Foto
Ich gruet u allen int gemeyne,
Want met nimant besonder en ben ich bekent
Inhoud blog
  • esperanto
  • Over liefde
  • Bidden en/of mediteren
  • in memoriam
  • Karel D'huyvetters: Spinoza: de brieven over God
  • Losse bedenkingen 2: De hoofddoek
  • Losse bedenkingen 1: Geloven en niet-geloven
  • Gerrit Achterberg: Weerbericht
  • Nicole Verschoore: Le maître du bourg
  • Henry James: Washington Square
  • liefde
  • Blason du corps féminin
  • Pessoa: Criança desconhecida e suja brincando à minha port
  • Boutens: Rijk gemis
  • Beschouwingen bij Als de ziel spreekt
  • P.C. Boutens: De ziel spreekt
  • Jacob Winkler Prins: Uit mistig grijze morgenstrepen
  • Franco Sacchetti: Florentijnse verhalen
  • Peter Handke: Wunschloses Ungluck
  • Maria Petyt: Het leven van de weerdighe moeder Maria Petyt
  • Leonardo Sciascia: Mort de l'Inquisiteur
  • Flannery O'Connor: Goede mensen zijn dun gezaaid
  • McCullers: Clock without hands
  • Jane Bowles: Two Serious Ladies
  • J.D. Salinger: Franny and Zooey
  • Anne Bronte: A Reminiscence
  • William Faulkner: Shingles for the Lord
  • Vercors: Le Silence de la Mer
  • Maria Dermout: De Sirenen
  • Aifric Campbell: De logica van het moorden
  • Jörn Pfennig: Twee gedichten
  • Hesse: Over lezen en boeken
  • Colum McCann: Het verre licht
  • Vondel, Shakespeare! 2
  • Vondel: Joseph in Egypten
  • Schnitzler: Traumnovelle
  • Vondel, Shakespeare !.
  • Arthur Schnitzler: Doktor Gräsler, Badearzt
  • Psalm 23
  • Rilke: Eranna an Sappho
  • Charles Perrault: Riquet à la houppe
  • Cathérine Bernard: Riquet à la houppe /Riquet met de kuif
  • Vestdijk: The Beauty and the Beast
  • Schnitzler: Der blinde Geronimo und sein Bruder
  • Arthur Schnitzler: Sterben
  • Hofmannsthal
  • Yeats
  • Swift: A Voyage to the Houyhnhnms
  • Swift: A voyage to Laputa!
  • Swift: A voyage to Brobdingnag
  • Swift 2
  • Swift (1667-1745)
  • Swift: Gulliver's Travels (1)
  • Joseph Conrad: Within the Tides
  • Schopenhauer over de dood (1)
  • Piet Calis: Vondel. Het Verhaal van zijn Leven
  • Jacques Prévert: Fatras
  • Van de Woestijne: Vervarelijk Festijn
  • John M. Synge: The Playboy of the Western World
  • Synge: prelude
  • Alan Bennett: The Uncommon Reader
  • James Baldwin: Going to meet the man
  • Laura Esquivel: Como agua para chocolate
  • Carry van Bruggen: Goenong Djatti
  • Carry van Bruggen: Anekdote
  • Juan Filloy: De Bende
  • Sébastien Japrisot: L'été meurtrier
  • Richard Hough: The Potemkin Mutiny
  • Leonardo Sciascia: De Zaak Aldo Moro
  • A. Stifter: Brigitta
  • Lodeizen/Merrill
  • Gezelle
  • Michaël Borremans: The glaze
  • McEwan: Aan Chesil Beach
  • Hanshan: Gedichten van de Koude Berg
  • Richard Minne: Madèle of de lustige weduw
  • William Faulkner: Mosquitos
  • Indisch beeldje
  • William Cullen Bryant
  • William Cullen Bryant: To the fringed gentian
  • William Cullen Bryant: Sonnet - To an American Painter Departing for Europe
  • Balzac: Les Proscrits
  • Herman Melville: Bartleby the Scrivener
  • Nabokov: An Affair of Honor
  • Nabokov: The Visit to the Museum
  • D. H. Lawrence: Liefde in het hooi
  • Grillparzer (1791-1872): De arme Speelman
  • Franz Kafka: Das Urteil (Het Vonnis)
  • Reiner Stach: Kafka. Die Jahre der Entscheidungen
  • Moreau-Vauthier: La mort de Joseph Bara
  • Louis David: Joseph Bara
  • J. Boze: Marat
  • David: A Marat
  • Goldsmith: She Stoops to Conquer
  • Pirandello en Camilleri
  • Oliver Goldsmith: The Vicar of Wakefield
  • Barbara Allen
  • Victor Jara (1932-1973)
  • Vestdijk: Sint Sebastiaan
  • Le jeu de tonneau
  • Brecht: Twee gedichten
  • Joden in Engeland
  • Christopher Marlowe: The Jew of Malta
  • Franz Kafka: Brief an den Vater
  • Willem de Mérode: De witte kater
  • Shakespeare: The Merchant of Venice (eerste bedrijf)
  • Stendhal: Lucien Leuwen
  • Baudelaire: Les Fleurs du Mal
  • The Arrest of Oscar Wilde at the Cadogan Hotel
  • Lichtenberg
  • Charles Ducal: In inkt gewassen
  • Amoz Oz: Verzen van het leven en de dood
  • Goldsmith (1728-1774)
  • Shakespeare: The Tempest
  • David van Reybrouck: Slagschaduw
  • Norbert De Beule: EBdiep
  • Een naam
  • Ira Levin: Een kus voor je sterft
  • José Eduardo Agualusa: De handelaar in verledens
  • Kathleen Raine: The World
  • Erwin Mortier: Avonden op het Landgoed. Op reis met Gerard Reve
  • Nathaniel Hawthorne: The Gentle Boy
  • Poe: The Premature Burial
  • Melville
  • Bhartrihari
  • Ismail Kadare: De dochter van Agamemnon. De opvolger
  • Thomas Hardy: Jude the Obscure
  • Carlos Drummond de Andrade: De liefde, natuurlijk
  • Kenzaburo Oë: De knoppen breken
  • Angus Wilson: Anglo Saxon Attitudes
  • Sandro Veronesi: Waar gaat die vrolijke trein naartoe
  • Frederik van Eeden: Pauls ontwaken
  • Sàndor Màrai: Gloed
  • Anthony Powell: What's become of Waring
  • Ian McEwan: De troost van vreemden
  • Stendhal: Lamiel
  • Sándor Márai: De opstandigen
  • Friedrich Dürrenmatt: De rechter en zijn beul
  • Thomas Bernhard: Der Stimmenimitator
  • B. Traven: Een generaal komt uit de wildernis
  • Epicurus/Leopold
  • Bernardo Carvalho: Negen nachten
  • Ian McEwan: Amsterdam
  • Rosalie en Virginie Loveling
  • Agota Kristof: De analfabete
  • Daniel Defoe: A Journal of the Plague Year
  • Voltaire: Filosofisch woordenboek
  • Vondel: Noah 5e bedrijf
  • Thomas Hardy: Far from the Madding Crowd
  • Dromen
  • Leonardo Sciascia: Een duidelijke zaak
  • L.P. Boon: De paradijsvogel
  • Gorecki: Symfonie nr. 3 - Symfonie der Klaagliederen
  • J. H. Leopold
  • Petrarca: Brieven aan zijn broer
  • Konstantin Paustovskij: Begin van een onbekend tijdperk
  • Heinrich van Kleist: Die Marquise von O.
  • Lionel Trilling: The Middle of the Journey
  • Poesjkin: Schoppenvrouw
  • Schnittke
  • Timmermans: Adagio
  • Joseph Roth: Rebellie
  • John Boyne: De jongen in de gestreepte pyjama
  • Evelyn Waugh: Edmund Campion
  • Umberto Saba: Voor de vogels en een vriend
  • Kenzaburo Oë: De hoogmoedige doden
  • Heinrich Böll: De nalatenschap
  • Nabokov: Uitnodiging voor een onthoofding
  • Achterberg: En Jezus schreef in 't zand
  • Vondel: Noah 4e bedrijf
  • Streven januari 2007
  • Vladimir Nabokov: Bastaards
  • Sá-Carneiro: Twee gedichten
  • Mário de Sá-Carneiro: Beijos
  • Boutens: Kussen
  • Georges Eekhoud / J.I. De Haan
  • Vestdijk: Ierse nachten
  • Faulkner: As I Lay Dying
  • Boutens
  • Alfred Jarry: L' amour en visites
  • Ledeganck: Het burgslot van Zomergem
  • Tsjechow: Drama op de jacht
  • William Faulkner: Sanctuary
  • Vondel: Noah vervolg 3e bedrijf
  • Vondel: Noah 3e bedrijf
  • Pierre Louÿs (1870 - 1925) : Journal
  • Ledeganck: De Zinnelooze
  • Pikanterie
  • Goya en Louÿs
  • Pierre Louÿs: La Femme et le Pantin
  • Jack London: De droom van Martin Eden
  • Hugo von Hofmannsthal: Das Erlebnis des Marschalls von Bassompierre
  • Eduard von Kaiserling: Schwüle Tage
  • Flaubert: Saint Julien l'hospitalier
  • Saint Julien l'hospitalier
  • Emile Zola: Thérèse Raquin
  • Zondeval
  • Witold Gombrovicz: De beheksten
  • Janneke
  • Albert Verwey: De page
    Zoeken in blog

    sprokkelhout

    06-04-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Streven januari 2007
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Streven januari 2007

     

    Streven is een van de interessantste Vlaamse maandbladen die ik ken. In elk nummer tref je wel een boeiend artikel aan. Zo ook in dit nummer. Ik zou een samenvatting willen geven van een bespreking van het boekje On Bullshit van de filosoof Harry Frankfurt, door Guido Vanheeswijck (zelf filosoof aan de universiteiten van Antwerpen en Leuven).

     

    In dat boekje geeft Frankfurt een begripsanalyse van het woord Bullshit of gelul.

    Frankfurt/Vanheeswijck citeert de versregels van Longfellow:

     

    In the elder days of art

    Builders wrought with greatest care

    Each minute and unseen part,

    For the Gods are everywhere.

     

    Uitgaande van die regels zou je kunnen stellen dat gelul overeenstemt met slordigheid. Toch is dat niet zo, want er wordt bijvoorbeeld vaak ‘professioneel’ geluld door reclamejongens. Zij gaan allesbehalve slordig te werk om bepaalde producten aan de man te brengen, en toch blijft dat gelul.

     

    Het fundamentele onderscheid is volgens Frankfurt de verhouding van het gezegde tot de waarheid en/of werkelijkheid.  Wie leugens vertelt, neemt toch nog een houding aan tegenover de waarheid, namelijk hij zegt de waarheid niet. Bij lullen is er echter onverschilligheid ten aanzien van hoe de dingen echt zijn.

     

    In het laatste en (volgens Vanheeswijck) boeiendste deel van het boekje vraagt Frankfurt zich af waarom er zoveel geluld wordt. Daar zijn twee redenen voor. De eerste is dat van ons verwacht wordt dat we over alles meepraten, dat we over alles onze mening moeten hebben.

    De tweede en belangrijkste reden is terug te voeren op het scepticisme. Dat stelt dat een rechtstreekse toegang tot de werkelijkheid onmogelijk is. Extreem gesteld betekent dit dat de werkelijkheid niet kenbaar is en dat er dus geen waarheid bestaat die als norm kan gelden voor ons denken en handelen.

