Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 11 november 2009 tot 12 november 2009

Daniël Dee, Johnny van Doorn, Cristina Peri Rossi

De Nederlandse dichter Daniël Dee werd geboren op 12 november 1975 in Empangeni, Zuid-Afrika. Zie ook mijn blog van 12 november 2007 en ook mijn blog van 12 november 2008.

 

 

Mijn rug is recht en zal niet breken

 

mijn rug is recht en zal niet breken

jij bent niet de enige met een goddelijke ambitie

 

zo vaak heb ik gewankeld op mijn benen onderschat

me niet fladder als een vlinder steek als een bij

 

zo vaak heb ik een bloedneus te verduren gekregen

de smaak van oxiderend ijzer in mijn mondholte

 

ik zal voor elke druppel dampend bloed

een klinkende zilverling innen

 

ik zal zijden pakken dragen een gleufhoed en een marmeren wandelstok

aan elke arm een onweerstaanbaar sexy model met nylonkousen

 

ik zal dollartekens op mijn kont hebben getatoeëerd

die jij mag kussen

 

er moet nog zoveel gebeuren voor ik weer

langs jouw deur zal paraderen

 

mijn bombayé bombayé toekomstserenade

 

deze situatie heeft wel wat van een bokswedstrijd

alleen zijn er geen touwen geen rondemissen geen gong

geen scheidsrechter en ben ik niet van plan mijn handdoek

in de ring te werpen

 

mijn koude hersentjes werken traag een gletsjer die het verleden

langzaam en onverbiddelijk bedekt met tonnen ijs in dit paleis bewust

zonder trui kachel en jammerlijk jou waar leven een overlevingsslag

expeditie robinson in het pleistoceen is geworden het moet zijn want

 

misschien was het niet veel maar ik gaf je alles

wat ik bezat toen jij siebert de huiler was ik de knuppel

sloeg ik je uit het ijs wenste jij gered je vacht geföhnd

ik blies een cycloon gaf je ijsjes ik was je stijve captain iglo

die je in driedelig pinguïnpak de gouden visstickstaven

op zilveren schalen bracht en hoewel ik jouw tegenpool was

vond ik niet wat jij vond dat ons samenzijn schots en scheef

trok verlangde ik enkel jouw glanzende huid in mijn villa

kakelbont zocht jij de rest van de wereld met jeugdig ongeduld

vertrok jij en belandde alweer snel in het duister onder het ijs

mis ik de warmte van je vacht zie ik enkel je starende lodderogen

 

de wolfshonden zijn weggelopen de arrenslee vertrapt door ongelikte

ijsberen worstel ik in eigen ijstijd tot het eind want zo moet het zijn

 

 

 

 

 

Psychopretpark aflevering dertien

de achtbaan met dodelijke val

 

goederen die ik thans misselijkmakend verlang

zijn niet verkrijgbaar in de betere boetieks

de geur van jouw verse zweet in dat minieme

zomerjurkje de afdruk in het gras waar je lag

 

goederen die ik thans misselijkmakend verafschuw

zijn voor de graai in ieder afgestemd warenhuis

alhier in het centrum of elk ander centrum te halen

met name die scherpe koopjesschaar waarmee ik jou

 

zullen we nu net alsof doen dat het weer zomer

jij net wakker ik de koffie al gezet en wij zo naar

het park dan is het net alsof de zon nooit onder

ik even niet en jij niet

 

de hond snurkt zuchtend in zijn mand ik ga

naast hem liggen en een perverse gedachte

schiet door mijn met jouw lijf gevulde kop

 

 

 

 

 

Dee
Daniël Dee (Empangeni, 12 november 1975)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Johnny van Doorn (The Selfkicker) werd geboren op 12 november 1944 in Beekbergen en groeide op in Arnhem. Zie ook mijn blog van 12 november 2008.

