Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
01-05-2019
Bundeslied (Georg Herwegh)
Bij 1 mei
Das Eisenwalzwerk door Adolph von Menzel, 1872 - 1875
Bundeslied
Bet und arbeit! ruft die Welt Bete kurz! denn Zeit ist Geld An die Türe pocht die Not - Bete kurz! denn Zeit ist Brot
Und du ackerst, und du säst, Und du nietest, und du nähst, Und du hämmerst, und du spinnst - Sag, o Volk, was du gewinnst!
Wirkst am Webstuhl Tag und Nacht Schürfst im Erz- und Kohlenschacht, Füllst des Überflusses Horn, Füllst es hoch mit Wein und Korn.
Doch wo ist d e i n Mahl bereit? Doch wo ist d e i n Feierkleid? Doch wo ist d e i n warmer Herd? Doch wo ist d e i n scharfes Schwert?
Alles ist dein Werk! o sprich, Alles, aber nichts für dich! Und von allem nur allein, Die du schmiedst, die Kette, dein?
Kette, die den Leib umstrickt, Die dem Geist die Flügel knickt, Die am Fuß des Kindes schon Klirrt - o Volk, das ist dein Lohn.
Was ihr hebt ans Sonnenlicht, Schätze sind es für den Wicht; Was ihr webt, es ist der Fluch Für euch selbst - ins bunte Tuch.
Was ihr baut, kein schützend Dach Hat's für euch und kein Gemach; Was ihr kleidet und beschuht, Tritt auf euch voll Übermut.
Menschenbienen, die Natur, Gab sie euch den Honig nur? Seht die Drohnen um euch her! Habt ihr keinen Stachel mehr?
Mann der Arbeit, aufgewacht! Und erkenne deine Macht! Alle Räder stehen still, Wenn dein starker Arm es will.
Deiner Dränger Schar erblaßt, Wenn du, müde deiner Last, In die Ecke lehnst den Pflug, Wenn du rufst: Es ist genug!
Brecht das Doppeljoch entzwei! Brecht die Not der Sklaverei! Brecht die Sklaverei der Not! Brot ist Freiheit, Freiheit Brot!
Georg Herwegh (31 mei 1817 – 7 april 1875) Heizkraftwerk Stuttgart-Gaisburg in Stuttgart, de geboorteplaats van Georg Herwegh
Oude man met drie kinderen door Guillaume van Strydonck, ca. 1890
Der alte Mann im Frühling
Ach, in meinen Jugendjahren War der Frühling schöner noch als heut. Daß die schönen Mädchen schöner waren Ist das letzte, was uns Alte freut.
Deine Mutter sagt es auch seit Jahren Alter macht das Urteil erst gescheit. Denn wir Alten haben viel erfahren: Aber dieses war die schönste Zeit.
Daß die Wiesen nicht und nicht die Ähren Wie dereinst so golden und so grün Muß wohl sein; denn wenn sie noch so wären Könnt ich doch nie mehr zu ihnen hin.
Aber daß die Sonne immer kälter Wo sie doch dereinst so herrlich war - Ist nicht gut, denn wird man merklich älter Liebt man Sonne mehr mit jedem Jahr.
Und Gedichte, Liebende und Leben Ist nun anders als es früher war - Und nur wir sind immer gleiich geblieben. Denn man haßt die Änderung im grauen Haar.
Bertolt Brecht (10 februari 1898 – 14 augustus 1956) Het Weberhaus in Augsburg, de geboorteplaats van Bertolt Brecht
Heb meelijen met de bomen, laat de bast hun ongeschonden; bewaar ze voor de nijdigheid der kwade nagelwonden; geen onbarmhartig mensenkind ze dood en kwelle: geeft de vrijheid aan des Scheppers hand, die in hun lenden leeft.
Hoe schandelijk ontmaakselt en ontmooit gij mij de vrome, de vrije en blije bomen, die ‘k zo geren tegenkome omtrent uw huis en hof, o gij, die God met harte en oog heeft toegerust, om Hem te zien in ‘t heerlijk boomvertoog.
‘k Zie opgeroeste pikken, moe van kappen en van kerven, gehamerd om de essenboom, de essenboom bederven, daaraan het hekken vastgehaakt de bilken sluit, en ‘t vee belemmert, dat zijn vulte zoekt, en voedsel, in de wee.
‘k Zie bomen, die gebonden staan, in ‘s dwingers boze handen, die nooit geen duimbreed af en laat zijne ijzervaste banden, maar, spannende en onroerbaar, al dat leeft en roert in ‘t lijf der bomen doet misdragen tot een eerloos wanbeklijf.
Gebulte bomen zie ‘k, en die, doorhakkeld en dooreten, vol krammen en vol haken staan gespijkerd en gesmeten; die werken zo Gods wet hun wijst, die tranen en die bloên, o mense, om eenmaal vrij te zijn van al uw dartel doen.
Of staan ze meer niet vast genoeg, de wortelvaste bomen? en vreest gij dat ze henen-gaan en mee met ‘t water stromen; of vliegen in de lucht, omdat gij scherpe draden spint, en lange reken bomen al in snijdend garen windt?
Och arme, en is ‘t genoeg u niet dat, schier nog ongeboren, het hout alree geknipt moet zijn, geschonden en geschoren, dat ‘t, galoos en tot alles dat het niet en is gepraamd, wordt "gloriette" en "pyramide", en "espalier" genaamd!
Heb meelijen met de bomen, laat hun schoonheid ongeschonden, die schoonder is, onaangeroerd, onvast en ongebonden, zo God ze liet gewassen zijn, gewonnen en gebaard, als al hetgene gij, o mens, verzint en hebt vergaard.
Eeuwelingen
Gedaagde, bodemvaste bosgenoten, bomen, die ‘k, wel vijftig jaren lang, boom wete; en zo hoge als nu geschoten, gezien hebbe, op zo menig wandelgang; wat ben ik, arme miere, u bijgeleken, die sta en u aanschouwe, o hoge bomenreken!
Mijn handen, uitgestrekt, en konnen, eiken, beuken, op wel twee drie vamen naar, vamende u om ‘t lijf, malkaar bereiken, noch meten uwe stam, die, machtig zwaar, die machtig diepe staat, de grond beneden, in de onuitroeibaarheid van uwe wortelsteden.
Gij grijpt mij, grote bomen, vast; en ‘k voele vreze mij het hert des herten slaan, hore ik, al met eens, omhoge, ‘t koele gedaver van de winden dóór u gaan!... Gij spreekt dan tegen hen zo'n zware sprake, dat, angstig en ontsteld ik worde, en koud gerake!
