NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Inhoud blog
  • Wijzigingen - aanvullingen. Overlijdens religieuzen.
  • Wijzigingen - aanvullingen. Maria Van Dam, slechtoffer van het luchtbombardement in Mortsel.
  • Wijzigingen - aanvullingen. De kerkklokken weggeroofd.
  • Wijzigingen - aanvullingen.
  • Wijzigingen - aanvullingen. Het aardappelcontract van Frans Geerts.
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Kronieken van Leest
    bij Mechelen
    17-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1798 -  Op 4 november meldde commissaris Auger :

                “Mechelen blijft rustig, doch verleden nacht, van 2 uur af, weerklonken volop de

                stormklokken te Hombeek, Leest en Heffen, het kanon bulderde herhaaldelijk en

                geweren knalden.”

                Die dagen opereerden de brigands in Bornem en Willebroek.

                De Fransen rukten in de vroege morgen met hun kanonnen van uit Mechelen

                op  maar werden te Heffen aan de Zennebrug opgewacht door de voorposten

                van Rollier. Na wat geschut brak de weerstand. De plaatselijke smid werd

                verplicht de ketens te breken en de ophaalbrug werd neergelaten.

                De legertrein met kanonnen en munitiewagens kon nu verder om de dorpen

                Tisselt, Blaasveld, Willebroek, Bornem en St.-Amands te zuiveren.

                Daar werd twee dagen zwaar gevochten.

                Op 6 november schreef Auger dat zijn torenwacht meldde dat hij brand in

                Bornem kon waarnemen en de gloed duidelijk zichtbaar was.

                De Brigands werden verpletterd.

                Kort daarna lag de hoofdmacht van de opstandelingen in de zuiderkempen in de

                streek van Geel, onder leiding o.m. van de boerengeneraal Van Gansen, evenals

                bij Mechelen en in het Hageland.

                Op 12 november viel Diest in hun handen, doch ook hier moesten de Boeren

                weldra voor de overmacht wijken en werden zij verdreven naar de Limburgse

                Kempen.

                Op 4 december 1798 maakten zij zich meester van Hasselt doch bezweken daags

                onder het artillerievuur van het Franse leger.

                Na het neerslaan van de Boerenkrijg verscherpten de Fransen de repressie tegen

                de  tegenstanders van het nieuwe regime : deportatie van niet-beëdigde priesters

                (in het departement van de Twee Neten waren er slechts 10% die de vereiste eed

                hadden afgelegd), strenge toepassing van de wet op de conscriptie, zwaardere

                belastingen enz.

                De toestand zou voor de inwoners van de Verenigde Departementen slechts

                verbeteren na de staatsgreep van generaal Bonaparte op 18 en 19 brumaire jaar

                VIII (9-10 november 1799) met de oprichting van het Consulaat en de invoering

                van de grondwet van het jaar VIII.

                Aan het hoofd van de departementen zouden de vroegere beheerders vervangen

                worden door prefecten die alleen aan de Eerste Consul rekenschap verschuldigd

                waren. Onder hen stonden de onderprefecten voor de arrondissementen en de

                maires voor de steden en de dorpen. (Leest : Van der Hulst,  De Maeyer,

                Moeremans)

                Deze ambtenaren zouden ook nog bijgestaan worden door rechtstreeks of

                onrechtstreeks door de uitvoerende macht benoemde raden van de prefecturen,

                arrondissementen en municipaliteiten.

                De eerste prefect van het departement van de Twee Neten was Charles Joseph

                Fortune, markies d’ Herbouville, een authentiek edelman stammende uit

                een familie uit Normandië.  Hij werd in 1805 vervangen door een

               “koningsmoordenaar”, Charles Chochon (die zijn weinig aantrekkelijke naam

                onder het toevoegsel de l’ Apparent mocht verbergen).

                In 1809 werd opnieuw een edelman tot prefect benoemd in het departement van

                de  Twee Neten : Marc Rene Marie de Voyer d’ Argenson.

                Hij bleef deze post bekleden tot 12 maart toen hij vervangen werd door baron de

                Savoye-Rollin die de laatste prefect van de Twee Neten was.

     

                In 1798 werden alle sterfgevallen van de parochie Leest opgetekend door koster

                J.F. Van Varenbergh. Dat blijkt uit een “quod attestor” van pastoor De Heuck,

                van 4 december 1800. Van dezes vader noteerde de pastoor :

                “1801, 19 meert, sterfdag van Judocus Van Varenbergh, geboortig van Dieghem;

                sterft in den gezegenden ouderdom van 85 jaar en 10 maand. Tijdens 36 jaar,

                3 maand en 14 dagen was hij hier koster geweest; zijn vrouwe Ann. Ther. Petron.

                Elias, dochter van den vorigen koster Franc. Elias, stierf op 26 februari 1808, oud

                zijnde 82 jaar, 3 maand en 15 dagen.

                Koster Van Varenbergh “solemniter sepultus est per custodem humbecanum in

                cemeterio”, werd plechtig begraven door den koster van Humbeek op het

                kerkhof.” (Simon De Heuck, pastoor te Leest – Dr.J.Muyldrmans)

     

    1798 – 26 november : Bij arrest van de 6de frimaire van het jaar VII (26 november 1798)

                genomen te Parijs door het Directoire exécutif van het Ministère de la Police

                générale de la République, werd bevolen om de personen op te sporen die deel

                hadden genomen aan de gewapende samenscholingen te Tisselt, Kapelle-op-den-

                Bos en Ramsdonk, met de opdracht hen voor dit Directoire te leiden.

                De lijst omvatte 85 namen. Enkelen onder hen hadden banden met Leest :

                -Bulens Ferdinand,46 jaar oud, woonachtig te Kapelle-op-den-Bos maar geboren

                te Leest en weduwnaar van Dorothea Dietens, stond vermeld op de lijst van de

                aan te houden personen.

                Hij was een zoon van Petrus Joannes Buelens en van Anna Maria Buelens.

                -Huysmans Gillis (gedoopt Kapelle-o/d-Bos 20/9/1774), landbouwer te Kapelle-

                op-den-Bos was gehuwd met Joanne Buelens die geboren was te Leest op

                20 mei 1775 als dochter van Petrus Joannes Buelens en Anna Catharina Peeters.

                Egidius “Gillis” Huysmans kwam tweemaal voor in de lijst van de aan te houden

                Personen.

                -Jenné Jaak (gedoopt te Kapelle-op-den-Bos 6/5/1772) was een zoon van

                Philippus Jenné en Catharina Steps. Zijn vader Philippus hertrouwde op 67-jarige

                leeftijd met Joanna Bal, een jongedochter van 50 jaar die geboren was te Leest

                als dochter van Mathias Bal en Catharina Smedts.

                Jaak Jenné werd aangehouden op 6 december, overgebracht naar de Hallepoort te

                Brussel waar hij werd opgesloten en op 14 december gedeporteerd naar

                Valenciennes.

                -Muyldermans Joannes Baptista werd te Leest gedooopt op 25/1/1778 als zoon

                van Jacobus Muyldermans (°Leest 1735 - +Leest 1787) en Joanna Van Den

                Heuvel.

                Hij was landbouwer en huwde te Kapelle-op-den-Bos met Joanna Talboom

                Leest 7/2/1785 - +Kapelle-op-den-Bos 2/10/1860).

                Hij stond eveneens opgenomen in de lijst van de aan te houden personen.

                -Peeters Cornelis (°Kapelle-op-den-Bos 3/1/1771), was dagloner en gehuwd met

                Anna Maria Van Den BrandeLeest 20/11/1784) dochter van Petrus en van

                Joanna Maria Dietens eveneens geboren te Leest.

                Ook Cornelis Peeters stond op de lijst, werd aangehouden en gedeporteerd naar

                Valenciennes.

                -Robyn Karel (Carolus)(°Kapelle-op-den-Bos 7/10/1774), was gehuwd met

                Elisabeth Van den BrandeLeest 10/2/1775) dochter van Petrus Van den

                Brande en van Joanna Maria Dietens.

                De naam van Karel Robyn stond bij de anderen.

                -Troch Antoon (°1740) huwde te Leest op 15 mei 1764 met Anna Maria

                Quackels (Quackeleers, Quackelaer) (°Leest 21/9/1739) een dochter van

                Christianus Quackels en Petronilla De Weerdt.

                Antoon Troch was landbouwer en woonde met zijn gezin aan het kanaal.

                Hij overleed op 58jarige leeftijd tijdens het gevecht aan het Brughuis te Kapelle-

                op-den-Bos, tijdens de nacht van 3 op 4 november 1798.

                (Francois Van Der Jeught, ’t Ridderke nr.2 van 1998)     

     

    1799 – In Willebroek werd de gesloten kerk in 1799 “Le Temple de la Loi” waar de

                officiële plechtigheden als huwelijken moesten plaats vinden. Op die manier

                wilde men het ritueel vertoon van de kerkelijke symboliek vervangen of

                nabootsen maar een paar maand later ging men terug over naar een zaal in het

                gemeentehuis. (WDK,’t Ridderke nr.2,1998)

     

    1799 – Toen pastoor De Heuck op 3 januari 1798 uit zijn huis werd gezet, werd de

                pastorij door de Franse staat verhuurd aan Jan Frans Bulens, die toen agent was

                van de gemeente, voor de huurprijs van 85 Franse Livres of 45 gulden 3 stuiver

                plaatselijk geld.

                Veertien maanden later echter, in maart 1799, werd de pastorij van Leest door de

                Franse natie publiek te koop gesteld. Ze werd verkocht voor een hoge prijs aan

                een schijnkoper, een zekere De Becker, de zoon van een dokter uit Boom, die de

                prijs echter nooit betaalde, maar die de pastorij opnieuw verkocht, ditmaal aan de

                helft van de prijs, 800 gulden aan Jan-Frans Jacques en Karel Bulens.

                Die kochten de pastorij om ze te vrijwaren.

                De helft van deze nieuwe koopprijs moesten ze onmiddellijk betalen, de andere

                helft na 6 maanden.

                Deze laatste kopers waren echter lelijk bedrogen, want deze koop was ongeldig en

                ze zagen hun geld nooit terug omdat die De Becker ineens spoorloos verdwenen 

                was. De koop werd door de Fransen nietig verklaard en op 24 februari 1801 werd

                de pastorij opnieuw verhuurd, voor de duur van drie jaar. Ditmaal aan Peter

                Moeremans, adjunct van meier De Maeyer Jacques en door Engel Van der Hulst.

                Ze huurden de pastorij in naam van de gemeente ten gebruike van de pastoor.

                Op 17 april 1801 kon de pastoor van Leest terug in zijn pastorij. (DB-1981)

     

    1799 – Op 24 september 1799 celebreerde Simon De Heuck, klandestien, de uitvaartmis

    Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    De weerlicht der geweren met een klein dondergeluid versmachtte het gerucht van de kogels op de borsten...

    Gelukkiger dan de 30 anderen was voor deze 11 de eerste slag ook de genadeslag.”  
      

     

    1798 – Op 1 november (Allerheiligen en volop in de opstand) werd een buitengewone

                zitting gehouden van de Willebroekse raad. Onder de aanwezigen was Elige

                Van Der Hulst, adjoint.

                “Pour découvrir les régistres de l’Etat Civil. Ceux de Willebroek ont (été)

                enlèvés de force au nombre d’environ 25 par le citoyen Jean Francois Peersman,

                habitant de Willebroek, (...)

                Celles de la commune de Leest au nombre de 7 ont été pris à la Municipalité par

                le citoyen C. Van Assche d’ apres les ordres des bourgois armés…”

                (WDK,’t Ridderke nr.2, 1998)

     

    1798 – Vanaf nu moest men om te huwen naar Willebroek gaan om een eenvoudige

                verklaring af te leggen in het gemeentehuis.. De trouwdagen waren gereserveerd

                op de 10de, 20ste en 30ste van de maand, de nieuwe rust- of zondagen dus.

                Tot dan trouwde men enkel voor de pastoor en in de kerk.

                Ward De Kempeneer vond –in deze periode dat de kerken gesloten

                waren  en er clandestien getrouwd moest worden (1798-1800), te Willebroek,

                slechts 5 huwelijken uit Leest, waarvan er drie echtparen zich al kerkelijk 

                verbonden hadden. Waarschijnlijk wensten die zich wettelijk in orde te stellen.

     

                Matheus De Win, 23 jaar en Anna Marie Mies, 25 jaar.

                Huwelijk op 10 Vendémiaire An 7 en la maison communale (29/9/1798)

                Hij was pachter te Leest en een zoon van Rombout De Win en Marian De Laet,

                pachters te Hombeek.

                Het kerkelijk huwelijk werd op 2 oktober ingezegend in een kapel te Leest door

                onderpastoor Milis van Hombeek.

     

                Christian De Roeck, 35 jaar en Anna Monica Selleslagh, 28 jaar.

                Huwelijk op 20 Vendémiaire, An 7 om 8 uur s morgens. (11/10/1798)

                Hij was herbergier te Hombeek, zij was de dochter van Gille Selleslagh en

                Anne Willems, pachters te Leest.

                Van hen werd geen kerkelijk huwelijk teruggevonden, noch te Hombeek, nocht te

                Leest.

     

                Charles Coeckelbergh, 32 jaar en Anna Catherine Verbruggen, 21 jaar.

                Huwelijk op 30 Prairial An 7. (18/6/1799)

                Hij was landbouwer en zoon van Charles Coeckelbergh en Anna Marie Van

                Assche, landbouwers te Leest.

                Ze waren reeds kerkelijk getrouwd op 6 juni 1799 te Leest door onderpastoor

                Milis van Hombeek.

     

                Guillaume Peeters, 35 jaar en Jeanne Elias, 26 jaar oud.

                Huwelijk op 10 Prairal An 8. (30/5/1800)

                Hij was landbouwer, zoon van Adrien Peeters en Jeanne Van Camp.

     

                Jean Francois Leemans, journallier 28 ans, et Marie Peeters.

                Huwelijk op 10 Prairal An 8 a la salle (30/5/1800)

                Hij was de zoon van Jean Leemans en Jacqueline Bernaerts.

                Zij een dochter van  Adrien Peters en Jeanne Van Camp, dagloners te Leest.

                Er werd geen kerkelijk huwelijk teruggevonden.

     

                De burgerlijke registratie van huwelijken werd na 1800 legio.

                Een kerkelijke trouw volgde kort daarop en werd eveneens geregistreerd.

                Dit bleef tot heden zo voor de personen die ook kerkelijk wensen te trouwen.

     

                Onderpastoor Jan Frans Milis moet een zeer moedig man geweest zijn. Hij

                trotseerde het gevaar om zijn gelovigen bij te staan niet enkel te Hombeek maar

                ook te Leest waar pastoor De Heuck ook verdwenen was.

                Huwelijken van Leest werden ook door Milis ingezegend maar waarschijnlijk

                te  Hombeek. Hoe het er juist is aan toegegaan is niet te achterhalen.

                Waarschijnlijk kwamen ze samen in een hoeve.

                Het gebeurde in het donker en zonder enige ceremonie, zonder verwanten of

                familieleden als getuigen.

                (WDK, ’t Ridderke nr.2,1998)

       1798 - Op 1 november signaleerde commissaris Auger van op de toren te Mechelen een

                zeer aanzienlijk getal opstandelingen langs de kant van Hombeek, Heffen en

                Leest.

                “...Des rassemblements ont toujours lieux dans nos environs, hier et toute la

                nuit. Aussi au moment que je vous écris, ils sont très nombreux du côté de

                Hombeek, Heffen et Leest. Du haut de la tour on voit bien l’ avant-garde

                Armé de fusile au nombre de trente environs.”

                Verder schreef hij nog dat vijftig infanteriesoldaten die vorige nacht van

                Brussel naar Mechelen gekomen waren en op hun weg vier gedoofde vuren

                met nog gloeiende as hadden ontdekt, wat er op wees dat brigands net daarvoor

                op de vlucht geslagen waren. In Mechelen was het wel rustig maar terreur stak

                de kop op. Hij kon er niet genoeg op drukken dat er een sterkere troepenmacht

                in de stad nodig was om vooral tijdens de feesten op te treden tegen de

                heetgebakerde volksmenners. De priesters waren de ophitsers.

     

                In de nacht van 3 op 4 november trokken de Fransen vanuit Brussel naar Kapelle

                op den Bos waar zij de Brigands verrastten.

     

                “De Brigands, die zich opgesteld hadden in de beboste omgeving van de oude

                sluis (Kapelle o/d Bos) langs de oostoever van ’t kanaal, werden door een Franse

                legerafdeling onder het bevel van luitenant Meinzveig, overvallen.

                Tijdens dit treffen werd de leider van de Brigands, F. Verhoeven, ernstig

                gekwetst, wijl de andere opstandelingen wisten te ontsnappen.

                Achtervolgd door de “Sansculotten” zochten enkelen onder hen het oud Brughuis

                als schuilplaats op. Onophoudend werd dit gebouw onder vuur genomen.

                Om aan de kogelregen te ontsnappen hadden al de ingeslotenen zich op de vloer

                gelegd.

                Na een minutenlange beschieting staken de Fransen het gebouw in brand.

                Toen het gans in lichtelaaie stond sloegen ze de weg naar Tisselt in.

                In deze gemeente richtten ze ook grote verwoestingen aan. Hiervan maakten de

                opgeslotenen  -een 25-tal- dankbaar gebruik om langs achter het brandend

                gebouw te verlaten en door de beboste streek naar veiliger oorden te vluchten.”

                (Het Vaartland – nr.4 – 1973)

     

    1798 – 3 november :  Volgens een brief van 3 november van Auger aan commissaris

                Leveque te Antwerpen hadden de brigands te Hombeek gepatrouilleerd en

                werd de brug er vernield. Verder schreef hij : velen hebben in diverse rapporten

                meegedeeld dat op dit ogenblik brigands zich ophouden in de streek van

                Hombeek, Leest, Heffen en Willebroek. Ze zijn het onderling oneens over de

                betaling van hun soldaten en bedreigen de rijke pachters hun hoeven in brand te

                steken als ze niet vergoed worden. De bruggen over de Zenne in Hombeek en

                Leest hebben ze afgebroken. Patrouilles en wachtposten van de boeren zijn nu

                op geen tien minuten van de stad verwijderd. Het is nu de hoogste tijd dat een

                afdoende troepenmacht daarnaar oprukt om deze omgeving schoon te borstelen.

                Hoe meer tijd er verloren gaat hoe gevaarlijker het wordt omdat ze dan de tijd

                krijgen om zich beter te organiseren, de dorpen te verwoesten en zich aan te

                passen aan de vermoeienis van de strijd...

     

    17-02-2012 om 08:50 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

                De consequenties waren dus duidelijk.

                Afgezien van de toenmalige zeer bedenkelijke socio-economische

                levensomstandigheden van de overgrote meerderheid van onze voorouders, was

                deze wet op de verplichte legerdienst onmiskenbaar de doorslaggevende

                factor die leidde tot de opstand, tot de Boerenkrijg.

                (Francois Van der Jeught, ’t Ridderke nr.2 van 1998)

     

    1798 – In het najaar van 1798 kwam het tot uitbarstingen van gewapend verzet die in de

                geschiedenis de naam gekregen hebben van BOERENKRIJG doch waarvan de

                deelnemers door de bezetters als “Brigands” werden bestempeld.

                Het departement van de Twee Neten stond in het centrum van deze kortstondige

                verzetsacties die de Fransen volledig verrastten.

                Een eerste kern van gewapend verzet ontstond in het gebied van Klein-Brabant,

                tussen Schelde, Rupel en het kanaal van Willebroek onder leiding van Emmanuel

                Rollier.

                Jan De Decker daarover in “De Band” 1958 :

                “In de nacht van 20 op 21 oktober 1798 breekt te Bornem de opstand van de

                Boeren los. De stormklok luidt er ’s anderendaags. Het geklep wordt weldra

                beantwoordt door al de torens van Klein-Brabant, tot tegen Londerzeel en

                Dendermonde.

                Emmanuel-Benedikt Rollier neemt te St-Amands het opperbevel van de Brigands

                in handen. Een Frans ambtenaar schrijft vanuit Walem: “Nooit heb ik een rumoer

                gehoord gelijk dat van deze nacht. Men hoorde op drie tot vier mijlen in het ronde

                niets anders dan het geklep der klokken, het geroffel der trommels, het gehuil

                der honden en der mensen en het knallen der geweerschoten. Te Walem bleef

                alles rustig.”

                Rollier zou voor korte tijd Dendermonde veroveren doch moest wijken voor de

                Franse versterkingen aangevoerd door generaal Collaud.

                Op 22 oktober trekt de Franse generaal Béguinot met zijn garnizoen uit Mechelen

                naar het omliggende om daar de rust te herstellen. De Brigands maken hiervan

                gebruik om de stad binnen te dringen. Zij verwaarlozen schildwachten uit te

                zetten en ze worden er door Béguinot, die onvoorzien terugkeerde, verrast.

                ’s Anderendaags doen de Boeren een nieuwe aanval maar zij worden in de rug

                aangevallen door generaal Mazingant en velen vallen in de handen van de Fransen

                die 41 krijgsgevangenen veroordelen tot de kogel. De oudste is 70 jaar en de

                jongste amper 19. De ongelukkigen worden ’s avonds aan de voet van  de Sint-

                Romboutstoren terechtgesteld. Onder hen bevinden zich Pieter Jacobs, zoon van

                Jacob en Anna Maria Meulders, geboren te Leest op 26 oktober 1757 en

                woonachtig te Sint Katelijne Waver en Filip Van Asch geboren te Leest op 5

                september 1731, zoon van Joannes en Anna Bercklaers.

                Volgens een aantekening van pastoor Hermans (pastoor te Leest van 1833 tot

                1854) was Filip Van Asch geen Brigand, maar was hij slechts toevallig te

                Mechelen.

                De anderen waren afkomstig uit Bonheiden, Muizen, Hombeek, Perk, Elewijt,

                Battel, Zemst, Hever, Heffen, Westerlo, Zaventem, Keerbergen, Mechelen..”

                De terechtgestelden werden verplicht hun eigen graf te delven voor ze

                gefusilleerd werden. (MK,blz.271)

     

                Voor outer en voor heerd,

                Een sterke boer die dierf,

                Te bidden overveerd !”

                De latere journalist en schrijver was zo fier als een gieter “iets” over Filip Van

                Elcke (hij verwarde Van Asch met Van Elcke) te mogen schrijven. Iets dat op

                de koop toe werd afgedrukt, bij Robert Lafosse, de Leestse drukker. Al voegde hij

                daar eerlijkheidshalve aan toe, dat hij de verzen zelf moest zetten en drukken...

                (Het Vaartland – nr.4 – 1973)

                Honderd jaar later, op 23 oktober 1898, had te Mechelen de inhuldiging plaats

                van het boetekruis, gedenkteken ter ere van de gefusilleerden van de Boerenkrijg.

     

                “Het Vlaamsch Nationaal Dagblad De Schelde” van woensdag 23 oktober 1935

                daarover :

     

                De Gefusiljeerden van Mechelen

     

    Wij herdenken heden de 41 gefusiljeerden van Mechelen die op 23 oktober 1798 vielen voor hun vaderland.

     

    Den 23n oktober 1798 werden te Mechelen 41 Vlaamsche mannen gefusiljeerd omdat zij in opstand waren gekomen tegen het Fransche regiem.

    De zogenaamde “gelijkheid, vrijheid, broederlijkheid” welke hun op de punt  der Fransche bajonetten werd gebracht door de beschavers van Europa.

    Herhaaldelijk poogden zij het juk af te werpen. Telkens werd hun poging in bloed gesmoord. (...)

    Een geschiedschrijver zegt van hen : “Wat aan hun opstanden ontbrak, dit waren met intelligentie en omzichtigheid begaafde leiders, keurmannen, die in revolutionnaire omstandigheden de massa door hun gezag, hun karakter en hun wilskracht beheerschen. Onze arme dorpelingen waren totaal aan zichzelf overgelaten, terwijl de bewoners van de steden als door vrees en afschuw bevangen waren en hun sympathie niet durfden te toonen tegenover deze moedige en glorierijke patriotten, die met gevaar voor hun leven de nationale zaak verdedigden. Anderzijds waren het gebrek aan organisatie, munitie en kanonnen een groote oorzaak van minderwaardigheid voor den opstand.”

    De opstandige gedachte was nochtans in zeer breede lagen der bevolking doorgedrongen.

    De revolutionnaire propaganda werd gevoerd door middel van volksliederen als het volgende :

    “Regeerders van dorpen en stee

    Nederlanders blijft nu bijeen.

    Wij moeten standvastig wezen,

    Om te wagen ons lijf en bloed

    Voor de Franschen zijn wij te goed.

    Om met schelmen en dieven te strijden,

    Dat zijn wij niet van zin,

    Liever den kogen ofte guillotien.”

     

    In Oktober 1798 had een opstand plaats, tezelfdertijd te Duffel, Lier en Mechelen.

    Den 22n Oktober had de opstand zich uitgebreid over al de gemeenten van hun kanton. De opstandelingen hadden voor doel Antwerpen te bereiken.
    Generaal Desjardin snelde toe met 900 man. Hij slaagde erin de opstand te dempen.

    Een joernalist van dien tijd, een half gederacineerde , gedenationaliseerde, (zoals zoovele joernalisten in ons land, ook in onzen tijd) die de verdrukkers naar de oogen zag, en die de opstandelingen “dirot” noemde, verhaalt als volgt wat er na het dempen van het oproer gebeurde :

    “Den dag daer naer wesende 23 octobre 1798 (2 Brumaire) vergaederde hier naer middag eenen krygsraed die vonnisten ter dood een-en-viertig van de gene die den gepasseerden dag gepakt waeren en op de bezonderste hoeken van de merkt stond het kanon met kannonniers met brandende lonten ende het garnizoen onder de waepenen, welke ongelukkige des avonds het kwaert naer tien uren de eerste vyftien, van het gevangenen huys gehaelt zyn, tusschen twee linien van soldaeten met brandende tortsen, een wagt voor en achter geleyd zyn naer St-Rombouts Kerkhof, niet wetende dat zy aldaer zouden ter dood gebracht worden, want vele van deze naemen hun brood dat sy hadden mede, niets anders denkende of zy wierden op Antwerpen getransporteerd.

    Maer aldaer gekomen zijnde en hoorende dat zij moesten doorschoten worden, riepen om bijstand den hemel aen, en seffens is het teken gegeven en zijn alle aldaer doorschoten. Naer de eerste executie hebben zij wederom vijftien andere gehaelt en dan nog elf.

    Welke eenenviertig menschen op eene halve uer daer hun leven gelaten hebben.

    Het is niet mogelijk te beschrijven het droevig gehuyl en geschreeuw van deze ellendige.

    Onder dezelve was er eenen of twee die ziende hun droevig eynde, hun lieten vallen voor dat de scheuten op hun gelost wierden, deze zijn daar doorschoten, geheel het kerkhof en den omtrek derzelve was afgezet met soldaeten en terwijlen die een en viertig dooden menschen daer laegen, gingen eenige ligte borgers die de fakkelen droegen, met eene wagt van franschen, naer het huys van Pet. Jos Gooris, grafmaker van St-Rombauts, om hem met gewelt te dwingen van die dooden komen te begraeven, hij zeggende, dat indien iemand konde getuygen dat hij dit voor desen gedaen hadde, hij gereed was het te doen en dat den gramaker woonde op het algemeen kerkhof buyten de Stad, en het direct nog indirect zijn werk niet en was ; -hierop zijn zij alle vloekende weg gegaen en hebben onder hun eenen grooten put gemaekt en naer hun alle berooft te hebben van dat zij aen hadden, zijn altemaal in een en hetzelve graf gedompelt, tot schrick en verbaestheyd van alle de inwoners dezer stad is hetzelfde geschied.

    Op waerheyd alzoo dit geschreven is.”

    George Eekhout, die aan deze gebeurtenis een roerend boek heeft gewijd, verklaard van deze opstandelingen : “GEHEEL ANDERS DAN DE KLASSIEKE SLACHTOFFERS VAN DEN HERTOG VAN ALVA, GINGEN DEZE BARREVOETERS DEN DOOD IN, ZONDER DOOR HET NAGESLACHT VEREEUWIGD TE WORDEN.”

    Wij hebben deze tekortkoming tegenover deze helden willen herstellen en plaatsen hier hun namen op dezen verjaardag van hun heldendood, als een ex-voto.

    Wij drukken hierbij den wensch uit, dat het comité der Ijzerbedevaart in het Ijzermonument een plaats moge vinden om de nagedachtenis van al onze sublieme “brigands” de eer te schenken welke haar toekomt.

    VOOR GOD, VOLK EN  VADERLAND.

     

    Noot :  de lijst met 41 namen vertoont een fout : de oudste gefusillieerde, de 67-jarige  Leestenaar Filip Van Asch wordt vermeld als “Filip Vanelcke, 70 jaar Leest.”

     

    Een uittreksel uit “Les Fusillés de Malines” van G. Eekhoud over de dag van 23 oktober 1798 te Mechelen :

     

    “Mazingant stond gereed om op de noodlottige lijst de namen van Tistiek en Tony uit te schrabben, hij lei de pen neer.

    Na een schijn van bespreking, gaf hij lezing van een lang vonnis dat op voorhand gereed gemaakt was en waardoor de 41 “Brigands” veroordeeld werden om neergeschoten te worden.

    Het arrest stelde vast dat het vonnis “dadelijk en volledig zijn uitvoering zou krijgen”.

    De “Brigands” aanhoorden, zonder veel verbazing te laten blijken, deze ongehoorde veroordeling.

    Zij rekenden er op dat hunne vrienden de stad zouden innemen en ze s’anderendaags zouden verlossen. Ze lieten zich gewillig naar het gevang brengen.

    Velen namen schikkingen voor de nacht. Afgemat door drie slapeloze nachten en drie dagen van opgewondenheid en vermoeienis sliepen zij weldra in, zo gerust als in hun schuren en afdaken.
    Buiten werden midderwijl de voorbereidselen voor hun terechtstelling voltrokken.

    Alvorens naar Brussel af te reizen had Béguinot uitvoerige orders gegeven opdat deze terechtstelling met grootse plechtigheid zou geschieden. Om de indruk van terreur nog te verscherpen, moest zij denzelfde nacht nog uitgevoerd worden bij het licht van toortsen en met de medewerking van het garnizoen.

    Sedert de zitting van de krijgsraad waren er op de vier hoeken van de Grote Markt kanonnen opgesteld samen met hun bedienaars en met aangestoken lont.

    Kwart over tien toog een escouade soldaten naar ’t gevang met opdracht er 15 man te gaan uithalen om ze naar de terechtstelling te voeren.

    Men wekte dezen die sliepen en men deed ze opmarcheren zonder hen te zeggen waar men ze naartoe voerde.
    De boeren zouden nooit gedacht hebben dat deze weluitgeruste soldaten in staat waren, in koelen bloede, ontwapende vijanden te vermoorden.

    Zelfs de beulen bleven werkloos ’s nachts!

    Enkele woorden welke zij hadden opgevangen deden hun veronderstellen dat en ze naar Antwerpen wou brengen.

    Dus namen ze hun karig reisgoed mee, geknoopt in een halsdoek en de knapzak met bruin brood.

    Zij stapten op tussen twee rijen soldaten en toortsdragers. Een afdeling opende de mars  en een andere sloot ze af.

    Zo kwamen ze aan op het St.Rombauts-kerkhof. Daar stelde men de 15 mannen op tegen den kerkmuur op ongeveer een meter van elkaar en zes soldaten stelden zich op voor elk der veroordeelden.
    Slechts dan kwam de waarheid tot het besef van vele dezer arme drommels die niet meer door den roes van de wapens en het gevecht opgezweept waren, en de reactie deed zich voor. Het gevoelen van zelfbehoud nam de overhand.
    Afgrijselijke tonelen speelden zich af. Enkelen vielen op de knieen, aanriepen de hemel, kropen tot aan de voeten van de beulen en trachtten hen de handen te grijpen.

    Daar zij geen meedogen konden wekken, riepen zij de hulp in der Mechelaars, die als toeschouwers waren samengeslopen en die nog nieuwsgieriger waren dan laf.

    De ruiters hadden er moeite mee deze kijkers op afstand te houden.

    De officier welke gelast werd met dit vuile werkje, voelde misschien zijn moed begeven, en om aan deze tonelen een einde te stellen, beval hij plots : “Vuur !”

    Man had, om dit afstotelijk werk te volbrengen, slecht-aangeschreven mannen aangeduid, lamzakken, het uitschot van het leger en bovendien slechte schutters.

    Tot ongeluk der veroordeelden was er ook nog mist.

    De wind blies de fakkels uit of deed hun schijnlicht nog meer beven, wat de soldaten die enig mededogen hadden in de onmogelijkheid stelde goed te mikken.

    De ongelukkigen spartelden ten andere als bezetenen en beletten aldus het executie-peloton zijn taak kort en goed te voltrekken...

    De geweren gingen af met een geluid van scheurend doek.

    Verscheidene boeren waren slechts gekwetst of zelfs maar licht geraakt.