    Dit scepticisme heeft tot gevolg dat we terugvallen op het subject, op onszelf als de enige bron van kennis. Het individu probeert niet meer een nauwkeurige voorstelling te geven van een gemeenschappelijke wereld, maar het beperkt zich ertoe een eerlijke voorstelling van zichzelf te geven. Tegenover correctheid, d.i. een zo correct mogelijke weergave van de werkelijkheid, wordt onze eerlijkheid gesteld (omdat we de correctheid van onze uitspraken niet meer zouden kunnen afwegen tegen een objectieve norm).

    Frankfurt is het met die zienswijze niet eens. Eerlijkheid tegenover jezelf zou betekenen dat je een onveranderlijke kern hebt, en die hebben we volgens Frankfurt niet. Wij bestaan als bewuste wezens juist in reactie op andere dingen en andere mensen en we kunnen onszelf niet kennen zonder die andere mensen en dingen te kennen.

     

    Voor mij is de belangrijkste zin uit dit stuk: proberen een nauwkeurige voorstelling te geven van een gemeenschappelijke wereld. Misschien is de filosofie voor het uitvoeren van die opdracht niet meer nodig, maar we hebben het wel aan de filosofie te danken dat ze ons die opdracht aan de hand heeft gedaan en ze heeft afgebakend.

     

    Ik wil nogmaals herhalen dat dit stukje een samenvatting is van het artikel van Guido Vanheeswijck, verschenen in Streven januari 2007, blz. 56 – 60.

     

     

     

     

    06-04-2007 om 19:09 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    04-04-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vladimir Nabokov: Bastaards
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Vladimir Nabokov: Bastaards

     

    De Engelse titel is Bend Sinister.  Dat is een term uit de wapenkunde en het teken verwijst naar een bastaard. Vandaar de Nederlandse titel. Sinister komt van het Latijn en betekent links. Nabokov is de communistische Sovjet-Unie ooit ontvlucht en heeft de rest van zijn leven in Amerika gewoond.

     

    Deze roman is een raamvertelling. Op de eerste bladzijden vernemen we dat de operatie van de vrouw van de schrijver mislukt is en dat ze zal sterven. De auteur begint dan aan de eigenlijke roman. Daarin is de hoofdpersoon Adam Krug, een filosofieprofessor. Zijn echtgenote is pas overleden en hij blijft achter met een zoontje. In zijn land is een staatsgreep gepleegd en is een totalitair bewind geïnstalleerd. De leider is Paduk, een oude schoolmakker van Krug, die destijds door iedereen, maar vooral door Krug werd gepest. Iedereen in de omgeving van Krug wordt gearresteerd maar hijzelf wordt voorlopig met rust gelaten. De universiteit was gesloten en nu wil de dictator dat Krug zich aansluit bij de nieuwe orde en de leiding van universiteit op zich neemt. Krug weigert. Hij wordt aangehouden en gescheiden van zijn zoontje. Als men ermee dreigt zijn zoontje te slachtofferen, geeft hij toe. Maar het is al te laat.

     

    Weer geen gemakkelijk boek. Nabokov schrijft zo dat je elke zin aandachtig moet lezen of je bent niet mee. Soms zijn de zinnen echte hersenbrekers. Maar je merkt dat de schrijver deze roman met plezier heeft geschreven. Het boek krioelt van de vondsten en het zit vol humor en fantasie, maar ook vol wreedheid.  Die wreedheid uit zich niet zo zeer in beschrijvingen , dan wel in de fantasie en de ideeën.  Ik neem het voorbeeld van het zoontje. De jongen werd per vergissing niet meer aangezien als de zoon van Krug en daarom afgevoerd naar een instelling voor wezen waar de kinderen als afreageer-instrument dienden ten behoeven van interessante gevallen met een ‘misdadig’ verleden (verkrachting, moord, vernieling van staatseigendommen enz). Het experiment bestaat erin dat die mensen zich in groep eens per week mogen uitleven op dat wezentje van nul en generlei waarde. Op die manier zou het kwaad in hen kunnen ontsnappen en zouden ze weer tot brave burgers kunnen uitgroeien.

     

    Nabokov richt zijn satire zowel op het nationaal-socialisme als het communisme. De universiteitsrede die Krug moet uitspreken verwijst naar Heidegger die zich in de vroege jaren dertig wel voor de kar van de NS liet spannen.

     

    Verder bevat het boek een rijkdom aan ideeën. Zo staat er een hele analyse in van Shakespeare’s Hamlet.

     

    Om een idee te geven van wat je als lezer te wachten staat, enkele citaten. De definitie van filosofie:

    Als je probeert je een mirok (kleine rode aardappel) voor te stellen zonder enige betrekking op die je gegeten hebt of nog zult eten.

     

    De dictator Paduk hangt de leer van het Ekwilisme aan. Het bewustzijn is onder de mensen op de wereld ongelijk verdeeld en daaruit vloeien alle kwalen voort. Het komt er dus op aan om dat bewustzijn over alle mensen evenwichtig te verdelen, d.w.z. er eenheidsworsten van te maken.

     

    Hij voerde als grondslag voor de universele zaligheid de idee van het evenwicht in en noemde zijn theorie het Ekwilisme. Dit was iets geheel nieuws, beweerde hij. Het is waar dat het socialisme reeds gelijkvormigheid bepleitte op economisch gebied en de godsdienst had grimmig hetzelfde op het terrein van de geest beloofd als een onvermijdelijke toestand aan gene zijde van het graf. Maar de econoom had niet ingezien dat een gelijke verdeling van de rijkdom niet met succes kon worden doorgevoerd en in feite geen betekenis had, zolang er individuen bestonden met meer hersens of energie dan anderen; en op analoge wijze was de priester niet bij machte de futiliteit van zijn metafysische belofte in te zien, wanneer deze betrekking had op die uitverkorenen (mannen van grillige genialiteit, jagers op grof wild, schaakspelers, wonderbaarlijk robuuste en veelzijdige minnaars, de stralende vrouw, als zij na het bal haar collier afdoet), voor wie deze wereld op zichzelf al een paradijs was en die altijd een kleine voorsprong zouden willen behouden, wat er ook met de mensen in de smeltkroes van de eeuwigheid mocht gebeuren.

     

    04-04-2007 om 09:31 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    28-03-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Sá-Carneiro: Twee gedichten

    Sá-Carneiro: Twee gedichten

     

    De volgende twee gedichten zijn uit de laatste maanden van de dichter. Het laatste Fim is zijn laatste gedicht. Omdat deze gedichten niet zo omvangrijk zijn als het vorige geef ik ook de Portugese tekst.

     

    Feminina

     

    Eu queria ser mulher pra me poder estender

    Ao lado dos meus amigos, nas « banquettes » dos cafés.

    Eu queria ser mulher para poder estender

    Pó-de-arroz pelo meu rosto, diante de todos, nos cafés.

     

    Eu queria ser mulher pra não ter que pensar na vida

    E conhecer muitos velhos a quem pedisse dinheiro –

    Eu queria ser mulher para passar o dia inteiro

    A falar de modas e a fazer « potins » - muito entretida.

     

    Eu queria ser mulher para mexer nos meus seios

    e aguçá-los ao espelho, antes de me deitar –

    Eu queria ser mulher para que me fossem enleios,

    que num homem, francamente, não se podem desculpar.

     

    Eu queria ser mulher para ter muitos amantes

    e enganá-los a todos – mesmo ao predilecto –

    Como eu gostava de enganar o meu amante loiro, o mais esbelto,

    com um rapaz gordo e feio, de modos extravagantes…

     

    Eu queria ser mulher para excitar quem me olhasse,

    Eu queria ser mulher para me poder recusar…

     

    Vrouwelijk

     

    Ik zou een vrouw willen zijn om me te kunnen neervlijen

    Naast mijn vrienden, op de banken in het café.

    Ik zou een vrouw willen zijn om in het café,

    Zodat iedereen het ziet, mijn gezicht te poederen.

     

    Ik zou een vrouw willen zijn om niet aan het leven

    Te moeten denken en om oude mannen geld af te troggelen –

    Ik zou een vrouw willen zijn om de hele dag onderhoudend

    Te roddelen en over de mode te praten.

     

    Ik zou een vrouw willen zijn om voor het slapen gaan

    Mijn borsten aan te raken  en ze voor de spiegel te betasten.

    Ik zou een vrouw willen zijn om te genieten van affaires

    Die men een man, eerlijk gezegd, niet kan vergeven.

     

    Ik zou een vrouw willen zijn om veel minnaars te bezitten

    En ze allemaal te bedriegen – zelfs de uitverkorene –

    Hoe graag zou ik mijn blonde minnaar, de meest elegante,

    Willen bedriegen met een dikke en lelijke, extravagante kerel.

     

    Ik zou een vrouw willen zijn om wie naar me kijkt te prikkelen

    Ik zou een vrouw willen zijn om mezelf niet te geven…

     

     

    Fim

     

    Quando eu morrer batam em latas,

    Rompam aos berros e aos pinotes-

    Façam estalar no ar chicotes,

    Chamem palhaços e acrobatos.

     

    Que o meu caixão vá sobre um burro

    Ajaezado à andaluza :

    A um morto nada se recusa,

    E eu querro por força ir de burro…

     

     

    Einde

     

    Als ik dood ben, maak dan kabaal

    Trommel, schreeuw en spring in het rond.

    Laat zwepen knallen in de lucht,

    Vraag clowns en acrobaten.

     

    En laad mijn kist op een ezel

    Andaluzisch opgetuigd:

    Een dode wordt niets geweigerd,

    En ik wil per se op een ezel gaan…

     

     

    28-03-2007 om 16:50 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mário de Sá-Carneiro: Beijos
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Mário de Sá-Carneiro: Beijos

     

    Om nog even bij kussende dichters te blijven, toevallig keek ik nog eens in de gedichten van deze Portugese dichter en vond ik het onderstaande gedicht. Ik geef een heel vrije Nederlandse vertaling.

    Deze dichter leefde van 1890 tot amper 1916. Hij voelde zich nooit goed in zijn vel en heeft op het eind in Parijs zelfmoord gepleegd. Erg geënsceneerd. Hij had zich in een smoking gestoken en de vorige dag had hij een vriend geschreven om hem op dat bepaald tijdstip een bezoek te brengen. Toen de vriend ’s anderendaags aankwam, was de dichter, die vergif had ingenomen, nog in leven, maar hij kon niet meer gered worden.

     

    Beijos is een vroeg gedicht. Het is eigenlijk een monoloog om te worden opgevoerd in een theater. Met wat goede wil vind je er Van Ostaijen in terug, de vroege van Music Hall en de late van het Alpenjagerslied. Sá-Carneiro schreef evenals Van Ostaijen concrete poëzie in navolging van Apollinaire.

    Hier gaan we:

     

    Kussen

     

    ‘Kussen !’,  prachtig woord… regelmatig werkwoord

            Maar zeer onregelmatig
    In tijden en wijzen…

     

    Zoveel kussen ken ik en alle zo verschillend!...

     

    Een kus uit liefde of vriendschap
    Of  louter hoffelijkheid,

    En vaak zelfs, hoe wreed het te moeten zeggen
    Is hij alleen maar hypocriet.

     

    De edelste van alle kussen

    Is moeders zoete kus,

    Veel waardevoller

    Dan een kus van verlangen:

    De geur van deze kus

    Droogt in onze kindertijd

    Menige traan… geluk;

    Elke dag biedt deze zuivere kus

    Een veilig toevluchtsoord

    Voor wie ongelukkig is.