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899) Portret door Henri Bogaerts (1889) of door Hubert Bogaerts (1902)
„Jedenfalls hatte ich nie das Gefühl, allein zu sein, wenn ich am Morgen diesen Weg zurücklegte. Alles sprach zu mir, der Wind, die Bäume, die Vögel, das fast lautlos dahingleitende dunkelbraune Wasser des Baches, die struppigen Ginsterbüsche. Es war nichts Besonderes, nichts, worüber man hätte reden müssen, ich gehörte ganz selbstverständlich dazu. Es war meine Landschaft, so wie man meine Familie sagt. Die Landschaft meiner Kindheit, das ist die Landschaft des nördlichen Niedersachsens, die Sandhügel, die Moore, die Flussniederungen, die kargen Heideflächen und die lichten Föhrenwälder. Von den früheren Eindrücken aus meinem Geburtsland Holland ist mir nicht viel im Gedächtnis geblieben, allenfalls vage Bilder von Wassergräben voller Entengrütze und vom Deich bei Bergen op Zoom mit einem blankgeputzten Himmel darüber. Alles andere stammt von den späteren Besuchen bei meinen Großeltern in Leeuwarden, als wir - ich war zehn oder elf Jahre alt - mit dem Dampfer über Kanäle und Seen bis nach Grouw fuhren und das Schiff mitten in einem riesigen Seerosenfeld auf Grund lief und erst wieder freikam, nachdem alle Passagiere sich unter dem Kommando des Kapitäns auf dem Deck ein paar Mal von links nach rechts und wieder zurück bewegt hatten. Später habe ich festgestellt, dass noch ganz andere Landschaftsbilder in mir existierten. Woher sie stammen, weiß ich nicht. Aber als ich in die Pfalz kam und zum ersten Mal die Gartenlandschaft sah, die sich vor dem Pfälzer Wald hinzieht, diese sanftgewellten Reben-, Obst- und Gemüsefelder mit dem blauen Dunststreifen des Gebirges dahinter, da war es ein staunendes Wiedererkennen. Ebenso ging es mir, als ich Jahre später zum ersten Mal durch die Poebene fuhr und die lastende Hitze wie flüssiges Blei über der Landschaft lag, oder noch später im Garten des Hotels Cipriani in Äsolo oder auf der Terrasse des Klosters Rosazzo bei Udine, von wo man viele Kilometer weit in die blühende Ebene blicken kann.“
« Je dois savoir ce que devient la tante de Jean-Lino. La visite de Ginette Anicé m'y a fait penser. Jean-Lino avait ramené en France la soeur de son père et lui avait trouvé une place dans une maison de retraite juive. Je l'y avais accompagné un après-midi. Nous étions allés à la cafétéria, un grand hall reconfiguré entièrement fonctionnel, sol en petit marbre piqueté, murs lisses, tables où étaient assis des gens en chaises roulantes avec des visiteurs. On aurait dit que tous les matériaux avaient été choisis en raison de leur qualité d'écho et de résonance. La tante avançait vite avec son déambulateur. Esprit vif. Jambes vivaces. Le corps, et surtout la tête agités de mouvements perpétuels incontrôlés qui ne semblaient pas la gêner mais qui rendaient sa parole sourde et saccadée. Elle parlait, en même temps, trois langues, un français châtié et semi-oublié d'autrefois, l'italien et le ladin, un patois des Dolomites. Jean-Lino nous avait installés à la table du fond, devant une télé murale, son au maximum, branchée sur une chaîne de clips. Durant la conversation (si on peut dire), Jean-Lino, par à-coups, lui arrachait avec ses doigts des poils du visage. Sait-elle ce qui est arrivé à son neveu ? À qui parle-t-elle, avec sa tête branlante dans le désert du hall ? Un rien peut me faire douter de la cohérence du monde. Les lois semblent indépendantes les unes des autres et se heurtent. Dans le réduit de mon bureau, à Pasteur, une mouche m'exaspère. Je n'aime pas quand une mouche est conne. J'ouvre grand la fenêtre et au lieu de s'enfuir vers les arbres qui bordent notre pavillon, elle revient dans la pièce zigzaguant vers le mur du fond. Deux secondes avant elle se cognait à la vitre, frappait à droite, à gauche, en tous sens, maintenant que l'air entre, que le ciel lui tend les bras, elle erre dans l'ombre absurdement. Elle mérite que je l'enferme en m'en foutant. Mais elle a pour elle son odieux bourdonnement. Je me demande même si ce bourdonnement n'a pas été créé comme garde-fou à l'emprisonnement. Je n'aurais aucune pitié sans cette parade. Je saisis ma CBE, je renvoie la mouche vers la fenêtre, enfin j'essaie, car au lieu de s'abandonner à la raquette charitable, elle l'esquive, se met hors de portée et va se coller en lisière de plafond. Pourquoi faut-il supporter une telle perte de temps ? La tante vivait dans les montagnes. »
The lip of the glass gleams in the moonlight like a round razor – how can I lift it to my lips? however much I thirst – how can I lift it – Do you see? I am already in a mood for similes – this at least is left me, reassuring me still that my wits are not failing. Let me come with you.
At times, when evening descends, I have the feeling that outside the window the bear-keeper is going by with his old heavy she-bear, her fur full of burns and thorns, stirring dust in the neighborhood street a desolate cloud of dust that censes the dusk, and the children have gone home for supper and aren’t allowed outdoors again, even though behind the walls they divine the old bear’s passing – and the tired bear passes in the wisdom of her solitude, not knowing wherefore and why – she’s grown heavy, can no longer dance on her hind legs, can’t wear her lace cap to amuse the children, the idlers, the importunate, and all she wants is to lie down on the ground letting them trample on her belly, playing thus her final game, showing her dreadful power for resignation, her indifference to the interest of others, to the rings in her lips, the compulsion of her teeth, her indifference to the interest of the others, to the rings in her lips, the compulsion of her teeth, her indifference to pain and to life with the sure complicity of death – even a slow death – her final indifference to death with the continuity and knowledge of life which transcends her enslavement with knowledge and with action.
Yánnis Rítsos (1 mei 1909 — 11 november 1990) Cover
And it was then that with a dead and cold tongue in his mouth he sang the song they didn’t let him sing in this world of obscene gardens and of shadows that came at the wrong time to remind him of songs from his boyhood in which he couldn’t sing the song he wanted to sing the song they didn’t let him sing except through his absent mouth through his absent voice. Then from the highest tower of absence his song echoes in the opacity of the hidden in the silent extension full of shifting hollows like the words I write.
Vertaald door Jose Valqui
Alejandra Pizarnik (29 april 1936 – 25 september 1972) Avellaneda, de geboorteplaats van Alejandra Pizarnik
De Amerikaanse dichteres Fannie Stearns Davis werd geboren in Cleveland, Ohio, op 6 maart 1884. Ze studeerde af aan het Smith College in 1904. Ze heeft twee dichtbundels gepubliceerd: “Myself and I”, 1913, en “Crack O 'Dawn”, 1915. Haar poëzie wordt gekenmerkt door een gevoelig poëtisch gevoel en delicate kunstzinnigheid. Davis gaf van 1906-07 Engels les aan de Kemper Hall in Kenoshay, Wisconsin. In 1910 hielp ze haar broer, William Stearns Davis, bij het bewerken van zijn klassieke historische boek, “A Day in Old Athens”. Jessie Bell Rittenhouse was een van de vele mensen die de lyrische kwaliteit van de poëzie van Davis prezen.
Souls
My Soul goes clad in gorgeous things, Scarlet and gold and blue; And at her shoulder sudden wings Like long flames flicker through.
And she is swallow-fleet, and free From mortal bonds and bars. She laughs, because Eternity Blossoms for her with stars!
O folk who scorn my stiff gray gown, My dull and foolish face,— Can ye not see my Soul flash down, A singing flame through space?
And folk, whose earth-stained looks I hate, Why may I not divine Your Souls, that must be passionate, Shining and swift, as mine!
Home
Home, to the hills and the rough, running water; Home, to the plain folk and cold winds again. Oh, I am only a gray farm's still daughter, Spite of my wandering passion and pain!
Home, from the city that snares and enthralls me; Home, from the bold light and bold weary crowd. Oh, it's the blown snow and bare field that calls me; White star and shy dawn and wild lonely cloud!
Home, to the gray house the pine-trees guard, sighing; Home, to the low door that laughts to my touch. How should I know till my wings failed me, flying, Home-nest, - my heart's nest, - I loved you so much?
Fannie Stearns Davis (30 april 1877 - 15 februari 1930) Cover (Geen portret beschikbaar)
Konstantínos Petros Kaváfis, Rod McKuen, Bernhard Setzwein, Monika Rinck, Alejandra Pizarnik, Walter Kempowski, Bjarne Reuter, Kurt Pinthus, Humphrey Carpenter
Hij is een oude man. Uitgeput en gebogen, aangetast door de jaren en het wilde leven, schrijdt hij langzaam stappend door de steeg. Maar als hij zijn huis betreedt om zijn ellende en zijn ouderdom daar te verbergen, bestudeert hij het aandeel dat hij in de jeugd nog heeft.
Jonge mensen zeggen nu zijn eigen verzen. Voor hun levendige ogen trekken zijn visioenen voorbij. Hun sterke wellustige gedachten en hun welgevormde strakke vlees worden ontroerd door zijn getuigenis van schoonheid.
Stemmen
Aanbeden en geliefde stemmen van hen die stierven en van hen die voor ons verloren gingen alsof zij gestorven zijn.
Soms spreken zij in onze dromen; soms hoort de geest hen in gedachten.
Met dit geluid keren zij weder: geluiden uit de eerste poëzie des levens - als verre muziek, wegstervend in de nacht.
Vertaald door M. Blijstra-van der Meulen
Sinds negen uur-
Half een. Snel is de tijd voorbij gegaan sinds negen uur toen ik de lamp aanstak en hier ging zitten. Ik zat zonder te lezen en zonder te praten. Met wie zou ik ook praten helemaal alleen in dit huis.