 

Uit: Nico Keuning: Oorlog en pap, het bezeten leven van Johnny van Doorn

 

“Radiofragment: [...] ‘Ik stond op het balkonnetje, opeens zag ik de dichter Hans Verhagen, probeerde mij te vinden, geloei van de wind, ik roep “Hans, Hans”, hij riep iets terug, “OEOEOE” tegen de wind, gebaren... komt aan met zijn vrouw Conny en zijn zoontje Norman. Ze komen buiten adem binnen, praten over boeken, literatuur, Slauerhoff, we hebben ’t over de negentiende eeuw, over romantiek, zakelijkheid, sigaretje erbij, sherry, glaasje bier, vriendinnen, gezelschapje, met Hans aan het raam aan die zee. Hans kent de zee van Vlissingen, hij kent mij als een bosduivel, dat hele verband, 1 februari in de storm, zo tijdloos en onvergetelijk. Er gebeurde eigenlijk niets, mensen die aan een tafel zitten, achter het raam die bulderende storm, niemand te zien, zout en zilt en schuimkoppen en briesende golven, lawaai van brullende leeuwen en gegier van spoken, OEÔÔÔHH, leven, gieren om het huis van heb ik jou daar...zo moet Norman, een voortreffelijke naam in dat stormachtige geweld, dat gezien hebben, ooms die er bovenheen brommen BABBELBABBELDEBÔBBELÔBÔH, en dat licht buiten, een visioen, een moment in de tijd, een fotografisch moment.’ En wat blijft er van de bevlogen improvisatie over op papier? Bijna niets; één zinnetje, dat luidt: ‘Tijdens het imponerende natuurgeweld krijgen mijn verloofde en ik bezoek van vrienden.’ En van het tijdloze, fotografische moment met het beeldrijm in flashback van Norman naar de jeugdige Van Doorn, resteert in het boek slechts dit: ‘De gezelligheid van vrienden-onder-elkaar, waar ik me in stort, geeft enige uren afleiding.’ Keuning: ‘Terwijl je zoals hij het vertelt helemaal het beeld krijgt van het jongetje Johnny. Associërend op de aanwezigheid van de zoon van Verhagen verplaatst Van Doorn zich terug in de tijd, terug naar de jaren vijftig, toen hij zelf zo’n jongen was in de huiskamer in Arnhem tijdens een verjaardag, luisterend naar de stemmen van zijn ouders, ooms en tantes.’

 

 

 

 

Johnny_van_Doorn
Johnny van Doorn (12 november 1944 – 26 januari 1991)

 

 

 

 

 

De Uruguayaanse schrijfster, vertaalster en journaliste Cristina Peri Rossi werd geboren op 12 november 1941 in Montevideo. Zie ook mijn blog van 12 november 2008.

 

Uit: Solitaire of Love  (Vertaald door Robert S. Rudder)

 

“Aida complains about anonymous telephone calls; a clandestine caller who does not dare give his name, or speak, or suggest a rendezvous, who accepts her angry "Hello" and then listens passively to a string of filthy words.

    "How do you know it's a man?" I ask with feigned indifference.

    "Women are braver," says Aida.

    She doesn't know that I could be that anonymous caller; trembling, I too could dial her number, and anxiously await the sound of her voice. And to avoid the harsh "Hello" of an irritated Aida (to avoid her filthy words when confronted by a timid silence), I would call her at different hours; then, unguarded, Aida's "Hello" would not be harsh or furious, it would be a spontaneous "Hello," with resonance, coins and a fish in water.

    "Sometimes he taps softly on the receiver, perhaps with his fingernails, as though drumming out a phrase that I have to decipher," adds Aida.

    Aida doesn't know Morse code. The anonymous caller does not know that Aida has no knowledge of Morse, and that possibility may excite him: what he doesn't say with his voice, he expresses with small coded taps. Bold or unexpected encounters: "At five o'clock, in Havana: I'll be wearing a dark suit and a white shirt, there will be a lilac handkerchief in my coat pocket, I'd like you to have on sandals."

    With the dawn, I pass the time thinking about all the frustrated trysts of the anonymous caller.

    "Surely, there's nothing lyrical about what he's suggesting to me,"says Aida, who cannot believe in anyone's lyricism. Not even mine. So, I am condemned to bear it alone.

    Sometimes, unintentionally, I defend the anonymous caller.

    "Only lyricism is secret, it can't be confessed," I tell Aida. Kiosks filled with magazines, pictures with large sex organs like the throats of bestial, primal, antediluvian animals. "Obscenity is public," I add, "it doesn't create excitement or surprise these days,"

    Only a madman, a solitary lyricist, would be capable of proposing a rendezvous with Aida at the conservatory of the Ciudadela, a walk along the seaside steps, a visit to the museum of zoology. On the other hand, Aida turns down several invitations to intimate parties where people exhibit themselves, nude, and where there are sexual exchanges. Proposals from men and women.

