1983 12 april : Gazet van Mechelen
Uit het Dossier Fusiegemeenten :
Geen gezellig gebabbel meer in Leest.
Voor
de fusie werd door ons regelmatig aan de stad Mechelen gevraagd om de
Leestsesteenweg grondig te vernieuwen. Niet alleen de (Mechelse) bewoners, die
nog steeds zonder riolering zitten, hadden hun wensen. Ook voor ons, inwoners
van Leest betekent deze steenweg een hoop moeilijkheden. Het is onze enige
verbindingsweg met de stad. Door de komst van de fusie hadden wij hoop dat er
aan dit probleem een einde zou komen. Helaas, niets veranderde. Nog altijd
moeten wij over een slecht wegdek, vol putten, bulten en bij regen is het meer
varen dan rijden.
Dit
was één van de meest voorkomende grieven die we in Leest konden optekenen. Maar
er zijn natuurlijk nog andere problemen die méér met de fusie te maken hebben.
Deze
rustige gemeente dreigt door de fusie haar landelijk uitzicht te verliezen. Wij
hadden een verbetering gevraagd van sommige landelijke wegen, maar nu horen we
dat er in Mechelen plannen bestaan om de Kouter volledig om te ploegen en te
doorkruisen met brede banen en zelfs een verbindingsweg tussen
Kapelle-op-den-Bos en de E10 te Battel. Wij vroegen geen autostrades, alleen
een verbetering van sommige landelijke wegen.
Dat
het er in Leest vroeger gemoedelijker aan toe ging mag blijken uit het volgende
: Het contact met de administratie Mechelen is bij velen van ons in slechte
aarde gevallen. Vroeger ging het allemaal veel eenvoudiger. Het zijn veelal de
oudere mensen die het moeilijk hebben met de Mechelse administratie. Een
overdreven papierwinkel waar ze dreigen in te verdrinken. Ook het contact met
de politici is erop achteruitgegaan. Vroeger leefden de mandatarissen tussen
ons : nu leven ze boven ons. Tijd voor een gezellige babbel is er niet meer
bij. We krijgen ze zelfs zelden te zien.
Opmerkingen
en klachten over de huidige financiële toestand van Mechelen waren er
tientallen. En dat was niet alleen in Leest het geval. Deze problematiek
bewaren we misschien beter voor een ander dossier.
Frans Lauwers: het kon allemaal nog
slechter.
Zonder
ooit politieke kleur te hebben bekend, bestuurde Frans Lauwers 12 dynamische
jaren ononderbroken als Fanfareburgemeester het landelijke Leest. De
burgemeesterssjerp erfde hij van zijn oom en de aanhang van de lokale
Sint-Cecilia was er al die tijd voldoende sterk om CVP en SP samen in de
oppositie te dringen.
Dat
een gemeente als Leest besturen ook zonder politiek kan, bewees de nu 62-jarige
Frans Lauwers door tijdens zijn ambtsperiode alle openbare wegenis, riolering
en openbare verlichting te vernieuwen.
-We
hadden daartoe de nodige financiële middelen zonder dat al te forse belastingen
dienden te worden geheven, zegt onze Leestse gastheer, terugdenkend aan die
tijd. Menselijkerijze waren ook wij alles behalve tuk op het prijsgeven van
onze autonomie. Wie was dat wel ?
--Aanvankelijk
geloofden we nog dat ons voorstel tot een samengaan met Leest-Hombeek en
Heffen, met Hombeek als pilootgemeente, een kans op slagen had. De verrassing
met de creatie van een grote entiteit met Mechelen was dus ook compleet.
De
verklaring voor die operatie dient volgens Frans Lauwers niet ver gezocht. Het
was één doorgestoken kaart van de grote partijen en de Leestse Cecilianen waren
op slag elke bestaansreden kwijt.
Uiteindelijk
had Frans Lauwers het allemaal nog veel slechter verwacht. Vandaag blijft hij
vooral waarderen dat de plaatselijke gemeentehuizen zijn open gebleven zodat in
zijn geval te Leest de Leestenaren met hun problemen bij dezelfde mensen als
vroeger terecht kunnen. Positief vindt hij ook de regelmatige zitdagen van de
Mechelse schepenen omdat het precies bij die gelegenheden is dat de echte noden
ter sprake komen.
Investeringen
-Leest
heeft in een nog niet zo ver verleden enorme investeringen gedaan en aan de
overname heeft Mechelen bijgevolg een goede zaak gedaan. Niettemin is sinds de
fusie de belastingsdruk verhoogd, maar daar doe je niets meer aan. Minder
gelukkig is Frans Lauwers bij de vaststelling dat te Leest sinds de fusie geen
enkele sociale woning meer werd opgetrokken. Er is nochtans een wachtlijst
kandidaten. De gronden bestemd voor sociale woningbouw zijn reeds voor de fusie
aangekocht en blijven beschikbaar.
Een
andere teleurstelling is de langverwachte en de reeds sinds jaren
administratief voorbereide verbindingsweg met Heffen. Nochtans gaat dit werk
slechts over enkele miljoenen, een bedrag dat voor de stad Mechelen geen
probleem kan zijn. Over dergelijke dingen praatten we te Leest nooit zo lang.
Tijdens
de laatste gemeenteraadszitting voor de fusie werd het plan voor de bouw van
een nieuw sportcentrum te Leest in al zijn facetten besproken. Dat centrum zou
er komen tussen de Winkelstraat en de Kouter maar over het gevolg dat het
stadsbesuur aan die bedoelingen zal geven tast men in het duister. Nochtans,
meent Frans Lauwers, als men ons plan uit de diepvries opdiept zijn alle
problemen voor VV Leest van de baan.
Alle
kans op succes is niet helemaal verkeken want de Leestse vertegenwoordiging in
het stadsbestuur is van dat alles op de hoogte. Wachten dus maar tot die de
Leestse koe bij de horens grijpt.
De redactie van Gazet van Mechelen legde
begin april 1983 (eerste publicatie : 6 april) een nieuw dossier aan, gewijd
aan de fusies of de samenvoeging van gemeenten.
Dit Dossier fusies was gestoffeerd met
intervieuws afgenomen van de betrokken burgemeesters en ex-burgemeesters alsook
met de mening van de gewone man.
In het dossier werd ook aandacht besteed
aan de mening van de Mechelaar over die fusie.
Het feit dat het aantal inwoners van de
Dijlestad in 1977 door de fusie-operatie van 63.000 inwoners naar praktisch
80.000 steeg liet hem steenkoud.
Van de zijde van de deelgemeenten zagen
de meeste inwoners er niet veel baat bij voortaan tot Groot-Mechelen te
behoren. En wel omwille van de hogere belastingen welke na de perekwatie
dienden betaald te worden.
Volgens GvM veranderde er niet al te
veel, althans niet de eerste jaren na de fusie, aangezien van 1977 tot 1979 de
opcentiemen voor de bewoners van de deelgemeenten voordeliger uitvielen.
Een vaststaand feit was, dat Mechelen al
jarenlang de rol speelde van centrumgemeente.
De stad beschikte over een eigen
brandweerkorps, waarvan overigens het leeuwenaandeel van de kosten door de
Mechelse belastingsplichtige werd betaald. Een identiek geval vormde de
Stedelijke Openbare Bibliotheek die ook open stond voor niet-Mechelaars.
De Mechelse scholen hadden eenzelfde
functie. Statistieken aangelegd voor de vijf Mechelse deelgemeenten, bewezen
dat 30 tot 40% van de schoolgaande jeugd uit de Mechelse deelgemeenten in één
van de Mechelse onderwijsinstituten school liep.
Parallel met de vermelde centrumdiensten
was dit eveneens het geval voor de onderscheidene diensten van het OCMW, want
bij de OCMW-diensten ressorteerden zowel het Stedelijk O.L.Vrouwziekenhuis als
de Stedelijke Kraaminrichting, de homes voor bejaarden e.a.
Ook de Mechelse zwembaden figureerden
als een niet zomaar terzij te schuiven lastenpost op de jaarlijkse Mechelse
begroting.
Dat de stad Mechelen er na de
samenvoeging van de vijf randgemeenten financieel beter uit kwam werd door
dejournalist betwijfeld.
Volgens zijn ervaringen was de fusie
door de meeste inwoners van de deelgemeenten aanvaard, of beter nog schreef hij
: men heeft er zich bij neergelegd
Ook de eerste burgemeester na de fusie
Jos Vanroy was die mening toegedaan.
Na zes jaar is de fusie algemeen
aanvaard en verworven. Met dien verstande evenwel dat geen enkel zinnig mens
van de geannexeerde deelgemeenten stond aan te schuiven om méér belastingen
te betalen, wat meer dan begrijpelijk is. Daartegenover stond dat de fusie met
Mechelen ook voordelen aan de inwoners van deze deelgemeenten heeft aangeboden.
