De koningspinguïn (Aptenodytes patagonicus) is een pinguïnsoort die eilanden rond Antarctica bewoont en in grote kolonies broedt.
De koningspinguïn is op de keizerspinguïn na de grootste pinguïnsoort.
Deze twee pinguïnsoorten zijn nauw met elkaar verwant.
De koningspinguïn eet voornamelijk vis, krill en inktvis.
Koningspinguïns worden onderverdeeld in twee ondersoorten:
A. p. patagonicus, die broedt op Zuid-Georgia en de Zuidelijke Sandwicheilanden en de Falklandeilanden in de zuidelijke Atlantische Oceaan.
A. p. halli, die broedt op de Kerguelen, Crozeteilanden, Prins Edwardeilanden, Heard en Macquarie-eilanden in de zuidelijke Indische Oceaan en ten zuiden van Australië en Nieuw-Zeeland.
De koningspinguïn is ongeveer 90 centimeter groot en is wat dunner en kleiner dan de keizerspinguïn.
Verder heeft de koningspinguïn een grijsblauwe rug, een witte buik en een oranje wangvlek.
Het ei maakt circa 30 % van het lichaamsgewicht van het vrouwtje uit.
Ze geeft het aan het mannetje dat broedt en gaat naar zee.
Het mannetje verliest ongeveer 50 % van zijn lichaamsgewicht tijdens het wachten op het vrouwtje.
Als het ei na circa 50 dagen uitkomt zorgen de ouders om de beurt voor voedsel.
De jongen brengen lange perioden in hun eentje door.
De ouders komen maar met grote tussenpozen voedsel brengen.
Het ei broeden ze tussen hun poten en een stukje warme huid.
De koningspinguïn komt vrijwel op elk sub-Antarctisch eiland voor zoals Vuurland, Falklandeilanden, Macquarie-eiland, Prins Edwardeilanden en Kerguelen.
De eilanden daar hebben een iets warmer klimaat dan op Antarctica.
De keizerspinguïn daarentegen leeft langs de kust van Antarctica.
In de 18de eeuw toen men de Grote Oceaan ging verkennen ontdekten ze op de eilanden rond Antarctica de koningspinguïn.
In de 19de eeuw hebben robbenjagers duizenden pinguïns het leven gekost, waardoor ze op sommige eilanden bijna niet meer voorkwamen.
Maar tegenwoordig wordt er niet meer op de koningspinguïn gejaagd en is het aantal koningspinguïns op de eilanden weer aangegroeid.
In totaal zijn er (2008) een paar miljoen koningspinguïns.
Pinguïns zijn traditioneel erg populair in dierentuinen.
In de dierentuin van Edinburgh, Antwerpen en Rotterdam hebben ze koningspinguïns.
Nils Olav, de mascotte van het Noorse Koninklijke Garde is een koningspinguïn.
artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron : - Wikipedia CC 3.0
De bruinkopslingeraap (Ateles fusciceps) is een slingraap van de klade apen van de Nieuwe Wereld.
De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Gray (John Edward Gray, was een Brits zoöloog.) in 1866.
De bruinkopslingeraap komt voor in de oerwouden in het noorden van Zuid-Amerika en in Midden-Amerika.
Engels : Black-headed spider monkey Duits : Braunkopfklammeraffe Frans : L'atèle à tête brune
De bruinkopslingeraap doet zijn naam eer aan door van tak naar tak en van boom tot boom te springen om zo grote afstanden te overbruggen.
Het is ook een echte boombewoner, die zelden of nooit op de grond komt.
De bruinkopslingeraap wordt 40 tot 54cm groot (zonder staart).
De staartlengte varieert van 71 tot 85,5cm.
De mannetjes hebben een gemiddeld gewicht van 8,9kg, de vrouwtjes zijn iets lichter.
Zijn menu bestaat voornamelijk uit vruchten, maar daarnaast eet hij ook bladeren, boombast, jonge twijgjes en honing.
Zo nu en dan eet hij ook dierlijk voedsel, zoals vogeleieren en insecten.
Het is een dagactief groepsdier dat in grote groepen samenleeft.
Naar men aanneemt, zijn de dieren in dergelijke groepen familie van elkaar.
Ze leven in de vochtige tropische en subtropische regenwouden op hoogtes tussen de 100 en 1700meter, maar worden ook hoger waargenomen naarmate hun leefgebied inkrimpt.
Bruinkopslingeraap
auteur : foto op www.animalesextincion.es
De voortplanting is bij bruinkopslingerapen niet seizoensgebonden.
Bruinkopslingeraapvrouwtjes krijgen doorgaans eens per 2 of 3 jaar één jong dat geboren wordt na een draagtijd van 7.5 maanden.
Het jong wordt ongeveer 4 maanden door de moeder op de buik gedragen.
Het jong klemt zich hierbij stevig vast in de vacht van de moeder en slaat zijn staart stevig om de staartbasis van de moeder heen.
Als het jong groter en zwaarder wordt, draagt de moeder het op de rug.
Op de IUCN lijst staan ze gemarkeerd als met uitsterven bedreigd.
Door het selectief fokken van de bruine rat is de albino laboratoriumrat ontstaan.
Zoals muizen, worden deze ratten regelmatig gebruikt voor medische, psychologische en andere biologische experimenten.
De reden hiervoor is dat ze snel geslachtsrijp zijn, ze gemakkelijk te huisvesten zijn en omdat er gemakkelijk in gevangenschap mee gefokt kan worden.
De laboratoriumrat dook voor het eerst op in de jaren 90 van de 19e eeuw.
Wetenschappers hebben voor experimentele redenen veel verschillende foklijnen van ratten gefokt.
Voor kankeronderzoek, bijvoorbeeld, zijn veel laboratoriumratten met een extra aanleg voor kanker gefokt.
In het algemeen zijn deze foklijnen niet transgeen, omdat de eenvoudige technieken van genetische transformatie, die voor muizen gelden, niet werken voor ratten.
Dit heeft als nadeel dat onderzoekers, die vele aspecten van het gedrag en de fysiologie van ratten meer op die van mensen vinden lijken en het dier beter te observeren vinden dan muizen, hun observaties niet kunnen herleiden naar onderliggende genen.
Veel experimenten worden dan ook, ongewild, door deze beperkende factor op muizen uitgevoerd.
In oktober 2003 hebben onderzoekers succesvol twee laboratoriumratten gekloond door middel van de problematische techniek van kerntransplantatie.
Misschien leidt dit tot het gebruik van ratten als genetisch onderzoeksmiddel.
laboratoriumrat
De tamme rat wordt ook gehouden als huisdier.
Ze worden beschouwd als tam, aanhankelijk en leergierig.
Ook zijn ze relatief schoon, maar ze vergen toewijding en onderhoud.
Ze worden maar twee tot drie jaar oud en zijn bevattelijk voor luchtwegproblematiek en kanker.
Dat laatste heeft zijn oorzaak in het feit dat de tamme rat van de laboratoriumrat afstamt.
Door middel van speciale fokprogramma's, in bijvoorbeeld een rattery, probeert men deze genetische kenmerken eruit te fokken.
Er zijn vele stammen laboratoriumratten.
Er zijn ook stammen die speciaal zijn gefokt om juist tumorongevoelig te zijn.
Het is ten stelligste af te raden, slechts één rat te houden.
Een rat is een sociaal dier en zonder contact met soortgenoten gaat hij gedragsstoornissen vertonen, zoals een obsessieve knaagdrang, barberen (het dwangmatig verwijderen van haren uit de vacht op een specifieke plek), agressie en depressie.
Een rat die in zijn of haar eentje gehouden wordt is niet aanhankelijker dan een rat in een groep.
Men merkt zelfs dat ratten vaak hun groep, en dan in het bijzonder de groepsleider, zullen navolgen in zijn of haar affectie voor de mens.
Het is van belang om niet-gecastreerde mannetjes en vrouwtjes niet bij elkaar te zetten.
Inteelt en erfelijke aandoeningen zijn een niet te onderschatten probleem onder tamme ratten en er wordt dan ook aangeraden om het fokken over te laten aan gekwalificeerde ratteries, zoals bijvoorbeeld in Engeland, waar men bijzonder stabiele lijnen heeft.
Er worden onnatuurlijk veel ratten in gevangenschap geboren, in tegenstelling tot in de natuurlijke omgeving waar de geboorte van jonge ratten sterk wordt gereguleerd door seizoensfactoren en sociale factoren.
