Naar de inhoud

Miauw!

Natuurfoto's en verhalen
seniorennet.beseniorennet.be

Mijn poezenverhalen vinden jullie door in de linkerkolom op de foto van de betreffende poes te klikken. En als je op "Poezenstrips" klikt kan je lezen wat mijn poezen onderling allemaal zitten te roddelen... Mijn reisverhalen van Thailand, Egypte en Noorwegen staan ook in de zijkolom. "Mijn Jeugdherinneringen" beschrijven de jaren 60 in Antwerpen. Veel plezier!

Archief

Reisverhaal Elzas - Zwarte Woud. Deel 9.

Woensdag, 11 mei 2011.

Aan boord van de Rosenwiller.
Aan de oever van het Canal de la Marne au Rhin, in Gondrexange.

9. Er is iets niet pluis met deze sluis.

Ontwaken midden in de natuur is zalig. Zelfs al hoorden we buiten al de dierengeluiden ook regendruppels op het water vallen. De lucht was grauw en het weer zag er niet echt veelbelovend uit. We besloten eerst rustig binnen te ontbijten en dan plannen te maken. In onze kajuit was alles klam. De matrassen zijn uit rubber en daarover hadden we een veel te klein hoeslaken moeten draperen. Het was moesnat.
Ik had wat close-ups van regendruppels en van een schitterende libel, die haar vleugels trachtte droog te trillen, zitten maken, gehurkt onder mijn paraplu. In ‘t vuur van mijn enthousiasme had ik niet gemerkt dat mijn achterwerk onder de paraplu uitstak. Dus nu was ook mijn warme broek en de onderkant van mijn dikke vest nat. We zouden véél moeten laten drogen als er wat wind opkwam...

Het leek me niet de beste dag om een dierenpark te bezoeken, trouwens, we zouden er ook maar een halve dag kunnen blijven, want me moesten voor half zeven al terug door sluis 1 geraken. Naar het dierenpark kunnen we evengoed eens met de auto gaan, dus besloten we vandaag nog optimaal gebruik te maken van onze, ondertussen zeer slijkerige, Rosenwiller. We belden met de sluiswachter om te vragen hoe ver de volgende sluis was, want hij zou daar naartoe moeten rijden om ons te versassen, en hoe lang we dan verder door het bos konden varen tot aan een volgend sas. De man wou het met liefde en plezier doen, maar toen bleek dat we vanaf dit punt maar liefst 13 sluizen na mekaar moesten passeren hebben we al vlug van dat idee afgezien. Dat werd puur tijdverlies en op die manier geraken we nooit op vrijdagmorgen terug in Saverne. We besloten nog eens tot aan de brug van Albeschaux te varen en dan de terugtocht aan te vatten.

Toen ik gisterenavond met een vriend belde had hij me over een heel griezelige sluis van wel 15 meter diep verteld, die hier niet ver uit de buurt moest liggen. En dat doel fascineerde me ondertussen veel meer dan die natte wolven. We keken op de kaart, en als we niet naar het dierenpark gingen werd die omweg naar die sluis makkelijk haalbaar.

Terwijl Paul afwaste kon ik, als een koningin helemaal alleen, vanop het bovendek de boot besturen. Ik genoot met volle teugen van de stilte (boven hoort ge de motor amper), de vogels, de rust. Ge ademt hier puur bloemenparfum in. Al snel piepte de zon van tussen de wolken en voelde ik me echt in de hoogste hemel op mijn troon. Ik slaagde er al aardig in om mooi langs een oever te varen als er aan de overkant vissers zaten, en dat werd duidelijk geapprecieerd.

Aan sluis 1 werden we weer hartelijk verwelkomd door de vriendelijke sluiswachter. We vertelden hem dat we naar de sluis van Réchicourt wilden en hij vroeg of we daar niet bang van waren. Nee, natuurlijk niet, integendeel, dat moet een zalige ervaring zijn met zo'n klein bootje! De man waarschuwde wel dat we daar misschien zouden moeten wachten omdat die grote sluis niet gebruikt wordt voor één enkele boot. Logisch. Hij zei ook op te passen omdat daarna het kanaal veel breder wordt en we goed in het midden moeten varen want dat de zijkanten eigenlijk al vijvers worden. Te ondiep veronderstel ik. Mijn idee zag er opeens nog aantrekkelijker uit.

Het versassen ging als een fluitje van een cent, hoewel we deze keer stegen. Ik had de sluiswachter een touw mogen toewerpen dat hij rond een meerpaal geslingerd had en zo moest ik amper nog moeite doen om de boot stabiel te houden ondanks het binnenspuitende water. Eindelijk eens tijd om wat “zinnige” foto’s van een versassing te maken. Toen de man zijn euro viel dat ik eigenlijk actiefoto’s had willen maken, zei hij spijt te hebben dat hij er niet meer druk had opgezet. Mja, dat is dan een gemiste kans, want onder toezicht van een man met vakkennis had ik het wel eens graag héél wild willen meemaken. Ik bedankte de man hartelijk en we voeren verder in een stralende zonneschijn.

Gisteren had ik in dit stuk van het kanaal iets gezien dat me heel droevig had gemaakt. Er dreef een opgezwollen kadaver van een hondje voorbij. En het beestje droeg een halsband. Ik was er zo van onder de indruk dat ik alleen verlamd toe kon kijken. Ik dacht alleen maar aan de gruwelijke dood die het dier gestorven was.
De wanden van het kanaal zijn heel dieronvriendelijk. Ofwel bestaan ze uit steen ofwel uit verroeste metalen platen. Voor een dier dat in het water sukkelt is er geen enkele houvast...
Vandaag keek ik uit of ik het kadaver nog ergens zag druiven - ik wou met mijn enterhaak naar zijn halsband vissen om te zien of er geen telefoonnummer aan zijn band hing om tenminste de eigenaars te verwittigen dat ze hun dier niet meer hoefden te zoeken - maar ik zag of vond het nergens meer. Misschien dat de sluiswachters het uit het water gevist hadden? Het zou best kunnen, want het was echt geen fijn zicht, en de staat zorgt er voor dat deze kanalen heel aantrekkelijk en goed onderhouden worden.

Iets later passeerden we weer het jachthaventje Houllion, het bolwerk van “Grosse Caisse”. Ik riep het arrogante ventje nog eens van harte mijn welgemeende “fuck you” toe. Maar ik vrees dat hij nog sliep. Aangezien we er toch niet even mogen aanmeren om een foto van het meer met de "duizenden" waterlelies te nemen besloten we met de piketten aan te leggen op 100 meter voorbij zijn heilige jachthaven. Bij het overboord springen kraste Paul zijn been en de serenade begon alweer... Voor mij hoeft het dan eigenlijk al niet meer, maar kom, nadat het been geamputeerd was (het aanbrengen van twee minuscule pleistertjes), zijn we de steile berm opgeklommen om... een stom meer te zien zonder ook maar 1 waterlelie. Wat een gedoe voor niks.

Aan de afslag, voorbij het merengebied, kozen we deze keer richting Nancy op weg naar de diepste sluis van Frankrijk, de griezelsluis van Réchicourt-le-Château. We meerden aan op een veilige afstand van de sluis. Ik had een ouderwetse, maar diepe sluis verwacht, maar in geen geval dit gigantische ingenieuze kunstwerk dat het hele vijvergebied domineerde. De sluis bleek bezet, er werd net een grote aak versast.

Naast onze ligplaats zag ik een enorme kikkerpoel waar een gekwaak van jewelste uit opsteeg. Ik wipte aan wal en begon de kikkers te zoeken, maar Paul legde net de motor stil en plots zwegen ze allemaal. En ik zag er geen ene. Via gaten tussen de gele en groene slijmerige oppervlakteplanten kreeg ik een inkijk in het oerwoud onder water. Een wirwar van lange fijnbladerige slingerplanten en dichte wasems van algen in vele niveaus. In die magische wereld zwommen kleine bruine visjes. Zelfs al zouden we niet door de sluis mogen dan was deze poel voor mij al de moeite van de trip waard geweest. Ik had er uren naar kunnen zitten turen.

Het personeel van de reuzesluis was ook alweer van uiterst goede wil. Als we een uurtje zouden wachten - tot er nog een boot kwam - versasten ze ons, en als we om 6 uur zouden terugkomen pompten ze ons terug omhoog. En weer hadden we geluk, de sluiswachter wenkte dat hij ons wel alleen zou versassen! Net op dat moment kwam er toch nog een boot aan. We voeren allebei de sluis in, de afdaling zou een half uur duren (volgens een plakkaatje) dus vond ik dit het ideale moment om iets te eten. Van een originele lunchplek gesproken.

Ik gooide mijn touw om een meerpaaltje, gewoon los (ik dierf het niet vastmaken omdat er al verhalen genoeg bestaan van mensen die hun boot vastbinden in een sas, en het water vervolgens begint te zakken en hun boot blijft hangen met alle rampzalige gevolgen vandien) maar de man legde uit dat dit een zeer speciale meerpaal was, hij zakte samen met de boot mee de diepte in! (Terwijl hij af en toe het geluid maakte van een bronstige olifant. Een laag geluid dat ver draagt en op vreemde manieren weerkaatst wordt in de enorme stenen put.)
De sluis was echt geniaal gemaakt! In mijn ogen een nog boeiender bouwwerk dan de scheepslift.
Onverwacht snel zakten we de dieperik in, de zon verdween van onze snoet, we daalden af in een grote grijze gleuf, we namen wat foto’s van dit meesterlijke bouwwerk, mijn tafel stond gedekt, en... we waren beneden! Zestien meter lager. Een geruisloze operatie. (Op de bronstige olifant-meerpaal na.) Op amper een kwartiertje!!!

De enorme metalen poort werd langzaam omhooggehaald, de zonnestralen gleden de grijze sluis binnen en wij vaarden de zon tegemoet via een brede plas. Het vaargedeelte was afgebakend, het rechtse gedeelte bleek vijvergebied. De man had ons gezegd dat we rustig nog één of twee sluizen verder konden varen en dat we dan nog makkelijk tegen zes uur terug konden zijn om weer omhoog gehaald te worden.
We kregen een zendertje mee zodat we op 50 meter voor een volgende sluis maar op een knop moesten drukken om de sluis in werking te stellen. Geniaal gevonden, die automatische sluizen, en heel makkelijk. Dachten we toen nog.

Achter de linkeroever van het kanaal, gescheiden door een dam, lag een enorme visvijver, het leek vanuit ons standpunt wel of de bomen in het water groeiden. Naast ons liep de oude reeks sluisjes waarvoor de supersluis de vervanging was. We konden ze spijtig genoeg niet zien omdat ze achter de rietkragen van het vijvergedeelte verstopt lagen.
Ook dit kanaal, richting Nancy, was puur natuur. Schitterende bomen. Prachtige bloemenoevers. Grote vogels. Ik snap niet waarom ze bij Nichols dit deel minder mooi hadden genoemd.
Samen met het andere bootje vaarden we de volgende sluis in, en toen liep het enigszins mis.

Na een druk op de afstandbediening openden de poorten zich maar hoe zeer we ook aan de fameuze blauwe stang duwden om ze te sluiten, er gebeurde niks. De poorten weigerden dienst. Er was duidelijk iets niet pluis met deze sluis. De mensen in de andere boot moesten naar Nancy, voor hen was het dus wel belangrijk dat ze verder konden varen, voor ons maakte het niet veel uit, wij moesten over een uurtje toch rechtsomkeer maken. De Duitsers namen de noodtelefoon en er vertrok onmiddellijk een sluiswachter om het mechanisme te herstellen.

Ik wou terugkeren, gewoon met de hand de boot achteruit uit de sluis trekken, maar Paul wou per se wachten op de reparateur. Totaal zinloos, want we zouden over een half uur toch terug moeten keren... Na een kwartier zag hij de zin van mijn redenering in en mocht ik dan toch overboord wippen om de boot terug uit het sas te slepen. Ik ging dus op wandel met mijn boot als met een overmaatse hond, trok hem op snelheid omdat ik hem langs die open sluispoort moest slepen, wipte op de deur om hem uit het sas te leiden en net op dat moment schiet de sluis in werking en beginnen de deuren zich te sluiten. Gelukkig zat Paul nog aan boord, ik gilde : “Motor aan en gas geven!!!!”, deze keer begon hij niet te argumenteren en gaf hij gas, anders hadden we met onze achtersteven tussen die deuren gezeten. Een kapitale fout van de in der haast opgebelde sluiswachter, die gearriveerd bleek zonder dat ik hem gezien had, omdat ik mijn boot voorsleepte met mijn rug naar het sashuisje! Die man had toch moeten zien dat ik de boot terug in het kanaal aan het trekken was? Waarom drukt hij net op dat moment op zijn knopke en roept niet eens?? Ge zoudt toch denken dat zo’n man eerst de situatie in zijn sluis eens bekijkt alvorens iets in werking te zetten??
Enfin, het was goed afgelopen. Maar ik was wel zo gefrustreerd dat ik ben beginnen afwassen. En geloof me, daar moet ik nijdig voor zijn.