Ik denk slechts aan de inwoners van Walem, Heffen en Leest. Zij hebben bij
gelegenheid van de dijkbreuken aan de Zenne en de Dijle aan den lijve ervaren
dat de fusie wel degelijk vruchten afwierp. Want deze gemeenten beschikten noch
over een politiekorps, noch over brandweer. Door de fusie-operatie werd de oppervlakte
van Mechelen, vroeger circa 3.000 ha., ongeveer verdubbeld. Mechelen kreeg
hierbij 35 km landbouwwegen, plus kilometers dijken. Voor de fusie slechts deze
van Dijle en Leuvensevaart. Er na kwamen daar gedeelten bij van de Zenne, Rupel
en Nete. Nochtans is het ook zo dat wij de respectieve gemeentehuizen voor een
gedeelte van hun vroegere functie lieten bestaan. Wat de administratieve
aangelegenheden betreft, moesten de nieuwe Mechelaars zich slechts naar de
centrale administratie begeven voor aangiften van geboorten, huwelijken en
overlijdens.
Voor de rest kwamen zij terecht in hun
voormalig gemeentehuis.
Socio-cultureel bekeken betekende de
annexatie onbetwistbaar een verrijking voor Mechelen. De stad beschikte in
1976 nog slechts over twee harmonies : deze van het Arsenaal en de Mechelse
Politie. Op slag kreeg Mechelen er negen bij. En niet de minste. Er zijn
harmonies bij waarvan de leden wat méér doen dan noten uit hun instrument
blazen.
Feit is dat het creatief leven in de
randgemeenten veel sterker was dan wel te Mechelen. En vandaag nog. De
dorpsgemeenschappen hangen meer aan mekaar, kennen mekaar veel beter dan in de
Mechelse wijken. Elke deelgemeente bezit haar eigen mentaliteit, welke evenwel
onderling niet zoveel van mekaar verschilt. Doch zij is toch anders dan de
Mechelse. Deze mentaliteit is meer open, meer spontaan. Dat heeft de Mechelaar
niet. Ook valt te vrezen dat precies deze mentaliteit welke nog heel goed
voelbaar is bij de oudere generatie van de randgemeenten, mettertijd zal
afzwakken en totaal verdwijnen. Met alle voor- en nadelen eraan verbonden.
Globaal bekeken : na zes jaar vond Jos
Vanroy de fusie op administratief en socio-cultureel vlak bevredigend gelukt.
De fusiegemeente Mechelen bestond reeds
zes jaar toen Jef Ramaekers (begin 83) burgemeester van Mechelen werd.
Jef Ramaekers : De randgemeenten
bezaten en bezitten vandaag nog een uitgebreid sociaal leven. Heffen had twee
fanfares. Was vroeger een uitzondering dat die twee samen speelden. Doch,
rekening gehouden met het feit dat sommige gemeenten door de Zenne afgescheiden
zijn van Mechelen, valt er volgens de huidige burgemeester weinig te vertellen
over een toenadering van de respectieve dorpsgemeenschappen naar Mechelen toe.
De Leestse Volksfeesten bv. zijn eenvoudig
ondenkbaar in Mechelen. Te Hombeek worden er drie à vier koersen per jaar
verreden. En elke gemeente heeft haar eigen voetbalploeg.
Maar, is het nu precies noodzakelijk dat
de randgemeenten naar de stad toegroeien ?
Persoonlijk vond hij dat deze situatie
gerust zo mag blijven. In de stad is er een opmerkelijk tekort aan
solidariteit, best mag dus elke randgemeente haar eigen dorpsfeer behouden met
de specifieke wegenis, het groen en de landelijke gilden. In de landelijke
gemeenten hebben wij nog landbouwers met honderd beesten, amper op een
boogscheut van Mechelen. Hoeveel Mechelaars weten dat ? Natuurlijk eisen zij
sommige zaken, bv. op stuk van onderwijs. Maar zij die vroeger gingen wonen
langsheen een landelijke weg, eisen vandaag geen macadam van 5 m breed voor hun
huis. Als zij maar op het rioleringsnet zijn aangesloten.
Administratief bekeken ? Volgens de
burgemeester zullen de veldwachters met de tijd verdwijnen en vervangen door
politieagenten. Er was een plan in de maak bij het nieuw schepencollege om de
Mechelse politie te decentraliseren.
De bewoners van de randgemeenten willen
zich trouwens even goed beveiligd voelen als de Mechelaars, hoewel het een meer
dan opvallend verschijnsel is dat praktisch alle vergrijpen, vandalenstreken en
herrie zich uitsluitend voordoet te Mechelen.
De fusie, aldus Ramaekers, heeft
ontegensprekelijk ook veel voordelen opgeleverd voor de bewoners van de
randgemeenten. Kijk eens, vroeger moest de gemeentesecretaris eenvoudig àlles
kennen en weten. Dat is vandaag eenvoudig onmogelijk. Dank zij de fusie kan de
inwoner van de bij Mechelen toegevoegde randgemeente veel meer diensten worden
bewezen dan vroeger het geval was, omdat Mechelen-stad over verschillende
gespecialiseerde diensten beschikt. Neem nu het ophalen van het huisvuil.
Gebeurde vroeger éénmaal per week, door één man. Vandaag gebeurt dit door de
stadsdiensten, tweemaal per week.
En de financiële kant ? Voor de fusie
lagen debelastingen lager dan na de
fusie. Jawel. Maar zij mogen ook niet vergeten dat zij jarenlang van de
Mechelse centrumdiensten genoten hebben zonder er ooit financieel voor tussen
te komen. Ergens zou het onrechtvaardigzijn de Mechelaar in lengte van dagen alleen voor deze kosten te laten
opdraaien.
1983 12 april : Overlijden van Frans Van der Taelen
Deze Ere-Secretaris en Vaandrig van de
N.S.B-afdeling Leest en oud-strijder van 1940-45
was te Leest geboren op 21 april 1908 en
gehuwd met Clotilde Hoebanckx (°Heindonk 20/5/1899, +25/3/1974). Het echtpaar
bewoonde een huis in het Pensenstraatje en kreeg één dochter Aline, gehuwd met
Frans Verschooten.
In De Band van december 1978 belichtte
Karel Soors zijn 50-jarige vriendschap met Hendrik Spoelders :
Even
voorstellen : Frans woont in het ouderhuis op de Dorpplaats van Leest. Frans is
van 1908 en woont bij zijn dochter Aline, die iedereen wel kent.
Henri
woont op de Kouter voorbij het bos van Van den Bergh, op een boerderij van zijn
broer.
Hij
is ook van 1908, zoals de Frans.
Hoe
zijn jullie vrienden geworden ?
Frans
: We kennen mekaar al van in de lagere school, maar pas na onze soldatendienst
in 1927 sloten wij vriendschap voor het leven. Daar denk je natuurlijk op
voorhand niet aan, we houden dat nu toch al 51 jaar vol.
Hoe
doe je dat, 50 jaar een vriend houden ?
-Frans
: Wij waren thuis bij mekaar. Henri zn moeder was een moeder voor mij en
omgekeerd. We gingen samen naar het café en naar de kermis. We zaten bij Gerard
of bij de Croes. Nooit alleen, altijd met twee. Zelfs toen ik ging vrijen met
mn Clothilde, Henri mn maat was van de partij. We kwamen heel goed overeen
want hoeveel kermissen we samen hebben beleefd is niet te tellen. Ik werkte in
de metaal in Schaarbeek en mijn vriend Henri werkte nen tijd op de Eternit en
hielp zijn broer na zijn uren. Den ene zondag zat hij bij ons, de andere kwamen
we bij hem thuis. We maakten nooit ruzie, ook al was ik bij de fanfare
St.Cecilia (noot : de Blekken) en Henri bij de Sussen. De zondag was voor mij geen zondag als ik Henri
niet gezien had !
De
mooiste momenten van jullie vriendschap Frans ?
Frans
: Belevenissen die ik nooit zal vergeten !Da zijn : bezopen van de druppels van Hombeek kermis komen. Je vriend
half bevroren uit de gracht halen en hem thuis brengen. Je bedrinken omdat je
s anderendaags naar den troep moet en afscheid moeten nemen van je vriend.
Opgeroepen worden met de mobilisatie, te weten dat kan oorlog worden. Je
dorpsgenoot zegt : Soïke ik ga naar huis in congé. Ik bleef alleen achter. Aan
de Leie moeten vechten met de 3e en 6e onderzeese jagers
tegen een overmacht van Duitsers en hard gaan lopen.
Henri
Spoelders blijft nog altijd mn kameraad en da zal nooit veranderen. Meer kan
ik daarover nie vertellen.
K.S.
-Frans
Van der Taelen in zijn jonge jaren. (Foto
: Eduard Geerts)
-Als
vaandeldrager van de Oud-Strijders. (Foto
: LG)
-Frans
Van der Taelen naar een tekening van Karel Soors.
Gust Emmeregs omringd door enkele van zijn
medewerkers.
1983 Donderdag 7 april : Persconferentie met Voorstelling Leestse
Volksfeesten.
In de bovenzaal van café Royal, bij
Raymond Ceulemans teMechelen had Gust
Emmeregs een persconferentie georganiseerd waarop het volledige programma van
de Leestse Volksfeesten werd uiteengezet. Samen met zijn naaste medewerkers en
Conny Neefs stelde voorzitter Emmeregs de attracties van dit jaar voor.
