NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Inhoud blog
  • Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Frans "Susse" Teughels : "Bombardementen".
  • Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Frans "Susse" Teughels - "Slimme Boeren".
  • Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Frans "Susse" Teughels."De eerste dagen van de oorlog".
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Kronieken van Leest
    bij Mechelen
    16-01-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Frans "Susse" Teughels : "Bombardementen".

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Vervolg : Frans “Susse” TEUGHELS.

    Bombardementen

    Jongens…rap,rap…bed uit en de kelder in…ze zijn Mechelen aan het bombarderen… Nog helemaal verdoezeld in de diepe slaap herkenden we de stem van ons vader. Geen kwaadheid lag in die stem, ook geen goedheid of gevlei, alleen de dringende noodzaak wakker te worden om onze toevlucht te zoeken in het ondergrondse gedeelte van ons huis.
    Eigenlijk was het geen lolletje om op zulke geweldadige manier gewekt te worden in het midden van de nacht. Hoe meer we bij bewustzijn kwamen, des te duidelijker hoorden we het dan ook. Ons hele huis schudde en daverde, door de rammelende ruiten zagen we de heldere bliksemflitsen hoog aan de hemel, begeleid door een ratelend mitrailleurgeknetter. Plots waren we helemaal wakker. Razend vlug zijn we, de vliegende vane hoog, naar beneden gehold. Vader kwam als laatste op de trap en sloot achter zich de deur. Al mopperend dat we nog eens niet zouden wakker worden als de bommen in onze nok vielen, kwam hij bij ons zitten, diep ineengedoken naast ons moeder. Door die kleine keldergaten mochten we ook niet turen, veel te gevaarlijk vermaande hij. ’t Was nochtans schoon, dit zilveren spettersvuur aan de hemel, met hier en daar een lichtende straal en af en toe een hel lichte bol die de hele lucht in een hevig rood schijnsel zette. Van vliegtuigen was er niets te zien. Alleen het eentonige gebrom tussen het ratelen van machinegeweren en explosies van schrapnels door liet hun tegenwoordigheid merken. Een gans uur heeft het geduurd.
    Plots, zoals het begonnen was, was alles voorbij. Het uitspansel werd donker en stil. In de verte zagen we dan de vuurgloed die opsteeg vanuit het oosten en vage dansende schimmen tekenden zich af in het heelal.
    Omstreeks acht uur begon de karavaan. Een groep haveloze mannen en vrouwen met huilende kinderen strompelden de dorpsplaats op. Moe en radeloos zochten ze met hun karige, in der haast meegeredde bezit een onderkomen op een veiliger plaats. De meesten van hen waren die nacht zelf nog gevlucht en hadden een toevlucht gezocht langs greppel of gracht in het open veld. Nu kwamen ze naar den buiten en smeekten om een plaatske onderdak voor hun familie. In den beginne werden ze bij ons doorgestuurd wegens plaatsgebrek maar tegen de middag aan waren alle beschikbare plaatskens van Leest overbezet.
    Daar de toeloop van die stadsmensen nog altijd zo groot was, besloot ons vader de zaal ter beschikking te stellen. In minder dan geen tijd waren er zeven huishoudens die daar hun veiligheid zochten. Met behulp van bijdehandzijnde schermen en toneeldecors, hebben we dan vlug voor afscheidingswanden gezorgd zodat iedere familie zo min of meer een eigen plaatsken kon bewonen.
    Later op de dag trokken er veel mensen huiswaarts om vlug de bijzonderste gebruiksvoorwerpen te halen. Niemand kon toen vermoeden dat de verbanning zo lang zou kunnen duren. Bij iedere mare van reeds gevonden en herkende slachtoffers waren er tranen en medeleven. Door het samenwonen in grote massa echter werden ook veel prettige uren beleefd. Bijna iedere avond was er wat te beleven. Ware het niet op het dorp, dan wel op het geïmproviseerd pleintje van het wooncentrum bij ons in de zaal. Het medeleven met elkaar en de vriendschap onderling waren ongewoon. Het ongeluk van de ene trof ook de andere, wijl het geluk ook altijd voor iedereen was.
    (Gepubliceerd in “De Band” van november 1981 :“Over Bombardementen en Konijnensoupers”.)

    Oorlogstribulaties

    Dagelijks hoorden we langs alle kanten de berichten over de toestand aan het front. Het nieuws dat door onze zenders gegeven werd, luidde meestal anders dan dat van de B.B.C. uit Londen. Elke dag won het Russisch leger veld ! De Engelsen en Amerikanen kwamen nader langs de westerflank. Regelmatig werden er landingen op eilanden uitgevoerd. Na felle beschietingen en bombardementen vanuit de lucht werd een leger parachutisten gedropt. Later sleepten krachtige vliegtuigen het zwaar materiaal aan in licht gebouwde zweeftoestellen. Snel werd een bruggenhoofd geslagen. Eens een vaste stelling veroverd was de zaak zeker. Met de dag nam de Duitse weerstand af.
    Van onze kant keken we erg naar een mogelijke invasie in Europa uit. Hoe eer hoe liever. De bezetters zelf hielden ook rekening met die mogelijkheid. Zelfs den Hitler dacht er aan. Volgens hem zou deze dan bij Duinkerken gebeuren om de geleden nederlaag van 1940 te wreken. Wat de Führer droomde was Gods wet. Spoedig werden plannen ontworpen om ons land tot landingsvrije zone te maken. De rest van Europa lieten ze min of meer ongemoeid.
    De heer De Rooster uit Heindonk was eigenlijk een boerenzoon, gewonnen en geboren op de Warande en bij ons beter gekend als Clementje. In het begin van de oorlog begon hij met opkopen van strooisel en van paardenvoeder voor de bezetter. In minder dan vier jaar tijd had hij zich opgewerkt tot één der grootste aannemers van gans Europa. Daarom werden die grootse verdedigingswerken tegen zijn eigen wil aan hem opgedragen. In een minimum van tijd werden ook de boerenzoons en de resterende paarden opgeëist. Onze nog weinige bossen werden ontgonnen, de bomen van takken en bladeren ontdaan en dan weggesleept naar de vlakten van beemden en landerijen. Vele boeren hebben toen hun eigen bomen moeten vellen en als staken gaan planten op het eigen veld. In minder dan veertien dagen zag ons land er uit als de rug van een oud stekelvarken; hier en daar stak een kale, bovenaan gepunte boomstam als piek de hoogte in. Op die manier wilden de Duitsers de kartonnen zweefvliegers beletten aan de grond te komen. Links en rechts van de grotere wegen werden kuilen gegraven om afweergeschut en antitankkanons in te vestigen. Alles was naar het westen gericht. (Gepubliceerd in “De Band” van december 1981)

    Het einde van de oorlog

    Naarmate de dagen en weken voor de bevrijding voorbijgingen, kwam er meer en meer legerbedrijvigheid in onze streken. Van de ordelijke Duitse strijdkrachten die we in het begin van de oorlog gekend hadden was niet veel meer te zien. De aftrekkende mannen waren meestal moe en afgemat. De vroeger altijd keurige grijze uniformen zaten dik onder het stof, de meeste waren tot op de draad versleten en hingen ordeloos over het lijf. Sommigen onder hen deden zelfs de moeite niet meer om zich te scheren of te wassen : met baarden van soms wel veertien dagen slenterden ze verder met de hoop terug in de heimat te geraken. De geweren welke ze in die tijd zo fier in de hand gedragen hadden bengelden nu aan de riem los over de schouders. Met onderweg gestolen of aangeslagen fietsen en andere volgepropte voertuigen togen ze altijd Oostwaarts. Zelfs kinderwagens waren van dienst. Dat gaf soms wel een belachelijk zicht als men zo een grauw geklede man als een moeder de wieg ziet voortduwen. Het spotten van de burgers trokken ze zich niet erg aan, ze zouden er zelfs om gelachen hebben, hadden ze nog gekund, maar ze vonden het zo gemakkelijker dan zelf die rommel op de schouders te moeten dragen.
    De optrekkende manschappen daarentegen zagen er veel frisser uit. Het waren meestal jonge mannekens van vijftien of zestien jaar die, de gevaren nog niet kennende, naar het front trokken om hun vaderland te verdedigen. Aangespoord door hun al even jeugdige officieren stapten ze naar het Westen toe. Hen kon men af en toe nog wel eens in overmoed horen neuriën of zingen, terwijl de andere categorie mannen, die door hun ouderdom tot heden toe gespaard gebleven waren van het slagveld nu ook moesten optrekken om te vechten, er zwijgend bijliepen alsof ze op weg waren naar hun eigen graf wat voor sommigen ook wel het geval zal geweest zijn. Wanneer toen, bij het vallen van de avond de vroege septemberzon zich naar de einder boog, kon men haar oranje schijn zich soms zien vermengen met de rood-roze gloed van de brandende frontlijn. Machtig schouwspel was dat en wanneer het dan een poos stil was kon men zelfs de ontploffingen tot bij ons horen.
    Om daar ten volle van te kunnen genieten was de beste uitzichtplaats boven op de grafkelder van de familie Empain. Vandaar had men een mooi zicht in de verte. Het spreekt vanzelf dat we daar iedere avond vertoefden om met de verrekijker dat elke dag nader komende schouwspel te kunnen gadeslaan…
    (“Helden zijn de dappersten altijd niet”, Susse Teughels in “De Band” van april 1982)

    Vervolgt met : “Bevrijding en Witte Brigade te Leest“.

    Bijgevoegd :

    -Doodsprentje van Clement De Rooster (meer over Clement in deze Kronieken : 10/4/1942).

    -Zelfs kinderwagens waren van dienst. Tekening Georges Herregods.

    -De grafkelder van de familie Empain.







    16-01-2019 om 08:04 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-01-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Vervolg : Frans “Susse” TEUGHELS.

    Dagelijks leven.