    "I don't think anything is so sinful that it can't be spoken aloud," I declare. (And yet, Aida, some of my fantasies cannot be confessed. I would be ashamed, not that I have those thoughts, but to confess them to you.)

    "I don't know what that man wants," says Aida, and for an instant I blush: did she, unintentionally, mean those words for me?

    "You'd better leave, I don't want the child to find you here when he wakes."

 

 

 

 

Rossi
Cristina Peri Rossi (Montevideo, 12 november 1941)

Geschreven door Romenu om 20:12 Reageer op dit bericht

Naomi Wolf, Michael Ende, Hans Werner Richter, Roland Barthes, Juana Inés de la Cruz, Oskar Panizza, Jacobus Bellamy

De Amerikaanse, feministische schrijfster Naomi Wolf werd geboren in San Francisco op 12 november 1962. Zie ook mijn blog van 12 november 2008.

 

Uit: The Beauty Myth

 

“Overall, though, audiences (more publicly than privately) seemed to feel that questioning beauty ideals was not only unfeminine but almost un-American. For a reader in the twenty-first century this may be hard to believe, but way back in 1991, it was considered quite heretical to challenge or call into question the ideal of beauty that was, at that time, very rigid. We were just coming out of what I have called "The Evil Eighties," a time when intense conservatism had become allied with strong antifeminism in our culture, making arguments about feminine ideals seem ill-mannered, even freakish. Reagan had just had his long run of power, the Equal Rights Amendment had run out of steam, women's activists were in retreat, women were being told they couldn't "have it all." As Susan Faludi so aptly showed in her book Backlash, which was published at about the same time as The Beauty Myth, Newsweek was telling women that they had a greater chance of being killed by terrorists than of marrying in mid-career. Feminism had become "the f-word." Women who complained about the beauty myth were assumed to have a personal shortcoming themselves: they must be fat, ugly, incapable of satisfying a man, "feminazis," or -- horrors -- lesbians. The ideal of the time -- a gaunt, yet full-breasted Caucasian, not often found in nature -- was assumed by the mass media, and often by magazine readers and movie watchers as well, to be eternal, transcendent. It seemed important beyond question to try somehow to live up to that ideal.

When I talked to audiences about the epidemic of eating disorders, for instance, or about the dangers of silicone breast implants, I was often given a response straight out of Plato's Symposium, the famous dialogue about eternal and unchanging ideals: something like, "Women have always suffered for beauty." In short, it was not commonly understood at that time that ideals didn't simply descend from heaven, that they actually came from somewhere and that they served a purpose. That purpose, as I would then explain, was often a financial one, namely to increase the profits of those advertisers whose ad dollars actually drove the media that, in turn, created the ideals. The ideal, I argued, also served a political end. The stronger women were becoming politically, the heavier the ideals of beauty would bear down upon them, mostly in order to distract their energy and undermine their progress.

Some ten years later, what has changed? Where is the beauty myth today? It has mutated a bit and, thus, it bears looking at with fresh eyes.“

 

 

 

 

naomi-wolf1

Naomi Wolf (San Francisco, 12 november 1962)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Michael Ende werd geboren in Garmisch-Partenkirchen op 12 november 1929. Zie ook mijn blog van 12 november 2008.

 

Uit: Der Spiegel im Spiegel

 

“Verzeih mir, ich kann nicht lauter sprechen.

Ich weiß nicht, wann du mich hören wirst, du, zu dem ich rede.

Und wirst du mich überhaupt hören?

Mein Name ist Hor.

Ich bitte dich, lege dein Ohr dicht an meinen Mund, wie fern du mir auch sein magst, jetzt noch oder immer. Anders kann ich mich dir nicht verständlich machen. Und selbst wenn du dich herbeilassen wirst, meine Bitte zu erfüllen, es wird genügend Verschwiegenes bleiben, was du aus dir ergänzen mußt. Ich brauche deine Stimme, wo meine versagt.

Diese Schwäche erklärt sich vielleicht aus der Art, wie Hor haust. Er bewohnt nämlich, soweit er sich zurückbesinnen kann, ein riesenhaftes, vollkommen leeres Gebäude, in welchem jedes laut gesprochene Wort ein schier nicht mehr endendes Echo auslöst. Soweit ich mich zurückbesinnen kann. Was will das besagen?