Programma
Donderdag 12 mei :
-10 uur : eucharistieviering voorgegaan
door E.P.De Brabander en E.P.Rene De Laet en opgeluisterd door de Kon.Fanfare
St.-Cecilia Leest en Chorus Mechliniensis.
-10u45 : officiële opening 13e
Volksfeesten en 9e Handelsbeurs.
-20 uur : Show- en
Dansavond met Five Pennies Band The Strangers, Doris D and the Pins.
-21 uur : Sluiting Handelsbeurs.
Vrijdag 13
mei :
-Handelsbeurs
van 18 tot 21 uur.
-20 uur :
spelprogramma om de Trofee Louis Neefs met 18 Mechelse verenigingenpresentatie : Connie Neefs en Rik
Samijn.
Zaterdag 14
mei :
-15 uur
Wielerwedstrijd voor Juniores.
-19u30
Paradise to Paris met Rob De Nijs. Ballet van Penny De Jager Special
Diner-Show.
Zondag 15
mei :
-Handelsbeurs
van 11 tot 21 uur.
-Van 14 tot
17 uur : Folklorenamiddag, m.m.v. Kon.Fanf.St.Cecilia Hombeek-Plein,
Volksdansgroep Korneel Leest, Kon.Fanf. St.Petrus Zemst, Turnkring en K.Fanf.
St.Cecilia uit Hombeek-Plein.
-Van 19 tot
21 uur : finale Zangwedstrijd.
-21 uur :
Show Zang en Dans met Will Tura en zijn Showorkest.
Na een uitgebreid programma-overzicht kwam Gust
Emmeregs tenslotte nog even terug op zijn stokpaardje : het probleem V.V.
Leest. Hij deelde de aanwezigen mede dat sympathisanten en bestuursleden van de
club hadden beslist de terreinen op eigen initiatief aan te kopen, om het
sportgebeuren in Leest voor de komende 10 jaren althans veilig te stellen. Hij
betreurde nogmaals de beslissing van het Mechels stadsbestuur, die het echter
wel opportuunachttede terreinen van FC Muizenaan te kopen, en ook nog eens acht miljoen in
Sporting Mechelen te steken, daar waar een véél bescheidener budget VV Leest
had kunnen uit de nood helpen (DMW, 14/4/1983)
1983 4 April : Posse Leest :weer was spelbreker
Eén van de blikvangers dit jaar was
het volksdansfeest van volksdansgroep
Korneel. Heel de meisjesschool werd
daarvoor omgevormd tot dansruimte,
restaurant en café.
In de stedelijke jongensschool
stelden leden van de kunstkring Voetspoor
hun werken tentoon en al extraatje
was er een diamontage in overvloeiprojectie
Landelijk Leest.
Tony Baarendse, Georges Herregods,
Karel Soors en Friede Willems hadden
een mooie expositieruimte
geschapen uit de turnzaal van de school.
Er werd ook een diamontage in
overvloeiprejectie Landelijk Leest
gepresenteerd.
De speciale gast was dit jaar de cartoonist
Goal uit Buggenhout.
In het parochiecentrum was heel de
ruimte volgestouwd met de
boekententoonstelling, een
organisatie van het Davidsfonds in samenwerking
met de Standaard boekhandel.
PROGRAMMA
POSSE LEEST 1983
Begankenis voor St. Cornelius
Heilige Missen om 8-9-10 en 11 uur.
Lof met kinderzegening om 15u00.
Naast de feestmarkt in het dorp mag men
ook het volgende niet vergeten te bezoeken :
Chiro-Leest
-Pasen café in het groot chirolokaal
en kaartwedstrijd.
-TD in de parochiezaal
Gepensioneerden 2de Paasdag :
-Hobbytentoonstelling
-Pannenkoekenbak
Dit alles gaat door in de lokalen van de
Chiromeisjes.
Volksdansgroep Korneel 2de
paasdag :
-Optreden te 11.00 en te 15.30 uur.
-Tussen beide optredens in is er vrije
volksdans voor iedereen en
-Een Reuze-Barbecue.
Geïnteresseerden hiervoor kunnen terecht
op de speelplaats van de vrije school aan de Dorpstraat.
Kleinveebond
Davidsfonds
Boekenbeurs in de parochiezaal.
Voetspoor
Plaatselijke kunstenaars stellen hun
werk tentoop in de turnzaal van de gemeentelijke lagere school Ten Moortele.
(Advertentie in DB)
Met
het Paasweekend was het weer enorm druk in ons dorpeke. Menige foorkramers
stelden hun kramen open en de maandagmorgend haastten verschillende verkopers en
kopers van landbouwvoertuigen zich naar de jaarmarkt. De meeste mensen gingen
hunne Posse houden in de kerk om daarna in volle feeststemming het einde van
de vastentijd te vieren. Zo mochten wij zondag en maandag vele
chirosympathisanten in onze bar begroeten. Ook s avonds op onze traditionele
jaarlijkse Posse-Leest-TD kon het jonge volkje goed uit de voeten met de
hedendaagse moderne muziek. t Was ne goeie Posse voor ons zodat we zonder al
te veel kopzorgen op bivak zullen trekken. Volgend jaar gaan we onze
kaartwedstrijd uitbreiden door meer propaganda te maken. We bedanken de 20
kaarters voor hun enthousiasme en wensen de winnaars veel eetgenot met hun
kip
(Uit een verslag van de chiro in De
Band van mei 1983)
Onder de regendruppels werd Posse
Leest een overrompelend succes.
Een
overrompeling was het weer. De grootste feestdag te Leest Posse Leest werd
opnieuw een nooit gezien succes. Een massa Leestenaars stroomde maandag
voormiddag samen op het dorpsplein voor de traditionele jaarmarkt en kermis.
(GVM, 6/4/83)
Fotos :
-Posse
Leest 1983. Beeld vanuit Ten Moortele.
-Het
slechte weer op Posse Leest hield de mensen niet thuis.
1983 April Ex-Soldaat-Milicien Marc
De Prins in De Band : Soldaatje spelen
Acht
maanden. t Lijkt niets en inderdaad als je er door bent is het allemaal nog
vlug gegaan zoals de mensen dan zeggen. En toch, er is in die tijd heel wat
gebeurd. Een reden te meer om er eens op terug te blikken.
Op
1 juli werd ik onder de wapens geroepen te Heverlee. Daar kreeg ik buiten de
traditionele basisopleiding een scholing voor chauffeur. Op het einde werden we
dan getest op een theoretisch examen Belgische en Duitse wegcode de kennis van
het voertuig in kwestie de automechaniek de militaire wegreglementen en de
praktische proef. Daar we reeds allen in het bezit waren van een rijbewijs viel
dat wel mee, ook al werden er nog verschillende gebuisd.
(Info
: in Heverlee wordt de richting van Franse W.C. aangegeven door een steeds
toenemende reuk )
Op
de dag van mijn mutatie (vanuit Heverlee) ontdekte ik dat iki.p.v. naar Duitsland eerst nog een maand
naar Peutie moest om daar een opleiding als bediende te krijgen. Men leert je
typen en werken volgens de regels van de militaire briefwisseling.
De
dag van de mutatie moesten we voor 24u00 binnen zijn. In een donkere gang
lieten ze ons dan achter om in stilte te wachten tot half vier. Dan gingen we
eten zodat we per bus tegen vijf uur in de statie van Brussel geraakten. Een
hoop gekke dingen om met het reisbureau ABL van t leger, tot in Aken te
geraken.
Mijn
functie in Duitsland werd bediende bij de Kapitein S1 van de staf Cie. Een job
die me ginder goede relaties meebracht maar die me dikwijls tot 8 en 9 uur s
avonds aan t werk hield. Dit vooral wanneer het over geheime dingen ging
waarbij de aanwezigheid van die ene milicien volgens de militaire regels nog te
veel was, maar ja wie houdt nu eenmaal het leger recht ?
Wat
mijn werk zoal was ?
-Het
dagelijks berekenen en doorgeven van de getalsterkte voor de keuken.
-Het
inschrijven van de postzending en het berekenen van de transitoticketten voor
het eten.
-De
congé voor miliciens en beroeps (uitgezonderd onderofficieren).
-Het
opendoen in inschrijven van de post voor de kapitein.
-Papieren
klaarmaken voor degenen die bijtekenden of beroeps werden.
Om
de veertien dagen de nieuwe bleus aan de kazernepoort afhalen en begeleiden.
Maar
dit werd dan af en toe nog onderbroken door kampen. Bij mijn aankomst kon ik al
direct voor 14 dagen naar Leopoldsburg. Verder o.a. nog van 4 tot 15 oktober
Natomaneuvers, van 25 tot 29 oktober oefenkamp Elsenborn, van 15 tot 20
november bivak Leopoldsburg, twee schietkampen in Vogelsang.
