Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
22-04-2018
Ana María Shua, Louise Glück, Robert Choquette, James Philip Bailey, Henry Fielding, Michael Schulte, Cabrera Infante, Ludwig Renn
Dede Koswara, the tree man of Java, is afflicted with a rare variant of human papillomavirus. Knot-like warts deform his extremities, making them look like tree branches. Through a costly surgical procedure, fifteen pounds of warts and calluses were able to be removed, but these soon started growing again. For a time, Koswara, who is the father of two children, was forced to work in a Badung circus to earn money for food. Luckily he no longer has to go back to the circus: thanks to a well-paying special on the Discovery Channel, he’s been able to buy some land for growing rice and a used car that he can’t drive with his branch-like hands. Not even Barnum paid his freaks so well (but neither did they have such a big audience). Nevertheless, one shouldn’t spurn the trees’ opinion, who have a different perspective on the whole situation.
The Ambassadors from Mars
The brothers George and Willie Muse were kidnapped by unscrupulous promoters. They were first exhibited as Iko and Eko, the Ecuadorian Cannibals, and some years later as the Ambassadors from Mars. In reality only one of them, Willie, was a Martian, but he never achieved the rank of ambassador. He was sent to earth and was implanted into his supposed mother’s womb at the same instant George was conceived. The original plan was that he would develop and be born as the twin brother of any old child. Unfortunately for the planned invasion, the other occupant of this particular uterus turned out to be a very rare combination of genes: a black albino. The twins were so strange that they soon became circus attractions and the Martian operatives, not wanting attention, abandoned the experiment. Willie Muse died on Earth, at 108 years of age, 30 years after his twin brother.”
How can you say earth should give me joy? Each thing born is my burden; I cannot succeed with all of you.
And you would like to dictate to me, you would like to tell me who among you is most valuable, who most resembles me. And you hold up as an example the pure life, the detachment you struggle to acheive--
How can you understand me when you cannot understand yourselves? Your memory is not powerful enough, it will not reach back far enough--
Never forget you are my children. You are not suffering because you touched each other but because you were born, because you required life separate from me.
First Memory
Long ago, I was wounded. I lived to revenge myself against my father, not for what he was-- for what I was: from the beginning of time, in childhood, I thought that pain meant I was not loved. It meant I loved.
Beauté qui m'as blessé d'une langueur sereine, Nature, floraison de forces souveraines, A toi je viens, tranquille et puissant univers, Du fond le plus troublé de mon âme, à travers Les chemins raboteux de la souffrance humaine. Asile, paradis où mon coeur me ramène, Berceau de toute chose, éden mélodieux, J'ai délaissé pour toi la maison de mes dieux Et, tout sanglant encor des batailles livrées, Je viens avec amour baiser tes mains sacrées. Hélas ! je le vois bien, moi qui n'eus d'horizon Que les murs sans couleur de la seule raison, Fils de la ville obscure, et qui grandis en elle, Je ne sais presque rien de la terre éternelle, Quand de petits enfants lui parlent dans les champs. Que je m'approche mieux de ces milieux touchants Et regarde tout bas la nature féconde Et dise ma prière à la beauté du monde ! Car, le front couronné de joie et de victoire, Libre des vains travaux de la vaine raison, Avide seulement d'un plus frais horizon Et du sage plaisir que mon âme y devine, Je fais mon paradis de la terre divine.
Village
Fils de la ville, enfant de tristesse et de bruit, Ambitieux morose et qui te plains sans trêve, Je saurai, si ton pied me suit, Te conduire en un lieu plus charmant que tout rêve.
C'est un village assis dans les coteaux, et tel Que l'on dirait, à voir ses blanches maisonnettes Dormir sous l'azur immortel, Petits moutons épars en un bois d'épinettes.
Sur le sentier bordant le lac cristallisé On rencontre, fixée aux branches les plus hautes, La corneille au regard rusé; Et le chemin neigeux grimpe et descend les côtes.
Parfois un aboiement, une voix d'homme, un choc... Mais de l'aube au couchant, par-dessus le village, Un coq répond à l'autre coq Et les pins font le bruit des vagues sur la plage.