    Zij rolden ten gronde en spartelden in wilde stuipen. Een tweede salvo stelde nog geen einde aan deze afgrijselijkheid.

    Men hoorde kermen. Ledematen bleven bewegen.
    Soldaten kwamen op de stervenden af en met pistool en sabel stelden zij er een eind aan.

    De massa der nieuwsgierigen scheen nauwelijks minder roerloos en stil dan de doden.

    Een tweede reeks van 15 man wordt aangevoerd.

    Alhoewel de officier, teneinde de voorgaande afgrijselijkheden te vermijden, de soldaten dichter bij hun doel had opgesteld, waren zij nog onhandiger en moesten tot driemaal toe herbeginnen, om eindelijk met pistool en sabel, de laatste doodsratel en stuip stil te leggen in die arme lichamen.

    Men ging dan de laatste 11 ophalen.

    Het waren de beste, de echte, de moedige onder de moedigen : Willem Tuytgen,(Bonheiden) Jan Michiel Van Rompaye, (Bonheiden) Rik Schalenberg,(Bonheiden)  Hendrik Heratens,(Bonheiden)  Jan Baptist Vervloet, (Elewijt) Antoon Van Eylen, (Elewijt) Gillis Bul(Zennegat), Michiel de Golder(Mechelen) en Pieter Bosmans(Keerbergen).

    Wanneer zij op het schrikwekkend prieel aankwamen, waar reeds 30 lijken uitgestrekt lagen, konden zij er niet over stappen, zo dicht lagen ze op elkaar. Zij waren verplicht er op te trappen en in hun bloed te polsen.

    De waardige jongens, door eenzelfde gevoel van eerbied en medelijden gedreven, lieten hun kloefen bij de ingang van het plein staan om niet te zeer op deze overblijfsels te drukken.
    Rik Schalenberg, spotter tot het bittere einde toe, riep de soldaten toe :

    “Een ogenblik dat ik plaats make voor uwe kogels !”

    En hij ontblootte zich om zich de opperste lust te gunnen de Franse soldaten te behandelen zoals hij hun plakkaten te Bonheiden behandeld had.
    De vrienden gaven elkaar den kus en maakten zich gereed om voor hun Rechter te verschijnen.

    Zonder tegen de muur te leunen, rechtop en fier, het hoofd omhoog, en voet vooruit om stevig te staan, de hoed in de hand, de blik open en frank op de geweren gericht, stond Willem Tuytgen, de zoon van de burgemeester, alsof hij de dood tegemoet wou gaan.

    Met vaste stem riep hij : “Voor God en Vaderland !”

    Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

                Doch de Republiek sloeg terug en :

                “Ingevolge een genomen besluit van 18 Vendémiare, VI° jaer (9 oktober 1797)

                werd den cardinael, op vrijdag (20 oktober 1797) om 5u des morgens in

                aenhouding gesteld en vervoerd in de gevangenis der Rekenkamer tot Brussel...

                vanwaer hy, den 23n om 3 u. ’s Morgens weggevoerd is langs Maestricht en

                Gelderland, om volgens zyn verzoek den Rhyn te passeren tot Rees, naer

                Emmerick.”

                Rome keurde het manhaftig gedrag van de Kardinaal goed, verklaarde in

                onbewimpelde woorden dat het niet geoorloofd was de republikeinse eed af te

                leggen en dat zij die de eed hadden gedaan, verplicht waren hem te herroepen, en

                tevens het schandaal te herstellen op de best mogelijke wijze, volgens de

                omstandigheden van tijd en plaats.

                Van de 209 priesters die het kanton Mechelen telde, waren er maar elf die de eed

                zwoeren : onder hen ook aartspriester Huleu.

                Onder de standvastig trouw blijvenden, in het spoor van hunne bisschop, stond

                pastoor De Heuck. Hij viel dan ook onder het gegtal der veroordeelden om

                weggevoerd te worden.

                Hierna vertaald het decreet dat hem en enige zijner buren en vrienden trof :

                “Het uitvoerend Directorie, gezien het verslag van den algemeenen minister en de

                stukken er bij behoorende, waaruit blijkt dat de hieronder genoemden bekend

                staan als de wreedaardigste vijanden der fransche Regeering en de instekers en

                opstokers der dweepzuchtige en oproerige samenscholingen, die op den 19

                Fructidor (5 september 1798) in het kanton Willebroek, departement der

                Twee-Nethen, hebben plaats gehad; en dat zij nu nog niet ophouden al hunnen

                invloed te gebruiken om het volk te verleiden tot ongehoorzaamheid aan de

                wetten en om het vuur van den burgeroorlog aan te steken;

                besluit krachtens artikel 24 der wet van den 19 Fructidor :

                Art.1. De genaamden 1° Guillielm. Luytens, recollect te Mechelen en gehuisvest

                te  Willebroeck.

                2° Jac. Snagels, gewezen pastoor van Ruisbroek en alsdaar gehuisvest.

                3° Franc. Vermeerschen, gewezen pastoor van Ruisbroek en aldaar gehuisvest.

                4° Jan Baptist Arents, gewezen onderpastoor van Ruisbroek.

                5° Matth. Hendrickx, gewezen onderpastoor van Thisselt en aldaar gehuisvest.

                SIMON DE HEUCK,  gewezen pastoor van Leest en aldaar gehuisvest.

                7° Claes, gewezen capucien, in Ruisbroek gehuisvest.

                8° Gilb. Jos. De Backer, gewezen pastoor van Hombeek en daar woonachtig.

                9° Jan Frans Milis, gewezen onderpastoor terzelfde plaetse.

                10° Adriaan Ceuppens, gewezen pastoor van Heffen en aldaer woonachtig,

                zullen aangehouden en weggebracht worden.

                Art.2. De Minister van de algemene politie is belast met de uitvoering van dit

                besluit, dat niet zal gedrukt worden.”

                (getekend) Merlin.   

                (Simon De Heuck – pastoor te Leest – Dr.J.Muyldermans)

              

                Pastoor De Heuck vond echter een goed schuiloord in de woning van de bejaarde

                Jonkvrouw Joanna Antonia Josepha Pauli ter Moortere (waar later de woning

                van  Frans Verwerft zou komen in de Vinkstraat) : daar droeg hij de mis

                op, doopte de kinderen en zegende huwelijken in.

     

                De laatste mis die in de kerk van Leest was opgedragen, dateerde van 29

                september 1797.

                “Vanaf 30 september”, schreef hij in ’t latijn, “dragen wij onze H. Mis op in een

                verborgen kamer, ’s morgens vroeg rond drie uur en als het uiterst nodig was

                gingen wij ’s nachts in het geheim de laatste sacramenten toedienen aan de

                zieken.”

                De 31-jarige koster Jan Frans Van Varenberg zou voortaan de kindjes dopen en

                de doden ter aarde bestellen, dit zonder enige plechtigheid.

                De bijkomende doopceremoniën zouden door de pastoor ten gepaste tijde

                aangevuld worden.

     

    1797 – Voor de Franse inval in ons land, droegen de huizen geen huisnummers, maar een

                eigen , dikwijls zeer pittige en schilderachtige naam.

                In 1797 werd een eerste nummering van de huizen doorgevoerd, maar nog jaren

                lang bleven de oude benamingen in de volksmond voortleven. (MK)

     

    1797 – In het huwelijksregister, achter het huwelijk van 13 september 1797, voegt

                pastoor De Heuck toe :”...bij het zo goddeloos verbod der fransche natie, ons op

                29/9/1797 door de militaire macht meegedeeld, hebben wij ons onthouden van

                alle bediening van de godsdienst en van alle uitoefening van pastorele functie.

                De volgende mijner parochianen (gevolgd door een lijst) zijn dan getrouwd voor

                De Z.E.H. Cornelius De Haen, pastoor van Walem, aan wei tot nu toe voornoemd

                verbod nog niet besteld is...” (DB, nr.2 – 1957)

     

    1797 – Op 15 november 1797 richtte commissaris Scheppers zich tot alle kerkmeesters,

                kosters, pastoors,.. van zijn kanton. Hij deed het in het Nederlands in de hoop

                dat zijn boodschap wellicht beter gehoord zou worden :

     

                “Borgers,

     

                De Municipaliteyt is belast uyt krachte van het besluit der Centrale Administratie

                van 14 Brumaire ll. van binnen 10 dagen van den ontfanck van het voorseyde

                besluyt, eenen duydelycken staet over te geven vervattende de kerkckepriesters,

                huysen en kerkgoederen gespecifieerd in het besluyt van het uytvoerende

                Directoie van 5 Brumaire.

                Dus aansoeck ik u borgers om op u verantwoordelijkheid ter griffie der

                Municipaliteyt in te brengen binnen de 24 ueren naer het ontfangen dezer bij

                order van inventaris alle de registers, rekeningen, papieren, archieven,

                documenten en alle andere stukken betrekkelijk tot de kercken, kerckgoederen

                en generalijck alles wat eenige betrekkelijkheid heeft tot de goederen en tot de

                administratie der kercken.

                Degenen welcke niet zullen voldaan hebben binnen de 24 ueren aen de

                tegenwoordigen aenzoekbrief, zullen overgedragen worden aen de openbaren

                beschuldenaer om vervolgt te worden met de gestrengheyd der wetten.

                                         Heyl en Broederschap

                          Ondertekent J. Scheppers, commissaire

                         Voor Coppeye P.L. Driessens, greffier”.  

     

    1797- 25 november : De kerken in het kanton werden blijkbaar intussen gesloten zoals

                blijkt uit een brief van 25 november 1797 van commissais Scheppers.

                Daarin verklaarde hij dat hij militairen gestuurd had naar Blaasveld om de

                opgengebroken kerkdeur te herstellen en daarna waren ze naar Leest gegaan.

                Daar was de kerkdeur ook opengebroken en waren kerkmeubelen gestolen.

                (WDK,’t Ridderke nr.2, 1998)            

     

    1798 – Op datum van 2 januari 1798 lezen wij in het doopregisterdagboek van pastoor

                De Heuck : “Uit hoofde van die onrechtvaardige wet van de Franse Republiek

                werd de pastoor uit zijn pastorij gezet door een zekere Peeters, die voor deze

                speciale opdracht gedelegeerd was.

                Hij was van deze parochie en verraadde aldus zijn afkomst.

                Hij was begeleid door een soldaat en door agent Jan Frans Beulens en Angelus

                Van der Hulst.

                Slechts drie dagen geleden verhuisde de pastoor naar het landgoed Ter Moortere

                van Jonkvrouw  Joanna Antonia Pauli”.

                Hij nam zijn meubelen mee, want, schrijft hij, “waren die in het voornoemde huis

                gebleven, ze waren met de rest aangeslagen geweest”.

                Pastoor De Heuck was op dat ogenblik 72 jaar oud.

                Hij betrouwde echter de situatie niet, daar verscheidene van zijn collega’s

                aangehouden en gedeporteerd waren naar Cayennes.

                Op aandringen van zijn parochianen “Consuasus per parochianos” verliet hij het

                Hof ter Moortere op 19 januari 1798 om negen uur ’s avonds om zich buiten

                Leest te gaan verschuilen.

                De feiten gaven hem gelijk, want hij werd tot tweemaal toe vruchteloos te  Leest

                opgezocht, “bis frustra requisitus”.

                Hij kwam pas terug naar Ten Moortere op 9 mei 1799, wanneer de lucht wat

                zuiverder  geworden was, om er zijn pastorale functies in het geniep te hervatten.

                Op 17 april 1801 nam hij terug zijn intrek op de pastorij en vanaf 12 juni 1802

                gebeurde de eredienst opnieuw in de kerk. (WLS,blz.27)

     

    1798 – Op 20 juli 1798 werd bij de Directoire het wetsvoorstel ingediend om door

                conscritie (dienstplicht) nieuwe manschappen onder de wapens te brengen,

                voorstel dat op 24 september van kracht werd.

                Deze wet, waarbij onmiddellijk 200.000 manschappen zouden worden

                opgeroepen voor het leger, werd reeds op 28 september datzelfde jaar te Brussel

                afgekondigd. Alle ongehuwde Fransen (waaronder dus ook de inwoners van de

                geannexeerde gebieden, dus ook alle Leestenaars) van 20 tot 25 jaar werden

                ingedeeld in vijf klassen: tot de eerste lichting behoorden de jongeren die op

                22 september 1798 twintig jaar zouden worden , de tweede lichting waren de

                jongeren van 21 tot 22 jaar enz.

                In vredestijd duurde de dienstplicht vijf jaar, in oorlogstijd een onbepaalde

                termijn en in  1798 was Frankrijk in staat van orlog.

    17-02-2012 om 08:44 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

     

    1796 – Leest en alle andere kleine gemeenten met minder dan 5.000 inwoners werden

                samengevoegd en maakten deel uit van de Administration municipal du canton

                de Willebroek.

                In het voorjaar 1796 moet de Municipale Raad van Willebroek samengesteld

                geweest zijn. De vertegenwoordigers van Leest waren  Angelus Van der Hulst

                als agent municipale en M. Coeckelbergh als adjoint.

                Commissaris van de Minicipale Raad was Scheppers, voorzitter was Spiette,

                Chirurgien, gewezen seigneur de Puurs.

                De agents municipeaux en de adjoints moesten in principe wettelijk verkozen

                zijn. Dit was niet gebeurd.

                Deze agenten werden aangeduid en van hen mag men aannemen dat ze door de

                overheid Fransgezind geacht werden. Ze mogen bij hen gerekend worden die

                vroeger het gedachtengoed van de Vonckisten verdedigden en zich keerden

                tegen de oude macht van kerk en adel. Hun aanstelling was engagerend maar er

                stond hen nog een zeer ondankbare taak te wachten.

                De agent en zijn adjoint waren onbezoldigde boodschappers. De vaak repressieve

                en  gehate wetten van de Fransen moest de Agent overbrengen naar de

                plaatselijke verantwoordelijken.

                Het volk werd ervan op de hoogte gebracht door de champetter die ze voorlas en

                aanplakte. De wetten op gebied van belastingen, confiscaties, kerksluitingen,

                verplichte legerdienst etc. gingen ze zelf meer en meer verfoeien.

                Buiten de grote morele druk werden ze door hun medeburgers in de gemeente

                veracht, bedreigd met brandstichting en zelfs met de dood.

                Ze werden het vlug beu en zegden hun moeilijke job op.

                (Ward De Kempeneer  in Boerenkrijgnr van ’t Ridderke, nr.2-1998)

                Ergens kan men Angelus Van der Hulst de eerste burgemeester van Leest

                noemen en dit tot 1800.           

       

    1796 – “Dit jaer verbod van processie te doen vanwege de Republiek”.

                (opgetekend 16 mei, 2e Sinksendag)

                In 1796 begon men in ons land de godsdienstwetten effectief toe te passen.

                De treiterijen naar de gelovigen en naar de kerkdienaars waren reeds legio maar

                in de loop der volgende maanden werd de Franse “vrijheid” een echte vervolging.

                De misvieringen op zondag konden niet bijgewoond worden omdat door de

                nieuwe kalender de meeste zondagen nu ook werkdagen geworden waren.

                Op 4 maart werden verder alle processies verboden en alle uiterlijk vertoon zoals

                bedevaarten of de berechting van zieken en stervenden.

                In april ging men nog een stap verder en alle uiterlijke tekenen van godsdienst

                was uit den boze.

                Het luiden der klokken mocht enkel nog op Franse burgerlijke feesten.

                De pastoor moest er uit zien als een gelijke “citoyen” en werd verplicht gewone

                burgerkleding te dragen.

                De armenzorg mocht niet langer een kerkelijke zorg zijn maar moest bij de

                gemeenteambtenaren komen.

                Het onderwijs moest vanaf nu door de gemeente ingericht worden.

                In juni verschenen de wetten op de Burgerlijke Stand. De pastoors moesten hun

                boeken met doopsels, huwelijken en overlijdens inleveren en de agent

                municipale of zijn adjoint werden nu de verantwoordelijke ambtenaren voor deze

                registraties. In september werden de kloostergoederen in beslag genomen voor

                openbare verkoop.

                (W.De Kempeneer, ’t Ridderke nr.23 van 1998) 

     

    1796 – In 1796 verzekerden de tienden van Leest aan de abdij van Kortenberg een

                gemiddelde opbrengst van 3.080 gulden. (DB-1959)

     

    1796 – 3 juni : “Lijkmis van Maria Anna Morijn. Zij is het eerste lijk, ’t welck in stilte

                begraven is. O grouwelijke Republiek.” (Notitie pastoor De Heuck)

                (Nvdr : in stilte begraven, zonder priester, zonder kruis. Alleen de koster

                vergezelde de lijkbaar tot aan het graf. Velen zouden volgen).

     

    1796 – 3 augustus : “Den greffier van het canton Willebroeck aen den borger Van der

                Hulst, agent municipal van  Leest.

                Borger, Gij sult soo haest doenellijk Ue. begeven bij den heer Pastoor van uwe

                gemeynte ende gy sult hem in den naam van de weth aensoeken, dat hy aen Ue.

                aflevere  alle de registers, de welcke bij hem berusten, rackende de doopen,

                houwelyken  ende sterfdaegen. 

                Gy sult de selve ten Ue. Huyse bewegen, en my daer seffens kennisse van geven,

                opdat ick aen de Heere eenen behoorlyken inventaris can afleveren.

                Indien gy weygering ontmoet, moet gy my daer van onderrighten, opdat ick door

                hooger hand deze weth doen wercken.

                Heyl ende... (getekend) De Amandel, secr.greff. Leest, 17 Thermidor,4e jaer.”

     

                Dezelfde dag, 3 augustus 1796, werd dit stuk aan pastoor De Heuck besteld :

                “Op ende met het origineel van desen hier voorstaenden brief, heeft den

                eersaemen Angelus Van der Hulst, als agent der parochie van Leest, sig begeven

                den 3n dagh der maent Augusti 1796 ter pastorye van het voorse Leest, en van

                den Pastoor afgeheyst alle de doops-, houwelycks- ende doodsregisters der

                parochie van Leest.

                Ende diensvolgens bekenne de onderschrevene uyt handen van den voornoemde

                Heere Pastoor van Leest geligt te hebben deze vier volgende doopsregisters,

                waarvan den eersten bestaende uyt 24 half bladers in twee gevouwen in dier

                voegen genaeyt in perchement, begonst van den jaere 1599 onder desen titel met

                desen acte “Registrum baptizatorum in parochia Leestensi ab anno 1599

                September 1599 : die 21 hujus baptizatus est infans...” en eindigt met desen acte:

                1654. 6 Decembris baptizatus est...

                Besluyt : 657 doopsels. (Ook andere acten “opgelicht tegen synen wettigen danck

                en  verbintenis”).

                (DB, nr.2-1957)

     

                Het gold hier de toepassing van een wet van 20 september 1792.

                Een wet die ook stelde dat de municipaliteiten voortaan zelf de akten van

                geboorten, huwelijken, overlijdens moesten opmaken en bewaren.

                Vooraleer de kerkregisters werden weggehaald schreef pastoor De Heuck alles

                over wat hij maar kon. Alle doopsels, huwelijken en overlijdens vanaf het jaar

                1599 copieerde hij eigenhandig. Anderhalve maand heeft hij daaraan geschreven.

                (de oorspronkelijke kerkregisters berusten thans in het Staatsarchief te

                Antwerpen, de afschriften van pastoor De Heuck worden bewaard op de pastorij

                te Leest.)

     

    1797 – Joannes Franciscus Van Varenbergh volgde zijn vader Judocus op als koster

                te Leest.

                Hij was “custos et ludimagister” schreef de pastoor in het overlijdensregister.

                Koster en evenals zijn vader ook schoolmeester.

                Joannes Franciscus bleef jongezel.

                Nadat pastoor De Heuck door de Franse overheersers uit zijn pastorij was

                gezet en moest onderduiken, was het koster Jan Frans Van Vaerenbergh

                die de borelingskes ging dopen en de doden naar hun laatste rustplaats bracht.

                Dit gebeurde zonder enige plechtigheid. De bijkomende ceremonieën van de

                doop werden achteraf in het Hof Ter Moortele door de pastoor zelf aangevuld.

                Deze situatie duurde tot 1801.

                Toen Jan Frans Van Varenbergh oud en versleten was, hij telde toen 70 lentes,

                schreef hij op 19 oktober 1836, op aandringen van pastoor Hermans, een brief

                aan de aartsbisschop van Mechelen, om zijn ontslag aan te vragen :

                ...”Niet meer bekwaam zijnde door doofheyt en hoogen ouderdom om nog

                langs de plaats van coster, die ik nu reeds meer dan een halve eeuw bediend

                heb, met eer te konnen vervullen, geeve mijne demissie aen zijne

                Hoogweerdigheyd den Aertsbisschop van Mechelen, hoopende dat men

                zoodanige arrangementen ten mijnen opzigte zal nemen, dat ik weynig van mijne

                gewoonelijke inkomsten verlieze, terwijl ik arm zijnde de zelve noodig heb om

                te kunnen subsisteren. Blijve met alle agting, enz...”

                Hij schreef ook een gelijkaardige brief naar de burgemeester van Leest om zijn

                ontslag te krijgen als onderwijzer. Dit ontslag werd hem graag toegestaan.

                Er werd hem ook voldoening gegeven op materieel gebied : hij mocht blijven

                beschikken over een gedeelte van het kostershuis (waar ook het nieuwe

                kostersgezin Moortgat zijn intrek nam) en zijn jaarlijks inkomen (100 frank)

                werd hem uitbetaald.

                Joannes Franciscus Van Varenbergh overleed te Leest op 2 november 1843. 

                (De kosters van Leest, De Band-november 1985)

     

    1797 – In 1797 werd van de priesters een eed afgeeist van “haat tegen het koningdom”

                en tegen de regeringloosheid, van verkleefdheid en trouw aan de Republiek en

                aan de grondwet van het jaar III.”

                Tevens werd verklaard dat geen eredienst meer mocht uitgeoefend worden dan

                door geestelijken die beëdigd waren.

     

                Kardinaal de Franckenberg weigerde vlakaf de eed af te leggen en op de

                dwingende uitnodiging van commissaris A. Auger antwoordde hij kalm en

                vastberaden : “De catholieke, apostolieke ende roomsche religie die ik uyt geheel

                myn hert belyde, en van welke ik eenen der eerste herders ben, genoodzaekt

                zijnde het voorbeeld aen andere te geven, verbiedt my positievelyk eenen eed van

                haet te doen hetzy dat dezen haet zig rapporteert aen den persoon van eenen

                koning, hetzydat hy den staet van het koningschap zelf aangaet.”

     

    17-02-2012 om 07:09 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1791 – 1792 : Peter Lauwens, een opmerkelijke getuigenis te Leest

     

                Uit de website van de familie Lauwens/Lauwers www.laurentii.be :

                Van Peter Lauwens is een merkwaardige getuigenis achtergebleven.

                De relatief rustig verlopen 18de eeuw, op uitzondering van de oorlog (1744-1748),

                werd bij het naderen van de eeuwwisselling door de bevolking eerder nerveus

                beleefd. Het begon reeds te gloeien rond 1789, met de Brabantse Omwenteling,

                waarbij in Mechelen in de Bruul werd geplunderd.

                Allerlei politieke strekkingen werden geboren zoals de vrijmetselaars, de

                Staatsen, de Vonckisten, de Keizerlijken, die allemaal hun eigen herbergen

                hadden.

                In 1792 was er een grote  vechtpartij in de Katelijnestraat, waarbij onder meer

                gebruik gemaakt werd van pistolen en degens. Hierbij was nota bene de concierge

                van het stadhuis betrokken en er viel een dode.Hetzelfde jaar vielen er gewonden

                bij een messengevecht in de ROOSELAER te Leest.

                In hetzelfde dorp bekende een jaar vroeger een man op een volkse manier in het

                openbaar dat hij de dochter van een schepene zwanger had gemaakt.

                De vader en dochter maakten van de aanwezigheid van tal van getuigen gebruik

                om de bekentenis te laten acteren bij een notaris. Hierbij de notarisakte :

     

                “Op heden den 7 february 1791 compareerde voor mij Notaris ondergeschreven

                geadmitteerd in Syne  Majesteyts Groote Raede tot Mechelen residerende present

                de ondergenaemde getuygen Petrus Lauwers oud omtrent de twee en veertigh

                jaren ende Franciscus Verschueren oudt omtrent de ses en twintigh jaeren beyde

                inwoonders van Leest de welcke verclaeren ten versoecke van Maria Catharina

                Van Asch oock inwoondersse van Leest, nochtans sonder inductie ofte juriactie

                van gemaeckt dan alleenelijck in faveur van justitia.

                Eedt biedende der aensoght sytede waerachtigh te wesen dat Jacobus Somers

                oock inwoonder van Leest op sondagh voor Kersmisse van den gepasseerden

                jaere 1791 voor den hooghmisse van het voorseyde Leest welcke gebeurt ten

                thien uren ten huyse van den eersten deponent aen den vader der requirant met

                naeme Matheas Van Asch geswoornen van het meergesegt Leest heeft gesegt

                in woorden : “Uw trien is vol”, daer mede willende denuteren de requrante,

                ik hebbe se oock geket daer mede willende seggen dat hij haer oock vleselyck

                bekent hadden verclaerende de deponenten den inhoude van hunne declaratie

                in de waerheyt te bestieren ende geven voor redenen van wetenschap de gene uyt

                hunne declaratie pretenderende ende het gene voord gehoort alene gedaen ende

                gepasseert binnen Mechelen present D’Heer Jan Franciscus Claes coopman ende

                Philippus Van Assche, als getuigen ten eenen versoght.”

     

                Jaak Somers belandde in ieder geval in de gevangenis van Mechelen, waar er

                melding wordt gemaakt van zijn vrijlating in 1795.

                Zijn moeder had naar het stadsbestuur een smeekbrief gestuurd met deze

                bedoeling. Niettemin moest moest hij binnen de 14 dagen ten behoeve

                van de armen 200 veertelen koren naar het stadsmagazijn brengen.

                We vermoeden dat hij de Leestse Jaak Somers is die op 23 oktober 1797

                te Walem huwde met Marie Katrien Voet.

     

    1792 – Franse Overheersing 1792-1815

     

                Tijdens een geweldige en bloedige revolutie werd in Frankrijk de koning

                vermoord en de Republiek uitgeroepen.

                De derde stand had zich van het landsbestuur meester gemaakt.

                Frankrijk verklaarde de oorlog aan Oostenrijk en viel met zijn leger ons land

                binnen.

                Gedurende meer dan een half jaar werd op onze zuidergrenzen gestreden, tot de

                Franse generaal Dumouriez er eindelijk in gelukte de Oostenrijkers bij Jemappes

                te verslaan.

                Op het einde van het jaar 1792 maakten de stad en de Vrijheid van Mechelen

                van nabij kennis met de Franse soldaten van de nieuwe Republiek.

                Van 16 november 1792 tot 24 maart 1793 was Mechelen in de macht van de

                Fransen.

     

                Voor de Fransen waren de Vonckisten een soort vijfde colonne die hen niet als

                veroveraars maar als “bevrijders van de Oostenrijkers” begroetten.

                (De aanhangers van Vonck streefden een regime na dat eerder de macht van het

                volk wilde herkennen. Ze voerden in hun schild “Pro Aris et Focis” –Voor Outer

                en Heerd- waardoor ze klaarblijkelijk de kerk en de bevoorrechte gezagsdragers

                respecteerden. Anderzijds namen ze al te graag de leuze van de Fransen in de

                mond “Liberté, Egalité et Fraternité”! De aanhangers van Van der Noot

                daarentegen wensten duidelijk een herstel van de vroegere macht in handen van

                kerkelijke gezagdragers, adel en notabelen.)

                Er werden nieuwe gemeenteraden samengesteld volgens democratische principes:

                L’Assemblée provisoire du première année de la République Belge.

                Dit gebeurde op 28 november te Mechelen maar ook wat later in de omliggende

                gemeenten. (...)

                In Leest werd deze plechtigheid nog meer luister bijgezet door de aanwezigheid

                van een eredetachement van het leger. Dit vernemen we uit volgend bericht :

                Il est ordonné au citoyen Guilleman, Maréchal de Logis du 20ieme régiment

                de cavallerie de se rendre à Leest avec un détachement ou il assistera a

                l’ élection des réprésentants.

                De nu zogenoemde representanten van het volk werden door den eed bevestigd in

                hun functie. Men kan deze personen die enkel de wil hadden verder te besturen

                zonder de Oostenrijkers moeilijk verdenken van collaboratie.

                Op dat ogenblik was er ook geen directe aanleiding om ze van Jacobijnse

                principes te verdenken. Geen twee maand later volgden de terechtstelling in Parijs

                van Lodewijk XVI en van vele andere edelen, bij ons werden vooral tegen kerken

                en erediensten baldadigheden gepleegd.

                De ogenschijnlijke goedwilligheid van de Fransen hield geen stand.

                De revolutionairen in Parijs gingen zich zodanig te buiten aan de bloedige

                repressie dat hierop internationale weerstand kwam. Met de hulp van de

                omringende landen die zich “de geallieerden” noemden, werden de Fransen uit

                onze gebieden verdreven en de Oostenrijkse keizer regeerde hier terug van maart

                1793 tot juli 1794. (Ward De Kempeneer in ’t Ridderke nr.2, 1998)

     

    1794 – In de naam van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid begon in 1794 voorgoed

                de bezetting en de leegroverij van de Franse Republiek.

                Na de slag van Fleurus verscheen het Franse leger op 12 juli 1794 rond 14 uur

                voor de brug van Leest en viel het de Oostenrijkse bewakingstroepen aan.

                Ongeveer 2 uur lang werd er geschoten uiteindelijk verloren de Fransen

                in deze schermutseling vier man.

                Eén hunner sneuvelde vlak voor de pastorij, het betrof een  Hollander, Piet

                genaamd, in dienst van de Fransen.

                Tot welke religie hij behoorde kon niet achterhaald worden, men begroef hem

                op het kerkhof van Leest.

                De Franse troepen verbleven tot 15 juli te Leest en in de omliggende dorpen.

                Dan bezetten  zij gewapenderhand Mechelen, zonder echter het bloed van burgers

                te  vergieten en tevreden dat ze de Oostenrijkers op de vlucht hadden gedreven.

                Maar steeds zwaarder zou de druk van de Franse bezetter wegen op ons land en

                ons volk.

                Pas was de stad Mechelen door de Fransen ingenomen of “representant” Laurent

                legde een geweldige schatting op aan de stad en het district van Mechelen :

                1.500.000 Franse livres of ruim 816.666 gulden Brabants courant (de toenmalige

                munt in onze gewesten).

                De helft van deze reusachtige som, die dan nog spottend “contributie aea het

                Franse volk” werd genoemd, moest door de geestelijkheid worden betaald, de

                andere helft door de gilden en de rijke burgers.

                Het goud en het zilver van de kerken en de gilden werd onmiddellijk opgeeist

                om die contributie te voldoen.

                Op 17 juli 1794 kreeg Leest een brief van J. Pansius, uit naam “der Wethouders

                der Stadt en Provincie Mechelen” :

                “Wij inthimeren aen Ued. Geswoorne van den dorpe van Leest, geconvoceerd

                door hunnen respectieven mijer ten eynde de selve geswoorne in voldoening van

                het meer gemelde gearretteerde, in handen van mijne voornoemde heeren

                Wethouderen, morgen voor den acht uren voornoen, ten stadhuysen te bewegen

                allen het goud ende silverwerck alsmede allen het numeraire aen hetselve dorpe

                ende gemeynte competerende, waervan in het vervolg de nadere repartitie

                volgens equiteyt sal geschieden, hun prevenierende dat in cas van retard ofte

                wijgering, aen sig selven sullen hebben toe te wijten de onhijlen die uyt dit retard

                oft wijgering zullen volgen.

                Actum Mechelen, den 17 julii 1794”.

     

                Pastoor, kerkmeesters en bestuur van de plaatselijke gilde van de handboog

                werden op 18 juli te Leest opgeroepen.

                “...waerop ick als pastor, op den 19 Julii 1794, ten stadhuysen ben gecompareert,

                alwaer door eenen der schepen, door d’heere Decocq en den mijer Vleminckx

                geordonneert is, nog voor den avont allen het silverwerck der kercke over te

                brengen”.

                De volgende dag leverde de pastoor de zilveren kostbaarheden van de Leestse

                kerk in : een monstrans, een ciborie, een kelk en twee kronen. Ze werden te

                Mechelen in de waag gewogen : alles samen 12 pond zilver.

                Gelukkig kon pastoor De Heuck dit oude en geliefde bezit van zijn kerk afkopen

                tegen 500 gulden, een som die door mejuff. Maria Anna Fierens uit Leest werd

                voorgeschoten.

                “Wij ondergeschrevene Mattheus Van Asch als geswoornenen des dorpe van

                Leest, ende Petrus Selleslagh als kerckmeester van de voorgeschrevene parochie

                van Leest, attesteeren ende declareeren mits dese, op den 19 Julii 1794, uyt

                handen van den Hre. S. De Heuck, pastor te Leest, ontfangen te hebben eene

                silvere remonstrantie...enz... om door hun te transporteren ten stadhuyse der stede

                ende provincie van Mechelen tot voldoening aen de ordonnantie,...”