Auf seinen täglichen Wanderungen durch die Säle und Korridore begegnet Hor mitunter noch immer einem umherirrenden Nachhall irgendeines Rufes, den er vor Zeiten unbedacht ausgestoßen hat. Es bereitet ihm große Pein, auf diese Weise mit seiner Vergangenheit zusammenzutreffen, zumal das damals entflohene Wort inzwischen Form und Gehalt bis zur Unkenntlichkeit eingebüßt hat. Diesem idiotischen Gelall setzt Hor sich nun nicht mehr aus.

Er hat sich daran gewöhnt, seine Stimme — wenn überhaupt — nur unterhalb jener schwankenden Grenze zu gebrauchen, von der an sie ein Echo erzeugen könnte. Diese Grenze liegt nur wenig über der völligen Stille, denn dieses Haus ist auf grausame Art hellhörig.

Ich weiß, daß ich viel verlange, aber du wirst sogar den Atem anhalten müssen, falls dir daran liegt, Hors Worte zu vernehmen. Seine Sprachorgane sind durch das viele Verschweigen geschwunden — sie haben sich umgebildet.

Hor wird nicht mit größerer Deutlichkeit zu dir reden können, als sie jenen Stimmen eigen ist, die du kurz vor dem Einschlafen hörst. Und du wirst auf dem schmalen Grat zwischen Schlafen und Wachen das Gleichgewicht halten müssen — oder schweben wie die, denen oben und unten das gleiche bedeutet.

Mein Name ist Hor.

Besser wäre es zu sagen: Ich nenne mich Hor. Denn wer außer mir selbst ruft mich bei meinem Namen?“

 

 

 

 

ende
Michael Ende (12 november 1929 – 28 augustus 1995)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Werner Richter werd geboren op 12 november 1908 in Bansin op het eiland Usedom. Zie ook mijn blog van 12 november 2006 en ook mijn blog van 12 november 2008.

 

Uit: Spuren im Sand

 

„Als ich geboren wurde, machte der Kaiser noch seine Nord­landfahrten, trugen die Männer des Dorfes, in dem ich den ersten Schrei ausstieß. den Es-ist-erreicht-Schnurrbart, gab es noch die klingenden Taler und das goldene Zwanzigmark­stück. Der Ort war ein aufblühendes Seebad, und wenn der Kaiser Ende August, nicht weit davon entfernt, von seiner kai­serlichen Jacht an Land stieg (damals stieg man noch an Land), versäumte er es nie, unseren Ort zu besuchen und sich huldvoll seinen Untertanen zu zeigen. »Der Kaiser kommt!« hieß es dann, und alles lief auf die Straße. »Ta-tü-tata«, schrie die kaiserliche Autohupe, wobei »ta« »der«, »tü« »Kaiser« und »tata« »kommt« hieß.
Damals stand meine Mutter noch an einem Waschzuber und wusch Tag für Tag die feine Leinenwäsche der adligen Gäste unseres Ortes; mein Vater war Bademeister und rettete in jedem Sommer ein oder zwei leichtsinnige Personen, meist weiblichen Geschlechts, vor dem Tod des Ertrinkens. Der Tod des Ertrinkens war die einzige Art des Todes, die ich damals kennenlernte, und jahrelang schien es mir so, als könne man nur ertrinkend ums Leben kommen Zwar jagte mein Vater mich immer davon, wenn er gerade wieder einen Halbtoten an den Strand zog; aber es gelang mir fast immer, zwischen seine Beine zu kriechen, um von dort aus einen Blick auf das grün und blau angeschwollene Gesicht des Halbertrunkenen in werfen.
Mein Vater hatte bei den Ulanen in Prenzlau gestanden,  und auch er trug den wachsgezwirbelten kaiserlichen Schnurrbart, dessen zitternde Spitzen bis an die Augenwinkel reichten. Er hielt sich stramm, wie sich alle damals strammhielten, mit durchgedrücktem Kreuz und stolzem, geradeaus gerichte­tem Blick. Etwas von dem Stolz und der Macht des Kaiser­reichs war um ihn. Er konnte nicht schwimmen und war doch Bademeister - aber was machte das schon, angesichts von so­viel Haltung und Würde, die damals überall zum Ausdruck kam. Mit aufgekrempelten Hosen stand er barfuß auf der Treppe der Badeanstalt, eine Art Autohupe in der linken Hand, und sah aufs Meer hinaus. Wenn jemand zu weit hin­ausschwamm, führte er die Hupe an den Schnurrbart, plu­sterte die Backen auf und gab einen schauerlichen Ton von sich. Mir erschien es dann, als beruhige sich das Meer unter diesem gewaltsamen, herrischen Ton meines Vaters augen­blicklich.“

 

 

 

 

 

hans_werner_richter_oil_1988
Hans Werner Richter (12 november 1908 – 23 maart 1993)

Portret door Nils Burwitz

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 12 november 2008.

