Een surrealistische ziekten-cocktail. Deel 2 van 4.

Deel 2 : Horen als een dolgedraaide Pluto.
Vorige week ben ik tijdens mijn dinsdagse shoppingmiddag gewoon moeten gaan lopen. Op een druk kruispunt was het gesjirp, gepiep, gesis en gepuf van de remmende en vertrekkende bussen, trams en auto’s niet meer te harden. Ik merkte pas dat weinig mensen snappen wat ik meemaak toen ik tegen mijn kameraad opmerkte : “En dan dat getik van elk schakeltje van die zijn fietsketting er nog bovenop!…” Waarop hij vroeg : “Welke fiets?” “Awel, die aan de hand van die meneer die hier voor ons wandelt!”
Op dat moment realiseerde mijn maat zich plots wat voor stomme details ik wel allemaal moet horen, hij trok me direct de eerste de beste stillere zijstraat in en zei verbaasd : “Maar gij hoort gelijk een hond?!!” Na die opmerking realiseerde ik me pas dat ge van “normale” mensen niet kunt verwachten dat ze ook maar enigszins kunnen bevatten in wat voor lawaai-hel een mens die aan hyper-acusis lijdt terechtgekomen is.
Hoe moet ge zoiets gaan uitleggen?… Ik wou er al lang eens iets over op mijn blog schrijven maar vond er geen woorden voor. Na deze gebeurtenis begreep ik dat het misschien eens hoog tijd wordt om naar de juiste woorden te zoeken. Er moeten meer mensen zijn die dit meemaken en het gewoon niet durven vertellen omdat ze niet weten hoe het uit te leggen en bang zijn zich belachelijk te maken. Dan doe ik dat wel even in hun plaats.
Onlangs zocht ik mijn neus-keel-en-oren-arts weer op in de hoop dat hij minstens iets aan die fysieke oorpijn zou kunnen doen. Druppeltjes voorschrijven ofzo. Aan die tinnitus is toch niets meer te verhelpen, dat wist ik al wel langer. Ik hoopte ook dat hij een oplossing zou weten voor die martelende, scherpe, harde klank van alle geluiden. Het enige dat het opleverde was dat ik nu weet hoe die ziekte heet : hyper-acusis. Hij vond als steeds niks fout aan mijn oren. “Ge hebt prachtige trommelvlieskes!”. Hij wou me wel een hoorapparaat voorschrijven. Ik had zelfs de keuze : ofwel mijn eigen gehoor zo versterken dat ik mijn tinnitus niet meer zou horen. (Pardon?!!! Nóg versterken?! Ik hoor nu al die voorbijzoevende vlieg haar maagoprispingen!) - ofwel een hoorapparaat dat een constante ruis gegeneert die mijn eigen oorsuizingen zou maskeren. Toen ik dat allemaal niet de oplossing van mijn probleem vond - ik wou iets dat die stomme oorpijn en die hyper-acusis deed verdwijnen verdorie! – en ik ondertussen met de tranen in mijn ogen zat, lanceerde hij de volgende onvergetelijke opmerking : "Ga maar snel terug naar uw huisdoktereske en laat dat madammeke een antidepressivum voorschrijven! Dan gaat ge dit allemaal niet meer zo erg vinden." Toen rezen mijn haren helemaal ten berge. Een jaar geleden zei dezelfde man me dat mijn tinnitus wel een bijwerking en een gevolg kon zijn van één van de medicijnen die ik in mijn leven genomen heb, en nu zou ik wéér pillen moeten gaan pakken, nota bene dan nog voor iets wat ik niet eens heb!!
Kortom ik kwam buiten met niets zinvols, behalve met een voorschrift voor een pil die “de pieken van mijn zintuiglijke ervaring wat zou aftoppen” en met de opmerking dat de oorzaak van mijn ellende jarenlange stress was (wat hij dan nog terloops een luxe-probleem noemde ook) en dat ’t ooit wel over zou gaan, behalve dan die tinnitus natuurlijk. Tinnitus is blijkbaar forever.
En ondertussen wordt alles elke dag erger. Eerst was het bruisen van een kraantje lastig, nu hoor ik al elk druppeltje dat van mijn handen terug in de lavabo spat. Haarwassen met shampoo is een marteling. Elk schuimdruppeltje dat openspat hoor ik apart. Het moeten er duizenden zijn. Een bijkomend probleem is dat alles op deze wereld wel in cellofaan of plastic verpakt lijkt. Van snoepjes, over charcuterie, en koekjes, tot pillen. Elke blister kraakt zich een weg door mijn hersenen.
Kokkerellen is nu helemáál niet meer plezant. De combinatie van lepels en vorken en potten en pannen wordt een helse kakafonie. Dus eet ik meer brood. Een normaal mens heeft er geen idee van hoe hard een broodzak kraakt… Erg genoeg is zelfs een zakje friet of een broodje uit de broodjeszaak ook al in zo’n ellendig papier verpakt. Vroeger was ik dolgelukkig als ’t een heel vers knapperig broodje was, tegenwoordig heb ik al net zo graag de oudbakken slappe kost, dat kraakt tenminste tijdens 't opknabbelen niet zo in mijn kop.
Nog maar één maand geleden hield ik enorm van ’t geluid van uw handen die ge warm wrijft tegen mekaar of van ’t zachte getik van de korrels in de katten hun etenspotten als ze alle zeven tegelijk zitten te knabbelen. Die pret is ondertussen ook ver zoek. Die geluiden zijn nu allesbehalve fijn.
Praten wordt ook doffe ellende. Beter gezegd : scherpe ellende. In een gesprek lijken de s-klanken op een nest sissende slangen. De S-beesssssssten bijten zich een weg door mijn kop. Of ik ze nu zelf uitspreek of iemand anders, het maakt niet uit. Een zinnetje als “de super-snelle sneltrein suist voorbij”… mij zult ge ‘t niet snel meer horen uitspreken. De autoradio - die moet opstaan om niet gek te worden van dat eeuwige oorsuizen - is al speciaal afgesteld, de hoge tonen heb ik afgevlakt. Dat gaat natuurlijk wel ten koste van de verstaanbaarheid en dat lijdt dan weer tot komische situaties.
Zo hoorde ik rond Kerstmis een reclamespotje over een goedkope supermarkt op de radio. Een vrouw zei op bewonderende, ietwat afgunstige toon : “Onze buren eten couscous à volonté!” De echtgenoot antwoordde : “Als gij zo slim waart om in supermarkt XXX te gaan winkelen dan zouden wij ons dat ook kunnen veroorloven!” Ik zat me toen af te vragen wat er nu in godsnaam zo duur kon zijn aan “couscous á volonté" eten... Stom reclamespotje. Later bleek natuurlijk dat het niet over couscous maar wel over “oesters à volonté” ging….
Zo noem ik mijn lieve oude zonnekloppende Ming ook dikwijls mijn Zonnezoon. Deze week zat hij op mijn arm met zijn pootjes rond mijn nek en Echtgenoot zei : “Ge staat toch echt prachtig met uw bonobo!” Waarop ik heel verontwaardigd : “Zeg, ge moet onzen oudste niet met een aap vergelijken hé!”. Echtgenoot viel kompleet uit de lucht. Ja, slecht horen heeft wel zijn grappige kanten.
Er mag al eens íets plezant zijn aan ’t hele gebeuren.

Ming : "Ma?... Mag ik eens iets vragen?..."
Laathi : "Tuurlijk Mingske, lieve Zonnezoon van me."
Ming : "Ma, heb ik dat goed gehoord? Is dat waar dan onze pa mij een bonobo noemt?..."
Laathi : "Bwa... Ik weet niet... Ik denk dat niet... Ik denk dat onze pa een dagske ouder wordt en daarom niet meer zo goed articuleert... Hij begint wat te mompelen. Ge zult hem wel verkeerd verstaan hebben... Hij zal wel 'zonnezoon' gezegd hebben."
Ming : "Gij denkt dus dat het een misverstand is? Ge denkt echt niet dat hij al zo oud aan 't worden is dat hij 't verschil niet meer weet tussen een kat en een aap?"
Laathi : "Tja dat kan natuurlijk ook... Op onze leeftijd durft een mens al wel eens verward zijn..."
Ming (héél voorzichtig) : "En 't zou bijvoorbeeld ook niet kunnen zijn dat gij hem eventueel verkeerd zou verstaan hebben?... Niet goed gehoord ofzo?..."
Laathi (héél resoluut) : "Ikke? Moi?! Néé schat! Ik hoor álles. Dat weet ge toch!!"
Ming : "Ja maar wel álles wat ge niet moet horen."
Tja,... de waarheid komt uit een kattemond.
Morgen deel 3.