Anderhalve kilometer verder kwamen we weer aan een sluis, maar nu was het echt wel tijd om terug te keren. Gelukkig bleek de kapotte sluis nu wel te werken en hadden we de tijd om aan te leggen aan het begin van de reeks oude sluisjes. Stom genoeg legden we onze boot aan aan de verkeerde oever. We dachten over een roestige ijzeren brug te kunnen wandelen die naar de ruïne van het oude sluishuis leidde, maar die weg was versperd. De brug was kompleet doorgeroest. Jammer want ik had die verzameling industriële archeologie graag eens van dichtbij bekeken. In plaats daarvan zaten we dan maar op een dammetje van het uitzicht te genieten. Een wijds uitzicht op de meren, onze boot, en heel in de verte het reuze sluisgebouw.

Tegen zes uur legden we braaf terug aan aan de moeder aller sluizen. Haast onmiddellijk kwam er een boot vol zatte Duitsers uitgevaren en mochten wij er in. Helemaal alleen! Dat was pas écht indrukwekkend. De sluis wordt vol water gepompt via een tiental enorme gaten in de bodem. Eens de valpoort neergelaten begon het water in dikke, broesende bobbels en draaikolken ons bootje te omspoelen. Machtig! Wij lagen daar te dobberen als een speelbal onderin een diepe grijze schacht. Het water stuwde ons omhoog en enkele meters hoger werd het water rustig, en stegen we zacht op tot het niveau van het kanaal. Boven kwam de sluiswachter de afstandsbediening terug ophalen en genoot zichtbaar van het plezier dat wij aan ons avontuur beleefd hadden.

We legden even aan aan de kikkerpoel en eindelijk zagen we snoetjes, en soms hele kikkers, tussen het drijvende groen zitten. Het waren geen groene kikkers maar felgekleurde. Het leek wel familie van de boomkikkers. Op deze plek bevond zich ook het oude jaagpad dat naast de in onbruik geraakte 6 sluisjes liep. We besloten er in het gouden avondlicht eentje te bezoeken, maar het was zo fascinerend dat we er wel drie gaan bekijken zijn.

Van het oude kanaal schoot weinig over, het was een soort moeras geworden, ook al groeien er zelfs grote bomen in, maar de half vergane, volledig verroeste sluisdeuren bestonden nog. Ze zijn kompleet overwoekerd door 50 jaar ongelimiteerde plantengroei, maar dat maakt het net zo mooi. Zet er enkele apen bij en ge voelt u in Jungle Book! De oude muren vertoonden grillige tekeningen van afgezette kalk. Ook de meerpaaltjes - net uit de kluiten gewassen paddestoelen - stonden nog op de rand van de 10 meter diepe afgronden. Het was een symfonie van groen, grijs en roestbruin. Alles leek er organisch met mekaar verweven. Het oude metaal had evengoed een plant kunnen zijn, een omgevallen boom een deel van de sluis.
Ik besloot door het dichte struikgewas van de steile helling naar beneden te wriemelen om de restanten van de deuren vanop waterniveau te kunnen fotograferen. Best een hele klus, maar zeker de moeite waard. Het had een ideale setting kunnen zijn voor een film van Indiana Jones, of een of andere spookfilm. Met mijn ene voet ingegraven in de dikke humuslaag van de helling en de andere op een gevallen boom kon ik op de duur langs onder in de sluis kijken. Vanuit dit kikkerperspectief was het nog impressionanter. De zurige geur van mos en oude steen vulden mijn neusgaten. Ik hoorde alleen het gezoem van insekten, het gekraak van dode takken onder mijn voeten, en het gekabbel en gedrup van water. De enige dissonant was mijn echtgenoot die ergens ver boven me stond te roepen : “Waar zijt ge?!! Kom naar boven!! Nu!”. Gevolgd door een paar vloeken. Maar op vloeken antwoord ik toch niet dus ik nam rustig verder foto’s van de klimop die een alternatief raderwerk voor de sluizen aan het weven was. Intens mooie plek. Het kostte me wel wat moeite om terug boven te geraken, ik moest het voorzichtig aan doen, niet zozeer voor mezelf als wel voor mijn vriend zijn Nikon. Eens terug boven, in het hoge gras, werd er plots een lading insecten wakker. Langs alle kanten begonnen ze te steken. In snelwandelpas moesten we terug die twee kilometers door het bos tot aan onze kikkerpoel en onze boot. Ik heb nog nooit zo snel gewandeld. Voornamelijk omdat ik dringend een bezoek aan een toilet moest brengen, en mijn arme billen niet aan deze dolgedraaide insektenwereld wou overleveren.

In de avondzon vaarden we verder over het rustige kanaal. Geen idee waar we zouden slapen. Sluizen waren er op de eerste 30 kilometer toch niet dus we waren zo vrij als vogels. Hoog op ons nest boven op onze boot. Na anderhalf uur, net na zonsondergang, wilden we stilaan aanmeren. Ondertussen al dik ingeduffeld, als vogels met hun pluimen rechtopstaand, en ongeveer bevroren. Onze handen tintelden van het stuur vast te houden. De avonden zijn hier al even koel als de ochtendstond. We hadden natuurlijk ook het roer in de kabine kunnen gebruiken maar de kleuren van de zonsondergang en het halve uur daarna waren te mooi om te missen door onder in de kajuit te gaan zitten.
We hoopten in Gondrexange enkele meerpalen te vinden maar die bleken er niet te zijn, dus vaarden we verder tussen weiden vol koeien en paarden, en besloten daar onze piketten maar in de grond te slaan. In een vage geur van koeienmest installeerden we ons voor de nacht. Op de linkeroever lag een breed geasfalteerd fietspad, dus kozen we voor de rechterzijde waar tussen het kanaal en de weiden enkel een aarden jaagpad lag. De grond was er heel geschikt om de piketten in te hameren.

Paul begon onmiddellijk aan het eten en ik zat in de duisternis te schrijven. Genietend van alle geuren en zachte dierengeluiden.
Net toen we doodmoe aan onze cassoulet met gebakken aardappeltjes zaten zagen we twee koplampen opdoemen. Op onze oever! We renden naar buiten om te vermijden dat die auto over onze piketten zou rijden, maar het bleek iemand van de dienst voor waterwegen en hij reed netjes naast onze piketten en stopte niet eens. Even was ik bang geweest dat we zouden weggejaagd worden, maar dat was dus gelukkig niet het geval. Als dat gebeurd zou zijn weet ik niet wat we gedaan hadden... We waren allebei kapotmoe, en om 11 uur ‘s avonds nog een andere aanlegplaats te moeten gaan zoeken?... Ik mocht er niet aan denken! Als ze ons dat aangedaan hadden denk ik dat ik de trossen gewoon had los gegooid en de boot had laten afdrijven. Dan zouden we 's ochtends pas op een verrassende plek wakker geworden zijn. Dat snode plan moest dus goddank niet uitgevoerd worden.

Onze pijp was echt uit. Zestien uur aan een stuk hadden we gevaren, gewandeld, en tientallen keren op en neer naar ons stuurdek geklommen (op mijn volgende boot wil ik een intercom), met een lunchpauze van een kwartiertje - onderin de diepe sluis - waarin we niet eens onze boterhammen hadden kunnen opeten, omdat we veel sneller beneden waren dan verwacht. Gelukkig heb ik ondertussen geleerd om tegelijkertijd te eten, te sturen en te fotograferen. Geef me nog een weekje en ik kan varen. Maar of ik dan nog leef weet ik niet.

We zijn overal veel sneller geraakt dan ze ons verteld hadden, en we hebben minstens dubbel zoveel gezien als verwacht. Hopelijk hebben we nog genoeg benzine... Anders staan we er morgen bleek op. Ik zie me die boot al 50 kilometer langs de oever naar Saverne trekken...

Geschreven door Laathi om 02:01 2 reacties Reageer op dit bericht

Reisverhaal Elzas - Zwarte Woud. Deel 8.

Dinsdag 10 mei 2011

Aan boord van de Rosenwiller.
Albeschaux, aan de oever van het Canal des Houillières de la Sarre.

8. Van “Kapitän Von Trapp” naar “Kapitein Haddock”.

Na een zalige nacht (ik slaap altijd heerlijk op boten) werden we wakker en besloot Paul eitjes te koken, om hier, beneden in de bocht van de Plan Incliné, te ontbijten. Ondertussen zag ik de scheepslift naar beneden komen en besloot we eens met de sluiswachter te gaan praten. Hij wou ons, als we er zin in hadden, direct mee naar boven nemen, en het bleek volgens hem geen probleem om daar te ontbijten. We waren helemaal niet verplicht direct verder te varen, zoals ons verteld was. Ik hoste dus snel terug naar de boot en haalde Paul ertoe over de eitjes hard te laten koken en eerst de lift te nemen. Ik vreesde dat we wel eens lang zouden moeten wachten als we ons vertrek uitstelden. Dus trossen los en wij met onze Rosenwiller de liftbak in. Als enige. De enorme contergewichten sleepten ons zachtjes naar boven. Heel het gebeuren duurde amper 5 minuten en we lagen goed en wel boven. Eertijds waren er 17 sluizen voor nodig om deze 45 meter hoogteverschil te overbruggen! Onze eitjes waren indertussen hardgekookt en nu konden we aan de licht gekookte beginnen. Het was een veel fijnere plek om te ontbijten omdat we hier niet vlak aan een baan lagen.

Er was veel kookgerief aan boord maar eierdopjes hoorden daar niet bij. Niet getreurd, dan losten we dat toch op zoals we dat 30 jaar geleden deden : met twee wc-rollen waarin we onze eieren planten. Ik haalde twee rollen uit de badkamer, zette Paul zijn eitje in de ene, en ploef het ei viel er gewoon door. Er bestaan dus blijkbaar Franse en Belgische maten in wc-rollen. Gelukkig vond ik nog twee geschikte rollen. Het is bovendien een schitterende "serving suggestion" voor een ei. Men neme eerste enkele repeltjes toiletpapier, drapere die over de bovenzijde van de rol maar men late het gat vrij. In het gat komt het ei, en tussen de lagen papier steke men het lepeltje en het zakje zout.
Origineler hebt ge uw ei nooit opgediend gekregen, en de bovenlaag toiletpapier is achteraf uw servet.

Na de scheepslift was de volgende "hindernis" die we moesten nemen, een tunnel van 3200 meter. Daar lagen we wel een tijdje voor het rode licht, omdat er eerst zes andere boten door de enkelrichting tunnel moesten terugvaren.
In de tunnel rook het het heel fris naar bemoste stenen en water, een geur die ons door een frisse bries werd toegewaaid. De sfeer leek een kruising tussen een bezoek aan ondergrondse grotten en de ruien van Antwerpen. De gele natriumlampen gaven het geheel tegelijk een spookachtige en toch feeërieke sfeer. De tunnel was kaarsrecht, we konden dus de hele tijd ofwel een klein holletje voor ons, ofwel achter ons zien. Het was totaal niet beklemmend, de tunnel was zelfs zo hoog dat we op ons dak aan het stuur konden zitten.

We waren de tunnel amper uit of we moesten een volgende binnenvaren. Deze was amper enkele honderden meter lang. In ons vaarboek staat als één van de belangrijkste eigenschappen van de schipper "geduld", in dit seizoen werd dat helemaal niet op de proef gesteld, maar ik vrees dat het in het hoogseizoen wel een zeer nuttige deugd moet zijn. Alleszins, bij het verlaten van de tunnel had ik alvast een nieuw potje thee gemaakt. Met verse munt. Want het eerste wat ik aan boord zette bij het inschepen in Saverne was een potje met een muntplant. Decoratief, huiselijk, lekker en nuttig.
Wel grappig : eitjes koken in een scheepslift, thee zetten in een tunnel.

Naast het kanaal lag een treinspoor en de machinist was zo enthousiast en vriendelijk om naar de bootjes te toeteren. In mijn oren klonk dat natuurlijk alles behalve vriendelijk, dus moesten de oordopjes weer bovengehaald worden.
Na het sluizengedoe en de tunnels waren er tijdens de volgende 32 km geen obstakels meer in het vooruitzicht. Ik dacht dus eindelijk een rustige dag te hebben (de oude droom van lekker zonnen en schrijven op het dek sudderde nog altijd na in mijn achterhoofd), maar niks was minder waar. Het kanaal waarop we voeren was druk. Allemaal plezierbootjes en de meeste schippers bleken ook niet meer dan amateurs. Het was een gesukkel van jewelste. Boegen die alle kanten uitwezen terwijl we toch eigenlijk allemaal gewoon rechtdoor moesten varen, ieder in zijn eigen richting bij voorkeur. Bij momenten leek het op een zigzagkoers tussen onzichtbare paaltjes. En wij waren zeer enthousiaste deelnemers. In het begin was ik nog echt bang om de boot te beschadigen maar dat moest ik op de duur opgeven.

