het zelfportret van de schilder is niet alleen een persoonlijk maar ook een cultuurhistorisch document.
Het bekendste is Dürer echter geworden door zijn houtsneden.
Hij profiteerde van de tamelijk jonge techniek in zijn tijd om zijn werk over heel Europa te kunnen verspreiden.
Zelfs in Italië, toch het belangrijkste kunstland indertijd, had hij belangrijke invloed bijvoorbeeld op de schilder Pontormo.
De biograaf Vasari kraakt Pontormo af voor het te excessief gebruik van Dürers vormentaal maar wijst er ook op dat Jacopo in ieder geval niet de enige was die zijn voorbeelden zo af en toe volgde.
Het gaat hier om de houtsnedes van de Grote en de Kleine Passie van Albrecht Dürer uit 1498 en 1511.
Ook zijn Apocalyps-serie met onder meer Die vier apokalyptischen Reiter is bekend.
Deze serie is een belangrijke invloed op het werk van de Engelse dichter-graficus William Blake.
Tevens heeft hij zich beziggehouden met het ontwerpen van versterkingen voor steden.
In 1527 verscheen zijn boek Etliche Unterricht zur Befestigung der Stadt, Schloss und Flecken.
Hierin wordt beschreven hoe stadsmuren beter bestand gemaakt konden worden tegen het toen moderne kanonnenvuur.
Hij stelde voor om grote, halfronde, naar buiten uitspringende torens te bouwen.
Inwendig werden zij voorzien van overwelfde ruimten, eventueel onderverdeeld in meerdere verdiepingen.
In deze ruimten konden het geschut en de bediening gedekt worden opgesteld.
Zij worden over het algemeen beschouwd als voorlopers van het bastion.
Door de enorme afmetingen van deze bouwwerken en de hoge kosten die men moest maken om een stad volgens Dürers methode te bevestigen, is zijn methode zelden op grote schaal in de praktijk gebracht.
Van de Nederlandse steden wordt aangenomen dat Sittard op een versimpelde manier volgens de Dürermethode was versterkt.
Fort Sanderhout, naast de voormalige Putpoort, is een overblijfsel van een bastei.
Tevens was Dürer schermleerling, en heeft in 1512 een boek uitgegeven waarin een groot aantal voorbeelden van het gebruik van diverse wapens worden gegeven.
Hierbij is aandacht voor bastaardzwaard, "Messer", rondeeldolk en worsteltechnieken.
Jacob (soms Jacques of Jacobus) Jordaens (Antwerpen, 19 mei 1593 - aldaar, 18 oktober 1678) was een Vlaamse barokschilder uit de Antwerpse School.
Jacob Jordaens leefde in Antwerpen.
Hij was, net als Peter Paul Rubens, Hendrick van Balen en Sebastiaen Vrancx, leerling van Adam van Noort.
Na eerst onder invloed van de werken van Rubens te werken, ontwikkelde hij tussen 1619 en 1627 een eigen stijl.
Deze is gekenmerkt door een weldoordachte, beheerste opbouw van de compositie, en een prachtig kleurenspel.
De late stijl van Jordaens was sterk door Veronese beïnvloed.
Na Peter Paul Rubens en Antoon Van Dyck is hij de belangrijkste Zuid-Nederlandse historieschilder.
Alle Vlaamse schilders staan in Rubens' schaduw: zij ondergaan zijn invloed, hun succes wordt door zijn roem benadeeld.
Jordaens heeft een voorkeur voor meer volkse uitbundigheid, Driekoningenfeesten.
De figuren zijn grover getekend en de even schitterende kleureffecten bereikt hij met iets zwaardere kleurtonen dan Rubens.
Als 14-jarige ging de koopmanszoon Jordaens in de leer bij Adam van Noort.
In 1615 schreef hij zich in bij het gilde.
Het jaar daarop huwde hij Van Noorts dochter.
Jordaens schilderde vooral grote historiestukken, maar ook genrestukken en portretten, en hij was ontwerper van wandtapijten.
In tegenstelling tot Van Dyck en Rubens was Jordaens nooit hofschilder.
Wel kreeg hij in de jaren '40, na de dood van zijn rivalen, steeds meer (vorstelijke) opdrachten uit het buitenland.
Zo leverde hij schilderijen voor de Oranjezaal van Huis ten Bosch.
Jordaens woonde en werkte zijn hele leven in Antwerpen.
Omstreeks 1650 werd hij calvinist.
Jordaens was een welvarend man en tot op hoge leeftijd productief.
Hij stierf op 85-jarige leeftijd aan de zweetziekte of polderkoorts (verzamelnaam voor ziektes als cholera, tuberculose en malaria).
Zijn dochter, die hem verzorgde, stierf enige uren later. Beiden werden in het Nederlandse Putte begraven.
Meerdere protestanten lieten zich in die tijd aldaar begraven omdat het dorp, liggend in het gebied van de Calvinistische Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, een kleine protestantse kerk had.
Op de plaats van de verdwenen protestantse kerk en de begraafplaats staat een standbeeld van Jordaens (ontwerp Jef Lambeaux, 1877).
In het voetstuk zijn de bewaarde grafplaten van Jordaens en van zijn leerlingen van Pape en Stalbemt verwerkt.
De vorm van De koning drinkt is zeer expressief en realistisch weergegeven.
Het schilderij is afgewerkt tot in detail door middel van de aquareltechniek en een fijn penseel.
Jordaens maakt gebruik van het licht/donkercontrast.
Het is een mooi kleurenspel en schaduwspel.
De compositie van het schilderij is niet symmetrisch maar er zitten wel richtlijnen in verwerkt.
Het zijn vooral diagonale richtlijnen.
Daarmee legt hij de nadruk op het dynamische van het schilderij.
Jordaens vestigt ook de aandacht op de koning, de koning is het beeldvlak.
Jordaens legde met dit schilderij de nadruk op het 'volkse'.
Hij maakte met zijn schilderijen de indruk dat alles draait rond uitbundigheid en ontspanning.
U ziet op het schilderij de koning eten en drinken met een hele horde mensen langs zijn zijde die zijn vreugde en opgewektheid delen.
De koning deelt met zijn volk en doet zich niet voor als een persoon die beter is dan zijn volk.
Hij ziet hen in het schilderij als gelijkwaardig.
Met als titel van het schilderij 'De koning drinkt' kan men bedoelen dat de koning drinkt op de gezondheid van zijn volk.
De koning drinkt is eigenlijk een schilderij waarop het spel de Driekoningenfeesten is afgebeeld.
Het koningsspel op Driekoningen werd gespeeld door een wisselend aantal spelers.
Via een trekbrief werden de rollen in het spel verdeeld. Tijdens het spel werd veel gegeten en gedronken.
De koning betaalde de drank; bier, wijn of jenever met suiker. Anderen zorgden voor het eten.
De koning leidde het spel. Hij koos de namen waarop gedronken werd.
De nar zorgde ervoor dat iedereen 'Vivat, de koning drinkt' riep.
Wie dat naliet werd gestraft met een zwarte veeg roet over het gezicht.
De stijlstroming waarin het schilderij “de koning drinkt” past is de barok.
Na de dood van Govert Flinck in 1660 kregen Jordaens, Jan Lievens, Jurriaen Ovens, Jacob van Ruisdael en Rembrandt door de gebroeders Cornelis en Andries de Graeff de opdracht een aantal schilderijen te leveren voor de decoratie van het nieuwe stadhuis in Amsterdam.
Willy Vandersteen liet zich in het verhaal De koning drinkt waarschijnlijk inspireren door het schilderij "de koning drinkt".
Ook speelt Jordaens mee in het album De raap van Rubens, waar Lambik hem samen met Antoon van Dyck en David Teniers de Oude, ontmoet in het atelier van Peter Paul Rubens.
Mount Saint Helens is een thans nog 2550 m hoge vulkaan in Skamania County in de staat Washington in de Verenigde Staten.
De vulkaan is vooral bekend vanwege de verwoestende uitbarsting in 1980, waarbij tientallen mensen omkwamen en een groot deel van de berg instortte.
Voorheen bereikte de top 2950 m, wat dus neerkomt op een hoogteverlies van 400 m met heden.
De berg maakt deel uit van de Cascade Range.
Net als de meeste andere vulkanen in deze bergketen is Mount Saint Helens een stratovulkaan (Een stratovulkaan is een hoge kegelvormige vulkaan die is opgebouwd uit lagen van gestolde lava en tefra (Met tefra of pyroklasten worden in de vulkanologie en geologie brokstukken in vulkanisch gesteente bedoeld.).).
Hij staat bij de Klickitat-Indianen bekend als 'Louwala-Clough', wat "rokende of vuurberg" betekent.
In het Engels is de berg door George Vancouver vernoemd naar zijn vriend, de Britse Alleyne FitzHerbert, eerste baron St Helens, nadat een Brits team het gebied in de 18e eeuw in kaart had gebracht.
De vulkaan is vooral bekend vanwege de grote uitbarsting op 18 mei 1980, de eerste sinds 123 jaar.
Dit was de meest dodelijke en verwoestende vulkaanuitbarsting in de geschiedenis van de Verenigde Staten.
Bij de uitbarsting kwamen 57 personen om het leven en raakten 200 huizen, 47 bruggen, 24 km spoorweg en 300 km weg vernield.
De uitbarsting werd voorafgegaan door een beving van 5,1 op de schaal van Richter waarbij de top van Mount Saint Helens instortte en de berg 400 m lager werd.
De hoeveelheid energie die vrijkwam bij de grote uitbarsting van 1980 was vergelijkbaar met honderdvijftigmaal de kracht van de atoombom op Hiroshima.
Voordat de eigenlijke eruptie plaatsvond steeg een enorme pliniaanse wolk uit de kratermond.
De uitbarsting had een VEI (De vulkanische-explosiviteitsindex (Engels: Volcanic Explosivity Index), afgekort VEI, is een maat voor de grootte van vulkanische uitbarstingen.) van 5.
Een grote pyroclastische wolk (gloedwolk), met een temperatuur van rond de 500 graden Celsius, verwoestte alles op zijn weg naar beneden.
Er ontstond een flinke krater (caldera).
Tot in de wijde omtrek werden de bomen platgegooid en de omgeving werd "gezandstraald" over een oppervlak van ca. 600 km².
Onbeschermde personen die door deze pyroclastische stroom werden overvallen werden binnen enkele tellen levend gekookt.
Als de vulkaan niet in een zeer dunbevolkt gebied had gelegen had het aantal slachtoffers enorm kunnen zijn.
De vulkaan was al lang niet meer actief geweest, maar sinds zijn 'ontdekking' in de 18e eeuw noteerde men enkel wat kleinere uitbarstingen.
In de maanden voor de uitbarsting van werd de berg al in de gaten gehouden door de United States Geological Survey (USGS) en werden er mensen geevacueërd.
Op de ochtend van 18 mei 1980 rapporteerde David A. Johnston, een vulkanoloog bij de USGS, als eerste dat de uitbarsting was begonnen.
