NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Inhoud blog
  • Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. J.A. Huysmans - "Krijgsgevangene".
  • Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. J.A. Huysmans - "Krijgsgevangene".
  • Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. J.A. Huysmans - "Krijgsgevangene".
  • Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Vervolg J.A. Huysmans.
  • Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. J.A. Huysmans.
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Kronieken van Leest
    bij Mechelen
    16-10-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. J.A. Huysmans - "Krijgsgevangene".

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Jacob Albert “Bert” HUYSMANS

    Vervolg : “Krijgsgevangene”.

    Elke week zagen wij van in ons perkvak meermaals, over een 500 meter buiten het kamp hellende heuvelrug, soms wel tot drie groepen, met vooraan een priester en kruisdrager, tegen de hemel afgetekend schrijdende lijkdragers, daar langzaam afdalend verdwijnen. “Och,” zei onze tentoudste, “dat is toch niet overdreven, uit zoveel duizenden aller slag…”

    Op een zaterdag mochten wij voor de eerste maal naar een badinstelling in een afgelegen bos. In het voorgeborchte moesten we in groepen van 100 ons van het laatste kledingstuk ontdoen, dit uitschudden over een goot met stromend water, en met ’n rekriem bijeen garen, en het steeds om onze hals te dragen plankje met ons kriegsgefangene nummer, daar aanstrikken. Dit boeltje werd dan op rolwagentjes naar een verder ontsmettingsstoomlokaal gebracht. Bij het binnengaan van het badlokaal, met aan het plafond verspreide storttoestellen, mochten wij uit kuipen een handvol kleigele malse zeep nemen en nauwelijks ermee ingevreven kwam een vijftal minuten het gutsend sproeiwater.

    Veel later, thuis, heb ik nachten méér keer gedroomd, na het lezen van de gruwelen van Dachau en andere concentratiekampen, dat ik in zulk stortbad stond, en in plaats van zoemend water plots een sissend geblaas van gas hoorde, tot ik hijgend naar adem, wakker schrikte…

    Niets is zo slim als een mens maar hij moet een beetje leven. Stilaan komen spitsvondigen tot aktie met zwarte markt. Mijn Lokerse nevenslaper sakkert op een avond : “Lancier, kunt ge mij geen zilveren twintig frankstuk lenen ? Ik weet een vriend die van een feldwebel daarmee een pakje Franse tabak kan ruilen, stekjes en blaadjes heb ik nog, maar geen twintig frankers.” (Daar was toen wel wat zilver in verwerkt) Ik had er zulke nog twee en gaf er hem één. En wij probeerden de volgende dagen dat zuinig in rook te laten opgaan. Hoewel wat verdoken, hadden wij gauw watertanders om ons, voor een trekje.

    Stilaan brachten namiddag toch menige gezelschapsspelen wat pret, waardoor ons perkvak weldra werd genoemd : “De wandelfoor van Fallingbostel,” en er was te zien : een keure allerlei atletiek beoefenaars, steentje verleggers op een in het zand gekruist streepjes vierkant. Speelkaartgoochelaars met vaardige trucfratsen. Solwerpers die een houten kalschierschijf bestookten waarop een stapel muntstukjes lokten, enz…

    Bij een uithoek van ons perk ligt nog een overschot barakhout tussen acht, een meter hoge ingeplante steunpalen. Daarop trachten 8 West-Vlamingen een in hun streek geliefd record nog scherper te stellen. Aan die paalcup begonnen zij allen te gelijker tijd voor een dagelijkse zitset van acht uur. Een zitter die faalde binnen dit tijdstip werd zonder pardon geëlimineerd. Enkele dagen daarna waren de deelnemers reeds gehalveerd. De negende dag, klommen er slechts nog twee ten paal, waarvan in de namiddag, er ook één ten gronde zeeg. En de volgende dag gaf de laatste zegevierend de pijp aan Maarten en werd na zeven en zeventig uur de eerste paalzit kampioen.

    Eind juli ontvang ik een Kriegsgefangene Postkaart van thuis. Een stukje hemel gaat voor mij open : “Uw moeder en vader en onze Fons en Constant, die beiden reeds een paar weken ongedeerd zijn thuisgekomen, vernemen met vreugde uw behoud en wensen u een spoedige weerkomst !” Die avond heb ik mijn Processie Repertoire hernomen, tot ik er telkens mee in slaap viel…: “Nederig, wil met hart en ziel ik zingen; in vromen dank voor gaaf ontogen levensnood; als hulde, U Lieve Vrouw, die Moeder zijt van mijn God; O, Baken voor Geloof en Hoop, voor Liefde en voor Troost, Wees Gegroet…” (Gepubliceerd in “De Band” van februari 1983)

    Het ons voorgespiegelde krijgsgefangene ontslag bleek door een langzaamaan Duits bureel te moeten ge-teld en her-teld. “En,” zei onze tentoverste, “De Belgische economie is nog geheel ontredderd, dus het is voor u goed nog hier te zijn !”… Ja, zo goed dat hier reeds jongeren bij de ondervoeden zelfs niet meer wisten of het woensdag of zondag was. Daarvan waren er die zich vijf minuten op hun huksken, zelfs in de lommer, tegen een barak hadden neergezet, en dan recht wilden, alles zagen zwart worden, en heel de omgeving aan het draaien. “Och,” zei onze babbeloverste, “Dat is slechts een kleine griep die de Spanjaarden hier hebben uitgezaaid.”

    En toch is het ervan gekomen. Op een avond worden, ook uit onze barak, een eerste contingent uittochters gesorteerd en krijgen de Vlamingen en menig riskante Waal met een aangeleerd wat verstaanbaar antwoord, een te ondertekenen met onderdanige voorwaarden ontslagdocument, en daarbij een blik patée met een half brood als reisproviand. Een boemeltrein schokt in drie dagen ons tot Antwerpen en wij mogen gaan. Thuis was men komen zeggen dat verscheidene krijgsgevangenen van Stalag XI B van een trein te Mechelen waren gestapt. Toch was het een ontroerende verrassing toen de deur openging. Mijn ouders en mijn broers die mij hartelijk verwelkomden, en enkele nieuwsgierige buren die ook wat van mijn belevenissen wilden weten. Vader zei : “Moeder, geef hem eerst wat eten en drinken, en laten we hem eens rustig uitslapen, vertellen zullen we morgen wel.” Het was twee dagen voor Pinksteren geleden dat ik achter het posthuis van Vlijtingen twee eieren uit het kiekenkot had genomen en rauw uitgesmuld, en hier werd ten morgend ongeteld een volle pan gebakken, ons voorgeschoteld…

    En onze Fons, de eerste terug thuisgekomene vertelde : “Wij waren in een kasteelpark in de omgeving van Luik opgesteld en die vrijdag hadden onze batteries nog geen enkele doelkans gekregen, tot de zaterdagmorgen er plots tot aftocht werd bevolen, doch reeds te laat, want de Duitsers waren vanaf Visé het Walenland ingestormd, en lieten door een omsingelingsraid ons met de gebakken peren links zitten…De zondag waagden velen van ons het huiswaarts te glippen, doorheen de veroverde streek met oprukkende Duitsers, die geen tijd hadden om zich met ons te moeien. Ergens bij de gendarmerie gingen wij met een groepje om raad, maar men zei ons : ‘Gaat waar ge wilt, maar hier moogt ge niet blijven.’ Twee dagen later bereikte ik Leest.”

    Vervolgt…

    Afbeeldingen :

    -Tekeningen : Georges Herregods.

    -Fons Huysmans.







    16-10-2018 om 16:54 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    15-10-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. J.A. Huysmans - "Krijgsgevangene".

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Jacob Albert “Bert” HUYSMANS Vervolg :

    “Krijgsgevangene”.

    Intussen brachten de bewakers vier jongens van onze tent naar de keukens en die komen nu terug met op een stootkar, als droge dagrantsoenen, zestig grauwbruine kauwbroden en evenveel bloedpensen en vijf grote marmieten koffie…en dan stapten wij in rijen naar de hoorn des overvloeds, voor één brood en ene pens van dertig centimeter, voor elke vijf man…en dan om de koffie. Enkele vrienden hadden gelukkig nog een gamel in hun bagagebundel, daarmee kregen anderen dan toch ook een kluts van dat iets warm brouwsel…

    In ons perkvak werd de volgende dagen in alle tenten het “Reveil”, door de Walen, als straatventers onderstreept : “Paté ! Cafécavaches ! …Paté ! Cafécavache !...” Na dit morgenstond ontbijt dan maar kuieren van prikkeldraad naar prikkeldraad, onder het toezicht der mitrailleurposten, uit hoog opgestelde palenhokken aan de vier uithoeken van het kamp…

    Onze tentoverste, ’n toch vriendelijk doend bezadigd man, staat ergens jongens uit Malmedy te woord, die enkele dagen later reeds met hun streekgenoten als Duitse miliciens naar een kazerne zullen worden gestuurd…en hij zei tegen ons : “Zij die hier blijven zullen het toch beter hebben dan mijn oom, die toen hij, einde 1918 in een Engelanders krijgsgevangenenschap belandde, ruim 82 kg nochter gewogen haalde…doch drie jaar later bij zijn thuiskomst waren dat er 40 minder”… Wij lachten wat groen bij zijn zure mop.

    In het midden van ons perkvak is er bij een kraan boven een houten kribbe kans voor drinkwater en opschik. Drie maal daags slechts twee uur, waarvan het gemorste water, wat verder onder een afdak, in een diep uitgegraven gracht wegvloeit…aan weersdkanten van die open riool, liggen een tiental meter staketsel, ontschorste sparrenboomkens, als zitvlak voor wie daarover kan kakken. Doch aan de overkant zal men op gemetste grondvesten, houten barakken voor ons ineen timmeren : “Bestand tegen winterse kou en met enig komfort”, zei de tentoverste.

    Om 13 uur worden de onderhorigen van elke tent opnieuw door hun bewakers in gelid opgesteld, en worden wij verdeeld in vijf groepen van 60 man, die telkens in twee rijen van 30 zullen aantreden voor het laatste dagmenu van den dag. Voor elke tent op een stootkar tien grote marmieten hoofdgerechten en op een stootkarretje vijf marmietjes met toespijs, waarbij een doos kruiderij, en ditmaal voor dezen zonder gamel een volle mand ledige conservedozen. Hongerige groepen gaan nu schoorvoetend, in een wrange sfeer, heen en weer om een pollepel kleverige soepbrei, groener dan vijverbies. Daarna om drie niet te gare pelkartoffele, soms toch nog eentje bij een tweede aanschuiven. Vervolgens om een schepeltje papperige carbonade, met daarbij een lepeltje zout voor de kieskeurigen. Deze rantsoenbedeling was een lukrake taak, voor onze door de tentoverste aangeduide makkers. De terugbrengers van den afwas mochten eerst als toemaat de gestolde resten in de marmieten, met de vinger afschrabben.