Ik denk dat Paul een paar tegenliggers een halve hartaanval bezorgd heeft met zijn gekke onverwachte manoevers. Op de duur sprong ik al maar van boord om de boot met touwen tegen te houden. Het handvat van de enterhaak schiet telkens van de stok, dus die is ook waardeloos. Ik sleurde me een ongeluk om dat gevaarte vanaf te wal proberen te temmen terwijl Paul als een rijder op een rodeostier boven op het dek zat te draaien aan dat wieleke. Bij momenten was het gewoon hilarisch : de kapitein zit boven gas te geven en de matroos tracht te boot vanop de wal met een touw tegen te houden... God zij dank voor de uitvinding van de meerpaal.
Nee, de samenwerking was niet optimaal te noemen, en dat is dan nog een under-statement. Hij kent nog minder van boten af dan ik, maar hij is nog net iets eigenzinniger. Een wel heel slechte combinatie voor dit avontuur waar alles rond teamwork draait, zeker als ge al maar met zijn tweetjes bent om de zaken in euh, rechte banen, te leiden. Op reis in de natuur noemen we mekaar meestal 'Kobe' en 'Zulma', maar nu was het 'Kapitein Haddock' en 'Griet Piraat' geworden.

De meeste schippers blonken uit door onervarenheid en schrik. Sommigen stuurden hun boot ijlings de oever in als ze een tegenligger zagen, waarna ze hem krampachtig met hun stokken aan de wal probeerden te houden. Waarna ze er vanzelfsprekend niet meer van losraakten zonder kompleet uit koers te raken.
In die schippers hun ogen moet onze boot op een territoriale, wilde stier geleken hebben, eentje die halstarrig de doorgang tot zijn eigen weide wilde vrijwaren door over de hele breedte van het kanaal van rechts naar links te springen. Als verdediger van een middeleeuwse vesting zou mijn echtgenoot zeker geen slecht figuur geslagen hebben.
We passeerden een "chantier naval" en ik nam alvast nota van de ligging, want dat zou nog wel eens een nuttig adres kunnen zijn.

Het vrij rechte kanaal was omzoomd door bossen en oevers vol wilde bloemen. Gesteld dat men de tijd had om ervan te genieten zou het heel mooi geweest zijn. Het zou dan als een soort zittend wandelen door een schitterende dreef aangevoeld hebben. Nu moesten we vooral op andere boten letten, zeker bij de versmallingen. Foto's nemen was een ramp want ik kon niet cadreren aan 8 per uur, en Paul wou nergens stoppen. Simpelweg omdat hij niet kón stoppen. Maar hij zat nog in een fase dat hij dat niet wilde toegeven.

Ondertussen speelde zich binnen nog een ander gesukkel af. Alle electrische dingen moesten opgeladen worden, dat kan alleen als de motor draait, niet 's nachts dus. Fotobatterijen, Pandora, de notebook, de videocamera, de gsm’s... alles hing aan draadjes aan een grote stekkerdoos, die via een 12 volt /230 volt converter aan de sigarenaansteker op het dashboard van de boot hing. Ondertussen probeerde ik toch mijn reisverhaal te schrijven op de kleine notebook maar dat liep ook helemaal mis. Het leek wel hoe meer ik schreef, hoe meer stukken tekst ik kwijtraakte. En maar "saven" en nog eens "saven" en ondertussen bleken er al heelder brokken tekst in het niets verdwenen. Gelukkig had ik eergisteren de kladjes van mijn reisverhalen al naar mijn vrienden doorgestuurd en op mijn blog voorgeprogrammeerd, dus op die manier kon ik ze nog altijd terug opvissen als ik thuis kom. Niettemin was het stom, want nu had ik eindelijk eens tijd en zat ik in een heel mooie omgeving om te typen, en nu kon het niet. En om boven naast mijn vloekende kapitein Haddock te gaan zitten had ik geen zin.

Paul was gefrustreerd omdat die boot niet deed wat hij wou, ik was gefrustreerd doordat mijn computer mijn leven zo zuur maakte. Uiteindelijk klapte ik het ding dicht en haalde net als vroeger notaboekje en bic boven. Diep ongelukkig omdat ik weet, van vorige trips, dat die nota's dan nooit uitgeschreven worden eens ik thuis ben, en dat dan het hele reisverhaal in de vergeethoek geraakt omdat er één of twee hoofdstukjes ontbreken...
Op Pandora typen ging ook niet want die was leeg en trouwens, als ze vol is gaat haar arme oude batterij nog maar een dik half uur mee, dus die spaar ik liever om 's avonds de foto's op te laden.

Uit pure ellende ging ik uiteindelijk toch maar mee boven op de brug zitten om af en toe het stuur eens over te nemen. Maar ik bracht er ook niks van terecht. Ik veroorzaakte zelfs paniek bij eenden aan 8 kilometer per uur. Als we voor de zoveelste keer weer eens omgekeerd of dwars in het kanaal gesukkeld waren door een ontwijkmaneuver werd Paul heel boos, en misschien maar best, want anders had ik de slappe lach gekregen en was niet meer bijgekomen. Als hij boos wordt klap ik dicht, maar doe ik nog wel mijn best om de zaak mee te redden. En dat is misschien wel wijzer dan dat ik mij slap van de lach ter plekke laat neervallen om te liggen gieren. Maar prettig is het daarom niet. Ik vond het al bij al een wreed stressy bedoening, en het gaf zeker niet de rust die ik verwacht had, integendeel, elke spier in mijn lijf was gespannen. En dan ook nog geen troost kunnen vinden in mijn typdoos... Niet fijn. Nee, geef mij dan maar de ruimte. Een zeilboot op volle zee ofzo.

Aan een aanlegsteigertje zagen we onze Limburgse collega's weer en die mensen hadden het ook niet onder de markt. De man had een beenspier gescheurd met over boord te springen. Veertig jaar had hij naar deze tocht uitgekeken en nu had hij teveel pijn om te kunnen fietsen of wandelen... We leenden hem even onze geliefde Flexium-gel in de hoop dat die wat verlichting zou brengen. Het is weer een reisje waar Flexium goud waard is.
We spraken af wat foto's van mekaar te maken als we elkaar onderweg tegen kwamen en ze later door te mailen. Ze vertelden dat ze gisteren al aardig wat gekke foto's van ons hadden toen ze telkens achter ons in een sluis lagen. En ze waren heel blij dat wij met onze brede boot altijd de instromende vloedgolf getrotseerd hadden en hun zo uit de wind, in dit geval uit de stroming, gezet hadden met hun kleine bootje.

In de namiddag legde Paul de boot een uurtje aan om te proberen het onmogelijke tekstprogramma dat op mijn kleine notebook computer staat terug te ontwarren. Het is een heel frustrerend dingetje. Zijn shift en delete-toetsen staan op andere plaatsen dan op Pandora, en 1 knopje verkeerd klikken en heel het uitzicht van het blad verandert, om nooit meer goed te komen. Dat, in combinatie met het ongewone tekstprogramma, maakt het ding nog meer tot een kwelling. En ik kan niet zonder, want het grootste plezier van mijn vakanties zijn schrijven en fotograferen.

In het kleine, muisstille dorpje Xouaxange was weinig te zien, maar gewoon eens weg zijn van de boot, en vooral van de al even onbestuurbare notebook, was een verademing voor ons allebei.
Xouaxange is niet alleen de gelukkige bezitter van een onuitsprekelijke naam, maar ook van een ruïne van een kasteel. De kleinste ruïne die ik ook gezien heb. Twee morzels muur. Gelukkig stond ze wel midden in een stralende bloemenweide.
Hun andere bezienswaardigheid was een kerkje met een ronde toren. Op zich niet zo indrukwekkend maar de details van sommige glasramen waren dat wel. Zó fijn uitgewerkt! De afgebeelde engeltjes leken wel echt te zweven op het zonlicht dat door het gekleurde glas viel. Op het kerkhofje viel me op dat alle graven in marmer waren en dat ze propvol stonden met herdenkingsplaatjes. Ook in marmer. En dat blijft hier allemaal staan! Bij ons zou dat al lang gestolen zijn.

Toen we terug aan onze boot kwamen bleken de Limburgers net aangemeerd. Ze waren in het dorp een apotheek gaan zoeken maar dat had tot niets geleid. Zelfs de bakker komt hier pas om 5 uur terug uit zijn middagdutje. En dan moogt ge uw brood bestellen... voor de volgende dag....
Omdat ik echt wel een dipdag had bakte Paul pannenkoeken en de geur verspreidde zich zo ver dat ik vreesde dat vanavond iedereen in Xouaxange pannenkoeken zou gaan bakken.

Aangezien hier toch geen mens te zien was, we helemaal alleen net buiten het dorpje lagen, iedereen daar blijkbaar zijn siësta hield, stommelde ik aan boord rond in mijn ondergoed. Netjes sober grijs, maar toch. En ineens kwam er een soldaat aangerend, wapen in de aanslag, zijn snoet met camouflagekleuren beschilderd! Hij liet zich, ploef, naast onze boot achter een boom vallen. Plots kwam er een tweede aanrennen en die liet zich, ook met geweer en al, achter de struik voor ons vallen. Wat mijn brein toen op een paar luttele seconden te verwerken kreeg...
De eerste ogenblik vond ik het nog normaal. Ik ben die situaties in Sri Lanka al die jaren zo gewoon geweest. Plots bedacht ik dat ik helemaal niet in Sri Lanka was maar in Frankrijk!! Ik dacht dat ik hallucineerde. En toen kwam er een derde, en een vierde, en een heel peloton. Ik stond als een verstijfd konijn op het achterdek van mijn bootje. Mijn brein draaide spiraaltjes. Ik riep naar Paul : "Schat! Euh... ziet gij ook soldaten?...", en goddank hij zag ze ook. Het was dus echt. Ik voelde me opeens op vakantie in Sri Lanka. Echt een surrealistisch maar heel geestig moment!!

De commandant van het peloton kwam doodgemoedereerd een babbeltje maken en had dolgraag een stukje willen meevaren, maar hij moest tot zijn grote spijt zijn miliciens verder gaan opleiden. Voor mijn part had heel die bende een lift kunnen krijgen. Het zou niet de eerste keer zijn dat we wat tot de tanden gewapend volk in onze auto hebben zitten, dus waarom niet op een boot?
Al na vijf minuten bleek de oorlog voorbij, of was het wapenstilstand, want heel de bende zette zich aan een van de houten picknicktafels op de oever en begon op zijn gemak naar ons afmeren te kijken.We vaarden weg en ik werd, in mijn grijze ondergoed, vrolijk uitgezwaaid door een heel peloton gecamoufleerde soldaten. Te gek voor woorden.

Onderweg vaarden we langs een enorme cementfabriek van Holcim. Gigantisch en geen arbeider te zien. Gelukkig want ik zat aan’t roer boven op het dek nog altijd in mijn ondergoed. Maar kom, op Ellaidhoo ging ik daar ook al wel eens mee zwemmen en geen mens die ‘t verschil met een bikini merkte.

Een beetje later kruisten we een bootje met Fransen. Met geheven wijnglas groetten ze ons met de woorden : “Fraternité, Egalité, et...?” Ik wist het derde woord van hun wapenspreuk niet meer maar de man hielp me direkt verder : “Santé!” We schoten in een daverende lach. Het was ook heel plezant dat iedereen telkens naar mekaar zwaaide als er gekruist werd. Op de meeste boten zat er wel véél meer volk dan twee man. Maar kom, ze sukkelden even hard, ze schenen het zich alleen niet zo aan te trekken. Waarschijnlijk omdat op elk dek wel ettelijke flessen wijn of vaatjes bier te zien waren...