Sinds negen uur, toen ik de lamp aanstak, is de schim van mijn jonge lichaam gekomen, heeft mij gevonden, mij herinnerd aan zeer welriekende gesloten kamers, aan voorbijgegaan genot - wat een stoutmoedig genot! - en heeft mij ook straten voor ogen gebracht die nu onherkenbaar zijn geworden, gelegenheden vol drukte die niet meer bestaan en theaters en café's die er eens waren.
De schim van mijn jonge lichaam is gekomen en heeft me ook trieste overwegingen gebracht: rouw in mijn familie, uiteengaan, gevoelens van mijn verwanten, gevoelens van de gestorvenen waarop zo weinig is gelet.
Half een. Hoe is de tijd voorbij gegaan. Half een. Hoe zijn de jaren voorbij gegaan.
Vertaald door Hans Warren en Mario Molegraaf’
K. P. Kaváfis (29 april 1863 – 29 april 1923) Cover
De Amerikaanse dichter, zanger, singer-songwriter, componist en acteur Rodney Marvin McKuen werd geboren in Oakland, Californië op 29 april 1933. Zie ook alle tags voor Rod McKuenop dit blog.
Eighteen
I stood watching as you crossed the street for the last time. Trying hard to memorize you. Knowing it would be important The way you walked, the way you looked back over you shoulder at me. Years later I would hear the singing of the wind and the day’s singing would come back. That time of going would return to me every- sun-gray day. April or August it would be the same for years to come. Man has not made the kind of bromide that would let me sleep without your memory or written erotically enough to erase the excitement of just your hands. These long years later it is worse for I remember what it was as well as what it might have been.
Thirty-six
I live alone. It hasn't always been that way. It's nice sometimes to open up the heart a little and let some hurt come in. It proves you're still alive.
I'm not sure what it means. Why we cannot shake the old loves from our minds. It must be that we build on memory and make them more than what they were. And is the manufacture just a safe device for closing up the wall?
I do remember. The only fuzzy circumstance is sometimes where-and-how. Why, I know.
It happens just because we need to want and to be wanted too, when love is here or gone to lie down in the darkness and listen to the warm.
Rod McKuen (29 april 1933 – 29 januari 2015) Cover
„Wo wohnen Sie? Wie heißen Sie? Wer sind Sie? — Ihr Werk ist ein Juwel." Man stelle sich vor: Nach einigem Zaudern und Zögern entschließt sich ein eigentlich gar nicht mehr so junger Mann — 29 ist er —, einer Berühmtheit seinen ersten Roman zu schicken, als mehrere hundert Seiten starkes handgeschriebenes Manuskript wohlgemerkt. Denn das Werk hat ja noch keinen Verleger. An einen solchen soll diese Berühmtheit es ja erst vermitteln. Aber man weiß doch: Vielbeschäftigt sind solche Exzellenzen, zumal wenn sie Professor der Königlichen Akademie in Berlin sind wie der Angeschriebene. Und außerdem selbst ein gefeierter Romanautor (deshalb hat man's ihm ja geschickt, der Mann ist vom Fach). Und wie oft wird ihm das passieren, daß er unaufgefordert Manuskripte zugesandt bekommt, zur wohlwollenden Begutachtung. Eigentlich wäre es ein Wunder, wenn er überhaupt antwortet. Doch dann dieses! Mit noch weiter geöffneten Armen kann man jemanden gar nicht empfangen: „Wo wohnen Sie? Wie heißen Sie? Wer sind Sie? — Ihr Werk ist ein Juwel." Karl Philipp Moritz, Verfasser des „Anton Reiser, war es, der solchermaßen reagierte. Er wußte in der Tat buchstäblich nichts über den Mann, der ihm dieses Manuskript, das wahrscheinlich noch ohne Titel war, zugeschickt hatte. Ließ sich vielleicht aus dem Romangeschehen etwas ableiten über die Person dessen, der das geschrieben hatte? Bekanntlich formen Autoren ja in ihren Erstlingswerken gerne einmal mehr oder weniger verschlüsselt das eigene Leben um. Sollte Moritz tatsächlich so gedacht haben, wäre er damit völlig in die Irre gegangen. Denn die Welt, die in diesem Buch beschrieben war, konnte kaum weiter entfernt sein von dem, was ihr Verfasser in seinem bis dato 29jährigen Leben gesehen und erlebt hatte. Der Roman spielt im Milieu von Fürstenhöfen, sein romantischer Held ist Gustav, der Sohn eines Rittmeisters, an dem ein außergewöhnliches Erziehungsexperiment vorgenommen wird: So als sei er Adam, der erste Mensch, soll Gustav von seiner Geburt an acht Jahre von der Außenwelt abgeschnitten in einer unterirdischen Höhle auf dem Falkenbergischen Rittersitz Auenthal aufwachsen und erzogen werden. Gewissermaßen in einem moralischen Treibhaus ohne Fremdeinflüsse — allerdings auch einem ohne Sonne. Eine eigenartige Erzählkonstruktion. Was muß das fier ein Mensch sein, der sich so etwas ausdenkt? Vielleicht gar selbst ein Rittmeisterssohn? Aber unter der Erde wird er doch wohl nicht aufgewachsen sein?“
Hört ihr das, so höhnen Honigprotokolle, mit raumfüllenden Stimmen, ohne dass ich den Raum, den sie füllten, sähe. Ich bin im Hypnosezelt. Ein leichter Luftzug, bebende, flackernde Bahnen, die gleich wieder still von oben nach unten fallen wie undurchsichtige Farben, Orange, durch die eine Stimme geht, die die Parzellen miteinander verbindet. Sie sagt mir, was ich bin: ich bin entspannt. So liege ich allein im Schall und lausche, bin ich viele Kaninchen, die aufgehört haben, zu flitzen. Eingriff in die Dynamik der Seele geht so: Was assocciert ist, hemmen, und das, was neuerlich dissociiert ist, re-associieren, Umkleidekabine. Doch was streife ich klammheimlich ab, was lockert sich oder hakt? Da die Bilder nicht heil wie die Stimme durch die Poren der Dinge zu dringen vermögen, bin ich blinde Kaninchen, wir sind entspannt, Indes geht der Hypnotiseur in durchbrochener Strumpfhose unsichtbar und gedämpft auf dem dicken Teppich zwischen den Kabinen umher. Schwarz befindete Schenkel, als kröche orchestriert etwas darüber, wie ein stimmhaftes S, summend, gemustert. Ich denke: Kaninchen. Ich bin entspannt, ich habe versagt. Kaninchen, immer: Kaninchen,
Augenfühlerfisch
Hört ihr das, so höhnen Honigprotokolle, es ist ja nicht gesagt, dass das Klare stets hell sich mit Deutungswucht verdunkeln ebensogut auch könnte aber dabei an Klarheit nicht einbüßt. Wie es für Fische ist. Die den Unterschied sehen aber nicht aussagen können. Bspw. für den Augenfühlerfisch der blind für den eigenen Nuppsi ist. Aber wer ist das unter uns nicht? Wobei beim Augenfühlerfisch der Nuppsi unblind für den Fisch. Er nutzt das Außenauge um genau zu unterscheiden was klar zwar aber dunkel und was dunkel zwar aber zudem unklar ist. Mit seinem Augenarm dem angebauten Teleskop ist ihm das klar. Schau ein als veralgter Stein getarner Augenfühlerfisch. In irrer viel zu heller Beleuchtung. Mit diesem Auge sieht er nur Dunkles, mit dem anderen Auge sich selbst, wenn er hell ist. Mit beiden sieht er das Klare im Dunkeln aufflackern aber da er getarnt ist sieht er sich nicht. Und noch was: Das Wasser dürfte nicht brennen.