Ja,
van verveling heb ik in mijn dienst geen last gehad. En toch, kan ik naar vele
mooie momenten terugblikken op zowel mooie als minder mooie dagen, heb ik een
hele boel mensen leren kennen met enorm uiteenlopende gedachten en karakters.
Ja, die twee uitersten liggen in t leger enorm ver van mekaar. Het is een
beweging waar men gewoonweg van alles tegenkomt.
Mijn
positieve conclusie hieruit was, dat er tussen die twee uitersten nog een hele
boel fijne kerels zijn. Je moet enkel de tijd maken om iemand te ontdekken, om
een vriend te maken.
En
die tijd geeft het leger je, zelfs meer, het milieu en de soms primitieve
levenswijze verplichten je ertoe. Anders kom je er nooit (Misschien een tip
voor de toekomstige miliciens).
Over
de negatieve punten ga ik liever niet uitweiden. Trouwens als je weet dat mijn
vader zijn land allemaal in Leest ligt weet je dat ik heus niet naar Duitsland
moet om mijn vaderland te dienen. Maar nog straffer is dat de meeste jongens
van mijn peleton hun vader geen land had, zij kochten hun patatten op een
ander !!
1983 April : CHIRONIEUWS
De
zachte februari-zon heeft plaats gemaakt voor een fikse maartse bui. Donkere
wolken pakken samen om later op de dag open te barsten en ons te vergasten op
een koude douche.
Binnenkort
is het weer lente, blokletteren de kranten ! Maar bij ons mannen zit de lente
al lang in het bloed. Met al dat goede weer was er geen houden meer aan. Er
werden tochen ondernomen, het bosspel was in trek, de fiets kwam uit de
stalling en een korte broek deed goed ! Wat een heerlijke tijd zo vroeg op dit
jaar !
In
de koude periode hebben enkele afdelingen zich op het ijs gewaagd. De speelclub
is zelfs naar het verre Heist op den Berg gaan schaatsen. t Was voor ons
leiders echt plezierig om die kleine mannen, met vallen en opstaan, te zien
leren schaatsen. En fier dat ze waren !
Vlak
voor de vastenperiode heeft de oudste afdeling van zich laten horen door een
pensenkermis + volksdansen te organiseren. Mits de concurrentie van andere
pensenkermissen en festiviteiten in de omliggende dorpen, zijn er toch nog een
redelijk aantal mensen onze aspiranten komen bezoeken.
Onze
papierslag liep ook heel vlot. Met enkele werklustigen werden twee containers
volgepropt.
Het
grootste succes viel ons te beurt met ons jaarlijks chirobal. Een hele hoop
volk kwam die zaterdagavond weer afgezakt naar Leest om elkaar weer eens terug
te zien. Zoals de laatste drie jar waren er weer veel chiromensen van gans het
verbond op ons bal, maar we moesten helaas vaststellen dat er weer minder
ouders aanwezig waren. t Zijn elk jaar dezelfde mensen die terugkomen, die we
langs deze weg nogmaals bedanken voor hun komst. Een chirobal is toch op de
eerste plaats georganiseerd opdat ouders en leiding wat beter, en op een
plezante manier, met elkaar in contact zouden komen ? We hopen dat we volgend
jaar terug meer bekende gezichten mogen verwelkomen want zonder jullie steun
kan onze vereniging niet leven. Een spijtig voorval op die avond was dat het
orkest van Johnny Maes, in laatste instantie, het liet afweten wegens ziekte
van de zanger. De inspringende disco-bar heeft getracht de afwezigheid van het
orkest goed te maken, waar ze gedeeltelijk in geslaagd zijn, maar we hopen u
volgend jaar terug te mogen vergasten op een bal met de heerlijke live-muziek
van een orkest.
De
zondag na het chirobal waren onze jongste afdelingen sloebers, prutsen,speelclubbers,
kwiks-
uitgenodigd op de kindernamiddag van VEVOC-KVLV. De eenvoudige aanpak en
inkleding van het spektakel beletten onze jonge gasten niet zich goed te
amuseren die dag.
Bedankt
organisatoren !
Binnenkort
is het weer Pasen. De kermissfeer breekt dan los in Leest. Als je dan toevallig
in de buurt moet zijn, kom dan ook eens langs in onze bar In t 6de
gebod, we kunnen van die gelegenheid gebruik maken om even over de chiro te
babbelen of over andere interessante onderwerpen als je dat verkiesd. Maar de
trouwe Band-lezers kennen reeds ons devies.
U
bent altijd welkom in onze hemen en op onze activiteiten. De chiro is een
stukje Leest dat niet mag verwaarloosd worden !
Wat
voorafging. Als grosse-caissestokdrager had ik afgedaan en liep nu met mijn
vrienden om en ronde de nieuwe fanfare in zover ge die paar mensen fanfare
noemen kon.
Bij
iedere herberg waar de maatschappij stopte bleven we buiten staan wachten. Voor
de blazers was het geen drank, geen klank en voor ons was het geen centen,
geen bier ! Doch telkens wanneer er een ariake gespeeld werd, glipten we
binnen om de virtuoos te kunnen aanschouwen. Geen verteer, geen verweer, zei
de baas en meestal vlogen we buiten.
Tegen
de volgende processie moesten we met meer zijn, de Sussen. In snel tempo werd
een muziekcursus ingericht bij Jang van Jakes. De meester zelf zou het
onderricht geven. Een hele hoop jonge mannen had zich reeds aangeboden. Ik ook
natuurlijk, maar wanneer het aan ons vader zijn oren kwam was het ORA Al elke
avond was ik de pijp uit, naar de academie en dat was in den beginne al zo dik
tegen zijn zin geweest. Het zou er zelfs nooit van gekomen zijn tot wanneer een
oude vriend van hem, die leraar was in die school, per toeval bij ons verzeild
geraakt was terwijl ik zat te tekenen. Daar steekt iets in, zei de vent,
moet ge bij ons op school sturen.
Ik
laat niet met mijn voeten spelen, zei ons vader van achter de toog, in t
college heeft hij er mee gerammeld dat z er zouden van gaan dansen zijn ! Werken
moet hij nu zowel als een ander ! Per slot van rekening, na samen een paar
pinten gedronken te hebben, besloten ze mij s avonds te laten gaan. Die meneer
zou mij aanmelden. De volgende dag mocht ik al komen. Als een koning te rijk
ben ik toen in bed gekropen. Maar de volgende morgen had onze oudste reeds
spijt van die beslissing en was ons moeder er niet geweest, dan had hij zich
teruggetrokken. Maar een woord was een woord en tegen de avond aan stopte hij
mij twintig frank in de pollen om een passer en ander tekengerief te kopen in
de Sarma. Dat was goed genoeg volgens hem voor die paar dagen dat ik hetzou volhouden.
Vanaf
die dag mocht ik mij om klokslag halfzes, terwijl de broers nog volop aan de
arbeid waren, gaan omkleden om op een fiets, in mekaar gestoken met
verschillende oude stukken van andere afgedankte vehikels, tegen zes uur naar
school te rijden. Nog elke dag rond die tijd had hij spijt over zijn belofte
tot op een schone keer dat nieuwe bandschuurmachien was aangekomen. Daar zou ik
moeten mee werken. Dat ding was nog geen uur aan het draaien of ik stond al bij
dokter Stuyck om het bloed te stelpen en de wonden te naaien. Eerst had hij wel
medelijden met mij gehad toen hij, de rode vlekken volgend, mij achterna
gekomen was en snel naar de dokter stuurde. Ge kunt er geen slag mee
aanvangen, had ik nog verstaan voor de deur achter mij dichtviel. Toen ik
echter weer thuis kwam, zag ik hem in de deur van het werkhuis staan terwijl
hij zacht vloekend iets over de kerkhofmuur wierp. Vingers, dacht ik, toen ik
het bloed uit zijn hand zag vloeien. Verdoeme, jong, k zal op U niet meer
kwaad zijn dat machien moet buiten, zei hij. Ik mocht dadelijk mijn kleren
aantrekken en kon naar school vertrekken. Maar ons moeder riep hij nog mij
duizend frank te geven om voor de lessen alles te kopen wat ik nodig had.
Fier
was de vent geweest; de tranen stonden in zijn ogen, wanneer hij in dle lange
gang stond te kijken naar de werken van zijn zoon, als laureaat van de klas.
Een architect, dat zou hij er van maken. Architect, titel welke hij in zijn
tijd als waardeloos geweigerd had, doch die nu gedekt werd door de Staat en nu
niet meer zo maar op iedere deur of naamkaart prijken mocht. Die eretitel zou
zijn zoon behalen. En nu kwam dat apenjong weer met muziek voor de pinnen. Daar
zou hij een stokske voor steken. Eerst de school, punt.
Met
lede ogen, van op de stoep van de zaaldeur, zag ik dan telkens mijn vrienden
De Proef (noot : evenals de
Roozelaer een café van de Sussen op het Dorpsplein) binnen en buiten gaan. Zelf durfde ik die stap niet te wagen, want bij
ons was, als moeder er niet tussen kwam, vaders wil wet. Van op die dorpel kon
ik de jongens horen zingen, soms afzonderlijk, soms samen en voor zij hun
lesken af hadden, kende ik het al van buiten. Ten lange laatste kwamen er
instrumenten bij te pas. Met jaloersheid in het hart kon ik ernaar luisteren.