Het is voor een vrouwtjesrat bijzonder ongezond om constant drachtig te zijn en om op te jonge leeftijd drachtig te worden (dit kan leiden tot aandoeningen in de bekkenzone, ondergewicht, en zelfs tot levensbedreigende gezondheidstoestanden).
Een ritten (jonge rat) kan al met 5 weken vruchtbaar zijn.
Daarom dienen ratten ouder dan 4,5 week niet bij ratten van het andere geslacht in hetzelfde verblijf te zijn.
Vooral in gevangenschap zijn er ratten van meerdere typen en tekeningen te onderscheiden.
Ratten met dumbo-oren hebben voor veel mensen een lieflijker uiterlijk, en volgens sommige ook een liever karakter waardoor ze populairder zijn dan ratten met normale oren, een verschil in karakter is echter niet aangetoond.
Men heeft ook de rex, fuzzy en naaktratten variaties.
Het houden van de laatste variatie staat ter discussie vanwege gezondheidsredenen (lichaamswarmte regulatie, etc) bij dit type.
Ratten hebben voldoende eiwitten nodig.
Vroeger dacht men dat dit per se van dierlijke oorsprong moest zijn, maar tegenwoordig is bijna al het rattenvoer vrij van vlees.
In de meeste dierenwinkels is speciaal rattenvoer te krijgen met voldoende eiwitten.
Gewoon knaagdierenvoer is meestal niet geschikt vanwege het hoge gehalte aan vitamine A.
Tevens dient men er op toe te zien, dat het voer niet te oud is (maximaal drie maanden), omdat daarna het vitamine-gehalte tot bedenkelijke niveaus terugloopt.
Ratten mogen verder niet in een te kleine kooi gehouden worden.
Indien de kooi te klein is zal ruzie ontstaan tussen de ratten.
Daarnaast dient de groep regelmatig te kunnen genieten van een vrije loop, en dagelijkse aandacht.
Het is een alleseter, die voornamelijk leeft van eiwit- en zetmeelrijk voedsel.
Hij leeft onder andere van graan, zaden, slakken, larven, kikkers, jonge zoogdieren, vogeleieren en aas, maar zal ook aan botten knagen en aan andere ongewone producten zoals zeep en kaarsen.
Kannibalisme komt ook voor, voornamelijk ten gevolge van een eiwittekort.
De bruine rat legt soms voedselvoorraden aan.
Dit gebeurt voornamelijk door ondergeschikte ratten en zogende vrouwtjes.
Bruine rat
auteur : foto op www.biopix.dk
De bruine rat is een intelligent en sociaal dier dat een groot aanpassingsvermogen heeft.
Een voorbeeld hiervan is dat het dier zogenaamde tradities kent.
Dit houdt in dat bepaalde populaties sterk afwijkend gedrag en afwijkende eetgewoontes en zelfs jachttechnieken kunnen vertonen in vergelijking met andere populaties, die van generatie naar generatie overbrengen.
Dit schijnt opmerkelijk te zijn voor kleine zoogdieren en is meestal geografisch bepaald.
Ratten leven in kleine sociale groepen, bestaande uit een dominant mannetje, een harem vrouwtjes en enkele ondergeschikte mannetjes.
Deze groepen kunnen zich vaak samenvoegen tot grotere kolonies.
Dieren uit dezelfde groep leven vreedzaam naast elkaar, vreemdelingen worden door mannetjes verjaagd, soms zelfs gedood.
Grote kolonies zijn toleranter tegenover vreemdelingen dan kleine.
De hiërarchie binnen een groep bepaalt wie mag paren en eten.
De dieren communiceren met elkaar via piepende, fluitende en gillende geluiden, maar ook met ultrageluid.
Vrouwtjes met jongen laten zelden andere ratten in hun nest, alhoewel sommige kolonieleden worden getolereerd.
Bruine ratten planten zich het gehele jaar door voort, mits er voldoende voedsel is en er geen extreme temperaturen zijn.
De voortplanting zal toenemen en er zullen meer jongen geboren worden wanneer de populatiedichtheid daalt (bijvoorbeeld door menselijk ingrijpen).
De draagtijd is 20 tot 23 dagen.
Een vrouwtje kan één tot vijftien jongen per worp krijgen, maar meestal krijgt het vrouwtje zeven tot negen jongen.
Grotere vrouwtjes krijgen grotere worpen.
Een vrouwtje krijgt tot vijf worpen per jaar.
Per jaar krijgen vrouwtjes op deze manier gemiddeld 24 jongen.
De jongen worden blind en naakt geboren.
Na zeven tot tien dagen hebben de dieren de ogen geopend en zijn ze volledig behaard.
De groei wordt beïnvloed door de worpgrootte : dieren in kleinere worpen groeien sneller.
Alleen het vrouwtje zorgt voor de jongen.
Jongen die zich te ver van het nest wagen, worden teruggebracht, indringers worden weggejaagd en bij verstoring zal ze de jongen verplaatsen naar een ander nest.
Na ca. 21 dagen, als de dieren ongeveer 40 gram zwaar en 110 millimeter lang zijn, worden de dieren gespeend.
Vrouwtjes zijn geslachtsrijp na vier tot vijf weken, als ze ongeveer 136,5 tot 152 gram wegen.
De bruine rat kan in het wild wel drie jaar of ouder worden.
De levensverwachting wordt beïnvloed door de genen (ouderdom is mogelijk overerfelijk), voedselkwaliteit en geslacht : vrouwtjes leven gemiddeld langer dan mannetjes.
De belangrijkste natuurlijke vijanden zijn marterachtigen en uilen, en in stedelijk gebied de huiskat.
Een agressieve rat is in staat wezels en andere kleine roofdieren weg te jagen.
De bruine rat was en is de oorzaak van veel overlast voor de mens.
Dit heeft de mens echter ook voor een groot deel aan zichzelf te wijten.
De bruine rat kan zich namelijk zo goed in de buurt van de mens handhaven, omdat die zijn afvalprobleem vaak niet netjes oplost(e).
In een stad waar het riool was gemoderniseerd verdween het rattenprobleem grotendeels.
Het is echter nog steeds zo dat de rat, vooral in de derde wereld, een groot probleem is voor de landbouw.
De bruine rat staat bekend als een ziekteoverbrenger.
In de westerse wereld heeft de mens er niet veel last van, maar in de derde wereld, is hij nog steeds één van de belangrijkste overbrengers van ziekten.
Ziekten die de bruine rat kan overbrengen zijn onder andere de ziekte van Weil, hantavirus, tularemie, pest, en rattenbeetkoorts.
De pest komt gelukkig amper meer voor en ook al was de zwarte rat de grootste pestverspreider, de bruine rat is net zo goed in staat om deze ziekte over te brengen.
Hier geldt ook dat toen de mens er een betere hygiëne op na ging houden, de ratten vanzelf ook minder van belang werden als ziekteverspreiders.
Er worden ieder jaar nog enige gevallen van de ziekte van Weil geconstateerd in Nederland, (10-30) ca. 75% als import. Het hantavirus is al jaren niet meer gezien en dan uitsluitend als import.
Ook tularemie is na de oorlog in Nederland slechts één keer gesignaleerd.
De kans om een van deze ziekten in Nederland op te lopen is minimaal.
Om de rattenplagen in te dammen, is rattengif ingezet.
In eerste instantie werden antistollingsmiddelen gebruikt.
Dit had in het begin succes, totdat de dieren resistent werden tegen deze middelen.
Daarna werd een tweede generatie antistollingsmiddelen ingezet.
De bruine rat verschilt van de eveneens in Europa voorkomende zwarte rat (Rattus rattus) door de kortere, behaardere oren, de kleinere ogen en de kortere, dikkere staart.
Ook is de staart bij de bruine rat aan de onderzijde lichter gekleurd dan aan de bovenzijde, terwijl de staart van de zwarte rat uniform gekleurd is.
De zwarte rat heeft over het algemeen een zwarte vacht en de bruine rat een grijsbruine, maar er bestaan ook bruine ratten met een zwarte vacht en zwarte ratten met een bruine vacht.
In sommige populaties is 1 of 2% van alle bruine ratten melanistisch. (Melanisme is het tegenovergestelde van albinisme en betekent dat een enkel individu van een (meestal dier)soort een overwegend zwarte kleur heeft, terwijl andere individuen een andere, meestal lichtere kleur hebben.)
Inmiddels komt de zwarte rat in Nederland in het wild bijna niet meer voor.