Enkele tientallen seconden daarna werd hij op zijn veilig geachte observatiepost op 10 km (!) afstand gedood door de pyroclastische wolk.
In september 2004 begon de berg opnieuw te roken, maar een grote uitbarsting bleef achterwege.
Op 8 maart 2005 stootte de vulkaan een ruim 10 km hoge wolk van as en stoom uit, waarna een lichte aardbeving volgde met een kracht van 2,5 op de schaal van Richter.
De rookwolk, die ongeveer een half uur aanhield, was vanuit de wijde omtrek zichtbaar.
Al vóór de catastrofale uitbarsting van de vulkaan was een gebied ingedeeld in twee gevarenzones.
De rode zone lag het dichtst bij de vulkaan en gold als het gevaarlijkste gebied.
De blauwe zone duidde eveneens gebied aan waar levensgevaar dreigde, maar het gevaar gold in dit gebied als minder ernstig.
Het overgrote deel van de slachtoffers viel echter buiten deze zones.
Dit kwam doordat de zones gebaseerd waren op een uitbarsting waarbij de assen en het puin recht omhoog zouden worden geschoten.
De uitbarsting op 18 mei 1980 was echter zijwaarts gericht.
Schiphol, of Luchthaven Schiphol (in het Engels Schiphol Airport, Amsterdam Airport, Schiphol Airport Amsterdam of Amsterdam Airport Schiphol genoemd), is de grootste Nederlandse luchthaven, en een van de belangrijkste luchthavens van Europa.
Schiphol was in 2010 qua aantallen in passagiersvervoer het vijftiende vliegveld ter wereld.
Het vliegveld ligt in de gemeente Haarlemmermeer en bevindt zich ongeveer 15 kilometer ten zuidwesten van Amsterdam.
Op 17 mei 1920 opende de KLM haar eerste lijndienst: de luchtlijn Amsterdam-Londen.
Schiphol deed dienst als landingsplaats voor Amsterdam.
Dat jaar waren er 440 passagiers.
Schiphol is de thuishaven van de Nederlandse luchtvaartmaatschappijen KLM, Corendon, Martinair, ArkeFly en Transavia.
Daarnaast is het de Europese hub van Delta Air Lines en de derde hub van prijsvechter Vueling.
Ook easyJet gebruikt de luchthaven als hub.
De luchthaven ligt enkele meters onder zeeniveau en telt zes start- en landingsbanen.
Op de plaats waar Schiphol nu ligt, heeft eerder een dorp gelegen: Rijk.
De naam "Schiphol" wordt ook gebruikt als plaatsnaam, evenals Schiphol-Oost en Schiphol-Rijk.
De luchthaven is eigendom van de Schiphol Group (statutaire naam: "N.V. Luchthaven Schiphol"), met als aandeelhouders de Nederlandse Staat, en de gemeenten Amsterdam en Rotterdam.
De naam Schiphol komt al voor in een stuk gedateerd 11 september 1447 ("Sciphol").
De oorsprong van de naam staat niet vast, maar hij zou verwijzen naar een moerasachtig stuk land waar men hout (Gotisch: 'scip') kon halen; naar een bedding voor schepen; of naar de scheepsrampen die juist in deze noordoostelijke hoek van het Haarlemmermeer ("scheeps-hel") veel voorkwamen omdat die lagerwal was bij de meest voorkomende windrichting.
Een andere verklaring die hier enigszins op aansluit wijst op een oud woord 'hol' dat 'graf' betekende.
Weer een andere theorie zoekt het bij een woord dat verwant is met 'hal' (en het Engelse "hall"), wat juist zou duiden op een toevluchtsoord voor schepen in nood, een veilige haven.
Ook kan 'hol' nog duiden op een speciaal aangelegde halfronde dijk in de Haarlemmermeer die er van boven uit zag als een hol.
Hierachter konden schepen schuilen tijdens noodweer.
Volgens een informatiepaneel nabij Bovenkerk van de Stichting 'Oud Aalsmeer' werd 't Schipholl voor het eerst in 1447 genoemd: "Vier maden lands liggende in de Aelsmerbanne in Schipholl".
Betekenis: Laaggelegen land waar takken werden gesneden (Scip = afgesneden tak).
't Schipholl bestond en bestaat uit de Kleine Poel, het Zwarte Pad, het oeverlanden reservaat en het poldertje van Sloothaak met stadskwekerij.
Het gebied behoort waterstaatkundig tot de Buitendijkse Buitenveldertse polder.
Na de noordelijke grenssloot, het voormalige fort en het militaire vliegveld siert nu de nationale luchthaven zich met de naam van dit gebiedje aan de noordoostelijke grens van Aalsmeer: Schiphol.
Die naam is dus in de loop der eeuwen enkele kilometers naar het westen verschoven.
Schiphol wil de komende jaren de capaciteit verder uitbreiden naar 65 miljoen passagiers en tussen de 600.000 en 650.000 vluchten per jaar.
Om de concurrentie aan te kunnen gaan met Frankfurt en Londen Heathrow zou een zevende baan, parallel aan de Kaagbaan, noodzakelijk zijn.
Om dit te realiseren zou er een nieuwe terminal komen aan de noordwestzijde van Schiphol Centrum.
Dit plan is echter in 2009 opzij geschoven.
Hiervoor in de plaats is er in 2010 begonnen aan de realisatie van een nieuw Masterplan 2020-2025.
Dit plan behelst uitbreiding van de pieren ten zuiden van de huidige B-pier, en de aanleg van een nieuwe vertrek/aankomsthal in dit gebied.
Schiphol zal zich blijven concentreren op de hub-functie voor KLM en de SkyTeam luchtvaartmaatschappijen, maar daarnaast ook (sterk) blijven groeien in het low-cost airline segment.
Op de langere termijn na 2020 zullen naar verwachting een aantal chartervluchten (point-to-point leisure vervoer) worden verplaatst naar de regionale luchthavens Lelystad en Eindhoven.
Het Frans Hals Museum is een gemeentelijk museum in Haarlem en staat bekend als museum van de Gouden Eeuw.
Het museum is opgericht in 1862 en was gehuisvest in het stadhuis dat voor het museum werd uitgebreid met een aantal museumzalen aan het Prinsenhof.
In 1913 verhuisde het museum naar het Oudemannenhuis, een 17e-eeuws hofje aan het Groot Heiligland.
De collectie is gebaseerd op de rijke verzameling van de stad zelf die al vanaf de 16e eeuw is opgebouwd.
Het museum bezit honderden schilderijen waaronder meer dan een dozijn schilderijen van Frans Hals, waaraan het museum zijn naam dankt.
De moderne collectie is te vinden in het museum de Hallen, een dependance van het Frans Hals Museum.
De schilderijen van Frans Hals, van zijn voorgangers, zijn leerlingen, zijn collega’s én zijn concurrenten bieden een prachtig overzicht van de Haarlemse schilderkunst van de Gouden Eeuw (zie ook: schilderkunst in Haarlem).
In de aanloop naar de Gouden Eeuw waren er enkele zeer getalenteerde schilders in Haarlem, Jan van Scorel en Maarten van Heemskerck en later Cornelis Cornelisz van Haarlem, Hendrick Goltzius en Karel van Mander, die de schilderkunst in Haarlem op hoog niveau brachten.
Zij werkten allen naar Italiaans voorbeeld.
Omstreeks 1600 sloegen enkele kunstschilders een nieuwe richting in.
Zij gingen over tot wat nu de typisch Hollandse schilderkunst genoemd wordt:
alledaagse onderwerpen op “huiskamerformaat” in een realistische stijl
landschappen
zeegezichten
stadsgezichten
visstillevens
bloemstillevens
alledaagse tafereeltjes en portretten
Deze nieuwe ontwikkeling had te maken met maatschappelijke veranderingen.
De economie groeide explosief en een geheel nieuwe klantenkring diende zich aan: de rijk geworden burgers.
Zij vroegen om kleine schilderijen met herkenbare voorstellingen.
De schilders specialiseerden zich in één of twee genres en bereikten daardoor een ongekend hoog niveau.
Van al die nieuwe genres zijn in het Frans Hals Museum schitterende voorbeelden te vinden: portretten van Frans Hals, landschappen van Jacob van Ruisdael, huishoudens van Jan Steen, “ontbijtjes” van Floris van Dijck – stuk voor stuk hoogtepunten van de Gouden Eeuw.
Als gemeentemuseum herbergt het Frans Hals Museum vanouds de kunstwerken van de stad.
Het begin van de collectie van de stad Haarlem werd gevormd in 1581, vlak na de Reformatie, toen Haarlem van de Staten van Holland alle goederen van de katholieke kloosters en andere katholieke instellingen in Haarlem kreeg.
In 1590 schilderde Cornelis Cornelisz van Haarlem in opdracht van het stadsbestuur vier grote schilderijen voor het Prinsenhof, een onderdeel van het stadhuis.
Drie van de vier hangen nu in het Frans Hals Museum.
Toen in 1625 de laatste broeder van het belangrijke Sint-Jansklooster overleed, kwam een deel van de kunstwerken van het klooster in handen van de stad, waaronder Jan van Scorels “Doop in de Jordaan”.
In 1797 werden de schutterijen opgeheven.
Negen grote schuttersstukken uit de verenigingsgebouwen werden in het stadhuis in veiligheid gebracht.
Vier van de negen waren geschilderd door Frans Hals, de overige door Pieter de Grebber en anderen.
In 1862 opende het zogenaamde Stedelijk Museum van Haarlem zijn deuren.
Het was gevestigd in het stadhuis. Er werden 123 schilderijen getoond.
De verzameling werd gestaag uitgebreid met schenkingen en een groot bruikleen van het Sint Elisabeth Gasthuis.
In die tijd kende het museum beroemde bezoekers: Monet, Liebermann, Whistler en anderen bezochten het museum om de werken van Frans Hals te bestuderen.
De collectie werd flink uitgebreid door de in 1875 opgerichte “Vereeniging tot uitbreiding der Verzameling van Kunst en Oudheden”.
Zodat de collectie te groot werd en een eigen gebouw verdiende.
In 1913 werd het Frans Hals Museum geopend in het voormalige Oudemannenhuis aan het Groot Heiligland, een gebouw dat voor die nieuwe functie stevig onder handen was genomen.
De stedelijke collectie verhuisde daarheen.
Sindsdien is de collectie uitgebreid door legaten, schenkingen en aankopen, de laatste mede dankzij de steun van de Vereniging van Vrienden van het Frans Hals Museum en andere instellingen.
Sinds 2000 is Karel Schampers de directeur van het Frans Hals Museum, voorgangers waren onder andere Dick Couvée en Derk Snoep.
Het huidige gebouw van het Frans Hals Museum stamt in oorsprong uit de 17e eeuw: de typisch Hollandse trapgevels aan de voorzijde herinneren aan die periode.
Het museum ligt rondom een binnentuin, die in 17e-eeuwse stijl is aangelegd.
Het museum was oorspronkelijk een Oudemannenhuis, een bejaardenhuis voor mannen.