Voorzichtig aanpakkend kwamen de eerste tonen er meestal dof en vals uit tot
uiteindelijk een zuivere noot de maatstaf zou worden van hun verdere muzikale
vermogen.
Een
half jaar was verstreken eer de jongens voor een eerste maalachter de pupiters mochten. Een paar weken
later zou de processie weer gaan. Ik zou er helaas niet bij zijn. Wel mocht ik
met Georges De Laet mee naar Lier om er nieuwe en herstelde instrumenten af te
halen. De mensen in de hal van die fabriek lachten ons vierkant uit toen ze ons
met twee zagen aankomen om de instrumenten van Arbeid Adelt op te halen. Een
hele tafel vol lag er klaar voor ons. Genoeg om een hele fanfare op te richten.
Als jongste kreeg ik dan de kleinste tuigen voor mijn rekening. Een geluk dat
Georges een hele bol koorden had meegenomen. Twee kleine hoorns werden over
mijn buik gehangen, twee bugels op mijn rug en opdat ik de handen vrij zou
hebben, langs elke kant nog één onder de armen. Daarstond ik dan, als klein koperen robotje te
kijken hoe ze mijn vriend aan het toetakelen waren. Een geel glinsterende raket
werd van hem gemaakt, twee baritons met een koord om de hals, twee tubas onder
de armen en om de kroon op het werk te zetten de bombardon om de hals. De
overblijvende trombone heb ik dan maar met de vrije handen als een balk op de
schouder genomen.
Toen
uiteindelijk Georges de rekening betalen wou, want hij had geld mee, hebben ze
hem weer helemaal moeten ontmantelen. De rekening viel nogal mee. Eens weer
gemonteerd, werd de dubbele deur geopend en trokken we samen het pad op, recht
naar de Zimmertoren om daar op de autobus te wachten. Voorbijgaande mensen
bekeken ons nieuwsgierig en lachten. Eens in het centrum, aan de eerste
bakkerswinkel waar Lierse vlaaikens ten toon lagen, kreeg mijn vriend
vreselijke honger. Van die paar honderd frank die we nog overhadden kon het wel
af. Een deuksken in de bariton, een diepe bluts in de bombardon, maar Georges
was nog niet binnen. Er bleef dus niets anders over dan dat ik de winkel in zou
stappen. Nog nooit in mijn leven was ik in zulke deftige winkel geweest. Van
het verschieten over zijn vraag, draaide ik mij plots om. De baas in de winkel
riep van achter de toog of ik soms zot geworden was, terwijl hij angstig naar
zijn vitrien staarde om de diggelen te zien vallen. Van alteratie was ik
vergeten dat ik dat lang spul nog op de schouder droeg. Eens binnen weerd die
vent wat vriendelijker en gaf me de gevraagde vlaaikens. Toen ik betalen wou
herinnerde ik me dat Georges met de centen zat en trok weer buiten. Hijzelf had
inmiddels al begrepen wat er scheelde en was al begonnen zijn armen in en om
zijn harnas te steken doch kon niet aan zijn zakken; daarvoor moest hij zich
van die hele pantserwinkel ontdoen. Voor het zover was, lag het hele voetpad
vol met van die blaasdinges, zodat de mensen er moesten overstappen om ze niet
te beschadigen. Komt daar een madammeke met en klein hondje aan, het beestje
rookeven aan zulk ongewoon tuig en
richtte dan zijn straaltje recht in een openstaand koperen paviljoen. De schoen
van mijn makker trof raak. Het vrouwtje mompelde iets over dierenmishandeling
of zo. Veel hebben we er niet van begrepen want het menske had alle moeite van
de wereld om haar wegvluchtende lieveling te kunnen volgen, zo gehaast was dat
pekineeske.
Wanneer
mijn vriend dan die hele plaatslagerij weer om had, zijn we al smullend verder
getrokken tot aan de bushalte.
Bijna
een heel uur heben we daar moeten wachten. Toen de bus vertrok lagen er meer
instrumenten op de banken dan dat er mensen konden zitten. Van in Mechelen ging
het met de fiets verder. We leken wel een hele beiaard in die metalen cocon.
Blij ons weer te zien met al die blinkende instrumenten werden we snel van ons
omhulsel ontdaan door de wachtende jonge mannen die al lang met stralende
gezichten naar ons hadden uitgekeken.
Even
later vielen de eerste fladderende tonen van Johann Strauss zijn Fledermaus
!!
Juli :
Bij
de eerstvolgende processie werden de jonge muzikanten opgesteld. Daar een paar
weken later de gemeenteraadsverkiezingen plaats hadden, werd er een extra
oproep gedaan; we moesten ons zeer devoot gedragen en er werd gevraagd een
Paternoster mee te doen om te bidden gedurende de muzikale begeleding van de
Blekken.
Ach
God, wat wachtten die Blekken toch lang om met de march aan te vangen; dat was
zeker opdat wij de kans niet meer zouden gehad hebben om een derde keer te
spelen. Ondertussen liepen we daar met de Paternoster in de hand. Eindelijk was
het aan ons om te beginnen. Er waren daar mannen bij de hevigste natuurlijk-
die de bollekensdraag nog in de hand hielden terwijl ze aan t spelen waren.
Halve heiligen zagen ze eruit. Al staande voor de kerk hebben we dat derde stuk
dan toch gespeeld. Toen trokken we allen naar binnen. De Blekken waren er reeds
allemaal. In de kerk zelf hoorde ik zeggen dat er bij de Blekken ene was die,
langs weerskanten van zijn lichaam uit de zakken van zijn broek, zo een
rozenkrans hangen had met een groot kruis aan opdat elkeen goed zou kunnen zien
hoe christelijk hij wel was. In de hand had hij er dan ook nog ene, de
schijnheiligaard !!
Toen
kwamen de verkiezingen. De Sussen maakten de Blekken uit en de Blekken de
Sussen. Wat er geschreven, gedrukt, gerijmd of gedicht werd, stak zo nauw niet.
Alles was geheim al kwam het van dezelfde drukpers. Over mannen- en
vrouwenkwesties werd er geschreven, zowel als over dieven en profiteurs. De
Blekken beweerden dat de Sussen allemaal zwart geweest waren in de oorlog en
die van hun allemaal patriotten. De Sussen daarentegen beweerden dat alle
incivieken bij de Blekken zaten, bij hun waren alleen vaderlandslievende
mensen.
Wanneer
ge de lijsten zo eens nakeek en ge had alle pamfletten gelezen dan zoudt ge
gezworen hebben dat iedere partij haar best gedaan had om hun mensen speciaal
te selecteren. Hoe dichter ze bij de kop stonden, hoe onbetrouwbaarder en
slechter ze dan volgens dat verkiezingsdrukwerk wel waren. Ge kon bijna zweren
dat op geen één van de twee lijsten een menselijke mens stond.
Hoe
dichter bij de keus, hoe meer strooibiljetten er werden uitgegeven; hoe meer
er geplakt werd, hoe meer er overplakt, afgetrokken en weer overplakt werd. De
laatste week was er bij Nieke van den Barreel zelfs geen witborstel meer te
verkrijgen. Ook al het witsel was op. De meeste van die borstels waren dan ook
gesneuveld bij een handgemeen. De kalk werd naar de anderen gegoten, soms nog
met de emmers eraan. Ook de pastoor stond die dagen niet gerust op de kansel.
Een
paar dagen na de uitslag was Leest goddank dan weer in alle rust en vree
gedompeld.
In
stilte werd onze jeugd weer opgeleid. Hadden ze het niet met de moedermelk
opgezogen, dan werd het er met andere manieren ingepompt; met bijbelachtige
overleveringen of in hun eigen taal, maar bikkelhard als indertijd de stenen
van Mozes.
Die
taal heb ik dan trachten te ontleden voor mensen die eventueel later in ons
dorpken zouden willen komen wonen. Ge kunt het aframmelen als een lieken uit uw
kinderjaren !
1983 April : Van de Sussen en de BlekkenSusse Teughels in De Band :
Pas
had het grommelen van bommen en granaten opgehouden of we konden het rommelen
van de trommels reeds horentot op het
dorp. Iedere vrijdagavond werd in de zaal van Sooitje (noot : zaal St-Cecilia Dorpstraat) repetitie gehouden door de vlug
heropgerichte fanfare. Schetterende trompetten en bazuinen, aangevuld door
zachtere instrumenten, klonken gedempt door, tot zelfs in onze slaapkamer (noot
: Frans Susse Teughels was een kleinzoon van Noldus Teughels,
gemeenteontvanger, schrijnwerker en waard van de Rozelaer op de Dorpsplaats). De Blekken waren herboren.