     

                De contributie legde aan kardinaal de Franckenberg, de aartsbisschop van

                Mechelen, eerst een som van 80.000 gulden Brabants op, later werd deze som nog

                verhoogd tot 112.000 gulden.

                Het kapittel, het seminarie, de kerken en kapellen, de kloosters, de pastoors en

                onderpastoors, ieder moest het hunne bijdragen. In feite werd de geestelijkheid

                voor bijna 4.000 gulden meer dan de helft belast in de opgeeiste schatting.

                Om hun aartsbisschop te helpen deden de gelovigen spontaal al wat ze konden.

                Te Leest ging de pastoor op 7 augustus met de bedelstaf rond en bracht 747

                gulden 18 stuivers en 2 oorden bij elkaar in zijn parochie. Pastoor De Heuck

                tekende daarover het volgende aan :

                “Op den sevensten Augusti 1794, door den Pastor van Leest binnen sijne parochie

                geligt, op het versoeck van het Capittel Metropolitaen tot secours in de

                voldoening der quote van tagentachtig duysent guldens over de contributie,

                door de fransche natie op 17e Julii laatstleden geëyscht tot laste van Syne

                Eminentie den Aertsbisschop van Mechelen, op intrest tegens vijf guldens courant

                per cento, (dog en is op ’t inbrengen maer vier en thien toegestaen) geld van geld

                ontfangen door den voornoemden Pastor ende uytgedaen vooreerst” :

                waarna hij een lijst opgaf van alle personen die bijdroegen.

                Ieder had het zijne bijgedragen : de ene 200 of 100 gulden, een andere slechts

                enkele guldens of één maar, naar gelang zijn draagkracht.

                Van intrest op deze zogezegde lening wilden velen niet weten : wie leent aan de

                kerk, leent aan God.  

                Voor het eerst kon op kerstmisdag 1794 te Leest de gedurige aanbidding niet met

                plechtigheid worden gevierd : de Franse troepen waren op doortocht.

                Het was een stille kerstmis met een eenvoudige dienst in de kerk. De mensen

                bleven verder rustig bij de haard.

     

    1794 – “In 1794 heerste er een wrede hongersnood. Onder de hoofdoorzaken van de

                schaarsheid mag ongetwijfeld het “maximum”, aan hetwelk de granen

                mochten verkocht worden, geteld worden.

                Men wilde ook de onbeduidende aanvoer op de markten toeschrijven aan de vrees

                der landlieden, van hunne paarden en karren door de Fransen te zien aangeslagen

                worden. Doch langs een anderen kant moet de kwaadwilligheid ook haar deel in

                het rijzen der prijzen gehad hebben.”

                (Delafaille, p.184 – MK,p.265)

     

                De winter 1794-1795 was streng. Vele mensen leden honger omdat door de

                schaarste aan voedingsmiddelen een welig tierende zwarte markt ontstaan was. 17-02-2012 om 00:00 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1773 – 28 december : Benoeming van de  in Brussel geboren Simon De Heuck tot

                pastoor van Leest in  vervanging van de overleden J.F. Van Heymbeke en  op

                voorstel van de abdis  van Kortenberg.

                Weinige parochies bezitten een zo uitgebreid en met zorg samengesteld archief

                als Leest. Dat is in eerste instantie te danken aan pastoor De Heuck.

                Hij was geen kroniekschrijver maar bezat de feeling om zijn parochieregisters

                van interessante en juist gedoseerde aantekeningen te voorzien.

                Bovendien was hij begiftigd met een buitengewone energie en ijver.

                Onmiddellijk na zijn aanstelling organiseerde hij, per wijk, een “nieuwe

                heerdoptelling”.

                Datzelfde jaar, 1773, legde hij een nieuw overlijdensregister aan.

                Zijn grootste verdienste, op dat vlak, lag echter in het kopiëren van alle bestaande

                parochieregisters, toen die bij toepassing van de wet van 20/9/1972 in de loop van

                de maand augustus 1796 werden opgevorderd. Voortaan immers moest de

                burgerlijke overheid zelf de bevolkingsregisters bijhouden.

                De pastoor kopieerde vier doopregisters (aanvang 1599), drie huwelijksregisters

                (aanvang 1592) en drie overlijdensregisters (aanvang 1593).

                Anderhalve maand besteedde hij aan dit monnikenwerk.

                De oorspronkelijke kerkregisters berusten thans in het Staatsarchief te Antwerpen,

                de afschriften van pastoor De Heuck worden nog bewaard op de pastorij te Leest.

                Omdat hij weigerde de eed af te leggen aan de Franse republiek, werd hij, samen

                met zijn collega’s van Hombeek en Willebroek veroordeeld tot verbanning.

                Pastoor De Heuck dook onder en vond een schuilplaats in het Hof Ten Moortele

                in de Molenstraat.

                Drie jaar lang duurde deze toestand : de doden werden door de koster begraven en

                de  doopsels gebeurden in ’t geniep.

                Op 16 november 1800 kon hij, volgens zijn eigen notities, opnieuw in de pastorij

                en  zijn pastorale werkzaamheden hervatten.

                Maar ook nadien werd hij herhaaldelijk op het matje geroepen bij de Napoleon

                gezinde aartsbisschop de Roquelaure, omdat hij het spel van de Fransen weigerde

                mee te spelen.

                Pastoor De Heuck stierf op 28 mei 1812 op de leeftijd van 76 jaar 4 maanden en 29
                dagen.

                In 1948 werd te Mechelen door het Davidsfonds een stoet georganiseerd in het

                kader van 150 jaar Boerenkrijg.  In twee taferelen brachten Leestse verenigingen,

                onder leiding van Alfons Hellemans, hoe pastoor De Heuck uit zijn pastorij werd

                verdreven, een geslaagde evocatie van een stukje dorpsgeschiedenis.

                Kort na de fusie der gemeenten veranderden veel straten van naam, zo werd de

                Mechelbaan van dan af Pastoor De Heuckstraat. 

     

    1773 – Wat er allemaal te koop was in 1773.

                Een losse greep uit enkele aanbiedingen die in 1773 gepubliceerd werden in het

                “Wekelyksch Bericht, Aenkondigingsblad voor de stad en de provincie van

                Mechelen”, uitgegeven door drukker Joannes F. Van der Elst.

                “Schoone feyne canten voor manschetten ende coiffuren, oock diensigh voor alle

                priestersgewaet ende kerckelycke ornamenten.”

                “Te koop meubilaire effecten (goederen) , alsmede een buffet, staende horologie

                loopende 10 daegen, kaemerbehangsel,enz.”

                “Een wel geconditioneerde Brusselsche porcelijne kachel te koop : bruyn met wit

                gemailleert.”

                “Te koop seer schoone thulpen met de namen volgens de cataloge, bij Joannes

                Lutter, hovenier in de Meulestraat.” (GVA-15/5/1990)

     

    1782 – Het bovenste gedeelte van de kerktoren werd verbouwd in baksteen en witgekalkt.

     

    1783 – Bouw van het “Brughuis” aan de Zenne.

                Het huis werd gezet op de plaats waar in 1723 de woning stond van Martinus

                Willox. Die “huysstede” stond toen op 23 roeden (“Figuratief Caertboek” Jan

                Van Acoleyen – Kaartblad 3 Nr.1).
                Martinus Willox was een eerste maal gehuwd met Petronilla Bulens.

                Uit dit huwelijk werd op 17/11/1695 een kind geboren dat onmiddellijk

                overleed. Petronilla Bulens stierf de dag daarop. Martinus Willox huwde

                nadien op 21/2/1696 te Leest met Adriana Moortgat met wie hij 6 kinderen had :

                Catharina Christophora (°18/4/1697), Guilielmus (°12/8/1700), een doodgeboren

                dochter (°18/3/1704), Anthonius (°23/10/1705), Joanna (°13/2/1710) en Anna

                (23/2/1714).

                Op 18 juli 1860 kocht Joannes Franciscus Van Moer (geboren 1835) echtgenoot

                van Anna Francisca Peeters het Brughuis van zijn broer, Philippus Josephus

                Van Moer (geboren 1828 – onderpastoor te Mechelen).

                Op 21 oktober 1908 schonk Joannes Franciscus Van Moer het Brughuis

                aan zijn dochter Antonia Van Moer (geboren in 1863), echtgenote van

                Joannes Huysegoms.

                Op 3 januari 1911 kocht Josephus Albertus Apers het Brughuis van voornoemde

                Antonia Van Moer. Hij werd in 1919 de eerste zaakvoerder van de Boerenbond

                te Leest.

                Op 16 mei 1940 moest het gezin van Josephus Apers-Maria Victoria Neefs op

                bevel van het Belgisch leger het Brughuis verlaten. 

     

                Op 17 mei 1940 heeft het Belgisch leger de brug over de Zenne laten springen.

                Door de afwezigheid van de bewoners viel het Brughuis ten prooi aan plundering

                en liep het ook heel wat schade op door het springen van de brug.

                Een dossier wegens oorlogschade werd dan ook ingediend bij het Commissariaat

                Generaal voor ’s Lands Wederopbouw.

                Na de oorlog 40-45 lag de te herstellen brug op de Zennedijk.

                Hierin werd door o.a. Cesar Albert Apers (1918-1983) en beenhouwer Louis

                Croes (1910-1976) “Brugkermis” gehouden.

                Over de brug werd een dekzeil gespannen en tussen de beide voetpaden werd een

                planché  als dansvloer gelegd. Binnen deze “tent” werd dan een orgel geplaatst.

                Op 27 en 28 juli 1952 werd nogmaals een “Brugkermis” ingericht met o.a. een

                spiegeltent en tevens jazz bij Josephus Apers in de zaal van het Brughuis.

                In februari 1953 deelde het Brughuis in de klappen veroorzaakt door de grote

                overstromingen. De Zenne trad buiten haar oevers en het water liep langs voor

                het Brughuis binnen en langs de achterzijde naar buiten in de beemden.

                Soldaten bouwden toen een tijdelijke dam met zandzakjes (vaderlanderkens).

                Na het overlijden van Josephus Albertus Apers op 10 februari 1956 kwam het

                Brughuis in handen van zijn toen nog ongehuwde kinderen : Frans Lodewijk

                (1912-1985), Francisca Anna Maria (1913-1956)  en Jozef Frans Emiel Apers

                (1923-2002).

                Na het overlijden van hun zuster hetzelfde jaar bleven de beide broers de herberg

                met zaal uitbaten. Tijdens de kermis organiseerden zij zelfs het kermisbal in de

                zaal van het Brughuis. Zo hebben wij weet van o.a. het kermisbal op 21 mei

                1961 (Sinksenkermis).

                In 1961 verhuisde Jozef Frans Emiel naar Battel zodat Frans Lodewijk van dan

                af de enige uitbater bleef tot de sluiting in 1984.

                In 1982 werd een deel van de parking onteigend voor de verbreding van de

                Zennedijk. 

                Op 18 november 1985 werd het Brughuis door Frans Lodewijk en Jozef Frans

                Emiel openbaar verkocht.

                Eddy Apers op zijn website : http://users.telenet.be/eddy.apers/ (23/11/2006)

               

                Het Brughuis was tegelijkertijd herberg, winkel van bloem, veevoeders,

                meststoffen, steenkolen...

                Naast het huis was er  zelfs een klein dok, een inham van de Zenne, langswaar de

                boten de kolen aanbrachten. De deur van dit kolenhok is thans dichtgemetseld.

                Er was ook een feestzaal aan het huis, die fungeerde jarenlang als trefplaats voor

                de Boeren- en de Boerinnengilde, en de B.J.B. tot er te Leest een parochiehuis

                kwam. Het was eveneens in dit Brughuis dat in 1898 de fanfare “Arbeid Adelt”

                het licht zag.

                “...In de herberg met grote ronde tafel, gaven vouwdeuren toegang tot een

                zaaltje met bovenmuurbanken, de vensters met uitzicht op het voorhof en de

                rivier. Een wat smaller maar even lang als de dansvloer, op een meter boven

                kelders was een verhoog met balustrade, door aan de twee zijden langs vijf

                trapkens te bereiken.

                Als de vouwdeuren werden opengesteld, overzag men de hele ruimte van achter

                de tapkast van herberg en feestzaal, met beide een toegang voor koer en keuken.

                Een indeling van toen, folkloris maar met gebruiksvoorwaarde.

                Werd er gefeest, ’t was open en vrij, niet in de mouwen, de sfeer aanstekelijk,

                stijgend gloeiend...”

                (J.A.Huysmans – “Breugeliaans aan de Zennekant”, DB- Augustus 1979)
     

                Het “toponiem” brug vonden we terug :

                1347 -48 :”...item van de Brugghe te Leest te makene...” (SR)

                1366 -67 :”...item janne bogaert ende sine ghesellen van den palen ute te doene

                die int water stoeden voir de brugghe te Leest ende te Heffene...” (SR)

                1377 – “...prope pontem de Leest...” (LGM)

                1380 – “...in Leest prope pontem inte Warandiam et terram dictum Traghel...”

                (GM).

     

    1784 – Op 21 februari 1784 stierf Jan-Baptist Verbrugghen, echtgenoot van Anna

                Catharina Van den Brande, in den ouderdom van 40 jaar, 4 maanden en 13 dagen

                “ultimus sepultus in templo” (de laatste die in de kerk begraven werd).

                Er was immers een edict van Keizer  Jozef II (de “Keizer-Koster”) verschenen,

                waarbij streng verboden werd voortaan nog te begraven in kerken of kapellen, in

                bidplaatsen of andere overdekte gebouwen.

     

    1786 – Bij de jaarlijkse visitatie van de parochiekerk in 1786 werd geopperd dat de

                biechtstoelen helemaal uit de toon vielen, vergeleken bij de vernieuwde altaren en

                de prachtige preekstoel.

                Zo kregen Joannes en Francois Verreys een bestelling van twee biechtstoelen,

                samen met een houten “boisering of muurbekleding sluitende aen elcke seyde de

                cleyne authaeren alsooc de boisering aen wederseyde het portael soo noghtans

                dat er aen een seyde maer en behoort te sijn eenen toogh met sitting van de

                fabriquemeesters.”

                Deze werken voor een totaal van 730 gulden, kwamen klaar tegen 18 december

                1787. (WLS,blz.24)

     

    1788 – De grootste klok in de kerk (uit 1649) barstte op 19 september 1788 bij de

                lijkdienst van Joannes Bulens.

                Ze werd hergoten op kosten van de abdij van Kortenberg bij Andreas Van der

                Gheyn te Leuven, ditmaal zonder discussie met Kortenberg. Het was de

                zogenaamde “Tiendenklok” : Andreas, die gewijd zou worden op 19 januari 

                1790.

     

    1789 – In de nacht van 13 december 1789 moesten de Oostenrijkse soldaten uit de stad

                Mechelen vluchten.. Ze werden uit het land verdreven. Een nieuwe staatsvorm

                werd  door de Patriotten uitgeroepen : “de Republiek van de Verenigde

                Belgische Staten.” (Ward De Kempeneer ’t Ridderke nr.2-1998)

     

    1790 – De kleine klok “St-Nikolaes” uit 1608, hing gebarsten in de toren toen ze op 19

                januari 1790 door Jacobus Joannes Van de Voerde, Carolus Jozef Peeters en

                Carel Van Asch in ’t geheim werd in stukken geslagen, omdat de pastoor

                weigerde de klok te laten hergieten op kosten van de kerkfabriek. (WLS,blz.28)

     

    1790 – In december 1790 namen de Oostenrijkers opnieuw de macht.

                Niet voor lang want in november 1792 overschreed generaal Dumouriez met een

                leger Sansculotten onze grenzen en versloeg de Oostenrijkers te Jemappes op

                6 november. (zie verder)

    17-02-2012 om 00:00 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    16-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1751 – 23 januari : Franchoise Huys, Jacob Fierens wonen te Leest, Philip Huys zoon van

                Guilliam x Elisabeth Valkaerts ¼ in huis te Puurs Sauvegard 1 Cornelis Van

                Oostenrijck 2 Sherenstraete 3 Niklaes en Peter Apers 4 Cornelis Van Berckelaer,

                geerft door N°I van ouders Guilliam X Cornelia Staes.

                (Notaris Jan De Cock, Willebroek)

     

    1752 – 12 maart : Testament Jacob Van den Brande woont te Leest x Catharina De

                Haen, beiden gezond.

                (Notaris Jan De Cock, Willebroek)

     

    1753 – Dat jaar brak er nogmaals brand uit in de kerk. De oorzaak is ons onbekend.

                Achteraf gaf men 8 gulden en 10 stuivers uit aan een “drinkgelacht voor de

                wakers in de kerk nadat den brandt in de kercke geblust was”.

                De schade scheen niet aanzienlijk geweest te zijn, vermits er op dat tijdstip geen

                hoge onkosten in de rekeningen voorkomen.

     

    1755 – “Publiek schandaal te Leest 1755”

                Dat de gildebroeders van de boogschuttersgilde “Sinte-Sebastiaen” bijtijds

                hun pintjes verzetten, zal wel niemand verwonderen, vooral als men weet

                hoeveel “staminees” ons dorp toen telde.

                Dat dit soms opschudding verwekte in de “vrome gemeente” bewijst het

                REQUEST OVER DE ABUSEN IN DE PROCESSIE uit 1755, dat we

                Terugvonden tussen de oude Leestse archieven : Heilig Sakramentsdag 1755:

                Traditiegetrouw  gaat die dag de processie uit te Leest, met de gewone

                plechtigheid en eerbied. Nauwelijks uit de kerk gekomen, gebeurde iets

                ongewoons... Maar lezen we liever het origineel relaas van de gebeurtenissen

                in de officiele aanklacht die door een verbolgen pastoor Vanheymbeke na de

                feiten naar het bisdom wordt gestuurd :

                ...” Requestre(nvdr: officiele eis of aanklacht) over de abusen in de processie,

                verthoont ende deponeert met alle behoirlyck respect ende eerbiedinghe J.F.

                Vanheymbeke paster in Leest hoedat op den feestdagh van ’t Hoogweerdighe van

                den jaere 1755 de processie ter eere van het selfde in de kercke van Leest met

                behoirelyke eerbiedigheyt, godtvrugtigheyt ende met goet order begonst synde

                ende uytgaende tot op de plaetse voor het kerckhof door sekeren PHILIPPUS

                FIERENS  geswoornen der parochie van Leest ende vaendrager der gilde van

                Leest te saemen met eenighe gildebroeders syne aanhangers is geturbeert

                (turberen: storen) ende de devotie verstroyt,  mits :

                1. – desen cum suis (nvdr : met de zijnen, met zijn aanhangers) tegen alle

                eerbidigheyt schuldigh aen ’t Alderheyligste is gegaen uyt het order enden den 

                wegh der processie, ende sich van den coninck der gilde ende andere

                gildebroeders den wegh der processie voorderende, gesepareert ende

                gestelt heeft aen den slineke hande van de processie

                2. – staende de draegers van de kerckevaenen niet veer van dien voorscreven

                turbateur (nvdr: stoorder) waerschynelyck door syn commande, buyten het

                order ende wegh der processie.

                3. – dat sommighe van syne aenhangers de gildebroeders in goet order gaende

                in de processie hebben met den arm uyt dat order getrocken

                4. – de vaendraeghers van de kerckevaenen wederom voorgaende de processie

                ende den verthoonder met het  venerabel (nvdr : venerabel : het H. Sakrament

                dat in de remonstrans rondgedragen wordt) den wegh der processie  voorderende

                ende nauwelyckx deze turbateurs gepasseert synde is de trommel geslaghen,

                ende door order van dien principalen oock geluyt de twee andere mindere

                klocken, dewelcke niet en luyden met de groote klock tensy voor de overledene,

                ende dat tot verstroying van het volck mijnende dat het luyde voor iemant die

                overleden was.

                5. – Desen met syn aanhanghers sonder het alerheyligste te vergeselschappen,

                hebben op de plaetse blyven staen lachen ende gabberen de herberghe uyt en in

                loopende tot dat den verthoonder comende weder aen de kerck met het venerabel,

                neder geklient synde syn vaen op syn schouders gehouden sonder met het selve

                eenighe eerbiedigheyt aen ’t Hoogweerde voor hun passerende te bethoonen.

                6. – Terwijlen den verthoonder vervolghde den wegh der processie om de kercke

                soo is dien turbateur ende stoorder der godtvrugtigheyt in de kercke gegaen eer

                den verthoonder met het venerabel in de kerck ginck daer nochtans den coninck

                der gilde met de twee dekens en andere gildebroeders volgens oude gewoonte

                bleven knielen aen den inganck der kercke  gelyck hy volgens de gewoonte oock

                soude moeten doen hebben strijken syn vaen voor ’t Hooghweerdighe en alsoo

                niet voor maer achter het Hooghweerdigh in de kercke te comen...

                (Kerkarchief Leest : 34 f°75 en 76 – R.A.A.)

                Tot hier de aanklacht van de pastoor tegen Philippus Fierens aan het adres van het

                bisdom.

     

                Op 20 november van datzelfde jaar volgde het antwoord van het bisdom, de tekst

                was in het latijn opgesteld : de “zondaar” Philippus Fierens zal publiekelijk aan

                de pastoor vergiffenis moeten vragen voor het bedreven schandaal. Dan zal de

                zaak geklasseerd worden. Onderaan dit document schreef de pastoor : “de copie

                deser is door mij geinsinueert aen Philippus Ferens. Desen...april 1756.”

                (Georges Herregods – DB – november 1981) 

     

    1758 – 16 juli : Leest kreeg haar “Biegulde”. (Gijs-Thijs,reg 89,f° 83)

     

    1762 – “ In den eerse betaelt aan Zairinus Buelens de somme van 8 guldens in

                voldoeninghe van eenen waegen met drije peerden bespannen gelevert ’t hebben

                om van deze stadt naer Brussel te transporteren op den 11ste ende 12e november

                1762 de bagagie van Oostenrijksche militaire volckeren van oorloghe ende ditten

                advenante van vier guldens daeghs conforme de publique verpachtinghe daer van

                gedaen, hebbende alsdan gedient twee daeghen uytweysens sijne quittantie

                daer van sijnde dus hier de voorschreve somme van 8-0-0.

                Item betaelt aen den selven sesse guldens voor eenen wagen met twee peerden

                bespannen ten dienste van desen dorpe gelevert ’t hebben op den 19en ende

                20sten november 1762 om naer Brussel de bagagien te vervoeren van eene

                commande der artillerie tot drije guldens daeghs conforme de publique

                verpachtinghe hebbende alsdan gedient twee dagen dus hier bij sijne quittantie

                6-0-0.

                Item betaelt aan Jacobus Buelens de somme van 6 guldens voor eenen wagen met

                vier peerden bespannen gelevert te hebben op den 21en ende 22en december 1762

                om van deze stads naer de gene van Lier te transporteren de...

                Als protecteurs deser stads ende desselfs district bij preallabel ordre ende kenisse

                van mijne heeren wethouderen dien aengaende aen den selven Meijer in Polliceij

                Caemere gegeven. Dus bij bepartitie ende quittantie de somme van...”

                (Generaele Waegenvrachten – onvolledig document van 1762)

     

    1765 – 2 mei : Marie-Louise Augustine de Robiano ontvangt van Jan Judocus De Trieu

                en diens echtgenote Maria Magdalena Dorothea De Fraye 4.000 gulden tegen een

                jaarlijkse rente van 160 gulden of  4% bij preciese betaling verlaagd tot 140 g. Of

                3 g. 10 st. Bepand op een hoeve met huizing, schuur, stalling en andere edificiën,

                boomgaard, mestput met het aanliggend land onder Leest ; nog op 12 bunder 45

                roeden land onder Leest en Heffen en op 1 dagwand land “het Beplant Plaatsken”.

                Ze geeft procuratie aan Frans Walravens.

                (Zegels van Andreas Jozef Otté, Rombout Van den Male) (MS)

     

    1772 – Tijdens de regering van Keizerin Maria Theresia (onder de Oostenrijkse

                Habsburgers) werd in 1772 een ordonnantie uitgevaardigd waarbij de verplichting

                werd opgelegd meer intensief aan de landbouw te werken en in het bijzonder de

                braakliggende gronden en heiden te ontginnen.

                Dit kwam onze landbouwbevolking zeer ten goede, niet in het minst in de

                omgeving  van Mechelen. Ook Leest zou er wel mee varen. In die tijd immers is

                men in onze streken begonnen met de uitgebreide teelt van de aardappelen.

                De aardappel, thans onmisbaar volksvoedsel, was toen weliswaar in Europa al een

                hele tijd bekend, (in 1580 werden voor het eerst twee struikjes aardappelen in de

                tuin van Pitsemburg te Mechelen geplant) doch verscheen slechts omstreeks 1740

                in grote hoeveelheid op de markten van Vlaanderen.

                Dit gebeurde nog voor de Franse agronoom Antoine Augustin Parmentier

                 (1737-1813) de kultuur van de aardappelplant in Frankrijk zo populair maakte.

                Het nieuwe, gezonde en goedkope volksvoedsel kon op de dan ontgonnen

                gronden overvloedig worden gekweekt. Een nieuwe bron van welvaart was

                ontdekt. (Hendrik Diddens in Gazet van Mechelen – Leest in de spiegel van het

                verleden)

     

    1773 – Heerdoptelling : de gemeente Leest telde 173 huisgezinnen, met 706

                communicanten (d.i. personen boven de leeftijd van 12 jaar, die dus hun eerste

                communie hadden gedaan) en 271 niet-communicanten of kinderen beneden de

                12 jaar.

                In het totaal waren er dus 977 inwoners te Leest. (Hendrik Diddens – Leest in de

                spiegel van het verleden)

    16-02-2012 om 15:07 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

     

    1736 – 25 januari : Antoon De Maeyer woont Puurs gewezen voogt der wezen van

                Antoon Peeters x Barbara De Maeyer, Jan Peeters woont te Leest kocht van de

                erfgenaam land te Willebroek.

                (Notaris Jan De Cock, Willebroek)

               

    1737 – In 1737 was de pastorij zodanig aan het vervallen dat pastoor Van Heymbeke een

                oproep deed tot de abdij van Kortenberg om de pastorij te laten restaureren.

                Vermits dit klooster de inkomsten van de parochie opstreek, moest het ook

                instaan voor het onderhoud van pastoor, kerk en pastorij. Het klooster hield zich

                echter van de dove. Zo kwam het tot een proces  tussen de pastoor van Leest en de

                abdis van Kortenberg over de kwestie wie de herstelling aan de pastorij diende te

                betalen.

                Dit proces begon aldus :

                “Het pastoreel huys is in zoo slechten staet dat de daeken drijgen in te vallen, de

                gevel drijgen te beswijken ende den kelder des winters vol waeter staet, ende de

                vensters en solders veroudert ende verrot. Daerenboven is het voorseyde huys soo

                cleyn ende vernepen dat den heere Pastor genootsaect is te slaepen onder het

                dack, uytgestelt aen coude, windt ende hitte ende andere ongemacken,...”

                De herstelling werd geschat op 1.600 gulden. De zaak kwam voor de Grote Raad

                van  Mechelen en na lang aanslepen kwam de beslissing op 4 april 1742 : de

                reparaties kwamen op kosten van de abdis van Kortenberg. De pastorij werd

                grondig hersteld en hoger opgetrokken.

     

    1739 – De tweede klok (van 1649) barstte in 1739 en werd hergoten door Lambertus

                Franquin uit Mechelen, op kosten van de parochie. Ze werd gewijd op 11

                december 1739 en kreeg de naam Maria.

                Roger W. Borguelmans, meier van het distrikt Mechelen, was peter en Amelia

                Reyntjens, echtgenote van Philipus Fierens was meter.

     

    1740 – Leest telde dat jaar 759 inwoners. (DB, nr.11-1958)

     

    1741 – In de nacht van 15 op 16 februari 1741 werd er ingebroken in de sacristij.

                De dieven verdwenen met een aanzienlijke buit : een kostbare vergulde zilveren

                ciborie, een zilveren kelk, een zilveren pixis om de communie aan de zieken

                te dragen, een paar zilveren chrismapotjes en al het lijnwaad dat voorhanden was.

                Enkele dagen later kwam de reaktie van het bisdom onder vorm van een brief,

                voor te lezen in de kerk : “Wij komen te verstaan dat abominabele booswichten

                in de sacristije der kercke van Leest ingebroken hebbende aldaer gestolen hebben

                niet alleenelijck alle lijnwaet, maar ook de HH.Vaeten, hebbende met hun

                onsuyvere handen daer uitgestort de HH.Oliën, jae oock   (O schroomelijk

                schelmstuk) het heylich der heyligen...”

                Het bisdom stelde dan verder voor op de eerstvolgende zondag, 18 februari, te

                Leest een publieke biddag te houden met “uitstelling van het sakrament en met

                processie om te vercrijgen dat de goddelijke barmhertigheyt de vreese en

                benautheyt aenjaege aen sulck booswichetelijck gespuys...” Wie de biddag

                meemaakt krijgt veertig dagen aflaat. (WLS, blz.15)

     

    1741 – September : 75 sterfgevallen van de rode loop. (Sermoenen van pastoor Joris)

     

    1746 – 14 april : Peter Apers zoon van Cornelis woont te Leest sterk voor Elisabeth

                Corens zijn moeder afwezig en voor Adriaan zijn uitlandige broer, huurt van huis

                te Ruisbroek 2 Guilliam De Maeyer 2 de Hoogstraat 3 de kapel van St. Catharina

                en Gerard Verhelst 4 het goed van het gasthuis van Antwerpen.

                (Notaris Jan De Cock, Willebroek)

     

    1747 – In de periodiek “De Band” publiceerde Georges Herregods in het nummer van

                december 1981 het proces van Joanna “Jaske” De Ridder uit Willebroek die tegen

                de lamp was gelopen na verschillende geestesbezweringen.

                Zijn bronnen : Kerkarchief  Leest nr.29 – 31 (Rijksarchief Antwerpen),

                Parochie-Archief Leest nr 41 en 42, (Parochieregisters) nr 51 (status animarum)

                en het Kaartboek van Jan van Acoleyn – 1723.

     

     

                                       Een Heksenproces te Leest.

     

    “...In deze omtrent de maent van mey in het jaer 1747 in den stal van Berbel Vermeylen weduwe van wijlen Christiaen Lauwens woonende in de parochie van Leest, eene van

    haere koyen sieck synde, om te weten d’ oirsaeck van die sieckte heeft doen roepen eene 

    sekere vrouwe gemynelyck genaemt de Sias oft Jaske woonende onder de parochie van Willebroeck.

    Dese omtrent tien uren morgens aldaer gecomen synde, is gegaen in den stal van de verseide weduwe, ende heeft geseyt dat op die siecke koye eenen geest sagh sittende in de gedaente van een wit konijn : dit geseyt hebbende issy gegaen in huys seggende den geest niet te connen doen spreken tensy ten twelf uren van den dagh oft van den nacht ;

    omtrent twelf uren van den dagh is sy wederom gegaen in den stal ter presentie van de voorscreve weduwe, haren soone Gillam Lauwens, Annemi Lauwens haer dochterken, ende Jenna Kauwenbergh.

    In den stal synde heeft doen ontsteken de geweyde keersse, doen bybrenghen geweyt water, doen lesen de vrijdaegse en saterdaegse letanien, seggende aen Janna Kouwenbergh leserse der geseyde letanien : siet wel toe dat ge geen woorden van de letanien en mist oft den duyvel sal u den hals breken.

    Terwylen dat se in den stal waeren ist geschiet dat de gewyde keerse gebroken is, waerop die Jas geseyt heeft : nu siet ge wel dat hier eenen geest resideert aengesien de keerse breeckt.

    De letanien geeyndight synde heeft dese Jas geweyt water geworpen naer de siecke koye ende geseyt dat se den geest , den welcken sy te voren in de gedaente van een wit konyn hadde sien sitten op de koye nu sagh in de gedaente van eenen mensch sonder beenen, ende heeft tot den geest geseyt : syde van Godtswegen spreckt, syde van duyvelswegen wyckt, waarop den geest tot haer (de andere tegenwoordighe niet hoorende spreken) geseyt heeft : ick ben den geest van Christiaen Lauwens den man van de voorseyde weduwe nu overleden elf à twelf jaeren, daer moeten tot Hanswyck gehoort worden 2 gelese missen dry bedewegen gedaen worden naer Heyendonck, twee naer Calfvoert, eenen naar Peuti, eenen naer Brussel in de Savelkercke, drij naer Sinte Rombouts Capelle, ende eenen naer het capelleken van den boom buyten d’Echerspoelpoort alwaer moeten gelesen worden 22 vaderonsen.

    De weduwe heeft van deze Jas gevraeght hoeveel sy daer voor hebben moest, dewelcke gevraeght drij per misse schellingen dewelcke haer van de weduwe gegeven zijn.