 

De Franse schrijver en filosoof  Roland Barthes werd geboren op 12 november 1915 in Cherbourg. Zie ook mijn blog van 12 november 2006.

 

De Mexicaanse dichteres en moniaal. Juana Inés de la Cruz de Asbaje y Ramírez, ook bekend als Sor Juana, werd geboren in San Miguel Nepantla op 12 november 1648 of 1651. Zie ook mijn blog van 12 november 2006.

 

De Duitse schrijver en satiricus Oskar Panizza werd geboren op 12 november 1853 in Kissingen.


De Nederlandse dichter Jacobus Bellamy werd geboren in Vlissingen op 12 november 1757.

Geschreven door Romenu om 20:09 Reageer op dit bericht

Tachtig jaar Hans Magnus Enzensberger, Mircea Dinescu, Carlos Fuentes

Tachtig jaar Hans Magnus Enzensberger

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Magnus Enzensberger viert vandaag zijn tachtigste verjaardag. Enzensberger werd geboren op 11 november 1929 in Kaufbeuren. Zie ook mijn blog van 11 november 2006 en ook mijn blog van 11 november 2007 en ook mijn blog van 11 november 2008.

 

 

Minimalprogramm

Verzicht, Entsagung, Askese -
das wäre schon zu hoch gegriffen.
Überwältigend, was alles entbehrlich ist.
Von Sonderangeboten keine Notiz zu nehmen,
reiner Genuss! Nirgends aufzutauchen
das Meiste zu unterlassen -
Erkenntnissgewinn durch Abwinken.
Nur wer vieles übersieht,
kann manches sehen.
Das Ich: eine Hohlform,
definiert durch das, was es weglässt.
Was man festhalten kann,
was einen festhält,
das ist das Wenigste.

 

 

 

 

An alle Fernsprechteilnehmer

 

etwas, das keine färbe hat, etwas,das nach nichts riecht, etwas zähes,trieft aus den Verstärkerämtern,setzt sich fest in die nähte der zeitund der schuhe, etwas gedunsenes, kommt aus den kokereien, blähtwie eine fahle brise die dividendenund die blutigen segel der hospitäler,mischt sich klebrig in das getuschelum professuren und primgelder, rinnt,

   etwas zähes, davon der salm stirbt,in die flüsse, und sickert, farblos,und tötet den butt auf den bänken.die minderzahl hat die mehrheit,die toten sind überstimmt.

   in den Staatsdruckereienrüstet das tückische blei auf,die ministerien mauscheln, nach phloxund erloschenen resolutionen riechtder august. das plenum ist leer.

   an den himmel darüber schreibtdie radarspinne ihr zähes netzt.die tanker auf ihren helligen wissen es schon, eh der lotse kommt, und der embryo weiß es dunkel

   in seinem warmen, zuckenden sarg: es ist etwas in der luft, klebrig und zäh, etwas, das keine färbe hat : gegen uns geht es, gegen den seestern 30 und das getreide, und wir essen davon und verleiben uns ein etwas zähes, und schlafen im blühenden boom, im fünfjahresplan, arglos schlafend im brennenden hemd,

   wie geisein umzingelt von einem zähen, farblosen, einem gedunsenen Schlund.

 

 

 

 

ehre sei der sellerie

der steinbrech, der uhu, die milch,
unbezweifelbar wie das licht, der fels,
von tauben bewaldet, der föhn,
der dotter, das brom, warum nicht,
und meinetwegen der blitz, ja,
der wal und der blitz, sie stehen fest,
auf sie laßt uns bauen,
sie sind eine ode wert.

die zigarrenasche im spiegel,
das ebenbild, wer wär es nicht leid,
dieses scheckgesicht
aus behaartem bims,
diese blumenkohlohren
von schlagern verprügelt,
und später am blutigen himmel
diese suturen aus rauch!

gepriesen sei die friedliche milch,
ruhm dem uhu, er weiß wie er heißt
und fürchtet sich nicht, ehre
dem salz und dem erlauchten wal
und der barmherzigen sellerie,
gebenedeit unter den köchen,
die auf dem teller stirbt.

das zarte erdherz, die sellerie,
menschlicher als der mensch,
frißt nicht seinesgleichen,
noch der blitz, berühmt sei der blitz,
oder meinetwegen der dotter.