Wie voor het gebouw staat, ziet meteen dat het oudemannenhuis geen armlastige instelling was.
De toegangspoort (nu de entree van het museum) is fraai versierd met pilasters, een cartouche met wapenschilden en bovenop een beeld van een oude man.
Het Oudemannenhuis werd destijds zo mooi gevonden dat men schreef: het ‘Oldemannenhuys schijnt veel eerder een Paleis van een Prince’.
Het Oudemannenhuis werd gebouwd in opdracht van het stadsbestuur.
Wie het ontworpen heeft, is niet zeker.
Voorheen is gedacht dat Lieven de Key het ontwerp maakte: hij was in die periode ‘stadsmeestermetselaar’ en ontwierp bijvoorbeeld de Vleeshal.
Tegenwoordig echter gaat men er van uit dat het ontwerp afkomstig was van Pieter van Campen (Amsterdam 1568-Haarlem 1615), de vader van Jacob die het Paleis op de Dam bouwde.
Het Oudemannenhuis werd gebouwd in 1607-1611 in opdracht van het stadsbestuur van Haarlem.
Om de bouw te financieren werden een rederijkersfeest en een grote loterij georganiseerd, met een totale opbrengst van maar liefst 55.000 gulden.
Op 1 februari 1609 betrokken de eerste oude mannen het gebouw.
Het waren toen kleine huisjes naast elkaar, gebouwd rondom een vierkante binnentuin.
In elk huisje woonden twee mannen.
Er konden maximaal 60 oude mannen wonen.
In 1810 kreeg het gebouw nieuwe bewoners: 127 wezen werden er ondergebracht.
De oude mannen verhuisden naar het Proveniershuis aan de Grote Houtstraat.
De zolders van de huisjes werden doorgebroken, zodat er ruimte ontstond voor slaapzalen.
In 1854 werd het weeshuis eigendom van de Hervormde Kerk.
Er werd ook nieuw personeel aangenomen, naast de binnenvader en de binnenmoeder.
Er kwamen – in de geest van de Verlichting - nu ook een naaimoeder, een schoolmeester en een kinderjuffrouw in dienst.
In 1858 werd het gebouw uitgebreid met twee klaslokalen.
Ook stadskinderen konden er terecht voor onderwijs.
Het gebouw werd begin 20e eeuw te klein en te duur in onderhoud.
De wezen verhuisden naar een nieuw weeshuis in de Olieslagerslaan.
De gemeente kocht het pand weer terug van de kerk om er de stedelijke kunstcollectie onder te brengen.
Delen van het regelmatig aangepaste gebouw worden gesloopt en in vroeg-17e-eeuwse stijl weer opgebouwd naar een ontwerp van stadsarchitect L.C Dumont.
De oorspronkelijke plattegrond, de toegangspoort en het hoofdgebouw met de oude eetzaal, de regentenkamers en de ziekenzaal van de oude mannen blijven gehandhaafd.
Op 14 mei 1913 werd het museum geopend.
Het werd genoemd naar Haarlems beroemdste kunstenaar: Frans Hals.
Tandpasta is een product waarmee de tanden gepoetst kunnen worden.
Dit wordt gedaan om de mondhygiëne te optimaliseren en te behouden.
In vroegere tijden poetsten de mensen ook al hun tanden, echter niet met tandpasta en een tandenborstel maar met een takje van een geneeskrachtige boom of plant.
Ook zout werd wel gebruikt om tanden mee te poetsen.
De voorloper van tandpasta was tandpoeder.
De antieke Egyptenaren gebruikten een mengsel van as, myrthe, gebroken eierschalen en gemalen puimsteen.
Later werden tal van soortgelijke -en soms vreemdsoortige- middelen gebruikt, onder andere ook gemalen botjes.
In 1824 ontwikkelde de Amerikaanse drogist John Peabody tandpoeder van zeep en glycerine dat met een stokje op de tanden werd aangebracht.
Het voordeel van tandpasta boven tandpoeder is, dat het gemakkelijk op de tandenborstel is aan te brengen.
Tandpasta werd voor het eerst geproduceerd in 1850, door de Amerikaan Washington Wentworth Sheffield.
Deze werd gemaakt van zeep en kalk en aanvankelijk verkocht in een glazen pot ('Dr. Sheffields Creme').
In 1892 werd door Sheffield het bedrijf Beecham's opgericht dat de productie en verkoop van tandpasta krachtig toe deed nemen.
Vanaf dat moment werd de tandpasta in tubes verkocht.
De verkoop van tandpasta startte in Nederland omstreeks 1936.
Het werd vervaardigd in de Erdal-fabrieken te Amersfoort.
Pas na de tweede wereldoorlog werd fluoride toegevoegd om tandbederf te voorkomen.
De volgende stoffen zitten in tandpasta:
schuur- en polijstmiddelen (ter verwijdering van de tandplaque), zoals Al(OH)3 Voor het schuurmiddel worden ook wel kleine plastic bolletjes gebruikt.
humectantia (om uitdroging van de pasta te voorkomen);
detergentia;
bindmiddel;
smaak- en zoetstoffen;
conserveringsmiddelen;
kleurstoffen;
water;
stoffen voor therapeutische- of esthetische doeleinden.
Voor tandpasta voor jonge kinderen en kinderen in de wisselfase worden vaak andere samenstellingen van grondstoffen gebruikt en worden minder agressieve grondstoffen gebruikt.
Dat is nodig omdat melkgebitten andere bescherming behoeven dan de blijvende tanden en kiezen en ook omdat sommige jonge kinderen een deel van de tandpasta tijdens het poetsen doorslikken.
Wellicht heeft dat dan weer te maken met het feit dat kindertandpasta meestal een lekker zoete vruchtensmaak en een vrolijke kleur heeft.
Sommige tandpasta's bevatten gekleurde strepen.
Om dit in de tube niet te laten vermengen moet de pasta of gel vrij visceus zijn en dienen de verschillende delen exact dezelfde dichtheid te hebben.
Het eerste zorgt ervoor dat de pasta's niet mengen bij schudden, het tweede sluit de invloed van de zwaartekracht uit.
In tegenstelling tot wat veel (reclame)afbeeldingen willen doen geloven is de hoeveelheid van een erwt voldoende om de tanden mee te poetsen.
Sony werd op 7 mei 1946 opgericht door Masaru Ibuka en Akio Morita onder de naam "Tokyo Tsushin Kogyo" (Tokyo Telecommunications Engineering).
In het begin had het bedrijfje slechts twintig werknemers.
Het allereerste product was een rijstkoker.
Toen Tokyo Tsushin Kogyo een Romaanser klinkende naam voor hun bedrijf zocht, om zichzelf beter in de markt te plaatsen, kozen de oprichters voor de naam Sony.
De initialen van de bedrijfsnaam (TTK) werden namelijk al gebruikt door het spoorwegbedrijf Tokyo Kyuko.
De naam Sony was een mix van het Latijnse woord sonus, de oorsprong van geluid, en sonny boy: een in Japan populaire Engelse uitdrukking voor een jong persoon met een vrije en pionierende geest.
Sony was een van de eerste Japanse bedrijven die hun naam in het Latijnse schrift schreven.
Mitsui Banking, de huisbankier van TTK, vond de naamsverandering vreemd.
Als de naam toch veranderd moest worden, moest het Sony Electronic Industries, Sony Teletech of iets dergelijks worden, vond de bank.
Maar Morita en Ibuka hielden voet bij stuk.
Zij meenden dat de bedrijfsnaam niet gebonden moest zijn aan een bepaalde industrie.
Uiteindelijk keurde ook de bank de nieuwe naam goed en Sony Corporation was geboren.
Sony Corporation is een Japans conglomeraat (een groot bedrijf dat uit verschillende divisies bestaat die niet met elkaar in verband staan).
Het wereldwijd aanwezige concern is primair actief als fabrikant van consumentenelektronica en is een grote mediaspeler als globaal mediaconglomeraat.
Hiernaast produceert Sony computerspellen en spelconsoles (Sony Computer Entertainment) en verzorgt het financiële dienstverlening aan Japanse consumenten.
Het hoofdkantoor staat in Tokio, Japan en het concern heeft divisiehoofdkantoren in Berlijn (Europa), New York en Culver City (beide Noord-Amerika).
Van een elektronicabedrijf met twintig werknemers is Sony uitgegroeid tot een wereldwijd vertegenwoordigd concern met meer dan 162.700 werknemers (2012).
Zelf opgericht in 1947, is Sony eigenaar van bedrijven met een langere geschiedenis dan het concern zelf, waaronder het oudste platenlabel ter wereld (Columbia Records, waarvan de geschiedenis teruggaat tot 1888) en Metro-Goldwyn-Mayer (opgericht in 1924).
Sony is de op een na grootste producent van consumentenelektronica ter wereld, achter het eveneens Japanse Matsushita Electric (voornamelijk bekend via de merknaam Panasonic) en vóór het Nederlandse Koninklijke Philips.
De kracht van Sony is het marketen van tamelijk dure, mooi ontworpen, hoog-technologische consumentenelektronica.
In de jaren negentig brak Sony bijvoorbeeld de markt van de spelconsoles open.
Tot dan toe was die verdeeld tussen Sega en Nintendo.
Sony is min of meer verantwoordelijk voor het feit dat Sega geen consoles meer verkoopt.
Sony is ook groot geworden door jarenlang de marktleider te zijn in Japan in veel van de markten binnen de consumentenelektronica.
Door hypes en rages te starten (waaronder met de Walkman), waar Japanners over het algemeen dol op zijn, bereiken zij binnen een bepaalde sector vaak in één klap een groot marktaandeel door de introductie van een nieuw model.
Sony wordt tegenwoordig ook aangeduid als een mediaconglomeraat, dat slaat op het grote aantal film, televisie en muziekbedrijven die het bedrijf bezit.
Hoewel het bedrijf begon als een elektronicafabrikant, is het sinds de jaren 80 zich ook gaan ontwikkelen naast de consumentenelektronica, in het begin voornamelijk door middel van grote overnames, waarbinnen de overnames van CBS Records, Columbia Pictures, Metro-Goldwyn-Mayer, Screen Gems en de MGM Studios (tegenwoordig Sony Pictures Studios) vallen.
Tegenwoordig is Sony door die ontwikkeling richting de media een van de grootste spelers op het gebied van muziek, televisieproductie en film geworden.
Het hoofdkantoor staat in Tokio, Japan en het concern heeft divisiehoofdkantoren in Berlijn (Europa), New York en Culver City (beide Noord-Amerika).
Sony Pictures Entertainment is een van de grootste filmstudio's ter wereld en uitermate dominant op de wereldwijde filmindustrie.
Columbia TriStar Motion Picture Group (Columbia Pictures, TriStar Pictures en Sony Pictures Classics), Metro-Goldwyn-Mayer (MGM), United Artists (door de overname van MGM) en Triumph Films maken onder andere deel uit van de Sony Pictures Entertainment Group.
In 1988 nam Sony Columbia Music/CBS Records over.