Robert Choquette (22 april 1905 – 22 januari 1991) In 1931
Lucifer. Wait for what Is on the wing already, or reach the end As of an aimless lunge i' the empty air. Knowledge, love, power, are thrones thy soul shall sit In order due as promised. Patience, man! We are as yet but minors, both of us.
Festus. Of pleasure one has hardly had a glimpse.
Lucifer. Each pleasure hastes thee to thine end, and man's. Each new sought joy, each freshly proven power, But draws the ends of all things like a hood, Around thy fated head the closer. Come. Bethink thee of thy pact.
Festus. I do; a pact Where abstinence only serves to quicken pain; Indulgence, shorten pleasure. Which to choose, To let alone, which, wiser?
Lucifer. In them both Is reason; but all--wise, man will never be.
Festus. Nay, come then, pretty patience. Sand by sand, The world is worn away;--the sea hath sapped, How oft! earth's vaulted base; times countless whelmed, 'Neath his abysmal bowl, the mountain tops. 'Tis but a matter of days. Most greatest things Are gradual. Star on star, the heavens fulfil Their issue; and truth quickens here the soul, Dipped in substantial lightning of the sun Spiritual, and with the eternal saving saved, By every breath inspired of God. I yield. Let us to that near hand: the end, deferred. Life to enjoy, not only one must conform To the world's laws, but bye--laws, customs, moods. What can be done here?
James Philip Bailey (22 april 1816 – 6 september 1902)
“Tom Jones had many Visitors during his Confinement, tho' some, perhaps, were not ve∣ry agreeable to him. Mr. Allworthy saw him almost every Day; but tho' he pitied Tom's Sufferings, and greatly approved the gallant Behaviour which had occasioned them, yet he thought this was a favoura∣ble Opportunity to bring him to a sober Sense of his indiscreet Conduct; and that wholsome Advice for that Purpose, could never be applied at a more proper Season than at the present; when the Mind was sof∣tened by Pain and Sickness, and alarmed by Danger; and when its Attention was unembarrassed with those turbulent Passions, which engage us in the Pursuit of Pleasure. At all Seasons, therefore, when the good Man was alone with the Youth, especially when the latter was totally at Ease, he took Occasian to remind him of his former Miscarriages, but in the mildest and tender∣est Manner, and only in order to introduce the Cau∣tion, which he prescribed for his future Behaviour; 'on which alone, 'he assured him, 'would depend his own Felicity, and the Kindness which he might yet promise himself to receive at the Hands of his Father by Adoption unless he should hereafter for∣feit his Good Opinion: For as to what had past,' he said, 'it should be all forgotten and forgiven. He, therefore, advised him to make a good Use of this Accident, that so in the End it might prove a Visitation for his own Good.'
Henry Fielding (22 april 1707 - 8 oktober 1754) Cover DVD
De Duitse schrijver en vertaler Michael Schulte werd geboren op 22 april 1941 in München. Zie ook alle tags voor Michael Schulte op dit blog. Zie ook alle tags voor Michael Schulteop dit blog.
Uit:Zitroneneis
„Unvergeßlich jene Tage, an denen man ein altes, vergriffenes Buch findet oder eine neue Frau kennenlernt. Würde man öfter und systematischer die Antiquariate durchforsten, wäre die Privatbibliothek schon wesentlich reichhaltiger, wäre man weniger schüchtern, würde man gut und gern doppelt so viele Frauen kennen als man kennt, hätte man sich mit doppelt so vielen Frauen zerstritten, könnte man auf eine farbigere Biografie zurückblicken. Oft sieht man in der Kneipe eine Frau, allein sitzend, vielleicht sogar alleinstehend, deren Bekanntschaft zu machen man äußerst geneigt ist, man bestellt noch ein paar Bier, trinkt sich Mut an, und ist man schließlich beherzt genug, sich der Dame zu nähern, verfügt man gerade noch über genügend Vernunft, um sich zu erinnern, daß der erste Eindruck von entscheidender Bedeutung ist, in anderen Worten, die Frau, die da an dem Tisch sitzt und ihren dritten Kamliientee trinkt, sieht nicht so aus, als sei sie verrückt nach schwankenden, lallenden Männern. (…)
Manchmal kommt man nicht umhin festzustellen, daß die Schöpfung alles andere als vollkommen ist. Aber man darf nicht ungerecht sein, manches ist durchaus gelungen. Der beste Einfall des Schöpfers war vielleicht, jedes Lebewesen mit der Fähigkeit des Schlafens auszustatten. Da hätte er ruhig mehr ins volle greifen sollen. Wenn die Menschen statt acht Stunden täglich zweiundzwanzig Stunden schlafen müßten, würden sie weniger Unheil anrichten. Es bliebe ihnen gerade Zeit, sich zu waschen, zu essen, abzuspülen und das Bett zu machen."