    Zoals we in het leven van elke dag het opkomen of ondergaan van de zon nog nauwelijks merken omdat we er aan gewoon zijn, zo ook waren we er ons die tijd amper van bewust dat we in oorlogstijd waren. De berichten van radio Brussel waren altijd ongeveer dezelfde. Die van radio Londen ook, maar daar vertelde men juist het tegenovergestelde. Alleen scholen, hospitalen en kerken werden langs beide zijden getroffen; militaire doelen bleven ongedeerd. De legers van beide kampen waren niet te stuiten in hun opmars. Zo waren ook de geluiden van elke dag zowat dezelfde. Het begon bij het invallen van de duisternis dat we vanuit het westen het eentonige geronk van vliegtuigen hoorden. Eens dichterbij gekomen ontaarden deze trillingen zich tot een zwaar gedreun dat de ruiten in de vensters ervan daverden. Met ganse formaties zwaar beladen bommenwerpers trokken ze oostwaarts. Wanneer ze dan een paar uur later westwaarts vlogen leek het geraas van de motoren veel lichter te zijn dan bij de heenreis. Alleen werd de eentonigheid soms onderbroken door het geronk van een lager vliegend toestel dat onderweg defect of getroffen geraakte. Ondertussen schoot de flak lichtbundels in de duistere hoogte, wijl ze onophoudelijk haar spetterende projectielen naar die grote vogels joeg. Gewoonlijk was het geluid van die terugtrekkende hommels nog niet uitgestorven als op de dorpsplaats het geklets en gerammel van blikken dozen begon.
    De mannen van de boerenwacht speelden liever voetbal met zo’n ledige conservendoos dan gedurende de nacht de donkere velden te bewaken. Tegen de dageraad aan waren hun uren geklopt en trokken ze huiswaarts. Tegen die tijd ving dan het ratelen van die bandeloze fietsen aan, waarmee de mensen naar de stortplaats van Battel trokken om daar een ganse dag ‘koolkens’ te gaan ziften. Sommigen deden dat om zich bij de lange winteravonden gezellig te kunnen warmen achter een altijd knetterende, spetterende kachel. Anderen gingen naar de ‘ersatzkoolmijn’ om de weggeworpen afval van voor de oorlog weer op te graven en terug te verkopen aan de stadsmensen die deze zaken voor de oorlog op die plaats gedeponeerd hadden. Zo moesten die mensen om hun vroeger weggeworpen eigen huisvuil weer te hebben nog veel geld betalen. Aldus kregen we iedere nacht zowat dezelfde geluiden te horen maar men werd eraan gewoon.
    Moest er één nacht tussen geweest zijn zondat dat lawaai, we zouden er niet van in slaap geraakt zijn. Bij klaarlichte dag waren de decibels minder. Af en toe kwam er wel een door ossen getrokken wagen of kar voorbij, per uitzondering zelfs nog een auto. Dan was het echter meestal een Duitse legerwagen of een van die blauwgrijze auto’s waarmee de Gestapo achter de jongens aanzat om ze naar Duitsland te voeren. Met de dag werd het erger met die mannen. Ze kwamen meer en meer. Was hun wagen bij hun terugkomst ledig, dan hadden alle mensen daar pret in, zat er een slechtoffer in dan wisten we een hele dag waarover praten. Ook vliegtuigen kwamen er meer en meer. Af en toe viel er zelfs zo een vogel uit de lucht. Dan waren de feldgendarmes er als de kippen bij om de levenden van de bemanning op te sporen. De doden lieten ze een tijdje liggen als reklame. Die tijd was er niets raars mensen aan een of ander kapelletje te zien bidden om van de H. Maagd een of andere bescherming af te smeken. In de omliggende dorpen hadden er zelfs al georganiseerde rozenkransavonden plaats. Het kon niet anders, Leest moest daarin niet achter blijven. Zekere zondag riep de paster van op de predikstoel de mensen op om voortaan iedere woensdag- en vrijdagavond naar de kapel op de Juniorslaan te komen om er samen te bidden voor de vrede. Van ieder huisgezin werd minstens één persoon verwacht. Van dat moment af waren die twee oudere broers van mij de woens- en vrijdagen in de vooravond niet meer te vinden. Wat ik verwachtte werd waarheid. Dat ging weer een karweitje voor mij worden. Wie anders ?... ‘t Was nog niet genoeg, iedere morgen naar de mis ; al mochten we nog geen kwaad doen, toch iedere week te biechten, ’s zondag naar de mis en te communie, in de namiddag naar de catechismus van volharding. Andere jongens ontsnapten daaraan doch dat moest over het kerkhof gebeuren en dat konden ze van bij ons door het venster zien, dat was niet te vertrouwen. Daarbij kwam dan elke keer dat lof nog. En nu moest ik ook naar de rozenkrans gaan. In die tijd liep ik nog wel bijna over van devotie maar te veel is te veel of wilden ze misschien op één jaar nen heilige van mij maken…”
    (Gepubliceerd in “De Band” van februari 1981 onder de titel :’De Paternoster’.)

    Brandpreventie.

    Heinke van den Berg liep daar met zijn bel van deur tot deur, wat hij erbij riep was niet goed meer te verstaan…door dat eeuwige herhalen was zijn keel wel hees geworden. Wat het eigenlijk was wisten we maar eerste de volgende dag, een zondag. De veldwachter stapte zonder hoogtevrees op de grote blauwe hardsteen, welke naast de trappen van de kerkpoort lag. Eerst gebood hij stilte en verkondigde dan met luide stem : “…volgens de wet van 12 mei 1943….volgens artikel 376 van het wetboek…ingeschreven onder het nummer…paragraaf…is volgens besluit van de beschermende overheid, iedere Belg welke in een huis woont, verplicht de zolders te ruimen en op te kuisen…daarbij te plaatsen : vier emmers gevuld met onbrandbaar zand…dit alles teneinde de branden, ontstaan door vijandelijke bombardementen onmiddellijk te kunnen blussen.”
    Tussen de tanden vervolgde hij dat de plaatselijke politie en de aangestelden van de burgerlijke bescherming controle zouden uitoefenen…en dan weer met luide stem : dat diegenen welke de wet overtreden zouden gestraft worden met een geldboete van 100 tot 2000 frank of een gevangenisstraf van 2 tot 15 dagen. De meeste mensen pikten het al lachend op. Anderen vonden het niet zo prettig en vonden dat blussen in feite het werk van de pompiers was. Fons van Nellekens wist eigenlijk het fijne van de zaak…Vorige week was de commandant van de brandweer met zijn ploeg, niet wetend wat gedaan, maar beginnen te kaarten. Juist wanneer hij een abbondance in handen had ging het alarm…schuur in brand te Leest in de Kouter. En dat juist op het moment dat hij die negen slagen zo maar af te leggen had. Vlug heeft hij dan het spel uitgespeeld, ’t geld ontvangen en dan zo rap ze konden een bruikbare brandweerwagen ingesprongen om te komen blussen. Onderweg was de man niet aan te spreken, dat was nu al de vijfde maal dat hij zo iets voorhad. Hij vond het allemaal goed en wel dat die Engelse vliegers zonder te kijken zomaar hun bommen losten, maar volgens hem konden ze die evengoed in het vrije veld kwijtraken en had hij er geen last van. Toen ze eindelijk bij die schuur gekomen waren hadden de buren het vuur reeds gedoofd. In koleire moet hij dan de volgende morgen naar de Ortskommandant gegaan zijn en daar is dan die nieuwe wet tot stand gekomen.
    Gustje, welke bij hoog en bij laag gezworen had aan de Duitsers en aan al hun nieuwe wetten de broek te vagen, was de eerste welke we die zondag met de kruiwagen vol oude spullen naar de vuilnisbelt achter de pastorij zagen trekken. ’t Ventje dierf eigenlijk niet goed op te kijken want zijn vrienden stonden achter hun ramen met hem te lachen. Maar wat kan een mens doen als hij van ’t wijf te kiezen krijgt : “Eerst de zolder of geen fret !” In de loop van de namiddag was het één bedrijvige mierennest in het dorp. We moesten wel goed uit onze doppen kijken, want overal stonden of liepen we in de weg. Hier en daar ging er een zolderraamken open en kwam er van alles naar beneden te vallen; het meest nog donkere wolken. Eens dat stof wat weggetrokken, kreeg men dan een goede kijk over al die schatten die zolang onder de dakpannen gestoken hadden. De oude Zenne welke als een slotwal achter de hof van de pastoor lag is die dag wel tien meter kleiner geworden. Van alles werd er ingekapt ; op tijdspanne van een uur of twee was ze herschapen in een ware rommelmarkt. Wat oud spul dat de mensen vroeger allemaal bijhielden…ongelooflijk…zulke bazaar. Oude kasten, stoelen en tafels, van die sleuren waar leeuwenkoppen en andere figuren ingekapt waren, oude luchters en kandelaars, zelfs nog van die koperen, helemaal zwart geworden door de ouderdom…”
    (Gepubliceerd in “De Band” van juni 1981 onder de titel : “Schatten op zolder”.)

    Het openbaar vervoer.

    Het openbaar vervoer werd hoe langer hoe meer ontredderd. Alles wat troepentransport en bevoorrading inhield kreeg voorrang over de gehele lijn. De nog resterende wagens die nog vrij gegeven werden voor gewone passagiers zaten altijd volgepropt. Op een half uur kon men ook niet kijken. Zo ook was het met de overvol beladen autobussen. Meestel vertikten ze het aan de Battelbrug te stoppen om nog iemand bij te laden. Tussen de bezette stoelen en banken stond het vol volk. Al wat binnen kon, reed mee. Van zich ergens vast te houden was geen sprake, het was trouwens ook niet nodig want men werd werkelijk samengeperst, de ene hield de andere recht. Tot buiten aan de deuren hingen mensen, zich krampachtig vasthoudend aan alles wat vatbaar was. Hoofdzaak was zo vlug mogelijk ter bestemming komen. Tot overmaat van ramp liet die oude, voor brandstof hout verbruikende omgebouwde motor het af en toe eens afweten. Aan snelle herstelling viel niet te denken, kon wel een dag duren. De ganse menigte was dan genoodzaakt af te stappen en al lachend of morrend de weg verder marcherend af te leggen. ’t Was bijna alle dagen hetzelfde liedje. Het abonnement voor de bus in de zak hebben en te te voet naar school moeten. Waarom dan nog geld aan die bonnetjes geven ? Die centen konden we beter gebruiken. Daar konden we bij de Fons verschillende sigaretten voor kopen aan vijftig centiem het stuk…of snuisterijen op de zwarte markt, daar hadden we ook een adres voor; zelfs voor crème glacé wisten we waar naartoe.
    (Gepubliceerd in “De Band” van oktober 1981, onder de titel “Oorlogspret en Oorlogswee”.)

    Vervolgt met “Bombardementen”.

    Foto’s : 

    -Kooltjesziften tijdens de Tweede Wereldoorlog. Van l. naar r. : Jan Edward Van Hoof, zoon Louis Van Hoof en echtgenote Florentien DeSchoenmaeker.

    -Veldwachter Theodeoor Huybrechts.

    -De brug van Battel, omstreeks 1946.







    07-01-2019 om 12:18 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Vervolg : Frans “Susse” TEUGHELS.

    Hongerige stadsmensen.

    In die tijd kwamen er alle dagen mensen van de stad naar ons dorpken, niet dat het opeens zo bewonderenswaardig geworden was, maar ze kwamen om iets te vinden wat eetbaar was. De winkels in de stad hadden nog maar alleen raapkolen te bieden. Ook nog wel andere dingen die niet gerantsoeneerd waren, maar dat was niet vet. Daarom trokken ze naar den buiten. De ene gekleed alsof hij naar een bruiloft ging, de andere in lompen.
    In Leest bolde er toen nog geen autobus. Ze kwamen dan meestal te voet, sommigen hadden nog wel een fiets, maar velen hadden geen banden, die reden dan maar op blote velgen, ijzerenband noemden we dat, het maakte een hels lawaai en sturen kon men bijna niet. Ik heb wel eens een fiets gezien met vodden rond de wielen, maar dat bolde ook niet goed.
    Er kwamen allerlei mensen, ouden van dagen, mannen, vrouwen, jongens, meisjes, tot zelfs nog kinderen toe. Allen hadden ze iets bij waarmee ze in de grond konden woelen, ’t zij een riek, een schup, een rijf, of een hark, zelfs bloemenrijfjes brachten ze mee. Maar iets hadden ze wel gemeen, een jute zakje om de buit in te doen, een vaderlandertje noemden we dat, ze waren in de mobilisatie en de tiendaagse voettocht overal langs de weg te vinden, met hele pakken, en ze kwamen nu goed van pas.
    Zo kwamen ze dan naar hier om op het veld waar graan of aardappelen gestaan hadden hun geluk te beproeven, om toch nog maar iets te vinden, al was het niet veel, want de boeren namen zoveel mogelijk zelf mee, zelfs een kleine groen geworden patat was voedsel voor de beesten. Maar iemand die een beetje geluk had kon wel eens iets opvissen wat de boer ontgaan was. Als de mensen dan na een ganse dag rijven, klieven of kappen een handvol van die vruchten gevonden hadden keerden ze vermoeid maar tevreden huiswaarts.
    (Gepubliceerd in “De Band” van mei 1979 onder de titel “Blote Benen”.)