    Twee maendt daernaer omtrent den hoist de weduwe sieck sijnde heeft deselve Jas wederom doen roepen om van de selve te weten welck d’oirsaeck was van haer sieckte, is daer gecomen omtrent elf uren aen het bedde van de voorseide weduwe ende heeft geseyt aen de sone Gillam Lauwens, oft hij den geest van synen vader in de gedaente van eenen man niet en sagh waer op hij antwoorde : nee, waerop sij wederom seyde dat sy hem sagh sitten op het hert van sijne moeder in de voorscreve gedaente. Omtrent twelf uren heeft se de gewijde keerse doen ontsteken, doen lesen de letanien van vrijdags ende saterdags dewelcke gelesen sijnde heeft se weyde water gesproyt ende eenighe woorden gesproken tot den tot den geest die de tegenwoordighe niet en verstonden, ende oock ten lesten geseyt tot den geest : sijde van Godtsweegs spreekt  ende seyde van duyvels weghe wijckt.

    In de tegenwoordigheyt van den siecken, van Gillam Lauwens ende Jacobus Bulens, Annemi Lauwens.

    Dit geseyt hebbende heeft geantwoordt dat tot Heyendonck moesten geschieden drij gelese missen, ende dat daerom bij haar quamp om van haer geholpen te worden ende dit

    gedaen sijnde dat den geest dan saligh was, ende sy heeft oock tot de siecke geseyt, dat nu noch in tijdt was, ende waerthat de siecke voor 24 uren gewaght hadde van haer te roepen, dat er seker soude gesterven hebben. Twee schellinghen.

    Omtrent Bamis de tweede koede van Berbel Vermijlen sieck sijnde is de geseyde wederom gehaelt en gecomen omtrent tien uren in huys,ende weynigsken geseten hebbende is gegaen in den stal, ende seyde dat sij den geest sagh in de gedaente van een vrouwpersoon  sittende op de koede gecleedt met grouwt lijfken hebbende verrimpelt aensicht ende brandende ooghen in het hooft dan isse wederom in huys gecomen seggende den geest niet verder te connen spreken als ten twelf uren.

    Die uer gecomen sijnde isse naer den stal gegaen daer bij sijnde Gillam Lauwens, Berbel Vermijlen, Anne Mi Lauwens, Cornelis N. Heeft doen ontsteken de geweyde keerse, doen lesen de vrijdaeghse ende saterdaeghsche letanien. De welcke gelesen sijnde begonst sij te lesen ende eenighe woorden te spreken de welcke de tegenwoordighe niet en verstonden ende die woorden gesproken sijnde heeft se geweyt water geworpen naer den geest ende geseyt sijde van Godtweghe etc... ende heeft den geest gevraagt hoe sij hiet, ende  heeft geseyt dat se was de moeder van de weduwe.

    Den geest geseyt hebbende wie hij was, soo heeft sij gevraaght tot wat eynde sij daer quamp, waarop den geest geantwoordt heeft, dat se daer elf jaeren geresideert hadde, ende gevraeght sijnde wat sij versocht, heeft geantwoordt datter twee gesonghe missen moesten gehoord worden tot Caffvoert, een gelese misse tot Halle gehoort worden ende den geest heeft geseyt dat dandere kinderen dien last moesten helpen draghen : gegeven twee schellingen...”

     

    Deze feiten kregen een staartje : “Jaske” werd opgesloten en veroordeeld tot twee jaar boeteklooster, met nadien de gebruikelijke publieke vergiffenis :

     

    “...In de saecke van officie voor ons gevoert ende ongevonnist hangende tusschen den promotor van ons Hof aenklager van den eenen cant, ende Joanna De Ridder verlate huysvrauw (gelijck sij seght) van Joannes Adriaenssens van den anderen cant ;

    de acten hier van gesien hebbende, op alles wel gelet sijnde ende rijpelijck alles overwogen hebbende besonderlijck verschijde haere antwoorden ende belijdenissen, ende haere ootmoedighe onderworpinghe soo antwoordende op den beschuldigende boeck van den promotor als op onse verbale ondervraginghe uyt officie gedaen, aenroepen hebbende den naam van Christus, met raet ende toestemminghe der rechtsgeleerde, definitivelijck recht doende, declameren wij, de geseyde gevangene overtuyght te sijn, dat sij van over veel jaeren de siecke menschen ende beesten heeft trachten te exorciseren oft belesen, ende dat sij vermetelyck getal te licht geloovende volck heeft wijs gemaeckt de voorseyde menschen ende beesten van eenighe vremden geest beseten te sijn, ende dat sij haer selven geveynst heeft ende een andere bedrigelijck geseght heeft, dat se dien sagh onder verscheyde gedaente van een conijn, dwijf ende menschen van over lanck gestorven, dat sij dien aensprack ende dat hij haer antwoorde, tot dien eynde misbruyckende de ceremonien ende gebeden der kercke, met een ijdele oplettentheyd van tijdt ende met een groeter ontsteltenisse van haer selven als van het bijstaende volck, ende dit niet alleen in de parochie van Willebroeck alwaer haer wooninghe is, maer oock in de bijgelegene en veer afgelegene parochien : besonderlyck in de parochien van Leest, Heffen, Hombeeck ende Schriecke ;

    hierom vonnisse wij de gedaeghde, dat sij provisionelijck van de plaetse haerder gevangenisse sal gebraght worden in ’t Huys van ’t H. Cruys bij de vaert in dese stadt, ende om aldaer over alle haer geseyde uytsporigheden een waere ende oprechte penitentie te doen, ende tot dien eyndesal sij met den eersten aen een geapprobeerden Bichtvader doen een algemijne bichte van altemael haer sonden, sal een geheele maent over ander daghs vasten in het broodt van quelling ende int’ water van droefheyt, ende dat se provisionelijck sal besorghen ende sonder uytstel door den mont van Eerw.Heeren pastoors der geseyde parochien sal doen vergiffenis vraghen van ’t scandaele van haer gegeven, met gelofte van in ’t toecomende diergelijcke saecke niet meer te doen, dat se alle maenden te minsten soo lanck als sij in dat geseyt huys blijven sal, sal doen aen den geseyden geapprebeerden bichtvader eene sacramentele Bicht ende alle vrijdaghen op den tijdt van haer verblijvinge sal herhaelen den vasten in’t broodt van quellinghe ende int water van droefheyt, dat se voor de twee jaeren niet en sal losgelaten worden ende dat op een geen andere conditie als dese dat als wanneer sij sal wederom gekeert sijn naer haere wooninghe, dat sij op den sondagh immediatelijck volgende op gebooghde knien, ende een keerse van geel coleur hebbend in haer handen vant’beginsel der Hooghmisse tot eynde op eene plaetse gesepareert van d’andere sal stellen, ende de vergiffenisse, dewelcke provisionelijck door den mondt van haeren Eerw.Heer Pastoor gevraeght hadde, self tegenwoordigh sijnde met haeren mondt sal hervraghen ende sal bekennen dat sij het al te light geloovende volck met haere superstitien bedroghen heeft, ende dat sij meyt uyt haere parochie op wat pretexe dat het soude moghen wesen, en sal gaen sonder oorlog van haere Heer Pastoor, ende dat sij aen hem ten minste alle maenden sacramentelijck sal biechten ende volgens sijn voorscrijvinghe sal entfanghen het lichaam van ons Heer...”

     

    Bij het verlaten van het dorp, op de Tisseltbaan, eventjes voorbij het kapelleke van de Boerinnegilde, stonden in 1747 twee huizekes : het eerste werd bewoond door Gilliam Bradt, het tweede door het gezin Christiaen Lauwens – Barbara (Barbel) Vermijlen. Dit laatste huisje stond ongeveer op de plaats waar later de weduwe Emiel Baetens zou wonen.

    In dat boerderijtje vonden deze feiten plaats (geestesbezweringen).

    In 1747 was vader Christiaen Lauwens elf jaar gestorven (23/11/1736), hij had zijn vrouw Barbel twee kinderen nagelaten : Guillam en Annemie.

    Bij ziekte van mens of vee deed Berbel telkens beroep op een zekere Joanna De Ridder (“Jaske”) uit Willebroek.

    Guillam Lauwens huwde nadien met Joanna Van Campion en betrok het naburige huisje van Gilliam Bradt. Dochter Annemie Lauwens trouwde met Jan Steenmans en bleef bij haar moeder wonen. Dit jonge gezin kreeg twee kinderen : Petrus (1766) en Jacobus (1778). Berbel Vermijlen overleed er op 22 januari 1775 op de leeftijd van 77 jaar 7 maanden en 11 dagen.    (Georges Herregods)

     

    16-02-2012 om 11:08 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1713 – Door de overeenkomst van Utrecht  werd Karel van Oostenrijk onze vorst.

                Voortaan sprak men van de Oostenrijkse Nederlanden.

                Dit zou duren tot 1794,  tot aan de bezetting van onze contreien door de Fransen.

               

    1721 – Op een lijst  van de schepenen van Mechelen betreffende de terechtgestelde

                personen tussen 1366 en 1795 vonden we in 1721 een Leestenaar terug, een

                zekere Christoffel Roelants. Hij werd veroordeeld tot de galg.

                De reden bleef ons onbekend.

                (Nr.15.688 van de Schoutsrekening – 5 Eeuwen Stedelijk Strafr., L.Th.Maes)

     

    1723 – Dat jaar telde Leest 674 inwoners.

     

    1723 – Joannes Franciscus Van Heymbeke volgde pastoor Van den Male op en dit tot

                1773. Hij was te Brussel geboren en ligt samen met zijn zuster begraven in de

                rechterzijgang van de kerk.
    xml:namespace prefix = v ns = "urn:schemas-microsoft-com:vml" />            Van augustus 1727 tot mei 1728 bediende hij ook de parochie Hombeek.

                Gedurig had hij last met de Kortenbergse abdis om op haar kosten zijn

                Leestse pastorij te laten herstellen. Zo schreef de rentmeester op 21 juli

                1753 aan het bisdom : “Ick verliese mijn couragie als ick hoore dat onse

                Eerweerdighe Mevrouwe soo overvallen wordt, ick vreese dat sy daer

                nogh haeren beck sal in laeten...”

                Toch haalde de pastoor het telkens en bekwam hij zelfs dat er een nieuwe

                pastorij zou komen. Wat met twintig jaar uitstel ook gebeurde.

                De laatste jaren van zijn pastoorschap moest het hoogkoor herbouwd worden.

                Dat hij tegelijk mee het interieur liet venieuwen, was feitelijk onnodig.

                Maar ja, de barok was in...en zo deed men beroep op Pieter Valckx en

                Lambert Jozef Parrant.

                Jan Van Heymbeke overleed te Leest op 12 april 1773.     

                (Wilfried Hellemans, “Pastoors Gevraagd”, ’t Ridderke nr.2, 2004)       

     

    1723 – Dat jaar ging landmeter Jan Van Acoleyen, op verzoek van de

                “geswooren der prochie Leest” Hendrick Selleslach en Jan De Laet,

                over tot de “generaele metinghe ende caertboeck der prochie van

                Leest...”

                Dit kaartboek bestaat uit tien kaarten waarop elk huis en elk perceel

                grond aangeduid is met een nummer en een daarbijhorend register

                met de namen van de eigenaars en de grootte van elk stuk grond.

                Dit “Caertboeck” van Leest wordt bewaard in het Rijksarchief te

                Antwerpen, onder Gemeentearchieven van Leest en is getekend en

                geschilderd op perkament. Een zelfde kaartboek, ditmaal samengebundeld

                met dat van Heffen en getekend op papier is te vinden in de Koninklijke

                Bibliotheek te Brussel, bij de Handschriften 5396 nr. 18112.
     

    1726 – “...sesse daghwanden landt geleghen onder Leest in den Leestschen Cauter

                genoemd Annekensblock”. (GM)

     

    1729 – “Contribueren de parochianen tot het doen maeken van een schoon horologie op

                den toren der kercke, eenieder met de somme die hij zal believen te geven”.

                Eenenzeventig Leestenaars waren goed voor een bijdrage van 254 gulden 19

                stuivers. Wij willen u hun namen niet onthouden :

                Pastoor Van Heymbeke, Jan Peeters, Philippus Fierens, Hendrik De Laet, Pauwel

                Van Fransen, J.F.Elias, Gulliam en Cornelius Puttemans, Gilliam Heeremans,

                Geeraert Fierens, Gulliam Homerese, Niclaes Dekeyser, Jan Gillis, Jacques

                Sleubus, Jan Van Hoof, Jan Van Asch, Jacobus Servranx, Jan Verbrugghen,

                Ferdinand Selleslagh, Peeter De Laet, Peeter Bulens, Sebastiaen Verschuren,

                Romboudt Bulens, Gilliam Buelens, Jan Diddens,Gillis Bogaerts, Mattheus Van..,

                Jacques Elias, Peeter Van Asch, Gilliam De Laet, Adriaen Vercammen, Jan

                Verhoeven, Matthijs De Wit, Anthoon Van Merchtem, Jacques Feremans, N

                Peeters, Ferdinandus Peeters, Jan Wellens, Jan Nieuwlans, Livinus Moirtgat,

                Jacques Peeters, Jan Veruijschen, Martinus Bulens, Jan Coppene, Adam Putters,

                Joos Lauwens, Jan Lauwers, Gisbert Scher, Anthon..., Jan Lambergh, Peeter

                Fierens,  Jacques B..., Andries Diddens, Francies Bulens, Jan Verlinden, Bertel

                Vermijlen, Peeter Vloebergen, Adriaen Lauwens, Mijnheer Caimp, Govaert

                Jacobs, Cannonick Marmillon, Jan Dewit, Francis Bulens, Peeter De Laet en

                Anthon Coekelbergh.  

                Voordien stond er een zonnewijzer op de toren, hij was er geplaatst in 1680.

                Voor de plaatsing van dit kerkuurwerk maakte timmerman Jacobus Van Camp

                op  de zolder van de toren “een huysken voor de horologie”.

                Meester plakker Jan Van Coppenhol mocht bij deze gelegenheid de toren bezetten

                en  witten “met kalck als lackmoes als andersints”. Niet alleen de toren, maar de

                gehele kerk werd dat jaar in het wit gezet.

                (WLS, blz.19)

     

    1729 – Regels Broederschap Sakrament des Autaers. Gedrukt reglement van deze

                broederschap. (Kerkfabriek)

                Pastoor Van den Male richtte (ca 1700) de oudste Leestse broederschap op : die

                van het Allerheiligste. Haar gedrukt reglement verscheen zowat drie decennia

                later.

                (Wilfried Hellemans, 2003 – “Negen eeuwen Sint-Niklaasparochie”)

               

    1730 – Leest telde 719 inwoners.

     

    1733 – 29 december : Niklaas Van Kiel  en zijn echtgenote Catharina De Drijver

                confirmeren voor de schepenen van Mechelen de notarisakte, waardoor ze ter

                rente van het klooster van Leliëndael hebben 1.000 gulden ten penning 16, of in

                geval van preciese betaling tegen 3 g. 10 st. ten honderd, bepalend op 6 dagwand

                beemd “de Halsbergen” onder Leest. (MS)

     

    1735 – 21 mei : Vernieuwing van het reglement van de “Gulde vanden

                handbogheschutters binnen den dorpe van Leest”.

                In 1928 vond mevrouw Voet op haar zolder een bestoft, beschadigd perkament.

                Het werd hersteld in het Koninklijk Staatsarchief en thans bewaard op de pastorij.

                Het onderschrift van deze uit 37 artikelen bestaande “rolle” luidde :

                “ Dese voorschreven Rolle ende Ordonnantie is bij mij onderges. als Hooftman

                van de Gulde van den Eedelen hantboghe binnen der stadt van Mechelen naer alle

                oude Costuijmen ende Usantiën alsoo vernieuwt ende aen die van Leest verleent,

                op heden den 21 Mey 1735.

                            P t P Roose, Baron van Leeuw”.

                In het Rijksarchief te Antwerpen is nog een ouder afschrift van dit reglement te

                vinden, zie jaar 1647.

     

    1735 – Enkele toponiemen uit het ”Pachtboek van juffrouw De la Rue, Mechelen” over  

                de jaren  1735 – 1785 (origineel eigendom van J.Buts-Heist o/d Berg) en allen

                op grondgebied Leest :

                “...item  stuck lant genaemt het “Leliendaels Bunder”  op den cauter...”

                “...item stuck lant genaemt “de Sesse Dagwanden” op den Cauter...”

                “...item een stuck lant eertijts bosch,genaemt “het Bremken”...”

                “ ...item een stuck lant genaemt “den Hooghacker”...”

                “...item een stuck lant genaemt “den Zelinck”...”

                “...item een stuck lant “het Eerste Duijckensvelt”, tegen den Hoeck...”

                “ ...item een stuck lant genaemt “het Twee Duijckensvelt”...”

                “ ...item een stuck lant geheeten “hetDerden Duijckensvelt..tegens den

                Draeijboom..”

                “...item een stuck lant “den Groenen Wegh”genaemt...”

                “...item een stuck lant genaemt “de Drij Honden” onder Leest...”

    16-02-2012 om 08:18 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1691 – 31 januari – Schepenbrief van Mechelen : Elisabeth Van Hoof, weduwe van Joris

                De Hont ontvangt van Peter De Kegel en Joanna De Hont 200 gulden kapitaal

                tegen een jaarlijkse rente, verzekerd voor het derde deel van het huis “de Drie

                Vriessen” in de O.L.V.straat.

     

    1692 – 29 december : “De meyer Jan Bouxstuyns voerbaen soude bedienen de meyerije

                van Heffen, Leest, Hombeeck, Battel, Auweghem ende Geerdeghem”.

                (Geschiedenis van Hombeek, blz.31)

     

    1693 – “Omtrent het jaer 1693 is tot Mechelen eerst in gebruyck gekomen het drinken

                van het Lovensche Bier.

                De eerste herberg waer men dit bier tapte was “In ’t Uylenkotje” genaemd, in de

                Onze Lieve Vrouwestraete, alwaer dagelijks vele advocaeten, doctors en andere

                die tot Loven gestudeert hadden, die kwamen drinken.

                De tweede herberg was in het “Vlasch-Bloemeken” en de derde in het

                “LEESTJEN” in de Cathelijne straete. (huisnummer 89)

               Het eerste Lovens bier, dat aldaer getapt werd, was zoo sterk dat de luyden met

                drij pinten te drinken zoo dronken waeren dat men hen thuys moeste voeren.”

                (Mechelse Kronieken)

     

    1694 – Joannes Anthonis Van den Male volgde pastoor Gijsens op van april dat jaar tot

                aan zijn dood  op 22 februari 1723.

                Hij ligt begraven in de linkerzijgang van de parochiekerk.

     

     

    1699 – 4 april : Willem De Wint bekent dat de Putterie hem 200 gulden heeft

                overgemaakt tegen 12 gulden 10 stuivers intrest op 5 dagwand land onder Leest.

                (MS,nr.4823)

     

    1701 –                           De Sint-Jozefskapel

              

                Bouw van de Sint Jozefkapel in de Dorpsstraat. Dit gebeurde grotendeels op

                kosten van pastoor Van den Male en enkele vrijgevige parochianen. (DB-1958)

                In het Mechelse stadsarchief ligt een schets van deze kapel in 1790 met volgende

                tekst :

    xml:namespace prefix = v ns = "urn:schemas-microsoft-com:vml" />           “St-Josephs-Kapel. Deze kapel wierd gebouwd omtrent 1690 door den

                Eerweerden Heer Joannes Antonius Van de Maele, pastoor te Leest ; denselve

                die het godshuys van de H.Magdalena in den ham begiftigde.

                De kapel wierd onder het fransch schrikbestuer afgeworpen omtrent 1798.

                Doch is later wederom opgebouwd op de oude fundamenten opde zelve wijze

                bijna als zij te voren was”.

     

                Deze bouwdatum was  foutief vermits deze pastoor Leest vervoegde in 1694...

     

                In Gazet van Mechelen van 18 september 1959 publiceerde J. Uytterhoeven

                volgende bevindingen over de Sint Jozefskapel :

                 “Tussen Leest en Tisselt, aan de zoom der oude Romeinse buurtbaan die aldaar,

                en nu nog in de dorpskom van Tisselt Hoogstraat heet, en die niets anders is dan

                het vervolg der Oude Leestse Baan die, over de Warande van Mechelen komt,

                staan er twee oude en schilderachtige kapellen : de Sint Jozefkapel op Leest en de

                Hoflandkapel op Tisselt.

                De St-Jozefkapel is eigenlijk nog gelegen in het dorp Leest zelf, links van de

                steenweg naar Tisselt, op nauwelijks 200 m van de kerk.

                Deze kapel is in baksteen gebouwd, maar alles is beplakt en wit geverfd. Boven

                de ingang komt een arduinsteen voor waarop tweemaal geschilderd werd “Maria,

                help ons in allen nood”, heden schier niet meer zichtbaar. 

                In de rechterzijmuur komt een steen voor met een jaartal dat echter niet meer te

                ontcijferen is, doch waarschijnlijk het jaar aangaf waarin de kapel, na de Franse

                revolutie, gerestaureerd werd.

                Voor de ingang staat een oude linde.

                Van binnen is de kapel geheel gewitkalkt, van weerskanten en tamelijk hoog, een

                getralied venster met negen ruitjes die echter heden bijna tot de laatste door het

                keuteljacht met steenworpen kapot zijn gekegeld. Binnenwaarts is de kapel 3,50

                bij 4,50 m. De oude deur voorzien van een getraliede opening en van een

                offerblok is, aan de binnenkant beslagen met een metalen plaat en sluit met een

                zeer oud slot.

     

                Wanneer men even door de getraliede deur kijkt staat men enigzins verwonderd

                over wat er daar binnen te aanschouwen is. Men ziet daar een houten

                Renaissance-altaartje dat zonder twijfel speciaal voor deze kapel vervaardigd is

                geweest. Het retabel vormt een troontje waarop drie oude gepolychromeerde

                beeldjes staan, de H.Familie voorstellend en het staat vast dat deze beeldjes

                vroeger in de processie gedragen werden.

                Op de altaartafel staan aan weerskanten twee houten verzilverde kandelaars. Op

                de antipendiumplank staat het monogram van O.L.Vrouw geschilderd. Maar op

                de altaartrap staan twee reusachtige en voorzeker oude houten beelden, geheel wit

                geschilderd. Links St-Jozef, rechts St-Niklaas en dit is zo maar geen toeval want

                St-Niklaas is de eerste patroon van de parochie en St-Jozef de tweede.

                Deze beelden zijn alvast geen knoeiwerk, ze hebben een zekere allure en doen aan

                werk van een Fayd’Herbe denken. Beide beelden komen vermoedelijk uit de kerk,

                want voor de kapel zijn ze veel te groot.

                Dit vermoeden wordt alvast versterkt door het feit dat er in een kerkrekening van

                Leest, zo maar uit het jaar 1597, de volgende post voorkomt : item betaelt voor

                Het repareren van een Sint Niclaes, te maken een hant metten staf ende het

                cuypken met de drij kinderkens II gulden VIII stuivers.

                Beide beelden zijn veel te mooi om ze daar langer aan de vernielzucht van het

                keuteljacht prijs te geven, want de kapel schijnt niet meer onderhouden te worden.

                Al wat we weten is dat de kapel er reeds stond in 1702, als blijkt uit een toelating,

                op  23 augustus van dat jaar door aartsbisschop Humberto a Precipiano verleend,

                om in de Sint-Jozefskapel te Leest wekelijks een mis te lezen.

                Er is ook spraak van in een vragenlijst in 1716 voor het kerkvisiet voorgeschreven

                door aartsbisschop Thomas Philipp d’Alsace de Bossu.

                Uit nagelaten nota’s van pastoor J. Van Heymbeke in 1744 en door pastoor De

                Heuck in 1774 blijkt dat de kapel is begiftigd geweest door baron de Spangen en

                vrouwe wwe. de Saint Roman Koninxsteen om er ’s zondags en op de feestdagen

                mis te lezen.” (GvM 18/9/1959)

     

                Op 6 februari 1974 deed pastoor Lornoy bij veldwachter Van Hoof aangifte van

                inbraak en diefstal in de Sint Jozefkapel. Hij ging er van uit de de diefstal werd 

                gepleegd tijdens de nacht van 1 op 2 februari 1974 omdat er toen ook was

                ingebroken in de Sint Annakapel.

                In de St-Jozefskapel gingen de  dieven aan de haal met een zestal houten barokke

                kandelaars en met het gepolychromeerd houten H. Familiebeeldje uit de 17e eeuw.

                Uit de St-Annakapel ontvreemden ze een 16e eeuws  houten beeldje.

                Het altaar in de St-Jozefskapel uit 1764 was vroeger een zijaltaar in de

                parochiekerk.

                In de altaarnis staat een gipsen mariabeeldje “seder sapientiae” (stoel der

                wijsheid).

                Met de afschaffing van de processies verdween ook het jaarlijkse onderhoud aan

                kapellekens. Vroeger werd immers bij elke processie de kapel schoongemaakt

                door de buren. Zo werd er ook bij die gelegenheid wit zand gestrooid omheen de

                Sint-Jozefskapel en verse bloemetjes geplaatst op het altaar.

     

                In 1977 stonden de Leestse kapellekens er dan ook armzalig en treurig bij.

                Gelukkig telde Leest onder haar inwoners ene Georges Herregods. De

                aalmoezenier-kunstenaar lanceerde een aktie “Veldkapelleken” en met een aantal

                vrijwilligers zorgde hij voor een prachtige sanering.

                Zo bracht hij boven de toegangsdeur van de St-Jozefskapel, in zijn typische stijl,

                een ploegende Leestse boer aan en op de zijgevel een Romaanse Kristusfiguur,

                twee werken in steengoedklei.
       

                In het kader van deze aktie “Veldkapelleken” gaf de burgemeester van Mechelen

                opdracht om plantsoenen omheen de kapellen van Sint Jozef en Sint Anna aan te

                planten en deze regelmatig te onderhouden.

    16-02-2012 om 08:15 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1647 – 6 april : Gillis Bessems en Mayken Vleesage zijn huisvrouw wonende Leest

                verkopen aan  pastoor Calendries  te Leest voor 170 gulden 6 dachwant land

                gelegen te Leest in de Biest. (Schepenakte van Mechelen,Parochie-Archief Leest)

     

    1648 – Petrus Van Hanswijck volgde pastoor Caelendries op tot in 1674.

                Dit gebeurde op voorspraak van de abdis van Kortenberg Maria Blyleven.

     

    1649 – Een derde klok

                “1649 : Eén van de twee klokken is gebarsten. Om daaraan te verhelpen, steken

                pastoor Van Hanswijck, met de kerkmeesters Jan Bulens en Cosmas Van Vaecke

                de koppen bij elkaar. Ook Nikolaes Loyes en Jacques Bulens, H.Geestmeesters,

                worden er bij betrokken, samen met de gezworenen Gillis Verbruggen, Jan

                Segers, Antoon Somers en Louis Van Venze.

                Men zal niet alleen de gebarsten klok laten hergieten, men wil daarbij een derde

                klok  laten maken. Daartoe reist men tot zevenmaal naar Antwerpen,want de 2800

                pond “klokspijs” zal geleverd worden voor 1540 gulden door Michaël van Laer

                “cooper in cooper” te Antwerpen. 300 gulden zal men direct betalen. De rest van

                de som wordt afbetaald tegen 5%. De rekening is voor de kerk, maar de gemeente

                zorgt voor de intrest tot het bedrag is afbetaald.

                Deze overeenkomst wordt op papier gezet “ten huyze ende comptoir” van notaris

                Dirk Retgen aan de Veemarkt te Antwerpen. De rest wordt besproken tussen pot

                en pint met Petrus Van den Gheyn “in de Ceulsche Kerre” te Mechelen.

                Hij zal de twee klokken gieten voor 385 gulden.

                De grote klok zal 2.087 pond wegen, de middenklok 1.305 pond.

                Op 18 juli 1653 is alles afbetaald.

                Driedubbel feestelijk gelui ! Op deze nieuwe klokken wordt een stevige pint

                gedronken : “drij tonnen ende drij vierendeelen bier” of 34 gulden 10 stuivers.

                En de pastoor krijgt een vergoeding van 12 stuiver “voor een tenne telloire die

                verloren bleeff op het feest van de clocken”.

                (WLS,blz.15 en 16)

     

                Rekening van het feestmaal op de pastorij gehouden ter gelegenheid van de           

                wijding van de twee klokken :

                “Verteer tot Leest over den maalteyd ten opsigte van het weijden deser twee

                clocken aen terven, corenbrood, aan aberdaen, stockvis, zalm en cabilauw,

                aen groenvisch, boter en caes, pestinaeken en ajuin samen 59 – 14  - 1.

                Aen het dessair, suyckerije, hueren van then, servitten en fruijt, aen den cock

                met  hulper, aen den werckman over ’t clieven van het houd 22 – 15 – 2.

                Aen vierdedeel wijns, over drij tonnen goed Mechels bier “In de Half Maen”

                en  over den accijns 44 – 6 – 0”.

     

    1650 – Anthon de Steenhouwer werd aanzocht om : “een colomme te setten inde

                venster uit de sacristy, die aldaer om diefverije met gewelt uitgebroken was”.

                (WLS,blz.13)

     

    1650 – 21 mei : “Voor notaris Guill. Van Tongelen verschenen Gillis Moldermans

                coninck, Jonkeer Jan Jeronimo De Clercq heere van Bouvekerke hoofdman,

                Nicolaus Coeckelbercks ende Niclaes Loocx dekens van de Gulde van Sint

                Sebastiaen van den dorpe ende prochie van Leest representerende het corpus van

                de selve Gulde ter eendre ende Jan Verlinden den jongen landtman aldaer mede

                guldebroedere ter andere zijden welcke eerste comparanten hebben verclaert dat

                dat alsoo de voors. Gulde is competerende zekere ledige erffve daer eertijds eene

                huysinge op gestaen heeft gel. In de plaetse van Leest voors. hendt tegens het

                kerckhoff aen de selve huysinge eertijds gedient hebbende ten dienst van de

                voors. Gulde alsdaer inne hunne camer ende vergaderinge gehadt ende gehouden

                hebbende ende dat het haer metten quadentijt niet gelegen is thuys daer van µ

                wederom op te bouwen, zij geraeden hebben gevonden de voors. erve over te

                setten...aen de voors.Jan Verlinden op conditie dat hij de selve sal bebouwen

                ende daer op een nieuw huys stellen, ende dat de groote camer die sal moeten

                gescildert ende gepaveyt worden daer van sal zijn ten dienste van de voors.

                Gulde.”  (Gijs-Thys, reg. Nr.72 f°13)

     

    1655 – 4 maart : Marten Hasendonks, pachter Leest – proces tegen Philip Verschueren

                rent – abdij van Grembergen. (Notariaat Sporckmans Verhulst – Mechelen)

     

    1655 – 25 mei : Jan Vlemincx zal afkwijten rente tot laste van Jacob Vlminck bezet op ¼

                van bos te Leest.

                Jacob Vleminck priester verkoopt zijn broer Jan ¼ van een Bleckbos gekomen uit

                Scheiding op 14/6/1638. (Notaris Verhulst,Mechelen)

     

    1655 – 26 oktober : Maria Van Hanswijck, weduwe van Willem Coop, haar zoon

                Willem Coop, Jaspar Huberti, echtgenoot van Elisabeth Coop, Anna Maria

                Coop, Joanna Verberckt, weduwe van Jan van Hanswijck, Catharina van

                Hanswijck, Hendrik en Willem van Hanswijck, Jan en Maria van Hanswijck

                verkopen aan Bernard Alexander Van den Zijpe en diens echtgenote Isabelle

                Douglas, gezegd Schot, een bunder beemd onder Leest aan de brug, belast met

                een ½ brasp. aan de heer van Mechelen. (MS) 

     

    1656 – 26 januari : Jacques Vleminckx priester transporteert Hendrik Brants echtgenoot

                van Maria Gootens 1/8 beemd “de Cleyne Cragels” onder Leest, geërfd van Anna

                Bernaerts, moeder van den comparant. (Notaris Verhulst – Mechelen)

     

    1656 – 24 maart : Cornelis Matthijs,Schepene van Leest, 1/2 Barbara Matthijs wwe

                Marten Van Immerseel ½ verhuren beemd aan Niklaes Loycx en Gillis

                Verbruggen , pachters te Leest.

                (Notariaat Mechelen -Sporckmans Verhulst)

     

    1656 – 7 mei : Notaris P. Verhulst Mechelen :

                Ontvangst van Bestiael geld door de stad Mechelen. Lijst van 800 personen

                gerangschikt volgens gemeente.

                Leest : Andries Diddens. Bertelmeus Aerts. Adriaan Aerts. Cosmas Van Vaeck en

                Christiaan Van Vaeck tsamen.

                Andries Vermerchten. Anthonis Somers wwe Van Den Broeck.

                Augustijn Dillis. Wwe Diddens. Anthonis Feermans. Wwe Gommar Aerts.

                Adriaan Verlinden. Wwe Verschueren. Gillis de Win. Wwe Marten Martens.