Uit: Coupable d'avoir dansé le Cha-Cha-Cha(Vertaald door Albert Bensoussan)
"Tous les névrosés ont le coeur religieux. Leur idéal est le plaisir sans la faute. Le névrosé est un criminel qui n'a pas le courage de commettre un crime". (Je pense à Pavese, qui a dit, juste avant de se tirer une balle : "Les suicidés sont des homicides timides.") (…)
« Je pensais aussitôt à quelque chose que j'avais lu cet après-midi-là dans la Tombe et qui n'était pas une épitaphe. C'était presque au début, me semble-t-il, et je me mis à chercher. Combien de livres Renoir a-t-il écrits?/Qu'est-ce qu'un chef d'oeuvre? (tiens, ça m'intéresse) Permettez-moi d'en citer quelques-uns. Les Odes et les Épîtres d'Horace (l'un des rares poètes de l'antiquité que j'aie lus, que je puisse citer, que je dois citer : « Les ruines me trouveront impavides ») les Églogues et les Géorgiques (j'ai lu des parties de l'Énéïdes partagé entre l'ennui et l'admiration pour Frazer) de Virgile, le Testament de Villon (suivent trop de livres que je n'ai pas lus, à l'exception des Essais), les Essais de Mont/ Il n'y a pas de douleur semblable à celle que deux amants peuvent s'infliger l'un l'autre./Le communisme est une nouvelle religion qui nie le péché originel (comment peux-tu lire/transcrire ça? Palinure, tu risques ma peau ! Un Cubain à la mer ! À bâbord ! Une fois dans l'eau rien à faire. Ce qui est humiliant ce n'est pas la chute, mais les vêtements humides. À la troisième remontée je ne revis pas ma vie entière, mais simplement cette phrase: "Communiste, animal qui après avoir lu Marx attaque l'homme. » Elle est à toi, Cyril. Je te la laisse dans mon testament."
Guillermo Cabrera Infante (22 april 1929 – 21 februari 2005)
De Duitse schrijverLudwig Renn(eig. Arnold Friedrich Vieth von Golßenau) werd geboren op 22 april 1889 in Dresden. Zie ook alle tags voor Ludwig Rennop dit blog.
Uit:Nachkrieg
„Nu, auch hier?" rief er und zog ein verschmitztes Gesicht. „Hat Ihre Truppe noch einmal gemeutert? Was war das doch für eine komische Übergangserscheinung, Ihre Sicherheitstruppe mit den Wahlführern!" „Aber damals war sie gut, Herrn Major vor der Gefangennahme durch das Nachrichtenbataillon zu schützen!" Er stutzte und lächelte schelmisch. „Nur nicht gleich feindlich! Natürlich war sie damals das Beste. Aber jetzt ist es eben anders." Ich sah ihm nach. Aha, der Ton passte dir nicht. Jetzt ist es eben anders! Das heißt, jetzt haben wir, die Offiziere, wieder die Macht. Bedeutend ernüchtert trat ich in das Geschäftszimmer der Abteilung. Der Schreiber schickte mich und Müller zur siebenten Hundertschaft. Die lag in derselben Baracke, wo ich im vorigen Jahre gelegen hatte. Am linken Ende war die Schreibstube. Da hatte ich im vorigen Jahre als Führer gesessen. Als ich eintrat, stand ein Mann mit Feldwebelabzeichen auf. „Die Hundertschaft besteht erst aus vier Mann, außer dem Hauptmann und mir. Sie werden Zugführer. Wir gehen gleich mal hinüber." Die vier Mann waren erst gestern gekommen und hatten sich in die kleinste Stube einquartiert, denn die lange Baracke war wohl den ganzen Winter noch nicht geheizt worden. In der Stube ließ es sich auch nur durch dauerndes Einkacheln aushalten. Wir bekamen aber nicht soviel Kohlen, wie wir dazu brauchten, und gingen in die Waldstreifen zwischen den Baracken trockenes Holz sammeln. Das machten wir mehrmals am Tage, denn wir hatten keinen Dienst, und unser Leben bestand in Schlafen, Essen und der Sorge für unseren Ofen. Am Abend kam der Hauptmann, ein kleiner Mann mit etwas krummen Beinen, einem hübschen Gesicht und einer Hornbrille. „Nu", sagte er liebenswürdig, „da sind wir ja wieder um zwei stärker geworden."