Once again, someone falls in their first falling–fall of two bodies, of two eyes, of four green eyes or eight green eyes if we count those born in the mirror (at midnight, in the purest fear, in the loss), you haven’t been able to recognize the voice of your dull silence, to see the earthly messages scrawled in the middle of one mad state, when the body is a glass and from ourselves and from the other we drink some kind of impossible water. Desire needlessly spills on me a cursed liqueur. For my thirsty thirst, what can the promise of eyes do? I speak of something not in this world. I speak of someone whose purpose is elsewhere. And I was naked in memory of the white night. Drunk and I made love all night, just like a sick dog. Sometimes we suffer too much reality in the space of a single night. We get undressed, we’re horrified. We’re aware the mirror sounds like a watch, the mirror from which your cry will pour out, your laceration. Night opens itself only once. It’s enough. You see. You’ve seen. Fear of being two in the mirror, and suddenly we’re four. We cry, we moan, my fear, my joy more horrible than my fear, my visceral words, my words are keys that lock me into a mirror, with you, but ever alone. And I am well aware what night is made of. We’ve fallen so completely into jaws that didn’t expect this sacrifice, this condemnation of my eyes which have seen. I speak of a discovery: felt the I in sex, sex in the I. I speak of burying everyday fear to secure the fear of an instant. The purest loss. But who’ll say: you don’t cry anymore at night? Because madness is also a lie. Like night. Like death.
Vertaald door Patricio Ferrari en Forrest Gander
Alejandra Pizarnik (29 april 1936 – 25 september 1972)
Zwischen den Seiten des Folianten, zwischen den Seiten des geschöpften Papiers liegt sie entblättert, die Blume. Ein Fleck aus Orange hat sich über die Schrift gelegt, ein Seufzer aus Braun und Metall.
Stacheldraht
Ganz hübsch, diese Falter von Draht! Sie halten die Beine gespreizt. Sie fliegen nicht fort. Tropfen hängen und fallen. Die Stäbe vibrieren im Wind.
Sommerabend
Es war Abend, als Sommerschwall zu dir drang.
Kein stummer Mond, keine tönende Sonne.
Ein Hauch von Wärme. Riefen Kinder nach dir?
Walter Kempowski (29 april 1929 – 5 oktober 2007) Cover (bundel literaire studies)
Uit: Das dunkle Lied des Todes (Vertaald door Gabriele Haefs)
„Er ist sogar gut angezogen, ohne geckenhaft zu wirken, und entspannt, ohne Arroganz zu zeigen. Am Telefon hatte er sich als Lars Emil Bromsen vorgestellt, Sport und Schlagzeug, und sie hatte geantwortet: Eva Bergman, Deutsch und Triangel. So hatten sie sich ausgedrückt. Kein Schnickschnack, keine Übertreibung. Ein vielversprechender Anfang einer guten Zusammenarbeit. »Willkommen, du siehst aus, wie du dich anhörst. Am Telefon, meine ich. Wir können hier reingehen.« Eva öffnete die Tür zum leeren Lehrerzimmer und legte ihr Ringbuch ab. »Kaffee?« »Danke nein. Ich halte nichts von Kaffee, oder genauer gesagt von Koffein.« Bromsen setzte sich aufs Sofa und schlug ein Bein über das andere. Eva lächelte und sagte, die Zeit auf der Klassenreise könnte möglicherweise sehr lang werden und sie werde dann einen Eimer Kaffee brauchen können. »Schön, dass wir zu zweit sind«, sagte sie. »Ich würde ja allein mit ihnen fertig, aber für die Jungen ist es gut, wenn auch ein Mann dabei ist. Ansonsten gelten sie als Musterklasse. Die beste aller Zeiten. Fachlich ungeheuer stark. Die Hälfte von ihnen wird sofort aufs Konservatorium überwechseln, wenn sie so weit sind. Setz dich. Kaffee? Nein, das hab ich ja schon gefragt. Hast du den Minibus?« »Das ist erledigt, und ich habe auch den entsprechenden Führerschein, wenn du daran gedacht haben solltest.« »Das ist doch hervorragend.« Eva wühlte in ihren Papieren und spürte, wie Hitze ihren Rücken hochjagte. Stress, dachte sie, einfach nur Stress. Sie suchte nach einem Erfrischungstuch und merkte, wie vor ihren Augen alles flimmerte. Hinlegen. Sie musste sich hinlegen. Nur für einen Moment. Zweimal tief durchatmen, spüren, wie ihr Puls sich beruhigte. Bromsen war sicher total in Ordnung, nur schade, dass er diese stechenden Augen hatte. Es war unmöglich, normal mit ihm zu reden, wenn er dermaßen glotzte. »Ich weiß nicht, warum er mit uns reden will«, sagte Eva, »Kelberg meine ich.« Bromsen ließ sich zurücksinken. »Er hat mich gestern Abend angerufen.« »Da siehst du’s. Und was wollte er?« »Mich über die Gruppe und die nicht ganz gewöhnliche Situation informieren.« Eva schlug das Ringbuch mit den Klassenbildern auf. »Was für eine Situation?« Bromsen machte eine vage Handbewegung. »Ich habe gehört, dass du lange krankgeschrieben warst.«
Uit:Zuvor (Vorrede zur Anthologie ‘Menschheitsdämmerung)
„Freilich wird die Musik dieser Dichting nicht ewig sein wie die Musik Gottes im Chaos. Aber was wäre die Musik Gottes, wenn ihr nicht die Musik des Menschen antwortete, die sich ewig nach dem Paradies des Kosmos sehnt... Von den vielen, vielen Dichtungen dieser Generation werden fast alle mit den verebbenden Stürmer ihrer Epoche untergegangen sein. Statt einiger großer leuchtender wärmender Gestirne wird Nachlebenden ihre Menge wie die von unzähligen kleinen Sternen erschimmernde Milchstraße erscheinen, die fahlklärenden Glanz in wogende Nacht gießt. Keiner dieser Dichter kokettiert mit der Unsterblichkeit, keiner wirft sich den Triumphmantel mit distanzierend heroischer Gebärde um, keiner will als Olympier in edler Haltung entschweben; und wenn diese Dichter in ausschweifender Weitschweifigkeit, in unmäßigem Fortissimo psalmodieren, stöhnen, klagen, schreien, fluchen, rufen, hymnen - so geschieht es niemals aus Hochmut, sondern aus Not und Demut. Denn nicht sklavisches Kriechen, untätiges Warten ist Demut; sondern es ist Demut, wenn einer hintritt und öffentlich aussagt, bekennt und fordert vor Gott und den Menschen, und seine Waffen sind nur sein Herz, sein Geist und seine Stimme. Als einer, der mitten unter ihnen stand, vielen durch Freundschaft und allen durch Liehe zu ihren Werken verbunden, trete ich vor und rufe: Lasst es genug sein, die Ihr Euch selbst nicht genügtet, denen der alte Mensch nicht mehr genügte; lasst es genug sein, weil Euch diese zerklüftete, ausbrechende, zerwühlende Dichtung nicht genügen darf! Lasst es nicht genug sein! Sondern helft, alle, voraneilend dem Menschheitswillen. einfacheres. klareres. reineres Sein zu schaffen. Denn jener Augenblick wird, muss kommen, da aus Beethovens Symphonie, die uns den Rhythmus unserer Jugend gab, im wildesten Chaos der tobenden Musik plötzlich die vox humana emporsteigt: Freunde, nicht diese Töne! Lasset uns andere anstimmen und freudenvollere!“
Kurt Pinthus (29 april 1886 – 11 juli 1975) Portret van de componist Arnold Schönberg door Oskar Kokoschka, 1924
“Of course, I may be mistaken, and there is a faint risk that he may develop into a bore. But what do you think, my dear, he has a passion for campanology.' `Really, Brian?' responds the other. 'And is that interesting?' `Why, it is the art of ringing bells, my dear. He knows everything, simply everything there is to know about it. I'm trying to persuade him to write a causerie on the subject. It could be extremely suggestive. I think I shall send it with a covering letter to the Eton Chronic/e, explaining to the editor why I think it so very important.' He pauses and blinks his long eyelashes. He usually tells new acquaintances: 'I am said to be the image of Max Beerbohm when he was beautiful as well as brilliant,' and he does indeed bear a close resemblance to the Rothenstein drawing of the young Max. His companion, whose vowels do not sound altogether English — a lengthened a here, an American twang there — asks why campanology should be so important. `It struck me', answers the Beerbohm cherub, 'that every house' (he means every boarding house in Eton College) 'should build its own belfry. Then it could be distinguished both musically and architecturally. But I'm afraid', he adds with a sigh, 'that in my case m'tutor is bound to choose Lutyens. I suppose it can't be helped, though one hears that he has made some tolerable designs for New Delhi. You, of course, will want to erect a Florentine campanile.' The cherub pouts thoughtfully for a moment. 'Having originated the scheme, I shall insist on being Chairman of the Bell Committee. I shall choose m'tutor's bells.' His companion laughs. 'At Cartier's, I suppose? And of platinum inlaid with cabochon rubies?' The cherub frowns. 'Now, don't be facetious, dear, it doesn't happen to suit you. I am in earnest. Just think of the carillons, my dear! I shall commission Rimsky-Korsakov!' `But he's with the angels, Brian.' `Will you stop interrupting? I can see that you're getting into one of your mosquito moods. Of course Rimsky's dead, we all know that. I meant ... Granados.”