    Koekjes voor de leerlingen.

    Onze meester : men kan er van zeggen wat men wil maar voor de jongens van zijn school, in het bijzonder van zijn klas, had hij toch wel een boontje voor. Iedere morgen, na het gebruikelijke gebed en de uitvoerige verslagen over de oorlog, kregen we van hem een koekje met vitamines. Ja, ja, ge moogt het gerust geloven, echte koekjes. Ze waren natuurlijk ter hand gesteld door het Rode Kruis van België. De Duitsers stonden zulks wel toe, tot gezondmaking van onze jeugd en verbetering van het Germaanse ras. Vroeger kregen we al vitamines, zo van die bruine doorschijnende bolletjes, waarin men de levertraan kon zien zwabberen. Geen mens die ze lustte, of liever mocht, daarom werden ze door onze meester eigenhandig zo diep mogelijk in onze mond gelanceerd, opdat we ze zeker zouden inslikken. Van die smeerlapperij moesten we altijd braken, soms kwamen er wel brokkelen bij te pas.
    Maar nu kregen we koekjes, echte koekjes, ze waren zelfs niet slecht, als we die dan ongezien uit de doos konden halen smaakten ze zelfs heerlijk.
    (Gepubliceerd in “De Band” van juni 1979 onder de titel “Muizen vangen”.)

    De Gestapo in Leest.

    …juist waren we de poort uitgeglipt als er een donker blauwe vrachtwagen stopte. Twee heren in zwarte regenjas stapten uit en vroegen in het half Duits waar Albert Nagels woonde. Ik stond te rillen op mijn benen bij het zien van die donkere in leder stekende gedaanten met die dreigende mitrailletten in de hand. Onze Toon zei altijd maar rechtdoor heren en wees hen richting Juniorslaan, wijl ze eigenlijk op de Warande moesten zijn. Tegen mij zei hij maakt dat ge binnen zijt, dat ze u niet meer zien. Zelf is hij dan zoveel zijn benen het trekken konden naar de brug gelopen om Bert te verwittigen, maar die was al weg, de geburen hadden de Gestapo ook zien komen. Een tijdje later is die auto terug door het dorp gekomen, richting Zennebrug, het scheen me toe dat de gezichten van de mannen nog stuurser stonden dan een poos daarvoor. Over de Zennebrug zijn ze dan gestopt, met het wapen in de aanslag zijn ze bij den dikke binnengetrokken, hebben dan de hele buurt doorzocht, zelfs de hooimijt, maar niemand gevonden. Onverrichter zake zijn ze toen weer vertrokken.

    Die namiddag in de school heb ik vreselijke visioenen gehad, de hele tijd met die duistere gedaanten in de kop gezeten. Zelfs de kameraden konden mij niet boeien, altijd kwamen de tronies van die gestapo’s mij voor de geest…
    (Gepubliceerd in “De Band” van november 1979 onder de titel “Nasleep”.)

    De Engelse post.

    Zochten de geleerden van alle in de oorlog betrokken legers, naar middelen om zoveel mogelijk mensen te doden, zo vonden de mensen zelf, van alles uit om te overleven. Onze Louis heeft in die tijd een machine gemaakt om aardappelen te malen tot een heel fijne spijs. Wanneer die spijs dan gedroogd werd bekwam men patattenbloem. Het spreekt van zelf dat we toen veel gevraagd werden om een uurke te komen draaien. Voor ons was dat een prettige job.

    Zo moest ik een zekere avond in april, met die machine naar een boerke aan de Tisseltbaan gaan. Mannen en vrouwen uit de buurt stonden er bij elkaar te praten en van het mooie weer te genieten, zoals dat in die tijd nog de gewoonte was. Ze maakten er gezellige avonden van, meestal werd er dan veel gelachen, met hun eigen miserie of die van een ander.
    De mensen waar ik zijn moest, hadden mij niet meer verwacht. Maar nu ik er toch was, vooruit, vlug al het nodige buiten gezet. De stekker in het stopcontact en vroemm…daar ging het al.
    Die machine maakte een hels lawaai. Alle mensen uit de buurt kenden dat al. Het stoorden hen zelfs niet meer. Naarmate de klok meer naar zeven uur toeging werd de baas zenuwachtiger. Tenslotte stond de grote wijzer bijna op twaalf. De man kwam bij mij en vroeg of ik een goede Belg was, toch geen Duits-gezinde zeker ? Bij mijn antwoord dat ik een overtuigde Belg was, dat de Duitsers voor mijn part moesten verrekken, nam hij mij in vertrouwen. Hij zou zo graag naar de Engelse post geluisterd hebben, wat erg gevaarlijk was, daar kon men voor naar ’t fort van Breendonk gestoken worden. Fier dat die vent mij in vertrouwen nam, vroeg ik om mee te luisteren. Thuis moest ik iedere avond rond die tijd een boodschap doen, of anders gaan slapen. Ik mocht dan mee binnengaan. De man zette de radio aan, draaide aan een knop voor de gewenste golflengte. Juist op tijd, het kenwijsje van de B.B.C. klonk reeds door de kamer. Vlug deed hij het licht uit, trok mij onder tafel, opdat niemand ons zou kunnen zien of horen. Toen, spijts de geluiden door de Duitsers de ether ingezonden om de vijandelijke zender te storen, klonk een mannenstem …”Dames en heren…hier de BBC in Londen…thans volgt het nieuws…” Het was een tuut tut tuut…van belang, afgewisseld door jaka-jakajaka…dan weer…tut tut tuut. Af en toe konden we toch iets van een bericht ontvangen zoals…de bomen zijn groen…de aardbeien zien rood…of…als het regent schijnt geen zon… Zelfs als die turluut er niet tussen geweest was, zouden we het niet begrepen hebben. Vervolgens kwam het relaas van elke dag…Heden nacht om drie uur…hebben achttien Duitse vliegtuigen Londen gebombardeerd…één hospitaal getroffen…en één kerk werd in as gelegd. Alle twintig mensen die in de kerk zaten werden gedood, vijf vijandelijke vliegtuigen werden neergehaald. Deze namiddag overvlogen twee eskadrons lichte jachtvliegtuigen Duitsland, bestookten Keulen…drie fabrieken zijn vernield…vier militaire doelwitten en een spoorwegbrug werden onschadelijk gemaakt. Alle toestellen kwamen veilig naar hun basis weer. Op het einde van de uitzending kwam het door ons zo graag gehoorde slot : “En zonder er op te boffen, toch krijgen we ze wel, de moffen.”
    Na het nieuws heb ik dan vlug alle spullen bijeen genomen en ben huiswaarts gereden. (Gepubliceerd in “De Band” van december 1979)

    Vervolgt met : “Dagelijks leven”. 

    Foto’s :
    -De meester (De Leers) met zijn klas in 1941. Onderaan als tweede van rechts “Susse” Teughels.
    -Louis Teughels, de uitvinder van een aardappelmaalmachine, kort na het einde van de oorlog met één van zijn zonen.
    -Boven Leest en Hombeek vliegen op 1 mei 1944 bombardementsvliegtuigen (Amerikaanse B-26 Marauders) terug naar hun basis in de U.K.







    30-12-2018 om 10:55 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Frans "Susse" Teughels - "Slimme Boeren".

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II 

    Vervolg : Frans “Susse” TEUGHELS. 

    Slimme boeren.

     

    In diezelfde nazomer…De Duitsers hadden een paar keer Engeland trachten te bereiken maar zijn er niet in geslaagd. Vele Duitse schepen zijn daarbij de grond ingegaan en hele garnizoenen soldaten zijn daardoor verdronken, sommigen zelfs verbrand.
    De Engelsen hadden bij het naderen van de Duitse schepen de zee in brand gestoken.
    De aanvallers zijn dan gestopt…met de uitleg dat het maar uitstel was.
    Het lied : “Und wir fahren recht nach Engeland”, zo machtig dreunend in het begin van de oorlog werd nu maar flauwkens gezongen door de soldaten die door onze straten marcheerden.

    Parademarsen zagen wij ook bijna niet meer.
    De Duitsers trokken dan ook grotendeels hun troepen uit het Westen terug, om in het Oosten de Russen van het communisme te bevrijden.
    Een paar eenheden bleven nog in ons land…om de Belgen te beschermen.
    Hier was alles vredig en rustig.
    Buiten de berichten op de radio, hoorden wij bijna niets meer van de oorlog. 
    Gedaan was die nog niet, want dagelijks hoorden we de bel van Heinke Van den Berg. Heinke…met luide stem roepend : “Vandaag op het gemeentehuis bons voor schoenen…of bons voor hemden…of voor klederen…of rantsoenzegels van 9 tot 11 uur op het gemeentehuis…of punten voor dit en voor dat…
    Van huis tot huis ging dat getingel van de bel, zo de ganse gemeente door.
    Zo snel ze konden gingen onze mensen toen naar het gemeentehuis om daar in lange rijen aan te schuiven voor de begeerde zegeltjes, bons of punten.
    Met die plakkende papierkens konden ze in een vooraf bepaalde winkel -wanneer de waar voorhanden was- en als ze geld bij hadden, alles kopen.
    Per persoon en per dag : 300 gr brood, 50 gr boter, 200 gr patatten…zo was alles per man en etmaal berekend…iedere dag een beetje minder.
    Soms liep Heinke met zijn bel wel tweemaal de gemeente af.

    Voor onze boeren is toen een slechte tijd aangebroken.
    Bijna dagelijks moesten ze naar het gemeentehuis. Koeien, varkens, kippen en ander vee moest aangegeven worden.
    Het koren, tarwe, haver en alle andere gewassen welke bij ons geteeld werden moesten ook gemeld worden. De boeren moesten laten registreren hoeveel grond ze wel bewerkten.

    Het spreekt vanzelf dat er nooit zo veel en zo hard gelogen is dan in die tijd op het gemeentehuis. Boeren, die voor de oorlog varkens kweekten van wel 200 kg, kregen hun zwijnen nu niet vet, het waren allemaal doorjagers. De kippen waren ook al niet beter : ze legden nog amper één ei per week. De koeien waren ook allemaal droog gevallen : ze gaven bijna niets meer.

    Met Leest zelf was het ook erg gesteld. In oppervlakte nog amper de helft van voor de oorlog.

    Waar de boeren vroeger zo graag over hun hektaren pochten, was een hektare nu nog een dagwant, nog veel minder, een plekske van vijf are, de moeite niet om over te klappen en een roe was in het geheel niets meer.

    Elke dag zaten er dan ook één of twee controleurs op het gemeentehuis. De ene voor dit, de andere voor dat, nog één voor zus en nog één voor zo. Zij moesten trachten het maximum uit de boeren en de grond te halen. Het was bij die mensen dat de boeren met hun klachten moesten komen. 

    Al zegt men soms : de boeren die kunnen klagen, toch lieten ze in die tijd zulk werk meestal aan de vrouwen over, die konden er soms ware drama’s van maken als ze hun noodtoestand verklaarden. Sommigen hadden altijd een zakdoek nodig om hun tranen te drogen wanneer ze verklaarden dat ze niet meer wisten hoe hun eigen kinderen nog eten te kunnen geven.
    Zo groot was de mizerie, zo triestig was dat.

    Wanneer het vertelsel dan wat al te tragisch werd, knipoogden de boeren die achteraan in de rij stonden wel eens naar mekaar. Degenen die vooraan stonden beaamden gewoonlijk wat aan de beambten verteld werd, deden er zelfs nog een schupken bij. Wanneer de controleur dan  bereid was de mindere productie te aanvaarden en zulks op papier had gezet, liepen gewoonlijk die wenende madonna’s al lachende de trappen af en zuchtten : dat is weeral gelukt.

    De meeste boeren kochten toen een nieuwe fiets met echte rubberen banden zoals voor de oorlog. Die oude lelijke zware antieke meubelen moesten ook buiten. Er zouden mooie beplakte nieuwe meubelkens in de plaats komen.
    (Gepubliciteerd in “De Band” van maart 1979 onder de titel “De Fiets) 

     

    Vervolgt met : “Hongerige stadsmensen”.

     

    Afbeeldingen :

    -Rantsoenzegels voor brood.

    -Een pamflet van de weerstand van begin 1940.

     

     





    23-12-2018 om 11:20 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Frans "Susse" Teughels."De eerste dagen van de oorlog".

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Vervolg : Frans “Susse” TEUGHELS.

    De eerste dagen van de oorlog

    Toen was het zondag; zoals iedere zondag voor de oorlog heeft het kleppen een kwartuur voor de hoogmis mij wakker gemaakt, als we ons haasten zouden we nog juist op tijd in de kerk geraken. Te laat naar de mis gaan zouden we niet doen, want dan zat ons moeder met de koterhaak achter ons, dus in zeven haasten bed uit, kousen, broek en hemd aangetrokken, holder de bolder de trap af, wat gewassen, en weg waren we. De eerste van de 10 zware slagen van de klok deed de toren sidderen toen we door de eikendeur van het kerkportaal stapten.
    In de kerk begon een orgel te dreunen onder de artistieke vingers van onze koster, machtig en sterk was de aanvang om geleidelijk over te gaan tot een zachte lichte kadans zoals alleen Jozef Rheinhard dat op het orgel kon.
    Uit de linkse sacristie kwamen juist de 3 misdienaars, in zwarte rok en daarover het wit koorhemd, de oude paster volgde hen, helemaal in het goud gekleed, want het was de zondag van hoogwaardig, normaal gezien zou deze dag de processie uitgaan, maar daar was niet veel van te zien, geen vlaggen aan de pilaren, ook geen grote lantaarns, alleen de klein lantarentjes stonden vooraan in de kerk, en in plaats van de grote hemel achter in de linkerbeuk stond de kleine hemel vooraan rechts.
    Nog voor de 10e slag van de torenklok was gevallen zaten we al op onze knieën helemaal vooraan, want kinderen die hun plechtige communie nog niet gedaan hadden moesten op de eerste rijen plaatsnemen. Op datzelfde ogenblik ging de grote bel en knielde de paster op de trappen voor het altaar. In mijn klein kerkboekje las ik juist : “Ik zal opgaan tot Gods altaar”, dat kende ik reeds van buiten, wijl de paster met zijn oude zwakke doch klare stem het introïtus aanhief.

    Eigenlijk ging er alles aan toe juist als voor de oorlog, zelfs de zangers op het oksaal begonnen met hun ritueel hoestje, ieder volgens eigen godsvrucht of vermogen, de ene luid, de andere stil, sommige snoten hun neus, langgerekt of met korte snokjes, zo gaf ieder op zijn manier te kennen dat ze er waren.
    De Mis werd nog in het latijn opgedragen, en de zangers zongen in het Gregoriaans, ze verstonden daar zelf ook wel niets van, maar dat kwam er niet op aan, ze zongen uit volle borst, dat was hoofdzaak. De andere mannen beneden verstonden er ook wel niet veel van, maar volgden de mis in hun kerkboek of missaal. In mijn kerkboek stonden er zelfs beeldekens bij, gewoonlijk had ik het reeds driemaal uitgelezen voor het ‘Ite Missa Est’, en dan had ik nog tijd te over om rond te gapen of soms wat te spelen, maar daar moesten we wel voor oppassen, want rechtover ons aan de vrouwenkant zaten de zusterkens en de juffrouwen, die lazen wel heel devoot in hun missaal, maar hadden toch alles gezien, en o wee, als ze iemand betrapten, dan vielen er klappen, en als ze dan terug op hun plaats gingen zitten verslonden ze verder hun boek alsof er niets gebeurd was.
    Na het Evangelie beklom de priester dan de predikstoel en legde daar met veel gebaren, soms met luide, soms zachte stem, de inhoud en de zin van het Evangelie uit, meestal was toen alles muisstil in de kerk, dan was de tijd gekomen voor de mannen links en rechts achteraan in het gestoelte om zich te laten horen, elk op zijn manier, met zijn eigen hoestje, maar toch zo dat iedereen goed kon verstaan wie er allemaal in die houten kastjes zat, want iedereen mocht daar zo maar niet in, links zat het gemeentebestuur, rechts de leden van de kerkfabriek.

    Aan het einde van het sermoen verklaarde de priester, dat deze zondag, ten gevolge van deze benarde tijd, de H. Processie in de kerk zou uitgaan, en niet buiten, jammer eigenlijk, want Leest had een mooie processie waar we fier konden op zijn, en nu ging ze in de kerk uit, jammer zeg, nu duurde de mis nog langer, wijl de paster dan het kruisteken maakte, knarsten de scharnieren van de kerkdeur, alle hoofden draaiden naar achter, en we zagen 2 Duitse soldaten de kerk inkomen, ze zetten zich doodgewoon, juist als iemand van ons die een beetje te laat kwam, op een stoel. Ze legden hun gordel af en legden die samen met hun soldatenmuts voor hen. Na de consecratie gaf de ene soldaat zijn revolver aan zijn maat en ging in de middenbeuk staan alsof hij wilde communiceren, hij is na een tijdje onverrichterzake weer op zijn plaats gaan zitten, hij had toch wel moeten weten dat tijdens de hoogmis geen H. Brood werd uitgereikt. Juist voor het einde van de mis zijn ze samen buitengegaan, gevolgd van alle hoofden in de kerk, zelfs de zangers riskeerden hun leven al latijn zingende zo ver over de leuning te hangen, wel een geluk dat deze zo sterk is. Als die Duitsers naar de mis gaan zullen ze wel zo slecht niet zijn. Als we thuis kwamen kregen we zoals iedere zondag onze wekelijkse cent voor onze spaarpot of om iets te gaan kopen. Mijn spaarpot was zoals meestal bij Juul van Mineka, of soms bij Toor van Leirekens, daar hadden ze de beste calisesap van uren in de ronde. Wijl veel grote mensen dan in de herbergen gingen voor een potje bier en wat te praten over koetjes en kalfjes, ook over de oorlog, de jongens welke gevallen, gevangen of vermist waren, zelfs over mensen die weer thuis waren, over de vlucht, ook over de vreselijke moord en brandstichting op de Hombeeksesteenweg; wijl die mensen daar zo praatten en dronken, zijn wij, mijn vrienden en ik, buiten gaan oorlog spelen. Wij de dappere Duitsen van het Dorp hebben de kleine Engelsen van de Heide teruggeslagen tot aan de stenenbeek, ze hebben er nogal van gekregen zulle ! Als ik thuis was zat er het natuurlijk over, in plaats van gedecoreerd te worden voor mijn dapperheid en zelfopoffering kreeg ik van moeder generaal een dikke rammeling, omdat mijn hemd gans vuil was, en tot overmaat van ramp de mouw er was afgescheurd. Het is niet erg prettig zo een afstraffing te krijgen en dat in het bijzijn van al die mensen in het café, amaai, heeft die dappere Duitser toen gehuild…en eten kreeg hij ook niet meer. Een geluk voor mij dat juist na de middag, onze veldwachter binnenkwam, tussen 2 Duitse soldaten met een helm op het hoofd, ze kwamen om al ons mannen op te eisen, ook de machines moesten ter beschikking staan, want de volgende dag, maandag om 7 uur ’s morgens, moest aan de noodbrug over de Zenne gewerkt worden. Onze vader die tijdens het eten nog juist gezegd had, ik werk nooit voor de Duitsers verdomme, had mooi te brabbelen van machien kaput en jongens krank, maar ’t kon niet baten, eisen sind eisen herr, und arbeit is ’t wollstand, als die herren dan weg waren heeft ons vader dan wel een half uur staan vloeken, maar is toch rood als een kalkoen van koleirie in het werkhuis gegaan om de machines te smeren. Voor mij is het oorlogsgewoel voorbij, ik had deernis met mijn vader en heb gezworen dat ik nooit geen Duitser meer wou zijn.
    (“Susse”, in “De Band” van december 1978)

    Vervolgt met : “Slimme Boeren”.

    Foto’s :

    -Koster Jozef Rheinhard.

    -Het gestoelte achteraan in de kerk van Leest.

    -Cesar Albert Apers met zijn moto op de noodbrug over de Zenne. De oorspronkelijke brug werd door het Belgisch leger vernield op 15 mei 1940. (Foto : Eddy Apers)







    14-12-2018 om 16:45 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Frans Teughels met "De Vlucht".

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Vervolg : Frans “Susse” TEUGHELS.

    De Vlucht

    Nog diezelfde nacht zijn we vertrokken met ons ganse huisgezin behalve onze Arnold, die was bij de troep. Ons gammelle autootje was kroppens vol geladen met alles wat we maar konden meenemen. Boven op het dak waren de matrassen gebonden en de dekens, zelfs tussen de slijkweerders was alle ruimte benut. Ook op de motorkap hadden we van alles vastgesnoerd. Twee deuren konden nog open om in en uit te stappen, dat was alles.
    Zes personen kropen in de wagen, de oudsten en de jongsten, de rest moest het met de fiets maar doen, zo zouden we recht naar Frankrijk rijden was er afgesproken.
    We zijn gereden naar Kapelle-op-den-Bos, daar was het reeds één file van vluchtelingen in één karavaan, allemaal tot over de oren gepakt en gezakt. De hele stoet trok in de richting van de Vlaanders, het was een chaos van belang. Stapvoets ging die vlucht, mensen te voet, moeders en kinderen met een volbeladen fiets aan de hand, hondenkarren met en zonder honden reden er zelfs tussen, boerenwagens, auto’s, stoetwagens, alles wat maar op wielen stond, zelfs kruiwagens, één slenterende sliert van mensen om hun heil te zoeken in veiliger oorden.

    Het eerste wat we hebben meegemaakt was een bombardement in Aalst. Daar vond ons vader de vlucht al onzinnig, maar van terugkeren was geen sprake meer, voort met de massa en mee in het gewoel. Zo zijn we dan die eerste dag tot in Zele geraakt, boven Dendermonde, amper 30 km van ons huis.
    De volgende dag weer verder, altijd maar aanschuiven, stoppen, nog een trapke verder, altijd maar door. Zo zijn we tien dagen op de dool geweest, hier wat gerust, daar weer moeten gaan lopen, bij sommige mensen goed onthaald, bij anderen geld moeten geven om in de stal te mogen slapen. In Frankrijk zelf zijn we gelukkig niet geraakt, daar waren de Duitsers ons al voor. Waarschijnlijk waren ze de oorlog van 1914-18 nog niet vergeten en hebben gewoonweg het Belgische leger ingesloten. Zo zaten we dan met ons allen en 3/4de van onze bevolking in de Vlaanderen, dat kleine hoekje van ons land. Iedere bom of granaat van de vijand maakte slachtoffers, een geluk voor ons dat, wijl onze regering reeds heldhaftig naar Engeland gevlucht was, onze koning bij ons is gebleven en gezien heeft dat de overmacht te sterk was en verder verzet alleen tot een bloedbad kon leiden en na achttien dagen maar heeft gekapituleerd, wijl Nederland er na 5 dagen het bijltje al had bij neergelegd.

    Frankrijk dat zoveel groter was dan ons land heeft er amper 25 dagen over gedaan. Is het misschien toch waar dat de Belgen de dappersten aller Galliërs zijn ? In elk geval alle Belgen die in de Vlaanders zaten waren gelukkig door die overgave van Leopold. De Fransen waren er niet zo blij mee en die hadden gehoopt dat onze jongens het wel weer zouden gelapt hebben, daar hebben ze dan de Belgen uitgescholden en beschimpt voor verraders, een glas water wilden ze zelfs de Belgen niet meer geven.

    Na de overgave zijn we dan op één dag weer naar huis gekeerd. Hadden we onderweg wel veel kapotgeschoten huizen en dorpen gezien, in Leest was ogenschijnlijk niet veel veranderd. Alle huizen stonden er nog. Wel hadden de Duitsers, na zich goed te hebben bezopen, verscheidene Leestenaars tegen de muur gezet met de handen boven het hoofd. De pastoor was daar ook bij, die stond op de derde plaats, wijl Viktor van Kolettes op de tweede plaats stond, en de pastoor, waarschijnlijk denkende dat de fuseliers gewoonlijk tot één, twee, drie telden en dan schoten, vroeg aan Viktor of hij niet van plaats wou verwisselen. Maar Viktor, die dat ook wel door had zei heel gewoon : “as as as as’t tege gaat zz z zijn we al al allemaal doeët meneer pastoeer” en bleef staan. Juist kwam er een Duits officier langs, had respect voor de wonden aan het hoofd van meester De Leers en heeft die schietpartij verboden. Zo zijn die mensen weer huiswaarts kunnen gaan, anders was de lijst van oorlogsslachtoffers misschien nog veel groter geweest.

    Bij ons thuis was het een ware zwijnenstal. Alle ruiten waren stuk geslagen, de deuren van de slaapkamers opengebroken, alles, alles was vernield. De zaal, daar hadden soldaten in geslapen, lag helemaal vol stro en lege flessen die er lagen…

    Na al het bier voor de kermis te hebben afgedronken hebben ze de wijnkelder van mijnheer Pastoor en meester Hellemans leeg gehaald en de hele boel daar maar laten liggen. Ons mannen zijn onmiddellijk met de opruiming begonnen, en ik ben vliegensvlug naar het bureauke van mijn grootvader gelopen waar ik het tennisspel dat ik van de Belgische soldaten gekregen had, had verstopt. Gelukkig het lag er nog onaangeroerd. Heb ik het vroeger aan ons vader niet durven tonen daar ik dacht dat het gestolen was, nu kon ik er vrij mee voor de pinnen komen en heb het bij andere spullen in de zaal gelegd voor mij was alles gered. Het opruimen van ons huis gebeurde in alle stilte. Geen mens die iets zei en als er dan gesproken werd was het over onze Nolle. Gelachen is er niet, ook waren er geen tranen, alleen gewoon werken in alle stilte.

    De volgende morgen rond 10 uur komt er bij ons iemand binnen welke we voordien nooit gezien hadden. Die mens kwam nog van de vlucht, hij kwam de groeten brengen van onze Arnold die met een legerwagen volgeladen tot in Dendermonde was geraakt, daar die auto heeft moeten afgeven en krijgsgevangen is genomen. Vliegensvlug hebben onze Louis en onze Jules dan de fiets genomen en zijn naar Dendermonde gereden om te zoeken en voor informatie. De ganse dag zijn ze weggeweest en hebben natuurlijk niets gevonden. Ondertussen was onze Nolle reeds lang thuis, tussen Dendermonde en Willebroek is hij gaan lopen, heeft zich een overal aangeschaft en is verder te voet naar huis gekomen. ‘k Zie hem nog binnenkomen langs de voordeur. Ons moeder die de glazen stond te spoelen welke er ons nog overschoten, liet alles vallen en liep op onze Nolle toe, omhelste hem zoals ze het mij in geen jaren meer gedaan had. Tranen vielen uit haar ogen, gouden tranen, tranen van geluk. Ze vielen op de oude versleten zwart satijnen voorschoot en schitterden als diamanten, moeders geluk. Ook ons vader was erbij gekomen. Alle ogen fonkelden van de tranen. Ons vader, de onverwoestbare die altijd iets kon zeggen, zelfs bulderen tegen de gasten en ons mannen, ons vader kon er met moeite nog uitbrengen : “jonge, m’n jonge toch, God zij geloofd.” Zo had ik hem nog nooit gezien ! Maar ik had het aan mijn fles, ’s anderendaags naar de mis en te communie, zelfs ons vader is toen ter H. Tafel gegaan, dat deed hij anders maar eens in de maand als hij het niet vergeten was, en dat gebeurde nogal eens, vooral als er ’s avonds iets te doen was geweest, dan kon het nogal laat zijn en welke cafébaas zou dan ook zijn eigen bierke niet mogen.

    Maar voor ons was de oorlog nu voorbij. Helaas zoveel geluk hebben anderen niet gekend Vier van onze jongens, 4 Leestenaars, 4 Vlamingen, 4 mensen die in de volle jeugd van het leven zijn niet weergekeerd : Albert Beullens, Albert Janssens, Emiel Van Winghe en Brusselmans. Gevallen op het veld van eer. Ook hun moeders hebben geweend, tranen van verdriet, bittere tranen, hete tranen welke ook vielen op de zwarte voorschoot, maar doordrongen tot in het hart en daar een diepe wonde hebben gebrand met het beeld van hun geliefde zoon, het beeld, het enige wat hun restte buiten de naam van hun geliefde die gebeiteld staat in de grijze, koude harde steen rechts naast de inkomdeur van de kerk.
    (Gepubliceerd in “De Band” van november 1978)

    Vervolgt met : “De eerste dagen van de oorlog”.

    Foto’s :

    -Alles wat op wielen stond werd gebruikt tijdens de vlucht.

    -De “Susse” tussen Marcel Gobien en Victor De Boeck.

    -Pastoor Beuckelaers wilde van plaats ruilen.

    -De dorpsplaats met centraal in beeld voor de kerk herberg “de Rooselaer” van de familie Teughels.









    06-12-2018 om 07:32 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    29-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Frans "Susse" Teughels.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Frans “Susse” TEUGHELS.

    Frans ‘Susse’ Teughels (°Leest 21/1/1930, +Bonheiden 15/4/1996), binnenhuis architect, bouwkundig tekenaar en samen met zijn broer Louis exploitant van de gelijknamige schrijnwerkerij vlakbij de kerk van Leest, over zijn oorlogsherinneringen :

    Het begin

    Het eerste officiële document op mijn naam dat ik ooit gezien heb was de rantsoeneringskaart, juist voor de oorlog. Het was dan wel al dikwijls mobilisatie geweest, maar verder was er tot dan toe nog niets van gekomen, deze keer zal het wel menens geweest zijn, want alle weerbare mannen, welke geschikt bevonden waren voor de verdediging van ons vaderland hadden reeds hun uniformen, die al jaren in de kast hingen, aangetrokken.

    Ik zie de metser nog naar huis komen, zijn eerste verlof sinds zijn oproeping, een broek tot even onder de knieën, waarvan de knopen niet meer vast konden, een vest waarvan de knopen met koordjes vastgeregen waren aan de knoopsgaten, maar de knopen blonken als een spiegel, daar was men in ons leger wel heel streng op, verder zwaaide hij altijd maar zijn hoofd om de rode floche, welke aan zijn bonnet hing, van voor zijn ogen te krijgen, een gerieflijk ding, zo een dingske dat hier altijd hing te bengelen, als ge dan geen vijand ziet dan ziet ge toch die floche. Hij was anders wel jaloers op zijn vriend, want die had een geweer, wat is een soldaat toch zonder geweer ! Die andere was dan weer jaloers op hem, omdat hij dan toch weer geen geweer moest kuisen !

    Ons leger had toen geen geweren genoeg, later moeten er dan toch te veel geweest zijn, want tijdens de vlucht heb ik er verscheidene langs de weg zien liggen, moet nog al gehinderd hebben tijdens het lopen…

    Dat was allemaal rond de tijd van Sinksen in de mooie maand mei van het jaar 1940. Alle voorbereidselen waren al getroffen voor de kermis. Bij ons (Noot : herberg-feestzaal “Den Rooselaer”) stond zelfs het orgel al en in de kerk hingen reeds de vlaggen voor de processie.

    “Stormen”.

    Helaas, het heeft allemaal niet mogen zijn, want die vrijdag werd ik wakker door het ongewone lawaai op het dorp. Aan mijn bed stond ons vader die vroeg zo rap mogelijk klaar te zijn want we moesten gaan ‘stormen’. ‘Stormen’ heb ik eigenlijk in mijn hele leven maar eenmaal gehoord, of liever zelf aan geholpen. Het was met twee hamers afwisslend op de klok slagen, zo snel men kon, een kwartier aan een stuk, met drie man, elk zijn klok. Dit werd alleen gedaan ingeval van nood of zware rampen, vandaar het gezegde “als de stormklokken luiden”. Toen, de 10e mei, is het gebeurd, het was oorlog.

    Oorlog.

    Een heerlijk mooie vrijdag in de maand mei : oorlog ! We dachten dat nu voor ons alles voorbij was…oorlog…maar eigenlijk was niet alles voorbij, want toen we zoals iedere andere dag naar de school gingen kwam meester De Leers tot aan de poort en vertelde dat de koning in de radio gezegd had dat de scholen gesloten waren en dat we ons moesten gedragen als dappere Belgen, want de Belgen waren de dappersten aller Galliërs. Hij ook, want hij had nog altijd die doos pralines in de schuif liggen welke hij in de vorige oorlog van de koningin gekregen had voor zijn dapperheid. Die behield hij als souvenir, hij zou er nooit eentje van opeten,…dat geloof ik wel, die moesten toen al lang beschimmeld zijn…
    Heinke van den Berg, de gemeentewerkman is een paar maal huis voor huis gegaan met zijn bel, want hij was dan in geval van een spoedbericht ook de belleman, de eerste maal dat hij rond kwam was met de mare dat onze jongens tussen 17 en 20 weg moesten om ingelijfd te worden bij het leger, waar niets van in huis is gekomen, de meesten zijn toen vertrokken naar een onbekende bestemming, velen hebben heel wat miserie meegemaakt, ééntje, Franske De Borger (Noot: hij bedoelt Frans De Prins), is nooit weergekomen. In Frankrijk gedood bij een bomaanval. De tweede maal dat Heinke rondkwam ging over rantsoenzegels meer weet ik er niet van.

    Luchtaanval.

    Maar verder was het op ons dorp een ganse dag rustig, tot een uur of zeven ’s avonds een paar Duitse vliegers over ons dorp kwamen gescheerd, recht naar Kapellen-op-den-Bos waar ze op de brug van de spoorbaan hun eieren wilden gaan leggen. Dat is wel niet van een leien dakje gegaan, want toen ze uit de lucht het eerste saluut gaven kregen ze een eresalvo terug van een Engels schip dat per toeval daar in het kanaal te wachten lag, een vliegtuig werd de vleugel afgeschoten en is al draaiende naar beneden gekomen, heeft in zijn val een ander vliegtuig geraakt en ze zijn dan samen op de grond gekomen, beide piloten dood, de andere vliegtuigen hebben nog wat bommen gegooid maar de brug is niet geraakt, wel lagen de huizen rond de brug allemaal plat, er waren 7 doden, vele gekwetsten en een paar vermisten. Wanneer deze luchtaanval voorbij was, kwamen er al een paar soldaten, het begin van de terugtocht.

    Vluchtelingen.

    Zo verliepen de dagen, geen school, maar verveeld hebben we ons niet, want telkens was er weer wat anders te beleven. Stilaan kwamen er meer en meer vluchtelingen, mensen die uit hun huizen gezet waren om een frontlijn te maken, en ook andere, zo maar, om in veiligheid te zijn. Ze kregen dan ook onderdak bij de mensen van Leest, zowel als op een ander. Tot op een zekere dag, na de noen, er een groep soldaten kwam, ze gingen een kanon opstellen achter het kerkhof, om Mechelen te verdedigen. Slapen zouden ze bij ons in de zaal. ‘k Ben er natuurlijk altijd bij geweest, het ene ogenblik in de zaal, het andere bij het kanon, wijl de baas, een sergeant, één van de jongens opstuurde om het eten en de munitie te halen. Die jongen ging bij Gieleke (Noot : Jan Baptist De Smedt ook genoemd ‘Jangske den Bakker’) de triporteur halen en reed dan met het vehikel naar de pastorij toe, want de keuken moet ergens aan de brug op de Warande gestaan hebben. Ondertussen moesten er andere jongens het stuk opstellen, richten en klaarstellen op de St.Romboutstoren, om de schietafstand te regelen, wijl weer anderen moesten grachten graven voor de verdediging. Alles gebeurde in een koortsig tempo, zwart en moe waren ze reeds voor ze bij ons kwamen, en nog dit beulenwerk, honger hadden ze ook, een ganse dag nog niets gekregen, maar dat zou nu wel vlug beteren, die hoop hield hen sterk, na een uur of twee drie is dan die man met zijn triporteur teruggekomen, gans vol geladen was hij, de soldaten gauw om hunne gamellen en wijl ze dan stonden aan te schuiven voor het lang verwachte etentje, begon die man, die was weggereden, het gespan af te laden : 7 b.h.’s, wel 50 paar vrouwenkousen, 20 bloezen, 2 paar tennisrakketten, een paar voetbalschoenen, 2 flessen cognac, 3 flessen genever, 3 vrouwencorsetten, een oude radio, en wel 10 paar lakens, maar van munitie of aan eten denken, daar had hij geen tijd voor gehad. Toen kwam juist het bevel op te breken, de jongens zijn al vloekend en klagend weer aan ‘t werk gegaan, alles afgebroken en zonder één schot te lossen weer naar een andere stelling getrokken. Kom, zei ons vader toen, we zullen ook maar vluchten.
    (Gepubliceerd in “De Band” van oktober 1978)

    Vervolgt met : “De Vlucht”.

    Foto’s :

    -Frans “Susse” Teughels.

    -“Jangske den Bakker” met zijn vrouwtje Virginie Van Crombruggen. 





    29-11-2018 om 06:49 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog : Raf SELLESLAGH.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Raphëlle “Raf” SELLESLAGH.

    Raf was het vijfde kind van de acht telgen van de Leestse populaire schoolmeester Victor en van de Tisseltse Delphine ‘Fien’ De Wit. Ze werd te Leest geboren op vrijdag 13 januari 1933 en zou er heel haar jeugd en volwassen leven doorbrengen.
    Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak op 10 mei 1940 was ze zeven jaar oud, oud genoeg om alles bewust te beleven en te onthouden. Veel van die herinneringen en ook andere uit haar jeugd heeft ze neergeschreven :

    De oorlog en de vlucht.

    Op de stralende morgen van 10 mei 1940 bestookten de Duitsers niet enkel militaire doelen, ze vielen ook steden en dorpen aan. De aanval op Brussel om 05u20 leverde al een eerste tragische balans op : 41 doden en 62 gewonden. Meteen was de bevolking bij het conflict betrokken en begon paniek om zich heen te grijpen. De gruwelen van de eerste wereldoorlog waren nog niet vergeten en vele mensen verkozen te vluchten. Niemand wist eigenlijk waar naartoe maar weg van het krijgsgeweld was het eerste gebod.
    Snel scharrelden Victor en Fien (Noot : haar ouders) het noodzakelijkste bij elkaar, wat geld en vooral veel kinderen. De fietsen volgeladen met wat schamele bezittingen, een voorbehouden plaatske op het speelkarretje van Jefke Vink en weg waren ze. Langs de Tiendeschuurstraat over de Bist, waar Victor van de Lodde de gouden raad meekreeg terug huiswaarts te keren want ze gingen het gevaar tegemoet. Achteraf zou Victor hem gelijk geven.
    Via Kapelle-op-den-Bos belandden ze stapvoets in een platgebombardeerd Aalst waar ze letterlijk door de vlammen heen moesten. Huilende duikvluchten van Duitse vliegtuigen maakten de verwarring compleet. In het dorpje Schuiferskapelle, thans een deelgemeente van Tielt, speelden ze dochtertje Raf kwijt. Die was met haar fietsje wat voorop geraakt. Gelukkig kon vader Victor haar gezond en wel terugvinden.
    Misschien waren het de vele rozenkransen die de kinderen samen met Colette Vink moesten bidden, die hen veilig tot bij boer Van de Walle in Tielt West-Vlaanderen brachten. De terminus van hun vlucht. In de kelder van deze boer konden ze eindelijk wat op adem komen en besloten ze terug huiswaarts te keren. Hun vlucht had tien dagen geduurd.
    Thuisgekomen vernamen ze van ‘den Blokmaker’ dat tijdens hun vlucht 20 mannen op de koer van de jongensschool bijeen gebracht waren om geëxecuteerd te worden, wat gelukkig niet is doorgegaan. Nog volgens ‘den Blokmaker’ hadden de Duitsers het plan opgevat om hun woning in brand te steken, maar had hij dat kunnen beletten door te verklaren dat er een groot gezin in dat huis gevestigd was.

    Dagelijks leven.

    Als hout, kolen en kinderen binnen waren, zaten we meestal met z’n allen met ons voeten op het onderste van en rond de Leuvense stoof. Ieder met zijn eigen bezigheid. Omdat het onderste van de stoof te klein was om 18 voeten op te parkeren, gebeurde het meermaals dat den ene zijn voeten op die van den andere plaatste. Ons moeder die met vier priemen en dikke breiwol de mooiste warme sokken kon breien, maar af en toe van de stoof schoof, voeten op de grond, steken eveneens, breiwerk in retard, een verwrongen vloek ten gevolg, en een schietgebedje om met ons Heer weer wit te staan.
    Het deksel van de stoof werd bij valavond even opgelicht, zodat er bij het bidden van het dagelijks rozenhoedje, wat licht scheen in de duisternis. Sfeervol en onze gedachten verdwaalden niet !! Soms moesten we bidden voor een jong gezin dat aan uitbreiding dacht. De manier waarop werd angstvallig verzwegen ! Ons moeder las dan luidop : ‘leer hen een kinneke maken, niet te grof, niet te fijn, maar juist zoals het kinneke moet zijn.’ En negen maanden nadien mochten we dan naar dat kinneke gaan zien.
    Wij kenden geen weelde, wel een gelukkige jeugd. Omwille van de schaarse en dure brandstof en het dure leven voor zo een groot gezin leefden we in een kleine ruimte. In onze keuken moesten 9 mensen van groot tot klein zoeken om hun eigen taak zo goed mogelijk te kunnen vervullen !! En geloof me, dat was zeker niet gemakkelijk !!! Op die luttele oppervlakte moest ieder naar behoren functioneren. Koken, eten, de was drogen, schoenen poetsen, breien, sokken stoppen, studeren, huiswerk maken, verbeteren van schooltaken, plezier beleven en ruzie maken !!
    Geld om een ganse woning op te warmen was er niet. De kolen waren veel te duur en gerantsoeneerd. In de tweede plaats (nu living genaamd) stond een feu-continue. Als er een beetje geld in kas was, kocht ons moeder 200 kg antraciet. Met het weekend als iedereen thuis was werd daar het vuur aangestoken. Dat was een GROTE LUX, tenminste als de schouw niet vochtig was en deze een goeie werking had !! Zoniet konden wij door het slecht functioneren van de schouw best met gerookte haringen vergeleken worden. Als de wind uit het noorden kwam hadden we meestal prijs ! Deuren en ramen werden dan op elkaar opengezet zodanig dat de rook kon afdrijven. Soms kon ons moeder concurreren met den Ammoniak van Willebroek. Eens de vlam in de pijp was het euvel verholpen.
    De Leuvense stoof werd door ons moeder gepoetst op vrijdagnamiddag als heel het capittel naar school was. De ronde pot was gauw kapot gestookt. Om de barsten te repareren had ons moeder de oplossing gevonden, waar weet ik niet, maar het lukte ! Ze kletste wat slam (vraag me niet wat het was) tegen de barsten en eens de schooltijd gepasseerd, stond de gerepareerde pot roodgloeiend. Dat mens kon zelfs den duvel doen blozen !
    ’s Winters moest de was meestal in de keuken gedroogd worden. Wat nagelen in de muur, kruisgewijze de draden gespannen en klaar was kees ! Gemakkelijk was anders ! Als elk centimeterke draad benut was, moest men op zoek naar de bewoners. Dat was wel een voordeel als men wat mispeuterd had, ofwel haperde men met zijne neus in een manshemdslip of kon je je verstoppen achter een opgehangen vrouwenbroek. We zochten dat zelf wel uit ! We waren niet groot, de broek integendeel wel !
    De boterhammeke’s waren als de kolen : gerantsoeneerd ! Drie, niet meer niet minder lagen er op ons te wachten. In de zomer konden we veel recupereren met groenten uit de moestuin of fruit uit de boomgaard.
    Hier en daar had vader wel een handje voor. Aan een schappelijk prijske kocht of kreeg hij soms melk, boter en eieren en al eens spek op Goede Vrijdag bij de Lodde of bij Stefanie van Toontjes (kozijn en nicht van hem). Ook bij rosse Colette (uit de Hertstraat) kon hij altijd terecht. Wij zijn hen daar steeds dankbaar om geweest. Men zou voor minder onder den oorlog ! Van rosse Colette kreeg ik voor mijn plechtige communie als geschenk een zelfgebakken taart. Een kunstwerk op zijn eigen, gecamoufleerd met veel crème fraiche, dat laatste hadden we nog nooit gezien. Heel voorzichtig met mijn bijdegronds meisjesveloke was ik met de taart gaaf ’t huis ‘geland’. Doch wanneer deze op mijn grote dag op de tafel werd gezet stelde ons moeder verontwaardigd vast dat al de crème fraiche er afgelikt was ! En toppunt was, niemand had dat gedaan, waarschijnlijk omdat den ene voor den andere moest zwijgen ! Van solidariteit gesproken ! Je kunt je voorstellen, als er zeven aan dat ding gelikt hadden, dat ’t spel dan wel kaalgeschoren was ! ’t Zal dan toch vermoedelijk voor de communie wel gesmaakt hebben !
    Zo spartelden onze ouders met ons door de oorlogsjaren.

    Zender van de witte brigade.

    Vader Victor luisterde tijdens die oorlog ook naar een verdoken zender van de witte brigade. Eén van de kinderen moest dan buiten op wacht staan om zeker te zijn dat ‘de muren geen oren hadden’ en steevast eindigden die uitzendingen met de woorden : ‘en zonder er op te boffen, toch krijgen we ze wel die moffen’.

    Kooltjesziften.

    Een welgekomen bijverdienste in de oorlog was het kooltjesziften. Voorzien van een zeef, schup, jute zakken en hun houten kruiwagen trok de hele familie naar de putten in Battel. Regelmatig werd daar kolenafval, afkomstig van treinen en boten uit Brussel en Antwerpen, gedropt. Men moest dan wel bij de zaak zijn om er het beste uit te halen. Soms lukte dat en kon de familie daarmee wat kolen uitsparen voor de verwarming in de winter.

    Schuilkelder.

    De naoorlogse vliegende bommen maakten drie slachtoffers in Leest en veel stoffelijke schade. Vele bezitters van een tuin in het dorp gingen over tot de bouw van een schuilkelder, liever nog dan op die plek in hun hof aardappelen te planten. Bij de familie Selleslagh was de schuilkelder gegraven achteraan in de tuin tussen de kriekelaars. De takken zouden het zicht benemen, dacht vader Victor. Meestal zagen ze de vliegende bommen over hun hoofd vliegen en vonden ze niet de tijd om naar die schuilkelder te vluchten.
    ’s Nachts sliepen ze in de kelder onder hun huis, gelukkig was het geen winter, want dan hadden ze af te rekenen met grondwater dat de kelder kwam binnengestroomd.
    Mensen die de oorlog niet hebben meegemaakt kunnen het zich nauwelijks voorstellen maar de vrees dat zo’n bom elk moment kon neerkomen, beangstigend…
    Van de familie was niemand zo dapper als moeder Fien, als de moordwapens overvlogen ging zij steevast buiten kijken.
    Fien, te Tisselt geboren op 19/8/1894, overleed te Leest op 13/7/1995. In 1994 werd ze te Leest luisterrijk gevierd toen ze 100 werd.

    Foto’s :

    -Raf Selleslagh.

    -De woning van de familie Selleslagh in de Dorpstraat.

    -De kinderen Selleslagh met de fietsjes die de vlucht tijdens de oorlog overleefden. Van links naar rechts : Frans, Irma, Hubert, Raymond, Raf, Maria en Cyriel.

    -Het gezin Selleslagh-De Wit na de oorlog. Als vierde van links Raf.









    14-11-2018 om 10:04 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    03-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Hendrik "Rik" Lauwens.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Hendrik “Rik” LAUWENS.

    Rik Lauwens werd te Leest geboren op 31 december 1934 als zoon van Jan Baptist (°Blaasveld 19/4/1903, +28/1/1991) en van Mathilde “Mathilleke” De Bruyn (°Bornem 26/12/1907, +Leest 29/5/1977).
    Hij huwde met Josephine Polfliet (°Kapelle-op-den-Bos 15/3/1931) die hem drie kinderen
    schonk : Willy, Hugo en Maryse.

    Rik was een begenadigd sculpteur, een uitstekend muzikant en meer dan 40 jaar gemotiveerd leider van het gemengd kerkkoor van de parochie Leest.

    Toen ik in december 2014 Rik en Josephine interviewde kwamen ook zijn oorlogsherinneringen aan bod.

    De zilverpapiersnippers waren bommen.

    Van de tweede wereldoorlog herinnert Rik zich nog dat de Duitsers verboden om muziek te maken en vooral de enorme formaties geallieerde vliegtuigen die het luchtruim verduisterden. Ooit, hij zal de datum nooit vergeten, 19 april 1944, was hij met enkele jongens konijnenvoer gaan plukken in de Bleukens toen er weer zo’n formatie voorbijvloog. De vliegtuigen gooiden schijnbaar snippers uit en de jongens dachten dat het, zoals zo vaak, om antiradarsneeuw ging en zij holden er naartoe. Die dwarrelende dingen zagen er van op afstand uit als zilverpapiersnippers.

    Dat was een techniek van de geallieerden waarbij grote hoeveelheden foliereepjes uitgeworpen werden. De reepjes weerkaatsten een deel van de radarbundel, waardoor het radarsysteem een doel ziet. Doordat de wolk foliereepjes vrij groot was en de reepjes dicht op elkaar dwarrelden, ontstond er een compleet ‘gordijn’ van doelen waar een radar moeilijk doorheen kon kijken en waarachter de vliegtuigen zich konden verschuilen of uit de voeten maken.

    De jongens hadden zich echter misrekend, het bleek om echte bommen te gaan. Eens ze de grond raakten spatten ze open en zetten ze de omgeving in vuur en vlam.
    Gelukkig had Jef Beullens, de pachter van het Hof ten Broecke, het gevaar tijdig opgemerkt en hij maande de jongens aan om weg te vluchten. Zij konden zich veilig terugtrekken tot bij de massa volk die op de kerkhofmuur alles van in de verte gadesloeg.

    Eén van die fosforbommen kwam terecht op de schuur van pachter Jan Lauwers in de Larestraat en stak die helemaal in de fik.
    Het grootste deel van de bommen raakte Mechelen en de stad stond in brand. Op 24 april zou Mechelen rouwen om de 120 doden en de vele gewonden. Hun lijkkisten stonden opgesteld op de binnenkoer van het St.-Romboutscollege en werden vandaar naar de kathedraal gebracht voor de uitvaartdienst.

    Op 1 mei zou Mechelen het weer zwaar te verduren krijgen. Leest en Hombeek ontsnapten op het nippertje. Het doelwit was duidelijk het spoorwegknooppunt van Mechelen en de spoorwegwerkplaatsen van het zogenoemde Arsenaal, dienstig voor de oorlogsindustrie. De verwoesting in de stad was enorm.

    Op 15 mei 1944 liet kardinaal Van Roey een herderlijke protestbrief aflezen in alle kerken waarin hij de geallieerden verzocht in naam van België have en goed van de burgers te ontzien “daar anders de beschaafde wereld zich met afschuw rekenschap zal geven van de ontzettende behandeling, die een onschuldig en loyaal land heeft moeten verduren.”

    Bombardementen van grote omvang bleven van dan af achterwege.
    Rik weet nog dat de Duitsers in 1944 op de vele open weiden langs de Zenne twee meter hoge boomstammen en balken in de grond hadden gestopt om te beletten dat vliegtuigen of zweefvliegtuigen er zouden landen. Ze werden omwikkeld en verbonden met prikkeldraad. De bezetters vreesden een invasie.

    Kennismaking met de bevrijders.

    Onvergetelijk was zijn eerste kennismaking met de Engelsen. Het was een gewone schooldag en plots zagen ze een colonne legervoertuigen van het Engels leger voor de jongensschool halt houden. De bevrijders eisten de hele schoolinfrastructuur op en alle jongens mochten naar huis. Onder het afdak werd een veldkeuken geïnstalleerd die doorliep tot in een grote tent op de koer en de drie eerste klassen werden omgetoverd tot eetzaal. Slapen zouden de soldaten in zaal St.-Cecilia in de Dorpstraat.
    De kinderen moesten geruime tijd niet naar school en sommigen, waaronder Rik, verbroederden met de Engelse soldaten die ook hun eten deelden met de Leestse jeugd.
    Rik was ook van de partij toen ze een potje voetbal gingen spelen met de Engelsen op het plein van Heffen.

    Schone liedjes duren niet lang, er moest een oplossing gevonden worden voor de schoolverlaters.
    De jongens werden uiteindelijk ondergebracht in de meisjesschool waar ze een halve dag les kregen in de namiddag en de meisjes in de voormiddag.

    Vervolgt met Frans Polspoel.

    Foto’s :

    -Rik en Josephine tijdens hun huwelijk.

    -De slachtoffers van het bombardement in Mechelen

    -Rik en Josephine, toen 50 jaar getrouwd.







    03-11-2018 om 05:35 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    26-10-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. J.A. Huysmans -.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Jacob Albert “Bert” HUYSMANS. 

    Vervolgens gaf onze Constant het relaas van zijn ervaren : “Ik werd van bij de inval der Duitsers met een compagnie jonge rekruten naar het zuiden van Frankrijk gestuurd. Ik kreeg in een dorp logies in de pastorij op een kamerke waar het wemelde van vlooien. De rekruten kregen onderdak in de schoollokalen. Drie weken reeds, gingen wij dagelijks samen met geallieerde koloniale afdelingen in een heuvelland met achter ons een rivier, op oefening.

    Op zekere dag wordt die, door Franse gendarmen plots stilgelegd, alle officieren meegenomen, en ergens in een schuur opgesloten. Er werd door het volk geroepen : ‘Die kereltjes doen hier aan veilig spel, terwijl onze jongens het voor hen opknappen !’ en zij schimpten de Belgen met een begin van haat, omdat wij thuis de Duitsers niet hadden tegengehouden…

    Twee dagen nadien werden in de streek door de Duitsers strategische punten gebombardeerd en zijn in de verte reeds schermutselingen te horen en nadat er in de buurt Duitsers werden gesignaleerd, worden wij met onze manschappen, met tot hier wijkende Franse liniesoldaten, opgesteld tussen struikgewas voor die rivier…

    Uit een kilometer verder bos, worden wij wat later onder vuur genomen door Duitse mitrailleurs…Weldra worden er reeds hier en daar, terug schietende jongens getroffen…Sommigen poogden al zwemmend de andere oever te bereiken. Ik kon niet zwemmen en liet mij zoals velen, aan het riet geklampt in het water zakken, en plots hees men ergens hier de Witte vlag, en werd aan beide zijden het schieten gestaakt. Kameraden hielpen mij aan de kant…

    Die avond grijpt Frankrijk zijn kans van overgave… Fransen, Belgen en Kolonialen werden ontwapend, en mochten naar hun door de Duitsers veroverde gebieden, vrijaf weerkeren…

    Drie dagen later ben ik van zover stappend en lopend thuis gekomen met enkel nog de omhulsels van mijn schoenen op de voeten, de zolen totaal afgesleten…”

    Ons moeder wou ook haar zeg, in de markante trant van haar vader Peter Leireke : “Na de afgelaste kermisdag werd de Zennebrug opgeblazen. Kort daarop komt Dore van Noldus vragen : ‘Jan, als gijlie hier weg wilt, wij rijden straks met ons citroentje naar Frankrijk, ge kunt mee.’ ‘Bedankt Dore, maar voor mij te ver,’ zei vader. Juist komt Mandus de kleermaker binnen en die zegt : ‘Toor, ik vertrek seffens met mijn volk te voet naar Londerzeel toe, en dan zien we wel.’ ‘Toe va,’ zeg ik, ‘laat ons meegaan,’ en we gingen mee, en overhands torsten wij een valiesken, niet vol geld, want dat was toen wat raarder dan nu, doch het pas nieuw gekochte schrijfmachientje voor onze Constant, och arme, tot Kapelle op den Bos. ’s Anderendaags reed Mandus op zijn meegenomen fiets naar huis poolshoogte nemen, en wist dat er Duitsers op het gemeentehuis logeerden, en zei : ‘We gaan verder.’ ‘Wij gaan naar huis,’ zei ons vader, ‘als daar niets ergers is gebeurd.’