This spring as it comes bursts up in bonfires green, Wild puffing of emerald trees, and flame-filled bushes, Thorn-blossom lifting in wreaths of smoke between Where the wood fumes up and the watery, flickering rushes.
I am amazed at this spring, this conflagration Of green fires lit on the soil of the earth, this blaze Of growing, and sparks that puff in wild gyration, Faces of people streaming across my gaze.
And I, what fountain of fire am I among This leaping combustion of spring? My spirit is tossed About like a shadow buffeted in the throng Of flames, a shadow that's gone astray, and is lost.
D. H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930) Eastwood, Nottinghamshire, de geboorteplaats van D. H. Lawrence
“He listened very gravely; his face, as I went on, expressed more concern than astonishment; he did not immediately speak when I had concluded. "Shall I call Mrs. Fairfax?" I asked. "Mrs. Fairfax? No; what the deuce would you call her for? What can she do? Let her sleep unmolested." "Then I will fetch Leah, and wake John and his wife." "Not at all: just be still. You have a shawl on. If you are not warm enough, you may take my cloak yonder; wrap it about you, and sit down in the arm-chair: there, — I will put it on. Now place your feet on the stool, to keep them out of the wet. I am going to leave you a few minutes. I shall take the candle. Remain where you are till I return; be as still as a mouse. I must pay a visit to the second storey. Don't move, remember, or call any one." He went: I watched the light withdraw. He passed up the gallery very softly, unclosed the staircase door with as little noise as possible, shut it after him, and the last ray vanished. I was left in total darkness. I listened for some noise, but heard nothing. A very long time elapsed. I grew weary: it was cold, in spite of the cloak; and then I did not see the use of staying, as I was not to rouse the house. I was on the point of risking Mr. Rochester's displeasure by disobeying his orders, when the light once more gleamed dimly on the gallery wall, and I heard his unshod feet tread the matting. "I hope it is he," thought I, "and not something worse." He re-entered, pale and very gloomy. "I have found it all out," said he, setting his candle down on the washstand; "it is as I thought." "How, sir?" He made no reply, but stood with his arms folded, looking on the ground. At the end of a few minutes he inquired in rather a peculiar tone — "I forget whether you said you saw anything when you opened your chamber door." "No, sir, only the candlestick on the ground." "But you heard an odd laugh? You have heard that laugh before, I should think, or something like it?" "Yes, sir: there is a woman who sews here, called Grace Poole, — she laughs in that way. She is a singular person." "Just so. Grace Poole — you have guessed it. She is, as you say, singular — very. Well, I shall reflect on the subject. Meantime, I am glad that you are the only person, besides myself, acquainted with the precise details of to-night's incident. You are no talking fool: say nothing about it. I will account for this state of affairs" (pointing to the bed): "and now return to your own room. I shall do very well on the sofa in the library for the rest of the night. It is near four: — in two hours the servants will be up."
Charlotte Brontë (21 april 1816 – 31 maart 1855) Charlotte Gainsbourg (Jane) en William Hurt (Edward) in de gelijknamige film uit 1996
"Le maréchal Lannes était fatigué par quinze ans de combats et de dangers. Il venait de conduire l'affreux siège de Saragosse. Riche, marié à la plus belle et à la plus discrète des duchesses de la cour, fille d'un sénateur, il aurait voulu se retirer en famille dans sa Gascogne, voir grandir ses deux fils. Il était las de partir sans jamais savoir s'il reviendrait autrement que dans une caisse. Pourquoi l'Empereur lui refusait-il cette tranquillité ? Comme lui, la plupart des maréchaux n'aspiraient qu'à la paix des champs. Ces aventuriers, avec le temps, devenaient bourgeois. A Savigny, Davout construisait des huttes en osier pour ses perdreaux et à quatre pattes il leur donnait du pain ; Ney et Marmont adoraient jardiner ; MacDonald, Oudinot, ne se trouvaient à l'aise qu'entourés de leurs villageois ; Bessière chassait sur ses terres de Grignon s'il ne jouait avec ses enfants. Quant à Masséna, il disait de sa propriété de Rueil, qui regardait la Malmaison proche où se retirait l'Empereur : "D'ici, je peux lui pisser dessus !" Sur un ordre, ils étaient venus en Autriche, à la tête de troupes disparates et jeunes, qu'aucun motif puissant ne poussait à tuer. L'Empire déclinait déjà et n'avait que cinq ans. Ils le sentaient. Ils suivaient encore. Lannes passait vite de la colère à l’ affection. Un jour il écrivait à sa femme que l’Empereur était son pire ennemi: «Il n’aime que pa boutade, quand il a besoin de vous » ; puis Napoléon le comblait de faveurs et ils se tombaient dans les bras. Leurs sorts restaient liés. Il y avait peu, dans les escarpements difficiles d’ une sierra espagnole, l’Empereur s’était cramponné à son bras. À pied, dans la neige qui les giflait en tempête, avec leurs hautes botte en cuir, ils dérapaient. Ensemble ils avaient enfourché la volée d’un canon, et des grenadiers les avaient hissés comme sur un traîneau au sommet du col de Guadarrama."
"I don't see why not." "We do our best to live through the trivialities of existence and get to the deeper understanding, then we go off to a little place in Chelsea for a light meal. Do you think your husband would understand it?" "Not at all, but that won't stop me joining you." "They will be enormously grateful. They've never met anyone who lived so near the Great Truth as you seem to do. We'll make a date, Mrs Rumpole. You must shed your light in as many dark holes as possible." ……..
The Rumpole practice in those days could be described as "jogging along". The mantelpiece wasn't entirely empty of briefs but they were of an unexciting and predictable variety. There was the case of Harry Timson, whose normally peaceful course of breaking and entering had become revealed to the authorities. This was owing to information, he strongly suspected, that was supplied by his cousin Percy, when he'd found himself in trouble over a quantity of stolen fish dinners. Such disloyalty was rare among the Timsons and Harry was pained by his cousin's behaviour. While I was thinking these matters over at dinner in the kitchen in Froxbury Mansions (a couple of chops and boiled potatoes), I noticed Hilda looking at me in a strange and thoughtful manner. After a while she got up with a tea towel in her hand and made polishing motions in the air around my head. "What on earth?" "It's your aura." She Who Must was speaking entirely seriously. "I have to keep your aura clean. You want your aura polished, don't you?" "I might do if I knew what on earth you were talking about." "I'm sorry for you Rumpole, you have such a lot to learn about life." With that she sat down apparently having got the aura satisfactorily dusted, and I wondered how far I could adjust myself to a world which was becoming more and more difficult to understand."