     

    Onder dames is de kus een gevestigde gewoonte,

    Banale begroeting – verworden tot iets belachelijks!:

    (Imiteert twee dames die elkaar op straat ontmoeten)

     

    -Hoe maakt u het, goed mag ik hopen  ? (Een kus) En uw echtgenoot ?
    (Nog meer kussen) – Gezond en wel. En u zelf mevrouw Mafalda ?
    - Niet slecht tegenwoordig. Maar wat is het verschrikkelijk heet,
    vind je niet ? – O God, wat een afschuwelijk weer!...

    Kussen van die aard, een dichter zei het al,

            Zijn verloren kussen.
    (Kussen die verloren gaan ! Waanzin is het !
    Waarom ze niet aan mij gegeven ?)

     

    De osculum pacis van de kardinalen

    Is een andere beleefdheidskus;

    Kussen van ouders of broers

    Zijn kuise vriendschapskussen.

     

            Ook bloemen kussen elkaar
    Passievol,
    Het geeft niet als je
    de tedere kussen van bloemen niet ziet.

    En er zijn nog verloren kussen:
    Hier bijvoorbeeld
    Kussen die acteurs elkaar
    Op goed geluk geven
    Op goed geluk
    Omdat het zo in het script staat.

    - En de liefdeskus ?
    Rustig maar beste toeschouwer,
    Ik ben hem niet vergeten

    Maar bewaar hem voor het laatst, als de enige ware.

    Nu is hij aan de beurt
    En omdat hij zo belangrijk is,
    Zal ik hem in de vorm gieten
    Van een magistraal sonnet.

     

    Een liefdeskus is een zalig moment

    Meer waard dan duizend levens,

    Hij is balsem op de pijnlijkste wonden,

    Een werveling van vuur, uitbundige extase !

     

    Geen zuivere maar een bedwelmende kus,

    Een zonde die de hemel opent voor een droeve ziel.

    O ! Hoe zoet is het te zondigen met de monden opeen

    In een wild verlangen van rillend vlees!

     

    De sensuele lippen van een geliefde vrouw

    Wekken op tot leven en geven warmte. Ellendig is het lot

    Van de gelukkige die er nooit een kus op drukte;

     

    Gezegend is het leven, het gekwelde leven

    Van wie zijn mond verenigt met de zondige mond

    Van zijn geliefde, die bemint, lijdt en sterft.

     

            (Pauze – Verandert van toon)

     

    Ik wens te eindigen

    Met een kus voor mijn geliefde,

    Maar daar ik geen geliefde heb

     

            (Richt zich tot een toeschouwster)

     

    Bent u het die ik zal omhelzen…

    Wees niet boos. Uw gelaat geeft me toestemming

    Dat ik u kus…

    …………………. (werpt haar een kus toe)

    Een kus wordt gevraagd en gegeven,

    Je hoeft niet te blozen…

     

     

     



     

     

     

    28-03-2007 om 16:23 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    25-03-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Boutens: Kussen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Boutens: Kussen

     

    O kussen waarin lust naar liefde reikt,

    En liefde in alvergeten lust bezwijkt,

    Geen oogen kunnen open u beleven:

    Zij zwijken neêr in meêbegeven

    Naar blinden glans van duizend verre zonnen

    Uit haren dooven gloed bezonnen

    En dan tot blanken melkweg opgeheven:

    Lichtbrug die bindt van leven ons naar leven;

    Want elke kus blijft lichtgedacht,

    En alle nieuwe kus brengt zienden nacht.

     

     

    Dit prachtige gedicht kun je op een bepaalde manier ook mislukt noemen.

    In de eerste twee regels, en vooral in de tweede, lijkt het erop dat de dichter gaat zeggen wat hij gewaar wordt als hij een kus uitwisselt. Denk de woorden lust en liefde even weg uit die regels. De belangrijkste woorden zijn dan reikt, alvergeten, bezwijkt.  Reikt, geeft aan dat kussen actief en doelgericht is.  Men wordt aangedreven door iets en verlangt naar iets.  Die activiteit slaat in de tweede regel om in passiviteit. De opwaartse beweging van de eerste regel is nu omgebogen in een neerwaartse. Er heeft verdieping plaats, de dichter is afgedaald in de minder bewuste lagen van onze ziel. We bezwijken, we vergeten, wat wil zeggen dat ons denken wordt uitgeschakeld, dat we ons overgeven aan een meer oorspronkelijke grond.

     

    Nu stopt in het gedicht echter al die zoektocht naar de betekenis van het kussen als lichamelijke gewaarwording. Nog even zinspeelt Boutens erop door te zeggen dat de ogen ook bezwijken, ze worden gesloten. Uit die ogen wordt dan niet meer naar buiten gekeken. Hoe mooi verwoordt hij dat ! De ogen, het zien dus, begeeft zich mee naar de fantasiewereld. Hun rol is uitgespeeld, hij wordt overgenomen door de fantasie. Die kan ook ‘zien’. Hij ziet in beelden. Boutens laat nu het verstand en de fantasie spreken. Hij gebruikt beeldspraak om tot het wezen van de kus door te dringen. Maar hij komt niet verder dan een beschrijving, een benadering.

    In de blinde glans van duizend verre zonnen zegt hij dat de zonnen nog niet glanzen, dat zullen ze pas doen als ze door de kus bezonnen worden, dan zal hun gloed niet enkel doof (= gedoofd ) zijn.

    Hij ziet de kus als een lichtbrug.  Een brug, omdat ze twee mensen met elkaar verbindt. Van licht, omdat ze het licht in de kussende mens ontsteekt. Van leven naar leven moet men verstaan als het leven dat in de twee mensen aanwezig is. Bij uitbreiding zou men ook kunnen zeggen dat de kus een voorbode van toekomstig leven is, omdat hij tot gemeenschap leidt.

     

    De laatste regel klinkt wat eigenaardig. Je kunt het zo begrijpen dat telkens als de zienden kussen, ze hun ogen sluiten, zoals hij in regel drie had geschreven. Je kunt het woordje nacht ook zien als de plek waar of het moment waarop plaatsvindt wat in regel twee werd beschreven. De mens moet niet altijd zien, hij heeft ook nacht nodig. Niet de nacht waarin men slaapt, wel de nacht waarin de inhouden van het onbewuste, waaronder de lust, hun kans krijgen.

    25-03-2007 om 18:05 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Georges Eekhoud / J.I. De Haan

    Georges Eekhoud / J.I. De Haan

     

    Over De Haan heb ik hier vroeger al geschreven. Georges Eekhoud is een in het Frans schrijvende Antwerpenaar die leefde van 1854 tot 1927. Zijn hoofdwerk is La nouvelle Cathage, een sociaal bewogen roman over de havenstad Antwerpen.

     

    Het werkje dat ik nu van hem las heet : Les libertins d’Anvers. Légende et histoire des Loïstes.

    Het boek begint met de legende van de reus Antigoon en Brabo. Maar al vlug verlegt de auteur zijn aandacht naar de libertijnen en ketters die in Antwerpen geleefd hebben. Wat komt De Haan hier nu bij doen ? De eerste bundel gedichten die deze joodse en Nederlandse dichter schreef heet: Libertijnsche liederen. Hij heeft met andere woorden het boek van Eekhoud in versvorm gegoten, d.w.z. een heel beknopte versie van het boek.

    Een van de eerste sekten die wordt behandeld, is die van de Vaudois.  Ze werd in de 12e eeuw in Lyon opgericht  door ene P. Valdo. Het was een geweldloze sekte die losse zeden predikte, in armoede leefde enz. De leden droegen klompen en werden daarom Kloeffers of Kloevers genoemd. Ze leven voort in balladen (maar die heb ik op het internet jammer genoeg niet gevonden). Een van hen was Joskijn. Eekhoud beschrijft hem als volgt: Jooske ou Josequin, attaché au service d’un agriculteur des environs de Béthune, était un garçon de quinze ans, bon travailleur, bon enfant, amoureux précoce, sensuel, tendre jusqu’à la puérilité, caressant comme un jeune chien, et par-dessus tout brave, loyal et fidèle: en un mot, c’était un jeune Kloeffer.

    De jongen werd door zijn baas uitgeleverd aan Robert de Bulgaar, een beul die ooit lid was van de Kloeffers, maar die toen zijn geliefde werd ingepalmd door een ander sektelid, had gezworen dat hij alle Kloeffers zou uitroeien. Ik schakel nu over naar De Haan, die beschrijft hoe men probeerde om Joskijn om het leven te brengen.

     

    Zij kleedden hem naakt uit, spaarden geen plek geheim of teer,

    Voor hun boozen moed,

    Bonden hem voor de bijen neer

    Vol honingzoet.

    …

     

    Nu werden hun korven gestoord, zij stormden als een wolk

    Op den naakten knaap neer,

    Alle angels fel gelijk een dolk

    Vol puntig zeer.

     

    Maar ziet: zij kenden hem, zoo lief, zoo zacht, het was zijn loon,

    Dat geen hem leed toebracht,

    Zij stemden met hun lief betoon

    Scherprechters macht.

     

    Een andere figuur die uitgebreid aan bod komt is Eligius Pruystinck, of Loy de Schaliedekker. Een 16e eeuwse ketter die de sekte van de Loïsten stichtte, waarin zowel rijken als armen welkom waren. Hij predikte de vrije liefde, de veelwijverij en de veelmannerij, de liefde voor het leven enz. Hij zou ten slotte op de brandstapel sterven.

     

    De Haan maakte er zijn eigen personage van. Een mooie, onschuldige naïeve knaap.

     

    Zijn oogen zwartfluweel, wangen bloemrood, een bruine bengel,

    Leden rank, rap en kloek,

    Menig schilder maalde als een engel

    Hem op zijn doek.

     

    Het was iemand die alles vergeven werd

     

    De makkers in licht en lust volleerd zonden hem aan boord

    Om buit van scheepsgeraad,

    Hij won met blik en lach en woord,

    Schipper en maat.

     

    En arm en rijk volgden luisterend naar zijn lieve leer

    Van vreugde voor ziel en zin,

    Hij bracht in elk gemoed een keer

    Naar blijde min.

    25-03-2007 om 11:18 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (2)
    19-03-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vestdijk: Ierse nachten

    Vestdijk: Ierse nachten

     

    De snel- en veelschrijver Simon Vestdijk schreef deze roman in februari-maart 1942.

     

    Het verhaal speelt zich af in de jaren 1852 – 1860, toen Ierland nog een Brits wingewest was. Het wordt verteld door Robert Farfrae. Hij is de jonge zoon van de rentmeester die het domein beheert van een Britse familie die in Engeland verblijft. Deze int voor de landheer de pacht van een groep arme sloebers. Als ze die de pacht niet kunnen betalen, wordt hun woning ontruimd en moeten de bewoners elders onderdak zoeken of emigreren. Op een bepaald ogenblik beslist de landeigenaar om zoveel mogelijk stukken land samen te voegen en ze te laten bewerken door Schotse veekwekers. Als de landheer zijn domein komt bezoeken, ontstaan er onlusten met noodlottige gevolgen.

     

    Zoals dikwijls bij Vestdijk, voor mij althans, is het eerste hoofdstuk moeilijk door te komen. De hoofdrolspelers en de situatie worden voorgesteld, maar dat gebeurt nogal verward en met veel nevenfiguren die men niet direct kan plaatsen. Zwakke stukken wisselen af met sterke, zoals het derde deel Nachtwake. Vestdijk put rijkelijk uit de folklore, het volks- en bijgeloof op het Ierse platteland. De nachtwake wordt gehouden voor een opstandige jongeman die werd doodgeschoten. Bij die gelegenheid is de hele plaatselijke gemeenschap aanwezig en wordt een vloek uitgesproken die de dader van de moord moet treffen.