 

 

 

 

 

Enzensberger
Hans Magnus Enzensberger (Kaufbeuren,11 november 1929)

 

 

 

 

 

De Roemeense dichter en schrijver Mircea Dinescu werd geboren op 11 november 1950 in Slobozia. Zie ook mijn blog van 11 november 2006  en ook mijn blog van 11 november 2008.

 

 

 

Rusting

 

Because we’ve already put governments on the moon
we’ll soon invent bread with teeth
a mechanical rainbow to cut the rain
an icon to appear before us on caterpillar tracks…

 

As at a fair you pull out graves from a sleeve
dear Lord,
by the light of Your dim halo
glory will polish its own boots
the monkey will swing between the hand of the clock.
Why haven’t You got the sweet recklessness of the madman

to pull towns with a string towards the woods?
Polluted seas will beat their waves
migrating towards pure stars.
In the cars’ cemetery I saw an angel rusting.

 

 

 

 

Vertaald door Andrea Deletant-Brenda Walker

 

 

 

 

A Drinking Binge with Marx


"Venerable Marx, if you lived in these lands
You would be quickly clean shaven and sent to a school for re-education.
The fact that even the cows from the East
Which grazed near the railway line
Now think that they are locomotives and stopped giving milk
Is a mistake put to your name.
It would be so good if the cities were ruled by merchants
So that the marketplace should not stink of so much rhetoric
Let free the brewers, the pastrami makers, the milkmen
Full of the dialectics of fermented hops
And of the hardened cheese.

For the time being the farmer would gladly come to scythe
The green sepia of the punks heads
For the time being, thinking that you are dead
The new philosophers get drunk on the idea that they polemicise with you.
They have not got the daring to smell the yeast which ferments
To blow up the society
And start the alembic
Through which
The revolutionary Cohn Bendit
Precipitated into an amiable mayor.

In fact even myself who am an ordinary character
I am coming out like a slug from the syntax and the logic
To dream up that stomach virus
Which makes one drunk on a piece of bread.
Come on, taste it
We are on the right course
In Berlin the clocks started to go haywire."

 

 

 

 

Vertaald door  Constantin Roman

 

 

 

 

 

mircea
Mircea Dinescu (Slobozia, 11 november 1950)  

 

 

 

 

 

De Panamese dichter en schrijver Carlos Fuentes Macías werd geboren op 11 november 1928 in Panama-Stad. Zie ook mijn blog van 11 november 2006  en ook mijn blog van 11 november 2008.

 

Uit: This I Believe (Vertaald door Kristina Cordera)

 

„Amor
In Yucatán, you never see the water.
It flows underground, beneath a fragile sheath of earth and limestone. Occasionally, that delicate Yucatec skin blossoms in eyes of water, in liquid ponds—the cenotes—that attest to the existence of a mysterious subterranean current. For me, love is like those hidden rivers and unexpected streams of Yucatán. On occasion our lives come to resemble those infinite chasms that would be fathomless if we did not find, at the very bottom of the void, a flowing river, at times placid and navigable, wide or narrow, at times steep, but always a liquid embrace that helps keep us from disappearing forever into the deep gulf of nothingness. While love may be that river that flows and sustains life, love and its most treasured qualities—goodness, beauty, affection, solidarity, memory, companionship, desire, passion, intimacy, generosity, and the very will to love and be loved—are still not necessarily free of the one thing that seems to negate love: evil.
In political life, it is possible to convince oneself that one is acting out of love for a community while driving that community into destruction and inspiring hatred from both within and without. I do not doubt, for example, that Hitler loved Germany. But in Mein Kampf, he made it clear that the notion of loving his country was inseparable from the hatred of all those things that he perceived to be at odds with Germany. The kind of love that is cultivated out of hatred for others was made explicit in a regime of evil that has no parallel in all of history. From the beginning, Hitler declared that he would practice an evil brand of politics in order to achieve good. He made no attempt to hide this, unlike Stalin, who wrapped himself in a flag of humanistic Western ideology—Marxism—to perpetrate an evil comparable to that of Hitler, but that did not dare utter its name. Hitler’s love of evil led him to a Wagnerian apocalypse against the backdrop of a Berlin in flames. Stalin’s love of evil was translated into the slow collapse of a Kremlin built of sand, washed away by the waves, slow but constant, of the same history that the Dictatorship of the Proletariat hoped to embody. The Nazi regime collapsed like a horrid, wounded dragon. Soviet Communism dragged itself to the grave like a sickly worm. Fafner and Oblomov.
The Marquis de Sade also proposes a love of evil that seeks carnal pleasure as a way of grounding the body’s pain and its subsequent disappearance from earth. Sadistic love, the Marquis tells us, may be a bad thing for the victim, but represents a supreme good for the executioner. De Sade, however, did not intend actually to put his monstrous evil-as-good vision into practice. He was not a politician; he was a writer who was almost continuously locked up in prison and thus incapable of acting except in the kingdom of fantasy. There, he was the monarch of creation. And he warns us: “I am a libertine, but I am neither a delinquent nor an assassin.”