Humphrey Carpenter (29 april 1946 – 4 januari 2005) Een exemplaar van de Eton Chronicle uit 2014
Tags:Konstantínos Petros Kaváfis, Rod McKuen, Bernhard Setzwein, Monika Rinck, Alejandra Pizarnik, Walter Kempowski, Bjarne Reuter, Kurt Pinthus, Humphrey Carpenter, Romenu
Wim Hazeu, Gerbrand Bakker, Roberto Bolaño, Gerhard Henschel, Harper Lee, Joop Waasdorp, Karl Kraus, Ğabdulla Tuqay
De Nederlands dichter, schrijver, journalist, radio- en televisieprogrammamaker, uitgever en biograaf Wim Hazeuwerd geboren in Delft op 28 april 1940. Zie ookalle tags voor Wim Hazeuop dit blog.
Imkers dood
uw bijenvader is dood hang het zwarte strikje om de korf zo los dat bij de minste wind ook dit teken vertrekt
jullie kunnen vrijuit gaan zonder het hinderlijk volgen van de man die meer beloofde dan hij ooit waar kon maken aan bloesem en aan was
Willem de Mérode
je had het over de waanzin van het recht maar gekker nog is mijn protest tegen jouw beul en letterknecht wat kan ik doen uit mijn gewest voor jouw verdriet, jouw ondersneeuwen je hoort me niet, je bent te ver mijn laatste reis naar jou duurt eeuwen
Achterberg
als ik aan achterberg denk, z'n leven en z'n poëzie, dan slaat een zwoele adem om m'n nek; ik peins dan: laat 'em in z'n tweede levensfase zonder beven voor vingerwijzen en snurkerig plezier geef hem de kans van ongeziene liefdes, hartstochten en kwatrijnen daar en ik met m'n gestumper hier
“Ik heb vader naar boven gedaan. Nadat ik hem in een stoelhad gezet, heb ik het bed uit elkaar gehaald. Hij bleef in die stoel zitten als een kalf van een paar minuten oud, nog voorhet schoongelikt is; met een ongestuurd wankelend hoofd en ogen die zich nergens aan hechten. Ik heb de dekens, lakens en de molton van het matras gerukt, het matras zelf en de beddenplanken tegen de wand gezet, en het hoofd- en voeteneinde losgeschroefd van de zijkanten. Ik probeerde zoveel mogelijk door mijn mond te ademen. De kamer boven – mijn kamer – had ik al leeggeruimd.‘Wat doe je?’ vroeg hij.‘ Je gaat verhuizen,’ zei ik.‘Ik wil hier blijven.’‘Nee.’Hij mocht zijn bed houden. Eén helft van het bed is al meer dan tien jaar koud, maar de onbeslapen plek wordt nog steeds bekroond met een kussen. In de kamer boven schroefde ik het bed weer in elkaar, het voeteneinde naar het raam toe. Onder de poten plaatste ik klossen. Ik maakte het bed op met schone lakens en twee schone kussenslopen. Daarna droeg ik vader de trap op. Vanaf het moment dat ik hem uit de stoel haalde, keek hij me aan en hij bleef dat doen tot ik hem in bed legde, en onze gezichten elkaar bijna raakten.‘Ik kan zelf lopen,’ zei hij, toen pas. ‘Nee, dat kan je niet,’ zei ik. Hij zag dingen door het raam die hij niet verwachtte tezien. ‘Ik lig hoog,’ zei hij.‘ Ja. Zo kun je naar buiten kijken zonder alleen maar lucht te zien.’Ondanks de nieuwe ruimte en de verschoonde lakens en slopen rook het bedompt, rook hij bedompt en schimmelig. Ik zette een van de twee ramen op het haakje. Buiten was het kraakfris en stil, alleen aan de bovenste takken van de kromme es in de voortuin zaten nog een paar verfrommelde bladeren. Heel in de verte zag ik drie fietsers over de dijk gaan. Als ik een stap opzij had gedaan, had hij de drie fietsers ook kunnen zien. Ik bleef staan waar ik stond. ‘Haal de dokter,’ zei vader.‘Nee,’ antwoordde ik. Ik draaide me om en liep de slaapkamer uit. Vlak voor de deur dichtviel, riep hij: ‘Schapen!’ In zijn voormalige slaapkamer lag een rechthoek stof op de grond, iets kleiner dan de maten van het bed. Ik haalde de slaapkamer leeg. De twee stoelen, de nachtkastjes en de kaptafel van moeder zette ik in de woonkamer. In een hoek van de kamer wurmde ik twee vingers onder de vloerbedekking. ‘Niet vastplakken,’ hoorde ik moeder zeggen, een eeuwigheid geleden, terwijl vader net door de knieën wilde gaan,met een pot lijm in zijn linker- en een lijmkwast in zijn rechterhand, en wij al haast bedwelmd raakten van de scherpe dampen. ‘Niet vastplakken, want over tien jaar wil ik nieuwe vloerbedekking.’ De achterkant van het tapijt verkruimelde onder mijn vingers. Ik rolde het op en droeg het door het melklokaal naar buiten, waar ik, midden op het erf, opeens niet wist wat ik ermee aan moest. Ik liet het uit mijn handen vallen, op de plek waar ik stond. Een paar kauwen schrokken van de onverwacht luide klap en vlogen op uit de bomen die langs het erf staan.”
Uit: Antwerpen (vertaald door Aline Glastra Van Loon)
“De meeste huizen waren onbewoond in dit jaargetijde. De man stopte in een smalle straat met huizen van één verdieping en identieke tuinen. Terwijl zij in de badkamer verdween, zette hij koffie. De keuken had bruine vloertegels met arabesken en zag eruit als een gymnastieklokaal. Ze schoof de gordijnen open, in geen van de huizen aan de overkant scheen licht. Ze trok haar satijnen jurk uit en de man stak weer een sigaret voor haar aan. Voordat ze haar slipje omlaag deed, zette de vent haar op handen en voeten op het zachte, witte tapijt. Ze hoorde dat hij iets zocht in de kast. Een rode, ingebouwde kast. Ze zag hem ondersteboven, tussen haar benen door. De man glimlachte tegen haar. Nu loopt er iemand door een straat waar alleen auto’s geparkeerd staan voor de respectieve huizen. Boven de boulevard bungelt, alseen gehangene, de lichtreclame van het beste restaurant in de buurt, sinds lang gesloten. De voetstappen sterven weg in de aflopende straat, in de verte zie je de koplampen van een paar auto’s. Zij zei nee. Luister. Er is iemand buiten. De man liep naar het raam, daarna kwam hij naakt terug naar het bed. Ze had sproeten en soms hield ze zich sla-pend. Hij keek naar haar vanuit de deuropening met een soort onpersoonlijke vertedering. Iemand creëert stiltes voor ons. Hij drukte zijn gezicht zo lang te-gen het hare dat het pijn deed en penetreerde haar met één stoot.Misschien schreeuwde ze een beetje. Vanaf de straat was echter niets te horen. Ze vie-len in slaap zonder elkaar los te laten. Iemand gaat weg. We zien zijn rug, zijn vuile broek en zijn laarzen met de afgesleten hakken. Hij gaat een bar binnen en zoekt een plaatsje aan de toog als iemand die jeuk heeft over zijn hele lijf. Zijn bewegingen bren-gen een vaag gevoel van verontrusting teweeg bij de rest van de stamgasten. Is dit Barcelona? vraagt hij. ’s Avonds lijken alle tuinen hetzelfde, overdag maken ze een andere indruk, alsof de verlangens wor-den gekanaliseerd via de bloemenen de perken en de slingerplanten. ‘Ze verzorgen hun auto’s en hun tuinen...’ ‘Iemand heeft een speciale stilte voor ons gecreëerd...’ ‘Eerst bewoog hij hem van binnen naar buiten en daarna werd de beweging circulair...’ ‘Haar billen zaten vol krabben...’ ‘De maan gaat schuil ach-ter het enige grote gebouw in de buurt...’ ‘Is dit Bar-celona...?’