     

    Vestdijk blijft altijd het lezen waard, maar dit boek zal ik toch niet herlezen. Het mag het huis verlaten.

    19-03-2007 om 20:37 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    15-03-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Faulkner: As I Lay Dying
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Faulkner: As I Lay Dying

     

    Het is riskant om kort na elkaar twee werken van dezelfde schrijver te lezen, zeker als het eerste boek je  bevallen is. Dit keer moest ik van mijn keuze geen spijt hebben, want de laatste roman viel nog beter mee dan de vorige. Misschien mede dankzij het feit dat ik het boek dit keer in het Engels heb gelezen (maar niet zonder veel moeite en met het woordenboek binnen handbereik).

     

    Faulkner schreef deze roman in 1929, in een heel korte tijdspanne. Hij schreef hem ’s nachts tijdens de uren dat hij als stoker in een centrale van de universiteit werkte.

    De roman is ongewoon van opbouw. Hij bestaat uit 59 monologen die variëren van één regel tot enkele bladzijden. De monologen worden gezegd door vijftien personen. De meeste daarvan zijn de gezinsleden van de familie Bundren. Een arme blanke familie op het platteland in de staat Mississippi. De overige zijn kennissen en mensen die ze onderweg op hun onfortuinlijke reis ontmoeten.

     

    De vrouw en moeder van het gezin ligt op sterven. Ze zit rechtop in bed en kan naar buiten kijken waar Cash, een van haar zoons, bezig is met het ineentimmeren van haar lijkkist. Cash is:

    A good carpenter. Addie Bundren could not want a better box to lie in. It will give her confidence and confort.

     

    Een voorspelling die niet zal uitkomen. Men zal haar zelfs achterstevoren in de kist leggen, omdat men haar een bruidsjurk had aangetrokken die aan het kopeind niet mooi uitgespreid had kunnen worden.  Er zit dus ook veel humor in het boek, maar tegelijk veel pijn. Een wrange klucht.

    Om nog even bij de moeder te blijven, zij krijgt één monoloog toebedeeld en daaruit blijkt wat een harde tante, wat een bitch ze wel geweest is. Ze was lerares maar niet direct de meest toegewijde. Als de les gedaan is:  I would go down the hill, to the spring where I could be quiet and hate them. Met dergelijke onverwachte uitspraken weet Faulkner je voortdurend te verrassen. Haar dood beschrijft de auteur zo:

    She lies back and turns her head without so much as glancing at pa. She looks at Vardaman (de wat achterlijke jongste zoon); her eyes , the life in them, rushing suddenly upon them; the two flames glare up for a steady instant. Then they go out as though someone had leaned down and blown upon them. En dan volgt de reactie van de dochter die de stervende de hele tijd met een waaier koelte had toegewuifd. Kun je eigenlijk ontroerender en eenvoudiger woorden vinden, dan die welke Faulkner hier het meisje laat spreken ?

    ‘Ma, Dewey Dell says, ma !’.

     

     Maar om terug te keren naar de moeder.  Ze was sadistisch, sloeg haar leerlingen met een twijg en ze vond het leven maar niks.  I could just remember  how my father used to say that the reason for living was to get ready to stay dead a long time.

     

    Ze haalt herinneringen op aan haar kennismaking met haar toekomstige man Anse. Deze maakt zich ongerust over het feit dat haar familie bezwaar zou kunnen hebben tegen hun huwelijk.  Anse (die in het hele verhaal naar voren komt als een laffe, egoïstische lamzak) verdedigt zich aldus:

    ‘Well, I got a little property. I’m forehanded; I got a good honest name. I know how town folks are, but maybe when they talk to me …

    Waarop Addie riposteert:

    ‘They might listen, I said. ‘But they’ll be hard to talk to.’ He was watching my face. ‘They’re in the cemetery.

     

    Een van de zonen, Jewel, is een bastaard, verwekt door de dominee. De man komt één keer aan het woord. Voordat Addie sterft wil hij haar man bekennen dat hij de vader van Jewel is. Hij komt echter te laat. Op twee baldzijden beschrijft Faulkner hier meesterlijk de hypocrisie en het zelfbedrog van deze man. Met de hulp van God praat hij zichzelf goed. He (God) will accept the will for the deed. Als hij aan het huis komt, is Addie tot zijn grote opluchting al gestorven zonder een woord te lossen. In plaats van zijn misstap te bekennen, groet hij de bewoners met: God’s grace upon this house.

     

    Het belangrijkste deel van de roman gaat over de tocht van de hele familie met het lijk van hun moeder naar Jefferson, waar ze wilde begraven worden bij haar familie. Over die tocht doen ze 9 dagen, op een kar getrokken door een span muilezels. Ze moeten onder andere een rivier oversteken waarvan de brug door de overvloedige regen is weggeslagen. Dat leidt tot hilarische taferelen. Verder is er met elk personage wel wat aan de hand. Zo is de dochter zwanger en in de steek gelaten. Ze probeert aan een middeltje te komen om een abortus op te wekken, maar ook dat loopt verkeerd af. Jewel, de bastaard, is verzot op zijn paard, wat ook tot ontroerende passages aanleiding geeft.

     

    Een meesterwerk!

    15-03-2007 om 20:47 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (6 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Boutens
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Boutens

     

    Wanneer gij thuiskeert, als gij zeker zult,

    Kom niet te vroeg, niet vóór is afgedaan

    De lange slommer van dit weekbestaan

    In touw van zijn geduldig ongeduld.

    Ik zie de late hemelen al staan

    Gewasschen van verdriet, en pijn, en schuld,

    En eenig met het hooge spel vervuld

    Van nazon, avondster en nieuwe maan.

    Tot dan is alle saamzijn maar ten halve:

    Het leeg gerucht verleugent ieder woord,

    En lang vervalscht is tot Gods wijn en brood…

    Nog zullen wij twee-één zijn ongestoord,

    En hebben heel den avond aan onszelven,

    Den nacht, den langen rustdag van den dood.

    15-03-2007 om 07:49 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    10-03-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Alfred Jarry: L' amour en visites
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Alfred Jarry: L’ amour en visites

     

    Jarry (1873- 1907) was een buitenbeentje in de Franse literatuur, een voorloper van het dadaïsme en het surrealisme. Zijn bekendste werk is Ubu Roi, dat hij schreef op de leeftijd van 15 jaar. Toen het werk in 1896 werd opgevoerd, verwekte het een schandaal.

     

    Het werkje dat ik nu las bestaat uit elf korte verhalen. In de eerste zeven treedt dezelfde persoon op, Lucien, een jongeman die telkens een liefdesbezoekje brengt, aan een dienstmeisje (via de regenpijp), aan een publieke vrouw, aan een oude dame enz. Het laatste bezoek brengt Lucien aan zijn huisarts, die hij om raad vraagt voor zijn spontane zaaduitstortingen. In het Frans luidt de ondertitel van het stukje: Demi-jour propice aux tendres effusions. De volgende stukjes gaan over de angst die de liefde bezoekt, een bezoek aan de muze, in het paradijs en aan mevrouw Ubu. De laatste stukjes zijn compleet absurd.

     

    Om een idee te geven laat ik een luguber gedicht van Jarry volgen, in de vertaling van J. Slauerhoff. Het heet Chanson d’écervelage, of in het Nederlands Het Ontherseningslied.

     

    Ik fabriceerde al jaren lang lijkkisten

    -Allerheiligenparochie, Marsveldstraat-,

    Mijn vrouw was een hoogst bekwame modiste:

    We verdienden op leven en dood, dat ging niet kwaad.

    Als ’t mooi weer was op een Zondagmorgen,

    Dan trokken we onze beste spullen aan,

    Om te gaan zien naar het hangen en worgen

    En onthersenen al op de galgenbaan.

     

    Onze vier wurmpjes gooiden met dadelpitten

    En zwaaiden geestdriftig poppetjes van karton;

    Wij gingen deftig in ons rijtuig zitten

    En rolden naar de baan zo vlug als ’t kon.

    Daar begon ’t gedrang; we sloegen ons er doorhenen

    En stonden met eksterogen op goede voet;

    Ik klom altijd boven op een hoop stenen,

    Anders kreeg ik mijn bottines vol bloed.

     

    Weldra zijn wij met hersenbrij bespat,

    Mijn gade, ikzelf en onze stumpertjes;

    Die juichen: de Justitie zwaait zijn lat

    Tegen de lui met de loden nummertjes.

    Daar zie ‘k, haast aan de beurt, bij de machien’

    Een paap die collecteerde aan kerkedeuren;

    Jou ouwe schurk, jou heb ik meer gezien,

    Je hebt me afgezet, dat zal niet weer gebeuren!

     

    Zie, de machine gaat van tiereliere,

    De hersenbrij kronkelt als een hoop pieren!

    Zie, hoe verbleken de rentenieren!

     

    Hoera ! Roept luidkeels uit: Leve Vader Ubu!

     

    Mijn vrouw trekt me aan de mouw, ik snauw: verrek!-

    Zij: dooie pier, nu kun je onsterflijk worden,

    Gooi hem een vuilnishoop voor zijn bek!-

    De Justitie draait zich om, nu is ’t aan de orde.

    De uitstekende raad stijgt mij naar ’t hoofd,

    En ik grijp heldenmoed en nog wat met

    Beide handen aan – ’t was de burger beloofd,

    Maar ’t ploft de Justitie op zijn platte pet.

     

    Zie, de machine gaat van tiereliere,

    De hersenbrij spat door de schedelkieren!

    Zie, hoe verbleken de rentenieren!

     

    Hoera ! Roept luidkeels uit: Leve Vader Ubu!

     

    Al daadlijk word ik over ’t hek gesmeten;

    ’t Geëerd publiek, verstoord om de euvle daad,

    slingert mij, met het hoofd naar beneden,

    ’t groot gat in dat je levenslang niet weer verlaat.

     

    Dat komt er van als fatsoenlijke luiden

    Op Zondag wandlen al naar de galgenbaan,

    Om te zien naar ’t scalperen, kophakken, onthuiden:

    Je gaat levend heen, je komt er dood vandaan.

     

    10-03-2007 om 16:08 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-03-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ledeganck: Het burgslot van Zomergem

    Ledeganck: Het burgslot van Zomergem

     

    Deze lange cyclus schreef Ledeganck in 1840. Hij liet zich voor de romance of ballade inspireren door de puinen van een oud slot alhier bestaende. Het zou gaan om de ruïne van het kasteel Reesinge in Maldegem. Ledeganck was onder de indruk van de zware ijzeren halsringen waarin ooit gevangenen zaten vastgeklonken. Wat hij wil is in een sterk gekleurd tafereel de euveldaden schetsen die zulk een overblijfsel der oude tiranny vermoeden liet.

     

    De cyclus is opgedragen aan zijn schoonvader en begint met een opdracht. Het is die opdracht die ik hier overneem en bondig bespreek. Niet omdat ze zo mooi zou zijn, wel om de ideeëngang die erin ontwikkeld wordt. Wie de moed opbrengt het gedicht te lezen, doet er goed aan over de 19e eeuwse romantiek heen te lezen en zich te concentreren op de ideeën.

    (Zelf lees ik er niet meteen over, want die taal stoort me niet echt. Hoewel de taal vaak bombastisch en gezwollen is en de beelden huidige lezers niet meer zal aanspreken, laat staan ontroeren, toch schuilt er schoonheid in. Ik vind dat Ledeganck zuinig schrijft. Zijn beeldspraak is gebald en hij kiest gepast adjectieven).