Af en toe kwamen we nog wel eens een tegenligger tegen, maar die bleken al even bang als wij. Sommige vertraagden zodat hun boot ook onbestuurbaar werd. Anderen doken het riet in. We zijn hier precies allemaal zondagsvaarders op dinsdag. Het lijkt wel of niemand er iets van kent. Aangezien we door te proberen achterwaarts te varen altijd ongewild een volledige cirkel maken, is dat nu ons systeem geworden om te draaien. Een boot blijkt trouwens een heel kleine draaicirkel te hebben. Uiteindelijk weten we nu ook dat als we niks doen, en het roer gewoon recht laten staan, we ook traag maar zeker een volledige draai maken. Raar maar waar. We vrezen dat de schroef niet recht gemonteerd is, ofwel dat wij ze al een beetje te dikwijls geramd hebben. Dat is ook niet onmogelijk. Eigenlijk is het toch wel heel stom van Nicols dat ze ons niet, al was het maar een klein beetje, les hebben gegeven in varen. Bijvoorbeeld "achteruit varen". Ze hebben zelfs niet eens geleerd hoe aan te meren. Gewoon : “In dit bakje liggen de piketten en de hamer”, "achter dit luik ligt de 'passerelle' voor als ge te ver van de oever aanlegt" en dat was het dan. Gelukkig heb ik ooit zeilles gehad en kan ik tenminste wat knopen leggen, maar ik vraag me af hoe mensen die nog nooit gevaren hebben, en dan zo’n ding huren, zich redden. Ik zag boten die waren vastgelegd met een soort strikje, als was het een doosje Leonidas-pralines. Ik denk dat hier veel ongelukken moeten gebeuren...

Het kanaal liep hier tussen twee enorme vijvers. Heel raar om op water te varen dat op een hoger niveau ligt dan het water naast u. Het fijne was dat we hier haast geen boten meer tegenkwamen. We waren ook veel sneller veel verder geraakt dan verwacht.
Ik kon niet over de berm van de rechtse vijver kijken, de dijk was te hoog, maar op het einde lag een jachthaventje. We wilden daar even aanmeren om eens op die dijk te kunnen gaan kijken en wat foto’s te nemen. Toen we de kade nog maar naderden kwam er uit het niets een dik, rood aangelopen ventje aangedabbeld, dat ons onmiddellijk toeriep of we hier kwamen slapen en dat het geld zou kosten. Ik zei dat ik gewoon even een foto wou nemen en binnen vijf minuten terug zou doorvaren, maar hij liet me zelfs niet uitspreken. Ondertussen zat Paul van de hand Gods geslagen op zijn hoge troon en die was zo van zijn melk dat hij afdreef naar een jacht achter ons. Die vent maar brullen tegen Paul dat we ook voor een foto moesten betalen, en ik maar gillen tegen Paul : “Gas geven! Vooruit!!! Ge gaat botsen met uw achterste!!!” Chaos alom. Ik schoot in een Franse colère en brulde een welgemeende “fuck you” naar dat ventje en hoewel mijn Frans dramatisch is kwam er tot mijn opperste verbazing toch onmiddellijk een gepast scheldwoordje uit mijn mond : “Fuck you! Grosse caisse!!!”
We schaterden het uit door deze plotse inval en uitval.

Maar ik was door dit voorval toch wel een beetje triest, want alle andere mensen die we al tegengekomen zijn waren echt vriendelijk en heel behulpzaam. Het was ook wel stom dat we niet mochten aanleggen want we wilden in zijn winkel een vaarkaartenboek gaan kopen, omdat ze dat bij Nicols hadden vergeten mee te geven. Nu zaten we hier te worstelen met een carnet van 12 cm dik met kopiëen van kaarten, maar we waren zo snel opgeschoten dat we al van de kaart afgevaren waren...

We kwamen eigenlijk nog maar weinig boten tegen, en de Belgische mensen bleken al op de terugweg want die waren eten vergeten in te kopen in Saverne. We konden moeilijk onze halve ijskast meegeven want zelf gingen we naar natuurgebieden waar dorp noch winkels te vinden zijn.
Eens we de afslag naar de vijvergebieden ingeslagen waren voelden we ons helemaal alleen op de wereld. En totaal van de kaart dus. Rond half zeven kwamen we aan een sluis, de eerste met een sluiswachter. We meerden aan op de bangelijkste wijze denkbaar. Paul vloekte dat het tot een halve kilometer ver te horen was, (een echte Kapitein Haddock waardig) gelukkig wonen hier alleen vogels, vissen en insecten. En die sluiswachter dus.

De sluiswachter van Sluis 1 is tegelijkertijd ook de laatste. De sluizen die hierna volgen zijn noch bemand noch automatisch, dus moesten we nog verder willen dan moeten we de sluiswachter telefoneren en dat komt hij ons verder versassen. Echt een heel toffe man.

Het versassen ging deze keer vrij vlot (OK, mijn enterhaak was voor de zoveelste keer van zijn handvat geschoven en hing weeral aan een ladderke in de sluis, dus ik kon hem weer gaan redden), en dat kwam omdat we deze keer niet naar boven versasten maar wel naar beneden. Het water kwam niet in de sluis gespoten, het water in het sas zakte rimpeloos en snel. Maar... de sluisdeuren gingen niet open! Ik denk dat ze niet veel gebruikt werden want de man moest er manueel een paar flinke tikken op gaan geven alvorens ze wilden opendraaien. Mja, we waren precies ver van de bevaarde wereld geraakt. De man gaf ons ook nog de goede tip om over een drietal kilometer aan te meren, dan konden we de volgende ochtend makkelijk met de fiets naar het dierenpark met de wolven, "Sainte-Croix" in Rhodes, rijden. Misschien horen we vannacht de wolven wel tot hier huilen?...

We volgden het kanaal met aan één zijde een rijke rietoever met gele lissen, de andere zijde was een dreef met bomen met daarachter weiden met koeien en schapen. Er zat zowaar een ooievaar tussen. De enige geluiden die we hier hoorden kwamen van koekoeken, een boel andere vogels, kikkers, en af en toe een vis die opsprong. Er zweefden dikke reuzelibellen van bloem tot bloem, en bloemen groeiden hier in overvloed. Ik wist niet dat seringen (of toch iets soortgelijks) heuse bomen van 10 meter konden worden, maar hier stonden ze voor mijn neus en roken heerlijk.

Langs de rietoever zag ik plots een randje bemost beton van 10 meter en dat leek me de ideale plek om aan te meren. Op die manier moesten we onze loopplank niet boven halen om aan wal te gaan en onze piketten in de grond te hameren om de boot vast te leggen. Eerst trachtte ik de boeg vast te leggen aan een uitstekend stuk hout maar het was te kort, het leek me niet veilig. De piketten kwamen er dus al aan te pas. We vonden zelfs een netelvrij plekje om ze in de grond te rammen. Kortom, we lagen perfect. Idyllisch.

Ik was kapot moe en hoopte wat op het dek te kunnen zitten schrijven maar daar stak "de Grote Sluiswachter van Hierboven" een stokje voor. Net toen alle touwen geknoopt waren en we ons wilden nestelen voor onze aperitief begon het te druppelen. Fijne cirkeltjes op het water en in de verte bliksemschichten... En ons zonnedak blijkt enkel dat te doen wat het woord zelf zegt. Water houdt het niet tegen. Dus zaten we van onze kaas en olijven te knabbelen onder een paraplu. Net geen loze vissertjes, wel loze vaardertjes.

Het muntplantje op onze terrastafel is al een rustplekje voor menig mooi insect geweest. Een libel heeft er al op zitten poseren en daarna kwam een sjieke spin met een langwerpig lijfje van wel een centimeter, er draadjes op spinnen. Dit stuk van de kanalen is echt nog meer natuurparadijs dan ons beloofd was.

Terwijl ik trachtte al mijn nota’s en restjes schrijfsels terug aan mekaar te breien maakte Paul het eten. Onze menukaart bestaat nog uit cassoulet met gebakken aardappeltjes, couscous met groenten of spagetti met tomaten en kruidensaus. We kozen voor het laatste. De desserten kozen we wel naderhand. En de dessertkaart was nog zeer uitgebreid.

Geschreven door Laathi om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Foto's hoofdstuk 1 en 2.

Het fotoalbum bij hoofdstuk 1 en 2.
Niet denderend, maar ik moest nog leren werken met die grote, dikke, zware Nikon ;-)

https://picasaweb.google.com/laathi.webalbums/ElzasVogezenMei2011Hoofdstuk1En2?authkey=Gv1sRgCMOD7c6M19rjhgE#

Klik F11 voor groot formaat foto's in diavoorstelling.
Geschreven door Laathi om 02:33 4 reacties Reageer op dit bericht

Reisverhaal Elzas - Zwarte Woud. Deel 7.

Maandag, 9 mei 2011.

Aan boord van deRosenwiller
Plan Incliné, Lutzelbourg.

7. De boottrekster van de Wolga.

Gisterenavond, met het snelle internet, geraakte ik niet in mijn bed. Het was zo plezant weer eens met mijn vriendinnen te kunnen spelen... s’ Morgens moest ik er wel uit, want vandaag zou ons bootavontuur beginnen. Na een hartig buiten-ontbijt gingen we ons aanmelden bij Nichols in Saverne om het papierwerk te doen. Voor bootjes korter dan 15 meter is geen vaarbrevet nodig. (Ik dacht dat wat gezond verstand, en een flinke portie geduld voor de sluizen, voldoende zou zijn. Hoe zou ik me vergissen...)

Om 14 uur zou een van de techniekers ons met de boot leren omgaan, maar na ‘t invullen van de papieren en de betaling rond 11h30, kregen we de sleutels en mochten we hem al laden. Een fijne tijdswinst. Nog snel wat boodschappen gedaan in de buurt, de nodige bagage netjes over de vele kleine vakjes verdeeld, de ijskast volgeladen, en we stonden vertrekkensklaar.

Paul ging de auto op het terrein van de maatschappij parkeren, en ondertussen kreeg ik alvast de uitleg waar de gas, het anker, de enterhaken, de reddingsvesten, de piketten en de hamer (om aan te meren in volle natuur), en nog veel meer verborgen zaten. Ik was heel blij dat Paul terug was toen de vaarinstructies gegeven werden, want mijn kop liep al over van de informatie. Het besturen van de boot bleek (in theorie dan toch) heel eenvoudig.

Achteruit en vooruit, naar de toerenteller van de motor kijken, en de stand van het roer in de gaten houden. Zonder enige overschakeling kan de boot vanop het bovendek bestuurd worden, of van in de kajuit. Hopelijk blijft het goed weer en hebben we de ruitewissers niet nodig en kunnen we sturen in open lucht. Op het bovendek zitten we hoog en droog, en hebben we een heel goed uitzicht.

Het fornuis, de oven, het kookstel, de koelkast en de diepvries werken op gas. De kajuit is heel ruim ingericht, een halfronde zetelbank rond een tafel, en de keuken aan de andere zijde. Langs alle kanten hebben we grote ramen die open kunnen. Onze achterdeur is een schuifdeur van waar we naar ons terras kunnen. Daar staat nog een ronde tafel en twee stoelen onder een zonnetent. En onze twee fietsen. In de boeg van de boot bevindt zich de slaapkamer en het toilet met lavabo en douche. Functioneel en praktisch. Alles is heel ruimtebesparend en ergonomisch ingericht. Het is de Duo, het laatste nieuwe model dat Nichols gefabriceerd heeft. Hij is ongeveer 7 meter lang en 3 meter breed.
De snelheid is begrensd op 8 kilometer per uur, de maximum toegelaten snelheid op de Franse kanalen.

Toevallig vertrok er samen met ons ook een Belgisch koppel, vlotte zestigers, met een iets kleiner bootje. We zouden dan samen de eerste sluis nemen. We kregen tot in die sluis een leraar mee. Op minder dan 300 meter zouden we dus moeten leren met de boot overweg te kunnen. Ik zat op het bovendek en genoot van het uitzicht op een paleis. Ik voelde me God in Frankrijk.

De eerste sluis bevond zich midden in de stad Saverne, dus vanop de brug stonden toeristen ons te filmen en te fotograferen. Maar tijd om een “Sound of Music”- dansje te doen was er niet. We hadden al snel door dat bij het doorvaren van een sluis alle hens aan dek nodig waren. En alle ogen ook. De sluis liep vol, onze jongen wenste ons ‘veel geluk’ en daar dreven we dus...

Paul vaarde de eerste sluis uit en ik sprong, als een jonge gems, van niveau tot niveau, van stuurboord naar bakboord, met de enterhaak in mijn handen in het rond, in een poging de twee voorzijden en de twee achterzijden van de muren weg te houden. Ik had handen en benen te kort. Voor het invaren van de volgende sluis stonden we er helemaal alleen voor.