    Twee dagen later waren wij thuis en nog geen ander mens gezien, dan enkel Fonske van den Taar, en die was nu in onze hof komen de patatten hakken. Ik ga daar wel een glas bier naartoe brengen, maar er lag daar wel een hakske bij een frakske en een klakske, doch geen Fonske te zien…Ik treuzel wat en ga dan toch weer binnen, en reeds achter mij komt een Duitser mee, en die sist : ‘Zijn hier nog ander luiden ?’ Ik wist geen ja of nee van angst, en de Fritz duwt de keukendeur open, ziet vader zitten en bast : ‘Mit !’ Ik smeek hem : ‘Ach jongen, mijn man is oud en krank.’ De loebas knikt, en kijkt begerig naar het glas bier dat ik hem toereik, drinkt en verdwijnt… Wij durfden niet meer buitenkomen…

    Die avond wordt er op de achtervenster getokt en horen wij Fonskens gedempte stem : ‘Toorke doe es open !’ Ik ga kijken en Fonske springt juichend binnen : ‘Ze hebben mij gelost, maar ik stik van den dorst !’ Ik vulde de grootste pint en vroeg wat er gebeurd was. Fons slokt het glas half leeg en vertelde : ‘Ik had niemand gezien, en toch grijpt een Duitser de hak uit mijn handen en gromt : ‘Mit, Mit !’ en duwt mij de jongensschoolkoer op… Direct daarna werd gebuur Remy hiernevens van de schaftafel weggehaald en met nog in zijn vuist een met twee happen afgebeten boterham, bij mij gebracht. Vijf minuten later was de Vet opgepakt met een juist gekochte fles azijn in de winkel van Isidoor Piscador, doch haar Mijnheer was op de vlucht zei Mevrouw…maar “Is Cadé” was op de koer, onder het deksel van het halfvol water regenvat gedoken. In de Scheerstraat werd Victor van Klettes bij het uitkomen van het hogenbergwegeltje, met aan een zeeltje een kalfke, dat hij naar zijn klaverenmaalt dacht te brengen, tot hierbinnen gedreven… Er volgden nog anderen maar ik ben de kluts wat kwijt wie het allemaal waren maar Pastoor Beukelaers was er ook bij. In elke geval, wij werden in twee rijen, voor de tuinmuur gezet, en het kalfke aan een klink van een daarnevens bevindend deurtje gebonden…en daar komen vier scherpschutters, naast elkaar met mikkend geweer voor ons staan…en alsof zij eerst wat wilden repeteren, verdwijnen ze toch. Ik stond in de eerste rij naast Victor van Klettes en de pastoor stond achter Victor. O ! Dat zou een mooie familiefoto zijn geweest : zestien erbarmelijke eregasten, met daarnevens een ‘beu !’ beutend kalfke voor een vuurpeleton ! Na die mikpuntdreiging hoorde ik Victor stotterend vragen : ‘Mijnheer pastoor, laat ons wisselen van plaats, op u zullen ze toch niet durven schieten, en dan raken ze mij ook niet, en we laten ons samen, voor dood vallen met de anderen. We zijn toch voor iets geburen.’ ‘We zullen het eerst nog wat bekijken,’ zei de pastoor… De tweede keer dat opnieuw enkele schutters opdaagden, had ik in de gaten dat het ook deze keer een loos spel werd… Doch de derde keer, kwam er met de schutters een officier mee en ik dacht : ‘Nu is ’t gemeend ! ‘ en aleer het tot mikken kwam, liet ik mij van mijne sus zakken… Eén der schutters komt uit zijn veldfles schnaps over mijn smikkel gieten, en wat later stuurde de officier mij spottend naar huis…En aleer het ochtend werd, waren alle gijzelaars in beurten vrijgelaten.’ Aldus werd door moeder dit onderonsje toch iets optimistisch gekruid en vader zei : ‘Het was geen lachspel, want werd daar tussenin, hier ergens een sabotage geplaatst… Ze waren er allen voor “Pier Diep” geweest…”

    Doch vanaf nu, moesten wij trachten met ons door de Duitse bezettende rovers overgelaten schraal te krijgen fabricagemiddelen, onze ontredderde handelsactiviteit opnieuw aan het rollen te houden. Ondertussen was onze Constant zijn job van onderwijzer begonnen.

    In 1943 krijgen ik en onze Fons elk een deportatiebevel tot tewerkstelling in Duitsland met eindelijk toch een tegemoetkoming dat één van de twee moest gaan, zoniet zouden we beiden vogelvrij verklaard worden… Onze Fons werd door een buskruit poeierfabriek niet ver van Hamburg opgevorderd, waar bijna iedere nacht, slechts na een tweede alert, de opgeëisten de bossen mochten invluchten…

    Een jaar later hebben geallieerde bommenwerpers toch die boel uiteengedonderd, tot die in een zee van vlammen verzwond. Daarna moest hij naar Hamburg, bij een bevoorradingsfirma, als sorteerder en inpakker van allerlei nutsvoorzieningen voor de bemanning der tot uitvaart gemeerde duikboten, in de haven onder gigante schuilbunkers dewelke door de geallieerden weken lang met weinig succes werden bestookt, doch de hele stad werd verwoest.

    Enkele dagen voor de Duitse capitulatie werden daar alle vreemdelingen naar Denemarken gestuurd… Een eind in 1945, als wij reeds ongerust hem vermist vreesden, kwam Fons behouden thuis.

    In de eerste dagen na de bevrijding, werd onze Constant opgeroepen en gekazerneerd te Vilvoorde…Enkele dagen daarna was er te Brussel een optocht van een deel reeds heropgericht geregeld Belgisch leger… Op het podium voor het justitiepaleis stond hij achter zijn kolonel, als diens luitenant-adjunct, beiden de afgevaardigden van hun regiment, voor het verwelkomen van de Franse generaal De Gaulle, en als getuige van diens inhuldigingsfeestrede. Hij bezit daarvan nog een foto…en een jaar later werd hij gedemobiliseerd… (Zie foto’s onderaan dit verslag)

    De verduldige lezers zullen mogelijk zich misschien afvragen, waar eindigt die A.J3 met dat soldatenlevenoverzicht. “Ik wil zulks terecht verwijzen : er is mij thans in 1980, een echte dotatie van 800 zware franken te beurt gevallen, daar kan ik nu voortaan toch een matig sigaartje van roken, bij een mij eens vermeien in mijn dagboek van toen… Slot.

    (Gepubliceerd in “De Band” van maart 1983)

    (Foto’s van de familie Huysmans komen uit de verzameling van de familie)

    Afbeeldingen :

    -Tekeningen : Georges Herregods.

    -Constant Huysmans, met stokje links vooraan achter zijn kolonel, bij de ontvanst van Charles De Gaulle te Brussel.











    26-10-2018 om 06:46 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 14/01-20/01 2019
  • 07/01-13/01 2019
  • 24/12-30/12 2018
  • 17/12-23/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 12/11-18/11 2018
  • 29/10-04/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 15/10-21/10 2018
  • 08/10-14/10 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 23/07-29/07 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 09/07-15/07 2018
  • 25/06-01/07 2018
  • 18/06-24/06 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 05/09-11/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 16/03-22/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 09/02-15/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 19/01-25/01 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 29/12-04/01 2015
  • 15/12-21/12 2014
  • 08/12-14/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 13/10-19/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 08/09-14/09 2014
  • 01/09-07/09 2014
  • 25/08-31/08 2014
  • 18/08-24/08 2014
  • 04/08-10/08 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 21/07-27/07 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 26/05-01/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 12/05-18/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 28/04-04/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 31/03-06/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 17/03-23/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 13/01-19/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014
  • 23/12-29/12 2013
  • 16/12-22/12 2013
  • 09/12-15/12 2013
  • 02/12-08/12 2013
  • 25/11-01/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 11/11-17/11 2013
  • 28/10-03/11 2013
  • 21/10-27/10 2013
  • 14/10-20/10 2013
  • 07/10-13/10 2013
  • 30/09-06/10 2013
  • 23/09-29/09 2013
  • 16/09-22/09 2013
  • 09/09-15/09 2013
  • 02/09-08/09 2013
  • 05/08-11/08 2013
  • 29/07-04/08 2013
  • 22/07-28/07 2013
  • 15/07-21/07 2013
  • 08/07-14/07 2013
  • 01/07-07/07 2013
  • 24/06-30/06 2013
  • 17/06-23/06 2013
  • 10/06-16/06 2013
  • 03/06-09/06 2013
  • 27/05-02/06 2013
  • 13/05-19/05 2013
  • 06/05-12/05 2013
  • 29/04-05/05 2013
  • 22/04-28/04 2013
  • 25/03-31/03 2013
  • 18/03-24/03 2013
  • 11/03-17/03 2013
  • 04/03-10/03 2013
  • 18/02-24/02 2013
  • 28/01-03/02 2013
  • 21/01-27/01 2013
  • 07/01-13/01 2013
  • 31/12-06/01 2013
  • 24/12-30/12 2012
  • 17/12-23/12 2012
  • 10/12-16/12 2012
  • 03/12-09/12 2012
  • 26/11-02/12 2012
  • 19/11-25/11 2012
  • 12/11-18/11 2012
  • 05/11-11/11 2012
  • 29/10-04/11 2012
  • 22/10-28/10 2012
  • 15/10-21/10 2012
  • 08/10-14/10 2012
  • 01/10-07/10 2012
  • 24/09-30/09 2012
  • 10/09-16/09 2012
  • 03/09-09/09 2012
  • 13/08-19/08 2012
  • 06/08-12/08 2012
  • 30/07-05/08 2012
  • 23/07-29/07 2012
  • 02/07-08/07 2012
  • 25/06-01/07 2012
  • 18/06-24/06 2012
  • 11/06-17/06 2012
  • 04/06-10/06 2012
  • 28/05-03/06 2012
  • 14/05-20/05 2012
  • 07/05-13/05 2012
  • 30/04-06/05 2012
  • 23/04-29/04 2012
  • 16/04-22/04 2012
  • 09/04-15/04 2012
  • 02/04-08/04 2012
  • 26/03-01/04 2012
  • 19/03-25/03 2012
  • 12/03-18/03 2012
  • 05/03-11/03 2012
  • 27/02-04/03 2012
  • 20/02-26/02 2012
  • 13/02-19/02 2012
  • 06/02-12/02 2012

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!