     

    Sinds de dood van zijn vader heeft de dichter niet meer geschreven. Hij legt nu uit hoe hij ertoe gekomen is om toch opnieuw zijn snaar te stemmen.

     

    Aan mijn schoonvader J. F. DE HOON

     

    Er was een tijd, dat ik met vreugd de lier besnaarde:

    ’t Was toen ik door die lier wat meer dan lauwren gaarde;

    ’t Was toen haar toon mij soms den weltevreden lonk

    eens dierbren Vaders schonk.

     

    O ! wen ik op de snaar verblijd de vingren drukte,

    En door een krachtig woord zijne eedle ziel verrukte;

    Wen ik de kunst vereerde als bron van zijn genot,

    Hoe zalig was mijn lot.

     

    Geen wonder als het graf nu gaapte tusschen beiden,

    Dat ik van ’t werktuig zelf van vorig heil wou scheiden.

    Zulk een herinringsbeeld beneep mijn hart te fel,

    En ‘k zei der lier vaarwel.

     

    Een’ enklen zielzucht wilde ik op de snaar nog stemmen,

    Een’ zielzucht om de prang des boezems wat te ontklemmen:

    De toon brak treurig los als ’t afscheid van een’ zoon,

    En heilrijk was die toon.

     

    Ja, heilrijk was die toon; want op den wind gedragen,

    Werd hij van u gehoord, en kon hij u behagen.

    Ik zag, dat in de ziel, die ‘k op uw trekken las,

    Iets van mijn Vaders was.

     

    En sinds ik ondervond, dat in uw vaderharte

    Een schat van balsem ligt voor kinderlijke smarte,

    Heb ik me aan u geklemd, gelijk, als ’t noodweer wast,

    De drenkling aan den mast.

     

    En sinds ik in den kring van al uw kroost gezeten,

    U met denzelfden naam als al uw kroost mag heeten;

    En sinds ik in dien kring een bron van liefde vond,

    Genas mijn hartewond.

     

    En sinds ik heb beproefd, dat ook in ’t rijk der kunsten

    De weg is tot uw ziel, het middel tot uw gunsten;

    Dat u ’t gevoel bekoort in zangen uitgespat,

    Heb ik de lier hervat.

     

    Ik heb de lier hervat, om weer, in eigen toonen,

    De deugd te aanbidden en het misdrijf fel te hoonen;

    Om, waar mijn oog het spoor van goed of kwaad mocht zien,

    Mijn hulde of smaad te biên.

     

    Daar dwaalde ik langs het veld, en ‘k zag den grond beladen

    Met teekens van ’t bedrijf van vroeger euveldaden,

    En ‘k juichte, dat een licht op onzen leeftijd blonk,

    Waar barbarij voor zonk.

     

    Doch verontwaardiging, in mijne ziel ontsteken,

    Wilde over ’t oud geweld in gloênde woorden spreken,

    En ‘k stemde een lied ter schets van een’ gevloekten tijd:

    U zij dit lied gewijd!

     

    Strofe 1

    Als de dichter vroeger gedichten schreef, deed hij dat niet alleen om de lof die hij ervoor oogstte, maar vooral omdat zijn vader hem er dankbaar voor was.

     

    Strofe 2

    In deze strofe zegt hij hoe blij hij zelf was als hij die emotie bij zijn vader kon teweegbrengen. De toon in deze strofe is dan ook bijna jubelend.

     

    Strofe 3

    Maar die vreugde duurt niet lang. Zijn vader is gestorven, en daarom zwijgt de dichter. De herinnering aan die vreugdemomenten van toen is nu te pijnlijk.

     

    Strofe 4

    Alleen een afscheidslied voor zijn vader kan hij nog dichten.

     

    Strofe 5

    En wat gebeurt er nu ? Dat lied wekt bij zijn schoonvader dezelfde emotie op als destijds bij zijn vader.

     

    Strofen 6, 7, 8

    Om die reden, en omdat hij zijn schoonvader ook vader mag noemen en dat de kunst hem ook kan bekoren, zal hij opnieuw creatief worden.

     

    Strofen 9, 10, 11

    Waarover zal hij schrijven ? Hij zal de deugd verheerlijken en het kwaad honen. Het kwaad, daarvan getuigen de halskettingen die hij in de kerker van het kasteel had gezien. Over dat oude geweld in die vervloekte tijd zal zijn lied gaan.

     

    De achtergrondinformatie heb ik gehaald uit het boek Een dichter bij ons. Karel Lodewijk Ledeganck (1805 – 1847), door Paul van de Woestijne en Hugo Notteboom. Uitgegeven in Eeklo in 1997.

     

     

    07-03-2007 om 20:13 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    06-03-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tsjechow: Drama op de jacht
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Tsjechow: Drama op de jacht

     

    Een van de sterke kanten van Tsjechow, en misschien wel van veel Russische schrijvers, is dat ze je onmiddellijk weten te boeien;  in deze roman (de enige die Tsjechow schreef) slaagt hij daarin door je meteen bij de neus te nemen. Een stem roept: de man heeft zijn vrouw vermoord. De stem is van Ivan Demjanytsj, maar dat blijkt de papegaai van de verteller te zijn. Hij introduceert ook direct enkele personages, een dienstbode en een graaf, die een uitgesproken karakter hebben. Als lezer ben je dan vertrokken. Het zijn natuurlijk schrijvertrucs, maar van een schrijver verwachten we dat.

     

    De hoofdpersoon, rechter van instructie, is een losbol die zich met een rijke graaf uit de buurt overgeeft aan drankorgieën. Beide mannen zijn op zoek naar jong bloed en dat treffen ze aan in Oljga, de jonge dochter van een krankzinnige houtvester op het landgoed van de graaf. Maar het meisje heeft beslist om met een veel oudere rentmeester te trouwen. We zijn nu halfweg de roman en dit was enkel maar het voorspel, zoals de auteur zelf schrijft:

     

    Vanaf het volgende hoofdstuk zal de uitdrukking van kalmte en rust op het gelaat van mijn tere muze plaatsmaken voor een van toorn en smart. Het voorspel is afgelopen, het eigenlijke drama gaat beginnen. De misdadige wil van de mens eist zijn rechten op.

     

    Wat volgt is het eigenlijke drama dat de vorm aanneemt van een detectiveverhaal. Het meisje Ojlga ziet al vlug in dat haar huwelijk met de rentmeester een vergissing was. Daar ze nogal lichtzinnig aangelegd is, begint ze een relatie met zowel de graaf als met de verteller, d.i. de rechter van instructie. Tijdens een jachtpartij wordt het meisje vermoord. Haar man wordt ten onrechte beschuldigd en de echte moordenaar ontspringt de dans. Hoewel al vlug duidelijk wordt wie de echte misdadiger is, zal ik het toch maar niet verklappen.

     

    Het boek is een beetje tegengevallen, misschien ook omdat ik het niet in ideale omstandigheden kon lezen en de lectuur te dikwijls heb moeten onderbreken. Ik onthoud er wel een uitdrukking uit die ik niet kende: wat van je wagen is gevallen moet je laten liggen.

    06-03-2007 om 15:40 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    26-02-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.William Faulkner: Sanctuary
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    William Faulkner: Sanctuary

     

    Ik vermeld de Engelse titel, hoewel ik het boek in het Nederlands las. De reden is simpel. In het Nederlands verscheen de roman onder de titel: Het gangstermeisje Temple Drake. Bovendien staat op de kaft een uitdagende babe afgebeeld, die in niets doet denken aan een jong meisje uit het Zuiden van de VS in de eerste jaren van de 20e eeuw.

     

    Temple Drake is de zeventienjarige dochter van een rechter. Ze flirt graag met de jongens op school en ook wel met buitenstaanders. Op een dag trekt ze erop uit met Gowan Stevens. De man wordt stomdronken en na een auto-ongeval belanden ze op een afgelegen hoeve waar een stel dranksmokkelaars verblijft. Gowan laat Temple Drake in de steek en het meisje wordt er verkracht door Popeye, die eerst nog een neger heeft vermoord. Terwijl een onschuldige man voor de moord wordt opgepakt, brengt Popeye Temple onder in een bordeel.

     

    De advocaat Horace Benbow, die voordien ook al op de hoeve was, zal proberen de ten onrechte opgepakte man vrij te krijgen. Die opdracht mislukt echter door een vals getuigenis van Temple Drake.

     

    Zoals wel meer het geval is bij Faulkner, liep ik in het begin van de roman wat verloren. Ik noteer dan de personages en hun kenmerken op een briefje. Dat helpt gewoonlijk. Faulkner vertelt zijn verhaal nooit rechttoe rechtaan.  Hij introduceert enkele personen en pas later volgen verduidelijkingen. Een typisch voorbeeld is de aanranding van Temple Drake. Die wordt alleen maar gesuggereerd. Voordien waren we al gewaarschuwd, toen een van de mannen een vunzige toespeling maakte op een schoen van Temple. Schoenen zijn nogal eens een symbool voor de vagina. Na het voorval vinden we Temple hevig bloedend op haar kamer. En pas vele bladzijden later vernemen op welke gruwelijke wijze ze werd verkracht.

     

    Het zal wel die scène geweest zijn die de uitgever van Faulkner deed zeggen dat mocht hij het boek publiceren, ze beiden in de gevangenis zouden terechtkomen. Het boek werd uitgegeven in 1931. In een voorwoord bij een andere uitgave van de roman schreef Faulkner dat hij het boek op drie weken tijd had geschreven en dat hij in de eerste plaats de bedoeling had een boek af te leveren dat geld zou opbrengen. Achteraf is gebleken dat hij veel langer aan de roman had geschreven. Het gevolg was wel dat de critici die uitspraak hebben aangegrepen om het werk als iets minderwaardigs te bestempelen. Het heeft dertig jaar geduurd voordat de kwaliteiten van de roman werden herkend.

     

    Het is een harde, gewelddadige en ontluisterende roman. De enkele positief ingestelde personen delven het onderspit door verraad en corruptie in het rechtssysteem.

     

    Met enkele personages uit dit boek heeft Faulkner later Requiem for a nun geschreven. Dat boek heb ik hier vroeger al eens besproken.

     

    De schrijver is aan het uitgroeien tot een van mijn lievelingsauteurs. Voor een stukje heeft hij mijn hart gewonnen met een uitspraak in een interview uit 1956. Op de vraag of hij ook hedendaagse auteurs las, antwoordde hij: No, the books I read are the ones I knew and loved when I was a young man and to which I return as you do to old friends: the Old Testament, Dickens, Conrad, Cervantes…

     

     

    26-02-2007 om 20:07 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vondel: Noah vervolg 3e bedrijf
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Vondel: Noah vervolg 3e bedrijf

     

    5e toneel: Noe, Urania, Joffers

     

    In dit toneel legt Noah de schuld nogmaals bij de vrouwen en schildert hij het verschrikkelijke lot dat de mensheid te wachten staat. Urania dient hem van antwoord en roept tenslotte de Joffers op te zingen en te dansen.

     

    In dat lied wordt de zwaan opgevoerd die symbool staat voor de aardse liefde. Met deze lofzang op de liefde wordt God uitgedaagd. Cyriel Verschaeve verwoordt het zo:  Deze zang verdringt God, drijft hem dansend de wereld uit en neemt dartelend zijn plaats in. …Tegen de almacht van Gods strafgerichten richt zich de almacht der lichtzinnige vreugde op; Gods donderen moge ratelen, de lust zendt er zijn lachen even machtig tegen op, de Oceaan der straffen mag komen aangezwalpt, de wulpse zonde vermeet zich hen tegen te houden, gelijk de zandkorrel de zee.