Sporadisch wordt hij nog aangetroffen in een pakhuis in havens, als hij meekomt met bijvoorbeeld een vracht graan.
Als in de Nederlandse natuur een rat wordt waargenomen, zal het dus bijna altijd om een bruine rat gaan.
In België worden ze zeer zelden (een tiental in 2012) en sterk verspreid waargenomen.
Toen de bruine rat zich in Europa had gevestigd werd het een hevige concurrent van de zwarte rat, door zijn betere aanpassingsvermogen aan het koude klimaat.
Als een bruine en een zwarte rat samen in een kooi worden gestopt, doodt de bruine rat de zwarte en eet hem vaak op.
Omdat de vlooien van de zwarte rat de belangrijkste overbrengers waren van de pest, werd met de aankomst van de bruine rat tevens de pest grotendeels een halt toegeroepen.
De bewering dat de bruine rat de pestrat was, is dus onjuist.
Daarentegen heeft het dier er juist voor gezorgd dat de zwarte rat, als cultuurvolger, uit Europa werd verdrongen en daarmee ook de pest.
De bruine rat vestigt zich het liefst in een vochtige en een niet te warme omgeving.
De bruine rat voelt zich dus al snel ergens thuis, vooral in de buurt van de mens.
Zijn favoriete habitats zijn kelders, kruipruimten, schuren, stallen, vuilnisbelten, graan- en houtopslagplaatsen, aan de rand van sloten en dijken, onder de grond in uitgebreide holen en op sommige plekken in de buurt van riolen en ander vervuild water.
Bruine ratten leven echter ook in gebieden waar geen mensen voorkomen, zoals op onbewoonde eilanden.
In sommige delen van Rusland zijn bruine ratten zo'n zeventig kilometer van menselijke nederzettingen aangetroffen.
In tropische gebieden houden ze zich echter meestal in de buurt van nederzettingen op, tenzij er weinig concurrentie met andere knaagdieren is.
Een bruine rat die 's zomers in de natuur bij slootkanten leeft, trekt 's winters vaak naar de warmte van huizen.
Het territorium wordt meestal niet ver van de voedselbronnen gevestigd.
Hij graaft een hol met een diameter van 65 tot 90 millimeter, vaak in een oever of onder een boomwortel, maar ook in de vlakke grond.
Ook maakt hij nesten onder vloeren, in hooimijten, tussen muren en in andere holle ruimtes rond menselijke nederzettingen.
Bij de ingang van het hol laat de rat meestal hopen aarde achter, die in de loop van de tijd vanzelf wordt platgestampt.
In open gebieden graven de dieren ondergrondse gangenstelsels, die zelden dieper gaan dan vijftig centimeter.
Holen zijn bovengronds aan elkaar verbonden met paadjes.
Bruine rat
foto op www.sintantoniusabt.nl
Zijn actieradius is veel groter en kan soms enkele vierkante kilometers bedragen.
Op een nacht kunnen ze tot vier kilometer afleggen, waarbij ze zich meestal langs heggen en struiken bewegen.
De grootte van dit gebied is omgekeerd evenredig aan het voedselaanbod en zal daarom in een stad veel kleiner zijn dan op het platteland.
De bruine rat is voornamelijk 's nachts actief, in twee piekuren, het eerste enkele uren na zonsondergang en de ander enkele uren voor zonsopgang.
Ze kunnen echter ook overdag waargenomen worden, bijvoorbeeld als er 's nachts veel predators actief zijn.
Ook zullen ondergeschikte ratten, die door dominante ratten worden belemmerd 's nachts voedsel te zoeken, overdag vaker actief zijn, voornamelijk als er een hoge populatiedichtheid is.
De bruine rat is een behendig zwemmer (hij kan tot wel 72 uur in het water blijven) en is in staat om 77 centimeter hoog en 120 centimeter ver te springen.
De bruine rat (Rattus norvegicus) is een zoogdier, behorende tot de orde van de knaagdieren.
De soort is voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Berkenhout in 1759.
De bruine rat komt over bijna de gehele wereld voor, maar ontbreekt in enkele onbewoonde tropische en subtropische gebieden.
Engels : Brown rat, common rat, street rat, sewer rat, Hanover rat, Norway rat, brown Norway rat, Norwegian rat, wharf rat Duits : Wanderratte Frans : Le rat brun, surmulot, rat surmulot, rat d'égout, rat de Norvège, rat gris
De soort is ook wel bekend onder de namen Noorse rat, rioolrat, waterrat, stadsrat, of kortweg rat met variëteiten laboratoriumrat en tamme rat.
Met de naam "waterrat" wordt vaker de woelrat bedoeld.
De bruine rat is één van de succesvolste zoogdieren ter wereld en komt tegenwoordig over bijna de gehele wereld voor tot in de binnenlanden van Afrika.
Zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied was waarschijnlijk een deel van Noord-China.
Zijn nauwste verwanten zijn de Aziatische soorten Rattus pyctoris en Rattus nitidus.
De wetenschappelijke naam norvegicus, die in het Nederlands Noors betekent, heeft niets te maken met de oorsprong van de bruine rat.
Sommige wetenschappers zeggen dat de naamgeving te maken heeft met de bewering dat in Noorwegen voor het eerst begonnen was met wetenschappelijk onderzoek naar dit knaagdier.
Die Noorse onderzoekers moeten hun onderzoek dus op ratten buiten Noorwegen verricht hebben, want de soort werd pas in 1790 voor het eerst in Noorwegen waargenomen terwijl de toevoeging norvegicus al in 1769 werd gegeven.
De kop-romplengte bedraagt 214 tot 290 mm, de staartlengte is 150 tot 230 mm en het lichaamsgewicht 150 tot 520 gram.
De zwaarst bekende bruine rat woog 794 gram.
Mannetjes worden groter dan wijfjes.
De bijna kale staart is altijd korter dan het lichaam.
De staart heeft 160 tot 190 ringen.
Het dier heeft kleine licht behaarde oren en, in het wild, over het algemeen een ruige grijsbruine vacht.
De vacht is aan de buikzijde lichtgrijs van kleur.
In het wild komen verscheidene variaties voor, van zwart tot bruin.
Soms zijn de voorpoten zeer licht van kleur, en heeft de borst een witte vlek.
De rat heeft een vrij korte snuit en is, vooral voor een knaagdier, stevig gebouwd.
Het is één van de grotere soorten van het geslacht Rattus.
De bruine rat is een cultuurvolger, wat kortweg inhoudt dat het dier de menselijke beschaving volgt en, voor een deel, ook afhankelijk is van de mens.
Van oorsprong komt de bruine rat voor in steppegebieden van Oost-Azië.
Aan het eind van de Middeleeuwen heeft de bruine rat zich in kleine aantallen verspreid richting Europa.
In de 18e eeuw werd de bruine rat voor het eerst gesignaleerd in West-Europa.
Via handelsroutes en door middel van de scheepvaart heeft het dier zich daarna over alle continenten verspreid, behalve naar Antarctica.
Noord-Amerika werd rond 1775 bereikt.
De bruine rat komt over bijna de gehele wereld voor, maar ontbreekt in enkele onbewoonde tropische en subtropische gebieden, voornamelijk omdat de concurrentie met andere knaagdieren te groot is, en in al te koude streken (Antarctica, ver boven de noordpoolcirkel, hoog in de bergen) en op enkele kleine eilandjes, ver van de kust.
Sinds de jaren vijftig heeft de provincie Alberta in Canada een ratvrije status door volhardend optreden van rattenvangers en alertheid bij de bevolking (veel graanboeren met eigenbelang in bestrijding).
Ook is het houden van een rat als huisdier verboden.
De ernaast gelegen provincie Saskatchewan heeft de laatste jaren aangekondigd vergelijkbare acties te willen ondernemen.
De bruine maki of zwartkopmaki (Eulemur fulvus) is een echte maki uit de familie der maki's (Lemuridae).
De wetenschappelijke naam van deze soort is voor het eerst beschreven door É. Geoffroy in 1796.
Deze halfapen zijn endemische dieren op het eiland Madagaskar.
De bruine maki leeft in vochtige bergbossen en regenwouden in het oosten en in de drogere bossen in Noordwest-Madagaskar.
Engels : Common brown lemur, Brown lemur Duits : Braune Maki Frans : Le Lémur fauve, Lémur brun, Maki brun
Een volwassen bruine maki een kop-romplengte van 43 tot 50 cm, een staartlengte van 41 tot 51 cm en een lichaamsgewicht van 2 tot 3 kg.