    Het gebeuren van zo’n feestdis duurde meer dan twee uur. En dan had men maar te kiezen : zich vervelen of de kring vergroten rond moppentappers, een eigen hobby bedenken of hebben, of helpen krakelen over verleden sportrecords met zijn gebuur op de strooien mat, gaan keuvelen over pret en onkans, in beider levenswandel of zingen “morgen wordt het beter”…en ten einde raad…: bidden om slaap…
    (Gepubliceerd in “De Band” van januari 1983)

    In Stalag XI B, worden wij in de eerste dagen van juni 1940 plots wat verwend : bij het brood al eens wat marmelade, of een paar sneden conserven gezoete rode biet, soms ook magere smeerkaas met een lepeltje suiker. Bij de pelkartoffels meermaals een vierde salade met twee sneedjes cervela of gestoofde bruine bonen met een repel zeugenbuik, zelfs eens uit houten vaten een zestal met ajuin gepekelde stekelbaarsjes.

    Vandaag ben ik aan de achterkant der tenten eens langs, naar en overheen de buurtvakken gaan kijken. Een bij mij komend kanonnier wist en zei : “Ziet ge tussen de barakken in ginds, die sukkelaars die zich nog nauwelijks kunnen staande houden, dat zijn Spanjaarden die uit hun revolutie in 1936 door de toen daar aan de zijde van Franco strijdende Duitsers, met bombardementtuigen naar hier werden overgevlogen…” “Ach God,” zei ik, “Daar kunt ge er zeker veertig van in één mutsaard riemen”…

    Achter de laatste afpaling van het kamp wees mijn gezel naar vier silhouetten, met hun kettingen vastgeklonken aan een pletwel bijna zo hoog als de kleinste van hen. “Dat zijn eens prominente Duitsers geweest,” zei hij. “Zij moeten zo ver als ge zien kunt over die braakliggende heide daarmee heen en weer rollen !” “Zeker geen vrienden van het regime,” dacht ik.

    En om na dit schouwspel tot rust te komen heb ik bij de stapels hout, waarmee timmerlieden voor ons de nieuwe barakken oprichtten een paar hardrode plankjes gejat, waaruit ik op mijn sardienendoosje voor reservespijs, met mijn pennemes een dekseltje gesneden heb, om daarna volgende tekst erop trachten te boetseren : “Vagevuur”. “Geef mij heden naar uw wil”…

    Dien namiddag, zo vlammend warm dat iedereen zich binnen ophield, werd er buiten kabaal gemaakt door de uit de hazemat cantine gekomen dwarsdronken overste van tent IV, die tevens chef was van ons perkvak. Later wist onze tentoverste te vertellen dat die chef zich nog enkel met schnaps overeind hield, na de dood van zijn zoon die als bommenwerperpiloot die eerste dag na een raid over Belgisch Limburg voor het Albertkanaal door afweergeschut werd toegetakeld en over de Maas te pletter stortte…en dat hier die zatte man zou hebben uitgevist, dat in tent VII wellicht daarvan de daders moesten schuilen en nu dacht hij wraak te kunnen nemen… Iedereen werd uit onze tent gejaagd en in rijen van vijf man in een ronde opgesteld, waar in het midden die chef met getrokken revolver zou bevelen : Mars !” en daar stappen we in een cirkel rond die macabere clown die dra brult : “In looppas !” en wij, draaien maar…tot het volgende commando : “Neervallen !” en daar hijgen wij, in wolken stof, ten gronde…en is dit iets wat opgeklaard, controleert die beul het slagveld en gaat sommigen niet gans uitgestrekten tegen de benen stampen…en dan : “Opstaan !” en “Lopen !” en “Neervallen !” Met korte tussenpozen herhaalt die dolle man, zo twee uur lang…om bij te stikken…en laat ons eindelijk liggen…en verdwijnt. Elf dagen naeen duurt die folterfurie. Toen werd van hogerhand ingegrepen en kreeg tent IV een andere overste.

    De volgende dagen kon ieder ’s morgens na de telling zich als krank in de rij aansluiten voor een doktershulp…doch de vele gegadigden werden dan geschift… De zieken moesten hun tong uitsteken en een feldwebel keurde daarvan willekeurig een dozijn waardig voor de infirmerie…

    Nu en dan sijpelt hier uit het Westen enig en soms verbijsterend nieuws naar binnen. Eerst dat het tot uithongeren omsingeld Fort van Eben Emaal zich reeds lang had overgegeven. Daarna de ijzeren muur als een vliegenverschrikker werd doorwandeld, vervolgens dat de laatste telgen der Belgen door de Duitse buldozers op een klein stukje eigen land werden bijeen gestoten tot voor de zee, doch zij capituleerden toch na Nederland en nu dat de helft van Frankrijk werd overrompeld, dat onze zuiderburen gewillig hun overgave hadden getekend…

    Intussen kregen wij allen een Kriegsgefangene postkaart om naar huis te schrijven… En wat kan je nu melden…het best zal wel wezen niet klagen, om geen aanstoot te geven voor censuur…Ik heb nog van toen voor mijn ouders, zo een door hen bewaarde geruststelling…en wat ik naar huis niet schreef, neuriede ik in mijn dagboek aaneen en noteerde het, half juni : “Over berg en dal tussen spar en den, op de dakenreeks in zandig kamp, door ’n prikkeldraadscherm alvoor krijgsgevangenen, daghet traag ochtendgloren uit de neveldamp… Hoeveel mensen met hun wensen, zweefden in een drom dien nacht, heen en weer de ander gouw, heen en weer in angst en rouw…

    Begin juli zijn de voor ons bestemde barakken afgewerkt en daags nadien trekken we met ons hebben en hoeven die kiekenkoten in…waar de vlugsten kunnen kiezen, in de halve meter gescheiden rijen, van twee naast elkaar staande vier opeen gestapelde, met strooi verzachte houten slaapbakken. Aan de ene wand met vensters, in een twee meter brede wandelgang staan enkele zware tafels en banken, een ordentelijk toilet en W.C. zal voor later zijn…

    In één der nu ontruimde tenten hebben flaminganten toelating gekregen op 11 juli ’s avonds een Guldensporen feestzitting te beleggen. Ik ben er met mijn nevenslaper, een Lokerse handelsreiziger, naartoe geweest. Er werd gezegd dat Vlamingen de eerste ontslagenen uit de kampen zouden worden. Men bad er de Rozenkrans en zong er met aandrang “Onze Lieve Vrouw van Vlaanderen” en besloot met een daverende Vlaamse Leeuw.

    Op 21 juli krijgen we elk een pakje met 125 gram “Hannovers Knäckebrot”, een stok Frans wit brood en drie sigaretten “Made in Polonia”, wellicht naar hier overgeheveld voor ons, als een onafhankelijkheidsverrassing… Aleer morgen de laatste tenten zullen verdwijnen, krijgen de Walen dezen avond ook een beurt voor een gezellig gemeenschapsonderonsje. Het kraaien van de haan was er wat getemperd, zij dachten zich te kort gedaan aan hoop op vlugge vrijlating. ’s Anderendaags heb ik in mijn dagboek, bij dat op “half juni” genoteerde klaagversje, daar aan toegevoegd : Tot straks schroeien, door de zonne; hier elk groeien, wordt verwonnen, met geen bloemken dat nog lacht; kinderongeduld geremd, Klauw- en Lelieaart getemd…

    Vervolgt…

    Afbeeldingen :

    -Tekeningen : Georges Herregods.

    -De eerste briefkaart die door Bert naar huis werd gestuurd.







    15-10-2018 om 06:06 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. J.A. Huysmans - "Krijgsgevangene".

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Vervolg - Jacob Albert “Bert” HUYSMANS

    Krijgsgevangene.

    Zaterdag 11 mei, middag, om Eben Emaal woedt een kamp van langen duur… Telkens het fort de bruggen over de Maas onder vuur neemt en herneemt, zien wij de Duitse vliegtuigen vervolgens terugslaan met hun reeksen droppende bommen… Wat later vervoegen wij, met nog steeds toekomende groepen uit andere wegen, op de velden bij de grote baan van Tongeren, daar alreeds ’n verzamelde massa krijgsgevangenen…

    Hier schijnt vanuit Vroenhoven het hele Duits gemotoriseerd oorlogsgeweld België binnen te razen : reeksen tanks, afweergeschut, kanonnen, pantserwagens vol triomf zingend bewapende soldaten. Genie transporten met onoverzienbare materialen, door autocamions getrokken rolwagens geladen met overzetbootjes en stapels zeilen voor kampeertenten, enz…

    Rond 16 uur wordt onze kolonne van een drietal duizend man, bevolen op te marcheren naar Vroenhoven. Langs die baan liggen nog overal gesneuvelde geniesoldaten, ook bij een verbrijzelde veldkeuken werden de paarden en enkele jongens door een bom neergeveld…

    Voor en op de brug over het Albertkanaal heeft het geschut van Eben Emaal, nu daar een deel Duits transport doorboord, waardoor ’n paar bemande voertuigen het kanaal inkantelen, doch takelwagens herstelden die ravage en brengen de gestremde karavaan weer op gang…

    Terwijl dan op hun beurt de Duitse vliegtuigen met hun bommen het fort tot zwijgen tracht te brengen, moeten wij, naast dit over de brug komend trots geweld, langs de toch gevaarlijk stukgeschoten brugleuningen, in looppas achter elkaar naar de overzijde op ’n braakliggend veld. Van hier nu stappen wij over de Belgische grens. In elke straat komen rijen Hollanders ons meewarig nakijken en bieden ons versnaperingen aan. Ik kreeg van een kruidenier een doosje sardientjes en twee eierbeschuiten. Ten avond brengt men ons in Maastricht, op de koer van een grote school, en mochten we in klaslokalen overnachten…

    Sinksen zondagmorgen 12 mei 1940, om vijf uur wordt ons verzameling geroepen op de koer, alvoor een verdere opmars in rijen van vijf. Buiten de poort staan twee vrachtwagens waaruit telkens een Duits legerbrood wordt toegeworpen aan iemand uit elke rij : voor deze man een tergende zorg, onderweg, broederlijk in vijfden te verdelen. Nu en dan soms een uur halt houdend, alsof men met ons geen blijf weet, slenteren wij door binnenstegen der stad. Rond tien uur wordt onze kolonie in een straat langs de Maas tot stilstand gebracht bij de stenen bogenbrug, waar het dartel water onderdoor spoelt, en een eindeloos Duits legioen komt overheen gerold…

    Eensklaps blijkt het denderend vervoer onderbroken, en weldra komt onze kolonie in beweging…Terwijl de eersten reeds een eind de brug zien overschreiden, loeien plots over Maastricht de alarmsirenen en worden wij terstond tot stilstand gebracht. Hoog bij de zon cirkelen zes glinsterende jachtvliegtuigen die enkele rookbommen droppen. De mensen op de brug in paniek, trachten erover of terug te rennen. Ondertussen reageert het Duitse afweergeschut van rond de stad naar de nu duikende straaljagers die met tientallen bommen, brug en omgeving bestoken. Op dit ogenblik bevind ik mij in de kolonne, nog een honderd meter van de brug juist voor een hellende bijstraat. Met nog anderen renden wij daareen, ik duw er een achterdeurken open, ’n trapken af en met vier kameraden springen we een keuken in. Een bonk en gekraak en tussen het neerstortend plafond en balken wringen wij en bewoners ons door het adembenemend stof via de voorplaats naar buiten en horen daar reeds het afblazend einde van het alarm. In de straat langs de Maas zijn daar auto’s der burgerwacht en de pompiers toegekomen en halen de gekwetsten van tussen de doden. Ik help twee makkers die smekend hun arm uitsteken, waarvan de een met half afgerukt been, in de bijgekomen Rode Kruiswagen. Daarginds aan de overkant der rivier, heeft een neergeschoten straaljager huizen geramd en na te zijn ontploft, staat dat alles in lichterlaaie. De Duitse opmars is hier gestuit, want de eeuwenoude stenen bogenbrug is totaal ingedeukt. Wie weet hoeveel krijgsgevangenen, in latere annalen, daarbij als vermist zullen worden opgegeven.

    Na die Maastrichtse tragedie worden op den middag, in de straten aan de westzijde der rivier, de dolende krijgsgevangenen door Duitse feldwebels saam gedreven, en die wandelen met ons, buiten de woonwijken opnieuw tot bij de Maas. Hier mogen wij toezien hoe ver de Duitsers reeds vorderden met het leggen van een noodbrug. Duiveldoeal-genietroepen zijn al klaar met een valluikkade voor elk waterpeil, en schuiven nu over de meer dan honderd meter brede stroom, ijzeren bootjes naast elkaar waarop een stalen geraamte moet bevestigd, door het schragen van den houten balkenvloer. Onderwijl is naar den voortuin van een ginds wat verder pachthof, ’n toeloop tot aanschuiven door een massa dorstigen.

    Een uur later stappen wij één voor één op een loopbrugje nevens het spoor, waarlangs reeds tanks en kanonnen rollen over de Maas. Nu moeten wij de baan op naar Valkenburg toe, en na vele halten, bochten en opstoppingen van Duitse aanvoer belanden wij voor Heerlen, achter een villawijk op een veld. Daarnevens in een met bomen omheinde wei, stonden honderden tanks tussen kampeertenten van een Duitse eenheid. Enkele manschappen probeerden een babbeltje met ons, waarvan een feldwebel wat boos vroeg : “Gij, Engelanders ?” Nadat iemand zei : “Neen, wij Belgen”, mildert hij : “Zo goed !” Toch wil hij opgewonden kwijt : “Engelanders hebben bij uns, in 1918, van kinderen hun vingers gekapt !” Zijn kameraden hielpen hem weg.

    De parochiepriester van de villawijk kreeg het daarna van de Duitsers gedaan dat wij in zijn kerk mochten slapen. Nederlandse vrouwen brachten ons daarna nog vele korven brood met kaas en koffie.

    Het was nog geen half nacht, wanneer plots een uitgespreid ratelend Duits afweergeschut onze rust verstoorde. Glimmende kogenstippelen tot bekruiste baleinen, naar zoemende geallieerde vliegtuigen, die toortsbommen strooien over de Maasvallei, doch wellicht vergeefs zochten naar de standplaats van de zich in koers houdende tankeenheid…
    (Gepubliceerd in “De Band” van december 1982)

    Maandag 13 mei 1940, om vijf uur draagt de wijkpaster van Heerlen voor ons en voor alle slachtoffers der oorlogsellende, de Heilige Mis op, en besluit : “Nooit had ik nog zovele gegadigden in mijn kerk, de Heer zal u zegenen”. Terwijl met oorverdovend gerommel nu die Duitse tankmonsters verdwijnen uit Hollands Limburg richting België, wordt ons buiten het vijfmans legerbrood door feldwebels bedeeld, voor een verdere uittocht. Doorheen een veel schaarser bewoond stuk niemandsland rijden ons meermaals een karavaan Rode Kruiswagens voorbij, wellicht met hun gekwetsten en doden naar Duitsland toe…en in mijn gedachten zie ik mijn thuis, met een tobbende vader en moeder, over hun drie zonen, God weet hoe en waar gebleven…en vandaag moest het tweede sinksenmaandag-kermis zijn, en zouden wij gedrieën, zoals telkens zovele jaren na de Hoogmis, stappend achter het door een groep meisjes gedragen beeld van Onze Lieve Vrouw, met onze fanfare de processieommegang opluisteren…

    Plots wordt ginds bij een arduinen grenspaal “Halt !” bevolen, door de feldwebel leider, die een fors geheven arm met beschuttende handpalm, over het oosten strekt, en luidkeels schreeuwt : “Sieg Heil !”… En nu eerst eet ik mijn in Hollands Limburg gekregen sardientjes op, en bewaar het ledige doosje, om daar ergens mogelijk, al weze het beekwater, als drank mee op te vangen. Wat later wandelen wij door de ons toegrijnzende nooit te zullen capituleren Siegfriedlinie, met links en rechts een rastering van betonijzeren friese ruiterpinpalen, die kruiselings elkaar stutten, tot onverwoestbare kolossen, en daarachter, tussen lijnen na lijnen versperrende prikkeldraad, wellicht nog duizenden grondmijnen, en nog 500 meter verder, gigante bunkers met openstaande poortmuilen, waardoor thans het Ubervolk is uitgezwermd.

    Het werd al donker als wij in het goederenstation van Aken, daar gesloten vrachtwagens waren ingeduwd. Uren later in een vergeten oord wordt er gestopt, en stappen wij ergens langs een spoorwegbrug over een brede rivier en bereiken daar een woestenij, halfnacht het doorgangskamp Oberlangen. Daar waren juist jonge Duitse rekruten gelegerd en werd er ons, op den plankenvloer der zolders, slapen gegund. De volgende morgen kregen wij hier toch brood met linzensoep, en kartoffels met zuurkool waarin enkele snippers spek, bedeeld op alluminium schotels. Twee dagen lang werden op een bureel formulieren ingevuld over ons beroep als burger, vingerafdrukken genomen en pasfoto’s gemaakt. Ik zal er wel als een galeiboef hebben uitgezien met verfrommelde kledij en een baard van een week. Als ik daar buiten kom ontmoet ik onze reserve luitenantdokter en bij een handdruk en een wederijds “alles nog draaglijk” ontviel mij even : “Ik heb onzen aalmoezenier nog nergens gezien”. “O”, lachte de luitenant, “Ik zag hem het laatst, dien avond in de kerk van Heerlen slapen gaan in een biechtstoel, misschien is hij daar nu misdienaar !”

    Donderdagnamiddag 15 mei gaan we de gekomen weg terug en opnieuw hebben wij eenzelfden trein, doch nu voor onze officieren een gewoon appartement. Dien trein boemelt ons ten avond in een klein dorp. Ik lees op een bord “Fallingborstel”, en de stationklok heeft 23 uur en wij stappen uit een straat, nu met de officieren achteraan, tussen struikgewas in een bomendreef, door een aldaar opengedraaide poort, onder een boog met vermelding “Stalag XI B”. Aleer wij na een drietal slagbomen met prikkeldraad zijn doorgetrokken, waren onze officieren ergens anders heengeleid.

    Hier wordt onze kolonne gesplitst tot groepen van 300 man, het volume onderkomen van elk der voor ons staande legertenten. In de schaarse schijn van enkele gloeilampjes zocht ieder daar zijn privatief deeltje, op één der meer dan zestig meter langs vier reien strooien vloerbedekking. Den ochtend 16 mei, al om vier uur wordt door twee bewakers, met hun geweer met den riem over een schouder : “Opstaan en buiten in gelid !” bevolen. Onder toezicht van een tentoverste werd het daar tellen en hertellen van hun aantal onderhorigen…en dan maar wachten…Onderwijl overschouw ik het panorama. Dit kamp is als ’n deel dambord, door prikkeldraad omheinde perkvakken, van een 150 op 150 meter; enkelen bezaaid met houten barakken, doch hier in ’n rei van tien legertenten, ben ik te gast in nr. VII. Ginds achter een paar perken voor ons staan bureelgebouwen, een infirmereie en verpleegpaviljoen. Een kantine en het verblijf der kampleiders, tentoversten en bewakers, daarnevens de keukens en voorraadlokalen.

    Vervolgt…

    Afbeeldingen :

    -Eben Emaal.

    -Maastricht.

    -Tekeningen Georges Herregods.











    15-10-2018 om 05:31 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    12-10-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Vervolg J.A. Huysmans.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Vervolg - Jacob Albert “Bert” HUYSMANS

    “Pinksteren soldaatjes”.

    Het torenkruin der kerk van Vlijtingen (Noot : Sint-Albanuskerk) schraagde ’n eiken gloriette, met open uitkijk tussen vier pilaartjes onder ’n loden bolvormig dakje, waarop het kruis. Daar vonden zich vanaf de mobilisatie, regelmatig twee waarnemers voor het leger, en dezen hadden ook seinverbinding met het fort van Eben Emaal, hetwelk nu bij diep Duitse aanval, speciaal de bruggen van Veldwezelt en Vroenhoven viseerde. Daarop richtte de Duitse Artillerie zich naar Vlijtingers toren, en ’n weinig later, werd diens dak door een treffer uiteen gebeukt, en de wachtpost stolp kwam tussen wolken stof, schaliën en balken, 25 meter lager beneden.

    De ene T.S. jongen was in stervensnood, en de andere heeft het later zo verteld… Na al dit gebeuren wordt het hier te middag een hele poos stil. Toch horen wij nu en dan nog fel schieten aan de kanaalzone, en het fort van Eben Emaal blijft onverpoosd in het verweer, om een overrompeling van het gebied te voorkomen, zelfs onder het gemoker van Duitse vliegerbommen.
    Uit Bloire aan de Jeker, heeft het D.P. een chauffeur met ambulance auto voor eerste hulp, bij ons gestuurd, en deze brengt de gekwetsten naar het militair hospitaal van Tongeren. In de straat trekken de laatste Vlijtingers, met wat ze kunnen torsen en dragen, heen door de velden… Onderwijl trekken nog lang, reeksen Duitse grommende horzels, omzwervend door jagers, voor bombardementen van Tongerens Ambiorix Gouw, en verder België in. Wat later denderen daarvan enkele weerkerenden laag over ons, wellicht zich reeds wanend veroverd gebied te overvliegen, of ergens zwaar werden toegetakeld. Ons afweergeschut neemt dezen onder vuur en ook de artillerie slaat toe, doch die vreemde monsters waren bestand tegen een stoot. Nauwelijks een paar minuten nadien, worden onze stellingen het doelwit van twaalf aflatende duivelse stukas, terwijl daarbij twee jagers, de tot nu nog enkele rechtgebleven houten legerbarakken, met brandbommen in lichterlaai zwierden, die alles daarin tot as verteerde…
    De chauffeur van een ambulance, buitenkomende uit de al eerder half afgeschoten hoeve bij de tramhalte werd er zo verpulverd. Deze jongen had gekwetste liniesoldaten naar de kelders van hun daar opgebrachte infirmerie helpen brengen…

    Na die toch plots eindigende aanval, hadden wij bij onze T.S. jongens, die juist verbroken telefoonverbindingen in de veldgroeven herstelden, een dode, en bij de artillerie drie, en meerdere gekwetsten. Door een ingeslagen bom dicht bij het sterke Posthuis, waarvan het halve dak werd afgerukt, was in de straat de bestelauto tot een onbruikbaar vehikel tegen de voorgevel gesmakt. Deze raid was zeker bedoeld als een ultimatum, om ons te doen inzien dat het moest gedaan zijn met onze weerstand. De hoeve en ook haar hangaar, waar de veldkeuken was ondergebracht was ten gronde uiteen gebombardeerd. Ieder kon zo mogelijk, in verlaten huizen en winkels, het nodige voedsel vinden, morgen zou er bevoorrading uit Tongeren toekomen. Eer het donker werd, hebben wij onze gesneuvelde T.S. jongen bij de haag in de hof begraven en op een heuveltje een met twee latten gemaakt kruis geplaatst, waarop zijne helm, en samen met de aalmoezenier, een Vaderons voor hem gebeden, en nog één voor de anderen, wie weet hoeveel soldaten en burgers, die nog lagen neergeveld, in en rond Vlijtingen. In de kelders van het posthuis werden dekens en kussens uit de slaapkamers bijeengebracht en worden de gekwetsten met doktershulp, zo goed mogelijk verzorgd.
    Ons restte slechts rusteloos tobben in waak en slaap…en dromen van Engelse en Belgische vliegers. Het zal bij middernacht geweest zijn, als wij in de straat enkele motorijders hoorden, die overal ’n order van het D.P. omriepen, dat al het nog mogelijk rollend vervoer, van hier uit, zich langs de baan bij Tongeren moest komen opstellen en voor anderen en de grondtroepen, morgen ’n aflossing werd voorbereid. Iets achterdochtig maar toch met hoop, wachtten wij op het ochtendgloren…

    Op ’n zelfde uur als gisteren, schrik ik wakker en ga mij buiten wat verfrissen en dan zag ik mij plots, als het doelwit van een nog optrekkende tirrailleurlijn scherpschutters, met het geweer in aanslag. Gelukkig zagen ze dat ik een Belg was. Tien minuten later waren deze jongens reeds voorbij het dorp in strijd tegen een Duitse voorhoede, tot wij plots geen schot nog hoorden. “God, help hen !” vraagt de aalmoezenier, “want wie zal nog steunen ?” Het merendeel van ons afweergeschut, artillerie, Staf en T.S. blijkt verdwenen, en wij vrezen dat al wat nog leeft in Vlijtingen en naar het kanaal toe, reeds overrompeld of uitgeschakeld is…

    Doch laten wij nu eerst luisteren naar wat Liniesoldaten mij later vertelden, over de proloog van gisteren ochtend…

    Aan de bruggen van Veldwezelt en Vroenhoven waren na middernacht, om 1 uur, de afgeloste wachten, na ’n kwart uur, naar hun stellingen nog niet teruggekomen…Verkenners namen poolshoogte en meldden dat al die jongens spoorloos verdwenen waren, en er werd alarm geblazen. Ondertussen waren de Duitsers reeds gevorderd, met aan deze zijde van het kanaal, ’n strook bruggehoofd te bevolken…en wat later begonnen de luchtbombardementen, om heel de streek in wanorde te brengen, wellicht als voorbereiding op een geplande massale doorbraak. En die komt nu plots, want terwijl het fort van Eben Emaal reeds de brug van Vroenhoven bestookt, en de Duitse luchtmacht het gebied van Visé en het Walenland bombardeert, zien wij ginds achter ons, in de brede vlakte voor Tongeren, tientallen zweeftoestellen geruisloos neerscheren, bemand met 4 tot 6 manschappen, die zich met mortiergeschut in de velden verspreiden en onder dekkking van enkele stukas, hier en daar nog wat weerstand breken…en hier in de draai van de straat, verschijnen twee tanks, waarachter een rij soldaten stappen… “Ho lala,” juicht een mitrailleur, “dat zijn de Fransen !” “Jongen, jongen, beheers u, want die rij, dat zijn Duitse granaatwerpers”, waarschuwt de dokter. Wij voelen ons plots verlaten en trekken ons terug in de kelders en wachten op het laatste oordeel. Wij horen ze stoppen en de korporaal der T.S. dringt tot bij het keldervenstertje, trekt zijn revolver en vraagt : “Wil ik schieten ?” “Halt, neen”, zegt de aalmoezenier, “Wij werden niet bewapend, dat is zelfmoord !” en daar klinkt in echt Vlaams door een luidspreker : “Belgen wij voeren geen oorlog tegen u, staakt het vuur en spaart uw leven” en die Duitse voorhoede davert verder weg. Vijf minuten later is er boven ons gestommel van zware schoenen en van in de geopende kelderdeur klinkt een stem : “Zijn daar nog luiden beneden ?” De aalmoezenier vertoont zich en een Duitser met geweer over de schouder beveelt : “Uittreden !” Buiten staan twee schildwachten dewelke ons op een rij duwen en naar wapens vroegen. Hun buit werd van ons gezeven, die korporaals revolver. De dokter vroeg wat er moest gebeuren met onze vier ernstig gekwetsten in de kelder. Die Duitse feldwebel zei : “Die worden straks opgehaald door onze hulpdienst”, en hij plakte een speciale vermelding op de deur.
    En ginds in de straat komen nu honderden, rond en in het dorp verzamelde krijgsgevangenen, waarmee wij tussen zes schildwachten opstappen langs de verlaten baan naar Riempst. Laagvliegende jachttoestellen komen van ons foto’s schieten, zeker voor de bioscoop in hun heimat… (Gepubliceerd in “De Band” van november 1982)

    Vervolgt met “Krijgsgevangene”.

    Foto’s :

    -De Sint-Albanuskerk na de oorlog.

    -Een Duitse Stuka.

    -Gevangen genomen…Tekening van Georges Herregods.







    12-10-2018 om 08:36 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    09-10-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. J.A. Huysmans.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Herinneringen aan W.O.-II

    Vervolg - Jacob Albert “Bert” HUYSMANS

    In “Pinksteren Soldaatjes” (negen delen) gepubliceerd in verschillende nummers van “De Band” in 1982 en 1983 schreef hij, nog gedetailleerder, zijn ervaringen met de Tweede Wereldoorlog van zich af.
    Hierna een ingekorte versie :

    De aanvang.

    Op 19 februari 1940 krijg ik ’n mobilisatiebevel voor het Depot en Park 14e Artillerie, Etterbeek, en onze Constant wordt te Mechelen gevraagd, voor opleiding der rekruten van 1940…

    In Etterbeek trokken ik en ’n vijftigtal chauffeurs 14 dagen de wacht op, voor de ledige kazerne, en werden dan deels gestuurd naar verschillende regimenten te velde. Alzo is mijn bestemming 1e Groep Staf te Bloire bij Tongeren. Het bureel en wat kantine was daar ondergebracht in de woning der uitbaters van een molen, die draaiend werd gehouden door ’n klepperend rad op de Jeker. Op ’n keukenkachel in ’n bijhuis werd heel den dag gekookt voor 20 chauffeurs, die na ’n reis, met menigerlei bevoorrading der batteries, op wisselende tijdstippen toekwamen.

    Wij gaan naar einde april, soms nog ploeterend door 20 cm sneeuw. Duitsland bezet Denemarken en trekt ten strijde tegen Noorwegen dat hoewel geholpen door Engeland ook na 3 weken kapituleert. Met gevolg dat hier in het westen, ’n Duitse inval wordt gevreesd, langs Frankrijk, België of Nederland, dat zich ook paraat opstelt.

    Ik krijg die zaterdag twee dagen verlof en vind het Leestse dorp in paniekstemming. Terwijl boven Mechelen koortsachtig aan ’n linie bunkers wordt gezwoegd, worden alle bewaakte bruggen over de Zenne reeds ondermijnd, en op alle wegen maakt het leger jacht op ’n vijfde colonne. Daarstraks hadden soldaten onze gebuur Jan Vloebergh, na ’n familiebezoek per fiets, in de Hertstraat opgepakt en naar het gemeentehuis gebracht om hem uiteindelijk als Belg te aanvaarden…

    Op 1 mei wordt in de infirmerie vijf kg grauwgele verf afgegeven, met het bevel dat ik zes dagen tijd krijg om daarmee die firmabestelauto te verven.

    Donderdag 9 mei 1940, 16 uur, gans de week is er al alarm, maar daarstraks werd naar de T.S. getelefoneerd dat ’n verlofaanvraag weer mogelijk is. Ik haast er mij heen en iedereen krijgt zijn zin. Ik heb 5 dagen, dus ’n mooie Sinksenkermis, en morgen middag vertrekken. Die avond wordt er menig pintje op gedronken, en door sommigen zelfs de laatste uurtjes in…
    Doch daar rinkelt na de nacht, dus vrijdag ochtend 01u30, met herhaald aandringen : “Alarm ! Allen op post !” Van de meeste wakker geworden of door anderen geschudde slapers, draaien velen zich nog eens om, tot daar de luitenant van wacht binnen stormt en roept : “Allen in looppas naar uw stellingen, er is iets fout met de bunkers aan het Albertkanaal, er wordt daar ’n indringende Duitse voorhoede gesignaleerd, allen op !” Verbijsterd en Hitler verwensend, wordt nu de zoveelste maal uitgerukt met helm en gasmasker. Ik steek die vijf cementharde noodkoeken, deze week gekregen, nu toch in mijn mantelzakken, en ren naar de infirmerie…langs de huizen van deze misschien nu nog vredig dromende Vlijtingers, en ik dacht aan hun paster die eens in zijn zondagspreek, vermanend wist : “Den duivel is in ’n kakivel uit de hel in Vlijtingen opgedoken en loert in danskroegen”.

    Nu racen jongens op moto’s en fietsen met gedempt licht langs de wegen, met inlichtingen en orders… Achter veldkanten, hagen en in boomgaarden, putten en loopgrachten, stellen de soldaten zich ter verdediging. Wanneer ik in de infirmerie toekom, zijn de huisbewoners en de luitenant-dokter begonnen de kisten uit de apotheek te brengen. Na het laden daarvan horen wij in de hoevekeuken om 02u30 ’n bericht van Radio Nederland Hilversum, dat vreemde vliegtuigen in zuid-west richting hun grondgebied overvliegen, en het afweergeschut onverpoosd in werking is. Terwijl ik buiten reisvaardig wacht, begeeft de dokter zich naar de Staf. Rond 03u30 komt hij haastig toegelopen en roept gauw te vertrekken naar onze stelling…Maar op dit ogenblik horen wij, in Hollands Limburg en aan het Albertkanaal, het begin van schieten, hetwelk aanzwelt, als het schetteren van ’n bijeenvluggerende bende twistende mussen, doch dat eensklaps overstemd wordt door het spervuur van ten allen kant ratelende machienegeweren en hoog aan de klarende hemel, naderen vals, met horzelgegrom, uit het oosten, honderden en verderop nog honderden vliegtuigen, waarvan reeds de eersten, boven ons zich spreiden en plots, lukraak hun bommen lossen, die oorverdovend heel de streek teisteren. Geen tovenaar zou het geloven, aleer zulks te hebben gezien. Wij worden op de hoevekoer, letterlijk ten gronde gedraaid, door een naar poeier en brand riekende luchtverplaatsing, die als ’n orkaan, al wat iets lost, neersmakt. Het hoevegebouw kraakt en barst, deuren en vensters worden uit hun hengsels gerukt, de rijen pannen schuiven van de daken ten hoope tot scherven… In ’n paar minuten, alvorens een volgende vuurdoop, geraken wij met onze fel beschadigde auto van de koer op straat, terwijl de hoeveboer en zijn zuster hun dieren uit de stallen jagen.
    Wij hotsen en botsen door in de straat geslagen bommentrechters tussen verbrijzelde voertuigen en over puinhopen, de neerhangende elektriekdraden meesleurend, langs brandende huizen en ingestorte woningen waar, in hun slaap verraste burgers en huilende kinderen, zich elkaar uithelpen. Doorheen dit gruwelijk treurspeltoneel bereiken wij het door zijn bewoners reeds ontvlucht fel beschadigde posthuis, ‘n 200 meter van de baan Riemst-Bilzen. De kelders van dat gebouw waren voorbestemd als infirmerie, achter het huis was ’n loopgracht voor ons gegraven. Aan het einde van den hof is ’n half ondergrondse schuilplaats, overdekt met golfplaten en aangedamde aarde, als bunker van de Staf en T.S. ; en dan in open veld, de putten voor het afweergeschut ; en wat verder in ’n boomgaard bij een veldweg, staat de artillerie opgesteld.

    Vlug brengen wij het noodzakelijke naar de kelders en reppen ons de loopgracht in, waar zich reeds de aalmoezenier en twee brancardiers bevinden. Onze artillerie is in gestadige aktie, en tracht aan de overkant van het Albertkanaal de Duitse opmars te stuiten. Het afweergeschut draait zich warm, met het verdedigen onzer stellingen, en tussenin ook die van het 18e linieregiment, ingegraven naar Veldwezelt en Vroenhoven toe, tegen reeksen gierende duikende stukas, die keer op keer met brandgranaten en mitrailleurkogels deze strook bestoken, en eindelijk verdwijnen, waarvan twee met rokende staart en ’n ander dat achter het kanaal te pletter dwarrelt. Onze brancardiers rukken uit, en brengen drie mitrailleurjongens, één met zijn schouder door kogels verwond, en twee anderen door granaatscherven getroffen, die ze moeten ondersteunen. Ik loop ze tegemoet, en samen met de aalmoezenier en dokter, helpen wij de gekwetsten in de kelders…
    (Verschenen in “De Band” van september 1982)

    Vervolgt.

    09-10-2018 om 06:26 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-09-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. Jacob Albert

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Leestenaars in W.O.-II

    Jacob Albert HUYSMANS (Anselmus Jedrie)

    Jacob Albert Huysmans was te Mechelen geboren op 19 oktober 1907 als zoon van Jan en van Victoria “Toor” Coosemans. Hij was gehuwd met Julia De Rooster en overleed op 17 november 1993 te Duffel.
    Samen met zijn broer Fons zette hij de zaak van zijn vader (een limonadefabriekje en herberg “In de Proef”) voort tot in 1972.
    Bert Huysmans had jarenlang een rubriek in het Leestse heimatblad “De Band” die hij steevast ondertekende met Anselmus Jedrie. In “De Band” van november 1980 waagde hij zich een eerste maal aan zijn oorlogsherinneringen en publiceerde onder de titel :

    “Blitzkrieg”.

    "Augustus 1938 werden ik en mijn twee broers gemobiliseerd door een bezetting van de Duitsers van de Corridor van Dantzig, doch dit werd na 14 dagen door Chamberlain bijgelegd. Augustus 1939 bij een inval der Duitsers in Polen, verklaren Frankrijk en Engeland den oorlog aan Duitsland. Mijn twee broers en onze vrachtauto worden gemobiliseerd.

    Januari 1940 word ik opgeroepen naar Blijtingen aan het Albertkanaal als autogeleider 14e Artillerie Staf 1 Rode Kruis.

    Vrijdag 10 mei 1u30. Alarm ! Iedereen naar zijn stellingen. Om 3u30 in de verte mitrailleurvuur en afweergeschut en hoog aan de licht klarende hemel het geronk van honderden vliegtuigen die plotseling in duikvlucht over heel de streek hun spring- en brandbommen uitstrooien wijl onze artillerie en haar afweergeschut in actie komt.
    Balans die avond : het legerhospitaal bij Tongeren onmogelijk nog meer gewonden te herbergen en bij ons in kelders stervenden en doden. Heel de nacht daverende ontploffingen der Duitse beschieting op het fort van Eben Emaal dat toch nog 15 dagen stand hield. Onderwijl vertrekt bijna heel ons legerkorps naar nieuwe stellingen achter den ijzeren muur, dat waren stalen rolhekken tegen tanks, van Antwerpen het Walenland in. Hier en daar in loopgrachten en bunkers werden toch nog duizenden soldaten als laatste verdediging hier gehouden waarbij ook mijn afdeling.

    Zaterdagochtend : nog vanuit Tongeren vers optrekkend Belgisch voetvolk dat deels uitgeroeid moet wijken. Uit de overtrekkende golven vliegtuigen voor bombardement in het binnenland, duiken telkens Stukas om met hun schroot hier de laatste weerstand te breken, en dalen op de velden bemande zweefvliegtuigen neer. Alle verbinding is verbroken, wat blijft is ijzig wachten. Van in onze loopgracht bij het pesthuis zien we plots uit den draai der baan een rij van een twintigtal Duitsers naderen, die wellicht in paniek of zelfs angst, hier en daar naar een huis granaten werpen, waarna vanaf een antitankkanon door een luidspreker in het Vlaams wordt geroepen :”Belgen, wij vechten niet tegen u, spaar uw eigen leven, en kom nader”. We voelden ons verlaten en verloren en sloten ons aan bij de kolonne volgende krijgsgevangen makkers en werden naar de brug van Vroenhoven gedreven, welke ondanks het spervuur uit het fort van Eben Emaal niet begaf, en waar we in stormpas naast de oprukkende Duitsers, de weg naar Maastricht optrokken waar wij onze eerste nacht onder vreemde bewaking doorbrachten.

    Sinksen zondag om 11 uur worden wij in rijen van 6, in de straten bij de steenbogenbrug van de Maas opgesteld, om 12 uur loeien de sirenen en worden wij naar de brug gedreven, deels er over, deels er op en deels, waaronder ook ik, er nog voor. Dat was een tactische zet om de vliegtuigpiloten te misleiden. Terwijl drie Engelse straaljagers doorheen het afweergeschut nu naar die brug bommen afwerpen, dat waren de eerste vliegtuigen der bondgenoten die we zagen sedert donderdag. Ik ben nog een winkel binnengesprongen en een weinig later nog met anderen van tussen het ingestorte puin gekropen. In de straten dode en gekwetste makkers, en wie weet hoeveel er met de vernielde brug in het water zijn gebleven. Onze groep op deze oever nog verzamelde gevangenen werd buiten de stad geleid, waar de Duitsers intussen al twee noodbruggen op naast elkaar geklonken boten hadden gelegd en was het verbroken oversteken van hun tanks en bemande voertuigen hernomen.

    Na vier dagen met meer stilstaan dan stappen en slapen in de weiden zijn we dan door de Siegfriedlinie naar Aken gebracht en in gesloten treinwagons naar het kamp Stalag 11 b te Fallinbostel. Het kamp was omwald in vakken van 500 x 500 m. afgespannen met prikkeldraad, met elk 4 tot 5 duizend gevangenen. In een vak naast het onze bevond zich zulk aantal Spanjaarden uit hun burgeroorlog in 1936 naar hier gebracht, door de strijdende Duitse Luchtmacht aan de zijde van Franco, burgers en krijgsgevangenen. Ach zonder lachen, maar daarvan kon men ze zeker met meer dan 50 in een mutsaard binden... Die macabere grap herinnerde me aan een, van mijn moeder vroeger eens gestelde bedenking, bij een gesprek over zaligmaking, met haar neef, een missiebroeder in Canada, hier toen in verlof. “Waar gaat men die mensen later toch plaatsen ?” “O”, zei de neef, “men zet die in mijten, zoals hier te velde met graanbussels en mutsaarden”. “Mij goed,” zegt mijn vader, “als ik maar van onder de lek van het dak ben.”

    Dagindeling : ’s morgens voor dageraad aanschuiven voor wat fluitjesmelk en wat later in rijen, de tong uitsteken voor een feldwebel die naar willekeur een zeker aantal verwees naar doktershulp. ’s Middags groenwatersoep en 4 ongeschilde halfwarme patatten, om 5 uur 200 gram grijs brood met een schil bloedpens of paté, water zoveel ge wilt, en tussen die menu’s tergende driloefeningen. Om 7 uur bij het slapengaan, tellen en hertellen der krijgsgevangenen, en dan gaan dromen van huis in barakken op wat stro der 4 op elkaar gestapelde houten banken. Wie geen gamel bezat kon op het belt een conservedoos vinden. Ik had op een zelf uitgesneden houten kom gegrift : “Vagevuur, geef ons heden naar uw wil.”

    In augustus was ik thuis, onze Fons uit Luik en Constant uit Frankrijk al eerder. Onze Fons werd in 1942 verplicht tewerkgesteld in Hamburg en kwam na de Duitse kapitulatie uit Denemarken weer thuis. Ons vader zei : “laten we het ons aangedane leed vergeten want de goedertieren Heer zou ons nog bij zich kunnen zetten tussen Pinhelm 2 en Adolf met het SS-kruis.

    Vervolg met “De Aanvang”.

    Foto’s (met dank aan de familie Huysmans) :

    -Albert “Bert” Huysmans.

    -Als soldaat.

    -Zijn vriend links op de foto is ons tot dusver niet bekend.

    -Naar dit “papiertje” werd fel uitgekeken : de “Entlassungsschein” of vrijlatingsbewijs uit het krijgsgevangenkamp.Als Vlaming mocht Albert Huysmans reeds op 22 augustus 1940 naar huis. De Walen moesten blijven tot na de oorlog.









    23-09-2018 om 10:39 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog.- Jan Fierens.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Leestenaars in W.O.-II

    Jan FIERENS.

    Jan Fierens, geboren te Leest op 27 maart 1912, vierde op 3 april 1987 samen met zijn echtgenote Marie Christiaens, hun gouden huwelijksjubileum.
    Die gelegenheid liet de Leestse periodiek “De Band” niet ongemoeid om er een artikeltje over te schrijven. Dit verscheen in het nummer van april 1987 en op 3 april dat jaar in deze Kronieken. De oorlogservaringen hebben wij er uit gelicht en hierna weergegeven :

    “Ze wonen vanachter in de Winkelstraat.
    Jan komt eerst aan het woord. Ik ben als meubelmaker vanaf mijn 14 jaar gaan werken in Mechelen, tien jaar lang.
    Op 11 februari 1937 ben ik dan begonnen bij de NV Zeekanaal, de Maritiem in Brussel. Ik ben er 40 jaar gebleven, tot ik er 10 jaar geleden op pensioen ging. Ik heb er gewerkt in de onderhoudsdienst, meestal in de depots in Brussel maar ook aan de verschillende sluizen.

    Zijn legerdienst heeft Jan gedaan met de klas van ’t jaar ’33 en dan nog 2 mobilisaties en de oorlog in ’40.

    “ ’t Is erg,” zegt Marieken, “nog niet lang getrouwd en uw man zo naar de oorlog zien vertrekken…” Waarop Jan gevat antwoordt : “ ’t Ergste is als hij niet zou terugkomen.”

    Jan lag in ’40 juist 14 dagen in Munsterblizen als de oorlog uitbrak. Hij was bij de zware spoorartillerie : grote kanonnen op de trein.
    Als ze er toegekomen waren had hun kommandant de parochiezaal aangeslagen.
    Daarop had de pastoor ’s zondags in alle missen gepreekt : “Ouders, let op uw dochters, de duivels zijn in ’t dorp !”
    Gevolg was dat als ge in een café binnen ging, iedereen ineens opstapte.

    Met hun trein zijn ze dan bij het uitbreken van de oorlog teruggetrokken over Muizen naar Gent. Daarna is hij dan in Antwerpen gesukkeld.
    Daar zat hij met nog enkele soldaten en nog steeds in uniform in een café een pint te drinken als de Duitse Feldpolizei hem eruit kwam halen.
    Toch zag Jan kans naar boven te vluchten in die café, hij heeft daar dan een nacht geslapen, ’s anderendaags is hij zich bij de coiffeur gaan laten scheren en wassen, heeft een burgerskostuum aangetrokken en was na 8 dagen oorlog al terug thuis.
    Maanden erna ontving hij zelfs een bericht van het Belgische Rode Kruis dat hij krijgsgevangen gemaakt was en dat hij in goede gezondheid gezien was in Antwerpen...”

    Jan Fierens overleed in het A.Z. Sint-Maarten, afdeling ‘Het Anker’ te Mechelen op 9 april 2001. Maria ‘Marieke’ Christiaens was te Hombeek geboren op 11 februari 1914 en zij overleed te Mechelen op 8 augustus 2000.

    Vervolgt met Jacob Albert Huysmans.

    Foto’s (met dank aan Lisette Fierens):

    -Jan en Marie Fierens-Christiaens bij hun huwelijk.

    -Hetzelfde echtpaar 50 jaar later bij hun jubilé.

    -Vooraan op de moto : soldaat Jan Fierens.







    23-09-2018 om 08:23 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    05-09-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg : Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog. - Ferdinand De Prins.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Leestenaars in W.O.-II

    Ferdinand “Nante” DE PRINS.

    ‘Nante’ werd te Leest geboren op 6 januari 1908 en huwde op 24 oktober 1931 Alida De Wit (°Leest 28/9/1909, +Leest 30/10/1990).
    Het echtpaar kreeg vijf kinderen : Jan, Constant, Marcel, Walter en Maria en allen kregen ze de beenhouwersstiel mee van vader. Moeder Alida sprong jarenlang haar man bij in de zaak op Leest-Dorp die later door zoon Walter werd overgenomen en later werd uitgebaat door de familie Cremie.

    Nante was ook politiek bedrijvig, eerst als gemeenteraadslid en later als schepen van onderwijs, sport en cultuur.
    Van 1965 tot 1971 was hij ondervoorzitter van de fanfare “Sint-Cecilia” waarna hij Ere-Bestuurslid werd en ook Ere-Schepene. Hij overleed te Leest op 5 juli 1995.

    De oorlogservaringen van ‘Nanten’, de beenhouwer.

    “In september 1939 werd ik gemobiliseerd. Ik was toen 31 jaar. Ik was al getrouwd en had twee kinderen en had de beenhouwerij. Ik was al 10 jaar van den troep als ze me dus terug binnenriepen. Ik moest mij melden in de zwemkom in Mechelen en daarna zijn wij naar Schilde, boven Antwerpen, gegaan. Ik was ‘clairon’, hoornblazer, in ’t schoon Nederlands. Dat had ik vroeger geleerd in Beverlo, waar ik nog de wacht ben opgegaan met Rik De Bruyn en Meester Meyers. In Schilde moesten wij buiten patatten jassen, ook nog sparren uitdoen om het anti-tankkanaal aan te leggen. Daarna zijn wij naar Den Haan aan Zee gegaan. Wij sliepen daar bij burgers en de compagnie 1e Grenadiers lag in een zaal.
    Ik probeerde zoveel mogelijk op zondag thuis te zijn : ik had een vrouw, kinderen en een beenhouwerij. Ik hoor het onze kapitein, een Waal, nog zeggen : “ ’t is ky koet geblaas, ’t is ky zult hebben congé.”

    Op een morgen vloog laag over de zee een vlieger, wij konden goed het kruis op zijn vleugels zien : het was een Duitser. Het was oorlog !
    Franse soldaten, met zwarte Senegalezen, reden in versleten autobussen richting noorden. Nu zal het wel vooruitgaan dachten wij. De Fransen komen ons ook helpen. Maar ’t werd ook niets. Wij moesten van Den Haan naar Zeebrugge. Op de Pier heb ik daar Koning Leopold gezien. Ik salueerde hem en hij salueerde terug.
    Dan zijn wij weer terug gegaan, te voet, met ransel en geweer. In Nieuwpoort zaten wij met duizenden en duizenden soldaten samengetroept. Op een keer vlogen er 3 Duitse bombardiers over ons. Hadden die bommen gegooid, ’t zou wat geweest zijn. Maar ze vlogen rond en daarna weg. Dan weer naar het noorden, naar Oostende in de Hyppodroom. Daar is een bom op 15 m. van onze corps de garde gevallen. Gelukkig hadden wij niets, maar alle ruiten in de omtrek waren kapot.
    In Oostende hebben wij ons dan in kelders moeten opstellen met mitrailleurs. Wij waren ook gereed om naar de slag aan de Leie gezonden te worden. En opeens waren de Duitsers daar. ‘De Krieg ist fertig, sie können nach frau und kinder gehen’, zegden ze tegen ons. En dat deden wij. Wij gingen te voet het binnenland in, maar in Ursel aangekomen staken ze ons in een grote wei. Zij maakten ons wijs dat wij een stempel moesten krijgen en dan naar huis konden gaan. Maar van Ursel moesten wij 3 dagen marcheren naar Zelzate en 3 dagen langs het kanaal naar Terneuzen. Daar staken ze ons in een kazerne waar wij alles moesten afgeven.
    Mijn scheermes kon ik verbergen tussen een boterham. Daar moesten wij inschepen in een soort kolenboot. Een Duits soldaat trok het kenteken van clairon van mijn uniform af en riep dat wij nog gras zouden eten.
    In die boot hebben wij 2 dagen en 2 nachten gevaren, wij zaten rug aan rug, zo weinig plaats. Ik heb er nog veel mannen geschoren met mijn mes.


    Zo ben ik dan in een kamp in Duitsland tussen Bremen en Hamburg terecht gekomen : Stalag 10. Daar heb ik 9 weken gezeten : honger, honger, ge kunt het aan geen mensen vertellen. Wij sliepen er in houten barakken, 3 boveneen. Als wij ’s morgens om 6 uur op het appel in rijen van 25 moesten staan, vielen er iedere keer minstens 5 van op de grond van flauwte.

    En dan werden wij uitgepacht aan boeren. Ik moet er nog altijd om lachen hoe dat gebeurde. Wij werden op de markt gebracht en de boeren konden ons kiezen. Iemand met een groene hoed met pluim, die de gast van de boer was, koos mij uit.
    Wij werden dan naar een lager gebracht, een soort grote varkenstal. Omheining en wachttorens errond. Daar moesten wij slapen, ook de zondag werden we er opgesloten. De boerderij was slechts 100 meter van het lager. Ik had geluk bij een heel goede boer te vallen. Wij kregen 5 keren eten per dag : gestoofde patatten met vet en melkpap.
    Op 14 dagen was ik 10 kg bijgekomen. De boer had 54 ha en 3 paarden. Ik reed met de paarden, ik was immers een boerenzoon.
    Wij waren er met 3, ene van Lier en ene van Aalter en wij waren alle 3 beenhouwers.
    Ik was eens 5 ha met de klodde aan het bewerken, het was al na de middag, maar ik was verder blijven werken. De boer kwam af (misschien wat ongerust of ik er niet van onder was) en zei dat ik moest gaan fressen en of ik niet gezien had aan de zon dat het al zo laat was.
    Daar heb ik ook een brief van mijn vrouw gekregen, langs het Rode Kruis.
    Van die dag af was ik gerust : thuis waren ze goed door de oorlog gekomen. Dat was een pak van mijn hart. Ik ben ook bij een gebuur eens een accident-beest gaan afwerken : ik kreeg er een zilverstuk van 2 mark, 5 sigaren en 5 borrels ‘wir Bauer fragen den krieg nicht’, zei hij mij, hij had een zoon die in België gekwetst geworden was. Onze boer had 2 zonen, ene was onderwijzer en de andere was 16 jaar oud. We hebben ook het verlovingsfeest van die zoon onderwijzer met een dochter van een grote boer uit het ander dorp meegemaakt. Wij kregen ook het feesteten, maar wel in een aparte ‘stube’ (kamer).
    Er kwam ook regelmatig een Duitse slachter, die al de boerenhoven in de omtrek afging om te gaan slachten. Die zou me graag als zijn helper meegehad hebben en ik zou ook wel gewild hebben, maar onze boer loste me niet.
    Toch was de boer goed voor mij, hij was in ’14-18 ook krijgsgevangene geweest, dus hij wist wat het was. Maar hij geloofde in de Führer ‘Der Führer ist ein man durch Gott gesanden’ zei hij mij. ‘In 6 wochen ist der krieg zum ende. England ist isoliert.’

    Het gerucht liep al een tijdje dat de Flamen bald nach hause zouden gaan. Op 12 januari ’41 was het dan zover. Wij werden in het kamp spiernaakt in een luizenbad gestoken. In 2 dagen en 2 nachten zijn wij dan in beestenwagens naar huis gereden. ’t Was er geweldig koud, in ’t putje van de winter. Ik had er een zware kou van gekregen, ik kon bijna niet meer spreken. In Antwerpen aangekomen werden wij in een cinema gestoken en ’s anderendaags vroeg naar Mechelen en zo te voet naar huis, over de noodbrug van de Zenne en zo langs de gang recht naar achteren binnen. Ik was terug thuis !
    Op het einde van de oorlog heeft die boer me nog eens geschreven : ‘Wäre der ungluckliche krieg bald zum ende ! Hermann (de onderwijzer) ist eind Russischen kogel zum opfer gefallen.’

    Meer dan 45 jaar later heeft Nanten De Prins dit allemaal zitten vertellen, gezeten in de zetel, zijn vrouw Alida op een stoel achter hem. Vanuit hun raam, kunnen zij gans de dorpsplaats zien. Het is een rustige, warme mei-avond. Er is nauwelijks beweging. Een vredige avond.
    ‘Miserie, jongen, dat onthoudt ge lang’, zegt Nanten als we weggaan.”(Gepubliceerd in “De Band” van juni 1987)

    Meer over Ferdinand ‘Nante’ De Prins in deze Kronieken : juli 1963 en maart 1995.

    Vervolgt met Jan Fierens.

    Foto’s :

    -Soldaat Ferdinant De Prins, rechts zijn echtgenote Alida “Lida” De Wit.

    -Lida met haar twee oudsten op de foto die ze naar Nante in Duitsland zond.

    -Ferdinand De Prins.







    05-09-2018 om 11:24 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    25-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Leestenaars in W.O.-II : Georges DE LAET.

    Wijzigingen – Aanvullingen Kronieken van Leest.

    Leestenaars in W.O.-II

    Georges DE LAET

    Georges De Laet was te Leest geboren op 18 december 1919 als vijfde kind in het gezin van elf van burgemeester Victor De Laet en Julie Meuldermans.
    Georges trouwde op 22 augustus 1951 met Simonne Vebruggen die hem acht kinderen zou schenken : Vick (1952), Myriam (1955), Kris (1956), Carine (1958), Stefaan (1960), Geert (1961), Hans (1964) en Jurgen (1967).
    Georges De Laet overleed te Leest op 12 juli 1999.

    De Jongste Soldaat van Leest.

    “Op 16 november 1939 ben ik binnengegaan, zegt Georges, in de kazerne Baron Michel in Mechelen, bij het 16e Linie Regiment. Ik was toen 18 jaar. Enkele maanden ervoor was ik naar ‘de keur’ geweest –nu noemen ze dat uw drie dagen gaan doen in het Klein Kasteeltje. In onze tijd was dat ‘de keur’ en ik herinner me nog dat ik daar was met een dorpsgenoot en toen de officier hem vroeg vanwaar hij afkomstig was antwoordde hij ‘uit de Geuzenhoek’.

    De mobilisatie.

    Onze opleiding was met de paarden leren rijden, dat gebeurde op een terrein aan de Racing ; ik was zelfs ne keer met mijn paard tot aan huis gereden. Twee keer zijn wij naar de tir geweest om te leren schieten. Maar na een tijd ben ik toch in de keuken terecht gekomen. Eind februari ’40 was de opleiding gedaan. We werden toen uitgezet in barakken in Herenthout. Maar er was bijlange geen plaats genoeg om iedereen in die barakken onder te brengen. De rest werd dan bij de boeren gelogeerd. Met het gevolg dat ik na enkele weken alleen nog in ons barak, waar 60 man inkon, achterbleef. Iedereen verkoos het logement bij de boeren (dochters). Ik stond toen ook in de keuken. Veel was er niet te doen, alleen op zondagmorgen kwamen ze allemaal af : dan was het rozijnenbrood met cacao.
    Iedere dag reed ik met de fiets naar huis van Herenthout naar Leest langs Koningshooikt, daar was de ijzeren muur van de K – W (Koningshooikt – Waver ) linie die de Duitse tanks moest tegenhouden.
    Ik zat daar ne ganse dag niets te doen, oefeningen waren er niet. Ik ben dan ook met mijn fiets schoolvriendinnen, die met ons Julia in Antwerpen op school gezeten hadden en daar in de omtrek woonden, gaan bezoeken.
    Wat mij toen opgevallen is, is dat de boeren het daar zeker niet breed hadden.

    De oorlog breekt uit.

    Op 10 mei ’40 was ik met congé thuis. Over de radio hoorden wij dat de oorlog uitgebroken was. Ons moe zei ‘Jongen, trek maar op’. Ik reed dus op met mijn fiets naar Herenthout. In Koningshooikt was de weg versperd en werd ik tegengehouden. Hoewel ik al mijn papieren bij had heb ik daar een uur moeten palaberen. Ze dachten dat ik een vermomde Duitse parachutist was. Eindelijk mocht ik door. In Herenthout aangekomen, tegen de middag, waren ons mannen al weg. Niets meer te zien van onze compagnie. Ik heb dan maar wat in de omgeving rondgereden tot ik mannen met paarden en drie kanonnen tegengekomen ben. Die kwamen van Wiekevorst. Ik ben op een van die kanonnen gekropen en zo zijn wij de Vlaanders ingetrokken. Bij elk kanon waren vier paarden. Officieren waren er niet meer bij. Waarheen wij moesten wisten wij niet, wij volgden maar steeds de stroom van soldaten en vluchtelingen over de wegen. Af en toe werden wij door vliegers beschoten. De derde nacht hebben wij geslapen aan een molen en ik weet het nog goed, uit schrik heb ik mij buiten gelegd onder de molenstenen, die schuin tegen de muur stonden. We trokken van boerderij naar boerderij. Die boerderijen waren meestal verlaten. Dan was het koekenbak en feest. Al wat er te vinden was werd opgegeten of opgedronken. Want er zaten ‘beesten’ bij die soldaten : ik heb gezien dat ze een varken de keel overgesneden hebben in het bed van de boer en duiven hebben ze op een keer van het hok gehaald, ze allemaal met hun kop aan een koord gebonden en ze zo achter het kanon gehangen. Ook heb ik gezien hoe soldaten een pelswinkel leegplunderden…ge had dat moeten zien : jonge soldaten in uniform en daarboven nen pelsen frak.
    We hebben ook veel vluchtelingen, die allemaal naar Frankrijk trokken, meegevoerd op ons kanon. Dikwijls ook zaten de schuren al vol vluchtelingen. Zo zijn wij dan in Oostende geraakt, in de volledige verwarring, niemand die zich iets van ons aantrok, zodat wij wel zelf voor ons eigen moesten zorgen. Ik had wel een kanon, maar ik had geen geweer. In Oostende stonden officieren. Die hielden iedereen tegen en gaven ons de keuze : proberen over zee Engeland te bereiken of terugkeren landinwaarts, maar de kanonnen en de paarden achterlaten. De officieren raadden zelfs aan het uniform uit te trekken en via de binnenwegen thuis te geraken. Ik betrouwde het water niet en met 3 man –ene uit Breendonk en ene uit Ruisbroek- zijn wij op stap gegaan, maar onze uniform hielden wij aan. Aan een kruispunt aan een grote steenweg in de omgeving van Brugge zijn we dan op Duitsers gebotst. Het waren de eerste Duitsers die we zagen. Ze waren zeer vriendelijk en deden ons in een wei gaan waar nog veel andere krijgsgevangenen werden samengebracht.
    Mijn oorlog was voorbij zonder een schot gelost te hebben.

    Krijgsgevangenschap.

    ’s Avonds werden wij naar de statie gebracht ergens tegen Brugge en met 60 man in een beestenwagen op de trein gezet. Toen besefte ik voor het eerst dat ik krijgsgevangen was. In Dortmund werden wij in een velodroom ondergebracht en daar hebben wij geslapen, eten hadden wij nog niet gekregen. Wel herinner ik mij nog dat wij ergens in België voorbij een bareel reden, daar stond een vrouw met een lang stokkebrood, en een van de soldaten heeft dat van uit de trein vanonder de arm van die vrouw gegrabbeld. Van Dortmund ging het dan naar Maagdenburg, en van daar uit naar het kamp Altengrabo. Dat was een kamp met pinnekensdraad en wachttorens. Daar heb ik 2 maand gezeten. Er waren enkel Vlamingen. Wij moesten er niets doen maar waren er scheel van de honger : ’s morgens kregen wij wat raapkolensoep en een snede bruin bood, daar moest ge het de ganse dag mee stellen.
    Na twee maand kwam er verandering. Wij werden met een ganse groep naar een marktplein, zo een typisch Duits plein, van een boerendorp gereden. Daar moesten wij uitstappen en rondom ons zagen wij allemaal Duitse boeren, oude mannen –de jonge waren aan het front- die met hun karren gekomen waren. En zo werden wij aan die boeren ‘verkocht’. De sterksten waren eerst weg en ik weet het nog goed : ik bleef de laatste over. Ik woog nog 38 kg.
    Thuisgekomen bij de boer zie ik nog altijd het gezicht van de boerin tegen de boer, zo van wat hedde u nu weer in uw handen laten stoppen. En echt ze hebben me direct op de baskuul gezet en zo weet ik dat ik maar 38 kg woog. Ik kon direct het hooi gaan keren en ’s avonds de koeien melken – dat viel de boer wel mee dat ik kon melken.
    ’s Avonds moesten dan al de krijgsgevangenen verzamelen op de dorpsplaats en een uur marsjeren onder begeleiding van een wacht naar een zoutmijn. Daar sliepen wij dan in bedden, 3 man boveneen. Iedere morgen de weg terug. Dat is zo gans de tijd gebleven. De boer kon vloeken en tieren, maar in zijn hart was hij beter dan dat hij zich uitgaf. Hij had 1 dochter, ze was zeer Hitler gezind. Haar lief woonde twee dorpen verder. Ze is getrouwd wanneer ik daar was en ik ben op het trouwfeest mogen blijven. Voor die ene keer moest ik niet terug naar de zoutmijn. Haar man is in het leger, kort na de trouw, opgeroepen geworden en is vroeg gesneuveld –ze was toen al in verwachting. Dan is ze veel minder oorlogsgezind geworden.
    Het werd zomer en het leven was nu veel dragelijker. Wij konden brieven schrijven en kregen er ook. In de zoutmijn zaten ook Fransen, die hadden het veel minder goed. Ik heb nog dikwijls in een fles gemolken en eieren gepikt en die dan ’s avonds in de zoutmijn aan de Fransen gegeven. In de barakken zegden ze ook dat wij de Duitsers zoveel mogelijk moesten kl…door bijvoorbeeld distels uit te zaaien. Achteraf stelden wij vast dat de boeren ginds de distels afmaaiden en maalden tot eten voor de varkens.
    Eerst moest ik apart eten, maar op de duur mocht ik bij hen aan tafel zitten. Er was ook een tijdje een jonge gast van 14-15 jaar van de Hitlerjeugd als hulp. Op een dag was de vulpen van de dochter verdwenen. Ik was natuurlijk de eerste verdachte. Later is het uitgekomen dat die jonge gast het gedaan had en is die met klikken en klakken weggevlogen.
    Na 6 maand zaten wij in de barakken in de zoutmijn allemaal vol luizen, luizen van 6 verschillende kleuren. Ze hebben ons dan naar een ontsmettingskamp gebracht : al ons haar af, als ons kleren uit en als we ze terug kregen waren ze gekrompen. Ge had ons daar moeten zien staan : plekkop in veel te kleine kleren.
    De winter van 40-41 was zeer koud. Wij hebben toen veel afgezien.
    Stilaan begon het nieuws door te sijpelen dat de Vlamingen naar huis zouden mogen gaan. De boer vroeg me verschillende keren om te blijven, maar ge ziet dat van hier. In maart ’41 was het dan zo ver. Ik mocht naar huis. Ik had nog een Belgisch stuk van 50 fr en twee grote zakdoeken. Die heb ik gegeven aan een Pools meisje dat bij een oude boer werkte. De boer bracht me met zijn kar naar de statie. Hij gaf me twee sigaren en hij weende. Ik dacht bij mezelf ‘ontplof, ik ben hier toch weg’. Ik reed met de trein naar Maagdenburg. Ene van Tisselt zat ook op de trein. In Maagdenburg waren ze juist aan het bombarderen. Ik bibberde uiteen van de schrik. Thuisgekomen had ik nog een plekkop en ik zat terug vol luizen, ze hebben me in de bassin afgeschrobd. Ik heb gegeten dat ik er ziek van werd en ze ’s nachts naar de dokter moesten lopen.

    Dit is het lang verhaal van Georges. Zelf heeft hij het in nauwelijks een uur verteld. Toen hij het beleefde was hij amper een groot kind : 18 jaar oud. Nu, zoveel jaren later vertelt hij alles in een trok. De oorlog zit diep in de mens gegrifd.”
    (Gepubliceerd in “De Band” van november 1986)

    Vervolgt met Ferdinand “Nante” De Prins.

    Foto’s :

    -Georges De Laet en Simonne Verbruggen tijdens een uitstap.

    -Georges op jonge en op oudere leeftijd..







    25-08-2018 om 10:38 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    24-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Leestenaars in W.O.-II : Frans DE BRUYN.

    Wijzigingen – Aanvullingen – Kronieken van Leest.

    Vervolg 1940 – Leestenaars in de Tweede Wereldoorlog

    Frans DE BRUYN.

    Weggevoerde en werkweigeraar.

    Frans De Bruyn was te Leest geboren op 2 juni 1924 en hij overleed in het woon- en zorgcentrum “Akapella” te Kapelle-op-den-Bos op 20 november 2007.
    Deze bescheiden man was schilder en werkte bij de spoorwegen.
    Hij was de jongste uit zijn gezin en in Leest bekend als “het Bruinke”.
    In het dorp stond hij ietwat in de schaduw van zijn broer “Rik van ’t Kot”, de populaire dirigent van de fanfare St.-Cecilia en van zijn zussen “Mathilleke” en “Jeanne van Soei” (van café en zaal Sint-Cecilia).

    Frans was een zogenaamde “stille Blek”, hij speelde geen instrument maar was wel een tijdlang lid van het zangkoor Sint–Cecilia en hij was ook één van de eerste wielertoeristen van Leest.
    Hij was gehuwd met Leonia “Nieke” Lauwers (° Hombeek ) . Het echtpaar vestigde zich in de Lindelaan (Kloosterhoeveweg) en kreeg één kind : Agnes De Bruyn (°15/6/1949) die op 30 mei 1970 huwde met François “Swake” Geerts, ook “Swake van Jan van den Dockx” genoemd, (°5/10/1947) van de Bist ( Aland ).
    François en Agnes kregen twee kinderen :
    -Tim Geerts, geboren op 10 juni 1972 en
    -Hans Geerts, geboren op 1 mei 1980 en vier kleinkinderen :
    -Ewout Geerts (°16/4/2003)
    -Jorun Geerts (°24/11/2005)
    -Lieze Geerts (°7/2/2008)
    -Paulien Geerts (°15/5/2013).

    Tijdens de tweede wereldoorlog werd Frans De Bruyn door de bezetter opgeeist en naar een kamp in Hannover getransporteerd waar hij verplicht tewerkgesteld werd.
    Het toeval wou dat er zich in dat kamp nog een Leestenaar bevond : de iets oudere Louis D’Hondt, een zoon van de schrijnwerkerij uit de Elleboogstraat.

    De dorpsgenoten moesten onder dwang boeren helpen in de omgeving. Omdat ze goede werkkrachten waren en zo in de gunst gevallen waren, kregen ze, na veel aandringen, een vakantievergunning.

    Terug in Leest weigerden ze echter om opnieuw terug te keren naar Duitsland.
    Louis hield zich schuil bij Miel Verschueren op het Hof ter Haelen waar diens collaborerende zoon Cyriel geen probleem vormde. Dit asiel van vader en het stilzwijgen van zoon Verschueren heeft hen na de oorlog geen windeieren gelegd.
    Miel Verschueren kon opnieuw de burgemeestersjerp omgorden en voor zijn zoon betekende deze verzachtende omstandigheid strafvermindering.

    Frans De Bruyn verschool zich bij Kamiel Van de Vondel in de Kouter.
    Als er razzia’s aankwamen werd hij door de dorpsbewoners verwittigd en dan ging hij zich verschuilen in de Bleukens.

    Uit het bidprentje van Frans De Bruyn :

    “Jij stelde geen hoge betrachtingen in dit leven, jij was tevreden met wat het leven bood voor jezelf. Jij wist nochtans het geluk te benaderen door zelf te geven wat je bezat : je arbeid en je hart. De vreugde die jij daardoor anderen verschafte, was voor jou meer dan genoeg. Iedereen die je kent, heeft het mogen ervaren. Bompa, bedankt voor alles. Wij zullen je heel erg missen. Je kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen.”
    (Met dank aan Hugo Lauwens voor de info en de foto’s.)

    Vervolgt met de oorlogservaringen van Georges De Laet.

    Foto’s :

    -Frans De Bruyn als kind.

    -Frans enkele jaren later.

    -Met zijn wielervrienden van Leest.

    -Drie broers De Bruyn : Frans, Guillaume ( Jomme ) en Rik.

    -Frans op zijn bidprentje.

    -Schoonzoon Francois Geerts en dochter Agnes De Bruyn.













    24-08-2018 om 10:52 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 15/10-21/10 2018
  • 08/10-14/10 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 23/07-29/07 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 09/07-15/07 2018
  • 25/06-01/07 2018
  • 18/06-24/06 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 05/09-11/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 16/03-22/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 09/02-15/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 19/01-25/01 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 29/12-04/01 2015
  • 15/12-21/12 2014
  • 08/12-14/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 13/10-19/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 08/09-14/09 2014
  • 01/09-07/09 2014
  • 25/08-31/08 2014
  • 18/08-24/08 2014
  • 04/08-10/08 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 21/07-27/07 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 26/05-01/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 12/05-18/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 28/04-04/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 31/03-06/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 17/03-23/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 13/01-19/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014
  • 23/12-29/12 2013
  • 16/12-22/12 2013
  • 09/12-15/12 2013
  • 02/12-08/12 2013
  • 25/11-01/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 11/11-17/11 2013
  • 28/10-03/11 2013
  • 21/10-27/10 2013
  • 14/10-20/10 2013
  • 07/10-13/10 2013
  • 30/09-06/10 2013
  • 23/09-29/09 2013
  • 16/09-22/09 2013
  • 09/09-15/09 2013
  • 02/09-08/09 2013
  • 05/08-11/08 2013
  • 29/07-04/08 2013
  • 22/07-28/07 2013
  • 15/07-21/07 2013
  • 08/07-14/07 2013
  • 01/07-07/07 2013
  • 24/06-30/06 2013
  • 17/06-23/06 2013
  • 10/06-16/06 2013
  • 03/06-09/06 2013
  • 27/05-02/06 2013
  • 13/05-19/05 2013
  • 06/05-12/05 2013
  • 29/04-05/05 2013
  • 22/04-28/04 2013
  • 25/03-31/03 2013
  • 18/03-24/03 2013
  • 11/03-17/03 2013
  • 04/03-10/03 2013
  • 18/02-24/02 2013
  • 28/01-03/02 2013
  • 21/01-27/01 2013
  • 07/01-13/01 2013
  • 31/12-06/01 2013
  • 24/12-30/12 2012
  • 17/12-23/12 2012
  • 10/12-16/12 2012
  • 03/12-09/12 2012
  • 26/11-02/12 2012
  • 19/11-25/11 2012
  • 12/11-18/11 2012
  • 05/11-11/11 2012
  • 29/10-04/11 2012
  • 22/10-28/10 2012
  • 15/10-21/10 2012
  • 08/10-14/10 2012
  • 01/10-07/10 2012
  • 24/09-30/09 2012
  • 10/09-16/09 2012
  • 03/09-09/09 2012
  • 13/08-19/08 2012
  • 06/08-12/08 2012
  • 30/07-05/08 2012
  • 23/07-29/07 2012
  • 02/07-08/07 2012
  • 25/06-01/07 2012
  • 18/06-24/06 2012
  • 11/06-17/06 2012
  • 04/06-10/06 2012
  • 28/05-03/06 2012
  • 14/05-20/05 2012
  • 07/05-13/05 2012
  • 30/04-06/05 2012
  • 23/04-29/04 2012
  • 16/04-22/04 2012
  • 09/04-15/04 2012
  • 02/04-08/04 2012
  • 26/03-01/04 2012
  • 19/03-25/03 2012
  • 12/03-18/03 2012
  • 05/03-11/03 2012
  • 27/02-04/03 2012
  • 20/02-26/02 2012
  • 13/02-19/02 2012
  • 06/02-12/02 2012

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!