 

 

 

 

carlos-fuentes1
Carlos Fuentes (Panama-Stad, 11 november 1928)

Geschreven door Romenu om 20:24 Reageer op dit bericht

Kurt Vonnegut, Nilgün Yerli, Christina Guirlande, Andreas Reimann, Luigi Malerba, Noah Gordon, Louis de Bougainville

De Amerikaanse schrijver en schilder Kurt Vonnegut werd op 11 november 1922 geboren in Indianapolis. Zie ook mijn blog van 11 november 2006  en ook mijn blog van 11 november 2008.

 

Uit: Mother Night

 

„Tiglath-Pileser
The Third . . .

My name is Howard W. Campbell, Jr.
I am an American by birth, a Nazi by reputation, and a nationless person by inclination.
The year in which I write this book is 1961.
I address this book of mine to Mr. Tuvia Friedmann, Director of the Haifa Institute for the Documentation of War Criminals, and to whomever else this may concern.
Why should this book interest Mr. Friedmann?
Because it is written by a man suspected of being a war criminal. Mr. Friedmann is a specialist in such persons. He had expressed an eagerness to have any writings I might care to add to his archives of Nazi villainy. He is so eager as to give me a typewriter, free stenographic service, and the use of research assistants, who will run down any facts I may need in order to make my account complete and accurate.
I am behind bars.
I am behind bars in a nice new jail in old Jerusalem.
I am awaiting a fair trail for my war crimes by the Republic of Israel.
It is a curious typewriter Mr. Friedmann has given to me--and an appropriate typewriter, too. It is a typewriter, too. It is a typewriter that was obviously made in Germany during the Second World War. How can I tell? Quite simply, for it puts at finger tips a symbol that was never used on a typewriter before the Third German Reich, a symbol that will never be used on a typewriter again.
The symbol is the twin lightning strokes used for the dreaded S.S., the Schutzstaffel, the most fanatical wing of Nazism.
I used such a typewriter in Germany all through the war. Whenever I had occasion to write of the Schutzstaffel, which I did often and with enthusiasm, I never abbreviated it as "S.S.," but always struck the typewriter key for the far more frightening and magical twin lightning strokes.”

 

 

 

 

vonnegut
Kurt Vonnegut (11 november 1922 – 11 april 2007)

 

 

 

 

De Turks-Nederlandse schrijfster Nilgün Yerli werd op 11 november 1969 geboren in Kirsehir,Turkije. Zie ook mijn blog van 11 november 2008.

 

Uit: De Adem Van Eva

 

“ADAM:

“er zit me iets in de weg
een raar nieuw dier met lang haar
het slentert hier voortdurend rond
en achtervolgt me overal,
waar ik ook ga daar hou ik niet van
ik ben niet gewend aan gezelschap”


EVA:

“de hele week achter hem aangelopen en geprobeerd kennis te maken
het praten moest van mijn kant komen want hij is erg verlegen
vind ik helemaal geen punt
zo te zien vindt hij het prettig mij
om zich heen te hebben”

 

 

 

 

 

YERLI
Nilgün Yerli (Kirsehir, 11 november 1969)

 

 

 

 

De Belgische dichteres en schrijfster Christina Guirlande werd als Godelieve De Beule geboren te Moerzeke bij Dendermonde op 11 november 1938. Zie ook mijn blog van 11 november 2006  en ook mijn blog van 11 november 2008.