                Gillis de Win. Wwe Jan Buelens. Gommar Aerts.

                Gillis Verbruggen. Gillis Troy. Gerard Coeckelberg. Jan Verbruggen. Jan

                Verlinden. Wwe Maeldermans veracordeert met Gillis Maeldermans.

                Gillis Fierens. Hendrik De Wint. Gerard Sleubus. Jan Vermijlen. Jan Vlemincks.

                Jacob Mollemans. Joeris Van den Bemde. Jan Zegers. Jan Dilis. Jacob Buelens.

                Jan Huysmans. Ingel Verbruggen. Lonijs Vermijlen. Lauwerijs Van Coetsem.

                Lauweijs van Rijmen. Am. Maarten Ruelens. Matheus Peeters.

                Merten Huysmans. Marten Bertels. Niklaas Persoons. Niklaas Loicx.

                Niklaas Coecelberg. Pieter Suys. Pieter Vermijlen. Pieter Huysmans.

                Pieter Lauwers. Pieter Zegers. Pieter De Laet. Wouter Maes.

     

    1656 – 13 juni : Maria Goitens = Henri Brants gaan af van koop van 8 paart in beemd

                de clyne cragels onder Leest tegen priester Jac Vleminckx item 1/8 in de

                Karrebeemd Heffen. (Notariaat Sporckmans Verhulst Mechelen) 

     

    1656 – 14 juni : Corneel van Laeck gezworene van Muizen, Mathias Van Winghe,

                gezworene van Hombeek, Jaak Mollemans gezworene van Leest, enz... hebben

                hunnen laste aanvaard bastiaangeld. (Notaris P.Verhulst – Mechelen)

     

    1657 – 19 februari : Niklaas Neefs x Maria Matheusens ontvangen van Rumoldus Van

                Hoof i.n.v. zijn zuster Elisabeth Van Hoof.

                (Notaris P. Verhulst Mechelen)

     

    1658 – 19 oktober : Cornelis de Meyer verhuurt Adriaen Aerts pachter Leest opden

                heffense kauter. (Notariaat  Sporckmans Verhulst, Mechelen)

     

    1659 – 30 maart : Niclaes Loicx pachter te Leest  ontv v Bartel van Elsen...

                (Notariaat Sporckmans Verhulst Mechelen)

     

    1659 – 22 augustus : Jaak De Wit, gezworene te Hombeek, Ferry Feermans met Francois

                Elias te Battel, Lonijs Vermijlen en Gerard Couckelberg te Leest, Philips

                Quackels Pennepoel akkoord met Gerard De Potter over bestialen.

                (Notaris P. Verhulst, Mechelen)

     

    1659 – Jan De Win pastoor in Leest/Hombeek tot 1660 ?

                F. De Ridder schrijft : “1659-1660. Jan De Wint of De Win, pastoor van Leest,

                bediende de parochie van Hombeek als “deservitor”. En tegelijk verwijst hij

                naar een Hombeeks document (van 14 januari 1660) waarin heer Johannes de

                Wint, “pastoor tot Hombeek” wordt genoemd.

                In de rij Hombeekse pastoors situeert F. De Ridder deze Jan De Win(t) tussen het

                overlijden van pastoor A. Steemans (1659) en de erop volgende benoeming

                van N. De Clerck (op 25/9/1660).

                (xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />Wilfried Hellemans, “Pastoors Gevraagd”, ’t Ridderke nr.2, 2004)

     

    1660 – 17 september : Catharina Bernaerts transporteert aan Anna Vlemincx,echtgenote

                Jan De Grauwe, al haar goederen bij haar overlijden, te weten een erfelijke

                vleesbank in het vleeshuis, de helft van de beemd “Den Cleynen Burchval” onder

                Heffen, het ¼ deel van “Den Grooten Borchval”, de ½ van de kerkbeemd onder

                Leest, en verder zoveel renten en mobilaire goederen als nodig opdat Anna

                evenveel zou hebben als Jan en Joos Vlemincx. (MS)

     

    1662 – 13 mei : Pater...de Buer verhuurt Jan Bullens = C van Broeck hoeve thof ter

                meulen onder Leest.

                (notariaat Sporckmans Verhulst, Mechelen)

     

    1662 – 22 mei : Gilles Verbruggen pachter Leest = Guilleam zelve verb. 1 het saefvoet

                blocke te Leest.

                1 carolus daniels erve 2 kinderen.... 3 het kouter...

                (notariaat Sporckmans Verhulst, Mechelen)

     

    1663 – In 1663 was er “groten watervloet” te Leest en daarbij moet ook de pastorij onder

                water gestaan hebben want datzelfde jaar werden “de plaetse” en het

                “pastoorsachterhuis” met aarde opgehoogd : Louis Vermijlen gaat met synen

                waghen ende peerden om 20.500 careelstenen, den calck, de savel ende gesaecht

                hout halen voor dat pastoorsachterhuysken”. (Zie ook Kerk en Pastorij)

     

    1665 – 24 april : De H. Geesttafel van Sint Rombouts legt beslag op een half bunder land

                “Groot Aerland” onder Leest van Petronilla Burino en Jaspar Theunissen wegens

                vertoef. (MS,nr.1196)

     

    1672 – 11 maart : Cornelis Daneels ontleent aan Peter Blondel 2.000 gulden tegen 100

                rijnsgulden intrest. Hij geeft tot onderpand drie bunder land onder Leest, evenals

                de drie bunder land “het Houtenblok” aldaar. (Opene brieven van Karel II van

               Spanje, Charters, H.Geesttafel en Huisarmen, nr.22)

     

    1674 – Gerard Van Espen werd pastoor te Leest in opvolging van Petrus Van Hanswijck.

                Hij overleed op 19 janauri 1691 “morto periculoso infectus”, door een gevaarlijke

                ziekte aangetast.

                Pastoor Van Espen ligt begraven in de linkerzijgang van de kerk. Op zijn grafzerk

                staat te lezen : “D.O.M. Sepulture van den Eerweerdighen Heere  GERARDUS

                VAN ESPEN, pastoir alhier den tydt van 17 jaeren, die de gemeynte loffelyck

                gedient hebbende, is gestorven den 19 Januarius 1691 requiefcat in pace”.

     

    1677 – Dat jaar werd een “sauvegarde” aangesteld “tot bewachnisse om onze kercke te

                bevrijden door ordre van mijnheer pastoir Van Espen”. (WLS,blz.16)

     

    1678 – 20 december : Jan Frans de Roubaix tot meier genoemd van Hombeek, Leest,

                Auweghem en Geerdeghem. Hij volgde Perico Bordel op.

     

                De Meier

                Na de afschaffing van de Leestse schepenbank en tot aan de Franse omwenteling 

                werd Leest bestuurd door Mechelen via een meier en gezworenen. Het recht deze

                meier te benoemen behoorde de stad toe. De meier was haar rechtstreekse

                vertegenwoordiger en stadhouder. Hij zwoer de eed van getrouwheid in handen

                van de schout, ten overstaan van de communiemeesters en schepenen van de stad.

                Hij bekleedde vervolgens zijn ambt meestal tot aan zijn dood.

                Wel kon hij er vrijwillig afstand van doen of mocht om gewichtige redenen

                worden afgezet.

                Het was de meier geoorloofd, naar vrije keuze, de meierijen van verschillende

                dorpen of heerdijen gelijkertijd te bedienen. 

                Voor alles behoorde de meier de rechten van de Mechelse gemeenschap voor te

                staan en te handhaven.

                Hij zat de vergaderingen van de gezworenen voor, gaf hun raad “ende assistentie”

                en als er geld nodig was “tot betaelinghe van eenighe pressante schulden, tsy

                schip ofte waegenvrachten” moest hij de penningen voorschieten een jaar lang en

                zonder intrest.

                Verder had hij de gezworenen de kost te geven wanneer zij de landen van het

                hadden “ghescauwt” ofschoom hem het profijt van “die schauwinghe” eerst geviel

                met Baafmis.

                De eed, die de meier aflegde bij zijn aanstelling, verbond hem “nyet te laeten van

                recht te doene ende die goede lieden te beschutten”. Hij was derhalve gehouden

                “hem dagelijx te bevinden opte velden alomme ende aldaer te verheuden alle

                scade”.

                Dieven en kwaaddoeners, wie die ook waren, moest hij “stoutelec arresteeren”

               en  uitleveren aan de schout van Mechelen.

                Indien er kosten kwamen kijken bij een arrestatie dan mocht hij ze in rekening

                brengen.

                Zo is er terug te vinden in een rekening van Jan Frans de Roubnaix  over 1929-30

                een uitgave van een gulden, achttien stuiver voor  “het verteir van die patrouille”

                die in februari 1729 “gevat hadde eenen voleur domestique, die een gat gemaeckt

                hadde in een leemen wandt”. De inbreker werd gestraft met de “koorde” en in juli

                tererchtgesteld. Om hem naar Mechelen te voeren had de meier een kar opgeeist.

                Hij ontving daarvoor twee gulden extra.

                Krakeel, getwist, vechtpartijen en al wat van die aard in zijn meierij voorviel,

                moest hij eveneens “clachtelyck aen die wet van Mechelen overdragen”.

                Minder zware delicten zoals “bescadinge van der goede lieden vruchten, beemden

                ende houtwas”, mocht hij zelf beboeten. Het stond hem daarbij vrij, “dien hij

                ghecalengiert hadde te panden voor de opgelopen boete”.

                Zulks mocht geschieden “sonder wederseggen van iemandt”, op voorwaarde

                Nochtans, dat “die calengie waere naer geleghentheyt vande saecke ende naer

                uytwijsen van sijnen rollen”. (naar de lijst der strafbare feiten opgemaakt ten

                gerieve van de meier door de wet van Mechelen). 

                In de uitoefening van zijn functie werd de meier bijgestaan door een dienaar die  

                men de naam gaf van “preter, ’s meyers sergeant ofte onderofficier” of ook

                “ondermeier”.

                In de middeleeuwen heette hij algemeen “scutter, scutator, custos agrorum”

                (veldwachter).

                De preter was de onmiddellijke ondergeschikte van de meier: zijn plaatsvervanger

                voor al wat het politiewerk van het dorp aanbelangde.

                De meier liet hem meestal “het goedt regardt” over het naleven van de rol  en

                ontlastte zichzelf helemaal of ten dele van het “dagelyckx bevinden op die

                velden” om eventuele kwaaddoeners te “calengieren”, betrouwend daarvoor op

                “synen preter oft sergeant”.

                (Geschiedenis der gemeente Hombeek, F.De Ridder, blz.30 en volgenden)

     

    1680 – “In dit jaer lagen 12.000 hollandsche soldaten te camperen op de Hombeekschen

                Cauter. (MK,F.Berlemont)

     

    1690 – 16 september : Notaris Van der Veken, Willebroek : stuk over bekostiging der

                wachten van Heffen, Hombeek, Leest, Blaasveld, Battel, Zemst en Willebroek.

     

    1690 – 9 november : Notaris Antoon Van der Veken, Willebroek : stuk over de levering

                van wachten door Grimbergen aan Leest, Blaasveld, Kapelle op den Bos,

                Kampenhout,  e.a.

     

    1691 – Michael Gijsens werd pastoor te Leest van juni tot 31 juli 1693, de dag van zijn

                overlijden. Tot er een nieuwe permanente pastoor kwam(april 1694) werd hij

                tijdelijk opgevolgd door deservitor Nikolaus Van Dienant.

    16-02-2012 om 07:54 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1634 –                                  Pest te Mechelen en elders

     

    “Mechelen kende, zoals trouwens gans Europa, in het verre verleden eveneens regelmatig weerkerende  pestepidemieën. Vooral bekend is de epidemie van 1634 gebleven waarbij niet minder dan 2600 mensen het leven verloren, een reusachtig getal, als men weet dat de toenmalige bevolking van Mechelen op slechts 20.900 zielen geraamd wordt !

    De pest, trouwe volgelinge van oorlogen en ontberingen, was er nadien nog in 1665, in 1666 en in 1669, schrikwekkender dan ooit.

    Uit de befaamde pestordonnantie van 1556, nog van kracht tot 1669, volgen hier enkele bepalingen : zodra een huis wordt erkend als besmet, moet het worden gesloten en mogen nog enkel de vensters boven de eerste verdieping worden geopend. Er dienen witte latten geslagen dwars op de deuren, ten teken dat het huis besmet is.

    Personen die met een zieke in aanraking komen mogen niet buitenshuis verschijnen dan met een witte stok in de hand ; ze mogen geen voet zetten in lokalen waar eetwaren verkocht worden, noch in kerken of kloosters (tenzij om er de sakramenten te ontvangen).

    Wensen ze toch iets te kopen, dan worden de waren hun door middel van een lange stok door het venster van de winkel toegestoken en dienen de kopers hun geld in een emmer water voor de winkeldeur te werpen.

    Na het overlijden van de zieke moet al het beddengoed en de klederen ’s nachts gewassen worden. De kamer van de overledene dient vijf à zes weken verlucht te worden, geschuurd en verwarmd.

    Met het schuren van besmette huizen worden de Zwartzusters belast.

    Paal en perk wordt gesteld aan het vrij langs de straten lopen van varkens. Samenscholingen van buren die kletspraten voor hun deur, worden verboden evenals vergaderingen of danspartijen.

    Vrouwen mogen niet meer met hun rok over het hoofd geslagen rondlopen, tenzij bij regenachtig weder... 

    Reeds in de 15e eeuw bestonden er “pesthuizen” in Mechelen. De oudste zouden deel uitgemaakt hebben van het klooster der Zwartzusters aan de gelijknamige vest.

    Later werden bij epidemieën, buiten de stadswallen gelegenheidspesthuizen ingericht.

    Zo weten we, dat bij de epidemie van 1518 -1519 het Mechelse stadsbestuur extra pesthuizen liet inrichten op de gehuchten Nekkerspoel, Auwegem en Battel...

    (Gazet van Antwerpen -21/12/1985)

     

    1638 –Op de plaats waar later het Leestse gemeentehuis met aangebouwd schoolhuis

                zou komen werd in 1638 aangevangen met de bouw van het “kostershuis”.

                Het behoorde voor de helft aan de kerk en de andere helft aan de H. Geesttafel.

                Meer info onder 1829 bouw van de jongensschool in de Scheerstraat.

                (DB, November 1985)           

     

    1638 – 4 maart : Vrouwe Elisabeth de Clermes, weduwe van wijlen Guilliam Dierickx,

                in zijn leven capitain ten dienst van syne con.maj. geeft aan Geeraert

                Couckelbergh en Jan Bulens, H.Geestmeesters te Leest, ten voordeel van de H.-

                Geesttafel een dachwant land gelegen op de couter te Heffen bij de meulen.

                (Schepenakte van Mechelen – Parochie-Archief Leest)

     

    1639 – 24 januari  : Gillis Bessems sone Anthonis, daer moeder aff was Cathelijne

                Peeters, verkoopt aan Franchois Van Orssele, bakker, een erfelijke rente van 12

                gulden 10 stuiver jaarlijks op land en huis van 2 bunderen gelegen te Leest in de

                Biest.  (Schepenakte van Mechelen, Parochie-Archief Leest)

     

    1644 – In 1644 werd Gregorius Caelendries pastoor te Leest en dit tot 1648.

                Onder zijn pastoorschap werd in 1647 het timmerwerk van de toren vernieuwd en

                sterker gemaakt teneinde zwaardere klokken te kunnen dragen.

     

    1644 – 12 mei : Jan Nagels, pachter te Leest geeft aan Juffr. Willemijns Vanden Venne

                wijlen Adolphs dochter, daer moeder aff was Jouffr. Marie Van Leyen, de 6

                carolus gulden en 5 stuiver erfel. rente op een huis en hof en gronden te Leest aen

                de Heyde. (Schepenakte van Mechelen, Parochie-Archief Leest)

     

    1645 – “...stuck lants geheeten Domdach onder Leest omtrent het Scheurcappruyn”.

                Uit akten van de 14e eeuw blijkt dat de familie Doemsdach er vele goederen

                had.  (AM) 

     

    1646 – Na de rustige periode van Albrecht en Isabella laait de oorlog tussen Spanje en

                Holland weer op. Ook de kerk van Leest krijgt daar zoals steeds de weerslag van :

                verscheidene keren worden de kostbaarste “kerckendingen in den noot van

                soldaten”  in allerijl naar Mechelen gebracht “als men gonck vluchten” (1646 en

                1705).

                En in 1677 wordt een “sauvegarde” aangesteld “tot bewachnisse om onze kercke

                te bevrijden door ordre van mijnheer “pastoir” Van  Espen.

                Peeter Van Buxom moet “de muur aan de kerkdeur behoorlijk repareren die de

                soldaten moet geweld gebroken hadden”. Het hout van de  afgebroken deur wordt

                naar Mechelen gevoerd voor verkoop. (WLS,blz.16)

     

    1647 – “Ordonnantie vander gulde vanden Handboghe Schutters binnen den dorpe van

                Leest ...opden Sinte Sebastiaen inden Jaer 1647 den 20 january.

                Om goede ende broederlycke liefde te stellen over de gulde van den Handboghe

                binnen den dorpe van Leest ende boghen gesellen ende guldebroeders van deser

                soo syn byden Heere hooftman onderhooftman gesworen dekens andermans

                vandegroote gulde van den edelen handboghe binnen Mechelen naer oude

                costumen gestatuert de poincten ende artikelen hier naer volgende om die inder

                serlver gulden ende by alle die ghene inden Eedt van dyer syn elck in syn regard

                als voordaen achter volgt ende onderhouden te worden tot dat by den voorscreven

                heere hooftman anders hier inne sal geordonneert wesen reserverende den selven

                hooftman syn hondert ende macht om dese selve poincten ende artikelen te mogen

                interpreteren minderen meerderen ende veranderen altyt als het hen goetduncken

                sal amuserende ende doende te niet alle voorgaende ordonnantien ende statuyten

                eertyts der selver gulde verleent ende uytgegeven...”

     

                                                  Den Eedt

                Onder dit mennelyck geselschap eendrachtig begere ick vreetsamentlyck te

                verheeren de catholycke kercke warachtich belove ick trouwe, oock de eere weert

                alder eeren der stadt mechelen sal ick vermeeren, geoorsaem onsen coninck heere

                hooftman joeckens mede, Schot ende loten sal ick genen sonder verseeren gelyck

                myne medebroeders naer ander seden discort sal ick verjaghen ende houden

                vreede den edelen handboghe in syn staende pese sal ick eenen in dorpen en

                steden op dat ick niet en verwowe goedts toren zoo helpe my sinte sebastiaen

                syn vriendt vercoren...”

                Ondertekend door J. Bouvekercke “Hooftman van de gulde”

                (Rijksarchief Antwerpen)

     

                                         De Gilde van Sint Sebastiaan

     

                Deze gilde van Sint Sebastiaan schijnt de oudste vereniging van Leest geweest te

                zijn want deze rol verwees naar een nog ouder  reglement : “ze deed teniet alle

                voorgaande ordonnantien ende statuyten eertyts der server gulde verleent ende

                uytgegeven”.

                In 1650 bestond het bestuur uit hoofdman  Jonkeer Jan Jeronimo De Clercq, heere

                van Bouvekerke, “coninck” Gillis Moldermans en dekens van de gilde  Nicolaus

                Coeckelbercks en Niclaes Loocx.

                Hun lokaal lag “tegens het kerckhoff” en werd bewoond door Jan Verlinden.

                (Gijs-Thys,reg. Nr.72 f°13)

                Als aansluitingsgeld betaalde men 15 stuiver en bij die gelegenheid legde men

                ook “den Eedt” af.  Wilde iemand de gilde vaarwel zeggen, dan kostte hem dat

                6 gulden (art.18).

                De schuttersgilde was trouwens enkel voor welstellenden, want wie “van den

                arme genoot”, werd niet aanvaard (art.32). Dit artikel werd echter later uit de

                statuten geschrapt.

                Eenmaal per jaar was het “Koningsschieting”, dan hing de hoofdman “naer oude

                costuymen” de “breucke” om de hals van de koning. Deze “breucke” ging elk jaar

                naar een ander. Ze werd door de koning gedragen bij alle officiele evenementen

                zoals het teerfeest, processies, enz.

                Op de dag van de koningsschieting betaalde elke gildebroeder zes stuiver, of hij

                schoot of niet, “tot profijte vanden coninck die alsdan den papegaey afgeschoten

                sal hebben, waer voren den coninck gehouden zal wesen te geven een tonne

                goet bier.” (art.20)

                De gildeleden stapten op in de processie van Sinte-Nicolaes op de ommegangsdag

                “met gespannen boech ende pijl”. (art.11)

                Ze gingen ook mee, op straffe van 12 stuiver boete, in de processies van Hombeek

                en Heffen (art.10).

                Was er een schutter gestorven dan waren het de zes dichtstbijwonende

                gildebroeders die hun makker naar de kerk en naar het graf droegen. Daarvoor

                kregen ze achteraf een “pot goet bier”. (art.30)

                De feestdag van Sint-Sebastiaan, 20 januari, was hun jaarlijkse “Teerdag”.

                Men begon met eerst “eerelycke ter kercke te gane ende de misse te hooren ende

                te  offeren de silveren penninck”(art.12).

     

                Na de mis werd eens goed gegeten, gedronken en gedanst.

                Oudere dorpsbewoners weten nog te vertellen hoe die dag ook de vrouwen van de

                partij waren : zij schoten op de hoge wip die voor de gelegenheid midden in het

                dorp was geplaatst. Wie “koningin” schoot moest de koffie betalen.

                Daarna volgde de koningsschieting van de mannen, dit alles werd opgeluisterd

                door een harmoniemuzikant en trommelaars.

                De laatste staande wip stond op de Tisseltbaan, achter het “Wiphuis”.

                Daar werd nog geregeld geschoten tot aan de Eerste Wereldoorlog. Nadien werd

                de schuttersgilde opgedoekt.

                De “breucke”(of “breuk” was een soort met goud en zilver belegde hermelijnen

                kledingsstuk)  werd verkocht aan een antiquair uit Brussel. Pogingen om die terug

                te bekomen liepen op een sisser uit.

     

                In 1928 vond mevrouw Voet op haar zolder een bestofte perkamenten rol : het

                was het reglement uit 1735, bestaande uit 37 artikelen van de “gulde vanden

                Handbogheschutters binnen den dorpe van Leest”. Deze rol wordt thans bewaard

                op de pastorij.

                Het onderschrift van deze uit 37 artikelen bestaande “rolle” luidde :

                “Dese voorschreven Rolle ende Ordonnantie is bij mij onderges. als Hooftman

                van de Gulde van den Eedelen hantboghe binnen der stadt van Mechelen naer

                alle oude Costuijmen ende Usantiën alsoo vernieuwt ende aen die van Leest

                verleent, op heden den 21 Mey 1735.

                           P t P Roose, Baron van Leeuw”.

     

                Albert Huysmans publiceerde in De Band van juli 1979 een lijst met  locaties en

                jaartallen  alwaar de schutters zich konden uitleven:

                vaste staande wip : 1785 Tisseltbaan, liggende wip : 1889 Sint Sebastiaen, 1919

                In den Boerenhandel, 1930 Belle Vue. Op doelen : 1839 Het Knippershol, 1845

                Winkelstraat, 1850 Zennebrug en 1854 Huis ten Halven.

                Sint Sebastiaen bezat ook nog een bollebaan onder een rieten afdak, met in de

                lemen vloer aan beide uiteinden een pollepel holte, waarin een halve bol met een

                cirkel  van 15 cm pastte. Twee groepen trachtten met een rollende of schuivende

                buiging het grootst aantal halve bollen bij de tegenstrevers te scoren.

                

                Na W.O.I werd te Leest enkel nog geschoten op de liggende wip en op doelen.

                Schuttersverenigingen waren nog : “Ons Vermaak”, met lokaal bij Huybrechts in

                de Dorpsstraat (zaal Sint-Cecilia) en “De Vrijschutters”, in de zaal Boerenhandel

                bij Petrus (Pirreke) Van den Eede. Beide verenigingen overleefden de tweede

                wereldoorlog niet.

     

                “...Leest had eens een wip ! Op sommige zondagnamiddagen was het daar een

                vrolijke wemeling. Dan kwamen behalve onze eigen mannen, de scherpschutters

                af van de omliggende dorpen : Londerzeel, Breendonk, enz..

                Geen bleke slungels maar stoere joviale kerels...

                De schutters spanden de pezen op hun boog. In trui of hemdsmouwen met leren

                armbekleedsel, schaarden ze zich in gelid onder de wip.

                Zie nu even naar die schutters, bekijk er zo eentje terwijl hij mikt : de lippen zijn

                dun en toegenaaid van wilskracht. Zijn open oog is als een patrijspoort

                gebrakeerd op de gaai.Zijn flamingohals rekt zich, mede de kin agressief scherp

                de hoogte in spiesend, energie voor drie, en zo vol inwendig vuur dat het is of zijn

                wezen zelf vonken schiet. Er spannen zich levende, trillende draden van hem naar

                de hoogvogel... De pijlen snorren door het gekruif en gestreuvel van de

                vederweelde daarboven, stevig vastgespitst op het takkenrif van wat we

                (in de vlastijd zaliger) de “strijp” noemden. Daar prijkte, schitterend plechtig,

                soeverein, de koningsvogel, de heerlijke reuzengaai, links en rechts onderaan

                geflankeerd door fiere vleugeladjudanten : de zijvogels, en dezen zelf door twee

                kadetten : de wuivende kallen ; en deze laatste dan geëscorteerd door heel het

                kakelbont gehummel van de kleine vogeltjes.

                Pijlrapers zwermden lustig toe op het lokaas van een cent of een solleken, de

                behendigsten vingen zelfs de pijlen rechtstreeks op in hun vlucht : heerlijk !

                Gekneusde koppen en neuzen belandden bij ons. Moeder gaf hun elk een warm

                badje, en plakte er een pleistertje op en...klaar was kees voor nieuwe dekoraties...

               O ! Daar gaat plots een juichkreet op. Iemand heeft, in een supreem koningsschot,

                de gaai afgeschoten ! Een kostelijk topmoment ! Eerst nadat de geestdrift wat

                geluwd is, gaat het spel voort naar de andere spijlen, tot zijvogels, kallen, klein

                grut, tot alles kaal en eraf is.

                En dan worden de helden van de dag gevierd. De koning wordt in de hoogte

                gestoken en onder zoveel triomf en tralala rondgedragen, dat zelfs een

                boogscheut verder, de kikvorsen op het vijversvlak komen aandansen, hun wijde

                bruine kaken opensperren en kwakwakend mee kermissen op hun manier, want nu

                wordt het een gonzend gezellige verbroederingsavond, waarop de wip, en de

                blauw-stralende hemel erboven, blij neerblikken...”

                Zuster Melanie (Christine De Laet) in De Band – december 1957)            

     

    16-02-2012 om 07:51 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    15-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

                “de Cleyn Traegel” 3 dagwand te Leest, grenst 1. beemd “de Geroote Traegel”,

                daaraf het meestendeel de koper toebehoort, 2. de Zenne alomme.

                (Notaris Van de Venne, Mechelen, nr.2399)

     

    1606 – 15 juli : Lanceloot van Gottignies, echtgenoot van Anna Van der Laen, Niklaas en

                Jan Van der Laen, erfgenamen van Jan Van Brancion, verklaren dat het klooster

                van de Augustijnen de 40 carolus gulden erfelijke rente hebben gekweten, die

                geheven werd op een huis met hof, plaats en grond in de Koestraat over de laatste

                brug. Deze terugkoop werd gedaan met de gelden van de verkoop van 19 g. 15 st.

                op de Kloosterhoeve onder Leest, ten voordele van Elisabeth Van den Brande.

                (MS)

     

    1607 – 30 mei : Magdalena Oistermans geeft aan de H.Geesttafel van O.L.V. over de

                Dijle haar deel van een erf met huis onder Leest, een blok land aan de Lyckstraat

                en een half bunder bos bij de Leesterheide. (MS, nr.1908)

     

    1610 – 20 december : De proviseurs van het godshuis van de H.-Drievuldigheid, Jonker

                Jacob van Cranendonck en Jonker Reynier Keeremans, beiden schepenen,

                bekennen dat de proost van Leliëndael Pieter van Spoelberch een erfpacht van 4

                veertelen corenrente uit 7 veertelen, met kapitaal en intrest heeft afgekweten zoals

                die waren bezet op het Coeman Blok te Leest, tussen het goed van Leliëndael en

                het land van Laureijs van Ranst en op een bos van 1 bunder, De Dwaesheijt,

                tussen wijlen Jan vander Linden en Jan van Holse.

                (IFL,blz.110 nr.460) 

     

    1615 – 10 juni – Schepenbrief van Mechelen : Maria Lelieboom treft een minnelijke

                schikking met Andries Huens omtrent geleende gelden : 13 carolusgulden van de

                25 gulden op het huis “de Ram” in de Guldenstraat, 18 gulden 15 stuivers op een

                grond in de Biest, bij de kruisweg onder Leest.

     

    1615 – Grensscheiding Thisselt, Blaesvelt, Heijndonck met Heerlijkheid Mechelen

                Op 6,7,13, 14 en 15 oktober verschenen voor notaris De Coster jonkheer Philips

                Snoye, oudburgemeester en daarna tresorier van de stad Mechelen samen met

                Heer Jacques Bernaerts oudschepen en dan gezworene van de dekenij van

                Mechelen. Ze hadden als opdracht “het ondersoecken ende exclarisseren de

                Paellen ende Limiten der Jurisdicxtie van Hombeeck, Leest ende Heffen,

                landen ende dorpen der Jurisdictie der voirn.Stadt”.

                Door Rombault Taels, meier van de genoemde dorpen hadden ze in Hombeek

                een vergadering belegd.

               

                Vertrekkend vanuit Hombeek werd de grensscheiding met de palen beschreven

                tussen het Mechels rechtgebied en de aangrenzende gebieden zoals Smal

                Brabant en Kapelle-op-den-Bos. In dezelfde richting gaan ze de grens tussen

                Leest en Tisselt langs en zo verder door.

                De oorspronkelijke tekst na het verlaten van de scheiding tussen Leest en

                Kapellen-op-den-Bos :

                “…Comende alsoo vuijt het voirs. Bosch Lancx het Beecxken Inde Thisselstraet

                daer het beecxken over Loopt ende vande zelve straet commende in eenen Bosch

                groot drij daghwant toebehoorde de Vrouwe Inden hertshoren Paellende tzelve

                teghen het hofflandt toebehoorden Goemer(?) Maes Liggende onder Thisselt,

                ende daer neffens aende Leester zijde Leet een hoffstede metten hove groot een

                halff bunder, toebehoorende Anthonis Besseman Paellende achter aen tvoirs.

                hoplandt wesende onder Thisselt ende daer neffens Leest franchois vanden Zande

                met een halff Dachwant Bosch onder Leest, Commende alsoo voorts achter aent

                bosch vande kercke van Ste. Rombauts, ende daer neffens mr. Peeter Blondel, met

                een stede groot een half bunder, oijck al op de beeck gelegen, over de beeck

                van Thisselt leet het Clooster vande SieckeliedenBosch, ende daer neffens Leet

                een bosken groot drij dachwant toebehoorende de vrouw Inden Hertshoren

                Liggende achter teghen de voirschreven Sieckeliedenbosch Wesende Thisselt

                Ende voir al neffens de heijde daer neffens leet eenen Bosch genaempt  Sieckelien

                Bosch, daer de Beeck deur Loopt zijnde het deel ter zijdeweert Leest ende over de

                Beeck Thisselt ende daer neffens eenen gbosch groot daer de Beeck oijck

                deurloopt toebehoorende de kinderen Cornelis Matthijs sijnde insgelijcx op de

                zijde vande heijde Leest ende over de Beeck den zelven Bosch met het ander deel

                Thisselt, Ende naest het voirs. bosch Leet den scherpen horick Bosch

                 toebehoorende  derffgenaemen Bouxhorincx wesende onder Leest Paellende

                achter aen tzelve Bosch ender daer neffens leet eenen Bosch die oijck onder Leest

                is groot drij bunderen toebehoorende als oijck daer naest leet eenen Bosch groot

                3 ½ Bunderen toebehoorende mijn heer Moriencourt geheeten Kerremans Bosch

                onder Leest, paellende achter aent goet vande Wed.e Peeter opde Beeck met

                eenen Bosch groot Seven Bunderen ende is onder Thisselts goet, Ende naest den

                voirschreven Moriencourts Bosch Leet een Bosch Groot omtrent Seven Bunderen

                toebehoorende Hugo de Burger ende is onder Leest Paellende achter over de

                Beeck tegen Zijnde over sulckx de voirs, gesworene hunne vercleren ende

                depositie Opden voirschreven Xiii Octobris anno voirnoempt, 1615”.

     

                Vergelijken we deze beschrijving met de Popp-kaart van Leest dan begint deze

                aan de Thisselt straet. Op de stafkaart Boom (23/3) van 1936 is dit Moerstraat.

                De beek die nog door of langs verschillende bossen loopt is de Zwarte Beek.