De vacht is kortharig en overwegend bruin tot grijsbruin van kleur.
Het gezicht en de snuit en de vacht op de kop zijn donkergrijs of zwart, met bleekwitte vlekken bij de wenkbrauwen.
De ogen zijn oranje tot rood.
Er is weinig of geen verschil in uiterlijk tussen mannetjes en vrouwtjes.
Er zijn vier populaties, drie op het hoofdeiland, twee in het westen en een in het oosten.
Daarnaast bestaat er een populatie op het eilandje Mayotte tussen Madagaskar en Mozambique.
Mogelijk is deze populatie ontstaan door introductie door de mens.
ZHet is een bosbewoner die voornamelijk overdag actief is.
Hij zoekt zijn voedsel in boomkruinen, waaronder vooral vruchten, jonge balderen, verder insecten zoals cicaden en spinnen maar ook boombast en rode klei.
De bruine maki komt ongeveer 2% van de tijd op de grond en spendeert de meeste tijd hoog in de bomen.
Na een draagtijd van 120 dagen wordt meestal één jong geboren, er zijn meldingen van tweelingen.
Na vier tot vijf maanden zijn de jongen zelfstandig en na 1,5 jaar zijn ze volwassen.
Ze kunnen meer dan 30 jaar oud worden.
De bruine maki leeft in familiegroepjes, bestaande uit 5 tot 12 individuen.
Volgens schattingen leven er 40 tot 60 dieren per km².
De bruine maki heeft te maken met de vernietiging van zijn leefgebied door ontbossingen voor de productie van houtskool en illegale houtkap.
Ook wordt er op gejaagd; jacht is een toenemend probleem, soms worden hele groepen bruine maki's gevangen.
De populaties zijn gemiddeld met 20 tot 25% afgenomen over een periode van 24 jaar (1% per jaar).
Daarom staat de bruine maki als gevoelig op de internationale rode lijst.
De bruine lemming (Lemmus trimucronatus) is een zoogdier uit de familie van de Cricetidae.
De wetenschappelijke naam van deze soort is voor het eerst beschreven door Richardson in 1825.
De oorspronkelijke benaming was de Siberische lemming (Lemmus sibiricus, Kerr in 1792), later opgesplitst in twee soorten.
Engels : North American Brown Lemming, Siberian brown lemming Duits : Brauner Lemming, Sibirischer Lemming Frans : Lemming brun
Bruine lemming
foto op www.factzoo.com
De bruine lemming heeft een bruine grondkleur met een roodbruine rug en romp.
Kop en schouders zijn grijs.
In de winter wordt de vacht langer en grijzer.
De vrouwtjes hebben een gemiddelde lengte van 12,5cm en een gewicht van 58gr.
De mannetjes hebben een gemiddeld gewicht van 68cm en een lengte van 13cm.
Zoals alle lemmingen hebben ze kleine oortjes, korte pootjes en een heel kort staartje.
De voetjes, zowel zolen als tenen zijn bedekt met haartjes en aangepast om te graven.
Lemmus trimucronatus
auteur : foto op vdinets.livejournal.com
De lemming is te vinden in de toendra gebieden van Noord-Canada (Nunavut, Northwest Territories, Yukon) en Alaska.
Ze worden ook gevonden op de westkust van British Columbia bijna zo ver zuidelijk als Vancouver Island.
Ze voeden zich voornamelijk met grasscheuten en eten ook toendra gras, zegge, mos, schors, bessen, korstmossen en wortels.
Als vijanden hebben ze de meeste carnivoren en bepaalde vogels, er zijn enkele aanwijzingen dat ze worden gegeten door.
In jaren waarin de bruine lemming schaars is, neemt een aantal roofdieren af, zoals de poolvos(lemmingen als hoofdvoedsel) die zich niet kan voortplanten met te weinig voedsel.
bruine lemming
auteur : foto op vdinets.livejournal.com
Ze leven onder de grond, in kolonies, en hebben tot drie nesten per jaar, ook onder de sneeuw in de winter.
Na een draagtijd van 23 dagen, zal het vrouwtje bevallen van vier tot negen jongen.
De bruine lemming is niet trekkende en wanneer overbevolkt (en tijdens het paarseizoen), vechten ze onder elkaar.
De bruine kapucijnaap (Cebus apella), ook wel kuifkapucijnaap, apella of kesi-kesi genoemd, is een algemene apensoort uit het geslacht der kapucijnapen (Cebus).
Verscheidene andere kapucijnapen, als Cebus libidinosus, Cebus nigritus en de geelborstkapucijnaap (Cebus xanthosternos) worden soms als ondersoorten van de bruine kapucijnaap beschouwd.
De wetenschappelijke naam van deze soort is voor het eerst beschreven door Linnaeus in 1758.
Deze soort komt voor in de noordelijke Amazonebekken van de Guyana's en Brazilië ten oosten van de Rio Negro, noordwaarts tot de Orinoco in Venezuela.
Engels : Tufted capuchin, brown capuchin, black-capped capuchin, pin monkey Duits : Gehaubte Kapuziner, Haubenkapuziner Frans : L’Apelle, Sapajou apelle, Sajou noir, Sajou apelle, Capucin à houppe noire
De bruine kapucijnaap is steviger dan de andere kapucijnapen, met een ruwere vacht en een kortere, dikkere staart en ledematen.
Op het voorhoofd staat een bos of rij lange, verharde haren, die rechtop kan worden gezet als een soort "pruik".
Hij heeft een grijzig bruine vacht.
De buik is lichter en de handen en voeten zijn zwart.
Het gezicht is lichter van kleur, en omgrensd door een zwarte kap en bakkebaarden.
De staart is sterk en kan als grijpstaart gebruikt worden.
De kapucijnaap heeft een kop-romplengte van 32 tot 57 centimeter, een staartlengte van 38 tot 56 centimeter en een lichaamsgewicht van 1,9 tot 4,8 kilogram.
Mannetjes zijn meestal groter dan vrouwtjes.
Een volwassen mannetje heeft meestal een kop-romplengte van 32 tot 56 centimeter, een staartlengte van 38 tot 56 centimeter en een lichaamsgewicht van 1,9 tot 4,8 kilogram, een volwassen vrouwtje heeft meestal een kop-romplengte van 33 tot 48 centimeter, een staartlengte van 38 tot 47 centimeter en een lichaamsgewicht van 1,9 tot 3 kilogram.
De soort komt voor in een grote verscheidenheid aan bostypen, voornamelijk in het tropisch regenwoud, tot op een hoogte van 2700 meter.
Ook in meer open bos komt hij voor, waar hij zich door open veld over de grond voortbeweegt om van boom naar boom te gaan.
De soort waagt zich zelden op de cerrado's(een savanne-achtig gebied in het centrale westen van Brazilië) en savannes.
Het verspreidingsgebied overlapt met dat van andere soorten kapucijnapen, zoals dat van de witschouderkapucijnaap (Cebus capucinus).
In dergelijke gevallen is er minder overlap in dieet tussen de soorten.
De dieren foerageren alleen, omdat ze zelden voedsel vinden waar meer dan één hyena van kan leven.
Bij grote karkassen houden zich zelden meer dan drie dieren op.
Tijdens het foerageren kunnen ze afstanden afleggen van wel 54 kilometer.
De bruine kapucijnaap is een dagactieve, boombewonende soort.
Vaak waagt hij zich ook op de grond, om te zoeken naar voedsel of om afstanden af te leggen tussen verder staande bomen.
's Nachts verblijft de kapucijnaap in een holle boom of tussen dichte takken.
De bruine kapucijnaap leeft alleen of in groepen van twee tot twintig dieren.
Vaak heeft de groep slechts één volwassen mannetje, maar gemengde groepen met meerdere mannetjes komen ook voor.
Één mannetje is dominant.
Hij duldt slechts enkele apen, voornamelijk jongere dieren en enkele vrouwtjes.
Het dominante mannetje en de apen die het dichtst bij hem staan eten het eerst bij voedselschaarste, terwijl ondergeschikte dieren moeten wachten tot zij klaar zijn.
Ook zijn praktisch alle jongen binnen een groep nakomelingen van het dominante mannetje, alhoewel ook andere mannetjes binnen een groep met de vrouwtjes paren.
Anders dan enkele andere kapucijnapen heeft een groep bruine kapucijnapen geen territorium.
Woongebieden overlappen meestal en verscheidene groepen worden regelmatig naast elkaar aangetroffen.