De Limburgse mensen vaarden achter ons, dus wachtten we steeds zodat zij ook ineens mee konden versassen. Dat maakte wel dat wij altijd vooraan in de sluis lagen en de hendel - om ze te sluiten en te laten vollopen - moesten bedienen. Het is een blauwe ijzeren stang die aan de sluiskade bevestigd zit en het is al een hele kunst de boot op de juiste plek te manoevreren, Vervolgens trekt ge de boot, met een enterhaak die ge rond een ijzeren buis, of een laddertje, tracht te haken, of met een touw dat ge rond een meerpaaltje slingert, tot aan die blauwe stang. Dan komt het eerste hachelijke moment, ge moet die stang naar boven duwen. Naar beneden trekken zou makkelijk zijn, maar om ze die 5 cm naar boven te duwen hebt ge veel kracht in uw arm nodig, en ge hebt al maar 1 hand want met de andere hand hebt ge uw enterhaak vast om te proberen de boot enigszins op zijn plaats te houden.Ondertussen drijft de boot dan toch nog weg... Niet simpel.

Maar we kregen veel, heel veel, herkansingen. Deze namiddag moesten we maar liefst 15 sluizen door. We trachtten uit te vissen wie de beste kapitein en wie de beste matroos was. Ik weet van mezelf dat ik heel slecht met boten vaar, ze reageren te traag voor mijn ongeduldige natuur, en ik zigzag dan ook door het water. Laat me iets met zeilen en touwen doen en ik ben gelukkig, maar aan het roer van een schip zwalpt het alsof het te veel gedronken heeft. Met een enterhaak daarentegen ben ik wel goed. Ik denk dat ik in mijn hart meer een piraat dan een kapitein ben. Paul kan veel beter sturen, maar die maakt er met de enterhaken een potje van.

Als ik aan ‘t roer zat dan vaarde ik de sluis uit en kwam onverrichterzake na een tiental meter tegen de kanaalwand terecht waar ik niet meer van weg geraakte. Ik probeerde me dan terug naar het midden van het water te bewegen, maar eindigde aan de andere oever. Paul had hier geen begrip voor. Maar 1 matroos volstaat niet om de boot met de haken stil te houden. Zeker niet op het moment dat de achterste sluisdeur dicht is en het water door openingen in de voordeur met volle kracht  in het sas begint te spuiten. De boot krijgt dan de volle laag en wordt heel balsturig. Op de duur snapten we dat we in een sluis geen kapitein nodig hadden, uiteindelijk ligt de motor dan toch stil, en dat we met twee matrozen veel meer gebaat waren. Zij het dat we dan nog altijd maar twee en niet vier hoeken van de boot onder controle kregen. Er gebeurde vanalles.

Tot drie keer toe stond ik op het uiterste minuscule hoekje van de achterplecht met volle kracht aan die enterhaak te sleuren en gleed ofwel het rubber handvat van mijn stok er af, ofwel trok de boot zo hard dat ik moest kiezen, ofwel de stok te lossen (om hem los te haken is het dan al te laat), ofwel mezelf in ‘t water te laten trekken. Dus telkens een van deze scenes zich voordeed moest ik met enkele acrobatentoeren aan land zien te geraken om mijn stok terug op te pikken en dan zien dat ik snel genoeg terug aan boord was voor de sluisdeur zich opende.

Een andere keer dacht ik er iets op gevonden te hebben om met meer gewicht die blauwe stang naar boven te kunnen duwen. Ik zag uit de kademuur een stuk ijzer steken en besloot daar één voet op te zetten. En inderdaad ik had meer kracht. Zoveel zelfs dat ik de boot onder me weg duwde, mijn grand écart altijd maar wijder werd en ik op mijn collega-matroos moest roepen om de boot tegen te houden of ik was in tweeën gespleten, maar meer waarschijnlijk, in het sas gevallen.

Als de boot door de plotse waterstuwing in zo’n sas alle kanten begint op te trekken, dan moet ge die proberen tegen te houden vanuit de plek waar ge op dat ogenblik staat of hangt. Het resultaat is dat er altijd wel een schouder, elleboog of pols half uit zijn gewricht getrokken wordt, of dat ge op zijn minst uw rug verrekt. Heel zelden hadden we een momentje waarop we eens naar achter konden kijken en dan zagen we onze collega’s ook met zijn beiden spartelen om hun vaartuig in bedwang te houden. En zij hadden dan nog het geluk dat onze boot de ergste deining kreeg te verwerken, en dat hun bootje veel kleiner is.

Op de duur lukte het Paul vrij aardig om de boot in en uit een sluis te varen. (Ik zou gewoon dubbel zoveel benzine gebruiken omdat ik zigzag vaar.) Maar toen kwam de eerste tegenligger. Overtuigd van zijn kunnen zou mijn echtgenoot eens laten zien hoe goed hij mooi in rechte lijn langs de oever kon varen. Het eindigde ermee dat onze tegenligger moest stoppen aangezien mijn kapitein zijn boot volledig dwars over het kanaal lag. De acht stoere binken, met een reuze biervat op hun dek, konden er gelukkig hartelijk om lachen.

Eens we een sluis 50 meter achter ons gelaten hadden kwam de volgende na de eerste bocht alweer in zicht. Mijn idee van “bootje varen” was lekker op dek in de zon liggen, afgewisseld met zitten typen aan de inbouwtafel op de voorplecht, om dan eens een colaatje te gaan drinken op het achterterras. Ik kreeg zelfs tussen twee sluizen door niet eens de tijd een sigaret te roken. Ik heb niets anders gedaan dan op en neer en van voor naar achter gerend als een piraat op speed. Gelukkig voelde ik op die momenten de spierpijn en de blauwe plekken nog niet.

Wat me nog het meest ergerde, was dat ik het veel te druk had om te fotograferen. Ik zag al die gemiste foto's aan me voorbijglijden en dat maakte het er niet prettiger op. Dus op de duur hield ik mijn enterhaak in mijn ene hand, de Nikon in de andere (een apparaat waar ge eigenlijk twee handen voor nodig hebt, anders kunt ge niet aan de lens draaien...) en probeerde ik op die manier toch wat foto’s te nemen. Ik moest hem dan in noodgevallen wel direct wegleggen, en er waren eigenlijk niet anders dan noodgevallen. Tot overmaat van ramp gleed hij dan nog van het schuine dek en kon ik hem op ‘t nippertje van een verdrinkingsdood redden. Bootje varen met zijn tweeën,... ik voelde me al niet meer de koning, eerder een noestwerkende bootsman.

Na drie uur en een half, en 15 sluizen verder, kwamen we aan "le Plan Incliné", de bootlift achter Lutzelbourg. Daar moesten we wel halt houden want de lift werkt enkel tussen 7 uur en 17.30. ‘s Nachts mag er niet gevaren worden, de gewone sluizen werken ook niet meer na 19 uur. In de wijde bocht voor de lift moesten we dus aanmeren. Paul ging zich “achterwaarts parkeren”. Dat is op ongeveer alle maniere behalve achterwaarts gebeurd. In alle richtingen hebben we voor de kade gelegen behalve in de juiste. Uiteindelijk ben ik van boord gesprongen en heb ik eerst de boeg op zijn plaats gesleept, dan de achtersteven aangehaald, dan het meertouw van de boeg terug aangespannen, en zo voort en zo verder, tot we op een fatsoenlijke manier aangemeerd waren.

Ik was zó blij op dat plastiek zeteltje op mijn terraske te kunnen gaan zitten, dat kan geen mens geloven. Hoewel ik toen ook de spierpijn op de onmogelijkste plekken gewaar begon te worden. Paul was ondertussen al op zijn fiets gesprongen om te gaan kijken hoe die scheepslift er van boven uitziet. Ik was er niet rouwig om want in de loop van deze namiddag dacht ik dikwijls “This boat ain’t big enough for the both of us.”

Toen hij terugkwam overhaalde hij me om eens me te gaan kijken, dus wandelden we 45 meter hogerop en kwamen boven aan de lift. Het is inderdaad de moeite. Twee waterbakken, waar maximaal drie boten in kunnen, worden door contergewichten naar boven en naar beneden getrokken. Er komt geen extra energie bij te pas. De sluiswachter laadt boven de boten in de bak, pompt 25 cm water bij in de bak, het evenwicht geraakt verstoord, en de bak daalt 45 meter om daar de boten terug te lossen in het lagere kanaal. Door beneden 25 cm water weg te pompen dalen de contergewichten, en stijgt de bak weer naar het hogere kanaal. Een geniaal systeem, waardoor men een 15-tal sluizen kan uitsparen. Die oudjes liggen er nog wel allemaal, maar zijn nu industriële archeologie.

En dan, eindelijk, bij het invallen van de duisternis, kon ik mijn eerste letters typen terwijl Paul aardappeltjes bakte om bij een koude visschotel te eten.
Overdag liepen we te bakken in de zon, ik kreeg zelfs hoofdpijn van recht in de zon te moeten kijken bij het varen, en ‘s avonds waren we heel blij dat we in onze kajuit konden eten. Toen pas bleek echt hoe gerieflijk dit ding is. Ge kunt zowel aan de ijskast als aan de vuilbak als aan de keukenschuiven terwijl ge aan tafel zit. Schitterend gevonden. Het eten smaakte beter dan in het beste restaurant.
In de bocht liggen nog twee andere kleine bootjes te overnachten, en één grotere, bemand door een bende Spaanse jongens. En die moeten natuurlijk weer voor “ambiance” zorgen. Hopelijk vinden we morgen een fijne plek in volle natuur zonder radio of geraas van een baan in de buurt. Gesteld dat er morgen nog een spier in mijn lijf is die wil meewerken natuurlijk.

Alleszins, we hebben het niet echt slecht gedaan vandaag, want we zijn een uur vroeger aangekomen dan Nicols voorspeld had. We hebben dan ook heel veel geluk gehad met de sluizen, we hebben maar 1 keer enkele minuten moeten wachten. In de zomer moeten de wachttijden enorm zijn. Maar dat we het echt goed gedaan hebben kan ik ook niet zeggen want achteraan steken twee boomtakjes uit onze kiel, die daar bij ons vertrek niet zaten. En de witte bumperballen die gelukkig rondom de hele boot hangen, hebben nu alle tinten van groen tot bruin tot geel, gevlekt maar vooral gestreept.

dsc0159copy.jpg

Geschreven door Laathi om 22:57 2 reacties Reageer op dit bericht

The Sound of Music...

(Een reeks foto's die hoort bij aflevering 6.)

De familie Von Trapp in volle aktie!
Enkele "stills" uit de film.

dsc0018copy.jpg

De stoere Kapitän Von Trapp wacht vol verlangen op zijn dartele Maria...

dsc0027copy.jpg

En hier komt Maria!

dsc0030copyk.jpg

Bij de aanblik van Herr Kapitän kan ze niet snel genoeg bij hem geraken!

dsc0031copyf.jpg

Vandaar dat ze ook al vlug in "close contact" komt met de eerste de beste molshoop, en vervolgens met de harde grond van de alpenweide...

dsc09205copy.jpg

Edoch, Herr Kapitän maalt er niet om dat zijn Maria nu vuile knieën en ellebogen heeft...

dsc09207copy.jpg

Hij zal Maria zelfs ten huwelijk vragen.
Ware het niet dat ze toen allebei al op de grond gevallen waren.

dsc0043copy.jpg

Een dolgelukkige Maria, die ondanks het zware werk van dansen op molshopen, toch kiest voor dit bestaan en besloten heeft niet in het klooster terug te treden.

dsc0049copyw.jpg

Onderschat "dansen" op een schuine en ongelijke ondergrond niet.
Acteur zijn,... 't is niet gemakkelijk. En 't is een dorstig beroep.

En als ik ooit de moed heb dan zet ik de volledige filmkes hier op. :oops:
Maar daar gaat ge dan toch heel lief naar moeten vragen. :lol:
Geschreven door Laathi om 20:13 1 reactie Reageer op dit bericht

Reisverhaal Elzas - Zwarte Woud. Deel 6.

Zondag, 8 mei 2011.

Au Vieux Moulin, Graufthal.

6. The hills are alive...

Na een zorgelijk telefoontje raakte ik niet in slaap. Ik heb dan maar enkele uren buiten naar de piepjonge maan en de sterren zitten staren. Ik vond het zo jammer dat hier geen internet was om mijn gedachten wat af te leiden, en met mijn vriendinnen van over heel de wereld, via Facebook, samen een spelletje te spelen en wat bij te chatten. Vanmorgen raakte ik dan ook niet wakker en ben ik te laat opgestaan. Desalniettemin namen we uitgebreid de tijd om van ons ontbijt in de zon te genieten. Dan beklimmen we maar een bergske minder vandaag. Onze voeten zullen ons dankbaar zijn.