                Ze vormt de scheiding tussen Tisselt en Leest en verder nog een stukje tussen

                Tisselt en Heffen.

                (Leon Bernaerts in Vaertlinck contact nr. 1 van 2011)             

     

    1617 – De kerk krijgt nieuwe banken. Stoelen waren toen nog niet voorzien. De vrouwen

                zaten links, de mannen rechts. Jacob Ballemans en Zacharias Van de Perre waren

                schrijnwerkers van dienst. Deze laatste zorgde een jaar later ook voor een nieuwe

                biechtstoel. (WLS, blz.13)

     

    1620 – Op het kerkhof van Leest plantte men 47 appelaars.

                (DB-1/7/1957)

     

    1621- 26 januari : Karel van Bouvekerke geeft aan Anna Schooff 25 carolusgulden

                erfelijke rente op een hoeve met 30 bunder “Het Hof te Moirtere” onder Leest.

                (MS,nr.1177)

     

    1621 – “Den heerlycken chyns van Hertendrecht tot Heffene.

                ...

                -Den H. Gheest van Leest, tsiaers xii den.lovens ende ii capp

                 valet vi stuyvers van den H Gheests landt, gelegen te Moere : vi stuyv.

                -De weduwe ende kinderen Jans van Haeften, Nicolaes sone was, tsiaers

                 v.stuyvers van eenen bosch, den Cleyn Heyde genaemt gelegen tot

                 Leest : v stuyv.

                -Anthonis Bessems, bij coope van Jan de Meyer, backer, tsiaers ii st.

                 xii muyten van huys ende hoff tot Leest aende Heyde, ii st. Xii.

                -Heer Johan Bauwens, raedt vand rekencamer in Hollant, residerende tot

                Ruremonde, tsiaers xxvy stuyv. ½ blanche van sesse bunderen landt, gelegen

                 tot Leest : XXVY st. ½ bl.

                -Deserve Heer Johan Bauwens, tsiars xi st. vi mijten van andere syne

                 goederen, gelegen ook onder Leest.

                -’t Gasthuis van sinte Catherine, alhier tsiaers xiiii penn. lov. twee

                 cappuynen min een halff vierendeel van eene cappuyn valet iii

                 stuyv., een blanche ende xii myte van den gasthuys goederen gelegen

                 onder Leest.

                -Jan Saffoet, den ouden, tsiaers xxxix penn. lov. ende vier cappuynen valet

                 xii st. van vijff stucken lant, gelegen tot Leest aen de Dwaesheyt.

               -Lancen Lanceloits, tsiaers ii blancken ende iii myten van drije dachwant

                 landts, gelegen onder Leest, reste kersmisse 1574”

                (“Hertendrecht”, Mechlinia nr 11 maart 1932)    

     

    1622 – Ordonnantie op de wacht door die van Heffen en Leest langs de Zenne.

                (Gijs-Thys, reg 69,f°2)

     

    1624 – Joos Blieck volgde Willem Van Achelen op als pastoor van Hombeek en

                bedienaar van de parochie Leest.  (tot 1645 in Hombeek en 1627 in Leest)

                Deze man, licenciaat in de theologie, was pastoor van Zemst en tegelijk

                bedienaar van Weerde –ook daar een dubbele bediening- toen hij in

                Hombeek en Leest benoemd werd.

                De landdeken verklaart van hem dat hij een geleerd en hartelijk man was,

                wijs en voorzichtig, die al zijn zorgen wijdde aan het heil van  zijn parochie.

                In Hombeek bleef hij pastoor tot 1645 en werd dan elders benoemd.

                De zorg van de Leestse parochie liet Joos over aan zijn broer Frans Blieck,

                eveneens priester. Daar werd vooral verder gewerkt aan de verfraaiing van

                de kerk.

                Met goedkeuring van pastoor Joos Blieck hadden de Leestenaars aan de

                aartsbisschop dit verzoek gericht : mag de parochiale dienst in Leest in de

                toekomst door de pastoor van Heffen in plaats van door de Hombeekse

                gebeuren ? Hiervoor hadden ze vier argumenten.

                Zo zegden ze dat de Hombeekse pastoor door ouderdom en ziekelijkheid

                niet altijd de mis kan komen opdragen. Tweedens stelden ze dat de afstand

                van Hombeek tot Leest  “een groote half ure” is en die van Heffen tot Leest

                maar “een clijn quartier ure”. Bovendien is er daar een koster die kortelings

                priester wordt en dan mee kan inspringen om de vroegmis op te dragen in

                Heffen of Leest. En ten vierde staat er dat de Hombeekse pastoor zelf

                verklaard had de inkomsten van Leest niet nodig te hebben “om te leven”

                -hij was inderdaad van rijke komaf- en akkoord ging met het verzoek van de

                Leestenaars. Met hem willigde ook aartsbisschop Jacobus Boonen de vraag

                in van de Leestenaars.

                Toen Frans Blieck overleed (1/2/1627) werd hij twee dagen later te

                Hombeek begraven op het hoogkoor.

                (Wilfried Hellemans, “Pastoors Gevraagd”, ’t Ridderke nr.2,2004) 

               

                Pastoor Blieck bemoedigde van in den beginne het bijwonen van de

                catechismuslessen. Hij gaf aan de kinderen die er naartoe kwamen  met

                “nieuwjaersmisse pontkoecken”. Met halfvasten kregen zij “hunnen greef”.

                Van tijd tot tijd in de loop van het jaar deelde hij prijzen uit, die bestonden in

                “schoonicheden, beeldekens, paternosters,enz.”

                Te Hombeek verliet hij de parochie in 1645. Naar de gewoonte van die tijd, mits

                een jaarlijks pensioen van 200 gulden, verwisselde hij Hombeek tegen Kapelle

                o/d Bos.  (GPH, Blz.35 en volgende)

     

    1624 – 14 juni : Jan Dielis wijlen Nicolaes sone wonende te Leest verkoopt aan Jan

                Nagels en Catherine De Bruyne zijn huisvrouw wonende te Leest een jaarlijkse

                 erfelijke rente op een huis en hof te Leest aan de Heyde.

                (Schepenakte van Mechelen, Parochie-Archief Leest)

     

    1627 – Bartholomeus De Winne volgde pastoor Joos Blieck op tot einde december 1629.

                Als enige Heffense pastoor combineerde Bart De Winne zijn pastoorschap daar

                met een korte bediening in Leest. Ook hij handtekende wel eens met het

                verlatijnse “Winnius”.

                In zijn periode kwam er (in 1627) een soort kerststal in de Leestse kerk maar

                vooral werd er (in 1628) weer een pastorij of “pastoreel huys” gebouwd, nog

                zonder verdieping. Want de Leestenaars hadden aan hun aartsbisschop immers

                nog twee bijkomende vragen gesteld. Eén : mogen we lenen om een pastorij te

                bouwen ? Twee: krijgen we als die pastorij er staat, een eigen pastoor ?

                En ook op deze twee vragen had aartsbisschop Jacob Boonen “ja” geantwoord.

                Waardoor Nicolaus De Clerck (in 1630) de opnieuw eigen pastoor van Leest

                werd, de eerste in een opeenvolgende rij van achttien.

                (Wilfried Hellemans, “Pastoors Gevraagd”, ’t Ridderke nr.2, 2004)

     

    1627 – Nadat de Leestenaars op hun verzoek toelating hadden bekomen “tot het maecken

                van een pastoreel huys”, togen ze onmiddellijk aan de slag.

                De rekeningen uit die tijd vermelden een uitgave van 31 gulden betaald aan R

                Fruytiers “voor een schip gruys op oudt Leliëndael, met vragt tot de  

                fundamenten”.

                179 kisten kalk aan de prijs van 107 gulden werden gekocht “aen den coopman

                van Doornick”.

                82.000 “carreelstenen”, 8.000 “thiggelen” en 4.000 “paveeystenen” werden

                besteld bij C. Somers voor een totaal bedrag van 439 gulden.

                Dit alles werd gedeeltelijk aangebracht per schip langs de Zenne en gedeeltelijk

                paard  en kar want er werden 37 gulden uitgegeven “aen den schipper en de

                voerlieden”.

                Het metselwerk kostte 400 gulden en voor het timmerwerk betaalde men 500

                gulden.  Daarbovenop kwamen nog 43 gulden die aan schrijnwerker C.

                Soetemans werden betaald. Het “eysenwerck ende het slotwerck” werd uitgevoerd

                door L. Back aan de prijs van 249 gulden.

                Verder werden nog 33 gulden uitgegeven aan P. Van Eyck voor de ruiten en 78

                gulden “voor eenen watersteen” en “het decken van de tack”.

                Er werd 23 gulden betaald “aen drinckenbier voor de wercklieden” en 52 gulden

                “aen verteer door de kerckmeesters met de meesters metser, timmerman en

                slotmaeker”, bij de aanbesteding, het leggen van de eerste steen, het planten van

                de meiboom, enz...

                Alles samen kostte de pastorij  2.010 gulden.

     

    1630 – Pastoor Nicolaus De Clerck was de eerste pastoor die de nieuwe pastorij betrok

                en enkel Leest had te bedienen. Hij deed dat van 1630 tot 1644. Toen werd hij

                verplaatst naar Hombeek waar hij overleed.

     

    1632 – Jacques Elias werd koster te Leest. Hij was een ingeweken Leestenaar.
                Hij werd geboren in 1611 en overleed op 25 augustus 1692 op 81-jarige leeftijd.

                Elias werd begraven in de kerk, op zijn kerk staat te lezen : “I.H.S. Sepulture

                Van de Eersaemen Jacques Elias coster deser kerck omtrent 61 jaeren,

                gestorven den 25 augusti 1692 oudt 81 jaeren ende Jenneke Lepaige syne

                wettighe huysvrouw gestorven den 29 january 1669 ende Peeter Elias synen

                sone oock coster den tydt van 47 jaeren, oudt 72 jaeren, sterft den 17 juli

                1722. Bidt voor de zielen...”

                Het kosterschap zou gedurende vijf generaties in deze familie blijven.

                (De Kosters van Leest, De Band-november 1985)

     

    1634 – Dat jaar legden de pastoor van Hombeek en de abdis van Kortenberg “alsulcken

                different neer als tusschen hen geresen ware ten aensien van sesse meukens

                corens  uyt diewelcke den pastoor van Leest hem pretendeerde te competeeren

                drye veertelen corens uyt die thiende van Sinter Nicolaes”.

                Kortenberg met de pastoor van Leest beweerde dat de pastoor van Hombeek die

                drij veertelen jaarlijks betalen moest aan zijn collega van Leest, maar den 31

                januari werden daar peismeesters opgesteld : “den eerweerdighen heer canoninck

                Jan van Wachtendonck ende Gerardt Smidts, licenciaet inde rechten”.

                Na een ernstig onderzoek bleek, dat de St Nikolaes tiende uitging op een land

                gelegen bij een molen. Die molen was ofwel de kloostermolen onder Hombeek,

                ofwel de Steinenmolen onder Leest. Bij welken van beide molens lag het land ?

                Men gelukte er niet in dit uit te maken.

                Zo werd dan op 8 juni 1641 verklaard dat de abdis van Kortenberg en de pastoor

                van Leest onvoldoende bewijzen hadden aangebracht en dat de drij veertelen dus

                niet ten laste van de pastoor van Hombeek konden gelegd.

                (Kerkarchief Hombeek, T.3 – GPH- De Ridder)  

     

    15-02-2012 om 16:55 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1601 – 20 januari : Jan Van Hanswijck echtgenoot juf. Anna van Malderen verkopen

                Loys Breaumont, brouwer, beemd te Leest bij de brug, grenst 1 de straat, 2 de

                Zenne, 3 erfg. Lettijns, 4 klooster Cortenberg.

                 (Notaris Van de Venne, Mechelen  f°12).

     

    1601 – 14 februari : Dympna Tuytelaers jong meyssen 30 jaar enige dochter van wijlen

                Hendrik en Maeyken Van Eertbrugge, verkoopt Willem van Steenhuys advokaat

                en echtgenoot van Margriet van Gottignies 6 dagwand land te Leest op tstijwerck

                naast Darlantstraat en Pieter Lancelaer verbind rente van 12-8-1572 bepand op

                land daar huis op gestaen heeft een dagmael te Leest aan de heide, en land op

                Daerland te Leest naast Peter De Cale erve.

                (Notaris Van de Venne,Mechelen, f°1202)

     

    1601 – 15 mei : Collegie van Zellaer getuige over Jan Bauwens auditeur ordinaris tot

                Ruremonde dat jegens het collegie rente gelost die op 4-8-1593 juf. Isabau

                Bouwens echtgenote Jan Jaecx aan voormeld collegie verkocht had op hoeve

                omwaterd “Rendelbeke” te Leest groot 32 bunder aan voors. auditeur

                toebehorende.   (Notaris Van de Venne, Mechelen, f°1269)

     

    1601 –26 mei : Jan Van Hanswijcke echtgenoot van Anna van Maldere verkopen Loys

                Breaumont rente op heurlieder hoeve te Wets Hertstrate aldaer tot Leest waarvan

                huurder Adriaan de Muldere.

                (Notaris Van de Venne,Mechelen,nr.1285)

     

    1601 – 27 juli : Peter Scheltkens en zijn echtgenote Dympna Tuytelaers te Leest.

                (Notaris Van de Venne,Mechelen,nr.1320)

     

    1601 – 8 augustus : Barbara Pieters (dochter van Pieter) weduwe van Jan Staes en van

                Jan Van de Passe testament. Aan...

                ...

                De dochter van Laureys Bruers tot Leest bij Peter Van Gijsele item...

                (Notaris Van de Venne, Mechelen,nr.1340)

     

    1601 – 26 november : Adam Persoons, meier van Leest, Peter Vleminckx Jan Verlinden

                en Charle jans gezworenen. Pieter Van Gijsele en Anthonis Coeckelberg als

                 kerkmeesters, tegen godshuis Cortenberg over werk aan de kerk.

                (Notaris Van de Vennen r. 1397)

     

    1601 – 22 december : Juf. Isabeau Manteau weduwe heer Pieter Lanceloots en nu

                weduwe van Jan Boels van wie Pieter Lancelot verkopen Guilliam Van Steenhuys

                raadsheer echtgenoot Margrriet van Gottignies beemd te Leest bij de hoeve van

                Steynemeulen, en land “Stoppels” te Kapellen op den Bos op Heindonk.

                (Notaris Van de Venne, Mechelen, nr.1404)

     

    1602 – “...hoffstede geheeten het Hoeffijzer ende gelegen onder den dorpe van Leest...”

                (GM)

                “...Sr Peeter Suyens een bosch aende hoeve can Capellen aent Hoefijzer groot

                omtrent 2 dagwant...”(Coh.van Leest, TS nr.3 1676)

     

                De Hoeve en Brouwerij het Hoefijzer

     

    Van dit historisch goed zijn sporen teruggevonden uit de zestiende eeuw.

    In 1673 verkocht sr. Joannes Vervoort een sekere hofstede gelegen in Smal Brabant,

    gemeynelijck genoemt het hoefyser, aan Joos Coeckelberg, de zoon van Geraard en echtgenoot van Jenneken Fierens. Deze leende 100 gulden op deze hoeve, die ook als brouwerij vermeld werd. In 1688 kwam daar een lening bovenop van 240 gulden.

    In 1727 waren Livinus Moortgat en Joanna Fierens huurders en twee jaar later kochten ze de brouwerij van de erfgenamen van Anna Coeckelbergh, weduwe van Adriaen Selleslagh en gehuwd met Peter De Laet  en haar negen kinderen.

    Hiervoor werd datzelfde jaar nog een lening aangegaan van 1.000 gulden bij Anna Theresia Snijers.

    De brouwerij kwam daarna in handen van Antoon Erix via zijn echtgenote Adriana De Bruyn, de tweede vrouw van Livinus Moortgat.

    In 1769 verkochten zij en haar kind  Peeter Jan Moortgat “Het Hoefijzer” aan Frans Scheers van Leest, echtgenoot van Anna Maria Van den Brande van Humbeek.

    Uit hun huwelijk overleefden twee kinderen : Jan Bt (1770) en Antoon (1773).

    Tot begin 1800 was het Hoefijzer onder de parochie Leest, later onder Sint-Martinus Hombeek.

    In 1821 stierf Antoon Scheers en behield zijn tweede echtgenote het vruchtgebruik.

    In 1831 stond ze dit af aan de twee dochters uit het eerste huwelijk van haar man : Antonia, 19 jaar en Catherina, 18 jaar.

    In 1834 huwde Antonia Scheers met Guilliam Van Messem van Humbeek.

    Ze hadden negen kinderen.

    Desiré Slachmuylders huwde het zesde kind : Maria Amelia Van Messem.

    De brouwerij ging over op haar oudste broer Aloys Van Messem met Nuyt getrouwd.

    Zij vererfden ze aan hun dochter Rosalie (1877) die gehuwd was met de brouwer Jos Lenaerts (1879) uit Kaloo.

    Na de familie Lenaerts woonde de familie Ongena er, nadien en tot heden de familie Van Goethem. (’t Ridderke, nr.2-1996 – Hombeekse stammen, Ward De Kempeneer)  

     

    In ’t Ridderke nr.4 van 1996 meldde Theo Geets, Kleine Nieuwendijk 49 Mechelen

    Volgende correctie :

    “Na de familie Lenaerts woonde de familie Ongena er, en nadien en tot op heden de familie Van Goethem”. Deze vermelding is onjuist. Op het complex der brouwerij heeft geen van beide familie gewoond, wel op de verder gelegen hoeve.
    De brouwerij “het Hoefijzer” met woonhuis, bijgebouwen en gronden (1 ha 25 ca) werd in 1921-1922 van Dhr. Jos Lenaerts aangekocht door Karel Geets – Van Den Eynde.
    De brouwerij werd ontmanteld, een gedeelte van de bouw werd afgebroken en de koperen brouwketels werden verkocht aan een zekere De Bondt uit Londerzeel.
    De bakstenen werden gekuist met medehulp van de buren en per loten van steeds duizenden verkocht aan belangstellenden. De speciaal geboorde waterputten (p.m. 100 meter diep ?) met kristalhelder water bevonden zich in de boomgaard ten zuidwesten van de gebouwen (en waarschijnlijk nog).

    Tot 1955 bleven familieleden Geets eigenaars en bewoners van de ex-brouwerij “het Hoefijzer”.

     

    Antwoord van Ward De Kempeneer : “...De laatste jaren woonden inderdaad in het huis, aan de brouwerij verbonden, de familie Lenaerts en nadien Geets, de ouders van Theo.

    De families Ongena en Van Goethem hebben op de hoeve gewoond en niet, zoals verkeerd vermeld, in het huis Lenaerts. Anderzijds is er een vermoeden dat oorspronkelijk enkel op de plaats van de hoeve werd gebrouwen. Jos Lenaerts en zijn echtgenote Rosalie Van Messem, brouwersdochter, hebben een nieuwe woning gebouwd naast de hoeve. Naar de gegevens van Theo was daar ook de brouwerij gevestigd.

    Werd deze daar opgericht door brouwer Van Messem of stond ze daar oorspronkelijk ?

    We komen er nog wel achter.” 

     

    In de 19e eeuw hadden er in de herberg Het Hoefijzer verschillende openbare verkopingen van de oogst en de gewassen te velde plaats. De verkopen kenden een groot succes en boeren van Hombeek en Leest kwamen er op af. Bij deze verkopen waren Cornelis Meuldermans, veldwachter van Leest en Jacob Preutens, veldwachter te Hombeek getuigen. (’t Ridderke, nr.2,1995)

     

    1602 – 22 janauri : Jan van Hanswijck verkoopt Loys Breaumont brouwer rente op een

                beemd te Leest aan de brug, een bunder.

                (Notaris Van de Venne, Mechelen, nr.1421)

     

    1602 – 6 februari : Margriet Janssen weduwe msr Hendrik Sterck raadsheer gelast msr

                Jan van der Hofstad Peter Vlemincx, Jan Verlinden en Charles Janssens

                gezworenen te Leest, Pieter van Gijssele en Andries Koeckelberg kerkmeesters

                over voldoening van vonnis 8 juli l.l. ten achterdeele van voors. Margriet ter cause

                van onkosten dekken en vermaken van den koor der voorschreven kerk, zij moet

                500 gulden geven. (Notaris Van de Venne, Mechelen, nr.1435)

                Volgens “N” in “Leest in de spiegel van het verleden”, in Gazet van Mechelen

                zou deze Margriet Janssens samen met de abdis van Kortenberg de tienden van

                Leest genieten.

     

    1602 – 9 februari : Msr Antoon Sucquet pensionaris verkoopt Cornelis Van Triest 4

                bunder beemd en bos te Leest, eertijds toebehoort hebbende Adam Wilderlants.

                (Notaris Van de Venne, Mechelen, nr.1437)

     

    1603 – Dat jaar hebben de “kerckmeesters doen gieten bij Hans Van den Gheyn

                clockgieter te Mechelen twee clocken, wegende saemen 825 pond voor de

                somme van 350 gulden 12 stuyvers”.

                Deze rekening werd nadien voorgelegd aan de abdis van Kortenberg die voor de

                parochiekerk moest instaan maar blijkbaar niet scheutig was om te betalen.

                Ze verloor echter het tegen haar ingespannen proces en betaalde tenslotte de som

                af  in zes betalingen.

                In 1606 waren de rekeningen vereffend.

     

    1603 – 29 januari : Brief van Mathias, aartsbisschop van Mechelen aan P.Vander Meulen,

                de pastoor van Leest de toelating verlenend aan kerk en H. Geestmeesters het bos

                “de Wiehaeghe” gelegen te Kapelle op den Bos te verkopen aan Matthijs vander

                Heyden. (Parochie-Archief Leest)

     

    1603 – 26 maart :Juf. Anna Van Paffenrode X +Jeronimus Bernaerts XX Jan Janssen

                apotheker, Anna en Elisabet haar dochters uit eerste huwelijk, religieusen

                Blijenberg voor twee staken, mgr Jan Bernaerts, priester voor een staak, mgr Jan

                Van Paffenrode secretaris derstad voogt van Hendrik en Joronimo Bernaerts

                beiden minderjarigvoor de vierde en vijfde staak, allen kinderen van Jeronimus.

                Kavel A = Hendrik Bernaerts / de helft van een bos van 9 bunder samen te Leest

                bij de Thiendeschuur “den Torpoel”, drie dagwant land “Vriesendonck” te

                Heffen…

                Kavel B =  Jeroen Bernaerts / de Maenenbos te Leest in de Aerlamstraat, de helft

                en 1/12 …

                (Notaris Van de Venne 26/3/1603, nr. 1914 f°73),   

     

    1603 – 5 mei : Msr Willem van Steenhuys raadsheer Grote Raad verklaart dat Dympna

                Tuytelaers alsdan jonge meyssen en nu huisvrouw van Pieter Schellekens aan

                hem verkochtt 6 dagwand land te Leest. Verbind twee chijnsen van 3-II-1571 en

                12-8-1572 bepand op land daar eertijds huis op g estaan heeft een dagwand te

                Leest. Actum ten huize van eerstg. Nieuwen Bruul.

                (Notaris Van de Venne, Mechelen, nr.1673)

     

    1603 – 10 september : Wijlen Hendrik Van Berge, echtgenoot van wijlen Maria Dussens

                van wie Katelijne, echtgenote Jan de Meyer, Margriet jonge meyssen 25 jaar,

                Hester van Berge 25 jaar voogd Philips Raet...

                ... plantagie 3 dagwand te Leest waarop huizen gestelt zijn kavel B : bos

                “Scherpenhorick” te Leest aan de heide verkrijgbrief 18-6-1567 land drie

                dagwand te Leest op de beke bij Biest...

                (Notaris Van de Venne, Mechelen, nr.1771)

     

    1603 – 5 december : Msr Aert van Heyst als bezitter ¼ hoeve “ ’t Hof ter Holse” te Leest

                met Jan Bouwens auditeur ordinaris Rekenhof van Holland weduwnaar van

                Margriet Molliaerts vanwie twee kinderen ¾ dezelve hoeve mangelen met Jan

                van Saeffoet inwoner Mechelen.

                De eerste partij geeft “Sondagsveld” dependerende voormelde hoeve groot twee

                bunder te Leest tussen eesterbos van een bunder toebehorende juf. Isabella

                van Heyst en “het Lakeusel” het “Sceurrcaproen” tussen eesterbos een bunder

                toebehorende juf. Isabella van Heyst en bosken Lankeusel waartegen Jan Safoet

                geeft eesterbos 3 bunder naast Torrebosch.

                Cornelis Moortgat blijft huurder tot 1606.

                Jan Bouwens bezit nog andere hoeve  “het Rendervelt”.

                (Notaris Van de Venne, Mechelen, nr.1844)

     

    1604 – “...onder de prochie van Leest in de Voosdonckstrate...” (GM)

     

    1604 – 2 maart : Pieter Diddens geeft een stuk grond op het “Hertsveld” aan de kerk en

                de H.-Geesttafel van Leest “mits te doene eene misse tot laeffenisse sijns

                comparante ziele”. (Schepenakte Mechelen – Parochie-Archief Leest)

     

    1604 – 26 maart : Juf. Anna van Paffenrode weduwe van Jeronimus Bernaerts en

                echtgenote van Jan Janssen apoteker, Anna en Elisabet haar dochters uit eerste

                huwelijk, religieusen Blijenberg voor twee staken, msr Jan Bernaerts priester voor

                een staak, msr Jan van Paffenrode secretaris der stad voogd van Hendrik en

                Jeronimo Bernaerts beiden minderjarig voor de vierde en vijfde staak, allen

                kinderen van  Jeronimus.

                Kavel A : Hendrik Bernaerts / de helft van een bos van 9 bunder samen te Leest

                bij de Thiendeschuur “Den Torpoel”, drie dagw land...

                Kavel B : Jeroen Bernaerts / de Maenenbos te Leest in de Aerlamstraat...

                (Notaris Van de Venne, Mechelen, nr.1914)

     

    1604 – 3 augustus : Jan Van Hanswijck X Anna Van Malder lenen van jonker Robert De

                La Tour heer van Moriencourt. Verbinden hoeve en boomgaard 16 bunder te

                Leest in de Herstrate en huis “den Ingel” Haverwerf en hun zoutwerf (Mechelen).

                (Notaris Van de Venne 3/8/1604,nr.2008,f°212)

     

    1604 – 24 september : Jan van Orsele lakenkoopman Pauwels van Orthen.

                Getuige Hans Gielis tot Leest. (Notaris Van de Venne,Mechelen, nr.2047)

     

    1604 – 1 oktober : Marcel de Grove 67 jaar echtgenoot van Katelijne Couthals 53 jr,

                getuigen voor Willem van Werchter rentmeester abdij Cortenberg dat voor drie

                maand Matthijs van Woluwe nu wijlen wezende thunnen huize “Bruessel” in de

                Hoogstraat, ter presentie van Pieter Diddens hebben horen verklaren “naerdyen

                zelven Diddens hem van Woluwe gevraeght hadde ofte hij nyet en wiste oft

                voorschreven godshuys van Leliëndael blocken liggende Larstrate tot Leest aan

                Couwenbergs van thiende... Matthijs van Woluwe was knecht van Leliëndael, had

                dezelve tiienden gevoert in de Thiendenschuur tot Leest.”

                Getuigen Hyppoliet Staes oudschoenmaker en Antoon van Dormael kleermaker.

                (Notaris Van de Venne, Mechelen, nr.2050)

     

    1605 – “Jan de Leeuw als man ende mombois van Jouff. Anna Snellincx ende hare

                kinderen heeft verreyct een steynen huys met pachthove, stallinghe, bogaerd,

                land, beempde, gronde, etc. Genaamd thoff van Steynemolen, groot omtrent

                30 bunderen onder de prochie van Leest toebehorende Jonffr. Ysabeau Manteau

                ende Peeter Lansloots haare sone”. (GM f°23)

     

    1605 – 17 februari : Testament van Anna Van Merchtere alias Bertens, dochter van

                de overleden Gielis, ziek. Had eertijds gefondeert gezongen mis van Sint Anna

                bij de Augustijnen, had hun daarvoor getransporteerd 7 dagwant bos te Heffen

                en Leest..

                (Notaris Van de Venne nr.2173,f°74)

     

    1605 – 19 januari : Hans Covelere, landman 30 jaar oud, Hans van Winge hovenier 25 jr,

                beiden poorters te Mechelen getuigen voor Gommaer Taverniers landpachter te

                Hofstade, waren een jaar geleden ten huize “Oud Gulden Hooft” op de Veemarkt

                waar Taverniers verkocht Peter Coremans maalder te Leest een bruin merriepaard

                74 gulden. (Notaris Van de Venne, Mechelen, nr.2136)

     

    1605 – 8 februari : Testament Bernard De Hont slotenmaker echtgenoot van Paulijne

                Goyencost. (Notaris Van de Venne, Mechelen, nr.2163)

     

    1605 – 23 februari : Jan De Leeuw weduwnaar van Katelijne Lelieboom...1/2 bunder bos

                onder Leest bij de Thienschure...(Notaris Van de Venne,Mechelen, nr.2180)

     

    1605 – 23 februari : Anna Snellincks weduwe van Jan Vleminckx...eerste kavel rente 78

                gulden erfelijk op de goeden van Pieter Lanceloots onder Leest.

                (Notaris Van de Venne,Mechelen, nr.2181)

     

    1605 – 3 april : Testament Jeronimus Bernaerts (zoon van de overleden Jeronimus en

                Anna Paffenrode) oud 19 jaar woont in collegie Soc.Jesu. Anna en Elisabet zijn

                zusters in klooster Blijenberg rente op 4 bunder bos te Leest in Herlaerstrate.

                Jan Bernaerts priester en Hendrik zijn broers, Beytken Janssen zijn halfzuster,

                dochter van Jan Jansen. (Notaris Van de Venne,Mechelen, nr.2232)

     

    1605 – 21 april : SG Augustijn Vermeulen (z.v. overleden Augustijn) echtgenoot van

                Elisabet van Laken...item een half bos te Leest.

                (Notaris Van de Venne,Mechelen, nr.2253)

     

    1605 – 23 mei : Matthijs Verheyden en Cathelijne Segers zijn huisvrouw schenken aan

                Andries Coeckelbergh kerkmeester en aan Peeter Vleminck en Carel Janssens

                H.Geestmeesters, de helft voor de kerk, de helft voor de H. Geesttafel van Leest,

                een erfrente op een bos “de Wiehaghe” geheten gelegen aan de wndmolen onder

                de vrijheid Capelle op den Bos.

                (Schepenakte Kapellen o/d/ Bos – Parochie-Archief Leest)

     

    1605 – 8 juni : Jan van Hanswijck (zoon van Jan) echtgenoot van Anna van Malderen

                verkoopt  heer Hendrik van Hanswijck schepene ts een bunder land te Leest aan

                de brug, grenst 1 desen, 2 erfg. Buysset, 3 mij notaris, 4 de straat.

                (Notaris Van de Venne, Mechelen, nr.2294)

     

    1605 – 14 juni : Msr Pauwels van Kerstlijnen Raed en pensionaris echtgenoot van

                Charlotte de Par verkopen heer Hendrik Janpen prior klooster Augustijnen hun

                hoeve te Leest met huis = 6 dagwand bij Rennekouter / item 3 percelen deels

                boomgaard en voormaals toebehorende wijlen Pieter David aan malkanderen bij

                vs 6 dagwand grenst 1 de straet, 2 de heide = 7 dagwand / item land een half

                bunder op Rennecouter mede toebehoort hebbende voormelde Peter David /

                item land ½ bunder “het Smoorsveld” tegenover voors.land /

                item “het Proestken” ½ bunder / item land “Tulpensvelden” / item drie dagwand

                gekocht van...Gommerbach het “Buesblock” 6 dagwand.

                Item 7 dagwand eertijds huis / item “het Hovenblock” een bunder /

                Item “de Smijsselsplate” een dagwand/ item land op Hertsveld / item land “den

                Heuvel” 3 dagwand aan de hoeve Jan van Hanswijck/ item beemd “de Gulden

                Boyens” beneden de Warande aan ’t Robbroeck 2 bunder.

                (Notaris Van de Venne,Mechelen nr.2299)

     

    1605 – 26 juli : Testament van Barbara Peeters (dochter van Pieter), weduwe van Jan

                Staes en Jan van Passele...

                Gielis Peeters alias Brabander (zoon van Pieter Pieters alias Brabander) de

                dochter van Laureys Broers te Leest bij Pieter van Gijsele.

                (Notaris Van de Venne, Mechelen, nr.2331)

     

    1605 – 19 oktober : Jonker Charles van Bouvekercke (zoon van Charles) geas. van Adolf

                Van Venne zijn schoonvader verkoopt Loys van Breaumont brouwer, beemd

                15-02-2012 om 09:30 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1591-                        De Tiendenhoeve -Tiendeschuurstraat.