De bruine kapucijnaap verzorgt zijn vacht regelmatig en zorgvuldig.
Bruine kapucijnaap in het Ambiental reservaat, Brazilië
auteur : Dario Sanches CC 2.0
Na een draagtijd van 180 dagen wordt één jong geboren, zelden een tweeling.
Het weegt bij de geboorte ongeveer 200 tot 250 gram.
Jongen worden op de rug van de moeder gedragen.
De zoogtijd duurt ongeveer negen maanden. Pas na zeven jaar wordt hij geslachtsrijp, wat vrij laat is voor een primaat van zijn grootte.
Bruine kapucijnapen kunnen vrij oud worden.
Een dier werd in gevangenschap meer dan 45 jaar oud.
De belangrijkste natuurlijke vijanden van de kapucijnaap zijn grotere roofvogels.
Ze zijn zo op hun hoede voor roofvogels, dat ze zelfs alarm slaan bij ongevaarlijke vogels.
Bruine kapucijnapen in familiepark Harry Malter
auteur : Donar Reiskoffer CC 3.0
Het is van deze apensoort bekend dat hij harde voorwerpen als stenen als gereedschap gebruikt om noten mee open te breken.
Hierbij legt hij de noot op een grote, platte steen, waarna hij met een kleinere steen net zo lang op de noot slaat totdat deze breekt.
Naast noten eet hij ook vruchten, insecten, larven, eieren en jonge vogeltjes, en kikkers, hagedissen en zelfs vleermuizen.
Bruine kapucijnapen foerageren in groepen.
Als een groepslid voedsel heeft gevonden, slaakt hij een hard fluitend geluid, waarop de andere dieren naar hem toe komen.
De opbouw van de groep is zeer georganiseerd en wordt bepaald door de rangschikking in de hiërarchie.
Het dominante mannetje bevindt zich meestal vlak achter de voorhoede van de groep, waar het zowel veilig is (dieren in het midden zijn meer beschermd tegen aanvallen van predatoren) als voldoende voedsel te vinden is.
Hij bietst daarbij het voedsel dat door de voorhoede wordt ontdekt.
De voorhoede bestaat meestal uit hogergeplaatste vrouwtjes die worden getolereerd door het dominante mannetje, en hun oudere nakomelingen.
De voorhoede heeft de beste toegang tot voedsel, maar is ook het kwetsbaarst voor aanvallen van roofdieren.
De achterhoede bestaat uit ondergeschikte mannetjes en vrouwtjes.
Het dominante mannetje kan zeer agressief worden tegen deze dieren en zij proberen hem zoveel mogelijk te mijden.
jong bruin kapucijnaapje
auteur : MatthiasKabel CC 3.0
De bruine kapucijnaap is vrij algemeen en niet bedreigd.
Één ondersoort, Cebus apella margarita is ernstig bedreigd.
Deze ondersoort komt enkel voor op Isla Margarita, waar niet meer dan 250 dieren leven.
De bruine hyena of strandwolf (Hyaena brunnea syn. Parahyaena brunnea) is een van de vier nog levende soorten hyena's.
Hij is nauw verwant aan de gestreepte hyena en samen worden ze ook wel tot hetzelfde geslacht, Hyaena, gerekend.
De wetenschappelijke naam van deze soort is voor het eerst beschreven door Thunberg (Carl Peter Thunberg was een Zweedse natuuronderzoeker. Hij was een student van Carolus Linnaeus.) in 1820.
De bruine hyena leeft in westelijk Zuid-Afrika, Zimbabwe, Namibië en Zuid-Angola.
Hij komt meer dan de andere hyena's in woestijnen voor, voornamelijk in de Kalahari en de Namibwoestijn.
Ook komt hij voor in drogere, met struiken begroeide steppen en savannes.
Ook langs de woestijnkust van Namibië komen ze geregeld voor.
Engels : Brown hyena Duits : Schabrackenhyäne, Braune Hyäne, Strandwolf Frans : La hyène brune
Bruine hyena
auteur : Southafrica.net op www.dinosoria.com
De bruine hyena heeft een ruige, donkerbruine tot zwarte vacht, met een lichtgele kraag om de hals, die als maan dient bij volwassen dieren, en een grijzig gezicht.
Over de poten lopen witte horizontale strepen.
De staart is kort en donker van kleur.
De losse, ruige vacht kan bij conflicten worden opgezet, waardoor het dier groter en indrukwekkender lijkt.
Hij wordt ongeveer 110 tot 161 centimeter lang, met een 21 tot 30 centimeter lange staart.
De schouderhoogte bedraagt zo'n 72 tot 88 centimeter.
De bruine hyena weegt tussen de 28 en de 55 kilogram.
Mannetjes worden groter dan vrouwtjes.
Hyaena brunnea
auteur : Sally London op www.dinosoria.com CC 3.0
De bruine hyena is een nachtdier.
Overdag rust hij in een zelfgegraven hol (tot 150 centimeter diep), een natuurlijk hol tussen de rotsen of in het hol van een aardvarken.
Hij eet voornamelijk aas, maar ook afgevallen vruchten.
Soms maken ze actief jacht op kleine en middelgrote zoogdieren als de springhaas, jonge antilopen en de grootoorvos, kleine gewervelden als kikkers en hagedissen en ongewervelden.
Langs de kust van Namibië zoeken ze naar dode welpen van de Zuid-Afrikaanse zeebeer, aangespoelde walvissen en andere dode zeedieren.
Op de vuilnisbelten van Johannesburg, Pretoria en andere grote steden zoeken ze ook naar voedsel.
De bruine hyena eet per dag gemiddeld 2,8 kilogram.
De dieren foerageren alleen, omdat ze zelden voedsel vinden waar meer dan één hyena van kan leven.
Bij grote karkassen houden zich zelden meer dan drie dieren op.
Tijdens het foerageren kunnen ze afstanden afleggen van wel 54 kilometer.
Bruine hyena's kennen geen vaste sociale structuur.
Ze leven solitair, in paren of in kleine, losse groepen, die kunnen bestaan uit zes tot vijftien dieren, en bestaan uit tot drie volwassen mannetjes en vijf volwassen vrouwtjes.
Als de dieren oud genoeg zijn om op zichzelf te staan, kunnen ze bij de groep blijven of gaan rondzwerven.
Sommige dieren blijven hun hele leven bij dezelfde troep. Een groep houdt een los territorium bij, die veelvuldig wordt gemarkeerd.
Markeren gebeurt door geurvlaggen en latrines(vaste plaats waar ze hun behoefte doen).
Bruine hyena's planten zich het gehele jaar door voort.
Het vrouwtje paart met meerdere mannetjes, zowel groepsleden als rondzwervende mannetjes.
Een vrouwtje krijgt per worp één tot vijf (gemiddeld twee tot vier) jongen na een draagtijd van 120 dagen.
Ze worden blind en doof geboren in een ondergronds hol.
Het vrouwtje zondert zich de eerste paar maanden af van de rest van de groep.
Meestal krijgt één vrouwtje in de groep een nest, maar ook andere vrouwtjes mogen zich voortplanten.
Jongen worden in zulke situaties na enkele maanden door alle zogende vrouwtjes gezoogd, en de jongen worden bij elkaar verzorgd in een gezamenlijk hol.
De jongen worden twaalf tot vijftien maanden lang gezoogd.
Na drie maanden eten ze hun eerste vaste voedsel.
Na 18 maanden verlaten ze meestal het nest.
Vrouwtjes zijn na twee tot drie jaar geslachtsrijp.
De bruine beer (Ursus arctos) is een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
De wetenschappelijke naam werd voor het eerst gepubliceerd door Linnaeus (Carl Linnaeus, was een Zweeds arts, plantkundige zoöloog en geoloog) in 1758 .
In Noord-Amerika komen drie ondersoorten voor, de kodiakbeer, de grizzlybeer en de Mexicaanse beer.
In Europa leeft de Europese bruine beer.
Engels : brown bear Duits : Braunbär Frans : L’ours brun
Eens waren ze talrijk in Europa, maar momenteel komen nog slechts restpopulaties voor, onder andere in Scandinavië, Oost-Europa (vooral in Roemenië) en Azië.
Agressief zijn bruine beren niet - als ze tenminste met rust gelaten worden - en waarschijnlijk betekenen ze nauwelijks een gevaar voor de mens.
Hooguit hebben ze het af en toe gemunt op gemakkelijke prooien zoals runderen en andere huisdieren.
De bruine beer eet voornamelijk plantaardig voedsel, zoals grassen, zaden, bessen, noten, wortels en knollen.
Verder eet hij insecten, vis en kleine zoogdieren.
In sommige gebieden jaagt hij ook op grote hoefdieren, zoals bijvoorbeeld elanden, rendieren en edelherten.
Beren houden een winterslaap, tenminste in koude streken, maar hij is erg licht en kan elk gewenst moment onderbroken worden.
In de zomer leggen bruine beren een reserve vetlaag aan waar ze `s winters tijdens de winterslaap op kunnen teren.
Dit is echter geen echte winterslaap daar temperatuur en hartslag niet veranderen.
Ursus arctos arctos
auteur : Malene Thyssen CC 3.0
De bruine beer is een solitair levend dier met een slecht gezichtsvermogen, maar een uitstekende reuk en een prima gehoor.
Hij is tamelijk trouw aan zijn woongebied en bewoont een eigen territorium, dat met 500 à 2500 ha niet eens zo bijzonder groot is.
Beren zijn echter uitstekende wandelaars met een flink uithoudingsvermogen, die over grote afstanden kunnen trekken.
Ze kunnen goed zwemmen.
De jongen klimmen meer in bomen dan de volwassenen.
Onder normale omstandigheden zijn ze zowel overdag als 's nachts actief.
In gebieden waar ze belaagd of verstoord worden, gaan ze uitsluitend 's nachts op pad.
Bruine beer (Ursus arctos horribilis)
auteur : Eric(Ronin) op www.twcenter.net
Bruine beren paren in mei - augustus.
In november begint pas de eigenlijke draagtijd waardoor deze met 8-10 weken voor zo'n groot dier heel kort is.
In december of januari brengt zij in haar overwinteringshol de jongen ter wereld.
Meestal worden 2 of 3 jongen geboren.
Ze wegen ongeveer 1 pond, zijn naakt, blind en tandeloos.
De berin zoogt dan haar jongen ongeveer gedurende anderhalf jaar.
Bij jonge dieren is dikwijls een soort halsband van witte haren te zien, die later weer verbleekt.
De bruine baviaan heeft roodachtig bruin haar en een kale, donker-violette of zwarte snuit.
De snuit heeft de vorm van die van een hond omgeven door kleine manen.
Deze baviaan is de kleinste van alle bavianen (met naar verhouding de langste manen).
Van kop - romp meten ze 70 cm, de staart 55 cm.
Het gewicht is tussen de 13 en 26 kg.
Ze worden in het wild ongeveer 30 jaar, in gevangenschap 35 tot 45 jaar.
Papio papio
auteur : Jvdbroeck op www.natuurfotoalbum.eu
Ze eten vrijwel alles, voornamelijk plantaardig voedsel als gras, bollen en knollen.
Ook eten ze bladeren, vruchten, zaden en peulen.
Ook eten ze dierlijk voedsel, als sprinkhanen, slakken, schorpioenen, honingraten, hagedissen, eieren, vissen en kikkers.
Ze eten bijna alles, maar omdat hun leefgebied grotendeels verdwenen is, zijn ze zeldzaam geworden.
Het is een diurnaal dier (diurnaal levende dieren en planten hebben een dagactieve levenswijze) dat 's nachts in een boom slaapt.
Het aantal bruikbare bomen om in te slapen bepaalt de grootte van de groep.
Hoewel er weinig bekend is over het sociale leven van de bruine baviaan, is het waarschijnlijk dat ze, net als alle bavianen, in een harem leven.
Mannetjes houden de vrouwtjes in hun groepje bij elkaar door ze in de nek te bijten en vluchtig te vlooien.
Paringen vinden plaats tussen mannetjes en hun eigen vrouwtjes, maar vrouwtjes zijn nog weleens ontrouw.
Ze paren ook met jonge mannetjes buiten hun groepje.
Het bruinbehaard gordeldier of behaarde gordeldier (Chaetophractus villosus) behoort evenals de negenbandgordeldier tot de familie van Gordeldieren, maar tot de onderfamilie van Chlamyphorinae.
Voor het eerst beschreven door Desmarest in 1804.
Bruinbehaarde gordeldieren komen voor in het zuiden van Zuid-Amerika, met name in Argentinië, Bolivia en Paraguay.
Engels : Big hairy armadillo, Large hairy armadillo Duits : Braunborsten-Gürteltier Frans : Le Grand tatou velu
Bruinbehaard gordeldier
auteur : op www.todomardeajo.com.ar
Het is een voldongen graver en brengt het grootste deel van zijn tijd onder de grond.
Het maakt zowel tijdelijke als langdurige holen , afhankelijk van de bron van voedsel.
Het gordeldier kan gebruik maken van speciaal ontwikkelde membranen in de neus om zuurstof uit de omringende gronddeeltjes te halen, zonder de bodem zelf te inhaleren.
Armadillos zijn beschermd tegen roofdieren door een reeks dunne beenplaten langs de kop en rug.
Ze zijn geslachtsrijp op ongeveer 9 maanden en zijn re voor gekend om meer dan 30 jaar in gevangenschap te leven.
Hoewel dit dier routinematig wordt gejaagt voor zijn vlees en zijn schelp, of gewoon gedood door boeren, heeft het een verbazingwekkende veerkracht aangetoond, en lijkt het de uitbuiting door de bevolking goed te doorstaan.
Momenteel zijn er geen beschermende praktijken voor het gordeldier, maar wel leven ze in vele beschermde gebieden.
Het leeft van zeeniveau tot een hoogte van maximaal 1.300 meter.
Het is te vinden in graslanden, bossen en savannes, en is zelfs begonnen met het innemen van agrarische gebieden als zijn thuis.
Chaetophractus villosus
auteur : Dahms Tierleben op www.dahmstierleben.de
De beschermende beenplaten kunnen het individu een redelijke mate van bescherming bieden tegen zijn natuurlijke vijanden.
Wanneer het gordeldier een roofdier detecteert, zal het een snelle weg graven naar het dichtstbijzijnde hol en een wig vormen met het gebruik van zijn poten, alleen de benige platen worden zo blootgesteld aan roofdieren.
Als het niet snel genoeg is om één van de holen te bereiken, zal het zich plat op de grond zetten om een betere bescherming te hebben.
Het zijn uitstekende lopers, die zich relatief snel kunnen verplaatsen.
Ze voeden zich met kleine, levende kost.
Ze hebben de neiging om hun hol in de zijkant van een heuvel te graven in plaats van op een vlakke ondergrond.
Hun tijdelijke holen (op zoek naar voedsel of veiligheid) zijn meestal ondieper en niet zo complex als hun thuis holen, die meestal veel dieper zijn en vormt een heel complex, met veel ontsnappings tunnels en holen.
De oriëntatie van hun holen hangt grotendeels af van de windrichting.
Ze zijn goed aangepast aan dorre woestijngebieden.
Een broedparasiet is een dier dat zijn eieren in het nest van een andere diersoort legt om zo niet de moeite te hoeven nemen om zijn eigen jongen uit te broeden, te beschermen, te voeden of groot te brengen.
In het algemeen komt broedparasitisme voor bij vogels en insecten.
Bij vogels toont de parasiet of zijn broed gewoonlijk kenmerken die de gastouders misleiden.
Bij insecten is hier vaak geen sprake van, omdat de meeste geparasiteerde soorten niet bij of in hun nest blijven.
In het huidige wetenschappelijke spraakgebruik is parasitisme een vorm van symbiose, letterlijk samen leven, waarbij de individuen minstens een deel van hun levenscyclus gezamenlijk doorbrengen.
Bij de nestroof die door veel vogelsoorten bedreven wordt, spreken we dus niet van parasitisme.
Er worden twee soorten broedparasitisme onderscheiden :
• interspecifiek parasitisme : tussen soorten,
• intraspecifiek parasitisme : binnen een soort of tussen zeer nauw verwante soorten die onderling vruchtbare nakomelingen kunnen voortbrengen.
Bij de intraspecifieke vorm is de aanduiding parasitisme mogelijk niet altijd juist : afhankelijk van omstandigheden kan het ook opgevat worden als een vorm van gemeenschappelijk broeden.
Bij de intraspecifieke vorm is de aanduiding parasitisme mogelijk niet altijd juist : afhankelijk van omstandigheden kan het ook opgevat worden als een vorm van gemeenschappelijk broeden.
Engels : Brood parasite Duits : Brutparasitismus Frans : Parasitisme de couvée
Een karekiet voedt het veel grotere jong van de Europese koekoek
auteur : Per Harald Olsen CC 3.0
Vogels :
In Afrika zijn er een aantal koekoeken, en ook de wida's leggen hun eieren in andermans nest.
In Noord-Amerika zijn alle vogels uit de troepialenfamilie broedparasieten.
In Europa is maar een vogelsoort als broedparasiet bekend, namelijk de Europese koekoek.
Het vrouwtje van de Europese koekoek specialiseert zich op een bepaalde soort, en legt eieren die in kleur en tekening aangepast zijn aan de gastsoort.
Bij soorten die een verdediging hebben ontwikkeld, bijvoorbeeld door het geparasiteerde nest in de steek te laten of het vreemde ei te verwijderen, lijkt het koekoeksei gewoonlijk meer op het origineel dan bij soorten waar zo'n verdediging niet of zwak ontwikkeld is.
Er zijn ook vogelsoorten, met name eendachtigen, zwaluwen en de huismus, de spreeuw en de roek, waar wijfjes proberen een of meer eieren in een nest van een soortgenoot of van een nauw verwante soort te leggen.
Deze wijfjes broeden zelf echter ook, en de soorten zijn vermoedelijk niet afhankelijk van dit gedrag.
Bij de insecten dragen de koekoekshommels hun naam niet toevallig : de zeven soorten hiervan parasiteren elk op een andere hommelsoort, sommige op twee soorten, zodat minstens negen soorten geparasiteerd worden.
Van de goudwespen of koekoekswespen zijn zo'n drieduizend soorten bekend, die alle parasiteren.
Ze leggen hun ei in nesten van plooivleugelwespen, en de larve eet ei en voedselvoorraad op.
Het gentiaanblauwtje is een vlinder waarvan de larve in een mierennest opgroeit.
De mieren slepen de larve als prooi mee naar hun nest; in het mierennest gaat de larve geurstoffen (feromonen) afscheiden, welke precies overeenkomen met de geur van de larven van bepaalde mieren (mimicry).
De mieren zien de rups niet langer als prooi en deze kan zich ongestoord tegoed doen aan de larven van de mieren.
Een dergelijk trucje kennen ook bepaalde kevers, zoals de zuidelijke mierenzakkever.
ei van de bruinkopkoevogel in het nest van een phoebe
auteur : Galawebdesign CC 3.0
Vissen
In het Tanganyikameer is zelfs een vis bekend die zijn eieren laat uitbroeden door muilbroeders van een andere soort, nl. door muilbroedende Cichliden.
De brillangoer heeft een lichaamslengte van 42 tot 61cm en een staartlengte van 50 tot 85 cm.
De mannetjes hebben een gemiddeld gewicht van 7,4kg en de vrouwtjes 6,5kg.
Jonge brillangoeren hebben een oranje vacht.
Brillangoer (volwassen mannetje)
auteur : Charlesjsharp CC 3.0
De brillangoer verblijft meestal in de bovenste lagen van de bomen.
Ze bewegen zich voornamelijk op handen en voeten en springen in vergelijking met andere soorten weinig.
Ze leven in kleine groepen van 5 tot 20 dieren op een territoriaal gebied van 5 tot 12 hectare.
Brillangoer
auteur : Reddust op zoom.nl
In de dierentuin van Arnhem (Burgers' Zoo) zijn enkele brillangoeren aanwezig.
Brillangoeren zijn zeer kieskeurige eters, hun menu bestaat hoofdzakelijk uit (vaak giftige) bladeren, aangevuld met vruchten en zaden.
De maag van de brillangoer bestaat - net als bij de koe- uit meerdere afdelingen als aanpassing aan het eten van moeilijk verteerbaar plantaardig materiaal.
De brilbladneusvleermuis (Carollia perspicillata) is een vleermuis van het geslacht Carollia die voorkomt van Oaxaca, Veracruz en Yucatán in Mexico tot Bolivia, Paraguay en Zuidoost-Brazilië.
Hij komt ook voor op Trinidad en Tobago en mogelijk Jamaica en de noordelijke Kleine Antillen.
Op Grenada komt hij echter waarschijnlijk niet voor.
De typelocatie is Suriname.
Hoewel er tegenwoordig geen ondersoorten worden onderscheiden, bestaan er mogelijk wel enkele (Simmons & Voss, 1998).
Engels : Seba's Short-tailed Bat Duits : Brillenblattnase Frans : Carollia perspicillata
Brilbladneusvleermuis
auteur : Alex Borisenko, Biodiversity Institute of Ontario CC 3.0
De brilbladneusvleermuis heeft een donkerbruine tot roestige kleur, maar 1 of 2 uit de 50 soorten hebben een lichtoranje vacht.
De kop-romplengte is ongeveer 48 tot 65 millimeter en het gewicht 10 tot 20 gram.
Hun armlengte is 35 tot 45 millimeter.
De brilbladneusvleermuis leeft in tropische loofbossen, matig regenwoud en matige bossen van vochtig groen of droge loofbomen.
Ze hebben de voorkeur voor een woonhoogte van 1000 tot 1500 m boven de zeespiegel, maar ze leven ook in bossen die gaan tot een hoogte van 2400 m.
De brilbladneusvleermuis kan maximaal 9 jaar oud worden in het wild en 19 jaar als het in gevangenschap leeft.
Brilbladneusvleermuis
auteur : Roberto Leonan Morim Novaes op morcegosdobrasil.blogspot.com
De brilbladneusvleermuis gaat in één nacht op verschillende plekken op zoek naar voedsel.
Ze jagen in zwermen van een paar honderd vleermuizen.
Bij zonsondergang vliegen ze uit en gaan op zoek naar fruit in een gebied tot ongeveer 1,5 kilometer afstand van hun slaapplaats.
De brilbladneusvleermuis eet voornamelijk fruit zoals piper, banaan en zaadjes, mango, koffie, amandel, guava en pitten van vruchten.
Soms eten ze ook nectar van planten of insecten als ze op dieet zijn.
Één brilbladneusvleermuis is in staat om tot 60.000 zaadjes op te eten in één nacht.
Ongeveer 1/10 van 1% van de opgegeten zaadjes wordt verteerd, waardoor een deel van het regenwoud door de vleermuis wordt herplant.
De brilbladneusvleermuis leeft met zo'n honderd tot duizenden in grotten, holle bomen of tunnels.
In hun verblijfplaats leven de vleermuizen in goed verdeelde groepjes.
De meeste mannetjes leven in aparte "vrijgezellengroepjes".
De vrouwtjes leven in groepjes, ook wel harems genoemd, van 10 tot 20 vrouwtjes.
Iedere harem heeft 1 volwassen mannetje, die de harem overdag beschermt tegen indringers of andere mannetjes.
's Nachts blijven de mannetjes hun harem beschermen als de vrouwtjes en de vrijgezelle mannetjes naar eten aan het zoeken zijn.
De beschermende mannetjes maken de tijd dat ze weg zijn van hun harem zo kort mogelijk door van planten te eten die vlakbij hun verblijfplaats zijn te eten.
Brilbladneusvleermuis
auteur : Tobias Gerlach & Jenny Theobald op deepgreenphoto.com
Als beloning van hun continue bescherming, hebben de beschermende mannetjes exclusieve rechten bij het paren met de vrouwtjes van hun eigen harem.
Het paren gebeurt zo’n twee keer per jaar.
De eerste periode is van juni tot augustus, als de fruitproductie het hoogst is.
De tweede periode is van februari tot mei, als de bloemen beginnen te bloeien na het droge seizoen.
Na een zwangerschapsperiode van 115 tot 120 dagen bevallen de vrouwtjes van één baby.
Eenmaal in de lente en eenmaal in de zomer.
De baby’s zijn ongeveer 5 gram bij hun geboorte.
De eerste weken na de bevalling dragen de vrouwtjes hun baby tijdens de jacht.
Als de baby's te groot worden om te dragen, blijven ze 's nachts in hun hol voor de rest van de zes weken, tot ze gespeend worden.
De vrouwtjes zijn binnen een jaar geslachtsrijp, waardoor ze op hun eerste verjaardag al zwanger zijn.
De mannetjes zijn geslachtsrijp in hun tweede jaar, maar om te kunnen voortplanten moeten ze eerst toegang krijgen tot een groep met vrouwtjes en dat duurt meestal een paar jaar voordat dat gebeurd is.
Er worden meestal 2 keer zoveel mannetjes geboren dan vrouwtjes, maar omdat de levensduur van de vrouwtjes langer is dan die van de mannetjes blijft de verhouding 1:1.
De brilbeer dankt zijn naam aan de blonde tekening rond zijn ogen.
De vacht is donkerbruin tot zwart en heeft geel-witte banden over de neusvleugels en soms over de kop.
Ook kan het voorkomen dat er witte strepen over de keel, borst en wangen lopen.
De vacht is dik en kortharig.
De brilbeer heeft scherpe klauwen en slechts 13 ribben, terwijl andere beersoorten er 14 hebben.
De lengte van de beer is gemiddled 120 tot 210 centimeter lang en ze kunnen een schofthoogte hebben van 70 tot 90 centimeter.
Het mannetje kan een tot wel twee keer zwaarder worden dan het vrouwtje, het mannetje weegt tot 130 kilo, het vrouwtje tot 60 kilo.
Het leefgebied beslaat westelijk Venezuela, Ecuador, Peru, westelijk Bolivia, noordwestelijk Argentinië en Panama.
Ondanks dit grote gebied en zijn perfecte aanpassing aan het leven in de meest onherbergzame delen van het Amazone gebied is dit de meest bedreigde berensoort.
Brilbeer
auteur : op www.artis.nl
Net als andere berensoorten is de brilbeer een solitair dier. Ze ontlopen elkaar en zijn daarbij niet territoriaal.
Ontmoetingen met mensen of andere brilberen verlopen gedwee maar wel met de nodige voorzichtigheid.
Als de moeder jongen heeft kan dit gedrag wel anders zijn, net als bij andere beren.
Er zijn voorvallen bekend waarbij stropers op extreem gewelddadige manier zijn aangevallen door vrouwtjes met jongen.
Breedvoetbuidelmuizen (Antechinus) vormen een geslacht van roofbuideldieren dat voorkomt in Australië, voornamelijk in het oosten.
De soorten uit de Australische geslachten Pseudantechinus, Parantechinus en Dasykaluta werden tot de jaren '60 en '80 van de 20e eeuw ook tot Antechinus gerekend, net als de Nieuw-Guinese geslachten Micromurexia, Murexechinus en Phascomurexia tot 1998 of 2002.
Engels : Antechinus Duits : Breitfuß-Beutelmäuse Frans : Antechinus
Stuarts breedvoetbuidelmuis (Antechinus stuartii)
auteur : Glen Fergus CC 2.5
De leden van het geslacht Antechinus zijn vrij kleine buidelmuizen met brede voeten en een dunne staart.
Sommige soorten leven in bomen, allemaal bouwen ze nesten van droge bladeren.
Ze eten voornamelijk ongewervelden, maar soms ook kleine gewervelden.
De breedvleugelbuizerd is een migrant in de herfst (laat september tot midden november) aan de Caribische kust en in de hooglanden, in de lente (vroeg in maart tot laat in mei) aan beide kusten.
Antechinus swainsonii
auteur : Katrin Solmdorff CC 3.0
Dit geslacht omvat de volgende soorten:
Antechinus adustus - Deze komt voor in Oost-Queensland. Antechinus agilis - Komt voor in Zuidoost-Australië. Antechinus bellus - Komt voor in Noordelijk Territorium. Geelvoetbuidelmuis (Antechinus flavipes) - Komt voor in Zuidwest- en Oost-Australië. Antechinus godmani - Komt voor in Noordoost-Queensland. Antechinus leo - Komt voor in Noordoost-Queensland. Antechinus minimus - Deze komt voor in Tasmanië en nabijgelegen delen van het vasteland. Stuarts breedvoetbuidelmuis (Antechinus stuartii) - Komt voor in Oost-Australië. Antechinus subtropicus - Komt voor in Zuidoost-Queensland en nabijgelegen delen van Nieuw-Zuid-Wales. Antechinus swainsonii - Komt voor in Zuidoost-Australië.
Een zeer opmerkelijk kenmerk van de voortplanting bij verschillende breedvoetbuidelmuizen is het feit dat mannelijke dieren slechts eenmaal in hun leven kunnen paren ten gevolge van hormonale verstoringen die met de paartijd samenhangen.
De breedvoetbuidelmuizen delen dit kenmerk met de penseelstaartbuidelmuizen, de gespikkelde buidelmuis en de dwergbuidelmarter.
Jonge breedvoetbuidelmuizen leven enige maanden na de geboorte in een gemeenschappelijk nest.
Na ongeveer een jaar zijn ze geslachtsrijp en twee tot drie maanden voor de paartijd, meestal in de Australische lente (augustus of september), gaan de mannelijke breedvoetbuidelmuizen op zoek naar een territorium.
In deze periode worden ze onderling zeer agressief doordat het testosterongehalte in het bloed verdubbeld: de hoeveelheid van dit hormoon stijgt van 400 nanoliter naar 800 nanoliter per 100 ml bloedplasma.
Tijdens de paartijd stijgt bovendien het cortisolgehalte in het bloed sterk. De paring kan bij breedvoetbuidelmuizen vijf tot zes uur duren.
In de twee weken die de paartijd duurt beginnen de hormonale verstoringen (vooral die van cortisol) langzaam hun tol te eisen bij de mannelijke diertjes.
Het lichaamsgewicht daalt sterk, de bijnieren zijn sterk vergroot, er ontstaan stressulcera in het maagdarmkanaal en het immuunsysteem wordt onderdrukt waardoor de vatbaarheid voor parasieten toeneemt.
Uiteindelijk sterven de mannelijke breedvoetbuidelmuizen door volledige uitputting.
Een reden van de massale sterfte onder de mannelijke dieren kan zijn dat er hierdoor meer voedsel en beschutting is voor de vrouwelijke breedvoetbuidelmuizen en hun jongen in de winter.
Bovenstaand fenomeen is vooral goed onderzocht bij de bruine breedvoetbuidelmuis (Antechinus stuartii).
Wanneer mannelijke dieren van deze soort niet bloot werden gesteld aan stress, konden ze een levensduur van twee jaar bereiken in tegenstelling tot het eenjarige leven van hun soortgenoten in het wild.
De breedsnuithalfmaki of Bandro (Prolemur simus) is een echte maki uit de familie der maki's (Lemuridae).
Deze halfapen zijn endemische dieren op het eiland Madagaskar.
Engels : greater bamboo lemur, broad-nosed bamboo lemur, broad-nosed gentle lemur Duits : Große Bambuslemur, Großer Halbmaki, Breitschnauzen-Halbmaki Frans : Le Grand Hapalémur
Breedsnuithalfmaki
auteur : Cédric Girard-Buttoz CC 3.0
De breedsnuithalfmaki heeft een dichte, kortharige grijsbruine vacht.
Van onder zijn de halfmaki's lichter gekleurd en de kop, schouders en bovenste ledematen zijn meer roodbruin.
De ronde kop is grijsbruin van kleur met een betrekkelijk korte en brede snuit.
Een volwassen breedsnuithalfmaki een kop-romplengte van 40 tot 42 cm, een staartlengte van 45 tot 48 cm en een lichaamsgewicht van 2,2 tot 2,5 kg.
Prolemur simus
foto : J-Y Robert op helpsimus.org
De breedsnuithalfmaki behoort tot de 25 meest bedreigde soorten primaten.
Volgens onderzoek uit 2008 waren er toen nog 100 tot 160 dieren over in een klein aantal onderling geïsoleerd voorkomende populaties.
Het leefgebied van de breedsnuithalfmaki wordt bedreigd door zwerflandbouw, omzetting van bos in landbouwgebied, mijnbouwactiviteiten, illegale houtkap, de oogst van bamboe, jacht en het gebrek aan water door klimaatverandering.
Daarom staat de breedsnuithalfmaki als ernstig bedreigd op de internationale rode lijst.
Breedsnuithalfmaki
auteur : dipity.com
Uit subfossielen blijkt dat de breedsnuithalfmaki ooit over heel Madagaskar verspreid voorkwam.
Volgens onderzoek uit 2008 is het verspreidingsgebied ingekrompen tot een paar restanten regenwoud in het zuidoosten en midden zuiden van het eiland.
Het leefgebied is regenwoud waarin ook de Madagaskarreuzenbamboe (Cathariostachys madagascariensis) groeit.
Deze halfmaki eet bijna uitsluitend (95%) de jonge scheuten, bladeren en het merg van deze bamboesoort.
Daarnaast bleek uit onderzoek dat hij nog zeven andere soorten planten eet.