De 10 moto's vertrokken net op het moment dat we begonnen te ontbijten op het terras. Het bleek helemaal niet zo lawaaierig als gedacht. Ik hoefde er zelfs mijn dopjes niet voor in te steken. Het waren allemaal BMW's en die hebben heerlijk stille motoren. Maakten alle fabrikanten hun voertuigen maar zo geruisarm, de wereld zou er een veel aangenamere plek door worden. Want hier in de bergen rijden er aardig wat moto's rond. Aan de rand van de baan staan soms borden met "Lärm ist Out" "Lawaai is Out". Zou de wereld dan toch echt een poging doen om stilller te gaan worden? Vannacht las ik een lezersbrief in Humo van een dame die zich ook suf ergerde aan de muziek overal in de tuinen, en vooral op bouwwerven. (Want inderdaad, elke vakman die ergens gaat werken, laadt eerst zijn radio uit voor hij begint te werken. Heel de buurt wordt geteisterd door een blèrende radio waar zijzelf door het lawaai van hun machines waarschijnlijk niets eens iets van horen.) Die vrouw vroeg ook niets meer dan nutteloos lawaai buiten te vermijden, het dagelijks leven is tegenwoordig op zichzelf al luid genoeg. Ik dacht aan mijn eigen drie lawaaierige buren die me het ook regelmatig onmogelijk maken van mijn terras te genieten. Ze heeft gelijk, die wet op nachtlawaai tussen 22u en 6u is al lang onvoldoende. Trouwens, er is toch geen café dat ze nog naleeft. Wettelijk is hier nog heel wat werk aan de winkel. Maar dan zullen we toch eerst moeten sparen voor een regering...

Elke ochtend ziet onze zwarte auto er uit als een gele smoutebol. Hij is telkens zo bestoven met het okergele stof dat we misschien volgend jaar niet meer in een auto maar in een paardebloem rondrijden. Als hij nú nog niet bevrucht is weet ik het niet meer.

We besloten naar de top van de Feldberg te rijden om daar de zetellift te nemen, misschien leek vandaar die top iets minder troosteloos. Maar onderweg zag ik een wegwijzer naar Präg, en die gletsjers had ik toch ook wel eens graag gezien. Dus volgden we onze neus die richting Präg wees.

Ik koesterde al twee dagen het plan een bescheiden persiflage op de Sound of Music te filmen, maar de ideale setting bleek moeilijk te vinden. De auto moet naast een schuine bloemenweide kunnen staan, de zon moet langs de juiste zijde op de achtergrondberg vallen, de weide mag niet te nat of te bultig zijn om te kunnen dansen. En de auto moet zo dichtbij kunnen staan dat we de soundtrack kunnen laten spelen terwijl de camera vastgeklemd zit op het autoportier. Bovenal moeten wij de muziek ook nog kunnen horen vanuit onze weide, anders hebben we geen ritme. Ik wou, vanzelfsprekend, ook nog liefst een plek zonder huizen...

Maar 't is onze laatste dag hier, dus we kunnen niet meer al te veel eisen stellen. Dus bloemenweide, berg op de achtergrond, paadje om te parkeren, zon in goede richting. Het enige minpunt aan onze setting... vlak achter onze auto stond een hele woonwijk, allemaal chalets met balkons... Tja, dat moest dan maar.

Ik begon aan mijn verkleedpartij. Jeans uit en mijn Maria-kleed aan. Toch zalig dat ik twee weken geleden dit waanzinnige ding in de kringloopwinkel gekocht heb. Hoewel ik het absurd vond heb ik het om zijn eigenaardigheid toch meegenomen. Ik vreesde het ding nooit buiten te zullen dragen, maar voor dit doel was het echt het geëigende accessoire.

Kapitein Von Trapp had het veel makkelijker, die moest alleen maar zorgen dat hij ietwat kaki-kleding droeg, en dat doet hij al meestal. Alleen spijtig dat dat Tirolerhoedje dat ik gisteren op Paul zijn kop gezet had 52 euro kostte, want dat had goed van pas gekomen.

Ik stond daar dus in mijn ondergoed aan de rand van het dorp. De installatie van de videocamera op het portier was niet zo makkelijk, maar hem op het dak zetten was geen optie, want dan kon hij het geluid van de cd niet opvangen. Toen onze setting eindelijk klaar was kon de opname beginnen. Zonder regisseur en zonder cameraman, want die waren de acteurs. Bij het eerste nummer, "The Lonely Goatherd", liep het al grondig mis. We stonden daar in die wei gewoon wat onnozel te doen, echt schoon dansen was er niet bij want de bloemen en de bulten waren veel te hoog, en trouwens, we konden de muziek niet horen, dus van maat houden was al helemaal geen sprake. Toch wou ik een spectaculair einde en zou in Paul zijn armen springen. Ik was in't vuur van de bezigheid vergeten dat zijn rug in nogal amechtige staat verkeerde. De slotscène verliep dus meer met een gepijnigd gezicht en gekreun dan met een stralende glimlach.

Voor onze tweede opname, de titelsong van "The Sound of Music", hadden we de muziek iets luider gezet en konden we enigzins in de maat blijven. Ik kwam zogezegd aangedarteld uit het bos op de achtergrond, maar dat bleek veel te ver weg. Ik loste dat probleem dan maar op door me in het hoge gras te verstoppen, zachtjes op te rijzen en dan naar de camera te lopen in de armen van Kapitän Von Trapp. Aangezien we geen choreografie afgesproken hadden werd het een komplete chaos, ik weet niet eens of we wel altijd in beeld waren... Paul stond erop toch nog eens de springscène te doen maar die is ermee geëindigd dat hij met mij in zijn armen viel, en dat we allebei in 't gras knalden. Paul krabbelde recht en danste onverstoord - als een prima-ballerina met rugpijn - verder maar ik krijg op zo'n momenten jammer genoeg altijd de slappe lach en ik lag daar tussen mijn molshopen te rollen van 't lachen en geraakte niet meer recht. Ondertussen waren er op verschillende balkons mensen verschenen. Gelukkig kon ik daar niet echt veel van merken want ik had mijn bril toch niet op. We wilden als souvenir ook nog enkele foto's van ons samen, dus dat moest dan weer met de tijdsontspanner gebeuren. Een onderdeel van de Nikon dat ik nog nooit gebruikt had. We eindigden dus met een reeks foto's van Paul die zich duidelijk staat af te vragen wanneer ik er nu eindelijk bij kom staan, maar toen was de reeks allang getrokken. Ik besloot de foto dan maar met de kleine Sony te maken, daar wist ik de knop tenminste staan. En ja hoor, weer moest ik de sprong in zijn armen maken. Toch een geluk dat we eergisteren die 5 potjes Traumeel hebben gekocht en dat onze Flexium-gel ook nog niet op is.

Toen we uitgeput en wel (rondspringen in zo'n wei is doodvermoeiend) onszelf terug in "normale mensen" omtoverden klonk er plots applaus van een balkon. Een man met een poes in zijn armen zei dat hij enorm van de vertoning genoten had. Rood worden hoefde niet meer want ik had al een kop als een pioen van de inspanning. Ik bedankte het publiek met de alweer historische woorden : "Danke schön, sie waren ein grossartiges Audienz." Paul keek me eens zeer "puzzled" aan en maakte de bedenking dat ik waarschijnlijk "Publikum" bedoeld had.
Ach Mensch... So wass?!...

We hadden de tijd niet om onze opnames te bekijken want we mogen niet vergeten... we moeten vanavond nog wel in Frankrijk geraken. Ons publiek vertelde ons dat er iets verderop een mooi uitkijkpunt was, en inderdaad, we stopten enkele kilometer verder aan een bospad dat ons onverwacht een magnifiek overzicht van onze dansplek gaf. Het dorpje Präg ligt in een mooi gletsjerketeldal. En in het midden ligt nu een platgetrappelde, maar historische, weide.

Ik hoop nu maar 1 ding en dat is dat niemand ons vanop die terrassen gefilmd heeft en het spektakel op YouTube zet... Zot doen voor een beperkt publiek is nog wel wat anders dan als complete lunatics voor heel de wereld te kijk staan.

We besloten die mottige top van de Feldberg maar te laten wat hij was, we vonden hem gisteren toch al niet mooi, waarom dan nog teruggaan voor die zetelliftrit? We kozen een weg naar de Titisee, waarlangs we eerst nog de Schluchsee zouden zien. Onderweg passeerden we de HochschwarzwaldsKlinik en ik was al heel blij dat we daar niet terechtgekomen waren na onze filmopnames.

Aan de Schluchsee kwamen we in een motortreffen terecht. Honderden moto’s waren verzameld op een grote parking naast de baan. Hier moet voor ettelijke miljoenen euro's op een hoopje gestaan hebben. Doppen diep in mijn kop gedrukt en toch eens van dichtbij gaan bekijken. Uiteindelijk stonden de meeste motoren stil en was het enkel het lawaai van de baan dat hard was. Ik zocht wat mensen in leuke t-shirts om te fotograferen maar ik vond er niet veel. Het enige geestige was een hondje met een gareel waarop de tekst “Katzenversteher” te lezen was. Op de moto’s was ik snel uitgekeken. Het meer aan de andere kant van de baan was een heel ander verhaal.

Het wateroppervlak en de oever aan de stuwdam waren bedekt met een dikke gele modder. Blijkbaar al het gele zaad dat zich in deze hoek verzamelde. En stinken!!! Een doordringende geur van verrotting. Niet bepaald romantisch, maar voor mij wel schitterend om te fotograferen. Het wateroppervlak leek te bestaan uit okerkleurige marmerplaten met grillige tekeningen. Verderop was het meer terug helder maar het bleef onaantrekkelijk van deze kant, de baan die erlangs loopt is razend druk. Het is natuurlijk zondag en stralend weer, dus vele mensen komen nu zeilen.

De weg naar Titisee bleek onderbroken en we kwamen in een ellendige file terecht. We besloten dan maar via de Uhrenstrasse naar Titisee te rijden in de hoop dat ik eindelijk die enorme koekoeksklokkenwinkels uit mijn jeugd zou terug vinden. (Ook al een doel sinds eergisteren). Toen dacht ik eraan dat het zondag was en dat die winkels gesloten zouden zijn. Paul beweerde van niet aangezien het hier vandaaag zo’n toeristische dag was met het motortreffen. Ja, precies of die komen hier om koekoeksklokken te kopen! Ik zie het al voor me! Een dikke motard met op zijn rug een koekoeksklok waarvan de gewichten achter hem aan zweven...

Maar toen ontwaarde Paul plots een minuscuul plekje sneeuw in de verte. Dus werd weer van de weg afgeweken om de sneeuw te zien. Het bleek de top van de Feldberg te zijn. En inderdaad, er lagen nog summiere sneeuwplekjes. Uiteindelijk kwamen we dan toch aan de Titisee. Die zag er wel mooi uit. Klein, rond, met een charmant kerkje en veel zeilbootjes op het water. Maar de baan die ernaast loopt is de hel. Iedereen raast voorbij, ook een paar ambulances, en ik begrijp waarom. De zeldzame parkeerplekjes zijn tegen de bergwand en om een foto te maken moet ge dan die baan oversteken. Levensgevaarlijk. Niet leuk.

Om Titisee te bereiken was het ook al niet simpel, op de duur waren van de rotweg af en stonden in een knalgele wei. Het leek me plots een plezant idee om Irma ook eens te laten dansen. Dat was niet makkelijk, want één van ons moest haar omhooggooien en de ander moest liggend op zijn buik fotografren als ze nog net in de lucht zweefde. Een moeizaam procédé wel.

Uiteindelijk sukkelden we toch Titisee binnen. Van mijn plannetje om aan het strand van het meer te picknikken kwam niets in huis. Titisee bleek een overgeregulariseerde toeristenval. Niks dan terrasjes en winkels en massa’s volk. We namen de weg rond het meer en daar was ook niet aan het water te geraken, want alles was geprivatiseerd. We kwamen aan een verlaten jeugdherberg en ik zei Paul daar in te slaan. Er was parkeerplaats. Maar geen Titisee meer...

Dus reden we wat terug tot waar ik eerst wou afslaan, maar waar Paul echt niet voor te vinden was geweest : een camping. Erger nog, een marginalen-camping. Ik had dan ook nog het bordje verkeerd gelezen, er stond “Seeufer Café", en ik had dat gelezen als “zoiffer”, dus ik redeneerde “zuiperscafé”, vrije toegang als we daar iets gaan drinken. Dus Paul op zoek naar mijn Zoiffer café.

Op de sjofele camping vonden we inderdaad een cafeetje, en tot mijn grote verbazing verhuurden ze er per uur zitplaatsen in een cocoon! Een kompleet van de pot gerukt idee om midden tusssen deze bende, in zo’n overdekte dubbele tuinzetel met voetsteuntjes, te gaan zitten. Te plezant om te laten liggen dus. Binnen de twee minuten zaten we daar met een cola en een pint vanuit onze cocoon naar het leven rondom te kijken. OK, de Titisee lag op 10 meter van onze voeten en was best mooi, maar er was zoveel interessanters te bekijken. Ik had het gevoel of we zaten op de VIP-tribune bij een voetbalmatch van hooligans. De kleurrijkste tatoeages en haardrachten, het meest wansmakelijke gedrag, het totale onbegrip van “privacy”, kortom “The Human Zoo” op haar best. En niemand, buiten enkele zwemmende honden, scheen zich dan nog echt te amuseren ook, van elk gezicht straalde verveling. En wij zaten daar discreet in ons hokje bananen en koekjes te knabbelen. Voor een echte picknick was het hier te onsmakelijk, want ook de Titisee rook naar de verrottende zaden. Wel helemaal niet zo erg als het vorige meer, maar fris was het toch niet.

In Titisee zag ik 1 grote namaakkoekoeksklok, dus het bezichtigen van een reuze koekoeksklokkenwinkel werd een doel dat we deze reis niet haalden. Gelukkig maar, dan hebben we een reden om terug te komen. Maar nooit meer op een zondag.

We moesten terug de toeristendrukte van Titisee-dorp door om aan de autostrade richting Straatsburg te geraken. Blij dat we er uit waren. Het eerste deel van de weg leidde tussen enorme rotsen waar de baan uitgedynamiteerd was. Best indrukwekkend zo tussen kathedralen van steen rijden. Al snel zaten we op de autostrade en dat werd ook wel tijd want het was alweer 5 uur. Iets later dan verwacht. Alweer. Eens het Zwarte Woud uit steeg de thermometer tot 28°. Hoogzomer in begin mei!! Alle mensen die we de laatste dagen spraken hadden het ook over het ongewone weer. Véél te droog en véél te warm voor dit seizoen. En dat het gele zaad zo overvloedig was had men ook nog nooit meegemaakt.

Zelfs in het ordentelijke Duitsland is het weer van slag.

Wie er ook kompleet van slag was, was ons Trees. Gelukkig heeft onze auto een ingebouwde gps, want Trees (onze Garmin Nüvi, in gebruik om de snelheidscamera’s te kunnen zien) was niet in grote vorm. Op haar scherm reed het autotje links van de baan, dan weer rechts, maar nooit op de baan. Als aangeving stond er slechts : “Rijden naar het noord” of “Rijden op weg.” Ze begint precies al een beetje Duits proberen te spreken.

We haalden een sportwagen met open dak in. Vooraan zaten twee dames met zonnebril, en op de achterbank zat fier rechtop een grote hond... ook met een zonnebril op zijn snoet! Zalig zicht! Deze keer eens geen “hond met een hoed op”, maar ene met een brilletje.

Na een eindeloze rit op een autostrade vol letterlijke “zondagsrijders” reden we om half zeven eindelijk Frankrijk binnen. Een klein uurtje later zaten we terug in ons eerste hotelletje rijkelijk te dineren op het terras. Escargots, asperges met drie soorten hesp…Heerlijk. En hier was dan nog internet zodat we ook onze vrienden konden laten meegenieten. Dat maakte het paradijs kompleet.

Geschreven door Laathi om 00:00 Reageer op dit bericht

Reisverhaal Elzas - Zwarte Woud. Deel 5.

Vrijdag, 6 mei 2011.

Gasthof Belchen Multen, Aitern.

5. Wijst uw neus naar boven, dan gaat ge in de lucht.

Een zalig stille, lange nacht onder een warme dons in een knus hotelletje. Toen Paul me wakker maakte had hij er al een flinke jog-toer op zitten. Ik vond dat hij het lang had volgehouden maar de reden werd al snel duidelijk. Hij was richting top van de Belchen gelopen maar had zich in de terugkeer van weg vergist en bleek opeens een paar honderd meter ónder ons hotel te staan. Aangezien ons nestje op 1040 meter hoogte ligt moest hij dus terug naar boven dabbelen.

De beslissing of we hier nog een nacht langer zouden blijven lieten we van het ontbijt afhangen. Toch wel een cruciaal aspect voor ons. Zeker na ons Frans suikeravontuur van gisterenochtend.

Een Duitser stuurt ge duidelijk níet met een rozijnenboterhammetje wandelen. Hier verscheen een buffet met de beste charcuterie en kaas, pumpernickelbrood, allerlei ander donker brood met zaden, witte broodjes en daar bovenop kwam de gastvrouw nog met een lichtgekookt eitje aandragen. De keuze was dus snel gemaakt, we boekten een dagje bij. We namen onze theepot mee naar het zonneterras om te overleggen wat we vandaag gingen doen. Het had geen zin ver te gaan rijden want hier vlakbij beginnen prachtige wandelingen. Uit een heel dik boek van het hotel trachtten we wat zinnige dingen te puren, maar het was in het saaiste Duits geschreven, dus was het nogal moeilijk het kaf van het koren te onderscheiden. In dit prachtig weer heeft het geen zin om kapelletjes of kastelen te gaan bezoeken, dit was een dag waarop de natuur ons met open armen (en moerassen) zou verwelkomen.

We besloten om eerst naar de toeristische dienst in Schönau te rijden om een wandelkaart te zoeken. Onze gesprekken duren tegenwoordig iets langer omdat we vroeger mekaars zinnen afmaakten doordat we mekaar zo goed kennen, tegenwoordig moeten we dat doen uit noodzaak omdat we op de helft van de woorden die we nodig hebben niet meer kunnen komen. Er wordt ook al heel veel "de dinges van de dinges van dinges" genoemd en al flink wat uitgebeeld. Tegen dat we 70 zijn, zijn wij waarschijnlijk uitgegroeid tot een beroemd pantomime-duo.

In de Dienst voor Toerisme viel mijn oog op een foldertje van “Wanderung mit Lama’s”. Even geïnformeerd of het gewoon wandelen was - zoals met een grote hond, weliswaar dan ene die af en toe eens in uw oog spuwt - of dat de dieren bereden werden. Het bleek een wandeling. Tja, dat vond ik nu niet echt avontuurlijk. Gelukkig zag ik daarnaast een reclame voor paragliding hangen. Dat leek me al iets boeiender. We lieten de vrouw onmiddellijk contact opnemen met de piloot en binnen de 5 minuten stonden we aan zijn huis. Hij zag het wel zitten om ons om 4 uur mee te nemen, maar keek eens, laatdunkend en monkelend tegelijk, naar onze schoenen en naar Paul zijn korte broek. Kurkdroog merkte hij op dat we ons tegen dan wel zouden moeten verkleden. Geen probleem. Om zoiets te kunnen doen verkleed ik mij desnoods als een ajuin., 17 lagen boven mekaar. Toen viel zijn blik op de Nikon, en hij merkte direct op dat die camera meenemen er ook niet bij hoorde. Maar die ballon ging niet op. De grote Nikon wil ik desnoods thuis laten maar mijn kleine Sony moet mee. Daar ging hij mee akkoord op voorwaarde dit ik niet zou reclameren als hij schielijk zou overlijden. Dat was dus afgesproken.

Aangezien we nog 4 uur tijd hadden besloten we eerst de Belchen te gaan bekijken. De derde hoogste berg van het Zwarte Woud (1414 m) die zich vlak bij ons hotel bevindt. Althans de kabelbaan.

De man aan de kassa vroeg naar onze toeristenkaart, maar die ontvangt ge blijkbaar pas als ge hier drie nachten verblijft. Vanaf dan is de kabelbaan gratis en krijgt ge kortingen op vanalles en nog wat. Die beslissing was snel genomen. Paul reed 2 km terug naar ons hotel en boekte een nachtje bij. Fijn, dan moeten we niet verkassen, want dat vind ik toch altijd zo’n tijdverlies, en ik vind dit een zalige plek om te logeren. Ondertussen maakte ik met Irma een wandelingetje in het bos.

In een rond geel bolletje van de kabelbaan - een cocon voor ons alleen - zeilden we de berg op, over wouden van donkergroene dennen en lichtgekleurde loofbomen. De skipistes liggen er in dit seizoen grasgroen bij. Boven maakten we een wandeling rond de top van de Belchen. In volle zon! Dankzij enkele dramatische wolken zagen de panorama’s er nog indrukwekkender uit. Op de top was het zalig op een bank in de zon zitten en kijken naar onooglijke dorpjes diep in de dalen, en in de verte de Rijn te zien stromen. Een riviertje van niks vanuit dit gezichtspunt. De grond zag geel van de paardenbloemen in volle bloei. Hier en daar stond een boom met taaie maar fluweelzachte blaadjes. Op de rotsen groeien korstmossen als landkaarten van onbestaande werelden. Een droom die zich voor mijn lens ontvouwde.

Indertijd waren in deze regio verschillende zilvermijnen en die activiteit heeft de bebossing zwaar aangetast, tegenwoordig wordt onze toeristentaks dan ook aangewend om nieuwe bossen te planten. In het hoogseizoen is het ook niet meer toegelaten om met de auto tot aan de voet van de kabelbaan te rijden. De vervuiling van de autogassen werd te groot voor mens en natuur. Op een grote parking in het dorp moet men dan zijn auto achterlaten en een shuttlebus nemen. Het moet wel een vreselijk gedoe zijn als ge dat met ski’s moet doen.

Na de wandeling ploften we neer op het terrasje naast de kabelbaan, ik met een colaatje en Paul met een reuze fles bier. We zijn in Duitsland natuurlijk. En hier zaten we dan, totaal onverwacht op het topje van een Duitse berg in het Zwarte Woud, terwijl we gedacht hadden in de Franse Vogezen rond te rijden.

Toch wel grappig dat als ge uw neus volgt ge altijd op onvoorziene plekken uitkomt.. Ik vind een neus een plezant orgaan, ge draait uw kop, en ge hebt alweer een andere bestemming in zicht. En als ge uw neus naar boven draait? Dan gaat ge de lucht in.

Eens terug beneden hebben we thuis op ons terras een fijn maaltje bereid en vervolgens trokken we gelaarsd en gespoord naar onze piloot in Schönau. Mét mijn skibottinnen, windjacks en Paul in lange broek. En mijn Sony. Bij de Dienst voor Toerisme even ingelogd (ons hotelletje heeft geen internet) om te kijken wat de weersvooruitzichten zijn in verband met het huren van onze boot, en dan linea recta naar de Skydivers. Tot mijn opperste verbazing, en teleurstelling stond daar nog een groep van 7 mensen te wachten! We stapten met zijn allen in een busje en ik vroeg me af wat er nu ging gebeuren, ik dacht dat we maar met zijn twee gingen zijn. De man had ons ‘s ochtends gezegd dat hij de enige piloot was die een dubbelvlucht kon maken.

Na een lange kronkelende rit kwamen we op de top van een berg aan, daar laadde iedereen in doodse stilte een enorme zak op zijn rug, en begon een wandeling door het bos. Ik snapte er nog altijd niks van. Uiteindelijk kwamen we op een grote schuine weide en daar bleek dat die andere mensen leerlingen waren die drie weken cursus gevolgd hadden, en nu hun laatste vlucht voor het examen van morgen gingen maken. Wij moesten ons van de anderen niets aantrekken want die hadden een leraar bij.

Walter zou eerst met mij vliegen. Plots ging alles heel snel. Ik kreeg een gareel aan, een helm op, een korte, krachtige uitleg, dat ik vooral op zijn commando heel snel moest beginnen lopen en blijven lopen zelfs als we al 10 meter van de grond waren. Vervolgens moest ik me achterover gooien en kwam ik automatisch in een soort zeteltje terecht en werd ik verondersteld mijn armen achter de riemen te wurmen en me vast te houden. Walter keek nog eens heel bedenkelijk naar mijn Sony en ondernam nog een halfslachtige poging om me te overtuigen het ding achter te laten. Wat natuurlijk niet lukte. “Aber... mensen die niet fotograferen hebben er meer plezier aan!” “Kan zijn, maar ik heb een blog, en op deze manier hebben er veel mensen plezier aan!” Voilà. Hij bond mijn camera aan het tuig maar dat vond ik helemaal gevaarlijk. Als ik dan zou vallen kwam ik met mijn snufferd op mijn camera terecht. En wie van beide daar het slechts zou uitkomen wist ik nog zo net niet. Ik foefelde dus mijn Sony met veel moeite in mijn jasje en dat vond Walter een slim idee. Hij geraakte stilaan zichtbaar verzoend met mijn camera en toverde zelfs uit het niets zijn visitekaartje en stak het in mijn zak.

Ons vertrek ging als een fluitje van een cent, we crossten samen de bergweide af - op een bepaald moment loopt ge als een clown ter plaatse, want ge moet die vlieger dus wel in de lucht zien te krijgen - en dan vlogen we weg. Ik wierp mijn achterwerk naar achter en floep, daar hing ik als een princes in mijn zetelke. Mijn armen achter de riemen, en vasthouden. Tja, vasthouden... Dat kon ik natuurlijk niet want ik moest mijn camera terug uit mijn jas pulken.

We hadden het enorme geluk dat er heel veel thermiek was, zodat we in wijde cirkels steeds hoger en hoger cirkelden. Mijn enthousiasme zette “de lekkere brok” aan om nog meer zijn best te doen. Op de duur waren we even hoog als het begin van de skipiste! Vierhonderd meter boven de grond!! Meer dan drie keer de hoogte van de kathedraal van Antwerpen!

Hij vertelde dat een vluchtje normaal 10 minuten duurde maar dat hij ‘t zo plezant vond dat hij het onderste uit de kan ging halen. Opeens zei hij zelfs : “Komaan, pak eens een foto van ons beide!” “Hoe kan ik dat nu! Dit is geen camera waar ik het scherm van om kan draaien! Ik maak nooit foto’s van mezelf!” “Trekt u dat niet aan, draai heel de camera om en mikt maar, het zal u op den tast ook wel lukken!” Jaja, er was er ineens eentje blij dat ik dat ding bij had. Grote kunstfoto’s zijn er niet van voortgekomen want ik vond het rondkijken veel te plezant. Ik zat te kraaien als een baby die een verse pamper had gekregen.

Bovendien was hij een leeftijdsgenoot en bezat hij ook een heel gezonde zin voor humor, dus nadat ‘s morgens ons beider macho-inborst gebotst had, bleek ze nu in ons voordeel te werken. Het klikte perfect. Hij vroeg of ik liefst op het topje van de kerk zou landen of in ‘t kerhof. Ik koos voor ‘t kerkhof omdat we dan ineens op ons plaats lagen. Kortom, we amuseerden ons een kriek. Ik zei dat ik veronderstelde dat het toch ook wel een krachtsport was, hij beweerde van niet, dat enkel duovluchten meer kracht vergen. Ik dacht heel stillekes : “amai, en straks hebt ge hier nog 20 kilo meer onder u bengelen...” Op de duur werd het spijtig genoeg toch tijd om te landen, want wat ik toen nog niet wist, was dat de leerlingen nog eens terug de berg opmoesten voor nóg een vlucht.

Walter mikte op een wei naast het kerkhof, ik hing me in positie en begon alvast te trappelen, want ik wist dat dat heel belangrijk was. Maar op 10 meter hoogte bleek de wind plots van een andere richting te komen en raasden we pijlsnel over de grond. Mijn voeten konden zo rap niet lopen, dus ik lag al na twee meter languit in de wei. Gelukkig kon hij zich schrap zetten en bleef hij rechtstaan. Ik vroeg wat ik verkeerd had gedaan en hij zei heel galant : “Gij niks, ik heb gewoon de windrichting aan de grond verkeerd ingeschat”. En dat was het dan.

Ik liet hem de vlieger in mekaar frommelen, want dat maakte een akelig geluid, en ondertussen kon ik wat fotograferen, wat hij zich nu echt wel liet welgevallen. Een zeil voor 1 persoon bestaat uit 26m², maar voor een duovlucht wordt er een van 40m² gebruikt en dat is wel een flinke berg stof. Waar ik niet aan gedacht had, was dat we met die beide reuze rugzakken nu wel terug naar het dorp moesten geraken.... Walter bekeek me eens en zei : “Hij weegt niet zo zwaar hoor” en knalde een zak op mijn rug. Ik moest even naar adem happen maar mijn macho-ziel kon dat echt niet laten merken, dus ik stapte gezwind naast hem, zak aan zak, al babbelend naar het busje dat midden in het dorp stond te wachten. Van heinde en verre kwamen er nog studenten met hun vrachtje aangewaggeld, we stapten allemaal in... en reden terug langs de slingerende weg de berg op! Halverwege ging hij met zijn walkie-talkie in een wei staan wachten, en hij praatte nog een paar andere leerlingen aan de grond,. Ik fotografeerde ondertussen wat bloemen, en bleef maar rondkijken of ik mijn echtgenoot nergens zag vliegen. Ik vroeg Walter wanneer ik hem eindelijk zou zien vliegen, en of hij misschien al op ‘t kerkhof lag, maar hij zei dat die nog altijd boven op de berg op ons stond te wachten. Ik dacht dat hij een grapje maakte, maar dat bleek niet het geval. Na nog een paar gevallen engelen ingeladen te hebben reden we inderdaad naar de top, struinden terug het bos door en daar zag ik tot mijn grote vreugde mijn echtgenoot terug. Die blijdschap kwam niet zozeer door mijn man te zien als wel dat ik eindelijk toegang kreeg tot de fles water. Ik vloog er op af als een kameel na drie dagen Sahara. Ik zag er ondertussen ook wel als een bestofte kameel uit, want net als momenteel in België, ligt alles ook hier bedekt onder een fijn laagje geel “stof”. Mijn zwarte skibottinen zagen beige. Raar toch, dat het verschijnsel zich ook hier voor doet.

Nu was het Paul’s beurt om te gaan vliegen. Ook hij werd ingerijgd en moest proeflopen terwijl Walter stilstond en hem bij zijn lendenen vasthield. Het is eigenlijk gewoon een proef om te zien hoeveel kracht ge hebt. Maar Paul is natuurlijk een loper en bovendien heel sterk, dus Walter kon hem niet vasthouden. Heel grappig, (voor Paul, niet zozeer voor Walter), en ook pech voor mij want Paul was al uit het beeld verdwenen voor ik een goede foto gemaakt had. Mijn echtgenoot maakt dan ook nog de fout om te vragen hoeveel keer hij per dag zo’n duo-sprong maakte en dat was héél fout! “Springen?! Das heisst Fliegen!!”. Alleszins het kwam er op neer dat hij 4 à 5 duovluchten per dag maakte. Het rekenmachientje in mijn hoofd deed rikketikketik. Fijn wel, zo’n extra bijverdienste van 400 euro per dag, terwijl uw lessen gewoon doorlopen. Als ik nog jong was, ik zou het wel weten, dit is pas een plezante manier om uw, flink belegde, boterham te verdienen.

Uiteindelijk stonden ze daar beiden startklaar, ik liep ondertussen een flink eind naar beneden om een goede fotohoek te zoeken. Waarop Walter tegen Paul fluisterde : “Daar gaat ze nog spijt van krijgen want straks moet ze wel terug heel die berg op...” Ik stond in een schitterende positie. En zij bleven daar staan. Ik ook. Na vijf minuten nog. Na 10 minuten ook nog. Opeens deed Paul teken dat ze het aan de andere kant van de berg gingen proberen. Dus ik in volle vaart die berg terug op, met video-camera én Nikon, en over de top weer naar beneden om daar opnieuw een goeie positie te kiezen. Ik was bekaf. Na enkele minuten kwam er een geschikt windje, ze holden de berg af en vlogen. Tegen een prachtige achtergrond! Ze zeilden eerst rustig over de bergweiden en over het dorp...

Maar Walter was nog niet vergeten dat Paul hem had liggen gehad met zijn spurtje. Zijn wraak zou zoet zijn. Hij besloot “een beetje gek te gaan doen”. Dus zie ik ineens mijn echtgenoot daar aan een rotvaart in spiraalvorm naar beneden cirkelen! Alleen al van het te zien zat mijn maag bijna achter mijn oren. Ik hoorde het geluid van hun stemmen en ik kon me het gesprek levendig voorstellen. Den ene ging natuurlijk niet onderdoen voor de andere. En Paul zou beslist zeggen dat hij het “heel geestig” vond maar ondertussen wel proberen zijn ingewanden op hun plaats te houden. Ze maakten een perfecte landing in een weide aan het dorp.

Ondertussen waren er nog 4 leerlingen aan het proberen om op te stijgen. De sukkels bleven maar staan wachten op het juiste windje. Ik vond het best prettig om het te bekijken en te fotograferen. Maar ik vrees wel dat ik de oorzaak was van enkele geaborteerde startpogingen en noodlandingen. Op de duur heb ik mijn lens maar op iets anders gericht, zodat ze zonder zenuwen konden proberen de wind te pakken te krijgen, uiteindelijk waren die mensen doodmoe. De cursus duurt drie weken en ze maken 6 à 7 sprongen per dag... Een inspanning die niet te onderschatten is want ge moet altijd van het dorp terug naar boven en ook telkens uw vlieger inpakken, terug uitpakken, netjes opplooien, terug inpakken, de berg op, te voet het woud door, en weer proberen op te stijgen. Zware kost.

Uiteindelijk waren ze allemaal gelanceerd, als laatste steeg hun leraar op en kon ik met de vrouw die het busje bestuurde (omdat ze te moe was om nog een sprong te maken) terug wandelen. Maar... ik stond daar nu met twee fototassen, Paul zijn zware jack, een fles water, Irma, en een schoon stuk hout dat ik gevonden had... Enfin, na die 20 kilo vlieger al door heel het dorp gesleept te hebben kon deze verhuis er ook nog maar bij. Toen de vrouw me onderweg op de boswegel zo ongeveer zag bezwijken, vroeg ze nogmaals of ik toch niet iets aan haar wou laten dragen. Op dat moment heb ik met graagte mijn fles water en mijn blokske hout afgestaan. Met Irma op mijn rug, de kleine fototas over mijn schouder en de loodzware grote (mét mijn notebook in!!! Ah ja, ik ging toch veel tijd hebben om rustig in een weide wat te zitten schrijven...) in mijn twee armen voor mijn buik geperst bereikte ik het busje. Mens wat was ik blij dat te zien staan...

Doodmoe kwamen we in het dorp aan waar Paul en Walter stonden te wachten. De laatste afgepeigerde leerlingen kwamen met hun zware last uit de omliggende straten gekropen, en die zagen er toch ook heel blij uit dat ze aan het busje waren.

We stonden nog even te babbelen, en hij vroeg of we geen zin hadden de cursus te volgen. Het oudste lid van zijn vlieggroep is 82 en die man heeft het pas op zijn 65ste geleerd. Maar nee, cursussen gaan volgen... geen denken aan. Zelfs niet bij zo’n Lekkere Brok. Drie weken zo moeten afzien om een sport te leren waar ge thuis niks mee kunt doen lijkt me maar niks...

Op deze manier was het een goddelijke ervaring, maar meer hoeft dat voor mij niet te zijn. Ik heb het meegemaakt, er enorm van genoten, en dat is voldoende.

Als uw leven door omstandigheden, in mijn geval die stomme ziekte, de vorm van een citroen heeft aangenomen vind ik dat ge ze maar moet uitpersen ook. Er goed wat suiker op doen en genieten van het drankje. Tot de beker ooit leeg zal zijn. Of tot er niemand meer is om hem leeg te drinken.

Paul was ook erg onder de indruk van zijn vlucht en geraakte maar niet uitgepraat over zijn spiraal-“vlucht”, die ik in dit geval toch echt wel “val” zou willen noemen. Zijn maag had inderdaad ter hoogte van zijn keel gezeten en was eigenlijk nog altijd niet gezakt... Erg genoeg moesten we snel naar huis of we zouden te laat zijn om nog te eten. Dus raceten we terug naar ons hotel en bestelden al bij ‘t binnenkomen ons eten. Nadat we de reden verteld hadden, en ze ons enthousiasme zag (ik zag nog altijd zo rood als een tomaat van de inspanning) had onze gastvrouw alle begrip voor onze late aankomst.

We gingen snel onze rommel op de kamer zetten en ik vroeg toen aan Paul wat zijn vestje toch zo onnoemelijk zwaar maakte. Bleek die met zijn zware Maglite pillamp op pad geweest te zijn!!! Om te gaan vliegen in klaarlichte dag!!!

Aan tafel konden we niet stoppen met napraten, en ik vroeg of hij mijn zotte gesprekken ook gehoord had. Paul zijn ogen werden vraagtekens. Ik vertelde hem dat ik hun stemmen had gehoord terwijl ze vlogen maar dat ik hen niet kon verstaan. Hij kwam voor de tweede keer vandaag uit de lucht gevallen. Hij had toen ik vloog totaal niets gehoord! Weer maar eens een bewijs hoeveel ik hoor. Ik denk dat als een arend op 400 meter hoogte er eentje laat vliegen ik het nog gehoord zou hebben.

Hoe moe we ook waren, in bed moesten we toch even onze film en de foto’s bekijken. Paul was zo pompaf dat hij halverwege de diashow al begon te snurken. Mijn adrenaline werkte nog op volle kracht, dus heb ik me nog maar even verdiept in mijn spannend boek van Val Mc Dermid. Na zo’n dag is een goeie thriller de beste bekroning.

Geschreven door Laathi om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van Miauw!

↑ Terug naar de berichten