     

                1591 : “...tot Leest tegens de Thiendeschure...” (GM)

                Andere vermeldingen :

                1594 : “...de Thieneschuere in de Thiendeschuerstraat...” (HCM)

                1663 : “...onder Leest bij de Thiende Schuere...” (AM)

                1723 : Jan Van Acoleyn : d’erffgenaemen van den heer Grisper : Pachthoff met

                diversche stucken aen een, ende plaetse daer de thien schuer op staet.

                Het pachthof van Grisper, met de vroegere tiende schuur welke nog eene groote

                hoeve is, behoorde in 1810 aan de familie de Meester, in 1905 aan de Meester-

                de Coussemaker, te Antwerpen.

                Het toponiem Tiendeschuurstraat vonden we terug in :

                1442 : “...in Leest inde Thiendeschuerstrate...” (GM)

                1450 : Onder Hof ter halen : Thiendeschuerstrate. (GM)

                1474 : “...een stuck lant geh. Tarweblock gel. aen de Thiendeschuerstrate..”(GM)

                1815 : “...de Tinne Schuerstraet vroeger Lijkstraat..” (WB)

                De Tiendenschuur-hoeve was gelegen tegenover de boerderij Van Roey in de

                gelijknamige straat.

                In deze hoeve moesten de pachters een tiende van hun oogst binnenbrengen

                als cijns.

                De tienden werden geheven door de abdij van Kortenberg, die er 1/3  van afstond

                aan de pastoor. Deze cijns werd in 1637 een vaste som.

                Aanvankelijk bestonden er slechts twee tienden, namelijk de “grote tiende” op de

                graangewassen en de “kleine of smalle tiende” op minder belangrijke teelten :

                zaad, erwten, bonen, brandhout, wijn, ook op vlees : de “vleestienden” waardoor

                de houders van schapen, varkens, ganzen, eenden, kippen één tiende van deze

                dierenstapel moesten afgeven.

                In de 13e eeuw ontstonden de “novalia” of tienden op de nieuw ontgonnen

                gronden. De novalia waren bestemd voor de parochiale geestelijkheid, maar door

                een voorrecht bekwam de abdij van Kortenberg in 1266 van Hertog Hendrik III

                de novalia in al de parochies  waar ze andere tienden bezat.

                De abdij van  Kortenberg inde de tienden in zeven parochies : Kortenberg, Erps,

                Kwerps, Nossegem, Kampenhout,Hombeek en Leest.

                Het pachtboek van de abdij (17e eeuw) verstrekt nog volgende gegevens over de

                tienden : te Leest werden ze verpacht zonder Haksdonck en zonder het negende

                deel van de pastoor, tegen viertelen rogge, 12,5 viertelen boekweit en 12,5

                viertelen haver, plus nog de som van 440 gulden (1640).

                Het innen der tienden gaf aanleiding tot veelvuldige wrijvingen tussen de abdij

                enerzijds en de parochiale geestelijkheid anderzijds.

                (DB-nr 8, 1955 en 1/3/1957)

                In Gazet van Antwerpen van 6 december 2002 blokletterde Leo De Nijn :

                “Hondengeblaf niet langer welkom in landbouwzone”. Het betrof de

                hondenschool “TIENDESCHUURKE” gevestigd in de gelijknamige straat

                maar op zoek naar een andere locatie omdat hun huidige locatie in een

                landbouwzone lag.

     

    1592 – “...Bosch groot omtrent een ende halff bunder geheten Vranxbloken oft Setsel

                gelegen tot Leest tusschen Goesbrecht Van Gestele erve ten eenre ende Mr.

                Aelbrecht Bouwens erve ter tweedere, het Battelerevelt ter derdere ende den

                Kerckenbosch ter vierdere zijden...(GM)

     

    1592 – Jan Haes (Haese-Hals) werd pastoor te Hombeek en te Leest (van 1592 tot 1598).

                Over de data van zijn herderschap bestaat absoluut geen eensgezindheid.

                Hij was een norbertijn uit de abdij van Grimbergen en pastoor te Ruisbroek aan

                de Rupel. Maar daar was hij weggegaan omdat de pastorij er bouwvallig was

                én omdat hij er te weinig bestaansmiddelen had.
                Zo kwam hij naar Hombeek en hielp er de zieke pastoor M. Goossens.

                Hoelang hij diens onderpastoor was is onduidelijk maar alleszins vanaf 19 juli

                1592 bediende hij Leest dat, zo schrijft F. De Ridder, zonder pastoor was

                en waar het al even erg lag als te Hombeek.

                Tijdens zijn Leestse bediening begon men er aan de herstelling van het hoogkoor

                in de kerk. En het is ook waar dat Leest aan deze man haar oudste

                parochieregister dankt, dat van de huwelijken, waaraan hij begon op 2 mei

                1599.

                Op bevel van zijn prelaat moest hij in 1596 weer naar Ruisbroek vertrekken.

                Maar dat deed hij pas in 1599.

                (Wilfried Hellemans : “Pastoors Gevraagd”, ’t Ridderke nr. 2 van 2004)        

     

    1593 – 27 juli : Rombout Lanceloots (zoon van de overleden Cornelis) verkoopt zijn part

                van beemd “den Tragel”, groot 4 bunders tot Leest omtrent de brug. Borg : zijn

                schoonmoeder Katelijne Daniels. (Notaris Van de Venne Mechelen, f°191)

     

    1595 – Na het concilie van Trente (1563) werden alle pastoors verplicht de doopsels,

                huwelijken en overlijdens die ze deden, in een register in te schrijven.

                Het duurde evenwel nog een tijdje eer die nieuwe gewoonte er bij de pasters inzat.

                Zo vangt het eerste parochieregister van Leest aan in 1595.

     

    1595 – Het waren beroerde tijden voor onze streken op het einde van de 16de eeuw.

                De kerk was uitgebrand, de kerkschatten verdwenen, de klokken geroofd, geen

                pastoor meer en bijna de hele bevolking gevlucht of uitgeweken.

                Tussen 1592 en 1599 bijvoorbeeld  werden slechts elf huwelijken van Leestenaars

                ingezegend en die gebeurden dan nog allemaal te Mechelen in de O.L.Vrouwkerk,

                te Hombeek of te Kapelle op den Bos.

                Ook het minieme aantal sterfgevallen is typerend : van 1592 tot 1594 werden

                slechts twee begrafenissen gesignaleerd.

                Dan komt echter 6 april 1595. Op die datum lezen wij in het overlijdensregister

                van Leest dit kort sensatiebericht : “...ex conflagratione certi oppugnacuoli

                rusticorum in coemeterio loci extructi...” : elf boerenmensen komen om in een

                brand van een hogergelegen verschansingsplaats op het kerkhof. Het zijn Petrus

                Vertongen met zijn vrouw Margriet Winge en hun kindje, een jong meisje

                Paschalia Vlemincx, Clara Swyninca die getrouwd was met Jan Verlinden met

                haar kind, Jan Costemans met een kind, een dochtertje van Petrus Verschueren,

                Jan Van den Broeck alias Neefs en een kind van Stefan Persoons.

                (WLS, blz.8 en 9)

     

    1595 – “Betaelt den 3 juny 1595 eenen huysman gecomen van Leest ende mede gebracht

                hebbende vijf jonghe wolven bij hem aldaer gevanghen – voor het groot devoir

                daer inne bij hem gedaen.” (MK- Frans Berlemont)

     

    1595 – 17 juli : Katelijne Eyckemans weduwe Christoffel Coels verkoopt Peter Van

                Cruhingen brouwer echtgenoot van Joanna Van Broecke haar nichte de helft

                geërfd van Elisabet Van Broecke haar moeder in een erve daar een huis op

                gestaan heeft te Leest, grenst 1 de erfgenamen van Antoon van Eemeren,

                2. het kerkeblok, 3. sheerestrate item een blok lant rondom met fruitbomen

                tegenover voormelde erve 1. sheerestrate, 2. Leester Couter, 3. de straat,

                4. de Lijckstrate. (Notaris Van de Venne Mechelen, f°356)

     

    1595 – 7 december : Merten Van Laeken wonende in de Huidevetterstraat echtgenoot van

                Katelijne Smuncx, haar eerste man was Merten Mommaerts van wie twee

                kinderen Katelijne X Gillis De Grauwe en...

                1/5 beemd “de Grooten Tragel” tot Leest, tegenwoordig toebehorende Loys

                Breaumont brouwer. Getuigen Thomas Struelens leertouwer en Jan Ghuens

                huisman te Muizen. (Notaris Van de Venne Mechelen, f°394)

     

    1596 – Onmiddellijk na de beroerten der XVIe eeuw, zodra de dageraad van rust en vrede

                aanbrak, ging een der grote bekommernissen van de geestelijkheid naar de

                herinrichting van het onderwijs, vooral op den buiten.

                Reeds, terwijl de storm nog woedde, had het provinciaal concilie van Mechelen,

                in 1570, aan de bisschoppen bevolen, dat in de steden en de dorpen de

                parochiescholen, zo zij gevallen waren, heropgericht, en zo zij nog bestonden,

                behouden werden en vermeerderd.

                Pas hadden, hier te lande, de aartshertogen Albrecht en Isabella hun blijde intrede

                gevierd of de geestelijke overheid drong bij de pastoors krachtig aan op de

                uitvoering van dat bevel.

                In het aartsbisdom Mechelen wilde zij volstrekt zo spoedig mogelijk een school

                voor iedere parochie. Op de dorpen, waar men niemand vond met voldoende

                bekwaamheid die het onderricht der kinderen wilde opnemen, werd de taak van

                schoolmeester opgedragen en opgelegd aan de koster van de parochie.

                De landdekens kregen de taak, jaarlijks bij hun kerkvisiet te vernemen en te

                onderzoeken , hoe het in de parochie gestaan en gelegen was met de school...

                Die van Leest beloofden in 1596 uit de inkomsten hunner H.-Geesttafel jaarlijks

                drij veertelen koren te betalen aan den schoolmeester, op voorwaarde nochtans,

                dat de H. Geestmeesters van Hombeek ook drij veertelen zouden geven. (Leest

                werd  toen nog bediend door de pastoor van Hombeek)

                (Geschiedenis der Parochie Hombeek – F.De Ridder, blz.96 en volgenden)

     

    1596 – 21 juni : Adolf vanden Venne, wonende Koestraat, verhuurt aan Bartolomeus

                Goessens en Peter Verschueren een hoeve te Leest.

                (Notaris de Hondecoutere, Mechelen nr.860)

     

    1596 – 22 november : Peter van Zijpe, procureur 46 jaar en Jan De Kariddere 46 jaar, als

                der w.v. + Jan Van Breusem x Magdalena Van der Aa bij zitdag ten huize van

                Adam  Persoons   oud 69 jaar de oude, meier der prochie van Heffen en Leest,

                Gestaan in de Adegemstraat in herberg “Schotland”, verhuurden aan Lenaert

                Matthijs weerd in “Sint Jacob” een half bunder wey onder Battel in Diepbrouc...

                (Notaris De Hondecoutere, f°853)

     

    1597 – De landelijke bevolking van Mechelen “gemonstreert synde Anno 1597 in

                September, wierdt bevonden niet stercken te syn als 174 mannen : Hever 41,

                Muysen 27, Hombeek 43, LEEST 31, Heffen 26 en Battel 6.”

                (Kerkarchief Hombeek M,nr.3)

     

    1597 – 7 februari : Pieter Coreman molder en landpachter tot Leest getuige Jaspar De

                Vleeschouwer. (Notaris Van de Venne Mechelen, f°152)

     

    1597 – 22 maart : Jan Van de Weerde als mespachter wonende Leest debet Frans Van

                Roye over geleverde granen en obligatie die hij had tot laste van Jan Verlinden

                nu wonende tot Blaasveld.

                (Notaris Van de Venne Mechelen, f°179)

     

    1597 – 8 mei : Staat van goed wijlen Rombout Verpoorten X juf. Maria Feermans.

                Voogden Adriaan Verpoorten en Cornelis Feermans over zijn voordochter

                Anneken Verpoorten uit + Anneke Van Berge.

                Voogden Adriaan Verpoorten en Cornelis Feermans over de vijf wezen uit het

                tweede huwelijk.

                ....rente op 6 bunder bos te Leest toebehorende Pieter Lanceloots “de Palenkers”

                genaamd. (Notaris Van de Venne Mechelen, f°213)

     

    1598 – Willem Van Achelen werd pastoor van Hombeek en Leest. (tot 1624)

                Onder hem werd het hoogkoor én het kerkhof in Leest ingewijd (1599).

                Datzelfde jaar begon Willem Van Achelen er met een doopregister.

                Deed hij werkelijk een zondagsmis in Hombeek en de volgende in Leest ?

                Zeker vanaf 1605 deed hij dat slechts veertiendaags : de ene zondag in

                Hombeek en de volgende in Leest. En dat bijna twintig jaar lang !

                Omdat zijn Hombeekse en Leestse pastorij onbewoonbaar waren,

                verbleef hij dan hier, dan daar. In 1602-1603 was dat halfweg tussen Hombeek

                en Leest, op andere momenten in Mechelen en enkele jaren zelfs in de

                Hombeekse...sacristie.

    xml:namespace prefix = v ns = "urn:schemas-microsoft-com:vml" />            Verder werd onder zijn impuls de kerk in Leest verder hersteld.

                Het schip kwam aan de beurt (1607) en de niet meer bestaande kruisbeuk

                met een noordelijk O.-L.-Vrouwkoor en een zuidelijk Sint-Niklaaskoor

                (ca 1614-1615). Ook de nog altijd gebruikte zandstenen sacristie dateert

                uit die tijd (1620).

                Bovendien liet hij de kerk opnieuw meubileren en opsmukken.

                Bv. werd (in 1604) bij Maarten Van Calster het groot Sint-Niklaasbeeld

                gekocht dat nu naast het oude hoofdaltaar staat.

                Willem Van Achelen gaf zijn ontslag op 29 oktober 1623 en overleed

                te Mechelen in 1629.

                (Wilfried Hellemans : “Pastoors Gevraagd”, ’t Ridderke nr.2, 2004)

     

    1598 – Dat jaar werd de spits op de toren gezet met een nieuw kruis, het oude wordt

                “met een cordewaghen naer de Catelijnestraete gevoerd” en daar als een

                “stuck  oudt ijsers vercocht”. Als de toren af is wordt er “een tonne bier” op

                gezet.

                Schaliedekker Merten Offermans zorgt voor het dak van het koor. Er werden

                Daartoe 8.000 schalieën besteld.

                (WLS, blz.9)

     

    1598 – 14 februari : Adam Persoons 70 j. meier van Hombeek, Pieter Diddens 75 j.,

                getuigen voor Jacob Coeckelberg (zoon van Niklaas) wonende te Leest verklaren

                dat zij “familiair gekent hebben” voors Niklaas ende alle zijn kinderen dewelke

                alle zijn overleden zonder kinderen uitgezonderd voormelde Jacob Coeckelberg

                nu enige zoon van Niklaas. (Notaris Van de Venne Mechelen, f°331)

     

    1598 – 14 februari : Pieter Diddens 75 j. Adriaan Persoons 70 j.wonen te Hombeek,

                getuigen voor Jacob Coeckelberg (zoon van Niklaes) wonende te Leest.

                Zij hebben voors Niklaes gekend en al zijn kinderen, allen gestorven

                uitgenomen requirant nu wezende enige zoon en erfgenaam.

                (Notaris Van de Venne Mechelen, f°8)

     

    1598 – 24 april : Testament van Pieter Diddens –zoon van Willem, aan Maytken

                Verschueren (dochter van Pieter) sijns nevensdochter een dagwand te leest op

                “Duyckensveld”.

                Aan Anneken Geens zijn maerte. Maeytken Vertommen (dochter van de

                overleden Henri en eveneens overleden Elisabet Vrancx) mitsgaders Pieter

                Van den Bossche (zoon van Cornelis en van Anneken Vertommen zuster van

                Maeytken)

                wijlen zijn broer Jan Diddens X..vanwie Anneken weduwe van Pauwel De Wilde.

                Lyncke, Coeckelberg (d.v. Andries en Elisabet Diddens ook dochter van vs Jan)

                Herman en Maeyken Beelaerts (kinderen van + Antoon en + Barbara Diddens)

                Willem en Cornelis Vlemincx (k.v. Jaspar en Elisabet Diddens zuster van

                testateur)

                Cornelis en PieterVerschueren (zonen van de overleden Cornelis en Maria

                Diddens, ook zuster van testateur)

                (Notaris Van de Venne, Mechelen f°212) 

     

    1598 – 24 april : Testament Juf. Barbara Peeters (dochter van Pieter), weduwe van Jan

                Staes en van Jan Van den Passe.

                ...aan de twee kinderen van Margriet Van Passe weduwe van Philips Schoof.

                ...de dochter van Laureys Broers wonende nu tot Leest bij Pieter Van Gijsele.

                (Notaris Van de Venne, Mechelen, f°64V-)

     

    1598 – 24 april : Testament van Juf. Petronella Pieters (dochter van Pieter) weduwe van

                Jan Staes en nu van Jan Van Passe...

                ...de dochter van Laureys Bruers tot Leest bij Pieter Van Gijsele.

                (Notaris Van de Venne, Mechelen, f°36)

     

    1598 – 5 juni : Jan Lettin geeft ter verzekering van Zeger Colez en Jan Ansseau voor hun

                deel in de 62 carolus gulden erfelijke rente zijn hoeve met hof, land, beemden en

                toebehoorten “de Kleine Hoeve” onder Leest, in de Biest, belast met renten ten

                voordele van Lodewijk Vrancx, de H.Geest van St.- Pieters en van Leest, de

                proost en het klooster van Leliëndael, de kapel van de H. Daniël in O.L.V.

                Gasthuis, de kerk van Leest en het klooster van Blijdenberg.

                (MS,Zegels van Jacobs De Riddere, Jan Croon)

    15-02-2012 om 09:23 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Pastorij

     

    In 1630 kreeg Leest een pastorij naast zijn kerk en meteen opnieuw een eigen pastoor. Gedurende de jaren 1591-1630 waren de pastoors van Hombeek immers “deservitor” te Leest.

    Na het concilie van Trente (1563) werden alle pastoors verplicht de doopsels, huwelijken en overlijdens die ze deden, in een register in te schrijven. Een goeie zaak want dat deden ze heel secuur en het werd als het ware de officiële “burgerlijke stand”, die een rijkdom aan gegevens over onze voorouders voor het nageslacht bewaarde. Het duurde evenwel nog een tijdje eer die nieuwe gewoonte er inzat bij de pastoors.Zo vangt het eerste parochieregister van Leest aan in 1595.

     De rekeningen uit die tijd vermelden voor de bouw van de nieuwe pastorij  een uitgave van 31 gulden betaald aan R. Fruytiers “voor een schip gruys op oudt Leliëndael, met vragt tot de fundamenten”.

    179 kisten kalk aan de prijs van 107 gulden werden gekocht “aen den coopman van Doornick”.

    82.000 “carreelstenen”, 8.000 “thiggelen” en 4.000 “paveeystenen” werden besteld bij  C. Somers voor een totaal bedrag van 439 gulden.

    Dit alles werd gedeeltelijk aangebracht per schip langs de Zenne en gedeeltelijk met paard en kar want er werden 37 gulden uitgegeven “aen den schipper en voerlieden”.

    “Jan Van Balen, Jacques  Vergalen en Carel Walschaert hebben  aanveert het curenhuys te metsen voor 210 gulden, Christiaen Vergaelen neemt het timmerwerk op zich voor 505 gulden”.

    In 1628 werd de eerste steen gelegd. De metsers werden bij die gelegenheid getrakteerd voor 4 gulden en 4 stuivers. Datzelfde jaar nog is de ruwbouw af en de “palmstock” er op. Weer werd er op gedronken, ditmaal voor 3 gulden.

    L. Back zorgde verder voor het “eyserwerck ende het slotwerck”, kostprijs 249 gulden en P. Van Eyck voor de “gelaesen”(ruiten) voor 33 gulden.

    Men zette ook “eenen watersteen” voor 78 gulden.

    Minstens een gedeelte van de pastorij was oorspronkelijk met stro bedekt. Michel De Nijn leverde het stro en Zenny Fruytiers met Carel Walschaerts legden het erop voor 55 gulden.

    Er kwam nog een gracht rondom en een bruggetje : de pastorij was af.

    Tijdens de werken werd voor 23 gulden “drinckenbier” gedronken door de werklieden en voor 52 gulden “aen verteer door de kerckmeesters met de metsers,timmerman en slotenmaker meester”, bij de aanbesteding, het leggen van de eerste steen, het planten van de meiboom,enz...

    Alles samen kostte de pastorij 2.010 gulden.

    Om ze af te betalen gingen de kerkmeesters een lening aan van 1.100 gulden bij “Jacob Coeckelbergh den ouden met synen sone Jacob Albert” aan een rente van 5%.

    In 1635 was de helft van deze som reeds terugbetaald.

     

    Nicolaus De Clerck was de eerste pastoor die enkel Leest had te bedienen en voor het eerst de pastorij betrok, dat was in 1630.

    In 1650 liet de toenmalige bewoner Petrus Van Hanswijck in het “achterhuysken” van de  pastorij een “solderken” bijplaatsen en 7 jaar later werd er aan het dak voor 107 gulden en 2 stuyvers kosten gedaan. De werken werden uitgevoerd door Jan Colas.

    In 1663 was er “groten watervloet” te Leest en daarbij moet ook de pastorij onder water gestaan hebben want datzelfde jaar werden “de plaetse” en het “pastoorsachterhuis” met aarde opgehoogd : “Louis Vermijlen gaat met synen waghen ende peerden om 20.500 careelstenen, den calck, de savel ende gesaecht hout halen voor dat pastoorsachterhuysken.”

    Datzelfde jaar 1663 fabriceerden de timmerlieden Niclaes en Lucas Troch een slaapstede met schutsel in de pastorij.

    Pastoor Van Espen liet tijdens zijn verblijf van 1674 tot 1691 een “Loote pomp” plaatsen in het pastoorshuis en de “keucken en de pastoorscaemer met calck besetten ende witten”.

    In 1689 liet hij reparaties aanbrengen in de stal en aan het bruggetje.

    Onder pastoor Van den Male  kreeg het pannendak in 1722 een beurt. Adriaen Lauwens voerde de werken aan het “ticheldack” uit en Francois Hendricus plaatste een “blecke gote”.

    Ondertussen was de pastorij een eeuw oud. De 18e eeuw was een periode van relatieve welstand en de mensen stelden grotere eisen om te wonen. Ook de pastorij voldeed niet meer aan de normen. Daarbovenop dienden er dringende herstellingen uitgevoerd : het regende binnen en er stond water in de kelder.

    In 1728 diende Francis Pauwels een “houte pompe te maecken om het water uyt den kelder van de pastorije te pompen”.

    Joannes Frans  Van Heymbeke was gedurende 50 jaar pastoor te Leest (1723-1773). Hij zou voor een vernieuwde pastorij zorgen en haar grotendeels het huidig uitzicht geven.

    Die eerste pastorij bestond slechts uit een kelder, een gelijkvloers en een zolder. Beneden had men vier plaatsen : een bureauke aan de ingangsdeur rechts, een eetkamer, een keuken en een kelderkamer. In feite was die pastorij te klein. De pastoor woonde daar met zijn zuster. Zij sliep op de kelderkamer en de pastoor zelf sliep op zolder. Ook de priester die op zondag kwam bijspringen en de paters die af en toe de missie kwamen preken waren verplicht op zolder te slapen.

    Pastoor Van Heymbeke wou dus de pastorij vergroten en verbeteren. Zulke zware onkosten kon de kerkfabriek echter niet aan. Vermits de abdij van Kortenberg de tiendenbelasting van Leest opstreek, was ze in principe ook verplicht de kerk en de pastorij te onderhouden.

    De pastoor wendde zich tot Bernarda Driessens de abdis van Kortenberg maar die weigerde de herstellingskosten te dragen. Daarop schakelde de pastoor een advokaat in , meester Louis De Vorster, kanunnik van St Rombouts,maar ook de abdis reageerde met een advokaat. We noteren 1737.

    De pastoor deed beroep op de aartsbisschop van Mechelen, kardinaal d’ Alsace de Boussu maar de twist raakte niet opgelost.  In 1741 bracht hij de zaak voor de Grote Raad van Mechelen en uiteindelijk op 4 april 1742 kwam de uitspraak : de abdis van Kortenberg moest willens nillens de duimen leggen en pastoor Van Heymbeke kreeg wat hij gevraagd had, een vernieuwde pastorij.

    De wapenstilstand tussen de pastoor van Leest en de abdis was echter van korte duur. Nog geen tien jaar later volgden nieuwe tribulaties. Weer waren er dringende reparaties nodig aan de pastorij, in feite diende de pastorij volledig vernieuwd te worden.

    In 1754  stierf de abdis en de zaak werd uitgesteld. De nieuwe pastorij zou er komen maar eerst twintig jaar later, onder de volgende abdis Seraphine Duchateau en onder de volgende pastoor Simon De Heuck.

    De rekeningen van de abdij tussen 1774 en 1778 vermelden een uitgave van 216 gulden aan “huyshuere ten teyde men besigh was het nieuwe pastoreel huys te Leest op te bouwen”.

    Deze nieuwe bouw werd beeindigd in de zomer van 1776. Dit jaartal staat ook aangegeven op de zijgevel van de huidige pastorij.

    Onder de Franse bezetting was men verplicht de pastorij tweemaal met een rente te belasten om aan de zware belastingen van de Fransen te voldoen.. Een eerste maal op 10 janauri 1794  (500 gulden courrant Brabants) en een tweede rente van 1.000 gulden Brabants courant op 29 juli van datzelfde jaar.

    Drie jaar later werden de pastoors door de Fransen verplicht , op straffe van verbanning, de eed van haat tegen het koningdom af te leggen. Pastoor De Heuck weigerde. Hij werd op 3 januri 1798 uit zijn pastorij gezet door commissaris Peeters, een Leestenaar van geboorte, begeleid door een Frans soldaat en door Jan Frans Bulens agent van de gemeente en diens adjunct Engel Van der Hulst.

    De op dat ogenblik 62-jarige pastoor vond met zijn twee zusters en zijn meubels een onderkomen op het Hof ter Moortele in de Molenstraat.

    De Franse staat verhuurde vanaf dan de pastorij aan Jan Frans Bulens, voornoemde agent van de gemeente, voor de hurprijs van 85 Franse Livres of 45 gulden 3 stuiver plaatselijke munt.

    In maart 1799 werd de pastorij door de Franse staat publiek te koop gesteld. Ze werd verkocht voor een hoge prijs aan een schijnkoper, een zekere De Becker, een dokterszoon uit Boom, die de prijs echter nooit betaalde, maar die de pastorij opnieuw verkocht, ditmaal aan de helft van deze prijs,  800 gulden, aan Jan-Frans Jacques en Karel Bulens. Die kochten de pastorij om ze te vrijwaren. De helft van deze nieuwe koopprijs moesten ze onmiddellijk betalen, de andere helft na 6 maanden. Deze laatste kopers waren echter lelijk bedrogen, want deze koop was ongeldig en ze zagen hun geld nooit terug omdat De Becker ineens spoorloos verdwenen was. De koop werd door de Fransen nietig verklaard en op 24 februari 1801 werd de pastorij opnieuw verhuurd, voor de duur van drie jaar, ditmaal aan Peter Moeremans, adjunct van meier De Maeyer Jacques en aan Engel Van der Hulst. Ze huurden de pastorij in naam van de gemeente ten gebruike van de pastoor.

    Op 17 april 1801 kon pastoor De Heuck opnieuw zijn intrek nemen in zijn pastorij.

    In 1847 schreef de residerende pastoor Gabriel Hermans een brief naar het Bisdom bestaande uit één zin : “Humillime peto permissionem fossam horti mei implendi terra ex coemeterii”. (Heel nederig vraag ik toelating om de gracht rond mijn hof te mogen opvullen met grond van het kerkhof)

    Dat werd hem per kerende post met even weinige woorden toegestaan, de gracht rond de pastorij werd dus dat jaar toegeworpen.

    In 1865 was de pastorij opnieuw dringend aan restauratie toe.

    Dat zou een van de eerste verwezenlijkingen worden van de nieuwe pastoor Vandercruyssen. Het werden veranderingswerken die de pastorij binnenin totaal vernieuwden : hij liet de vloer in de hal en in de keuken uitbreken en een nieuwe kelder uitgraven. Enkele binnenmuren van gelijkvloers en eerste verdiep werden afgebroken en in de voorkamer, eetplaats en in de kamers op het eerste verdiep werd telkens een zware balk gestoken om de roosteringen te dragen en in vervanging van de uitgebroken muren.

    Er kwam een nieuwe keldertrap in klompsteen en een nieuwe boventrap in beukenhout, van gelijkvloers tot de zolder.

    Keuken en washuis kregen “rode boomse geschuurde plaveyen 22 cm”. In de gang werden het zwarte tegels.

    De “zaal”, de voor- en eetkamer werden met drie nieuwe “dobbeldeuren” voorzien. De beide buitendeuren kregen de nodige reparaties met aan de vooringang een nieuwe stoep in “papensteen”., de oude verhuisde naar de achtergevel. Bij deze reparatie werd ook de voorgevel van de pastorij bezet met “doorniksche kalk en scherpzand”. Alle nodige herstellingen werden uitgevoerd aan het schaliedak en aan de slagvensters van de ramen en deze laatsten kregen nieuwe onderdorpels.

    Het “gemak” dat aan de zijgevel stond van de pastorij, werd afgebroken en nieuw gezet. Er werd ook een regenput uitgegraven en gemetst. In het washuis van de pastorij, tegen de buitenmuur, kwam een dubbele pomp met “koperen bek en sloten”.

    Tenslotte kreeg de pastorij nog een nieuw inkompoortje en op een lengte van 18,90 m werd de sluitmuur langs de straat vernieuwd. Deze hele restauratie kostte 5.500 fr, gedeeltelijk gedragen door de staat (916,66fr), de provincie (916,66fr), de kerkfabriek (1.500fr) en het leeuwenaandeel door de gemeente (2.166,68fr).

    Door deze grote restauratie van 1865 kreeg de pastorij van Leest haar huidig binnen- en buitenuitzicht.

     

    Op 21 juni 1913 verzocht het gemeentebestuur van Leest aan de verzekeringsagent Potums van Kapelle op den Bos om een nieuwe polis op te maken voor de gemeentegebouwen. De pastorij werd verzekerd voor 19.000fr, “op de waarde van een gebouw in steen, gedekt met schaliën, dienende voor pastorij, bevattende gelijkvloers, verschillende kamers en zolder, den trap en de remisie aanhechtig, medebegrepen.

    De pastorij is verlicht bij middel van naphte met luchtdrukking uitgaande van eenen ketel nabij de pastorij.”

     

    In 1950 werd het dak van kerk en pastorij vernieuwd door de firma Clinckart uit Hoboken voor de som van 243.539 fr, via een openbare aanbesteding.

     

     

    (Geraadpleegde bronnen : “Leest en zijn Kerk”, “Leest Geweest 1978”, “Waar Leestenaars samenkwamen 1980”, “Geschiedenis van de parochie Hombeek, - F. De Ridder”, “Het Parochiewezen in Brabant – J.Verbesselt,  diverse jaargangen van de periodiek De Band, Parochie-Archief Leest en Rijksarchief Antwerpen : stukken betreffende de kerk 1661-1825, Boek “Provinciaal Bestuur der Monumenten – Inventaris der Kunstvoorwerpen, Drukkerij Kennes 1914., “Nota’s nopens Leest in de 17 en 18e eeuw – Dr. J. Muyldermans)

    15-02-2012 om 09:20 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    KERK EN PASTORIJ

     

     

    Uit de “Notitia provinciarum et civitatum Gallilae” (opgesteld rond de jaren 400) weten we dat Gallië (met België) 17 provincies telde, onderverdeeld in 115 civitates (landstreken).

    Zo behoorde Leest tot het aloude bisdom Kamerrijk hetwelk onder het aartsbisdom van Keulen stond. Kamerrijk was het bisdom van de Nerviërs met de vijf kleine volksstammen die hun onderdanig waren.

    Het telde zes aartsdiakonaten : Brabant, Henegouwen, Brussel, Antwerpen, Valenciennes en Kamerrijk. Leest behoorde tot het aartsdiakonaat Brussel (121 parochieën).

    In 1308 kwam het onder de jurisdictie van de bisschop van Luik.

    Bij de oprichting van het aartsbisdom Mechelen in 1559 werdLeest daar bij gevoegd.

    (J.D.D – DB 1/7/1957)

     

    Het is onbekend wanneer de eerste kerk te Leest zou gebouwd zijn. In 1129 deed Burchard, bisscop van Kamerrijk afstand van de parochiale kerk van Leest ten voordele van de Benedictinessenabdij van Kortenberg. Dit is meteen het oudste document dat over Leest gewaagt.

    In 1250 bekrachtigde Godfried III, hertog van Brabant aan deze abdij de eigendom van verschillende goederen in de gemeente.

    In 1305 stellen Mechelse kronijken het bestaan vast van een wassen zegel, toebehorend aan de kerkraad.