Columbia werd omgedoopt in Sony Music Entertainment Group en vormde in 2004 een joint venture met BMG Music van Bertelsmann.
De nieuwe combinatie heet Sony BMG Music Entertainment.
In dit bedrijf bezitten Sony en BMG ieder vijftig procent van de aandelen.
De combinatie Sony BMG, samen met het grootste muziekconcern ter wereld Universal Music Group, beheerst zestig procent van de wereldwijde muziekmarkt, waardoor veel kleinere muzieklabels tegen het samengaan van BMG met Sony Music waren.
Toch keurden zowel de Amerikaanse toezichthouder Securities and Exchange Commission, als de Europese Commissie de fusie goed.
artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron : - Wikipedia CC 3.0
De Penny Black is de allereerste postzegel ter wereld, deze werd uitgegeven, te weten op 6 mei 1840 in Groot-Brittannië.
Aanvankelijk werd de postzegel alleen in Londen verspreid en later door heel Groot-Brittannië.
De postzegel draagt de beeltenis van koningin Victoria.
Sir Rowland Hill bedacht het idee om de afzender van poststukken vooraf te laten betalen in plaats van het gebruik om de ontvanger hiervoor verantwoordelijk te houden.
Ook wilde Sir Rowland het systeem van tarieven vereenvoudigen.
Tot de uitgifte van de Penny Black werd het tarief vastgesteld naar aanleiding van de afstand die het poststuk moest overbruggen.
Het idee achter de Penny Black was om één standaardtarief van 1 penny in te voeren voor poststukken tot een bepaald gewicht, de zogenaamde penny postage.
Na ongeveer een jaar werd de Penny Black vervangen door de Penny Red.
Dit werd mede gedaan omdat de rode afstempeling moeilijk te zien was op de zwarte postzegel, terwijl de rode stempelinkt eenvoudig kon worden verwijderd zodat de postzegel opnieuw gebruikt kon worden.
Hoewel de Penny Black de eerste echte postzegel in de wereld was is het geen zeldzaamheid in de filatelie.
artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron : - Wikipedia CC 3.0
Chanel No. 5 is een parfum dat in opdracht van de Franse modeontwerpster Gabrielle 'Coco' Chanel gecreëerd werd door parfumeur Ernest Beaux.
Volgens het verhaal zou Gabrielle Chanel op zeker moment hebben besloten dat haar modehuis ook een eigen parfum moest hebben.
Ze had al de nodige naam gemaakt door de verkoop van simpele mantelpakken, soepele jurken en sportkleding.
Het nieuwe parfum moest de vrouw bevrijden van toen heel gewone eenbloemige geuren en daarom vroeg Gabrielle Chanel aan Ernest Beaux een parfum te creëren, dat als een vrouw ruikt.
"Een vrouw moet ruiken als een vrouw en niet als een roos [bloem]," zei ze.
Ernst Beaux ontwikkelde op basis hiervan twee reeksen van parfums – de ene was genummerd van 1 tot 5 en de andere van 20 tot 24.
Zonder aarzelen koos Chanel voor het vijfde parfum.
Ze bracht het op de markt in 1921, op de vijfde dag van de vijfde maand, omdat ze in het geluk van het getal 5 geloofde.
En inderdaad was het een groot succes.
Wereldwijd wordt er heden ten dage iedere dertig seconden een fles verkocht.
De wereldwijde verspreiding gebeurde door de industriëlen Pierre en Paul Wertheimer.
Samen richtten ze in 1924 de Société de parfums Chanel op.
Tegenwoordig is dit parfumhuis nog steeds in handen van de familie Wertheimer.
Chanel No. 5 is nog steeds één van de best verkochte parfums ter wereld.
Bekende fans waren en zijn o.a. Andy Warhol, Catherine Deneuve en Marilyn Monroe, die ooit beweerde dat ze in bed niets anders droeg dan Chanel No. 5 en daarmee de verkoopcijfers fors deed stijgen.
In 2003 maakte regisseur Baz Luhrmann een twee minuten durende reclamespot voor het parfum.
De Australische actrice Nicole Kidman werd het gezicht van de glamoureuze revival; Audrey Tautou is tegenwoordig het (nieuwe) gezicht van het parfum.
De reclamespot van Luhrmann met Nicole Kidman werd de duurste ooit gemaakt en was vanaf eind 2004 te zien op televisie en in bioscopen wereldwijd.
Chanel No. 5 is een mijlpaal in de parfumerie.
Hoewel het niet het eerste parfum is waarin aldehyden zijn gebruikt, is het wel het eerste grootschalig verkochte parfum dat grote hoeveelheden aldehyden bevat.
Chanel No. 5 is daarmee het eerste parfum van het type dat later bloemig aldehyde is gaan heten.
Andere voorbeelden hiervan zijn: Arpège (Lanvin, 1927), Madame Rochas (Rochas, 1960), Calandre (Paco Rabanne, 1968), Rive Gauche (YSL, 1970) en White Linnen (Lauder, 1978)
De geur bestaat onder andere uit:
Topnoten: aldehyden, oranjebloesem.
Hartnoten: jasmijn en roos uit Grasse, ylang ylang.
Basisnoten: sandelhout, vetiver, muskus en vanille.
De verpakking is een ware designklassieker geworden en bestaat uit een eenvoudige, vierkante flacon, identiek aan de plattegrond van de Place Vendôme in Parijs.
De sobere verpakking zorgt ervoor dat de aandacht op het parfum gevestigd blijft en wordt gezien, en beschreven, als tijdloos, authentiek, hedendaags en modern tegelijkertijd.
artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron : - Wikipedia CC 3.0
Spam is een verzamelnaam voor ongewenste berichten.
Spam is ook bekend als Unsolicited Commercial E-mail en Unsolicited Bulk E-mail.
Meestal wordt met de term ongewenste e-mail bedoeld, maar ook ongewenste reclameboodschappen op websites (onder andere fora) vallen onder spam.
Spam is moeilijk te definiëren.
Niet ieder initiatief van mensen of organisaties om contact te leggen is spam.
Spam onderscheidt zich van andere vormen van commerciële communicatie doordat een bericht wordt gestuurd aan een groep die zeer veel groter is dan de potentiële doelgroep.
Omdat deze afbakening te maken heeft met de proporties, zou je verwachten dat het moeilijk is om te bepalen of een bericht spam is of niet.
Vanwege de enorme schaal waarop spammers opereren is het in de meeste gevallen echter zeer duidelijk.
De eerste bekende spam werd verstuurd op 3 mei 1978.
Het was een bericht van het toenmalige Digital Equipment Corporation (DEC, overgenomen door Compaq en nu een onderdeel van Hewlett-Packard).
Marketingmedewerker Gary Thuerk stuurde een aankondiging van een 'open huis', naar aanleiding van de lancering van nieuwe modellen DEC-20-computers, naar iedereen op het toenmalige ARPANET aan de westkust van de Verenigde Staten.
Kenmerken van spamberichten:
berichten worden in grote hoeveelheden verstuurd, naar duizenden mensen tegelijkertijd.
het spammen heeft een commercieel doel. Meestal bevatten de berichten daarom een verwijzing naar een product of website.
de berichten worden verstuurd of geplaatst zonder toestemming of medeweten van de website, of de ontvanger.
De economische bestaansreden van spam is gelegen in de zeer lage kosten van het versturen van e-mail of het plaatsen van een ongewenste reactie op een website.
Een spammer kan rendabel miljoenen spamberichten versturen om slechts één product te verkopen.
Het kost ongeveer 150 euro om 20 miljoen spamberichten te laten verzenden, dat zijn meer dan 100 000 spamberichten per euro.
Er is wereldwijd een levendige handel in bestanden met vele miljoenen e-mailadressen.
De kosten worden evenwel verplaatst naar de ontvangers: tegenover een kleine groep geïnteresseerden staan zeer veel mensen die tijd kwijt zijn met het verwijderen van berichten uit hun mailbox.
Veel internetgebruikers ergeren zich aan spam.
Het verwijderen van die berichten kost veel tijd.
Wereldwijd veroorzaakt spam enorme schade, met name bij Internet Service Providers.
De ergernis is onder Amerikanen wel enigszins teruggelopen, zo constateert onderzoeksbureau Pew Research Center in 2007.
Maar 18 procent van de ondervraagden beschouwt spam als een groot probleem. In 2003 was dat nog 25 procent.
Technische maatregelen tegen spam bestaan uit het blokkeren van de servers van spammers en het filteren van inkomende e-mail.
Spammers wapenen zich hiertegen door zeer veel verschillende servers te gebruiken en door allerlei kenmerken van de e-mail te manipuleren.
Het afzenderadres is vaak vervalst, zodat reageren op spam geen zin heeft.
De ontvanger merkt dit vaak doordat hij op hetzelfde moment een aantal berichten ontvangt die vrijwel (meestal net niet helemaal) gelijkluidend zijn en die van verschillende afzenders afkomstig lijken te zijn.
Spam is een wereldwijd, grenzeloos probleem.
Dat heeft men door; binnen de grenzen van de Europese Unie wordt er al op meerdere vlakken samengewerkt door verschillende landen, waar het CNIL-protocol en de Telecommunicatiewet voorbeelden van zijn.
Zo deelt men informatie over de locatie van spammers om deze vervolgens op te kunnen pakken.
De samenwerking verloopt echter nog niet optimaal.
Door grote verschillen in het vervolgen van spammers en de prioriteitenstelling van landen in de opsporing van spammers ontstaat er een gat in de spamdefensie binnen Europa.
Samenwerking vanuit Europa met landen waarvandaan veel spam wordt verstuurd zoals de Verenigde Staten, Zuid-Korea, Rusland en China is er nauwelijks.
Het is dan ook moeilijk om spam aan te pakken omdat spam een grensloos bestaan heeft.
Oorspronkelijk was spam de merknaam van een bepaald soort ingeblikt vlees, dat nog steeds bestaat en dat in Nederland bekend staat onder de naam Smac.
De Britse komieken van Monty Python gebruikten het in een sketch om het toen actuele verbod op 'unsolicited advertising' (sluikreclame) op televisie aan de kaak te stellen.
In een lunchroom waar aan alle gerechten ongevraagd spam werd toegevoegd, en waarin een groepje Vikingen uit volle borst zingt: "Spam spam spam spam. Lovely spam! Wonderful spam!", werd normale conversatie door de spam-zangers vrijwel onmogelijk gemaakt, net als bij ongevraagde e-mail.
Ook bij de aftiteling werd te pas en te onpas het woordje "spam" vermeld.
Monty Python liet daarmee zien dat de wellicht wenselijke restricties aan reclame-uitingen op gespannen voet staan met het recht op vrije meningsuiting.
In de latere e-mail-spamdebatten deden e-mailmarketeers ook vaak een beroep op het recht op vrije meningsuiting.
Als tegenhanger van de bekende term spam wordt sinds kort in kleine kring de term ham gebruikt.
Dit is natuurlijk de goede kwaliteit vlees als tegenhanger van de slechte kwaliteit van spam.