Roberto Bolaño (28 april 1953 – 15 juli 2003) Cover
„Die Sonne bollerte ins Zimmer, und als ich mich auf die andere Seite drehte, knarrte das Bettgestell. Ich rieb mir die Augen und gähnte ein Stück Tapete an, das ich nie zuvor gesehen hatte. Ach du Schreck – jetzt war ich ja in Meppen! In unserem neuen Haus, das ich noch gar nicht kannte, weil ich den Umzug nicht miterlebt hatte und danach erst spätabends aus Jever abgeholt worden war. Nichts wie raus aus der Kiste! Hastig frühstücken und sich dann alles ansehen, von oben bis unten. Von meinem Zimmer konnte ich durchs Fenster auf den Balkon klettern. Volker wohnte links nebenan und verfügte über eine Balkontür, weil er drei Jahre älter war als ich und das bessere Zimmer gleich mit Beschlag belegt hatte. Seins war auch viel größer als meins. »Untersteh dich, hier durchs Fenster zu steigen!« rief Mama, als sie mit dem Staubsauger nach oben kam. »Schluß damit!« Das war das Ende meiner Karriere als Fassadenkletterer und zugleich der Beginn meiner Laufbahn als ruhmloser Einwohner einer emsländischen Kleinstadt. Den Auszug aus unserem Eigenheim auf dem Mallendarer Berg in Vallendar bei Koblenz hatte Mama uns damit schmackhaft zu machen versucht, daß wir es von Meppen aus nicht mehr so weit zu Oma und Opa Jever hätten. Das stimmte: Früher hatten wir regelmäßig sechs Stunden lang im vollgefurzten Pkw gehockt oder in überfüllten Zügen, und von hier aus würde die Fahrt bloß noch knapp zwei Stunden dauern. Das Haus hatten Mama und Papa vom Bund gemietet. Georg-Wesener-Straße 47. Im oberen Flur gab es außer dem Elternschlafzimmer und Renates, Volkers, Wiebkes und meinem Zimmer ein Bad mit Wanne und Waschbecken und ein Klo mit Waschbecken und Dusche. Zum Dachboden führte eine steile Holztreppe hoch, die man mit einem Hakenstiel nach unten klappen und dann ausfahren mußte, wenn man da raufwollte. Dabei mußte man aber aufpassen, daß einem die Leiter beim Herunterklappen nicht in die Fresse donnerte. Da oben hatten Mama und Papa nach dem Umzug allen Kraßel abgestellt, mit dem sie auch schon in unserem alten Haus nicht gewußt hatten wohin. Verboten war es, vom Balkon in den Garten zu hopsen oder auf die von Papa übertapezierten Klingeln in den Kinderzimmern zu drücken: Wenn man das tat, bimmelte es unten in der Küche. Damit hatten einstige Hausbewohner ihr Personal alarmiert. Im Erdgeschoß standen einem da und dort noch unausgepackte Umzugskartons im Weg. Hinter der Küche war eine kleine Vorratskammer versteckt.“
“She sternly repressed a tendency to boisterousness when she reflected that Sidney Lanier must have been somewhat like her long-departed cousin, Joshua Singleton St Clair, whose private literary preserves stretched from the Black Belt to Bayou La Batre. Jean Louise’s aunt often held up Cousin Joshua to her as a family example not lightly to be discountenanced: he was a splendid figure of a man, he was a poet, he was cut off in his prime, and Jean Louise would do well to remember that he was a credit to the family. His pictures did the family well – Cousin Joshua looked like a ratty Algernon Swinburne. Jean Louise smiled to herself when she remembered her father telling her the rest of it. Cousin Joshua was cut off, all right, not by the hand of God but by Caesar’s hosts. When at the University, Cousin Joshua studied too hard and thought too much; in fact, he read himself straight out of the nineteenth century. He affected an Inverness cape and wore jackboots he had a blacksmith make up from his own design. Cousin Joshua was frustrated by the authorities when he fired upon the president of the University, who in his opinion was little more than a sewage disposal expert. This was no doubt true, but an idle excuse for assault with a deadly weapon. After much passing around of money Cousin Joshua was moved across the tracks and placed in state accommodations for the irresponsible, where he remained for the rest of his days. They said he was reasonable in every respect until someone mentioned that president’s name, then his face would become distorted, he would assume a whooping crane attitude and hold it for eight hours or more, and nothing or nobody could make him lower his leg until he forgot about that man. On clear days Cousin Joshua read Greek, and he left a thin volume of verse printed privately by a firm in Tuscaloosa. The poetry was so ahead of its time no one has deciphered it yet, but Jean Louise’s aunt keeps it displayed casually and prominently on a table in the living-room.”
Harper Lee (Monroeville, 28 april 1926)
De Nederlandse schrijver en journalist Joop Waasdorp (pseudoniem: Frans Hals) werd geboren in Amsterdam op 28 april 1917. Zie ook alle tags voor Joop Waasdorpop dit blog.
Uit: Fritzi
“Fritzi ten Harmsen van der Beek, een hartelijke, geinige vrouw, heeft een interessant-knap gezicht, een zekere chique en is verder om de bliksem geen doetje. Ik heb haar eens een proleet van een vent woedend en afdoende horen afbekken. Bravo! Haar gedichten, maar ook haar verhaaltjes, bijvoorbeeld dat dingetje over Koekje met zijn tas met cadeautjes (uit Neerbraak) - wie die niet prachtig vindt moet zijn of haar bovenkamer laten nakijken. Ik ken Fritzi sinds de winter van 1968 toen zij op een late namiddag een nogal bekend bierhuis kwam binnenzoeven. Aanstonds bleek dat zij manieren heeft. Zo noemde ze mij bij die eerste ontmoeting ‘meneer’ en zei netjes U in plaats van direct te gaan jijjen en jouwen. Ook liet zij (wat later) in het bierhuis achter een mapje kiekjes zien van Chicago (Crime City), waarop een nieuwjaarswens, kort nadat we in gezelschap van haar escort (een geschikte jonge snuiter) capucijners gegeten hadden. Fritzi wil op een beschaafde wijze leven. Wat zij daaronder verstaat blijkt uit haar bizarre mondeling gedane verhalen. In een daarvan vertoefde zij dagenlang in een lauw-warm kuipbad in de badinrichting aan de Amsterdamse Heiligeweg, terwijl op gezette tijden heerlijke tartaartjes naar binnen werden geschoven door een besteller van de fijnste banketbakker van heel Amsterdam, namelijk de firma Pott uit de Van Baerlestraat (inmiddels verdwenen). En knaagt iets (Wat knaagt? is immers de titel van een van haar dichtbundels) en dat knagen zal wel een gemeen scherp kantje hebben. Desondanks staat die snuit van Fritzi vrijwel steeds naar lachen, wat ik bijzonder in haar waardeer. Zij had mij uitgenodigd voor een feestje op haar behuizing Jachtlust. Als de bulldozers het niet hebben vermalen staat het er nog maar jammer genoeg zonder Fritzi. Jachtlust lag er, al was het winter, tamelijk riant bij: een groot vóórgazon, enkele forse bomen, oprijpaden. Er was veel goede drank, waarvan ik weinig gebruikte omdat teveel drank mij ziek maakt. Veel volk was er ook, het merendeel van jeugdige leeftijd, van wie ik (behalve Fritzi's zoon Gill, aardige jongen) niemand kende. Maar op een feestje is dat eigenlijk ook nergens voor nodig. Dus liet ik mij neer in een oude settee, waar ik aangenaam warm en droog zat en die urenlang mijn basis is gebleven. Intussen werd er steeds opgebeld, wat kennelijk van Fritzi niet moest. Uiteindelijk besloot zij deze ‘waardeloze typen’ niet meer te woord te staan. Verder deelde ze de gasten mede dat iedereen die iets van haar wou ‘meteen moest opdonderen’. Fritzi kan zoiets doen en dan toch charmant blijven. Later, in de vestibule, stond zij met een enkelloops jachtgeweer in de handen. Ik vond dat ding naderhand in een paraplubak en ik heb toen gekeken of het soms geladen was maar dat was niet zo.”