     

    Het is dus letterlijk een zwanenzang. Volgens de legende zou de zwaan voordat ze sterft nog een lied zingen. In dit werk is het de mensheid die op het punt staat te vergaan en die nog haar laatste lied zingt. Vandaar ook de figuurlijke betekenis voor het laatste werk van een kunstenaar. Denk bijvoorbeeld aan Schuberts laatste liedcyclus Schwanengesang, een titel die er door zijn uitgever aan gegeven werd.

     

    Omdat de toon van dit lied van de Joffers zo ongewoon is in dit toneelwerk, neem ik het helemaal over. Hoe modern klinken bijvoorbeeld de eerste twee regels.

     

    Zou het al zinken en vergaen,

            Waer bleef de zwaen ?
    Waer bleef de zwaen,

    De zwaen, dat vrolijke waterdier,
    Noit zat van kussen ?
    Geen watren blussen
    Haer minnevier.

    ’t Lust haer te nestlen op den vloet,
    Zy queekt den gloet,
    Zy queekt den gloet

    Met haere vrolijke wederga,
    En kipt haere eiers,
    en acht geen schreiers,
    Noch vreest geen scha.

    Vliegende jongen zwemmen me,
    Door stroom en zee,
    Door stroom en zee.

    Zy groeit in ’t levendigh element,
    En wast de veêren,
    En vaert spansseeren
    Tot ’s levens endt.

    Stervende zingtze een vrolijk liet
    In ’t suikerriet,
    In ’t suikerriet.

    Zy tart de nijdige doot uit lust,
    Met quinkeleeren,
    En triomfeeren,
    En sterft gerust.

    Stervende zoekt haer flaeu gezicht
    Noch eens het licht,
    Noch eens het licht,

    Den bruitschat, van de natuur te leen
    Aen elk gegeven,
    Om bly te leven.
    Zoo vaertze heen.

     

    Dit gedicht is zo mooi, dat ik er wat dieper wil op ingaan.

     

    Zou het al zinken en vergaen,

    Waer bleef de zwaen ?

     

    Ik noemde het al moderne regels, waarvan ik vind dat ze vooruitwijzen naar Rilke. Maar dat is niet meer dan een aanvoelen. Als we deze regels parafraseren, wat een vers dikwijls begrijpelijker maakt, krijgen we dit. Als het al, de wereld en de mensheid, door het water zou worden verzwolgen, waar zou de zwaan dan moeten blijven ? En zoals verder uit het gedicht zal blijken, zal de zwaan niet verdwijnen, lees de laatste regel van het gedicht er maar op na.

     

    De zwaan zou nergens meer naartoe kunnen, ze zou doelloos ronddobberen op de vloed. Maar de regel Waer bleef de zwaen kunnen we ook anders lezen.  Hij kan ook betekenen dat de zwaan van de aardbodem zou verdwijnen. Die twee openingsregels zijn een laatste kreet om mededogen. Met de zondvloed zou ook de schoonheid en de liefde, hier gesymboliseerd door de zwaan, voorgoed verdwijnen. Is dat de wens van God ?

     

    Dan volgt de levensweg van de zwaan. Haar minnespel, vervolgens het bouwen van haar nest (op een eilandje op het water), het uitbroeden (kippen) van de eieren, de jongen die met haar meezwemmen. In al die fasen van het leven, verblijft de zwaan op het water, het water is haar element. Er klinkt in door dat het water haar vriend en bondgenoot is. Het kan haar liefde niet blussen, ze bouwt haar nest erop. Ze laat zich niet beïnvloeden door de schreiers (de doemdenkers, de zwartkijkers, onder wie Noah met zijn bedreigingen) en vreest geen schade. Neen, tot het einde van haar dagen zal ze op het water spansseeren spelevaren.

     

    En zelfs al stervende zingt ze een vrolijk lied. De dood heeft geen vat op haar, haar levenslust spot met de dood.  Als haar krachten afgenomen zijn en ze bijna blind is, zoekt ze nog het licht. Het licht dat de wereld zichtbaar maakt.De bruidschat die elke mens van de natuur te leen heeft gekregen om blij te leven.

     

    De laatste regel Zoo vaertze heen is opnieuw een juweeltje.

     

    Zoo: d.i. vol levensmoed, niet ontgoocheld, met aanvaarding van de dood. In dat woord, met de hoofdletter Z, zien we de zwaan als het ware fier over het water glijden.

    Vaertze: ze zinkt niet, ze blijft drijven, al zwemmend zal ze sterven.

    Heen: we zien haar wegdrijven, we weten niet waarheen.

     

    26-02-2007 om 13:11 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    24-02-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vondel: Noah 3e bedrijf
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Vondel: Noah 3e bedrijf

     

    1e toneel

     

    De aartsherder komt Achiman waarschuwen dat er een strijd is losgebarsten tussen de herders van de vlakte en die van de bergen. Oorzaak:

     

    De lantstroom uit der zee komt bruizende opwaert streven

    Naer zijnen oirsprong toe, en d’oevers leggen vlot,

    Beneën den zoom des berghs.

     

    De bergherders willen niet dat de kudden uit de vlakte op de berg in veiligheid worden gebracht.

     

    De kudden loeiden, of zy naer den hemel schreiden

    Om drooghte en weide: maer de berghwacht sloegh het af,

    En dreef het blatend schaep te water met den staf.

     

    De aartsherder krijgt de huid vol gescholden door de hofmeester, omdat hij zijn plichten niet nakomt. Dat lokt bij Achiman het volgende commentaar uit:

     

    Wie zou dees slofheit in een’ amptenaer verwachten ?

     

    Die regel vermeld ik maar omdat enkele weken geleden het mediageile staatssecretatertje Kwik het nog had over de luie ambtenaren. Slofheit betekent plichtsverzuim.

     

    2e toneel

     

    Achiman heeft geen verklaring voor het wassende water.

     

    Ik kan den springvloet  van den lantstroom niet beseffen.

    Dees plagh in bloeimaent noit de horens te verheffen,

    En boven d’oevers heen te steigeren zoo steil.

     

    Die horens zijn takken of armen van rivieren en stromen. Maar horens zijn ook de uiteinden van de maansikkel. Over de invloed van de maan op de getijdenwerking is de volgende website  interessant. http://www.urania.be/sterrenkunde/hemelmechanica/aarde-maan.php 

     

    Een kort citaatje eruit: De zwaartekracht van de maan trekt het water van de oceanen naar zich toe. De sterkte van de zwaartekracht neemt af met de afstand, dus het oceaanwater dat het dichtst bij de maan staat, wordt sterker naar de maan toe getrokken dan het water aan de tegenovergestelde kant van de aarde. Dit verklaart dat het vloed is het dichtst bij de maan.

     

    Achiman en zijn echtgenote hebben om hun huwelijk te gedenken een groot feest georganiseerd, met veel hoge gasten. Maar Achiman is er niet helemaal gerust in. Getuige deze dialoog tussen hem en zijn hofmeester:

     

    Achiman

    Aertsvader Noë spelde een’ springvloet van veel vloeden

    In eenen boezem, en vertrok dus lang het werk,

    Op zijne timmerwerf: nu leght de cedren ark

    Bevracht met dieren, in dat houte slot begreepen.

    Hy staet gereet om zich en zijn gezin te scheepen.

     

    Hofmeester

    ‘k Geloof de grootvorst wil met hem te water gaen .

     

    Achiman

    Dat’s veiliger dan al den weerelt-oceaen

    Gedronken: want gy hoort den nadruk van zijn spelling.

     

    Hofmeester

    Een droom des ouden mans is eene losse stelling

    Van ’t geen gebeuren moet of kan, wat razerny

    Bevangt uw harssens ! wech met zulke suffery.

     

    Achiman

    Wie redekavelt kan men geenen suffer achten.

     

    Hofmeester

    Dees ydle dootschrik broeit een dwarling van gedachten,

    Die zwindelen in ’t hooft. Gy wandelde eerst gerust.

     

     

    In dit fragment staan weer enkele mooie oude woorden. Bijvoorbeeld de timmerwerf. In Antwerpen is er nog een straat die zo heet. Of het woordje redekavelen. Het betekent in dit verband logisch denken. Later is er een betekenis bijgekomen, namelijk die van redetwisten. Verder de toespelingen op het suf worden. Bedenk dat Vondel in de tachtig was toen hij dit werk schreef.

     

    3e toneel: Urania – Hofmeester

     

    Urania is een bikkelharde echtgenote. Haar reactie op het nieuws dat er een groot aantal herders is gesneuveld:

     

    Een kleen verlies: men vint meer herders bij der hant.

     

    De hofmeester zegt dat vrouwenliefde en schone vrouwen de oorzaak zijn van de ondergang van de wereld.

     

    4e toneel: Urania – Achiman

     

    Urania tracht haar echtgenoot ervan te overtuigen dat hij geen geloof moet hechten aan Noahs droom.  Haar standpunt is: natuur regeert het al

     

    Voor alle verschijnselen is er een wetenschappelijke verklaring, want:

     

    Wie natuur in ’t werken onderkent

    Beseft waer zy begint, en voorstapt, en volendt.

     

    Om te weerleggen dat de vrouwen de oorzaak van de rampspoed zijn, voert ze aan dat men ook op seksueel gebied de natuur moet volgen:

     

    De dertle toghten wijs involgen met een lust.

    Zoo voelde ’t lijf geen smart: zoo bleef de geest gerust.

     

    Ook veelwijverij is niet verkeerd, want zo:

     

    Wint men weeligh jongen

    en

    zoo rijst de stamboom, rijk van telgen, in de lucht.

     

    Maar Achiman is niet te overtuigen. Dat hij oorlog heeft gevoerd en landen veroverd, het was enkel om de hebzucht van de vrouw te bevredigen:

     

    Zij slikt een weerelt in, aen ringen en cieraet.

     

    Urania verweert zich echter in een lange monomloog die zo begint:

     

    Is dit u dankbaerheid voor lang genote deught ?

    Heel anders zongtge, toen wy nog ’t eêlst van onze jeught

    Offerden, daer gy, van top tot teen verzaet,

    Verrukt wiert buiten u door wellust, zonder maet.

     

    Ze dreigt ermee haar man te verlaten en slingert hem op het eind de volgende misprijzende woorden in het gezicht:

     

    Ga heene, bergh u lijf in Noahs beestekist.

     

    Maar Achiman zegt dat hij een moment van zwakte had en kiest opnieuw de kant van zijn vrouw.

     

    24-02-2007 om 10:55 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    17-02-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pierre Louÿs (1870 - 1925) : Journal

    Pierre Louÿs (1870 – 1925) : Journal

     

    Het journal is een jeugddagboek. Louÿs is al niet de grootste schrijver, dus moet ik niet hopen dat er in dat jeugdige dagboek grote literatuur zal staan. De charme ervan is dat het een tijdsbeeld geeft en dat een zestienjarige aan het woord is. Enkele fragmenten:

     

    Zondag, 26.6.1887

     

    Wat doet een 16-jarige zoal op zondag ? Hij gaat wandelen met zijn vriend.