Ham is alle e-mail die geen spam is.
Het is niet noodzakelijkerwijs e-mail die de ontvanger wil ontvangen of waar de ontvanger om gevraagd heeft.
Deze term wordt op dit moment in diverse spamfilterpakketten toegepast, veelal bij een techniek waarbij de ontvanger onderscheid kan maken tussen ham en spam om het filter zelflerend te maken.
SPAM is een geregistreerd handelsmerk van Hormel Foods Corporation, maar het woord spam is dermate gebruikelijk geworden dat het niet langer door het merkenrecht beschermd wordt.
artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron : - Wikipedia CC 3.0
De cycloop (Oudgrieks: κύκλωψ – "rondoog", van: κύκλος – "cirkel" en ὤψ – "oog") is een figuur uit de Griekse mythologie.
Cyclopen zijn woeste reuzen met maar een oog.
Ze woonden bij elkaar op de hellingen van de vulkaan Etna op Sicilië, ver weg van de beschaafde wereld.
Cyclopen zouden leven van de landbouw, veeteelt en hadden veel schapen. Volgens Homeros aten ze ook kinderen.
De eerste cyclopen, genaamd Steropes, Brontes en Arges, zijn volgens de mythologie de kinderen van Gaia en Ouranos.
Ze zijn de assistenten van de god van de smeedkunst Hephaistos.
Aan hen heeft Zeus zijn bliksem, Poseidon zijn drietand en Hades zijn onzichtbaarheidshelm (hadeskap) te danken.
In Griekenland, op de Peloponnesos, onder andere om Mycene — de stad van koning Agamemnon en Eurystheus, voor wie Herakles werken moest verrichten — stonden enorme muren.
Zij dienden als stadsmuren en bestonden uit geweldige blokken kleisteen.
Deze muren waren zo groot en imposant dat de Grieken geloofden dat ze niet door mensen waren gebouwd maar door de Cyclopen.
Daarom noemen we ze 'Cyclopische muren'
In de Odyssee van Homeros komt de heros Odysseus in een van zijn omzwervingen terecht op het eiland der cyclopen.
Hij wordt met 12 van zijn mannen gevangengenomen in de grot van de cycloop Polyphemos, een zoon van Poseidon.
Polyphemos houdt wel van iets anders dan een schapenboutje.
Elke avond en ochtend vreet Polyphemos twee van de mannen van Odysseus op; daarom bedenkt Odysseus een list.
Odysseus voert de reus dronken en op de vraag van de cycloop, hoe Odysseus heet, antwoordt hij 'Niemand'.
Als Polyphemos versuft van de wijn en het eten in slaap valt steken de mannen met een brandende, gepunte staak het oog van Polyphemos uit.
Woedend van de pijn wordt de cycloop wakker.
Hij roept om hulp naar de andere cyclopen.
Zij komen op het kabaal af en vragen hem wat er aan de hand is.
Polyphemos antwoordt: 'Niemand heeft mijn oog uitgestoken en Niemand is ontsnapt.
Ik ben op Niemand boos!' De cyclopen denken dat Polyphemos gek is geworden en gaan weer slapen.
De volgende ochtend kan Polyphemos de mannen op de tast niet vinden tussen de schapen.
Hij gaat bij de ingang van de grot staan wetende dat zijn schapen naar de weide gaan.
Om toch te kunnen ontsnappen bindt Odysseus zijn mannen onder schapen.
Hij als enige overgeblevene kan zichzelf niet vastbinden maar houdt zich vast aan de haren van de grootste ram. Als de schapen 's ochtends de grot verlaten praat Polyphemos tegen zijn lievelingsram, niet wetende dat Odysseus zich vasthoudt onder de buik.
Odysseus en zijn mannen weten zo te ontkomen en stelen bovendien de vette schapen van de reus.
Als Polyphemos later merkt dat de mannen zich niet meer in de grot bevinden ontsteekt hij in woede.
Wanneer de mannen wegroeien, roept Odysseus de reus na.
De woedende Polyphemos gooit een rotsblok naar het schip.
Dan nog houdt Odysseus zich niet stil en noemt zijn echte naam.
Een tweede rotsblok, dat achter het schip belandt, geeft het een grote snelheid, weg van het eiland.
De gekwetste Polyphemos bidt tot zijn vader Poseidon om hem te wreken.
Poseidon zou Odysseus gedurende de rest van zijn lange reis tegenwerken waar hij kon.
Een theorie is dat de Grieken olifantschedels hebben gevonden en aangezien voor de schedels van reuzen met één groot oog in het voorhoofd.
Deze theorie werd voor het eerst in 1914 door Othenio Abel genoemd.
Het is dan ook niet toevallig dat de legende van de Cyclopen in verband wordt gebracht met Sicilië.
Hier leefde tijdens de laatste ijstijd, het Pleistoceen, de Siciliaanse dwergolifant.
Olifantschedels hebben geen duidelijk herkenbare oogkassen.
Ze hebben echter wel een grote neusholte op de plaats van de slurf.
Adrienne Mayor onderbouwt het verder aldus in haar boek The First Fossil Hunters: Paleontology in Greek and Roman Times.
De Grieken vonden die antieke botten en bewaarden ze in hun tempels.
Ze probeerden het uiterlijk van de prehistorische wezens te reconstrueren, en zochten verklaringen voor hun uitsterven.
Voor het laatste, waren ze voornamelijk aangewezen op hun fantasie, en dat leidde tot de mythische verhalen over fabeldieren als de cycloop.
artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron : - Wikipedia CC 3.0
Het huwelijk van William van Wales en Catherine "Kate" Middleton vond plaats in Westminster Abbey op 29 april 2011.
William, tweede in lijn voor de troonopvolging, ontmoette Middleton in 2001, toen beiden aan de Universiteit van St Andrews studeerden.
Hun verloving ging in op 20 oktober 2010 en werd op 16 november 2010 bekendgemaakt.
De dienst werd geleid door de aartsbisschop van Canterbury, Rowan Williams, en de bisschop van Londen, Richard Chartres.
De muzikale omlijsting werd verzorgd door het Westminster Abbey Choir, het Chapel Royal Choir, het London Chamber Orchestra en een fanfare van de Central Band of the Royal Air Force.
Kroonprins Filip en prinses Mathilde vertegenwoordigden het Belgisch koningshuis.
Kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima vertegenwoordigden het Nederlandse koningshuis.
Er werd een publiek van circa 600.000 personen in Londen verwacht en het televisiepubliek werd op 2 miljard personen geschat.
Catherine kreeg een trouwring en een tiara die door koningin Elizabeth geschonken werden.
Catherine droeg een jurk van Sarah Burton, sinds 2010 creatief directeur van modehuis Alexander McQueen na het overlijden van deze laatste.
William droeg het rode uniform van de Irish Guards, een regiment van het British Army, als saluut aan deze grondtroepen die in actieve dienst in Afghanistan zijn.
Het blauwe ordelint dat hij droeg, is het Grootkruis in de Orde van de Kousenband.
Hierop was zijn 'wings' bevestigd.
Tevens droeg hij hierop de herdenkingsmedaille voor het Gouden Regeringsjubileum van zijn grootmoeder.
Toen het huwelijkspaar, de familie Middleton en de koninklijke familie op het balkon van Buckingham Palace verschenen om het publiek te groeten, voerde de Royal Air Force als saluut een flyby uit.
Drie historische propellertoestellen gingen vier jets vooraf.
Het publiek zag een Lancaster geflankeerd door een Spitfire en een Hurricane, gevolgd door twee Typhoons en twee Tornado's GR4.
Enkele uren voor de viering werd William van Wales door de koningin verheven tot hertog van Cambridge met de eretitels van Baron Carrickfergus en Earl of Strathearn.
Na de plechtigheid werd Catherine hertogin van Cambridge (Her Royal Highness The Duchess of Cambridge) en kreeg ze de eretitels Countess of Strathearn en Baroness Carrickfergus.
Na de bruiloft verbleef het echtpaar op het eiland Anglesey in Wales, waar William actief is als piloot bij een Search and Rescue-eenheid van de Royal Air Force.
Westminster Abbey
Westminster Abbey is pas sinds 1918 het toneel voor koninklijke huwelijken.
Onder meer het huwelijk van Elizabeth II en prins Philip in 1947, van prinses Margaret en Antony Armstrong-Jones in 1960, van prinses Anne en Mark Phillips in 1973 en van prins Andrew en Sarah Ferguson in 1986 vonden hier plaats.
Het huwelijk van prins Charles van Wales en lady Diana Frances Spencer in 1981 vond plaats in St Paul's Cathedral.
En toen Charles hertrouwde met Camilla Parker Bowles, gebeurde dit in Windsor Guildhall en de kleinere St. George's Chapel in Windsor Castle.
In de aanloop naar morgen, de koets had oranje wielen.
artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron : - Wikipedia CC 3.0
De muiterij op de Bounty is een legendarische opstand aan boord van het schip de HMAV Bounty die plaatsvond in 1789.
Op 23 december 1787 voer de Bounty uit vanuit de haven van Spithead.
Zijn missie was om broodvruchtplanten op te halen op Tahiti en deze te vervoeren naar de Caraïben.
Het idee was dat deze broodvruchten een goedkoop soort voedsel zouden vormen voor de slaven die daar gehouden werden.
Tot aan Tahiti verliep de reis zonder noemenswaardige problemen, afgezien van een mislukte poging om langs Kaap Hoorn te varen.
Op 26 oktober 1788 bereikte het schip Tahiti.
De bevolking van Tahiti had reeds kennisgemaakt met de diplomatieke kapitein James Cook en stond uiterst welwillend tegen de bemanning van het Engelse schip.
Bijna een half jaar later, op 4 april 1789, werd de terugreis aanvaard.
Op 28 april brak de muiterij uit.
Wat precies de aanleiding is geweest voor de muiterij is niet helemaal duidelijk.
Algemeen wordt aangenomen dat deze te wijten is aan het zeer strenge, onrechtvaardige en wrede optreden van kapitein Bligh.
Dit wordt echter tegengesproken door het scheepslogboek.
Hierin valt onder andere te lezen dat straffen zoals geselingen op de Bounty minder dan gemiddeld voor die tijd werden toegepast.
Ook is het gebeurd dat Bligh zijn eigen kooi beschikbaar stelde voor matrozen die een natte hangmat hadden.
Een andere reden kan zijn dat het leven op Tahiti de bemanningsleden zo beviel, dat ze niet naar huis wilden terugkeren.
De zeer losse seksuele moraal die plaatselijk heerste, kan hier een grote rol in gespeeld hebben.
Deze theorie wordt ondersteund doordat drie mannen probeerden aan de terugreis te ontkomen.
Voordat de Bounty aan de terugreis begon, hadden drie mannen (Churchill, Muspratt en Millward) geprobeerd te deserteren.
Ongetwijfeld gaven ze de voorkeur aan het leven op Tahiti.
Ze werden echter, met hulp van de loyale Tahitiërs, gevonden en bestraft : Churchill kreeg twee dozijn geselingen en de twee andere vier dozijn.
Dat waren zware straffen.
Bligh had de kat met negen staarten wel een paar keer eerder gehanteerd, maar met één uitzondering was dat steeds minder dan twee dozijn geweest.
Desertie kon met de dood worden bestraft, maar pas na vonnis van de krijgsraad.
Bligh had dus niet de bevoegdheid de doodstraf op te leggen, en bovendien had hij zijn mannen nodig aan boord.
Desertie kwam in de praktijk vaak voor en de pakkans was groot, en daarom werd de doodstraf in de praktijk niet zo vaak opgelegd.
Uiteindelijk kreeg van dit drietal alleen Millward de strop, maar dat was vooral vanwege de muiterij, niet voor de desertie.
De andere twee waren ook schuldig aan de muiterij, maar Muspratt werd vrijgesproken wegens een vormfout en Churchill werd na de muiterij op Tahiti vermoord.
Op 28 april 1789 kwam Fletcher Christian, de aanvoerder van de muiterij, samen met een aantal van zijn volgelingen de hut van de kapitein binnen.
Kapitein Bligh werd in zijn nachtkledij het dek opgejaagd en na een woordenwisseling gedwongen in een sloep te stappen.
Achttien bemanningsleden zijn met hem mee gegaan in de roeiboot.
Het is opmerkelijk dat er bij de muiterij geen noemenswaardig geweld werd gebruikt en dat er geen druppel bloed vloeide.
Dit was wellicht te danken aan de gentleman Christian.
Alleen de kapitein zou geworsteld hebben.
Op het schip bleven nu 25 mensen over waarvan er naast Fletcher Christian waarschijnlijk 18 echt meededen in de muiterij.
Fletcher Christian was vanaf nu de nieuwe gezagvoerder van het schip.
In 1808 werd Pitcairn opnieuw ontdekt.
Dit gebeurde toen het Amerikaanse schip Topaz toevallig langs het eiland voer.
In Europa waren toen echter de napoleontische oorlogen aan de gang en Engeland ondernam geen actie.
Zes jaar later, in 1814, stuitten de schepen Briton en Tagus op Pitcairn.
Beide kapiteins hadden geen weet van de eerdere ontdekking door de Topaz.
Zij beslisten om de laatste overlevende muiter, John Adams, niet te arresteren.
Hem weghalen zou betekenen dat de overige bewoners aan hun lot overgelaten zouden worden.
In 1825 kreeg hij officieel gratie.
De Airbus 380 of A380 is het grootste passagiersvliegtuig ter wereld.
Het is een product van het Europese concern Airbus.
Het widebody-vliegtuig beschikt over twee verdiepingen en biedt plaats aan maximaal 853 passagiers.
Bij een gemiddelde configuratie passen er 555 personen in.
De eerste testvlucht werd gemaakt op 27 april 2005.
Tweeënhalf jaar later, op 25 oktober 2007, maakte de A380 haar eerste commerciële vlucht.
In dienst van Singapore Airlines vloog de A380 van Singapore naar Sydney.
Dit was eveneens de eerste route waarop een lijndienst door het toestel werd onderhouden.
Er zijn reeds een 100-tal van dit type vliegtuigen gebouwd (maart 2013).
Op 8 juni 2010 landde voor het eerst een A380 op Brussels Airport.
Een maand later, op 15 juli, was Luchthaven Schiphol aan de beurt.
Bij deze proef werd de technische afhandeling van het toestel getest.
Nadat de test werd voltooid, vertrok het toestel weer op dezelfde dag.
De Airbus A380 is het grootste luchtwaardige passagiersvliegtuig ter wereld; alleen de Antonov An-225, een vrachtvliegtuig, is groter.
Het toestel maakte zijn eerste trans-Atlantische vlucht met passagiers op 19 maart 2007 tussen Frankfurt am Main en New York.
500 passagiers vlogen mee.
De eerste vijf A380 toestellen werden aan Singapore Airlines geleverd.
Nadat in Toulouse het eerste afgeleverde toestel op 15 oktober 2007 officieel aan Singapore Airlines overgedragen was, werd op 25 oktober de eerste commerciële vlucht uitgevoerd.
Deze vlucht ging van Singapore naar Sydney.
Tickets voor deze vlucht (en de retourvlucht later in de week) waren op eBay te koop.
Emirates was de tweede maatschappij die met de A380 commerciële vluchten maakt.
Het eerste toestel werd geleverd op 28 juli 2008.
Vanaf 1 augustus startten commerciële vluchten tussen Dubai en New York JFK.
Sinds 1 augustus 2012 vliegt Emirates met de A380 dagelijks tussen Dubai en Amsterdam (Schiphol).
Qantas was de derde maatschappij die de A380 in dienst nam.
Het eerste vliegtuig werd op 19 september 2008 geleverd en startte op 20 oktober met commerciële vluchten tussen Melbourne en Los Angeles en op 24 oktober tussen Sydney en Los Angeles.
Eind 2009 ontving de vierde luchtvaartmaatschappij zijn A380: Air France.
Air France is hiermee de eerste Europese maatschappij die de A380 in dienst nam.
De tweede Europese maatschappij die de A380 ontving was op 19 mei 2010 Lufthansa.
In het ontwerp van Airbus is men er steeds van uitgegaan dat er nog een verlengde versie van het toestel zou kunnen worden uitgebracht.
De verlengde versie, mogelijk Airbus 380-900 of Airbus 380-1000 genoemd, zou 100 passagiers meer kunnen vervoeren, even comfortabel als de A380-800 er 555 vervoert.
De ontwikkeling van dit toestel zou volgens de plannen beginnen zodra de productie van de A380-800 op schema zit, oftewel wanneer 40 toestellen per jaar uit de fabriek in Toulouse rollen.
Volgens de plannen zou dat in 2010 moeten zijn, waarna in 2015 de eerste 900-variant wordt geproduceerd.
In 2007 maakten onder andere Emirates, Air France-KLM, Singapore Airlines en Lufthansa hun interesse kenbaar.
De productie van de A380-800 is echter vertraagd; in 2010 werden er slechts 18 stuks geleverd.
De ontwikkeling van de A380-900 lijkt daardoor voorlopig van de baan.
Om uit de kosten te komen moet Airbus 420 toestellen verkopen.
Tot nu zijn er 261 besteld en is er optie op nog 42 toestellen, ruim onvoldoende dus.
De honderdste A380 werd in 2013 aan Malaysia Airlines geleverd.
Prins Al-Waleed bin Talal al-Saoed uit Saoedi-Arabië had ook een A380 als privéjet besteld, maar deze bestelling is niet doorgegaan.
Christiaan Karel Appel (Amsterdam, 25 april 1921 – Zürich, 3 mei 2006) was een Nederlandse kunstschilder en beeldhouwer in de moderne kunst uit de tweede helft van de twintigste eeuw, die tot de expressionisten kan worden gerekend.woensdag 24 april 2013 20:20
Zijn grote invloed duurt voort tot op heden.
Hij is vooral bekend geworden als lid van de kunstzinnige groepering Cobra.
Appel werd geboren in de Dapperstraat te Amsterdam, midden in een echte volksbuurt.
Als kind werd hij Kik genoemd.
Zijn vader was de zoon van een melkboer en had een kapperszaak, die het trefpunt van de wijk was.
Appel schilderde, ook volgens eigen zeggen, nooit de abstractie, al benadert zijn werk dat wel sterk.
Er zijn altijd herkenbare figuren te ontdekken, of dit nu mensen, dieren of zonnen zijn.
Tijdens de Cobraperiode (vanaf 1948) schilderde Appel simpele vormen met stevige contourlijnen, opgevuld door felle kleuren.
Zijn werk hoort bij de Moderne kunst en de schilderstijl abstract expressionisme van de Europese kunststromingen.
Onderwerpen waren vriendelijke onschuldige kindwezens en fantasiedieren.
Hij liet zich daarbij beïnvloeden door de manier waarop geestelijk gehandicapten tekenen en schilderen, iets wat in die tijd revolutionair genoemd mocht worden.
Het werk van Appel gaf aanleiding tot opmerkingen zoals "dat kan ik ook".
De stijl van kindertekeningen vult Appel aan met de stijl van maskers uit Afrika.
Appels' gedrevenheid komt naar voren in zijn uitspraak:
“Een leven zonder inspiratie is voor mij het allerlaagste, het meest platvloerse wat er is.”
Enkele ander uitspraken van Appel:
Ik rotzooi maar een beetje an. Ik leg het er tegenwoordig flink dik op, ik smijt de verf er met kwasten en plamuurmessen en blote handen tegenaan, ik gooi d'r soms hele potten tegelijk op. (Tegen het blad Vrij Nederland naar aanleiding van de film door Jan Vrijman).
Ik schilder als een barbaar in deze barbaarse tijd.
Ik heb in de loop van de jaren geleerd hoe ik olieverf op doek moet brengen. Ik kan nu met verf alles doen wat ik wil. Maar het is nog steeds een strijd, nog steeds een gevecht. Op het ogenblik zit ik nog in de chaos. Maar het is nu eenmaal mijn aard om de chaos positief te maken. Dat is tegenwoordig de geest van onze tijd. We leven altijd in een verschrikkelijke chaos, en wie kan de chaos nog positief maken? Alleen de kunstenaar. (Monaco, 1986).
Tais-toi et sois belle. (Houd je mond en wees mooi) (tegen Sonja Barend).
"Ik gebruik ook meer verf!!" nadat Appel een groot deel van de revenuen van een Cobra- groepsexpositie in zijn zak steekt.
In het buitenland is veel meer werk te vinden van Karel Appel dan in Nederland.
Op 19 mei 1999 werd te Amsterdam de Karel Appel Stichting / Karel Appel Foundation opgericht.
Op 1 augustus 2000 heeft Appel bij onderhandse akte conform het bepaalde in art. 2 Auteurswet 1912, de auteursrechten op al het door hem gemaakt en eventueel nog te maken werk, ongeacht waar dit zich zou bevinden, overgedragen aan deze rechtspersoon.
Deze stichting heeft als doelstelling onder meer het zorg dragen voor het behoud van zijn werken, het promoten van publieke bekendheid met en kennis van zijn werk en het handhaven van het intellectueel eigendomsrecht met betrekking tot zijn werk.
Tevens houdt ze zich bezig met de authentificatie van werken die aan Appel worden toegeschreven.
Op 13 maart 2005 heeft Appel in een te Luzern opgemaakt document “Last Will And Testament” nogmaals deze overdracht van rechten bevestigd.
artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron : - Wikipedia CC 3.0
Joseph Mallord William Turner (Covent Garden (Londen), °23 april 1775 (volgens hemzelf, er is geen geboorteakte) - †Chelsea (Londen), 19 december 1851) was een Engelse romantische kunstschilder, die veel landschappen en vooral marines schilderde.
De vader van Turner, ook William, was een pruikenmaker die later kapper werd.
Zijn moeder, Mary Marschall, was huisvrouw.