Joop Waasdorp (28 april 1917 – 3 september 1988) Fritzi ten Harmsen van der Beek
De Joods-Oostenrijkse dichter, schrijver en journalist Karl Krauswerd geboren in Jičin, Bohemen, Oostenrijk-Hongarije (thans Tsjechië) op 28 april 1874. Zie ook alle tags voor Karl Kraus op dit blog.
Der sterbende Mensch
Der Mensch Nun ists genug. Es hat mich nicht gefreut, Und Neues wird es auch wohl nicht mehr geben.
Das Gewissen In einer Stunde endet sich dein Leben, Und du hast nichts gesühnt und nichts bereut.
Der Mensch Bereuen kann man nur, was man getan. Ich habe nichts erfüllt und nichts versprochen.
Die Erinnerung Ich war dein Zeitvertreib. So wurden Wochen Aus Jahren. Denkst du noch? Sieh mich nur an!
Der Mensch Ich sah stets hinter mich, und du warst da. Warst du nicht da, so schloß ich gern die Augen.
Die Welt Ich schien dir nicht in deine Welt zu taugen. Du sahst nur alles Ferne immer nah.
Der Mensch Und alles Nahe fern. Bleib mir vom Geist! Stell dich nicht vor, ich stell' dich besser vor.
Der Geist Wenn sie dich plagt, was leihst du ihr dein Ohr? Von mir hast du, von ihr nicht, was du weißt!
Der Mensch Was weiß ich, was ich weiß! Ich weiß es nicht. Ich glaube, zweifle, hoffe, fürchte, schwebe.
Der Zweifel Du fällst nicht, Freund, wenn ich dich höher hebe. Verlaß dich auf mein ehrliches Gesicht.
Der Mensch Ich kenne dich. Du hast durch manche Nacht Mir eingeheizt und manches Wort gespalten.
Der Glaube Ich aber, glaub mir, hab' es dir gehalten, Mit meinem Atem dir die Glut entfacht.
Der Mensch Zu viel, ich hab' die Seele mir verbrannt. Oft wars wie Hölle, oft wars wie der Blitz –
Der Witz Da bin ich schon. Im Ernst, ich bin der Witz. Ich bins im Ernst, und doch als Spaß verkannt.
Der Mensch Wer wäre, was er ist, wo Trug und Wesen Die Welt vertauscht in jämmerlicher Wahl!
Der Hund Ich bin ein Hund und kann nicht Zeitung lesen.
Der Bürger Ich bin der Herr und wähle liberal.
Die Hure Ich, weil ich Weib bin, von der Welt verachtet.
Der Bürger Weil ich kein Mann bin, von der Welt geehrt.
Der Mensch Nach ihrer Ehre hab' ich nicht geschmachtet. Und ihre Liebe hat mich nicht verzehrt.
Gott Im Dunkel gehend, wußtest du ums Licht. Nun bist du da und siehst mir ins Gesicht. Sahst hinter dich und suchtest meinen Garten. Du bliebst am Ursprung. Ursprung ist das Ziel. Du, unverloren an das Lebensspiel, Nun mußt, mein Mensch, du länger nicht mehr warten.
In those moments when my spirit is low, I hate myself, I feel nothing but sorrow. With pangs of remorse I look for a place, Where I could peace and comfort embrace. I’m in a total void, miserable and sad, Dark thoughts race spinning through my head. My eyes have barely dried of tears, A still darker image before me appears. In moments like these I turn to the Scripture What I find on its pages my mind can picture. And suddenly joy fills my poor exhausted soul, Chasing away dark thoughts and making troubles go. Every page I read, every line and every verse, Turn to shining stars, showing me the course. O, how meaningless become all these earthly concerns, My eyes are opened and the light returns. Now I’m forgiven, I am redeemed and safe, That’s what the Holy Book means for Allah’s slave. It brings back confidence, self esteem and trust, With hope I view the future, leaving behind the past.
Ğabdulla Tuqay (28 april 1886 – 15 april 1913) Standbeeld in Naberezjnye Tsjelny
Now doors and windows are unbarr'd, Each-where are cheerful voices heard, And round about 'Good-morrows' fly, As if Day taught Humanity. The chimnies now to smoke begin, And the old wife sits down to spin, Whilst Kate, taking her pail, does trip Mull's swoll'n and straddl'ing paps to strip. Vulcan now makes his anvil ring, Dick whistles loud, and Maud doth sing, And Silvio with his bugle horn Winds an Imprime unto the Morn. Now through the morning doors behold Phoebus array'd in burning gold, Lashing his fiery steeds, displays His warm and all-enlight'ning rays. Now each one to his work prepares, All that have hands are labourers, And manufactures of each trade By op'ning shops are open laid. Hob yokes his oxen to the team, The angler goes unto the stream, The woodman to the purlews hies, And lab'ring bees to load their thighs. Fair Amarillis drives her flocks, All night safe-folded from the fox, To flow'ry downs, where Colin stays, To court her with his roundelays.
Charles Cotton (28 april 1630 – 16 februari 1687) Charles Cotton's vissershuisje (gebouwd in 1674) aan de oevers van de rivier de Dove. Cotton woonde in het nabijgelegen Beresford Hall
He Makes The Eagles And Ocelots Dance With Him! (Fragment)
Thus the dead one was directed, when he died:
'Awaken, already the sky is rosy, already dawn has come, already sing the flame-coloured guans, the fire-coloured swallows, already the butterflies fly.'
Thus the old ones said that who has died has become a god, they said: 'He has been made a god there, meaning 'He has died.'
Even jade is shattered, Even gold is crushed, Even quetzal plume are torn . . . One does not live forever on this earth: We endure only for an instant!
Will flowers be carried to the Kingdom of Death: Is it true that we are going, we are going? Where are we going, ay, where are we going? Will we be dead there or will we live yet? Does one exist again?
Nezahualcóyotl (28 april 1402 – 4 juni 1472) Standbeeld in Ciudad Nezahualcóyotl (Neza)
Cher lecteur! Suis mes pas, entrons dans un ménage Où, sous la cheminée, on bâcle un mariage; Prenons place au foyer et voyons un instant Ce qu' on pense tout haut sur ce point important. La maison est bourgeoise ou noble, peu importe: Aujourd' hui qu' on n' a plus d' écussons à sa porte, Que la fortune a mis son niveau sur les rangs, Le langage et les moeurs ne sont point différents. -Mon ami, dit la femme au père de famille, Il est temps de songer à pourvoir notre fille. Le Père. Eh bien, soit. Tu connais Acaste, il a du bien, Trois frères sans enfants, un nom qui vaut le mien; Il ne prendra que peu... c' est vraiment notre affaire. La Mère. Mais il est, cher ami, presque sexagénaire. Le Père. Tant mieux, c' est un motif pour qu' il ne soit pas fou Et ne croque son bien jusques au dernier sou. La Mère. Monsieur Georges, ami, me plairait davantage; Il a trente ans au plus, barbe noire au visage; C' est un joli valseur et des plus complaisants À promener au bal les ennuis des mamans. Il pourrait devenir receveur ou notaire.