     

    Paris est ravissant en ce moment. Je reviens du Bois, et enthousiasmé. Les feuilles sont toutes vertes, l’air est bleu…

     

    In 1918 heeft Louÿs dat dagboek van overwegend ironisch commentaar en zelfspot voorzien. Bij het vorige zinnetje schreef hij:

     

    Pas mal, mon gosse. ‘L’air est bleu’, c’est même très bien. Tu commences à m’intéresser.

     

    Maar laten we luisteren wat hij op de wandeling zelf beleefde.

     

    Quant au Bois, le dimanche, il n’y a qu’une avenue de jolie, c’est l’allée des Acacias. Quelques beaux landaus, quelques belles toilettes, et çà et là une jolie femme, c’est bien suffisant. Mais impossible de s’aventurer dans le reste du Bois, impossible de s’isoler même pour des raisons particulières. Pas une pelouse qui n’ait sa famille d’employés jouant au ballon, pas une clairière qui n’ait un déjeuner sur l’herbe, pas un buisson qui n’abrite son couple d’amoureux. C’est curieux, après tout. Quelques-uns même se livrent à des occupations plus intimes : un commis avait la tête appuyée sur les genoux de sa fille qui lui cherchait ses poux. Touchante sollicitude ! Les singes du Jardin des Plantes ne se conduisent pas autrement.

     

    Zaterdag 23 juli 1887

     

    Pierre verheugt zich er al op zijn vakantie aan zee te kunnen  doorbrengen in het gezelschap van zijn nicht T.

     

    Avec ce que T. m’a dit des habitudes des plages et la confiance que la tante a en moi, j’espère bien que je pourrai être souvent seule avec T. Et, quand on a seize ans, c’est agréable d’être souvent seule avec une jeune fille de dix-neuf ans quand cette jeune fille est votre cousine, et surtout quand elle est un peu… un peu çà, enfin.

     

    Het vakantieoord is Le Tréport aan het Kanaal. Een voorval aan het strand deed me denken aan de etsen van Ensor.

     

    Ce matin, à dix heures et demie, une dame assez jolie, trente ans à peu près, traverse la plage pleine de monde pour aller pêcher aux crevettes, en maillot rose collant, en gants gris perle ( !) et en béret blanc. Aussitôt toute la plage est en joie. Les petits gommeux, charmés d’une distraction, s’élancent sur son passage et font cercle autour d’elle ; les mamas prudes, tout en criant beaucoup, suivent leurs fils pour voir le scandale ; les jeunes filles se mêlent aux premiers rangs, et bientôt tout le monde a quitté sa place et cent cinquante personnes font cercle, en riant tout bas, en murmurant tout haut, et chacun faisant ses réflexions. Quelle inconvenance ! Peut-on se mettre dans un pareil costume !

     

     

     

    17-02-2007 om 19:58 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    15-02-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ledeganck: De Zinnelooze
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Ledeganck: De Zinnelooze

     

    Bladerend in een verzameling gedichten van Ledeganck (1805 – 1847), een volksuitgave uit 1872 (werden toen dichters echt door het volk gelezen ? Zou daar onderzoek over bestaan ?), vond ik tot mijn blijde verrassing een cyclus gewijd aan de bekende Gentenaar Joseph Guislain, o.a. geneesheer bij de gestichten van krankzinnigen te Gent. De cyclus begint met een ode op deze pionier van de psychiatrie, die zijn patiënten op een menselijke wijze trachtte te behandelen. Het opdrachtgedicht is te lang om het helemaal over te nemen, maar enkele treffende passages wil ik toch citeren.

    Nadat Ledeganck in twee strofen heeft gezegd waarom hij de geleerde niet wil eren, o.a.

     

    t’Is niet, omdat ge op ’t voetspoor der Vesalen,

    Met kracht van doorzicht, kennis en geduld,

    Geheimen, die natuur met nacht omhult,

    Wist na te gaan, om ze aan den dag te halen,

     

    (in die laatste regels horen we een voorloper van Freud aan het woord)

     

    geeft hij in de derde strofe de echte reden:

     

    O neen ! ’t Is om den adel uwes harten;

    ’t Is om dat schoon, dat liefdevol gemoed,

    Dat u den mensch als broeder minnen doet,

    Zoohaast hij wandelt in ’t gebied der smarten,

    Zoohaast zijn ziel van diepe wonden bloedt;

    Dat u den onlust van ’t gemeen doet tarten,

    Om ’t grootsch vernuft zelfs den ellendeling

    Te wijden, voor wien ’t licht der rede in smook verging.

     

    Vindt u ook niet dat deze ‘Christusregels’ 3 en 4 thuishoren in een canon van de mooiste Nederlandse versregels ? Wat een liefde, zachtheid en medelijden blijken niet uit de woorden waarmee hij een krankzinnige typeert: een men die wandelt in ’t gebied der smarten.

     

    Na het lofdicht op J. Guislain, treedt de dichter het Godshuis binnen. Hij richt het woord tot God om zijn onbegrip te uiten. Aan de ene kant moet hij God loven om al het mooie dat hij schenkt. Aan de andere kant staat hij verstomd over de ellende in de wereld en beklaagt hij vooral het lot van de krankzinnigen.

     

    Doch heilloozer nog en al meer te beklagen,

    Wanneer haar het licht van de rede is ontzegd;

    Wanneer zij het lot van de dieren moet dragen;

    Wen zinneloosheid op haar’ schedel zich hecht!

     

    Het Godshuis toont een verschrikkelijke wereld.

     

    Daar toont zich de menschheid in al haar ellende,

    Verdreven tot ’s levens verwijderste grens:

    Gelijk aan de plant, die haar leven nooit kende,

    Verbrijzeld, vernietigd, een spot van den mensch.

    Daar scheuren de bitterste pijnen de harten

    Met doornen geworteld in ’t diepst van ’t gemoed,

    Die heviger vlijmen dan tastbare smarten,

    Dan wonden des vleesches, dan stroomen van bloed.

     

    De dichter heeft goed rondgekeken in het gesticht en hij kan zich goed inleven in de wereld van de krankzinnigen.

     

    Daar zijn er, die niets van den mensch meer behouden

    Dan enkel den vorm nog, waarin zij bestaan:

    Die evenals ’t brullende dier uit de wouden

    ’t Gebit in hunne ijzeren traliën slaan!

    Daar zijn er,  die driftig naar gruwelen haken,

    Die dorsten naar ’t bloed van een wereloos kroost;

    Daar zijn er, wie schendige hartstochten blaken,

    Waarvoor zich de zangster omsluiert en bloost !

     

    En echter zij hebben geen misdaad bedreven;

    Of kunnen onnoozelen ’t misdrijf begaan ?

    Neen ! meest uit een ramp van ’t rampzalige leven

    Is dees hunne onheelbare ramp eens ontstaan.

    Hun geest was voor ’t ijzeren noodlot te teeder,

    Te teer voor hun gloeiend en smeltend gevoel;

    Eén slag dezes lots viel te hard op hen neder,

    En stortte ze opeens in der jammeren poel !

     

    Ik weet niet of er veel dichters voor hem zulke geëngageerde verzen hebben geschreven. Bedenk dat hij gestorven is (1847) op een moment dat Gezelle (° 1830) als dichter nog moest opstaan.

     

    In het volgende gedicht De zuster van liefde  (nu is het een instelling van de Broeders van Liefde), wordt de dichter de inrichting binnengeleid door een zuster. De eenvoud van de eerste strofe doet middeleeuws aan. Denk bijvoorbeeld aan Heer Halewijn of Beatrijs:

     

    Een jonge zuster leidde ons binnen:

    Een telg des hemels, waar zij trad,

    Die slechts den naam van LEONTINE

    Niets anders van de wereld had.

     

    Met wat goede wil hoor je er ook een beetje E. A. Poe (1809 – 1849) in, hoewel ik betwijfel dat beide heren van elkaars bestaan kennis zullen hebben gehad.

     

    It was many and many a year ago,

    In a kingdom by the sea,

    That a maiden there lived whom you may know

    By the name of Annabel Lee; -

    And this maiden she lived with no other thought

    Than to love and be loved by me.

     

    In het volgende verhaal vertelt Leontine het verhaal van de Zinnelooze. Een vrouw die kort na de bevalling haar kindje verliest en daardoor krankzinnig wordt. In de twee laatste strofen belicht Leontine het lijden uit christelijk oogpunt. Let opnieuw op de prachtige derde regel in de eerste strofe.

     

    De hand des Heeren reikt den beker

    Des lijdens aan zijn liefste kroost,

    En zij voor wie de menschheid bloost,

    Zijn zeker van een’ hoogren troost,

    Des hemels zeker !

     

    En daarom is ‘t , dat wij hun pijn,

    Hun lijden te verzachten pogen

    Mat al wat liefde kan betoogen,

    Opdat zij ons bij Gode mogen

    Gedachtig zijn !.

     

    In het volgende gedicht De Razernij, verhaalt Leontine een pijnlijk voorval met De Zinnelooze.

     

    Rouw en troost heet het slotgedicht, waarvan ik de twee laatste strofen overschrijf.

     

    O Godheid ! voor wie alle schepselen knielen,

    Die staamlen uw goedheid, uw macht en uwe eer,

    Zie neder op ’t stof, dat Gij wildet bezielen,

    Zie op den geringste’ uwer dienaren neer !

    Laat plagen en kwalen het lichaam hem krenken,

    Behandel dat lichaam als nietigen slaaf;

    Maar laat hem de macht om uw macht te overdenken,

    O laat hem den geest ongeschonden en gaaf !

     

    En gij, o gelukkigen, grooten der aarde !

    Die ’t droevige noodlot van lijdenden ziet,

    Vergeet niet, dat ook eene moeder hen baarde,

    Vergeet toch de onschuldige zinneloozen niet !

    Vergunt hun een wijk voor de guurheid des weders,

    Vergunt hun wat zoets voor het haveloos lijf;

    En zijt gij gestemd tot iets roerends en teeders,

    Gaat heen, en doorwandelt hun somber verblijf !

     

    December 1841.

     

    Laat de laatste regel een aansporing zijn om een bezoek te brengen aan het huidige museum Guislain in Gent. Je wordt er weliswaar niet rondgeleid in de ziekenkamers, maar je krijgt er wel een kijk op de geschiedenis van de psychiatrie. Verder worden er geregeld tentoonstellingen georganiseerd van kunstwerken van geesteszieken.

     

    Uit de inleiding van deze bundel citeer ik nog graag een stukje over het graf van Ledeganck. Daarin wordt gesproken, zonder het te noemen, over het Campo Santo, de zeer bezienswaardige begraafplaats in Sint Amandsberg bij Gent.

     

    Op den St-Amandsberg bij Gent, op eenige stappen afstands van de gedenkzuil aan eenen anderen strijder voor de Vlaamsche zaak, den geleerden Willems, gewijd, verheft zich eene door den beeldhouwer J. van Arendonck kunstig bewerkte grafstede, die aldaar door de vrienden en vereerders van Vlaanderens gevoelvollen Zanger in 1849 werd gesticht.

     

     

    Deze bijdrage draag ik op aan mijn goede Gentse vriend. Zelf in Antwerpen geboren en getogen, heb ik de Arteveldestad en haar bewoners in de loop der jaren echt leren liefhebben.

    15-02-2007 om 21:33 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-02-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pikanterie
    Om ten slotte in de Valentijnsfeer met Louÿs te eindigen, enkele nog vrij onschuldige aanbevelingen uit zijn Manuel de civilité pour les petites filles

    Si le monsieur débande entre vos lèvres, n'en accusez pas la faiblesse de ses moyens, mais votre propre inexpérience.