Zij werd mentaal gezien in de loop der jaren steeds instabieler, wellicht deels veroorzaakt door het jonge overlijden van het zusje van Turner in 1786.
Turners moeder stierf in 1804, inmiddels opgenomen in een gesticht voor geestelijk gestoorde mensen.
Wellicht door deze problemen werd Turner in 1785 naar zijn oom van moederszijde gestuurd, in Brentford, een destijds kleine stad ten westen van Londen aan de oever van de Theems.
Daar toonde hij voor het eerst belangstelling voor schilderen.
Een jaar later ging hij naar school in Margate in Kent, ten oosten van Londen, in het gebied van het estuarium van de Theems.
Tegen die tijd had hij al vele schilderijen gemaakt, die zijn vader in de etalage van zijn zaak exposeerde.
Turner ging op slechts 15-jarige leeftijd naar de Royal Academy of Arts; de president van de academie zat de commissie voor die hem toeliet.
Een aquarel van Turner werd geaccepteerd voor de zomertentoonstelling van de academie in 1790, slechts na één jaar studie.
Turner exposeerde zijn eerste schilderij met olieverf in 1796.
Turner werd als schilder van het Britse landschap enorm populair bij het publiek.
Turner wordt over het algemeen gezien als de "schilder van het licht".
Hoewel hij vooral bekend is om zijn olieverfschilderijen van zeer grote afmetingen, ziet men hem ook als een van de grondleggers van de Engelse aquarellandschapschilderkunst.
Turner reisde veel in Europa.
Hij begon in Frankrijk en Zwitserland in 1802, en bezocht in hetzelfde jaar nog het Louvre in Parijs.
Hij kwam daarbij zowel onder de indruk van het landschap in de Alpen, maar hij zag ook het werk van Nicolas Poussin en Claude Lorrain.
Zelfs in 1812 schilderde hij nog een werk Hannibal trekt over de Alpen.
Later bezocht Turner diverse malen Venetië, waarbij hij onder de indruk kwam van het werk van Titiaan en Veronese.
In 1807 verscheen het eerste van een serie boeken van Turner, Liber studiorum, geïllustreerd met eigen werk, waarin hij zijn visie op het landschap literair weergaf.
De latere werken van Turner vertonen steeds meer een aquarelachtig vervloeiing van de vormen.
Zijn werken, waarin voorwerpen geheel versmelten met het licht, werden door het publiek echter minder goed begrepen dan zijn eerdere landschapsschilderijen.
Door deze werken wordt Turner vaak onterecht gezien als een 'voorloper' van de Franse schilderstroming, het impressionisme.
Echter, wanneer we Turner daadwerkelijk vergelijken met het Impressionisme zien we dat de overeenkomsten minimaal zijn.
Daarnaast is er geen sluitend bewijs dat de Impressionisten het werk van Turner kenden toen zij hun schilderstijl ontwikkelden.
Het Impressionisme ontwikkelde zich in de jaren zestig van de 19e eeuw, en deze schilders leerden Turner waarschijnlijk pas kennen in 1871, toen Monet en Pissarro in Londen verbleven.
Een van de beroemdste schilderijen is de The Fighting "Temeraire" tugged to her Last Berth to be Broken Up, geschilderd in 1839.
Dit doek hangt in de National Gallery in Londen.
Het laat de laatste reis zien van dit oorlogsschip met 98 kanonnen dat onder Nelson in de Zeeslag bij Trafalgar in 1805 een grote rol had gespeeld.
Het schip wordt op het schilderij gesleept door een stoomschip, waarmee Turner de teloorgang lijkt uit te drukken van de Britse zeemacht aan de moderne techniek.
Niettemin schilderde Turner vaak en graag moderne schepen en treinen.
De symboliek van het schip dat wegvaart van de zonsondergang versterkt de uitdrukking van verlies.
De kleuren van de zon zijn met grove streken geschilderd, maar het tuig van het schip is juist uitermate nauwkeurig in beeld gebracht.
Na het lezen van het in 1840 in het Engels vertaalde boek over kleurenleer van Goethe bracht Turner de levensprocessen in verbinding met kleuren.
Deze theorie over de versmelting van kleur leidde tot bijna abstracte werken van grote afmetingen, zoals het werk Regen, stoom en snelheid (91x122 cm), waarin vanuit vage verten met regenslierten en storm een kleine stoomlocomotief met een sliert wagens op de kijker af rijdt.
Turner trouwde nooit, hoewel hij een maîtresse had, Sarah Danby, bij wie hij twee dochters verwekte.
Op latere leeftijd werd Turner excentriek.
Hij had weinig vrienden, behalve dan zijn vader, die 30 jaar lang bij hem woonde, en hem tenslotte als assistent bijstond in zijn atelier.
Turners vader overleed in 1829, waarop Turner regelmatig depressieve aanvallen had.
Turner overleed in 1851 in zijn huis in Cheyne Walk, Chelsea, bij Londen.
Op zijn verzoek werd hij begraven in St Paul's Cathedral, waar hij naast Sir Joshua Reynolds ligt.
Turner liet een groot fortuin na, dat hij bestemd had om "decaying artists" te ondersteunen.
Zijn collectie schilderijen verviel aan de Britse overheid, en hij wilde dat er een speciale galerie zou worden gebouwd om deze op te hangen.
Dit kwam er echter niet van, vanwege een ruzie tussen zijn erfgenamen over de rechtsgeldigheid van zijn testament.
Twintig jaar na zijn dood werden de schilderijen overgedragen aan het British Museum.
Deze collectie, die bestaat uit 300 olieverfschilderijen en rond 30,000 schetsen en aquarellen, waaronder 300 schetsboeken, bevindt zich momenteel in de Tate Gallery in Londen.
Trivia.
De gefortuneerde Belgische kunstverzamelaar baron Guy Ullens de Schooten (1935) zette zijn 14 Turners in de vitrine door ze medio 2007 te laten veilen bij Sotheby's in Londen. Ullens heeft het geld nodig voor andere plannen zoals de bouw van zijn "Ullens Center for Contemporary Arts" (UCCA) in Peking dat begin november 2007 zijn deuren opende. De Turnercollectie van Ullens omvat de gehele carrière van Turner van vroegnaturalistische tot laatimpressionistische vergezichten. De veiling bracht $ 21 miljoen op.
Will Turner is ook een fictief personage in pirates of the caribbean.
artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron : - Wikipedia CC 3.0
Een stropdas (soms das of plastron genoemd) (eigenlijk das) is een langgerekt stuk stof dat om de hals kan worden geknoopt, meestal van zijde.
Dassen worden traditioneel door mannen boven een overhemd (eigenlijk "hemd") gedragen.
De kraag van het overhemd bedekt normaal gesproken het deel van de das dat om de hals is geknoopt.
Het niet dragen of het dragen van een bepaalde das kunnen beide uitdrukking zijn van een functie, maatschappelijke positie of levensovertuiging.
De benaming das is volgens de conventie correct; het woord "stropdas" wordt traditioneel niet gebruikt.
Deze term is ontstaan, nadat het strikken van een das verbasterd is tot het stroppen van een das.
Ter vergelijking: in het Engels (neck)tie (idem). (officieel knoop je een das)
De dragers van de voorouders van de moderne das waren de senatoren in het oude Rome.
Zij droegen zogenaamde Fascalia om hun stembanden warm te houden.
Een politiek betoog voeren zonder stemversterkende instrumenten in de grote Senaatszaal was erg belastend voor de stembanden.
Omdat de senaatsleden deze Fascalia droegen werd het gezien als een symbool van status en macht.
Aangezien de Romeinse generaals niet achter konden blijven in hun machtsvertoon hebben ze de Fascalia als onderdeel van hun uniform opgenomen.
Enkele van deze generaals dienden in het deel van het Romeinse rijk dat we tegenwoordig als Kroatië kennen.
Daar heeft de Fascalia een dusdanige indruk achtergelaten dat Kroatische huurlingen ook dergelijke shawls zijn gaan dragen.
Net als de Romeinse soldaten, werd dit door Kroatische huurlingen gebruikt om bloed en zweet mee af te vegen maar ook om de neus te snuiten.
De vaak gehoorde misvatting dat de shawl diende om de knopen te verbergen is onjuist.
Los van het feit dat de senatoren geen knopen op hun toga’s hadden om te verbergen en soldaten het voor andere doeleinden gebruikten, waren deze shawls vaak niet stijf, lang of breed genoeg om de knopen af te dekken van de aristocratie in het 17e-eeuwse Parijs.
Op een gegeven moment werd het in Kroatië gebruikelijk dat een vrouw die afscheid moest nemen van haar geliefde, hem haar sjaal meegaf toen hij vertrok voor oorlog.
De huurling strikte deze sjaal om zijn nek en vele anderen volgden.
In enkele landen zouden de woorden Krawatte (Duitsland), Cravate (Frankrijk) en meer gelijkklinkende woorden aan de Kroatische huursoldaten die rond 1630 in dienst waren van het leger van koning Lodewijk XIII van Frankrijk (Dertigjarige Oorlog) herinneren, maar het woord cravate werd al voor die tijd gebezigd in Frankrijk voor de aanduiding van een halsdoek.
Deze Kroaten baarden opzien in Parijs met hun rond de nek geknoopte zakdoeken of halsdoeken.
De Kroaat werd vervolgens een begrip in de modewereld.
Charles II introduceerde de cravate vervolgens in Engeland en zijn koloniën.
De cravate was voornamelijk nog een soepele rechte reep stof, die op een aantal manieren geknoopt werd.
Eén van die manieren was de "Steenkerk", die rond 1692 in opkomst was.
Deze werd vernoemd naar de Slag bij Steenkerke, waar hij voor het eerst gebruikt werd, en hield een knoop in waarbij één uiteinde door het knoopsgat van het vest werd gestoken.
In de 18e eeuw werd de cravate, wederom op initiatief van soldaten, een aantal keren strak om de nek gebonden en achter in de nek vastgezet met een speld.
Dit was voor de soldaten meer praktisch.
Het staat bekend als de stock of zelfbinder.
Al gauw werd dit ook overgenomen door de aristocratie.
Die voegde er een jabot (slabbetje) van kant aan toe en een strik die vanuit de nek om een staart in het haar werd geknoopt, een zogenaamde solitaire.
De cravate werd aan het einde van de 18e eeuw een in het oog springend modestuk.
In 1760 kwam in Engeland de "Macaroni's" op, een modeverschijnsel waarbij de cravate als een enorme strik werd vastgemaakt.
In Frankrijk volgde men dit verschijnsel en kwamen de "Incroyables" op.
Zij namen cravates van een enorme lengte.
Hierop volgde in Engeland weer een tegenreaktie, de "Dandy's", met als voornaamste pleitbezorger Beau Brummell.
Zij schepten er genoegen in om juist zo onopvallend mogelijk maar perfect een subtiele cravate te knopen.
Een stroming die tot op de dag van vandaag de dasmode beheerst.
Rond 1850, het Victoriaanse tijdperk, wordt de mode ingetogener.