Auguste Barbier (28 april 1805 – 14 februari 1882) Cover
Uit: Bruno Apitz. Eine politische Biographie (door Lars Förster)
„Bruno Apitz erblickte um die Jahrhundertwende das Licht der Welt: am 28. April 1900. Sein nachfolgender Lebensweg, insbesondere seine Kindheit und Jugend. ist untrennbar mit Leipzig verbunden. Die Stadt war damals eine der größten mitteldeutschen Industriestädte und das Zentrum der sich institutionalisierenden Arbeiterbewegung. Hier bildete sich ein dichtes Netz an Organisationen und Arbeitervereinen. dessen Mittelpunkt die SPD war. Die Leipziger SPD genoss zu dieser Zeit den Ruf außerordentlicher Radikalität sowie marxistischer Revolutionsgläubigkeit und entwickelte sich zur Hochburg linker Strömungen innerhalb der deutschen Sozialdemokratie. Hier gab später Franz Mehring die damals auch weit über Sachsens Grenzen hinaus bekannte sozialdemokratische »Leipziger Volkszeitung« heraus, das wichtigste Sprachrohr des linken SPD-Flügels. Apitz wuchs anfangs im Osten Leipzigs auf, im Arbeitervorort Volkmarsdorf. heute wie damals ein Problemviertel. Sein Geburtshaus befand sich in der Elisabethstraße 15, direkt gegenüber der Lukaskirche. dem Zentrum dieses Vororts. Bruno war der ungewollte Nachzügler einer Arbeiterfamilie. Seine Mutter. Marie Friederike Apitz. geborene Anhalt, hatte bereits elf Kinder geboren, von denen nur fünf am Leben geblieben waren. Die anderen hatten nicht einmal ihre Windelzeit überlebt. »Kindersegen. bedeutete in vielen Arbeiterfamilien vor allem »Kinderlast.. Jedes Neugeborene war ein Esser mehr am Tisch, was die Nöte und die ohnehin schon starke Arbeitsbelastung der Mütter vergrößerte. Bruno Apitz wuchs somit gemeinsam mit fünf Geschwistern in nach heutigen Maßstäben zerrütteten Familienverhältnissen auf. Seine Mutter. Jahrgang 1863, stammte aus ländlich-proletarischen Verhältnissen, sie hielt sich mühsam mit Wäschewaschen über Wasser. Ungewöhnlich für diese Zeit ist wohl. dass Apitz' Mutter allen politischen Fragen mit großer Aufgeschlossenheit begegnete. Sie war Freidenkerin und hatte schon in jungen Jahren Zusammenstöße mit der Kirche erfahren. die einmal sogar zu einem Prozess wegen Gotteslästerung geführt hatten. Damals war sie bereits Mitglied der SPD und besuchte abends innerhalb der Leipziger Arbeiterbildungsvereine die Frauenzirkel von Clara Zetkin und Käte Dunelter, um sich ein gewisses Maß an Bildung anzueignen. Apitz' Mutter kann wohl als Urbild einer selbstbewussten. sächsischen Proletarierin am Anfang des 20. Jahrhunderts gelten, die man heute als emanzipiert bezeichnen würde. Der Vater. Friedrich Hermann Apitz - von der Familie nur der »Alte« genannt - war als Wachstuchdrucker zwar sehr arbeitsam, pflegte jedoch auch eine Kehrseite als grober Kerl und Alkoholiker. Einen Großteil seines Verdienstes vertrank er. Die Mutter und die sechs überlebenden Geschwister hatten unsäglich unter ihm zu leiden. »Nicht. daß er die Mutter geprügelt hätte.. erinnerte sich Apilz später...“aber er gröhllte und randalierte. daß die Nachbarn zusammenliefen.«
Bruno Apitz (28 april 1900 – 7 april 1979) Cover
Onafhankelijk van geboortedata
De Amerikaanse dichteres Kathryn Mariswerd geboren in New York in 1971. Zij woont sinds 1999 in Londen. Zij behaalde een BA in Engelse literatuur aan de Columbia University en een MA in creatief schrijven Boston University. Maris publiceerde o.a. de bundel “God Loves You” (2013) en “The Book of Jobs” (2006). Ze heeft een Pushcart Prize gewonnen, een Academy of American Poets Award en beurzen van Yaddo, het Fine Arts Work Centre in Provincetown en van Hawthornden Castle. Haar gedichten zijn verschenen in Poetry Review, Plowshares, Poetry London, Slate, Poetry, The Spectator en The Financial Times, evenals in vele bloemlezingen, waaronder Best British Poetry 2012, Dark Matter: Poems of Space en de Oxford Poets Anthology. Ze geeft online en face-to-face lessen voor de Poetry School.
School Run
I board the same bus I boarded this morning and see the same driver from the earlier journey. Our eyes meet; he remembers me too. When I exit, I feel abandoned by the driver
I know from many early-morning journeys to my daughter’s school in northwest London. Why do I feel the driver has abandoned me? Has an imagined intimacy developed?
At my daughter’s school in northwest London were the usual mums and dads I greet with an imagined sense of intimacy that has nothing to do with friendship.
Among the many mums and dads I greeted with politeness, or something like fondness having nothing at all to do with friendship, were business people and psychoanalysts.
Out of politeness or something like fondness, I do not ask the driver why he left me. He’s not in the business of psychoanalysis; it’s not his job to say I miss my daughter,
that it was a loss when my daughter left my body, when I met her eyes after the birth. It’s not his place to say I’m losing my daughter. I exit the same bus I boarded this morning.
“The greatest difference between us, however, the significance of which I did not begin to ascertain until two years after our first meeting, lay in our social classes. As I mentioned, my father was an academic at Oxford, and my mother, after seeing off her only child to university, had returned to practising as a psychotherapist, throwing herself into the retraining necessary to make up ground lost while raising me. My maternal grandfather had been Pakistan’s ambassador to the United States and had moved in that country’s elite internationalist circles; his closest friend had been Muhammad Asad, Pakistani ambassador to the UN shortly after 1947, a man who had begun life as Leopold Weiss, an Austro-Hungarian Jew born in what is now Ukraine. On the paternal side, my grandfather was an industrialist whose fortune, based on landholdings and tenancies, he augmented with the profits of shipping enterprises. More than once during term time, Zafar came with me to lunch at my parents’ home, a large double-fronted, three-storey Victorian house like many in that part of Oxford, though somewhat more capacious than the homes of most academics. To this day, whenever I return there, I feel an ease and lightness suffuse my being as I tread across the sweeping arc of the driveway, the gravel crunching underfoot, up to the stained glass of the wide front door. On his first visit, Zafar stood at the threshold, wiping his feet over and over, his eyes darting about the large hall, his mouth slightly open. Evidently, he was, as people often are, astonished by the books, which were everywhere: shelves hanging wherever a wall would allow, books overflowing onto the floors, even leaning accordion-like on the staircase along the wall. In the family room, old issues of science magazines and journals, my father’s subscriptions, sat in box files on shelves that scored the walls like lines on a writing pad. More recent issues lay about in small piles on a sideboard and on the floor. Zafar surveyed all this but his eyes settled on the far wall that was covered with my father’s collection of old maps, mounted and framed, of the Indian subcontinent under the British Raj, an area that today stretches from Pakistan across India to Bangladesh.”
De Koning (Jaap Fischer), The Old Men (Walter John de la Mare)
Bij Koningsdag
Koninginnedag door Jan Cremer, 1974
De Koning
Als een schoft om een praatje verlegen zit Vindt hij altijd wel op straat Een schoft die om een praatje verlegen zit Met wie hij dan praat Maar koning, met wie praat jij in zo'n geval Je zoekt je dood, je blijft alleen, ik zie het al Want een koning heeft alleen maar minderen En z'n kinderen en z'n vrouw
Zelfs als een hond wil gaan wandelen in de stad Vindt hij altijd wel een ander na een blok of wat D'r wordt gesnuffeld en okee bevonden En gaan ze samen verder, twee honden Maar koning, met wie ga jij in zo'n geval Je zoekt je dood, je vindt geen mens, ik zie het al Want een koning vindt alleen maar minderen En z'n kinderen en z'n vrouw
Zie, de koning zet z'n kroon af Gaat de stad in naar het goedkoopste café of het duurste hotel Zie, de koning bestelt een koffie of whisky Kruipt in een kring, kijkt of zich heen Dan merkt ie het wel Dat alle mensen vinden dat ie stoort Alsof een koning ergens anders hoort Alsof hij echt slechts hoort bij minderen En bij z'n kinderen en z’n vrouw
Jaap Fischer (Utrecht, 18 april 1938)
Dolce far niente
Two Old Men door Lisbeth Firmin, 2015
The Old Men
Old and alone, sit we, Caged, riddle-rid men; Lost to earth's 'Listen!' and 'See!' Thought's 'Wherefore?' and 'When?'
Only far memories stray Of a past once lovely, but now Wasted and faded away, Like green leaves from the bough.
Vast broods the silence of night, The ruinous moon Lifts on our faces her light, Whence all dreaming is gone.
We speak not; trembles each head; In their sockets our eyes are still; Desire as cold as the dead; Without wonder or will.
And One, with a lanthorn, draws near, At clash with the moon in our eyes: 'Where art thou?' he asks: 'I am here,' One by one we arise.
And none lifts a hand to withhold A friend from the touch of that foe: Heart cries unto heart, 'Thou art old!' Yet reluctant, we go.
Walter John de la Mare (25 april 1873 – 22 juni 1956) Charlton, London, de geboorteplaats van Walter John de la Mare rond 1900