    S'il meurt, commencez par reboutonner son pantalon avant d'appeler la bonne, et ne racontez jamais dans quelles circonstances il a rendu son âme à Dieu.

     

    14-02-2007 om 13:16 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen. Goya en Louÿs
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

     Goya en Louÿs

     

    De ledenpop heeft Louÿs naar eigen zeggen gehaald uit een schilderij van Goya, el pelele.

    Zo schrijft hij in La femme et le pantin:

     

    Connaissez-vous, au musée de Madrid, une singulière toile de Goya, la première à gauche en entrant dans la salle du premier étage ? Quatre femmes en jupe espagnole, sur une pelouse de jardin, tendent un châle, et y font sauter en riant un pantin grand comme un homme…

    14-02-2007 om 13:11 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pierre Louÿs: La Femme et le Pantin
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Pierre Louÿs: La Femme et le Pantin

     

    Pierre Louÿs werd geboren in Gent in 1870 en stierf in Parijs in 1925.  Het bekendste werk van deze schrijver zijn de Chansons de Bilitis. Het zijn pastiches die hij uitgaf als vertalingen van een Griekse dichteres uit de tijd van Sappho. De gedichten zijn zinnelijk en sensueel, kenmerken die we ook in de roman De Vrouw en de Ledenpop terugvinden.

     

    Deze roman werd enkele keren verfilmd, onder andere door Von Sternberg (met Marlene Dietrich in de hoofdrol) en door Buñuel.  Het scenario van Buñuel volgt de roman echter niet op de voet.  De titel van zijn film Cet obscur objet du désir is geïnspireerd op een zinnetje uit hoofdstuk IV van de roman: J’ai toujours ignoré ces pâles objets du désir. De aanleiding voor die uitspraak is de terugblik van Mateo (de ledenpop) op zijn amoureuze veroveringen uit het verleden, waarbij hij vaststelt: je n’avais jamais eu de maîtresse blonde. Deze don Mateo était surtout connu par l’histoire de sa chambre à coucher, qui passait pour hospitalière. (Als dat niet mooi gezegd is !!!).

     

    Nu het verhaal. André Stévenol bevindt zich eind februari 1896 in Sevilla waar het carnaval bijna afgelopen is.  Hij hoopt nog snel een vrouw te versieren en zo komt hij in contact met een mooie jonge vrouw, Concvita Perez.  Hij regelt een afspraak, maar nog voordat hij ernaartoe gaat, ontmoet hij don Mateo. Deze man van eind de dertig vertelt André zijn verhouding met Conchita Perez. Dat verhaal is de eigenlijke inhoud van de roman.

     

    Mateo had de vijftienjarige Conchita ontmoet in de trein, tijdens een sneeuwstorm. Hij ziet haar later nog enkele keren terug en wordt stapel op haar. Het meisje begint dan een spel van aantrekken en afstoten.  Mateo wordt een willoos object in haar handen en zij maakt hem wijs wat ze wil. Nadat hij haar in een woning heeft geïnstalleerd en een rente uitbetaald, meent hij dat zijn tijd gekomen is. Maar Conchita weigert hem de toegang tot het huis, ze scheldt hem de huid vol, zegt dat ze hem haat en bedrijft ten slotte voor zijn ogen de liefde met een andere man. Als Mateo haar na de zoveelste weigering en vernedering ten einde raad aftroeft, lijkt het erop dat Conchita daarop heeft gewacht, want nu pas wil ze hem beminnen.

    Maar het botert niet tussen de twee. Na enkele scènes verlaat Mateo haar en vertrekt naar het buitenland. Als hij terugkeert is Conchita getrouwd en heeft ze haar kersverse man al verbannen naar Bolivië.

     

    Mateo’s verhaal is uit, maar hij heeft André niet kunnen overtuigen. Deze gaat alsnog naar de afspraak, laat zich inpalmen en zal wat later met haar naar Parijs vertrekken. Later verneemt André dat er die dag nog iemand een briefje aan Conchita had laten bezorgen

     

    Ma Conchita, je te pardonne. Je ne puis vivre où tu n’es pas. Reviens. C’est moi, maintenant, qui t’en supplie à genoux. Je baisse tes pieds nus.

     

    Mateo.

     

    Maar hij is te laat, Conchita heeft André al ingepalmd.

     

    Het is een speelse, luchtige en sensuele roman waarin humor niet ontbreekt. Af en toe duiken er ook vooroordelen of idées reçues op. Zo bijvoorbeeld over de  liefde tussen de oosterse mannen en hun echtgenotes.

     

    Les Orientaux ne les ménagent pas comme nous, eux qui sont les grands voluptueux. Ils leurs ont coupé les griffes afin que leurs yeux fussent plus doux. Ils maîtrisent leur malveillance pour mieux déchaîner leur sensualité.

    14-02-2007 om 13:05 geschreven door john

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Foto

    Poems are blossoms of the brain. Emily Dickinson
    Kunst gibt nicht das Sichtbare wieder, sondern macht sichtbar. Paul Klee

    La nostra vita in terra

    Altro non è che guerra


    en houd de gastvrijheid in ere, want zo hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen. Hebreeën 13.2
    Archief per week
  • 29/06-05/07 2020
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 13/05-19/05 2013
  • 07/01-13/01 2013
  • 17/12-23/12 2012
  • 26/09-02/10 2011
  • 30/05-05/06 2011
  • 23/05-29/05 2011
  • 08/11-14/11 2010
  • 18/10-24/10 2010
  • 11/10-17/10 2010
  • 27/09-03/10 2010
  • 13/09-19/09 2010
  • 06/09-12/09 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 11/01-17/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 09/02-15/02 2009
  • 02/02-08/02 2009
  • 19/01-25/01 2009
  • 31/12-06/01 2008
  • 22/12-28/12 2008
  • 15/12-21/12 2008
  • 08/12-14/12 2008
  • 01/12-07/12 2008
  • 24/11-30/11 2008
  • 17/11-23/11 2008
  • 10/11-16/11 2008
  • 11/08-17/08 2008
  • 04/08-10/08 2008
  • 28/07-03/08 2008
  • 28/04-04/05 2008
  • 21/04-27/04 2008
  • 14/04-20/04 2008
  • 07/04-13/04 2008
  • 31/03-06/04 2008
  • 24/03-30/03 2008
  • 17/03-23/03 2008
  • 10/03-16/03 2008
  • 03/03-09/03 2008
  • 25/02-02/03 2008
  • 18/02-24/02 2008
  • 11/02-17/02 2008
  • 04/02-10/02 2008
  • 28/01-03/02 2008
  • 21/01-27/01 2008
  • 14/01-20/01 2008
  • 07/01-13/01 2008
  • 31/12-06/01 2008
  • 30/07-05/08 2007
  • 23/07-29/07 2007
  • 16/07-22/07 2007
  • 25/06-01/07 2007
  • 18/06-24/06 2007
  • 11/06-17/06 2007
  • 04/06-10/06 2007
  • 28/05-03/06 2007
  • 21/05-27/05 2007
  • 14/05-20/05 2007
  • 07/05-13/05 2007
  • 30/04-06/05 2007
  • 23/04-29/04 2007
  • 16/04-22/04 2007
  • 09/04-15/04 2007
  • 02/04-08/04 2007
  • 26/03-01/04 2007
  • 19/03-25/03 2007
  • 12/03-18/03 2007
  • 05/03-11/03 2007
  • 26/02-04/03 2007
  • 19/02-25/02 2007
  • 12/02-18/02 2007
  • 05/02-11/02 2007
  • 29/01-04/02 2007
  • 22/01-28/01 2007
  • 15/01-21/01 2007
  • 08/01-14/01 2007
  • 01/01-07/01 2007
  • 25/12-31/12 2006
  • 18/12-24/12 2006
  • 11/12-17/12 2006
  • 04/12-10/12 2006
  • 20/11-26/11 2006
  • 06/11-12/11 2006
  • 30/10-05/11 2006
  • 23/10-29/10 2006
  • 16/10-22/10 2006
  • 09/10-15/10 2006
  • 02/10-08/10 2006
  • 25/09-01/10 2006
  • 18/09-24/09 2006
  • 04/09-10/09 2006
  • 28/08-03/09 2006
  • 21/08-27/08 2006
  • 14/08-20/08 2006
  • 07/08-13/08 2006
  • 31/07-06/08 2006
  • 24/07-30/07 2006
  • 17/07-23/07 2006
  • 10/07-16/07 2006
  • 03/07-09/07 2006
  • 26/06-02/07 2006
  • 12/06-18/06 2006
  • 05/06-11/06 2006
  • 29/05-04/06 2006
  • 22/05-28/05 2006
  • 15/05-21/05 2006
  • 24/04-30/04 2006
  • 17/04-23/04 2006
  • 10/04-16/04 2006
  • 03/04-09/04 2006
  • 27/03-02/04 2006
  • 20/03-26/03 2006
  • 13/03-19/03 2006
  • 06/03-12/03 2006
  • 27/02-05/03 2006
  • 20/02-26/02 2006
  • 06/02-12/02 2006
  • 30/01-05/02 2006
  • 23/01-29/01 2006
  • 16/01-22/01 2006
  • 09/01-15/01 2006
  • 02/01-08/01 2006
  • 26/12-01/01 2006
  • 12/12-18/12 2005
  • 05/12-11/12 2005
  • 28/11-04/12 2005
  • 21/11-27/11 2005
  • 14/11-20/11 2005
  • 07/11-13/11 2005
  • 31/10-06/11 2005
  • 24/10-30/10 2005
  • 17/10-23/10 2005
  • 10/10-16/10 2005
  • 03/10-09/10 2005
  • 26/09-02/10 2005
  • 19/09-25/09 2005
  • 12/09-18/09 2005
  • 05/09-11/09 2005
  • 29/08-04/09 2005
  • 15/08-21/08 2005
  • 08/08-14/08 2005
  • 01/08-07/08 2005
  • 25/07-31/07 2005
  • 18/07-24/07 2005
  • 11/07-17/07 2005
  • 04/07-10/07 2005
  • 27/06-03/07 2005
  • 20/06-26/06 2005
  • 13/06-19/06 2005
  • 06/06-12/06 2005
  • 30/05-05/06 2005
  • 23/05-29/05 2005
  • 16/05-22/05 2005
  • 09/05-15/05 2005
  • 02/05-08/05 2005
  • 25/04-01/05 2005

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Aanraders tot nu toe:

    Von Keyserling: Branding
    Hrabal: Zwaarbewaakte treinen
    Voltaire: Candide
    Ishiguro: Een kunstenaar van het vlietende leven
    Hawthorne: De scharlaken letter
    Yalom: De Schopenhauer-kuur
    Rosa: De derde oever van de rivier
    Hoffmann: Das Fräulein von Scuderi
    Waugh: The Loved One
    Kadare: Het donkere jaar
    Baricco: Zijde
    Moorehead: De Blauwe Nijl
    Lampedusa: De tijgerkat
    Melville: Billy Budd
    Platonov: De bouwput
    Tim Parks: Bestemming
    Bernhard: De neef van Wittgenstein
    Kafka: Die Verwandlung
    Werfel: Het bleekblauwe handschrift van een vrouw
    Traven: Verhalen
    Baldwin: Go Tell it on the Mountain
    Faulkner: As I lay dying
    Oë: De hoogmoedige doden
    Trilling: The Middle of the Journey
    Hardy: Far from the madding crowd
    Kristof: De analfabete
    McEwan: Amsterdam
    Filloy: De bende
    Sciascia: De Zaak Aldo Moro
    Salinger: Franny and Zooey

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!