Van
de Sussen was geen sprake meer. Het eeuwige bekvechten over muziek en fanfare
was volledig geluwd gedurende de lange oorlogsjaren. Ook van de daaruit
voortvloeiende dorpspolitiek hadden ze hun bekomst. Eigenlijk hadden ze reeds
enkele jaren voor de oorlog de strijd gestaakt. Doch een paar driftkoppen onder
hen hadden toen de politieke handschoen opgepakt en voor de lol zich gemeld als
kandidaten voor de gemeenteraadsverkiezing. Tot grote verbazing van iedereen
behaalden de Juniors, zoals ze zich noemden, geheel onverwacht een glansrijke
meerderheid. Sinds heuglijke tijden was het bij ons de gewoonte geworden om in
die overwinningsnacht met rammelende stoofbuizen rond te rijden. Altijd maar op
en af ging die rit, telkens weer voorbij de kandidaten die het onderspit
gedolven hadden. Tevens was het de uitgelezen kans om er in dolle pret drie dagen
tegen aan te lappen herberg in en herberg uit, tot de meesten onder hen
volledig platzak waren.
Met
een burgemeester, verkozen buiten raad, hebben ze die jaren de befaamde
Juniorslaan aangelegd. Waarschijnlijk is die luxe voor velen van onze kiesgerechtigden
teveel geweest want bij de volgende keus was het buiskensrijden voor de
mannen van de andere kant.
Met
lede ogen hebben dan ook de juniorsympathisanten de drie dagen durende
braspartijen moeten aanschouwen. Van zulke dingen wilden ze niet meer weten. De
gedachten alleen al aan de affronten van dat buizengekletter was blijkbaar
teveel geweest. Verscheidene oud-muzikanten van Arbeid Adelt (noot : de
Sussen) dachten er zelfs aan zich te
melden bij de reeds weer bestaande maatschappij om samen één grote fanfare te
vormen.
De
familiepolitiek van voor de oorlog leek voorgoed voorbij.
Twee
volle vrijdagavonden hing boven ons dorp een waas van orgelmuziek, ter
voorbereiding van de processie waarin de fanfare voor de muzikale toon zou
zorgen. De kleurrijke kleine wimpelkens van de rozenkrans welke we vanaf onze
plechtige communie hadden moeten of mogen dragen tijdens die ommegang, lieten
we nu maar voor andere kinderen.
Mij
werd de vlag van de H. Jozef toevertrouwd. Fier als een pauw heb ik haar uit de
kerk gehaald en als eerste stond ik op de plaats waar ik zijn moest voor de
samenstelling van die kerkelijke stoet. Mannen, vrouwen, jongens en meisjes
sloten aan, al of niet in processieklederen. Eindelijk, onder het luiden van de
grote klok, zette de mensenslang zich langzaam in beweging. Tot aan de
Sint-Jozefskapel was alles goed gegaan. Daar was het eerste oponthoud. De
menigte ging op de knieën zitten en wachtte devoot op de zegening.
Juist
wanneer de monstrans in de hoogte ging, zag ik dat beeldschoon kind waarvan ik
al een hele tijd droomde, aan de overkant van de baan. Voor de eerste keer in
mijn leven lachte ze me toe. Als een grote jongen stak ik mijn hand op, heel
eventjes maar en toch iets te lang, want Sint-Jozef was al aan t wankelen en
maakte een buiklanding vlak op de gouden kroon van die Heilige Trees voor
mij. Het krijsen van dat kind klonk schel door die plechtige stilte.
Na
een kort gevecht kwam ze van onder de Heilige man vandaan. Op dat ogenblik trok
ze meer op Onze-Lieve-Vrouw van zeven Weeën dan wel op de maagd welke ze eerst
had uitgebeeld. De blikken rand, waarmee de kroon op haard hoofd vaststond, was
tot over haar neus geschoten al bloed wat de klok sloeg. Dikke tranen van pijn
rolden over haar bolle wangen. De dokter, die daar woonde, kwam vlug ter hulp
met jodiumtinctuur en schilderde haar een rode neus als van een clown, tot nog
meer jolijt van de mensen rondom ons.
Veel
zorgen kon ik er mij niet over maken, want op dat ogenblik zette de processie
zich weer in beweging en moest ik kost wat kost mijn patroon terug in de hoogte
krijgen met een stok die echter wel een halve meter korter geworden was en tot
overmaat van ramp gebarsten tot boven. Krampachtig moest ik hem met beide
handen vasthouden want hij zwikte van links naar rechts en dat telkens met een
schok, alsof hij me kost wat kost wilde ontglippen. Onder gespot en gelach van
de mij omringende mensen, heb ik dan de verdere weg al waggelend afgelegd.
Uit
die heilige mond achter mij klonken dikwijls schietgebedekens, die eigenlijk
helemaal geen schietgebedekens waren. Telkens proestten de toeschouwers het uit
en deden er nog een gebedeke bij, alsof ik nog niet genoeg had met dat stuk
stok dat ieder ogenblik kon begeven. Daarbij kwam dan nog de angst voor wat ons
vader er zou van zeggen als hij ging weten wat er gebeurd was en weten zou hij
het, zelfs als het vandaag nog niet verteld werd, want die lat kreeg hij
onvermijdelijk in de handen om te herstellen, alhoewel er geen repareren meer
aan was. De vaderonsen en weesgegroeten, die ik de rest van de weg gelezen heb
om op wonderbare wijze dat stuk hout weer aaneen te laten groeien, liefst op
onzichtbare wijze, konden ook niet baten.
De
tweede halte was aan de kapel van de Heilige Apollonia. Weer draaiden we ons
om.
t
Is daar dat ik voor het eerst weer kunnen lachen heb. Voor mij stond terug die
maagd maar nu met een dik opgezwollen roodgeverfde neus en met die bleke wangen
leek ze meer op de Heilige Pepino met een scheve kroon. Uit haar oogholten
schenen zelfs vlammen te komen wanneer ze mij bekeek. Dat deed me weer aan de
ogen van ons vader denken als ik even later thuis zou zijn. Daarmee was het
lachen alweer weg. Toch heb ik die vaan veilig en wel weer op zijn plaats
kunnen krijgen. Hij stond daar wel tegen die rood geschilderde pilaster, als
een klein manneken tussen zijn grote broers, maar hij stond er en dat was het
bijzonderste.
De
Christus vinchit en Christus regnatleken me veel te vlug voorbij. Ook de litanie van al de mannen van de
almanak was precies rapper om dan anders. Zelfs scheen het dat die oude pastoor
met alle moeite van de wereld zijn haast krakende knoken geweld aandeed om zo
rap mogelijk de laatste zegen te geven. Met bibberende benen en een angstig
hart ben ik thuis binnengestapt. De herberg zat stampvol en dat ze daar al op
de hoogte waren moest ik niet meer vragen. Een algemeen gelach weerklonk al,
als ik nog maar juist de deur open had.
Maar
hij zal hem en daarmee bedoelde hij die stok begot zelf maken !!! hoorde ik
ons vader zeggen wijl hij juist een glas bier voor een kliënt op de tafel
zette. In zijn ogen blonken zoiets als sterretjes, alsof hij er zelf plezier in
had. Moest ik daar zoveel schrik voor gehad heben. Die korte onderbreking deed
de mannen die daar zaten niet veel, want al spoedig ging het gesprek over de
processie en ten lange laaste over de fanfare en hoe schoon het wel was (De Band, april 1983)
In het Leestse soldatenblad publiceerde
Susse Teughels in mei het vervolg
Van de Blekken en de Sussen :
Wat
voorafging : door een klein ongelukje tijdens de processie vond ik het
geraadzaam een beetje thuis te blijven om vaders toorn te ontlopen en daardoor
was ik getuige van wat er bij ons in de herberg zoal besproken werd.
Dat
het begot schoeën es, een fanfare in de processie en als hij het begot niet zo
liet zou hij zich begot gaan melden als muzikant van de Blekken want van de
Sussen zou begot toch niets meer in huis komen. Sommige mensen gaven hem
gelijk, waren zelfs bereid mee te gaan maar wilden niet de eerste zijn. Anderen
keken liever de kat wat uit de boom. Iedere week repetitie en bijna elke zondag
weg zijn en daarbij nog al het gebras en verteer. De oorlogsjaren hadden hun
wel geleerd hoe gezellig het thuis kon zijn. Naar gelang de pinten kwamen, des
te heftiger werden de discussies en werd nog meer bier besteld.
Na
de Cecilia-drapeau te hebben opgeborgen bij Cyriel Verschueren in de
Scheerstraat, kwamen de Blekken onder het spelen van een marsch weer
stapsgewijs op het dorpsplein. Aan café De Zwaan werden ze ontbonden. Elk
ging zijn eigen weg ; sommige muzikanten trokken recht naar huis terwijl andere
van de ene kroeg naar de andere togen om daar hun beste deuntjes voor te
spelen. Hoe meer getrakteerd werd, hoe zwaarder vielen de slagen op de trom en
in de mate van het nog mogelijke klonken de klanken van de instrumenten een
hele namiddag lang.
Toen
enkele gasten rond een uur of vier op de fiets stapten en huiswaarts wilden
keren om het daar nog wachtende feestelijke noenmaal te gebruiken, trok de Soo
op de muziek af.