 

Terugblik

 

Er was een zwijgen in die tijd

veelzeggend en vermengd met kleuren

uit een gedroomde werkelijkheid

het opengaan van dichte deuren

 

naar kamers met een eigen lied

we waren schuchter als nog niet

gerijpte vruchten zonder zon,

de zomer volgde, toen begon

 

het daaglijks smeden aan een ring

het zingen om de herfst te weren

de groeiende herinnering

de eenzaamheid en het ontberen

 

het niets meer wensen dan verweesd

je handen zoeken op de tast

gedragen worden en verrast

het zwijgen vinden dat geneest

 

 

 

 

christineguirlande
Christina Guirlande (Moerzeke, 11 november 1938)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 11 november 2008.

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Andreas Reimann werd geboren in Leipzig op 11 november 1946.

 

De Italiaanse schrijver Luigi Malerba werd geboren op 11 november 1927 in Berceto.

 

De Amerikaanse schrijver Noah Gordon werd geboren op 11 november 1926 in Worcester, Massachusetts.

 

De Franse schrijver, ontdekkingsreiziger, wereldreiziger en militair Louis Antoine de Bougainville werd geboren in Parijs op 11 november 1729.

Geschreven door Romenu om 20:21 Reageer op dit bericht

AKO Literatuurprijs 2009 voor Erwin Mortier

De Vlaamse schrijver Erwin Mortier heeft de AKO Literatuurprijs 2009 gewonnen met zijn roman Godenslaap. Dat maakte de organisatie dinsdagavond bekend. Mortier ontvangt een sculptuur van Eugène Peters en een cheque ter waarde van 50.000 euro. Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook mijn blog van 28 november 2006 en mijn blog van 28 november 2007 en ook mijn blog van 28 november 2008.

 

Uit: Godenslaap

 

‘Ik volg de cadans van mijn handschrift en zoek naar de in letters gestolde, kwezelachtige wellust van het meisje dat ik ooit geweest moet zijn, het wicht dat op de drempel van haar adolescentie haar schriftuur even strak aantrok als de dunne lederen veters waarmee ze haar laarsjes dichtreeg – hoe ze het vlees van het woord in de baleinen van de zinsbouw dwong, tot haar eigen lijf vol striemen stond en ze naar uitbraak verlangde.’

(...)

 

‘Jaloers op de schilders, op hun woordenschat van coloriet. Jaloers omdat ik de taal niet kan fijnstampen in een mortier en naar goeddunken vloeiend of pasteus kan maken door er olie doorheen te mengen, noch een nieuwe kleur kan scheppen door wat poeder van het ene woord aan wat poeder van het andere toe te voegen. Jaloers ook, omdat er geen taal bestaat waarmee je eerst een ondergrond kunt aanbrengen, die door het kleurenweefsel dat je erboven legt heen blijft schemeren. Jaloers omdat ik een taal zou willen die geen betekenis draagt, maar bovenal intensiteit, een betekenis die aan betekenis ontstijgt, en die je hier niet zozeer zou moeten lezen, als wel bezien, met de geletterdheid van het oog, de eruditie van het netvlies'

(...)

 

‘Alleen dieren konden de middag recht in de ogen zien, blind voor zijn smeltgloed, doof voor het doodstille tumult der dingen dat het midden van het etmaal ontketende en dat in mijn oren luider klonk dan het kanongebulder aan de horizon, dat we steeds vaker pas hoorden wanneer het luwde. De middag legde van de wereld de naaktheid bloot, hij liet zijn gat zien, de obscene – het woord blijft me bespoken – grimlach van zijn botte onverschilligheid. Hij tikte in de voegen van de stenen, ritselde op hagedissenpoten over de ranken van klimop tegen de zijgevel van het huis achter mijn rug..’

(...)

 

'Een deur ging open, van de speelzaal die ik me vaag herinnerde uit vroeger jaren. Het rook er beslapen. De hoge ramen wierpen schuine balken van maanlicht op de vloeren, haalden uit de duisternis het plooienspel van dekens, een mouw, een hand, een hoofd tevoorschijn. Her en der lagen soldaten te slapen, alleen of tegen elkaar aan gekropen. Uit hun schoeisel, dat tegen de speeltafels aan lag waarop hun rugzakken rustten, steeg de lucht op van aarde, zomerse aarde, van tentzeil, geolied staan en gras op naar de zoldering met haar frivole stucwerk, dat sureëel boven de slapende gestalten hing.'

 

 

 

 

 

mortier
Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)

 

Geschreven door Romenu om 17:46 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten