De kakkerlakken (Blattodea) vormen een orde van insecten, die oppervlakkig enigszins lijken op kevers maar hiervan toch sterk verschillen, onder andere door het ontbreken van een volledige gedaanteverwisseling.
Bidsprinkhanen en termieten zijn sterker verwant aan de kakkerlakken dan andere insectenorden.
Deze drie groepen behoren tot de superorde Dictyoptera.
Er zijn 4690 soorten kakkerlakken beschreven, waarvan er ongeveer twintig wel eens als plaag kunnen voorkomen.
De lengte van diverse soorten kakkerlakken varieert van minder dan een centimeter tot 8 cm.
In Nederland komen in huizen de Duitse kakkerlak en de Amerikaanse kakkerlak nog wel eens voor als plaag.
In Nederlandse bossen vindt men 5 soorten uit de familie Blatellidae waarvan 4 oorspronkelijk inheems zijn en behoren tot het West-Palearctische geslacht Ectobius: de heidekakkerlak (Ectobius panzeri), de boskakkerlak (Ectobius sylvestris), de bleke kakkerlak (Ectobius pallidus), en de noordse kakkerlak (Ectobius lapponicus).
Deze soorten leven vrijwel uitsluitend in de bladstrooisellaag van kruidrijke bermen en bosranden.
De vijfde soort, de Duitse kakkerlak (Blattella germanica), is al ruim 150 jaar in Nederland te vinden en wordt als ingeburgerd beschouwd.
Deze laatste niet-vliegende soort is vooral binnenshuis te vinden en bij geschikte, droge weersomstandigheden ook in de natuur.
Sommige tropische soorten (alleen soorten die bij ontsnappen op den duur niet in huis overleven en zo een plaag zouden kunnen worden) worden wel als huisdier in een terrarium gehouden, hetzij voor hun eigen charme dan wel om als voedseldieren te dienen voor andere terrariumdieren zoals grotere hagedissen.
Dit zijn bijvoorbeeld de sissende reuzenkakkerlak van Madagaskar, (Gromphadorhina portentosa, afbeelding), de Surinaamse kakkerlak Pycnoscelus surinamensis, de doodshoofdkakkerlak Blaberus craniifer (afgebeeld) en Blaberus discoidalis en de kleine grottenkakkerlak Blaberus fusca (die niet klein is, maar wel kleiner dan de reuzengrottenkakkerlak, Blaberus giganteus).
De kakkerlak staat reeds lang te boek als een ongewenste gast zoals blijkt uit Reize naar Surinamen van John Gabriël Stedman (1772):
“
De Kakkerlak is een soort van Kever, een duim en zomtyds twee duimen lang; derzelver gedaante is eirond en plat, en de kleur hoog rood: hy kruipt door het gat van 't slot der koffers en valiesen, en legt aldaar niet alleen zyne eijeren, maar hy doorknaagt ook het linnen, stoffen, zyde, en alles wat hy vind; hy dringt ook in eet- en drinkbaare waaren van allerleije zoort; het geen dezelve zeer walgelyk maakt, want hy laat aldaar eene leelyke reuk agter, vry veel gelykende naar die der wandluizen. Dewyl de meeste Oost-Indische 'Schepen, vooral die met suiker geladen zyn, altoos met deeze insecten besmet zyn, zal ik alleenlyk melden, dat men ze zelden ziet vliegen, maar dat ze zeer schielyk loopen. Het beste, en, zoo ik geloof, het eenige middel, om de koffers of kassen daar voor te beveiligen, bestaat hier in, dat men dezelve op vier groote wel schoon gemaakte glaase flessen plaatst, op dat derzelver gladheid aan deeze insecten de gelegenheid beneeme, om op te klauteren en daar binnen te komen, het zy door het gat van 't slot, het zy door de kleinste spleet.
„
artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron : - Wikipedia CC 3.0
De buffalokever (Alphitobius laevigatus) is een kever uit de familie zwartlijven (Tenebrionidae).
De larve is bekender dan de kever en heet buffaloworm.
Voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Fabricius (Johann Christian Fabricius was een Deens entomoloog (insectenkundige), en een van de eerste en grootste entomologen.) in 1758.
Engels : Black fungus beetle Duits : Schimmelkaefer, Stumpfschwarz Getreide- Frans : ténébrion des champignons, petit ténébrion
De buffalokever lijkt op de meeltor (Tenebrio molitor) qua vorm en gedrag, maar blijft kleiner.
Hij is van boven glanzend zwart, van onder roodachtig bruin en de antennes en poten zijn bruinachtig.
Het oppervlak van de thorax heeft veel ruwe puntjes.
De larven worden als levend voer gekweekt voor in gevangenschap gehouden geleedpotigen als vogelspinnen, schorpioenen en bidsprinkhanen.
Ook aan insectenetende vogels, verschillende reptielen en amfibieën en sommige vissen kan de worm worden aangeboden.
Larven van de buffalokever (buffalowormen)
auteur : op www.voederdierenperpost.nl
De buffaloworm geeft warmte af en maakt een ritselend geluid.
Hij is veel-eter en veelvraat en wordt vaak gevoederd met oud brood, aardappel, wortel of appel.
Beste bewaartemperatuur is tussen 10 en 15°C.
Zo gaat hij langzamer verpoppen.
Buffalowormen dienen luchtig en koel gehouden, zo niet treedt massale sterfte op.
De brummelspanner (Mesoleuca albicillata) is een nachtvlinder uit de familie Geometridae, de spanners.
De wetenschappelijke naam van deze soort is voor het eerst geldig gepubliceerd door Linnaeus (Carl von Linné was een Zweeds arts, plantkundige, zoöloog en geoloog.) in 1758.
Komt voor in Spanje, West- en Midden-Europa inclusief de Britse eilanden via de gematigde zone tot Oost-Azië; in het noorden tot Midden-Scandinavië, in het zuiden tot Italië, de Balkan en de Zwarte Zee.
Engels : Beautiful Carpet Duits : Brombeer-Blattspanner, Himbeer-Blattspanner Frans : la Phalène de la ronce , la Blanchêtre
De grondkleur van de zeer brede afgeronde voorvleugel is roomwit tot wit en over de vleugel loopt een brede witte middenband.
Het donkere wortelveld en de donkere vlek bij de vleugelpunt bestaan uit bruine, zwarte en paarsblauwe banden en lijnen.
Een belangrijk kenmerk dat deze soort onderscheidt van andere zwart met wit gekleurde bandspanners, is dat de middenband licht gekleurd is en de velden daaromheen donker.
Er is weinig variatie.
Mesoleuca albicillata
auteur : J.K. Lindsey op www.commanster.eu
De brummelspanner is een niet zo gewone soort die verspreid over het hele land voorkomt.
Zijn habitat open loofbossen, gemengde bossen en struwelen.
De waardplanten van de brummelspanner zijn gewone braam (brummel is een Oost-Nederlands woord voor braam) en framboos.
Rups van de brummelspanner
foto op www.naturalis-historia.de
De vliegtijd is van half mei-half augustus in één, mogelijk twee generaties.
De vlinders kunnen overdag worden opgejaagd en komen in kleine aantallen op licht.
De rups : juli-september.
De rupsen zijn vooral 's nachts actief.
De soort overwintert als pop in een cocon in losse aarde.
Meer over de Nederlandse naam :
Brummelmeter is een al lang bestaande naam die al gebruikt wordt door Ter Haar in 'Onze vlinders' (begin vorige eeuw). De betekenis van brummel blijft onduidelijk.
Mesoleuca : mesos = middel en leucos = wit. Deze soort wijkt van de nabije verwanten af door het grote witte vlak midden op de vleugels.
albicillata : albus = wit en cilla = latijn voor staart; vanwege het witte abdomen dat contrasteert met het zwarte deel van het lijf (Macleod). Linnaeus zegt niets over het abdomen, maar Macleod's uitleg klinkt aannemelijk.
De bruinrode heidelibel (Sympetrum striolatum) is een Echte libel uit de familie van de Korenbouten (Libellulidae).
De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Charpentier (Toussaint de Charpentier was een Duits geoloog en entomoloog.) in 1840.
Het is een libel die in vrijwel heel Europa voorkomt.
Engels : Common Darter Duits : Große Heidelibelle Frans : Le Sympétrum strié
Bruinrode heidelibel (man)
auteur : Loz (L. B. Tettenborn) CC 3.0
In Nederland is het een algemene soort van juli tot oktober.
Regelmatig vinden er invasies vanuit het zuiden plaats.
De bruinrode heidelibel wordt 40 tot 44mm groot.
De bruinrode heidelibel kan gemakkelijk verwisseld worden met de steenrode heidelibel (Sympetrum vulgatum).
Het belangrijkste verschil is de streep over het voorhoofd die bij de eerste niet doorloopt langs het oog en bij de steenrode heidelibel wel.
Sympetrum striolatum (vrouw)
auteur : Hectonichus CC 3.0
De bruinrode heidelibel is meestal te vinden bij ondiep, stilstaand water.
Ze zwerven echter over grote afstanden, waardoor ze ook vaak gezien worden in weilanden en bermen.
Er zijn zelfs waarnemingen van groepen van miljoenen exemplaren boven zee.
Zoals de meeste korenbouten, jaagt deze libel vanaf uitkijkposten op kleine insecten.
Bruinrode heidelibel in de vlucht
auteur : pjt56 CC 3.0
De levenscyclus van de bruinrode heidelibel duurt een jaar.
De eitjes overwinteren na op het water afgezet te zijn.
De larven leven op de bodem onder meer van muggenlarven.
De soort staat op de Rode Lijst van de IUCN als niet bedreigd(LC).
De bruine zwartstipuil (Xestia baja) is een nachtvlinder uit de familie Noctuidae, de uilen.
De wetenschappelijke naam van deze soort is als Noctua baja voor het eerst geldig gepubliceerd door Denis (Johann Nepomuk Cosmas Michael Denis was een Oostenrijkse dichter, bibliograaf, bibliothecaris, vertaler en lepidopterist)& Schiffermüller (Johann Ignaz Schiffermüller was een Oostenrijkse zoöloog, met name lepidopterist) in 1775.
Komt voor in heel Europa van het Iberisch schiereiland tot de poolcirkel.
Via het noordelijke Middellandse Zeegebied (zonder de eilanden) tot de Zwarte Zee.
Oostelijk hiervan via Turkije en de Kaukasus tot Iran (noordzijde van het Elburs-gebergte).
Via de gematigde zone tot Oost-Azië, inclusief Tibet en Mongolië.
Engels : Dotted Clay Duits : Baja-Bodeneule Frans : la Belladone , la Noctulelle baie
Bruine zwartstipuil
auteur : Ernest van Asseldonk CC 3.0
De voorvleugellengte bedraagd 17 tot 21mm.
Opvallend en kenmerkend is de dubbele of drievoudige zwarte stip langs de voorrand van de voorvleugel vlak bij de golflijn.
De dwarslijnen, de ringvlek en de niervlek zijn zwak getekend.
De niervlek is doorgaans licht geringd en de binnenste lob is donker gevuld.
De grondkleur van de voorvleugel varieert van roodachtig licht- of donkerbruin tot warm grijsachtig bruin.
De achtervleugel is bruinachtig met een zwakke middenvlek.
Gelijkende soorten zijn de kastanjebruine uil (X. castanea), de zesstreepuil (X. sexstrigata) en de moerasheide-aarduil (Protolampra sobrina), ze missen de zwarte stip bij de vleugelpunt.
Xestia baja
foto op philgolder.org
De bruine zwartstipuil is in Nederland een algemene en in België een niet zo algemene soort.
Zijn habitat zijn bossen, heiden, struwelen, ruige en vochtige graslanden; soms tuinen.
De waardplanten van de bruine zwartstipuilzijn diverse kruidachtige planten, waaronder brandnetel; in het voorjaar ook houtige planten en loofbomen, waaronder wilg, berk, sleedoorn en wilde gagel.
De vliegtijd is van begin juli-half september in één generatie.
De vlinders komen zowel op licht als op smeer en bezoeken bloemen.
De rups : augustus - mei.
De rups foerageert ´s nachts en verbergt zich overdag laag bij de grond.
De soort overwintert als jonge rups en verpopt zich in de grond.
Meer over de Nederlandse naam :
De vlinder van de bruine zwartstipuil is bruin, zelfs kastanjebruin volgens de Latijnse soortnaam, en de zwarte stipjes bij de vleugelpunten zijn kenmerkend.
Xestia : xestos = opgewreven, glad, naar de glimmende voorvleugels van een aantal soorten in dit genus.
De bruine witvleugeluil (Aporophyla lutulenta) is een nachtvlinder uit de familie Noctuidae, de uilen.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Denis (Johann Nepomuk Cosmas Michael Denis was een Oostenrijkse dichter, bibliograaf, bibliothecaris, vertaler en lepidopterist)& Schiffermüller (Johann Ignaz Schiffermüller was een Oostenrijkse zoöloog, met name lepidopterist) in 1775.
Een atlantischmediterrane soort verbreid en zeer lokaal in Zuid-Europa tot de Krim. Naar het noorden tot Schotland, West-Noorwegen, Zuid-Zweden, Letland, Tatra en de Karpaten.
Bruine witvleugeluil
auteur : foto op www.unitedhallingbury.co.uk
Hij heeft een spanwijdte van 15 tot 18 mm.
Deze tamelijk fors gebouwde uil heeft een donkere warm bruinachtig grijze of zwartachtige voorvleugel met een nagenoeg rechte voorrand, de vleugel is vrij smal.
De tekening varieert in intensiteit en is soms onduidelijk.
Vaak is er een brede middenband waarin een donkere middenschaduw te zien is.
De achtervleugel van het mannetje is wit en heeft soms een centrale dwarslijn die bestaat uit een rij kleine zwarte vlekjes of streepjes, de achtervleugel van het vrouwtje is donkergrijs.
De antennen van de mannetjes zijn licht geveerd.
De bruine witvleugeluil lijkt veel op de heidewitvleugeluil (A. lueneburgensis), die door sommige taxonomen beschouwd wordt als een vorm van de bruine witvleugeluil, is grijzer, heeft een smallere en spitser toelopende voorvleugel en een iets scherpere tekening.
Beide soorten vliegen over het algemeen niet door elkaar, omdat ze niet dezelfde habitatvoorkeur hebben.
Aporophyla lutulenta
auteur : Algirdas - vrije foto
Een zeldzame soort die vrijwel uitsluitend voorkomt in de duinen.
Zijn habitat zijn open gebieden op zandige en kalkrijke grond, zoals duinen, weiden en graslanden, soms bosranden en tuinen.
De waardplanten van de bruine wapendrager zijn diverse kruidachtige en houtige planten, waaronder zuring, brem en sleedoorn, ook grassen, waaronder smele.
Rups van de bruine witvleugeluil
foto : Jürgen Rodeland op www.lepiforum.de
De vliegtijd is van begin september-begin oktober in één generatie.
De vlinders zijn vanaf de schemering actief en komen matig op licht.
Ze bezoeken bloemen en overrijpe bramen en komen op smeer.
De rups : oktober - juni.
De rups foerageert ´s nachts en verbergt zich overdag dicht bij de grond.
De soort overwintert als jonge rups.
De verpopping vindt plaats in de grond.
Meer over de Nederlandse naam :
De witvleugeluilen hebben witte achtervleugels. Het betreft het Genus Aporophyla. De grondkleur van de bruine witvleugeluil is donkerbruin.
Aporophyla : aporos = ingewikkeld, moeilijk en phule = een klasse, een groep, vrij geïnterpreteerd is dit ieder taxon boven die van soort. Dit verwijst naar de moeilijkheid om dit genus een goede plaats te geven in de systematiek.
lutulenta : lutulentus = modderig, naar de grijsbruine grondkleur van de voorvleugels.
De bruine winterjuffer (Sympecma fusca) is een kleine Europese pantserjuffer, die zeldzaam tot vrij zeldzaam in België en Nederland voorkomt.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Vander Linden (Pierre Léonard Vander Linden was een Belgisch entomoloog.) in 1820.
De soort komt voor in Midden- en Zuid-Europa tot in Midden-Azië.
Engels : Common Winter Damselfly, Winter Damselfly Duits : Gemeine Winterlibelle Frans : Le Leste brun, Brunette hivernale
Bruine winterjuffer (vrouwtje)
auteur : Rixonrixon CC 3.0
De bruine winterjuffer heeft een lengte van 34 - 39mm.
Een lichtbruin lichaam, met donkere bronskleurige tekening op achterlijfsrug en borststuk (bij jonge dieren met groene glans).
De donkere figuurtjes op het achterlijf zijn torpedovormig.
In het voorjaar vaak veel donkerder gekleurd, hierdoor effen donkerbruin lijkend.
De ogen hebben dan vaak blauwe berijping.
Pterostigma’s (een verdikt en opvallend gekleurd vlekje dat bestaat uit een of meerdere vleugelcellen in de vleugel van een insect) lang en bruin en in de voorvleugels dichter bij de top geplaatst dan in de achtervleugels.
In rust worden de vleugels alle vier aan één kant van het lichaam samengehouden.
De donkere strepen op de borststukrug hebben een rechte onderkant.
De donkere streep op de zijkant van het borststuk (onder de schoudernaad) is relatief breed.
Sympecma fusca (vrouwtje)
auteur : Minutemen CC 3.0
Gelijkende soorten zijn de Noordse winterjuffer en vrouwtjes van de watersnuffel.
In België is ze zeldzaam in de Antwerpse Kempen, in Nederland vrij algemeen in de duinem en op zandgronden.
De soort is aan een opmars bezig en wordt vrij algemeen aangetroffen op warme heideterreinen en rond vennen.
Zijn habitat zijn vennen, duinplassen, overige plassen en poelen met goed ontwikkelde verlandingsvegetatie.
Sporadisch ook in laagveen. Overwinteringshabitat : beschutte plaatsen in heide en halfopen bossen.
De bruine winterjuffer overwintert als imago (volwassen dier) in op heideterreinen goed verborgen tussen de vegetatie en wordt actief bij de eerste warme dagen, soms al in maart of april.
De voortplanting is in april en mei en in het zuiden van het verspreidingsgebied kan overlap optreden tussend de overwinterde en de nieuwe generatie.
De jonge winterjuffers komen tevoorschijn vanaf augustus en vliegen tot in de herfst.
Elk jaar zijn er dus twee generaties te zien, één in het vroege voorjaar en één in de zomer.
De eieren worden afgezet in stengels van drijvende, rottende planten in ondiep water.
De dieren vormen meestal een tandem voor de paring en de eileg.
Het vrouwtje boort met haar legboor gaatjes in de stengel, en plaatst vervolgens in ieder gaatje een eitje.
bruine winterjuffer (mannetje)
auteur : Piet Spaans CC 3.0
Samen met noordse winterjuffer de enige Europese libel die als imago overwintert.
De imago’s kunnen daardoor uitzonderlijk oud worden, tot wel tien maanden.
In het vroege voorjaar vindt de voortplanting plaats en worden de eitjes afgezet.
Vervolgens ontwikkelen de larven zich binnen drie maanden tot imago’s, die in de nazomer verschijnen.
Wanneer het kouder wordt begint de overwintering.
(Gr.) sym-pyknos=nauwsluitend; verwijst naar de in rust gesloten vleugels, in tegenstelling tot de half open gehouden vleugels van de gelijkende pantserjuffers; door een leesfout van het oorspronkelijke manuscript is het bedoelde Sympycna in druk verschenen als Sympecma
De bruine wapendrager (Clostera curtula) is een vlinder uit de familie van de tandvlinders (Notodontidae), die
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Linnaeus (Carl Linnaeus was een Zweeds arts, plantkundige, zoöloog en geoloog.) in 1758.
Deze tandvlinder komt verspreid over Europa voor tot aan Siberië.
Engels : Chocolate-tip Duits : Erpelschwanz-Rauhfussspinner Frans : le Courtaud , la Hausse-queue blanche Oude Nederlandse naam : bruin matje, kleinste wapendrager
Bruine wapendrager
auteur : H.Baas op www.freenatureimages.eu
Hij heeft een spanwijdte van 27 tot 35 mm.
De voorvleugellengte bedraagt 13 tot 18 millimeter.
Heeft globaal hetzelfde uiterlijk als de beide andere inheemse Clostera-soorten.
Karakteristiek is de brede, scherp afgetekende donkerbruine met roodbruine vlek die aan de buitenzijde van de dikke witte buitenste dwarslijn ligt en daarmee sterk contrasteert.
De bruine wapendrager lijkt veel op de donkere wapendrager (C. pigra), deze is kleiner en heeft bij de vleugelpunt een veel kleinere en lichtere roodbruine vlek, die niet duidelijk afgetekend is.
Gelijkt ook op de kleine wapendrager (C. anachoreta), deze heeft een duidelijk afgetekende bruine vlek bij de vleugelpunt van de voorvleugel die wordt doorsneden door de witte buitenste dwarslijn. Opvallend zijn de (meestal) twee zwarte vlekjes bij de binnenrandhoek.
Een gewone soort die verspreid over het hele grondgebied van Nederland en België voorkomt.
Zijn habitat zijn bossen, struwelen, populierenaanplanten en windsingels, ook parken en tuinen.
De waardplanten van de bruine wapendrager zijn (ratel)populier en wilg.
Rups van de bruine wapendrager
auteur : Harald Süpfle CC 3.0
De vliegtijd is half april-half september in twee generaties.
De vlinders komen op licht, meestal laat in de avond.
De rups : mei-begin oktober.
De rups verbergt zich overdag tussen samengesponnen bladeren en komt ´s nachts tevoorschijn om te foerageren.
De verpopping vindt plaats tussen samengesponnen bladeren van de waardplant.
De poppen van de herfstgeneratie vallen met de bladeren op de grond en overwinteren.
Meer over de Nederlandse naam : Wapendrager is een al lang bestaande naam en wordt al gebruikt door Ter Haar in 'Onze vlinders'.
Wat achter wapendrager gezocht moet worden is onduidelijk. Bij de Clostera's zou het betrekking kunnen hebben op het in rust boven de vleugels uitstekende lichaamsuiteinde.
Het is ook goed mogelijk dat met wapen een medaille wordt bedoeld. De wapendragers hebben alle een medaille in de punt van de voorvleugel.
Bruine verwijst naar de mooie bruine kleur van de voorvleugelpunt van deze soort.
Clostera : kloster = een spoel, naar de vorm van het abdomen die slank is en taps toeloopt in de anale segmenten.
curtela : kurtos = gebogen, gebocheld, naar de rups die Linnaeus omschrijft als 'turrita' met torens of bochels. Pickard en Macleod houden het op curtus, afgehakt, een omschrijving van de bruine punt op de voorvleugel.
De bruine wants (Eurygaster testudinaria) is een wants uit de familie Pentatomidae.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Geoffroy (Étienne Geoffroy Saint-Hilaire was een Frans natuurvorser die het principe van homologieën tussen verschillende soorten ontdekte.) in 1785.
Bruine wants
auteur : James Lindsey at Ecology of Commanster CC 2.5
De wants is meestal bruin van kleur, maar groene, rode en zelfs gele exemplaren komen ook voor.
De maximale lengte is ongeveer 11 millimeter, en het lichaam is bijna rond van vorm, de kleur is bruin met lichtere, brede dwarsstrepen op de rug.
Deze soort wordt soms ook wel schildpadwants genoemd, vanwege het scutellum dat het hele achterlijf bedekt, maar bij veel andere soorten wantsen veel kleiner blijft.
Een typisch kenmerk zijn de twee uit-stekende punten van het rugschild vooraan bij de kop.
De bruine wants leeft op planten als grassen en zuigt de sappen op waar hij van leeft, liefst in wat vochtige omgevingen als graslanden.
De soort komt in heel Europa voor en omdat de wants polyfaag is en meerdere plantenfamilies lust is de soort niet zo schadelijk als sommige andere soorten wantsen.
Ter verdediging kent de bruine wants een stinkende afscheiding die te vergelijken is met die van de groene stinkwants (Palomena prasina).
De eitjes worden aan de onderzijde van bladeren afgezet, de nimfen vervellen vijf keer voor ze volwassen zijn.
De bruine vuurvlinder (Lycaena tityrus of Heodes tityrus) is een dagvlinder uit de familie Lycaenidae, de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Poda in 1761.
De vrij kleine vlinder komt in graslanden, heiden en venen voor in heel Centraal- en Zuid-Europa.
De bruine vuurvlinder vliegt van zeeniveau tot 2500 meter in berggebied.
De bruine vuurvlinder is een schaarse standvlinder die in Nederland de noordgrens van zijn areaal bereikt.
Engels : Sooty Copper Duits : Brauner Feuerfalter, Schwefelvögelchen Frans : l'Argus Myope, le Cuivré fuligineux Oude Nederlandse naam : bruin vuurvlindertje
Bruine vuurvlinder (mannetje)
auteur : Olaf Leillinger CC 3.0
De voorvleugellengte bedraagt ongeveer 14 millimeter.
De onderkant van de achtervleugel heeft in tegenstelling tot de andere vuurvlinder-soorten een geelbruine grondkleur.
Zowel op de voor- als op de achtervleugel bevinden zich oranje achterrandvlekken die scherp zwart zijn afgezet.
De bovenkant van de voorvleugel van het mannetje is bruin met enkele zwarte vlekken, langs de achterrand bevinden zich oranje vlekjes.
Bij het vrouwtje is de bovenkant van de voorvleugel oranje met zwarte vlekken.
De bruine vuurvlinder lijkt veel op de kleine vuurvlinder.
parende bruine vuurvlinders (vrouwtje boven)
auteur : Loz (L. B. Tettenborn) CC 3.0
In Nederland komt de vlinder voor op de zandgronden van de Veluwe, in Drenthe en delen van Twente.
Zijn habitat zijn enerzijds droge gebieden op de zandgronden, zoals kruidenrijke heide en droge, schrale, bloemrijke graslanden, anderzijds vochtige gebieden, zoals schraal kruidenrijk grasland in laagveenmoerassen.
De waardplanten van de bruine vuurvlinder zijn diverse soorten zuring, waaronder vooral schapenzuring en veldzuring.
Bruine vuurvlinder (vrouwtje)
auteur : Kenraiz CC 3.0
De vliegtijd is begin mei-eind juni en begin juli-eind augustus in twee generaties.
De vlinders besteden relatief veel tijd aan het zoeken van nectar.
Vlinders van de eerste generatie zijn vooral te vinden op braam, die van de tweede generatie op struikhei, gewone dophei en akkerdistel.
De mannetjes verschijnen enkele dagen eerder dan de vrouwtjes en verdedigen een territorium vanaf een nectarplant.
De rups : half augustus-begin mei en begin juni-half juli.
De soort overwintert als halfvolgroeide rups in de strooisellaag.
De verpopping vindt plaats in op de bodem tussen strooisel.
tityrus : Tityus is de naam van een schaapsherder genoemd in de Eclogues van Virgilius.
In Nederland staat de bruine vuurvlinder op de rode lijst vermeld als zeldzaam.
Vrij opvallend is de duidelijke dubbele vlek in het zoomveld, dicht bij de vleugelpunt, bij de meeste verwante soorten is deze vlek minder duidelijk of afwezig.
Een ander tamelijk constant kenmerk is de meestal heldere tekening en de duidelijke witte afzetting aan de buitenzijde van de vaak bleke purperachtige middenband.
Het lichte bandje dat hier nauw aan grenst, is vrij breed en contrasteert scherp met de grondkleur van de vleugelzoom.
De vierbandspanner (X. ferrugata) lijkt veel op de bruine vierbandspanner.
Algemeen wordt aangenomen dat exemplaren met een diep zwarte middenband altijd behoren tot de vierbandspanner (X. ferrugata) en exemplaren met een bleke purperachtige middenband tot de bruine vierbandspanner (X. spadicearia).
Xanthorhoe spadicearia
auteur : James Lindsey at Ecology of Commanster CC 3.0
De kleur- en contrastvormen die elkaar in het midden raken leveren echter vaak een groot probleem op bij de determinatie.
Vaak wordt genoemd dat de vierbandspanner een duidelijkere inkeping aan de binnenzijde van de middenband heeft, dicht bij de voorrand, maar dit kenmerk wordt door anderen in twijfel getrokken.
Ook zou de onderkant van de achtervleugel minder getekend zijn.
Beide soorten zijn variabel en sommige exemplaren zijn zonder genitaliënonderzoek niet van elkaar te onderscheiden.
Zijn habitat zijn vooral tuinen, bossen, struwelen, graslanden, moerassen, natte heiden en duinen.
De waardplanten van de bruine vierbandspanner zijn diverse kruidachtige planten.
Rups van de bruine vierbandspanner
auteur : James Lindsey at Ecology of Commanster CC 3.0
De vliegtijd is van half april-half oktober in twee, soms drie generaties.
De vlinders zitten overdag vaak op bladeren en zijn gemakkelijk op te jagen uit struiken en lage vegetaties.
Ze vliegen vanaf de schemering en komen op licht, bij het neerstrijken op het laken houden ze vaak hun vleugels opgeklapt.
De rups : juni - augustus.
De soort overwintert als pop in een cocon in de strooisellaag.
Een woordje bij de Nederlandse naam : De bandspanners hebben een bandtekening dwars over de vleugels. Er zijn drie soorten in het Genus Xanthorhoe die aangeduid worden met vierbandspanner . Hier gaat het om de meest bruine van deze drie.
De grondkleur van deze soort is, zeker bij de eerste generatie, bruin.
Xanthorhoe : xanthos = geel en rhoe = een stroom, een rivier; verwijzend naar de gelige kronkellijnen die een aantal soorten van dit genus kenmerken. spadicearia : spadix = een bruintint; de kleur van de mediane dwarsband. Deze naam zou meer geschikt geweest zijn voor X. ferrugata.
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- vlindernet
- tinternet
De bruine sprinkhaan (Chorthippus brunneus) is een rechtvleugelig insect uit de familie veldsprinkhanen (Acrididae), onderfamilie Gomphocerinae.
De soort wordt ook wel tot het geslacht Glyptobothrus gerekend.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Thunberg in 1815.
De bruine sprinkhaan is in vrijwel heel Europa algemeen en komt overal in Nederland en België voor.
Engels : common field grasshopper Duits : Braune Grashüpfer Frans : le Criquet duettiste
De bruine sprinkhaan lijkt sterk op de snortikker en de ratelaar.
Qua geluid zijn de drie soorten goed uit elkaar te houden maar omdat de vrouwtjes geen geluid maken zijn deze moeilijk op naam te brengen.
De habitat bestaat uit verschillende begroeide omgevingen van wegbermen tot open plekken in het bos en graslanden, er is niet echt een voorkeur wat waarschijnlijk het grote verspreidingsgebied verklaart.
Chorthippus brunneus (mannetje)
auteur : Jörg Hempel CC 3.0
De kleur is overwegend bruin maar kan soms ook groen zijn.
Het lichaam is relatief sterk gevlekt.
Het halsschild is lichter van kleur, de zijkielen zijn wit en zijn naar elkaar toe geknikt.
De bruine sprinkhaan is langgevleugeld, de vleugels hebben een chorthippuslobje en reiken bij beide seksen tot voorbij de achterlijfspunt.
De achterlijfspunt is meestal rood gekleurd, zowel bij de mannetjes als de vrouwtjes.
Mannetjes bereiken een lengte van 12 tot 17 millimeter, de vrouwtjes zijn 18 tot 25 mm lang.
bruine sprinkhaan (vrouwtje)
auteur : G.-U. Tolkiehn CC 3.0
De bruine sprinkhaan is als volwassen insect te zien van juni tot september en is vooral actief tussen negen uur in de ochtend en zeven uur in de avond.
De zang bestaat uit losse ratels, ongeveer zes per tien seconden.
Het is tot op zo'n tien meter te horen en wordt alleen voortgebracht in de zon.
De bruine snuituil (Hypena proboscidalis) is een middelgrote donkerbruine, slankgebouwde nachtvlinder uit de familie van de spinneruilen (Erebidae)
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Linnaeus in 1758.
Wijdverbreid in Europa, van het Iberisch schiereiland via Frankrijk, Italië en de Balkan tot Griekenland en Turkije.
De Middellandse zee vormt de zuidgrens.
Naar het noorden tot bij de poolcirkel en naar het oosten tot Japan.
Engels : The Snout Duits : Nessel-Schnabeleule Frans : la Noctuelle à museau , l'Hypène proboscidale Oude Nederlandse naam : snuitvlinder
De voorvleugellengte bedraagt tussen de 15 en 19 millimeter.
De 'snuit', die deze uil gemeen heeft met de andere Hypena-soorten en verwante uilen is door de extra lange, omhoog gerichte palpen zeer opvallend.
Het lichaam is slank en de voorvleugel is breed met een naar achter buigende vleugelpunt.
De grondkleur varieert van bruin tot dof grijsachtig bruin of donker purperachtig bruin.
Over de vleugel lopen twee donkerbruine dwarslijnen.
Vlinders van de tweede generatie zijn duidelijk kleiner en vaak ook donkerder.
In Nederland en België is de bruine snuituil een heel gewone soort die verspreid over het hele land voorkomt.
Zijn habitat zijn bossen, struwelen, heiden, ruige graslanden, rivieroevers, natte weilanden en tuinen.
De waardplant van de bruine snuituil is brandnetel
Rups van de bruine snuituil
foto : Jeroen Voogd op ukmoths.org.uk
De vliegtijd is van begin mei-half oktober in twee generaties.
De vlinders rusten overdag tussen de waardplant of andere vegetatie en zijn gemakkelijk op te jagen.
Ze vliegen vanaf de schemering boven de waardplant en bezoeken bloemen, ze komen zowel op licht als op smeer.
De rups : juli - mei.
De rups is ´s nachts actief en verbergt zich overdag tussen samengesponnen bladeren van de waardplant, jonge rupsen zitten vaak met meerdere exemplaren bij elkaar.
De soort overwintert als rups en verpopt zich in een cocon tussen de bladeren van de waardplant.
Een woordje bij de Nederlandse naam : De snuituilen hebben opvallend naar voren uitstekende palpen (de snuit) op de kop van de vlinder.
De grondkleur van deze soort is, zeker bij de eerste generatie, bruin.
Hypena : hypene = een snor of een baard, naar de behaarde labiale palpen en mogelijk ook naar de haarborsteltjes die op de poten van een aantal soorten zitten. Hypena had aanvankelijk de status van een familie. proboscidalis : proboscis = een olifantenslurf, naar de lange, vooruitgestoken palpen. Het is logischer om de twee palpen aan te duiden met olifantenslurf dan met mondgedeelte. Een slurf is een neus die ook gebruikt wordt als arm, terwijl een haustellum een mond is. Neus en mond zijn verschillende organen.
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- vlindernet
- tinternet
De voorvleugellengte bedraagt tussen de 13 en 15 millimeter.
Deze uil heeft een tamelijk slank gebouwd lichaam.
De warme grijsachtig bruine, vaak lila getinte voorvleugel heeft langs de achterrand bij de vleugelpunt een grote roestbruin gekleurde vlek.
De achterrand van de voorvleugel heeft een karakteristieke dubbele uitholling met halverwege een stompe punt en de vleugelpunt is scherp.
Kenmerkend zijn de twee fijne donkergerande geelachtig bruine dwarslijnen, die grofweg recht over de voorvleugel lopen en bij de voorrand een scherpe hoek maken.
Tussen deze centrale dwarslijnen liggen twee zwarte vlekjes. Ook over de achtervleugel loopt een donkergerande lichte dwarslijn.
Laspeyria flexula
foto : G. Tuinstra op www.vlinderwerkgroepfriesland.nl
In Nederland en België is de bruine sikkeluil een zeldzame soort die verspreid over het hele gebied wordt waargenomen.
Zijn habitat zijn bossen, struwelen, parken en oude boomgaarden.
De waardplanten van de bruine sikkeluil zijn korstmossen op loofbomen en naaldbomen;
uit kweekexperimenten blijkt dat de rupsen ook algen eten.
Rups van de bruine sikkeluil
foto : Philippe Mothiron op www.lepinet.fr
De vliegtijd is van begin juni tot half augustus in één generatie.
De vlinders vliegen vanaf de schemering; ze komen op smeer en in mindere mate op licht. Overdag rusten de vlinders op een boomstam of op naalden op de grond; ze zijn gemakkelijk te verstoren.
De rups : juli - mei.
De rups is vooral ´s nachts actief. De soort overwintert als jonge rups en verpopt zich in een stevige cocon op een tak van de waardplant.
Een woordje bij de Nederlandse naam : De gegolfde achterrand van de voorvleugel eindigt in een sikkelvorm en de grondkleur van de vleugels is bruin.
Laspeyria : laspeyria is een eerbetoon aan J.H. Laspeyres (1769 - 1809), een beroemde Duitse entomoloog die juist was gestorven. Laspeyres is ook burgemeester van Berlijn geweest. flexula : flexulus is een verkleining van flexus = gebogen, naar de gebogen vormen van de vleugelachterrand.
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- vlindernet
- tinternet
De voorvleugellengte bedraagt tussen de 17 en 23 millimeter.
Deze uil is in rusthouding te herkennen aan de brede driehoekige vorm. Over de bruine voorvleugel loopt een brede getailleerde lichte middenband, die grijsachtig bruin of rozeachtig grijs van kleur is. In de vleugelpunt liggen twee, vaak samengevloeide donkerbruine vlekken.
Door deze karakteristieke tekening onderscheidt de soort zich van alle andere in Nederland voorkomende uilen.
De grondkleur van de voorvleugel is variabel en loopt uiteen van middenbruin tot donkerbruin met soms een paarsachtige tint. Over het midden van de achtervleugel loopt een smalle diagonale vuilwitte dwarsband.
Dysgonia algira
auteur : Peter Skacel - vrije foto
In Nederland en België is de bruine prachtuil een zéér zeldzame soort die slechts af en toe wordt waargenomen.
In het buitenland komt deze uil voor in steengroeven en op het zuiden gerichte hellingen met een extreem warm microklimaat.
De waardplanten van de bruine prachtuil zijn diverse loofbomen en struiken, waaronder braam, wilg en sleedoorn.
Rups van de bruine prachtuil
auteur : Jeroen Voogd op www.vlindernet.nl
De vliegtijd is van eind april-half oktober in twee generaties.
De vlinders komen op licht.
De rups : juni-juli en september-oktober.
Er zijn geen rupsenvondsten bekend uit Nederland. De soort overwintert als pop.
Een woordje bij de Nederlandse naam : De grondkleur van deze mooi getekende uil is grijsbruin. De totale indruk van deze vlinder is prachtig.
Dysgonia : dus- is een voorvoegsel dat iets zieks aanduidt, met problemen; zoals b.v. in dyslexie en gonia = een hoek. Hübner omschrijft een onregelmatige postnediane lijn; de preciese betekenis van het voorvoegsel is niet geheel duidelijk. algira : Algerije is de plaats waar het type exemplaar werd gevonden.
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- vlindernet
- tinternet
De bruine oogspanner (Cyclophora quercimontaria) is een nachtvlinder uit de familie van de spanners, de Geometridae.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Bastelberger in 1897.
De soort komt voor in een groot deel van Europa.
Engels : Cyclophora quercimontaria Duits : Gelbroter Eichen-Gürtelpuppenspanner Frans : l'Acidalie de Bastelberger
Bruine oogspanner
auteur : Marko Mutanen, University of Oulu - vrije foto
De voorvleugellengte bedraagt tussen de 11 en 14 millimeter.
Deze soort is op grond van vleugelkenmerken nauwelijks te onderscheiden van de gestippelde oogspanner (C. punctaria).
De bruine oogspanner is over het algemeen wat kleiner dan de gestippelde oogspanner, heeft nooit een roodachtige of donkere vlek in het zoomveld en de donkerrode middenlijn is sterker en dikker dan bij de gestippelde oogspanner. Belangrijk kenmerk is het contact van deze middenlijn met de voorrand van de voorvleugel, die bij de bruine oogspanner duidelijk afbuigt en bij de gestippelde oogspanner in de meeste gevallen recht doorloopt.
Cyclophora quercimontaria
auteur : Frank Rämisch op www.lepiforum.de
In Nederland en België is de bruine oogspanner een zeer zeldzame soort die slechts af en toe wordt waargenomen.
De waardplant van de bruine oogspanner is eik.
Rups van de bruine oogspanner
auteur : Frank Rämisch op www.lepiforum.de
De vliegtijd in het buitenland: eind april-eind mei in één generatie; soms een partiële tweede generatie van eind juli-begin augustus.
De rupsen van de Cyclophora-soorten zijn zeer variabel. Per soort zijn er diverse (kleur)varianten: er zijn rupsen met een soort ‘zijstrepen’, er zijn vrijwel egale groene varianten en vrijwel egaal bruinoranjeachtige varianten.
De variant met zijstrepen van deze soort lijkt op gemarmerde oogspanner (Cyclophora pendularia), berkenoogspanner (Cyclophora albipunctata), gestippelde oogspanner (Cyclophora punctaria) en oranjerode oogspanner (Cyclophora puppillaria).
N.B.: vergelijk behalve de uiterlijke kenmerken ook de tijd van het jaar waarin de rupsen voorkomen, het habitat en de waardplant(en).
Een woordje bij de Nederlandse naam : Oogspanners hebben alle een meer of minder duidelijk oog op de voorvleugels. Deze oogspanner heeft soms een bruine tint.
Cyclophora : kuklos = een ring en phoreo = dragen. De discale vlekken op de voorvleugels van een aantal soorten.
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- vlindernet
- tinternet
Het mannetje is met een voorvleugellengte van 10 tot 12 millimeter iets groter dan het vrouwtje dat een voorvleugellengte heeft van 8 tot 11 millimeter.
Bij het mannetje zijn de vleugels zwartbruin, bij het vrouwtje is iets van metaalgroene glans te zien.
De metaalvlinder (Adscita statices) is een gelijkende soort.
In Nederland en België is de bruine metaalvlinder zeldzaam.
In Nederland wordt de soort wel op de zandgronden gezien, in België vooral in De Kempen en in Namen en Luxemburg.
Door de verborgen leefwijze en het feit dat de vlinders niet op licht komen en geen bloemen bezoeken, lijkt de soort wellicht zeldzamer dan hij in werkelijkheid is.
Zijn habitat zijn vooral heiden, ook warme droge graslanden.
De waardplanten zijn struikhei en soms zomereik.
Rups van de bruine metaalvlinder
auteur : Ernest van Asseldonk CC 3.0
De vliegtijd is van half juni tot in augustus in één generatie.
De vlinders komen vroeg in de ochtend uit de pop, de vrouwtjes blijven zitten in de buurt van de plaats waar ze uitgekomen zijn, de mannetjes vliegen vanaf het eind van de ochtend tot laat in de middag rond, op zoek naar een vrouwtje.
De vlinders hebben een gereduceerde roltong en kunnen dus geen voedsel opnemen.
Rups : juli - mei.
De soort overwintert als rups in een wit spinsel (hibernaculum) en verpopt zich in een cocon op de waardplant.
Een woordje bij de Nederlandse naam : De bruine metaalvlinder heeft een metaalglans over de vleugels en de kleur van de vleugels is bruin.
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- vlindernet
- tinternet
De bruine huismot of zadenmot (Hofmannophila pseudospretella synoniem Bryotropha pseudospretella) is een nachtvlinder uit de familie van de sikkelmotten (Oecophoridae).
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Stainton in 1849.
Voorheen was de soort bekend uit Azië, maar is sinds de 19e eeuw ook via voedsel geïntroduceerd in andere werelddelen.
Engels : Brown House Moth Duits : Samenmotte Frans : les œcophores, Hofmannophila pseudospretella
Bruine huismot
auteur : Muus, T.S.T. op www.microlepidoptera.nl
De bruine huismot heeft een spanwijdte van 15 tot 26 mm.
Op de donkerbruine voorvleugel zitten drie of vier vlekken.
De achtervleugels zijn iets lichter, beige, van kleur.
De bruine huismot is in Nederland en in België een algemene soort.
In huis kan hij het hele jaar worden waargenomen, maar vooral van juni tot in augustus.
Adulten kunnen worden verward met het genus Agonopterix, Depressaria en enkele Gelechiiden.
In veel gevallen zijn de exemplaren van H. pseudospretella wat groter van formaat, met een brede franje en drie duidelijke vlekken op de voorvleugel.
De waardplanten zijn verschillende plantaardige materialen, zelden ook stoffen, dode materialen (dood plantenmateriaal, dode dieren), papier en karton, dierenvoer en meel.
Rups van de bruine huismot
auteur : J. van Roosmalen op www.microlepidoptera.nl
Binnenshuis worden veel waarnemingen gedaan, omdat de soort als rups op verschillende materialen leeft die voornamelijk in schuren of zolders te vinden zijn.
Deze vlinders komen op licht.
Het rupsenstadium duurt tamelijk lang en meestal leven deze rupsen in groepsverband.
De rupsen zijn vrij gemakkelijk op naam te brengen maar lijkt ook veel op Endrosis sarcitrella die ook binnenshuis kan worden aangetroffen.
De kop is roodbruin, het lichaam is egaal wit-crèmegeel van kleur en het nekschild is ook vrij neutraal van kleur.
Meestal heeft deze dezelfde kleur als het lichaam zelf, of soms met een roodbruinige tint zoals de kop.
Vooral in de eerste stadia is er een matige, maar duidelijke beharing aanwezig.
De verpopping vind plaats in of op het voedsel, in een stevige gesponnen cocon.
Het popstadium duurt enkele weken (Muus, kweek).
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- www.microlepidoptera.nl
- tinternet
De voorvleugellengte van de vlinder bedraagt tussen de 14 en 19 millimeter.
De grondkleur van de voorvleugel is meestal geelachtig bruin of koperbruin met een grijsachtige of roodachtige tint.
De binnenste lob van de niervlek is donker gevuld.
De golvende donkergrijze of bruine dwarslijnen en de middenschaduw variëren sterk in intensiteit.
De lichte geelachtige golflijn heeft aan de binnenzijde een rode afzetting, soms gevolgd door een brede donkere zone.
Sterk getekende vlinders hebben donkere aders.
De achtervleugel is grijs met een brede bruinwitte wig langs de voorrand.
De bruine herfstuil is in Nederland en België een algemene soort, die verspreid over het hele gebied kan worden gezien.
Er zijn enkele gelijkende soorten zoals de geelbruine herfstuil (A. macilenta) en de populierengouduil (Xanthia ocellaris).
Zijn habitat zijn loofbossen, struwelen, parken en tuinen.
De waardplanten zijn diverse loofbomen, waaronder iep, (ratel)populier en gewone es, later ook diverse kruidachtige planten.
Rupsen van de bruine herfstuil
auteur : Arp CC 3.0
De vliegtijd is van half augustus tot eind november in één generatie.
De vlinders komen zowel op licht als op smeer en bezoeken overrijpe bramen en bloemen van onder andere klimop en struikhei.
Rups : maart - juni.
De rups foerageert eerst in de bloemen van de waardplant, later zit hij onbeschut op de plant en eet van de bladeren; sommige rupsen laten zich met de uitgebloeide katjes op de grond vallen en eten daarna van kruidachtige planten. De rups maakt een cocon in de grond en verpopt zich daarin ongeveer zes weken later. De eieren worden vlak naast de knoppen van de waardplant afgezet en overwinteren.
Een woordje bij de Nederlandse naam : De herfstuilen vliegen in het najaar.
De grondkleur van deze vlinder is bruin.
Agrochola : agros = een veld, de grondkleur en khole = bitterheid, gal, de kleur van gal: groen- of, zoals hier, geelachtig; naar de kleur van een aantal van deze soorten. circellaris : circelus = een smalle ring. Verwijzend naar de vlekken die van dezelfde grondkleur zijn als de vleugels, maar wel een donkere ring hebben.
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- vlindernet
- tinternet
De voorvleugellengte van de vlinder bedraagt tussen de 16 en 22 millimeter.
Een bruingrijze spanner met langs alle vleugels een donkerbruine zoom.
Verse vlinders hebben een purperachtige tint.
Op de voorvleugel bevinden zich aan de voorrand drie zeer donkerbruine vlekken, waarvan de middelste overgaat in een smalle donkerbruine dwarslijn die steeds vager wordt.
Het mannetje heeft geveerde antennen.
Het vrouwtje is kleiner en bruiner.
Selidosema brunnearia
auteur : Wolfgang Wagner op www.pyrgus.de CC 3.0
Het is een zeldzame soort die in de duinen van Noord- en Zuid-Holland en op de Waddeneilanden echter vrij frequent voorkomt, op de zandgronden in het binnenland schaars en verspreid.
In de rest van het land komt deze soort niet voor.
Zijn habitat zijn duinen, heiden en (kalk)graslanden.
De waardplanten zijn struikhei, brem, zuring en rolklaver.
Rups van de bruine heispanner
auteur : Wolfgang Wagner op www.pyrgus.de
De vliegtijd is van half juli tot eind augustus in één generatie.
De vlinders worden gemakkelijk uit de hei of van kale open plekjes opgejaagd, ook bij bewolkt weer.
Ze vliegen vanaf de schemering en komen meestal in kleine aantallen op licht.
Rups : september - juni.
De soort overwintert als jonge rups op de waardplant en verpopt zich in een cocon op of in de grond.
Een woordje bij de Nederlandse naam : Dit is een spannersoort van heidegebieden en de kleur van de vlinder is overwegend bruin.
Selidosema : delis, selidos = het gangpad tussen twee banken, de banken zelf, een rij stoelen in een theater, een bladzijde vol lijnen en sema = een kenteken, dit geeft een gevoel van een brede rij of een brede band; hier betrekking hebbend op de brede donkere band langs de achterranden. Een andere niet Nederlandse soort die Hübner ook in dit genus onderbracht is S. taeniolaria, taeniola = een smalle band. brunnearia : brunus = bruin, naar de grondkleur van deze soort.
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- vlindernet
- tinternet