Nu
of nooit, dacht hij, want anders zou het er toch nooit van komen. Er moest
toch iemand de eerste zijn om over te stappen. Toeval of niet ? Hij had de voet
nog niet in het portaal van de kegelbaan gezet of de grote trom daarbinnen
begon kapit te geven en hoorverdovend klonken de klanken uit de koperen
instrumenten wijl de niet-muzikanten als in een roes het overbekende oude
liedeken meezongen : En de Susse, de Susse, de Susse zen kapot, en de Susse,
de Susse, de Susse zen kapot en de a die zen verslete en de nief die zen kapot
!
Dat
was teveel voor onze vriend. Als de bliksem keerde hij op zijn stappen terug,
recht naar onze deur. Met de klink nog in de handen en een gezicht wit als een
lijk, kreet hij : Mannen, vrijdag repetitie !! Als een bom sloeg dat in,
amaai, die vent liet er geen gras over groeien, doch veel bijval kreeg hij
niet. Zomaar bij de Blekken gaan, moesten ze nog eens over denken en zeker
thuis over klappen.
Bij
de Blekken begot nee, nee vrijdag om acht uur voor de Sussen !! De explosie
was compleet. Nu konden de nog aanwezigen helemaal niet meer volgen. De mannen
die even tevoren zulke grote honger hadden en van op de fiets dat hele tafereel
hadden aanschouwd, kwamen al terug binnen die sensatie mochten ze niet missen.
Het bier kon niet rap genoeg komen. De ene ronde na de andere moest eraan. Ze
zouden eens laten zien dat ze er ook nog waren. Voor het vallen van de avond
waren er reeds veertien muzikanten ingeschreven. De vroegere dirigent zou
teruggeroepen worden. In de late uren zag het er uit alsof de Sussen nooit uit
de circulatie geweest waren.
Die
vrijdag was het repetitie. De pupitters, in der haast ontdaan van de meeste
kippendrek, stonden keurig opgesteld. Zeven muzikanten kwamen opdagen. Er was
zelfs ene bij in wiens instrument de strotakjes nog staken. Hij had het juist
opgevist van in de tassing waar hij het verborgen had voor de koperslag van de
Duitsers in de oorlog.
De
andere zeven waren vergeten dat ze ondertussen met een Blekkerin getrouwd
waren. De ene werd erop gewezen hoe laf hij wel was om vrouw en kinderen zo
maar in de steek te laten. Een paar anderen mochten naar de eerste herhaling
komen, maar zouden die avond nog hun paksken mogen pakken. Een andere mocht
gaan, maar dan over haar lijk !
Dan
was er nog iemand bij die, wanneer hij zijn trombone nemen wou, alleen nog een
paar waardeloze buisjes vond.
De
zeven mensen die nog overschoten hebben toen de grondslag gelegd voor de
hernieuwde maatschappij, want drie weken later werd de eerste verhuizing aangekondigd.
Van het Dorp zouden ze naar de Biest gaan, om daar de volgende herhalingen te
houden. Toen waren ze al met veertien. Op die verhuizing was ook ik van de
partij. Schoon was dat ; de ene parde bleu na de andere altijd de twee zelfde
: Cavala en het Witte Paard. Af en toe, buiten de huizen, werd wat anders
geprobeerd. Schoon, echt schoon, ook ik zou muzikant worden. Door die goeie wil
mocht ik zelfs tussen hen lopen, alsof het mijn eigen volk was. Van de ene
herberg naar de andere ging het. Natuurlijk kwamen ze alleen bij die mensen,
die voor de oorlog lid waren. In goede aarde viel dat wel. Tappen en schenken
goed, maar lid worden ? Nee Het ene plezier was het andere waard en daarbij de
Sussen drinken niet was de slagzin en weer kon Cavala geblazen.
Juist
voorbij Doreke de metser, vroeg de meester, die de grote trom sloeg, mij
eventjes de stok vast te houden, dan kon hij een sigaret rollen. Fier als een
pauw nam ik dat stuk hout met vilten bol vooraan in de hand. Een paar passen is
dat goed gegaan. Van in de tenen begonnen die kribbelingen, trokken hoger en
hoger en voor ik het zelf besefte Boem !!
Een
ezel, die rustig van op zijn wei naar dat kabaal stond te kijken, schrok en
rende snel weg naar de andere zijde van de omheining, vond daar een gat en
vluchtte weg
Viktor
Troch en Berre, de twee tubas sprongen vooruit alsof er plots een V-1 achter
hun hielen gevallen was. Godverdomse snotneus, hoorde ik de eigenaar van de
trommel sissen, terwijl hij van het verschieten zijn propje tabak en blaadje
liet vallen, juist in een plas water. Dat was nog het ergste. Daarmee was ik al
als stokkendragen gedegradeerd en kon ik bij de gewone jongens aan de zijkant
gaan lopen.
1983 Aprilnummer De Band : Leestenaars treden zo uit de oude doos
Uit de verzameling van meester Stan
Huysmans een opstel van Hendrik Moons van 8 maart 1950 :
Onze
klas op wandel in maart
Op
maandag 6 maart hebben wij een wandeling gemaakt naar de moderne hoeve van Jaak
Lamberts in de Tiendeschuurstraat. Het was juist zon schoon weertje en het
ging ons dus goed af. We vertrokken te 1.30 u in de school en rond 2 u kwamen
we op de boerderij van Jaak en Stefanie. Het eerste dat we bezochten waren de
varkenshokken, want de boer was de biggen juist aan t voederen. Hetgeen ons in
de varkenshokken bijzonder is opgevallen, is de moderne manier van verlichting,
van verluchting en ook nog de nieuwe leiding van het kraantjeswater.
Dan
gingen we buiten de hoeve naar de silos zien, want dat was de moeite waard. Er
konden zo maar 14 à 15 grote wagens voeder in één silo. De silowand was
gemiddeld 10 cm dik en de bodem 20 cm. Nu hadden we dit alles goed bekeken en
besproken en geluisterd naar Jaak zijn uitleg. Daarna traden wij in de koestal.
Hier zagen we de moderne automatische drinkbakken, wat allemaal veel gemak
verleent aan de boer en de boerin. We gingen dan achter de koeien staan en dan
zagen we ineens dat de staarten van de koeien vastgebonden waren om er niet
mede in hun drek te liggen. Ook hing boven elke koe een plaatje met de naam, en
wanneer ze gekalfd hadden en zo meer.
We
gingen terug buiten, bedankten Jaak en Stefenia en zakten terug af naar de
school.
Maar
op de terugweg zijn we onze smidse binnengegaan. Dat was naar mijn zin. Vader
was juist een paard aan t beslaan en dat hadden vele jongens nog niet gezien.
Ik kende dat allemaal en wilde ook wel wat tonen aan mijn makkers. Ik heb dan
eens het smidsvuur opgezet, eens geboord en eens geslepen om de jongens te
laten zien hoe dat allemaal werkte. Ik was wel een beetje fier, hoor. Dan
gingen we terug naar school. En ik was blij dat de meester aan vader gezegd
had, dat hij niet te klagen had over mij. In de klas gaf de meester nog ons
huiswerk op en onze les voor s avonds, en we konden terug naar huis.
Ik
hoop dat we nog wandelingen zullen maken en vooral met zulk goed weer.
De schrijver Hendrik Moons :
-Tijdens het schooljaar 1949-50
leerling in het achtste leerjaar.
-Geboren te Leest op 19 januari 1936.
-Zoon van Moons Jan (hoefsmid +1972) en
Verbeeck Joanna, Tiendeschuurstraat 1.
-Beroep : smid. Is 12 jaar hoefsmid
geweest bij de Boomse steenbakkerijen, tot in 68, toen bij de modernisatie de
paarden uit het geleeg moesten verdwijnen.
-Kinderen : Marleen, Brigitte, Bruno,
Sven. Is reeds grootvader. De tijd vliegt
-Studies : na de 4de graad :
3 jaar Vakschool (metaal) avondonderwijs. Daarna 3 jaar zondagschool
HOEFSMEDERIJ Brussel diploma.
-Legerdienst : 18 maanden 15e
Artillerie Brasschaat.
-Hobbys : 1. Heeft het erg hard zitten
met PAARDENHOUDERIJ en VERZORGING.
2. Kunstsmederij (in vaders smidse).
Hier is hij in zijn element, hij hamert deskundig SNUISTERIJEN roosjes en
andere bloemen, met de liefde en de slagkracht van Van Boeckel. Als men iemand
zo ernstig bezig ziet aan zijn hobby, wordt ARBEID EEN GEBED.