    De abdis van Kortenberg inde de tienden te Leest (tot 1796) waarvan ze één derde afstond aan de pastoor. Er bestaat nog een stuk van 1566 waarin de bewoners van Leest aan de bisschop vragen dat er aan hun pastoor een “fatsoenlijk” inkomen zou verleend worden : de abdis die zeer zware cijnsen hief, kon het wel met wat minder stellen en de

    pastoor wat beter betalen ! We zien dat in 1637 de pastoor een vaste som uitbetaald kreeg.  (Deze werd in 1650 op 400 florijnen gebracht)

    In 1458 was de kerk zo vervallen dat de pastoor en zijn parochianen op Rome beroep deden. Paus Calixtis III schonk dan een aflaat. Vermoedelijk mogen we slechts van dan af spreken van de “parochiekerk van den H. Niklaas”.

    xml:namespace prefix = v ns = "urn:schemas-microsoft-com:vml" />  De kerk had herhaalde malen van soldatenhorden te lijden. Nadat ze het klooster van Leliëndael verwoest hadden trokken de geuzen naar Leest. De “Geuzenhoek” in de Grote Heidestraat zal  hiermee wel in verband staan.

    De geuzen teisterden het Mechelse zeer hevig : “’t Woedende soldatenvolk en was niet te voldoen, het plunderde en ruïneerde een heele maandt lang in de stadt ende op den buyten...”

    In augustus 1566 had de kerk opnieuw te lijden van de beeldstormers : “Die ketters hebben alsdan alle die kercke buyten die stadt van Mechelen ontstucken gesmeten.”

    In oktober 1572 veroverde Alva Mechelen en “gaf” de stad met haar omtrek ten prooi aan de moedwil van de soldaten : drie dagen lang werd er geplunderd.”

    In februari 1578 maakten de Staatsen zich meester van Mechelen, aangevoerd door Maximiliaan de Hennin en Pontus de Noyelles.

    Deze laatste beval in de dorpen rond Mechelen de klokken uit de torens te halen en liet

    zes vendels voetknechten onder kommando van d’ Outremelle Leest, Hombeek en Heffen aflopen. Toen werd de hand gelegd “op alle silveren cassen daer eenighe releguien van heyligen in rustten, op alle cieraeten, juweelen ende costelyckheden van die kercken en de cloesters.”

    In 1591 werd de kerk vernield door garnizoensoldaten en in 1599 werd de nieuwe kerk gewijd door kardinaal Hovius.

     Petrus Verschuren en Jacobus Coeckelberg waren toen kerkmeesters te Leest en hielden de rekeningen bij. Ze noteerden ter gelegenheid van de kerkwijding een uitgave van 5 gulden 13 stuivers voor “den maaltheyd door de heeren capellaenen van syn Hooghweirdigheyd, pastor, coster, kerckmeesters, meyer, die daer in de kerckweyding behulpsaem syn geweest”. Er werd ook nog 1 gulden 14 stuiver uitgegeven aan “eenen stoop Rijnswijn” en 7 stuiver aan “schaaps- en verkenspootjes”.

     

    Soldaten brachten schade aan de kerk in 1601, 1604, 1626, 1639, 1644, 1646, 1657, 1678 en 1683.

     

    Begin 17e eeuw werd de kerk door brand vernield. Volgens aantekeneningen van Petrus De Mol, aartspriester van het district Mechelen, door de onachtzaamheid der inwoners welke er zich schuilhielden tegen de aanvallen der krijgslieden van de Hollandse Staten.

    Sindsdien werd de kerk wederopgebouwd en vergroot.

     

    In 1741 werden de Heilige Vaten uit de kerk gestolen en in 1794 moest al het goud en het zilver worden afgestaan aan de Franse overheersers.

     

    Op 12 juli 1794 verscheen het Franse leger ’s namiddags voor de brug te Leest en viel de Oostenrijkse bewapeningstroepen aan. Ongeveer twee uur lang werd er geschoten en de Fransen verloren vier man waaronder een Hollander, Piet genaamd, die sneuvelde vlak voor de pastorij. Hij werd begraven op het kerkhof.

    Pastoor De Heuck noteerde in een kerkregister: “...de Fransche troepen zijn hier ter plaatse en in de naastliggende parochies blijven legeren tot zij op den 15 juli

    gewapenderhand Mechelen hebben bezet...”

    “Op 25 december 1794 hadde naar gewoonte de Gedurige Aanbidding moeten plaats grijpen, doch het was niet mogelijk ter oorzake van het doortrekken van de Fransche troepen.” 

     

    In de loop van augustus 1796 werden de kerkregisters door de Fransen weggehaald.

    Pastoor De Heuck weigerde de eed van trouw aan de Republiek af te leggen en werd vervolgd. Hij verschool zich op het goed “ten Moortele” van Jonkvrouw Pauli  in een onderaardse krocht, waar hij huwelijken inzegende en doopsels toediende.

    In 1798 vochten de boeren mee in de Boerenkrijg voor Altaar en Haard. Ze vochten mee te Tisselt en te Willebroek tegen de brigade-overste Meinsveig die gekomen was om Willebroek, het weerstandsnest van boerenkrijggeneraal Emmanuel Rollier, uit te roeien.

    Meinsveig leed een nederlaag.

    Op 23 oktober werd de Leestenaar Philippus Van Asch te Mechelen neergeschoten door een Frans executiepeloton dat weerwraakmaatregelen uitoefende op de burgers. 

     

    Tijdens de eerste oorlogsmaanden in 1914 kreeg de kerk het weer tamelijk hard te verduren. Bij schermutselingen tussen Duitsers en Belgen te Hofstade en te Zemst werd de kerkmuur erg beschadigd. Aan het tweede venster van de rechterzijbeuk waar de biechtstoel stond van de onderpastoor, was een gat geschoten zo groot dat men er door kon kruipen. Ook de mooie vensters in het koor met hun Gotisch maaswerk moesten eraan geloven.

     

    Na de oorlog  (1925) werd het maaswerk van alle ramen vervangen door eenvoudige ijzeren ramen, die met brandglas werden verlucht.

     Na de eerste wereldoorlog, onder pastoor Beuckelaers, werd de schade in de kerk zo goed mogelijk hersteld. Hij liet de kerk herschilderen volgens het plan van de Brusselse architect Steyaert, in kleuren die het binnenzicht van de kerk zo typisch maakten : grijs en rood. Ook de pijlers werden in het knalrood gezet. Bij een latere herschildering in de jaren vijftig kregen ze opnieuw hun grijze kleur.

     

    De eerste kerk was in grijze zandsteen en van Romaanse bouwtrant. Dat is nog duidelijk te zien aan het onderste gedeelte van de toren. Dit gedeelte immers dateert nog uit die tijd en is in witte steen gebleven. Bij deze verbouwingswerken werd de rest van de toren verbouwd in baksteen en gewoonweg witgekalkt. Na de tweede wereldoorlog werd de toren met een cementlaag bepleisterd.

    In 1971 werd deze laag verwijderd en vervangen door een half steentje.

    Ook het venster boven het kerkportaal is van latere datum. Boven de poort herinnert een steen met een blazoen aan deze verbouwingswerken : “Hic me posuit Beatrix de Villers abbatissa Cortenbergensis 1782”. In 1852 werd de middenbeuk heropgebouwd en van zijbeuken  voorzien.

    De sacristij dateert uit 1620, het hoogaltaar uit 1790.

     Het altaar van O.L.Vrouw dateert uit 1702 en dat van Sint-Cornelius uit 1871. De preekstoel uit 1871, de glasramen uit 1924.

     

    Het praalgraf en borstbeeld van Sint-Niklaas uit de 18e eeuw evenals de houten beelden van Sint-Jozef en Sint-Niklaas. Het oudste beeld uit de kerk stelt Sint-Anna voor met de H.Maagd en kindje Jezus. Het is een gepolychromeerd beeld uit de 16e eeuw.

    In 1840 kocht pastoor Hermans van Tambuyser 2 beelden : een Sint Cornelis en een Sint-Markoen “geplaetst in onze kerk op verzoek van de kerkraad en met toestemming van den heerweerden Heer Landdeken”.

    Waarschijnlijk ontstond dat jaar de begankenis voor Sint-Cornelis te Leest. Tot deze heilige nam men zijn toevlucht tegen de “stuipen” of andere kinderziekten.

    Sint-Markoen of Marculphus ‘ hulp riep men in tegen kliergezwellen. Om deze heilige aan te roepen trokken de mensen van hier vroeger naar Wezenbeek. Het is niet verwonderlijk dat deze beide heiligen zo populair waren als men het aantal kindersterften in ogenschouw neemt. Een derde van  alle sterfgevallen waren kinderen. Daarbij kwam de gesel van de besmettelijke ziekten : de pest (1467-1472, 1571-1574), de koepokken (1515-1522), de rode loop (75 sterfgevallen te Leest in de maand september 1741) en in een sermoen van pastoor Joris uit 1866 onthouden we : “Het is nu reeds voor de vierdenmaal, beminde christenen, dat de cholera ons komt bezoeken : in 1832, in 1849, 1859 en nu in het ongelukkige jaar 1866. Die onzichtbare vijand klopt aan onze deur, treedt in onze woningen binnen, zet zich neder bij onze slaapsteden, en hoopt slachtoffer op slachtoffer...”

     Kerkrekeningen tonen aan dat er voortdurend nieuwe sieraden werden aangekocht voor het beeld van O.L.Vrouw. Zo bestond vroeger ook een devote gewoonte om behaalde trofeeën aan dat beeld te schenken : in 1680 (zo ook in 1685 en 1700) werd er “betaelt voor een recreatie voor de jongmans van deze prochie, als sy eenen silveren bal tot Heffen hebben gewonnen door liefhebberije van caetsen en alhier in onze kercke hebben geschonken aan het belt van onslive Vrouwe.”

    “...alsoo sekere jongmans met hunne peerden hebben gereden om den prys te winnen te weten een silveren peert, en also die van Leest tselve hebben gewonnen en dat tot dry distincte reyssen, welcke dry peerden sy geschonken hebben in onze kercke en alsoo het belt van onslive Vrouwe daer mede vereert.” (1681,1683)

    Ook de handboogschutters van de “Edele gilde van St. Sebastiaan” deden zulks. Deze handboogschutters gingen in de processie met pijl en boog en verbonden zich tot onderlinge hulp, niet te vechten, geen vuile praat te vertellen, enz.

    Ook te Hombeek en te Heffen ging deze Leestse gilde in de processie.

    Vroeger werden ook Leestenaars afgevaardigd  om de vlaggen van Leest te gaan dragen in de processies van de naburige gemeenten.

     

    Kerkrekeningen van 1610 en 1649 gaven veel prijs over de kerkklokken. Zo werd de bekende Mechelse klokgieter Hans Van den Gheyn in 1603 aangezocht om twee klokken te gieten “wegende saemen 825 pond voor de somme van 350 gulden 12 stuyvers”. Deze rekening werd achteraf voorgelegd aan de abdis van Kortenberg die ze weigerde te betalen. Ze verloor echter het tegen haar gevoerde proces en betaalde tenslotte de som af in zes betalingen.

    In 1647, onder pastoor Van Hanswijck, was één van deze twee klokken gebarsten. Ze werd hergoten en er werd een derde klok aangekocht bij Petrus Van den Gheyn. Het timmerwerk van de toren werd vernieuwd en verstevigd en in 1649 kwamen deze klokken klaar : de grootste woog 2.087 pond, de tweede 1.305 pond.

    In 1788 barstte de grootste klok tijdens een lijkdienst. Ze werd hergoten op kosten van de abdij van Kortenberg, ditmaal zonder discussie. Het was de zogenaamde “Tiendenklok van Leest” “Andreas”, gewijd op 19 februari 1790.

    De tweede klok (eveneens uit 1649) barstte in  1739 en werd hergoten doorde Mechelaar Lambertus Franquin, op kosten van de parochie. Ze werd gewijd op 11 december 1739 en kreeg de naam Maria.

    De kleine klok “St.Nikolaes” uit 1608 hing gebarsten in de toren toen ze op 19 januari 1790 door enkele Leestenaars in ’t geheim in  stukker werd geslagen omdat pastoor De Heuck weigerde de klok te laten hergieten op kosten van de kerkfabriek.

    In 1798 werd de middenklok op bevel van de Fransen kapot geslagen en in 1802 barstte de “Tiendenklok” (amper hergoten in 1788). De kerk zat op dat ogenblik zonder klokken.

    Daar het tiendensysteem tot het verleden behoorde en voor de aankoop van klokken geen beroep meer kon gedaan worden op Kortenberg, moesten de parochianen er zelf voor

     

    zorgen.

    Op 25 augustus 1806 kwam aartspriester Huleu twee klokken wijden te Leest. Een grote klok van 1.943 pond met name “Nikolaas” en een kleine met de naam “Maria”.

    Beide klokken werden te Leest gegoten door de Brusselaar Roelans. Ze werden in 1943 door de Duitsers uit de toren gehaald om als kanonnenspijs te dienen.

    Na de oorlog werden drie nieuwe klokken aangekocht want de derde klok was ondertussen ook gebarsten. Deze nieuwe klokken werden op 23 april 1950 door Mgr. Van Eynde gewijd.

    De grote klok weegt 969 kg, geeft als toon FA en wordt Niklaas genoemd.

    De kleine klok heeft als naam Jozef, weegt 325 kg en geeft als toon DO. De derde, de middenklok heet Maria, weegt560 kg en heeft de toon LA. Op 1 juli dat jaar werden de drie klokken geëlectrificeerd.
     

    Onder pastoor Coosemans kocht de parochie in 1949 de oude schoollokalen aan in de Kouter, het domein was 40 aren 55 ca groot en kostte 161.650fr zonder de administratiekosten. Men besloot aan de lokalen van de vroegere meisjesschool een zaal te bouwen waarvoor verschillende omhalingen werden gedaan.

     In november 1954 werd de kerk herschilderd en het koor voorzien van dubbele ramen met katedraalglas.

     

    “In 1958 werden aan de toren in Leest de laatste grote herstellingswerken uitgevoerd. Het bovendeel van de kerktoren werd volleldig voorzien van een kalkbezetting.

    In 1967 begonnen er stelselmatig kleine brokstukken naar beneden te vallen.

    Een jaar later werden de stukken stilaan groter en pastoor Lornoy verwittigde via het bisdom het gemeentebestuur.

    Uit voorzorg liet de gemeente een dak boven de ingangspoort aanbrengen. Plannen voor herstelwerkzaamheden werden opgemaakt. Voor de volledige herstelling van de toren, nieuw dak, kruis en haan was een bedrag nodig van 666.604 fr. Een provinciale tussenkomst van tien procent is reeds bevestigd. De voorlopige herstelling tien jaar terug kon niet als geslaagd worden beschouwd...” (Gazet van Mechelen 18 december 1969)

    Het kerkhof dateert van 1784. Jozef II “de keizer-koster” had een edict uitgevaardigd waardoor het voortaan verboden was de lijken in de kerk te begraven.

    In de kerk vinden we nog verschillende grafstenen, vermeldenswaard : grafsteen van Jonker J. Schoff, edelman van het huis van Beveren, een gedenksteen van Messire Jean Charles graaf van Upigny en Creux Hodenge, van zijn vrouw Margaretha De Clercq de Bouvekercke en hun kinderen, van Jonkvrouw Catherine de Gerlays de Corbion, van jonkvrouw Mostinck ter Moorter, van heer Caïmo, enz.

     

    Tegen de kerkhofmuur van Leest staat een grafmonument : “Rustplaats van de Monialen Redemptoristinnen van het klooster Sint Alfonsius Mechelen”.

    Deze zusters Redemptoristinnen, in de volksmond beter bekend als “de rode nonnen” omdat ze in het rood gekleed waren, hadden hun klooster te Mechelen.

    Ze lieten hun dode zusters begraven op het kerkhof van Leest.

    Zo werden tussen het jaar 1861 en 1974 94 “rode nonnekes” begraven.

    Vroeger bevatte de grafsteen een franse tekst : “Sepulture des Religieuses de l’ ordre du T.S. Redemt. du monastère de St Alphonse à Malines. RIP.”

    Deze grafsteen was in verhakkelde toestand en na overleg tussen de pastoor van Leest en de stad Mechelen werd overeengekomen dat  de steen, terug gerestaureerd, zijn plaats zou krijgen tegen de muur van het kerkhof, als een blijvende herinnering aan de kloosterzusters die hier hun laatste rustplaats kregen.

    Eén van de 94 hier begraven nonnen was de dochter van de zoon van gravin de Courtebonne, die te Oostakker de grot liet bouwen in haar tuin.

    Ze zou te Mechelen gestorven zijn, “in een geur van heiligheid”.

    Vele Mechelaars werden te Leest begraven, de aanleiding schijnt een kwestie te zijn geweest van een niet-gewijd kerkhof te Mechelen. Ten teken van protest lieten zij zich te Leest begraven.

    In 1925 schreef pastoor Beuckelaers een brief naar het Leestse gemeentebestuur. Hij deed een verzoek om de muur van het kerkhof als monument te laten  klasseren of “zonder vertoeven zoodanig herstellingen te doen aan de kerkhofmuur en pastorijmuur dat alle schandaal verdwijne...”

    Zowel pastorij als kerkhof werden in 1985 als monument geklasseerd.

     

    14-02-2012 om 16:24 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1568 – “De almanak wees nazomer 1568 aan. Bij de veldbaan naar het Heike, thans de

                Winkelstraat, stond toen een grote hoeve. Deze werd telkens tot nog in de 19e

                eeuw, volgens een al van toen oude legende, vernoemd als “die van den Duvel...”

                De mensen  uit de omgeving vertelden dat dit erf vroeger een somber tijdperk had

                doorworsteld, met haar toen beruchte duivelsschuur...

                In die schuur stond volgende ronde tafel : in een gekloven gat in een boomstronk,

                lag met zijn dom een reuze karrewiel met tot 14 genummerde spaken, bedekt

                rondom met enkele plankjes...Dit rad deed dienst als eettafel. Dat was dood de

                toenmalige pachter zo gepland, om een van toen vele normen van bijgeloof : de

                angst, met 13 aan tafel, te omzeilen, door het aanwerven van steeds veertien

                werknemers. Daarmee bevond zich op de hoeve, soms een stel zonderling

                tewerkgesteld volkje.

                Bij avond gingen de lieden uit de buurt naar huis, doch de vreemde knechten

                sliepen op de hooischelft, en sommigen zochten stiekem hun nachtrust in de

                stallen.tussen paarden of koeien...

                Spaanse rebellerende huurlingen doorkruisten deze streek en plunderden de

                bevolking, doch enkele nog geregelde troepen trachtten toch de verstoorde orde

                te herstellen. Vele opgejaagde schelmen zochten dan heil bij roversbenden, die

                met een duivelse terreur, het platteland in verschrikking dreef...

                Op zekeren morgend ziet de hoevevrouw, op het erf, een bloedspoor naar gindse

                schuur, en bij het ingaan van den werktijd telt zij 13 man aan bezigheid. Ze gaat

                kijken , en bij het rad zit daar de 14de , die zich zijn gewond been verzorgt.

                Ze vraagt waar hij daarmee is vandaan gekomen. De kerel beweert dat hij van

                koorts niet kon slapen, en bij nacht bij een wandeling langs de wei, aan

                prikkeldraad was gewond. De boerin biedt hem hulp van een dokter aan. Doch

                hij wimpelt die af en zegt : “Ik kom seffens werken”...

                Die namiddag komt een koopman op het hof en vertelt dat vorige nacht op Zemst

                Laar door rovers een hoeve werd in as gelegd, omdat de bewoners niet waren

                ingegaan , op een bende haar verwittiging, die gisterenmorgend op een briefje aan

                de deur gespijkerd was, met hun eis dat er in deze voorbije nacht, in den emmer

                van den bornput, 5 dozijn gouden dukaten moesten liggen, als losprijs tegenover

                de thans uitgevoerde bedreiging. De boer had enkel maar kunnen schieten op de

                schurk die den emmer wou lichten...

                De nu volgende nacht droomt de bazin van haar hoeveschuur. Ze ziet een

                gehavend rad met slechts nog 9 goede spaken, waartussen 5 duivels haar

                toegrijnzen...

                Uren lang vergelijkt, wikt en berekent zij, en voor dag en dauw sluipt zij van de

                boerderij naar den veldwachter en terug...

                Op het middaguur wordt de hoeve omsingeld door Spaanse ruiterij, en wie wou

                ontsnappen werd door de paarden overgereden...en het werden er 5, dewelken

                die zich hadden misrekend op 12 dukaten...

                De schurk met de schotwonden was hoofdman van nog meer verspreide benden.

                Hij werd in Vilvoorde op de grote markt tentoongesteld, voor 72 uren zonder eten

                of drinken, gebonden met het hoofd omlaag op een tegen de schandpaal schuin

                geplaatst rad...”

                (Een rad als telraam – Anselmus Jédrie – DB december 1979) 

     

     

    1569 – “...thoochstraetken te Leest...” (AM)

     

    1571 – “De tweede helft van de 16e eeuw was voor Leest en omiggende een triestige

                tijd. De godsdienstoorlog is volop aan gang. De bevolking wordt geterroriseerd

                de ene keer door Spaanse soldeniers, de andere keer door soldaten van Oranje

                of door de Geuzen. Zo wordt in 1571 de “kercke affgebrant bij de soldaten

                van Grave Van Swertsberge.”

                De schade was enorm want het zal acht jaar duren vooraleer de kerk

                hersteld is en plechtig kan worden ingewijd. Dit gebeurt door aartsbisschop

                Hovius. Bij die gelegenheid wordt aan Monseigneur een “etentje” aangeboden.

                Onder de disgenoten vinden we die dag “koster Pieter VAN BROUKE”.”

                (“De kosters van Leest, De Band-november 1985) 

     

    1572 – Om de roekeloosheid van de beeldstormers te straffen zond Philips II de hertog

                van Alva naar de Nederlanden. Op 2 oktober 1572 bemachtigde deze Mechelen

                en gaf de stad met haar omtrek ten xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />prooi aan dem moedwil van zijn soldaten,

                ook te Leest werden ze “losgelaten” en gingen er lelijk te keer. Drie dagen lang

                werd er geplunderd. (Geschiedenis Parochie Hombeek, blz.55)µ

     

    1573 – “Anthonis van Enere, coster van Leest, wordt gestraft met een bedevaart naar

                O.L.Vrouw te Hal  om met een gaffel gestoken te hebben Peeter Guedens.”

                (J.Judicature Echevius 5 II nr.2)

     

    1573 – 4 april : Hans van Cockelberge jongman oud over de 25 jaar, zoon van wijlen

                Jan van Cockelberge, geeft Niklaas van Cokelberge zijn broer land te Leest aan

                hen beiden en aan hun zuster verstorven, verkregen van de erfgenaam Van

                Beersele, Margriete Van Hove hun moeder Anna hun zuster.

                (Notaris De Hondecoutere, Mechelen f°104)

     

    1573 – 27 juni : Testament van Hendrick Van den Brande 23 jaar, gezond van hart, maar

                ziek van lichaam, geeft aan H.-Geesttafel van Leest land op de Leestse Couter,

                gelast met een moken koren aan de kerk, voor jaarl. Jaargetijde tot eigen lafenis

                en dat van wijlen Jan Van den Brande, zijn vader, en Jan, zijn broer.

                (Parochie-Archief Leest)

     

    1576 – 1 oktober : Door bemiddeling van hun voogd, Jacob Buysset, verkopen de

                kinderen van wijlen Jan Lettin aan Jacob Van der Haghen een hoeve met schueren

                stallen beemden en winnend land, “De Kleine Hoeve” onder Leest, aan de Biest,

                alles te samen 14 bunder 1 dagwand, belast met cijnsen ten voordele van de

                erfgenamen Vrancx, de H.Geest van St-Pieter, deze van Leest, Leliëndael, de

                Kapelrie van St-Daniël in O.L.Vr. ’t Gasthuis, de kerk van Leest, de Kapelrie op

                ’t stadhuis. (Zegel van Merten Roelants – MS)

     

    1577 – 2 juni : Pieter Wijts en Jan Verlinden als vader van de 2 kinderen van wijlen zijn

                vrouw Barbele Machiels, en beiden als mombers over de kinderen van wijlen

                Jan Gaillier en Anne Blommairt, verkopen, elk voor 1/3 een beemd ongeveer

                2 ½ bunder groot, te Leest aan de Zenne, tussen de Groote Burchstadt, de

                Meulenbeempden en de straat, aan Jan Bouwenssone, voor de som van 1.426

                karolusgulden  eens en 25 karolusgulden erfelijk. (IFL, blz.109 nr.448)

     

    1577 – “Den 11 November ’s avonds omtrent ses ure openbaerde sig eene Comeet-Sterre,

                den steert zynde als een rode, sy stondt by naer den geheelen winter, in ’t eerste

                seer helder, claer ende lanck, in ’t beginsel was haer coleur seer vierich en root,

                daer naer bleecker, den steerte streckte van den westen ten oosten, en buygde syne

                zyde naer het zuyden, maens-gewys, wat hol naer den zuyden.” (KCM)

     

     

    1578 – “Op 2 februari 1578 werd Mechelen verrast door Maximilliaan de Hennin, graaf

                van Bossu, die op last der Staten, enige vendels voetvolk in de stad bracht en haar

                te bewaren toevertrouwde aan Pontus de Noyelles, heer van Bours.

                Deze laatste beval schier onmiddellijk daarop de kloosters rond Mechelen af te

                breken om –zoals het heette- aan ’s konings volk steunpunten te ontnemen.

                De veldheer gelastte zijn soldaten op de dorpen rond Mechelen de klokken uit de

                kerktorens te halen, om ze tot kanonnen te vergieten.

                De Noyelles liet aan zes vendelen voetknechten, onder commando van Kolonel

                d’Outremelle Hombeek, Leest en Heffen met het omliggende aflopen.

                Wat al kwaad dat soldatenvolk aanrichtte is haast niet te beschrijven. De

                voetknechten gingen er te werk als echte “straetschenders, beroovende zelfs alle

                passanten soldaten ende prevandiers wie sy oyck syn.”

                “La fureur et l’ outrage des soldats –zegt een missive van den tijd- ne s’ étend pas

                seulement jusques aus pauvres manants desdits villages et au résidu de leur bien ;

                mais aussi aus passagers, aus soldats qui sont présentement en cette ville de

                Malines et aus provandiers.”

                In de loop van dat zelfde jaar werd door de Staatsen ook al het goud en het zilver

                van de kerken en kloosters aangeslagen te Mechelen en op zijn naburige dorpen.”

                (De Parochie van Hombeek – De Ridder,; blz.55,56,57)

     

                Het klooster van Leliëndael werd met de grond gelijkgemaakt. Resten van het

                steengruis zouden vijftig jaar later gebruikt worden bij de bouw van een pastorij

                te Leest.

                De bende van kolonel d’Outremelle ging zo lelijk te keer dat Mechelen er bij de

                prins van Oranje op aandrong om dit regiment te verplaatsen.

     

    1579 – 27 april : Cornelis Mathijs, junior, geeft volmacht aan zijn vader Cornelis Mathijs,

                aan Andries Huens, Jan Van der Horst en Rombaut Gruentkens om in zijn naam

                te compareren voor de leenmannen van ’t klooster van Leliëndael en van de

                erfgenamen de Plaines, of waar het nodig mocht blijken, om aan Frans van der

                Zande een beemd van ½ bunder onder Leest bij Steynemolen en ½ bunder land

                eveneens onder Leest over te maken. (MS)

     

    1580 – Archief de Lalaing, Boek 1022. Leenboek van Huges De Prant 1580-1641.

     

                -Die Heylige ghees van Leest van een half bundere helftwinninge lutter min oft

                meer geleghen onder die Santvoort en Blaersvelt Broeck en het wisselt tegen

                den heyligen geest van Blaersvelt die goeden des heeren van Blaersvelt er

                eenre : den Santvoorsloot ter andere sijde gelegen.

     

                -Item dit naervolgende zijn noch andre veirschoof van den heere van Blaersvelt

                geleghen onder den dorpe van Leest en gedeeltelijck heffene.

     

                -Cornelis Matthijs van V hont lants vierschoof geleghen op Ruelenstuck bij

                tgroot Roth de goeden orije Peeter Caleys ter eenre : de goede kercke van Leest

                ter andere sijde gelegen...

     

    1580 – “Den 9Augusti 1580 wirdt Mechelen overrompelt door de ‘geusen’. (de wilde

                benden van Olivier van den Tympel en van John Norritsà

                ’t Woedende soldatenvolk  en was niet te voldoen, het plunderde ende ruineerde

                heen hele mandt lang in de stadt ende op den buyten.”

                (Geschiedenis Par.Hombeek,blz.57)

     

    1590 – “Rond 1590 stond de kerk weerom in vlammen. Vooral de toren had veel

                geleden en het koor was totaal uitgebrand. In de kerkrekeningen van dat jaar

                vinden we 15 stuivers verteergeld “toen Pieter Diddens en de kermeesters met

                Godevaert Van de Zijpe spraken om te bezien oft men soude konnen crijghen

                Eenighen recompensie voer het affbranden van de kercke affgebrant bij de

                Soldaten van Grave Van Swertsberge”.

                Het was de tweede maal kort na elkaar dat dit gebeurde schrijft pastoor De Heuck:

                “incendio altero ante annum 1591 per milites destructa…” (WLS, blz.8)

     

    1591 – 4 februari : Jan Van den Eynde verkoopt aan Adolf Van den Venne een half

                bunder land onder Leest, bij de heide, belast met een half vierdeel rogge ten

                bate van de koning. (MS)

     

    1591 – Vanaf 1591 en dit tot 1627 waren de pastoors van Hombeek “deservitor” te

                Leest. Ze stonden dus in voor twee parochies en hielden uiteraard ook

                kerkdiensten te Leest.

                De vier opeenvolgende Hombeekse pastoors die ook Leest zouden bedienen

                waren respectievelijk : Marten Goossens, Jan  Hals, Willen Van Achelen

                en Joos Blieck.

                Over Marten Goossens die van 1591 tot 1592 ook pastoor was te Leest

                is weinig bekend. Wel weten we dat van april 1591 tot september 1599 in

                Hombeek ook alle Leestenaars gedoopt werden.

                Wat wil je : de Leestse kerk lag er maar triest bij en haar koor werd pas (in

                1599) heringewijd door artsbisschop M. Hovius (of Van den Hove), in

                Hombeek was dat al tien of meer jaar eerder gebeurd door zijn voorganger

                J. Hauchinus (of Hauchin).

                Marten Goossens woonde een tijd te Mechelen, werd ziek en overleed plots

                op 9 januari 1597 te Mechelen waar hij de 15de begraven werd met een viering

                in Sint-Rombouts.

                (Wilfried Hellemans : “Pastoors Gevraagd” in ’t Ridderke nr.2 van 2004)

     

     

    1591 – In 1591 werd de kerk vernield door garnizoensoldaten : “Incendio altero ante

                annum 1591 per milites destructa necnon a suo rudero restaurata, anno 1599,

                consecrate fuit ecclesia parochialis de Leest per illustrissimo et reverendissimum

                Dominum Mattiam Hovium, archiepiscopatus Mechliniensis”.

                (Uit een Kerkregister)

     

    14-02-2012 om 16:18 geschreven door Marcel Van Hoof

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    1536 – 23  februari : Gregoris Fierlants verrijkt tbv Leliëndael het Peysmakersblok

                bestaande uit een groot en een klein eussel, te Leest, eigendom van de kapellanie

                van priester Jan Clens in O.L.Vrouwe O/D Dijle tussen de goederen van

                Leliëndael en de Laerstraat, wegens achterstallige cijns. (IFL, blz.103 nr.421)

     

    1538 – 15 november : DE WALE, JACOP zoon van ANTONIUS, tregelere van

                Leest.

                (De gekochte poorters van Mechelen, M.Kocken. 4414/I/145)

     

    1538 – 31 december : Frans De Mil (?) verkoopt aan de kinderen van Henri van

                Mockenborch 12 car. g. op zijn hoeve met land, bos en eusel, samen 23 bunder,

                de  Kleine Biest onder Leest. (MS)

     

    1540 – 3 december : HOUWS, JAN  zoon van Petrus, trégelere van Leest.

                (De gekochte poorters van Mechelen, M.Kocken. 4444/I/147)

     

    1544 – “Jacob Meyngaerts en Merten Meyngaerts, gebroeders verkopen aan Claese de

                Poirtere Jans sone ende Marie Meyngaerts zijn wyve, de twee elfte deelen ende

                al heurlieden Recht van de helft van een hoeve metten lande, groesen etc,

                geheeten thof van Rendelbeke waer af den voirs. Coopere nog een elfste deel

                toebehoirt groot uit geheele omtrent 30 buenderen gelegen onder Leest.”

                (GM,51 nr.168 f°175)

     

    1544 – 29 januari : Jan van Eertbrugghen verkoopt aan Leliëndael 9 kg 7-1/2 st. erfcijns

                op een huis en een half bun