De jasjes worden hoger dichtgeknoopt en de cravate heeft geen ruimte meer om uitbundig te worden getoond.
Ook de gewone man heeft geen tijd meer om er uren over te doen om een cravate te knopen.
Er blijven enkele knopen over. De vlinderdas, de Ascot en de Four-in-hand (onze huidige das, wat wij later als een knoopmethode zijn gaan zien).
Doordat ook het boordje van de blouse eind 19e eeuw werd omgeslagen werd de Four-in-hand het meest populaire manier van nekmode.
Deze Four-in-hand was toen nog een rechte stugge reep stof die meer gevouwen dan geknoopt werd.
Het werd voornamelijk op zijn plaats gehouden door de dasspeld. In 1926 werd de das zoals deze in de huidige vorm bekend is, geboren.
In New York knipte Jesse Langsdorf de das uit drie delen en schuin uit het stof (schuin op de weefstructuur).
Hierdoor kreeg de das meer elasticiteit.
Het Russische woord voor das is galstoech (галстук < Duits Halstuch, waarvan ook het Engelse (neck) tie is afgeleid).
Dassen worden van verschillende materialen gemaakt.
Meestal is een das gemaakt van zijde, polyester of katoen, maar ook wol of leer wordt gebruikt om dassen te maken.
Vooral zijde is erg geschikt om dassen van te maken.
Dassen gemaakt van zijde zijn over het algemeen van hogere kwaliteit, en duurder, dan dassen gemaakt van bijvoorbeeld polyester.
Van welk materiaal een das ook is, bij normaal gebruik ondervindt een das erg weinig slijtage en kan dus, mits goed onderhouden, jarenlang meegaan.
Voorkom vervorming door de knoop er voorzichtig uit te halen, en trek niet het dunne eind van de das 'door de knoop heen'.
Dassen kunnen op veel verschillende manieren worden geknoopt.
Wetenschappers Thomas Fink en Yong Mao van de Universiteit van Cambridge publiceerden in 1999 een wiskundige studie over het knopen van dassen.
Hieruit bleek dat een gemiddelde das op 85 verschillende manieren te knopen is.
De lengte van de das en de dikte van de knoop beperken het aantal mogelijke manieren om de das te knopen.
Vier van de meest bekende knopen zijn:
de minimale four-in-hand of 'platte knoop',
de iets uitgebreidere prattknoop, ook wel shelbyknoop genoemd,
de enkele windsor,
de dubbele windsor.
Alle knopen behalve de dubbele windsor leveren een iets asymmetrische knoop op.
Trivia.
In Europa lopen de schuine strepen op dassen meestal van de linkerschouder naar de rechterheup; in de Verenigde Staten andersom.
Wijlen ZKH Prins Claus heeft de das op 9 december 1998 tijdens een toespraak ter gelegenheid van de uitreiking van de Prins Claus Prijs vergeleken met een slang die om de hals gedraaid is, waarna hij zijn eigen das losmaakte en op de grond gooide. Deze toespraak is bekend onder de naam Declaration of the Tie.
De striptekenaar Marten Toonder droeg zijn das op een zeer speciale manier (Onassis-knoop), zonder kronkel, zoals hij dat zelf noemde.
Het Engelse "white tie", letterlijke vertaling "witte das" staat echter voor rokkostuum.
Omdat wurging mogelijk is door hard aan beide uiteinden van de das te trekken, is bij veel openbare functies - politie, treinpersoneel, personeel in de burgerluchtvaart - de das met behulp van een drukknoopje bevestigd. Dit soort das wordt wel een clipdas genoemd.
artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron : - Wikipedia CC 3.0
Een haardroger (ook föhn genoemd) is een elektrisch huishoudelijk apparaat waarmee vochtig haar droog gemaakt kan worden.
De haardroger bestaat uit gloeidraden en een ventilator.
De lucht komt eerst langs de ventilator en daarna pas langs de gloeidraden en wordt er zo aan de voorzijde uitgeblazen.
Op deze manier stroomt er koude lucht langs de ventilator zodat de ventilator niet te warm wordt.
Wanneer de ventilator stuk gaat, zal de haardroger oververhit raken.
Om het gevaar van oververhitting te voorkomen is vaak een beveiligingssensor ingebouwd, die het apparaat laat afslaan wanneer de temperatuur een bepaalde waarde overschrijdt.
De haardroger wordt dan pas weer bruikbaar nadat hij volledig is afgekoeld.
Op de haardroger zit vaak een 2- of 3-keuzenschakelaar; hoe lager de ventilatorsnelheid hoe warmer de luchtstroom.
Bij hoge snelheid blijft de temperatuur relatief laag.
artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron : - Wikipedia CC 3.0
Pasteuriseren is een proces in de voedselindustrie dat schadelijke bacteriën in aan bederf onderhevige voedselproducten vernietigt door het voedsel kort te verhitten, zonder het product te beschadigen.
Het proces is vernoemd naar de uitvinder, Louis Pasteur. Pasteur en Claude Bernard voerden de eerste pasteurisatie uit op 20 april 1862.
Bij pasteuriseren worden, in tegenstelling tot bij steriliseren, niet alle micro-organismen vernietigd.
Pasteuriseren heeft tot doel het aantal micro-organismen te verminderen tot een 'veilig' niveau, dit is het niveau waarbij het niet waarschijnlijk is dat ze ziekten kunnen veroorzaken (bij gekoeld bewaren en verbruik voor de vervaldatum).
Steriliseren is een met pasteuriseren vergelijkbaar proces met een veel hogere temperatuur waardoor de smaak sterk verandert omdat de eiwitten in het gesteriliseerde product door de hoge temperatuur chemische wijzigingen ondergaan.
Door deze smaakverandering is sterilisering een weinig gebruikt systeem bij voedingsmiddelen.
Pasteuriseren wordt voornamelijk met melk geassocieerd, deze techniek werd voor het eerst op melk toegepast door Franz von Soxleth in 1886.
Er zijn twee wijdverbreide methodes om melk te pasteuriseren: hoge temperatuur/korte tijd (HTST), en ultra hoge temperatuur (UHT).
Bij HTST wordt melk tot een temperatuur van 72 °C gebracht voor een periode van minstens 15 seconden, bij UHT daarentegen wordt de melk tot een temperatuur van 138 °C gebracht voor een periode van minstens 2 seconden.
De HTST-methode bereikt een vermindering van het aantal micro-organismen tot log vijf (0.00001 keer het oorspronkelijke aantal).
Dit wordt als voldoende beschouwd voor alle gisten, schimmels en bedervende bacteriën.
Ook zorgt dit voor een voldoende beperking van het aantal gangbare ziekteverwekkende hittebestendige organismen (onder meer de Mycobacterium tuberculosis, dat tuberculose veroorzaakt en de Coxiella burnetii, die Q-koorts veroorzaakt).
Het pasteuriseringsproces moet ervoor zorgen dat de melk evenredig verwarmd wordt en dat geen deel van de melk een kortere tijd of lagere temperatuur ondergaat tijdens het proces.
HTST-behandelde melk heeft een normale, gekoelde bewaartijd van twee tot drie weken, UHT-behandelde melk daarentegen kan over een langere periode bewaard worden (twee tot drie maanden).
Als men UHT-pasteurisering toepast in combinatie met een steriele behandeling en verpakkingsmethode, kan de melk gedurende langere periodes op kamertemperatuur gehouden worden.
Naast HTST en UHT bestaan ook andere minder bekende pasteuriseringsmethoden.
Enerzijds, 'reeks-pasteurisering' (batch pasteurization), impliceert het verwarmen van grote hoeveelheden melk tot een lagere temperatuur (68 °C) voor een langere periode (ongeveer 30 minuten).
Anderzijds, 'hoge hitte/korte tijd'-pasteurisering (HHST).
Deze methode ligt ergens tussen HTST en UHT qua tijd en temperatuur.
Pasteuriseren creëert zowel tijdelijke als permanente veranderingen van proteïnes in de melk.
De meeste wetgevingen laten geen dubbel pasteuriseren toe.
Een warmtebehandeling aan lagere temperaturen voor een kortere periode wordt soms uitgevoerd.
Deze melk is dan 'rauwe' melk, of verwarrend, ook wel niet-gepasteuriseerde melk.
Deze melk mag niet 'gepasteuriseerd' genoemd worden, hoewel ook hier de meeste ziekteverwekkers gedood zijn.
'Rauwe' melk is recentelijk populairder geworden door de geclaimde heilzame werking.
Voorstanders van 'rauwe' melk maken er terecht aanspraak op dat deze melk sommige bestanddelen bevat die bij het pasteuriseringsproces verloren gaan.
Zo bevat deze melk onder meer de immuclobines en enzymen lipase en fosfatase.
'Rauwe' melk bevat ook zo'n 20% meer vitamine B6.
Sommige medici wijzen er echter op dat bepaalde mensen beter geen 'rauwe' melk kunnen drinken.
Hierbij wordt meestal verwezen naar zwangere vrouwen, vrouwen die borstvoeding geven, zij die een immunosuppresieve behandeling ondergaan voor onder meer kanker, een orgaantransplantatie of auto-immuunziekten, en zij die een immuunziekte hebben zoals aids.
In Afrika wordt melk gekookt zodra ze gemolken is.
Het koken verandert de smaak van de melk echter aanzienlijk.
artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron : - Wikipedia CC 3.0
De aardbeving van San Francisco in 1906 vond plaats op 18 april 1906.
San Francisco ligt op de San Andreasbreuk, oorzaak van regelmatige (kleine en grote) aardbevingen.
Op 18 april 1906 richtte een zware aardbeving grote schade aan in San Francisco.
De meest geaccepteerde schatting van de magnitude van deze beving is 7,8 op de schaal van Richter.
Andere schattingen variëren tussen 7,7 en 8,3.
Er waren 3000 doden.
De meeste schade werd echter aangericht door de grote brand die na de beving ontstond.
Het gebouw van de California Academy of Sciences werd ook getroffen.
Een groot gedeelte van de collectie ging verloren.
In 1989 werd de stad opnieuw door een grote aardbeving getroffen (circa 60 slachtoffers).
De kans dat een dergelijke ramp de stad opnieuw treft blijft groot.
Het kan nog vele jaren duren, maar een verwoestende aardbeving kan iedere dag toeslaan.
Veel gebouwen zijn 'bevingsbestand' gemaakt, maar desondanks kan een aardbeving nog steeds grote gevolgen hebben.
Het beeldmateriaal van de aardbeving van San Francisco uit 1906 (ook vaak bekend als The San Francisco Earthquake en San Francisco Earthquake and Fire) is een verzameling Amerikaanse filmopnames gemaakt door James Stuart Blackton in 1906.
De filmopnames zijn uniek omdat ze zover bekend het enige filmmateriaal zijn die de gebeurtenissen van de aardbeving van San Francisco in 1906 laat zien.
De film is opgenomen in de National Film Registry voor preservatie.
artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron : - Wikipedia CC 3.0