Ach ! IN t VADERHUIS ! Wat een lust en
een weelde, die sfeer van vroeger. Hier is de tijd, samen met het hart van de
vader, stilgevallen Die oude blaasbalg, die smidshaard, die rook, die geur en
kleur van afbrandsel, die spetterende witte gensters en rode ijzervonken, die
berookte solderbalken, en jarenlange zwarte wanden, dit alles lijkt als een
gewijde plaats. Die oude travalje, al het beslaggereedschap, de smeed- en
koelbak, de smeekolen, het aambeeld, de hamers en bultklopper, de doorslag en
klinkbouten, de tangen, prangen en snijders in soorten, de schroefbank en
pletrol, de scharen en beitels, messen, vijlen en boren allerhande Ach, een
bijzondere, aparte, grote wereld in t klein voor een aandachtige bezoeker Hoe
kan het anders, dan dat de zoon er dikwijls weerkomt, er graag vertoeft en er de
tijd van vroeger doet herleven
En terwijl hij smeedt en klopt dat de
gensters sprankelend in t ronde springen, en t witgloeiend ijzer in de juiste
vormen kneedt, vertelt hij sappig, met veel humor en leute uit zijn klasleven 7de
en 8ste leerjaar. Hij moet er nog om lachen, -(nu, maar niet toen)-
als hij beweert dat hij eens een ferme mep heeft gekregen. Hij had ze wel
verdiend, mildert hij maar Jan De Prins had er zeker ook ene moeten krijgen
De school van toen, overvol aan
herinneringen, is sinds wel erg veranderd filosofeert hij MOONS HENDRIK stuurt
hiermee nog langs De Band zijn groeten aan De Prins Jan, Diddens Marcel,
Fierens Frans, Fierens Theofiel, en anderen
Stan Huysmans.
Op een mooie lentedag dit jaar (2013)
bracht ik Rik een bezoek in de Hovenierswoning van het kasteel De Mot (Kasteel
De Mot : zie o.a. jaar 1845 in deze Kronieken en ook in de Toponiemen die
volgen), die hij sinds de jaren 90 achtereenvolgens huurt van de Brusselse
Jonkheer Pansius Prion en al enkele jaren van de huidige eigenaar Pascal
Ferryn.
De Hovenierswoning bevindt zich pal aan
de straatkant (Bist) en draagt het huisnummer 8.
De jachtwachterswoning, links van het
domein, heeft als adres Bist 12 en het kasteel zelf kreeg van de stad Mechelen,
merkwaardig, het adres Bistsevelden 2 mee.
Na een luidruchtige verwelkoming door
zijn 14-jaar oude border collie Billy werd ik gastvrij ontvangen en door zijn
huisje geleid. Overal bots je op zijn kunst. Een machtige metalen
kroonkandelaar siert het plafond, op zijn schouw prachtige paardenhoofden waarvan
de contouren afgewerkt zijn met een fraai bloemmotief en die een indrukwekkende
spiegel omzomen, eveneens afgewerkt met prachtige bloemen. Op het salontafeltje
een sierlijke arend en ook op de schouw van zijn keukentje bloemen maar vooral
paarden. Pareltjes van smeedkunst en allemaal van zijn hand.
Een praatvaar zoals Rik moet je niet
pramen om van wal te steken, hij is 77 ondertussen maar zijn grijze celletjes
werken nog optimaal. Hij vertelt honderduit over zijn jeugd, zijn legerdienst,
zijn carrière, zijn familie, zijn tegenslagen
Dat interview met meester Huysmans van
30 jaar geleden herinnert hij zich nog goed. Ik kon goed opstellen en zonder
fouten schrijven, nog steeds, vertelt Rik. Meester Huysmans had hem ooit nog een fikse klap verkocht wist
hij, maar waarschijnlijk verdiend, want hij was een kwajongen die veel
kattenkwaad uithaalde. Ook in het leger was hij geen doetje. Hij was van de
laatste lichting die nog een termijn van 18 maanden diende uit te doen, na hem
moesten de miliciens nog 15 maanden kloppen, en in Brasschaat verplichtte men
hem om chauffeur te worden, ook al bezat de kazerne nog een vijftal paarden.
Rik wou beslist op een paard maar dat werd hem geweigerd en hij ging
dwarsliggen. Toen hij na 6 weken opleiding in aanwezigheid van een instructeur op
een paal reed, aan de Trappistenabdij van Westmalle, werd zijn rijbewijs hem
ontzegd en kreeg hij nog een zware straf toe. Een rijbewijs zou hij overigens
nooit halen.
Met paarden heeft hij een speciale band.
Ik ben als paard geboren en ik zal als paard sterven, mijn eerste woord was
iets met paard heeft mijn moeder altijd gezegd.
Waar die fascinatie vandaan komt weet
hij niet, vermoedelijk door de smidse van zijn vader.
Hendrik Moons is de tweede zoon van
Jan-Baptist, de hoefsmid uit de Tiendeschuurstraat en van Jeanne Verbeeck uit
Tisselt.
Toen wij dertien, veertien waren wilden
al mijn vrienden naar de autofabriek, ik niet, ik wou persé smid worden, ik
ging er mee slapen en ik werd er mee wakker.
Toen de vader van zanger Bobbejaan
Schoepen, een smid uit Boom, overleed, heb ik hem een tijdlang vervangen. Nadien
ben ik in de Boomse Steenbakkerijen gaan werken als smid en s avonds hielp ik
mijn vader in zijn smidse.
Na de teloorgang van de steenovennijverheid
in de Rupelstreek, werd hij tewerkgesteld in den IJzeren te Willebroek en
Acomal Mechelen, steeds als onderhouds- of productiesmid.
Intussen was hij gehuwd met de Hombeekse
Jeannine Sarens, een zus van de in de jaren 60 bekende Belgische middengewicht
bokser Emiel Sarens. Deze laatste verblijft momenteel in Deurne en komt zijn
schoonbroer uit Leest nog regelmatig bezoeken.
Jeannine schonk hem vijf kinderen
waarvan er eentje heel vroeg zou overlijden. Hun jongste, Sven, vormt de derde
opeenvolgende generatie van hoefsmeden uit dezelfde familie.Hij geeft les aan de Hoefsmederijschool en
beschikt over een eigen smidse in zijn woning.
Het leven heeft Rik niet gespaard. Zijn
vader kreeg aderverkalking en overleed in 1972.
Rik wou niets liever dan de smederij
overnemen maar familieperikelen beslisten daar anders over. Later begon zijn
vrouw te sukkelen met haar gezondheid en na een operatie kwam ze ongelukkig ten
val met als gevolg een dubbele open beenbreuk. Zeven operaties waren er nodig
en uiteindelijk kreeg ze een pin ingeplant van knie tot knoesel. Later volgde
een open hartoperatie die het gezin ruim 500.000 frank kostte en uiteindelijk
kreeg ze de ziekte van Parkinson. De laatste jaren van haar leven heeft Rik
haar liefdevol verzorgd. Zelf bleef hij ook niet gespaard, twee jaar geleden
kreeg hij een zware maagbloeding. Vier zweren ontploft in zijn maag maar na zes
dagen was hij terug thuis uit het ziekenhuis.
En Is het niet gevaarlijk paarden
beslaan ? Het voorste van een vrouw en het achterste van een paard is
gevaarlijk, lacht hij. Hij heeft veel schoppen gekregen maar echt zwaar
gekwest werd hij nooit. Wel werd zijn knie zwaar belaagd na een confrontatie.
Twee keer per jaar laat hij daar vocht uittrekken.
Ik ben geen kunstenaar maar een
hoefsmid en een paardenliefhebber, zegt Rik bescheiden.
Alhoewel goeie hoefsmeden kunstenaars
op zich zijn. Die stiel leer je niet op drie jaar. Ik was 21 toen ik mijn vak
beheerste, maar je moet weten dat ik het heel mijn jeugd heb gedaan. Ik was van
kindsaf in de smidse te vinden en ik ben fier op mijn stielkennis maar een
kunstenaar ben ik niet. Ik heb 50 paarden gemaakt. Het laatste staat bij mijn
kleinzoon in Liezele, het is volledig ingespannen, opgetuigd zoals de paarden
op het geleig of deboottrekkers. In
het kasteel staat een paard van mij van ruim 75 kg en die arend heb ik ooit
gezien op een foto van een Amerikaanse zonnewijzer. Ik heb hanen gemaakt,
kippen, luchters en schouwgarnituur. En altijd weggegeven. Ik heb nog nooit
geld gevraagd voor mijn maaksels, nooit.
Zijn smidse heeft hij nog (foto) maar
smeden zit er niet meer in, zijn duimen hebben het laten afweten.
Tegenwoordig zorgt hij voor zijn drie
merrie ponys en de vijf ezels en de pony van zijn huisbaas. Dat is zijn lust
en zijn leven. Verder houdt hij nog een oogje in het zeil op het domein van het
kasteel De Mot, zeker als de bewoners afwezig zijn.
Ik zou een hele dikke boek over mijn
leven kunnen schrijven, besluit de krasse zeventiger bij ons afscheid en ik
heb de indruk dat hij nog lang niet is uitverteld.
M.V.H.
-De
Hovenierswoning van het Kasteel De Mot
-Rik
naast enkele van zijn creaties, elke paardje is uniek.
-Immer
weerkerend in zijn kunst zijn paarden.
-Voor
deze arend haalde hij zijn inspiratie uit een Amerikaanse zonnewijzer.
-De
smidse in de Hovenierswoning is nog steeds intact.