John Mortimer (21 april 1923 – 16 januari 2009) Karikatuur van Leo McKern als Horace Rumpole
Uit: Het vergeten verhaal van een onwankelbare liefde in oorlogstijd(Samen met Anneloes Timmerije)
“Het is een vlucht van niks, nauwelijks iets te navigeren, Guus en zijn bemanning hebben de route al zo vaak gevlogen dat er geen verrassingen meer zijn. Het weer is goed, de kist ligt als een huis in de lucht en ze hebben geen afwijkende opdrachten of taken meegekregen. Drie passagiers ophalen met hun bagage en naar de basis brengen. Eenvoudiger kan bijna niet en toch voelt Guus zich niet echt lekker. Eenmaal op afstand van de stad geeft hij de besturing aan zijn Twee, die het dankbaar van hem overneemt. Zo kan Guus met de radio aan de gang om het afluistersysteem in te schakelen. Hij pakt de koptelefoon en nog voor hij hem kan inpluggen heeft hij moeite om gewoon te doen. Alles wat hij doet, elke handeling voelt vreemd, onecht, en het lijkt alsof dat op zijn voorhoofd geschreven staat. Als hij aan een knopje draait, weet hij zeker dat zijn Twee zich meteen afvraagt waarom hij dat doet. En waarom op dat moment. Kleine handelingen worden groter en zwaarder, alsof hij overdreven veel kracht nodig heeft om ze uit te voeren. Hij is ineens rillerig, koortsig, zijn lijf voelt alsof hij griep onder de leden heeft, slap en vervelend. Het liefst zou hij al die spullen onaangeroerd laten en een beetje onderuitzakken in zijn stoel. Waarom zou hij die mannen afluisteren? Dat is niets voor hem. Hij is een vlieger. Klaar. Hij huivert, weet dat hij geen keus heeft. In een andere situatie zou hij ervan kunnen afzien, misschien, maar niet nu. Hij moet. Met een kort gebaar schakelt hij de microfoon in, zet zijn koptelefoon af en klautert uit zijn stoel. Als hij wordt achtervolgd door een Zero of als er op hem wordt geschoten en de vonken van de romp af springen, weet hij wat hij moet doen. In een gevecht jaagt zijn hart hem voort en spannen zijn spieren zich tot ze keihard zijn. Dat is anders, fysiek. Nu niet. Afluisteren is stiekem en de spanning springt achter zijn ogen, verspreidt zich via zijn gedachten door zijn lichaam, tot in zijn tenen. Hij moet bewegen om de zenuwen doorgang naar de passagiersruimte. De drie mannen zitten niet op de plek waar hij ze had verwacht. Ai, die mogelijkheid had hij van tevoren moeten bedenken. Ze hebben banken achterin uitgekozen waardoor de microfoon iets verder van ze vandaan hangt en bovendien de verkeerde kant op gericht is. Als hij hem kan draaien heeft hij nog enige kans iets van hun gesprek te horen. De bevestiging met het ijzerdraad is flexibel genoeg om hem met één beweging de andere kant op te draaien. Maar dan moet hij dat wel doen zonder er de aandacht op te vestigen. Een van de mannen heeft een opengevouwen dossier op schoot. Op het moment dat hij nadert kijkt de man het nog één keer in, maakt een aantekening met een potlood en slaat het vervolgens dicht.”uit zijn ledematen te laten lopen. Even kijken hoe de heren het achter maken’, zegt hij en hij wurmt zich door de smalle
Charles den Tex (Box Hill, 21 april 1952) Affiche voor een lezing
De Turkse dichter van Koerdische afkomst Ahmed Arif werd geboren op 21 april 1927 in Diyarbakır, Zie ook alle tags voor Ahmed Arifop dit blog.
Anatolia
I gave cradles to Noah Swings,hammocks I am Anatolia Do you know?
I'm ashamed I'm ashamed of being poor Naked in everyone's eyes My seedlings gets cold My blend is slack Frienship,work, Tie Roses are open In poet's and scientist's world I stayed all alone All alone and so far Do you know?
I milked thousand years They smashed with their horrible horsemans My coy semiconscious sleeps Rulers,attackers,bandits They release extortion on me I didn't care İskender I didn't care Sultans They passed away,shadowless I said hi to my friend Do you see ?
I wish you knew how I love Köroğlu, Karayılan, Unknown soldier.. Pir Sultan and Bedrettin Then the pen don't write A nice love.. I wish you knew How they loved me I wish you knew Who bullet in Urfa On Mosque,brricade On cypress How he laughed to die I really want you to know, Do you hear ?
Don't be sad Don't be upset Wherever you are Inside,outside,in school,on desk Walk onto Spit on hangman's face Opportunist's,factious's Hang on with book Hang on with work With claw,teeth With hope,with love,with dream Hang on don't be expose me
See how can I create again With your honest,young hands There are my daughters Sons on future All of them a piece of an unforgiven world The buds of thousand years On your eyes, I'll kiss you on your eyes I have my hope on you Do you understand ?
Ahmed Arif (21 april 1927 - 2 juni 1991) Cover
De Duitse literatuurwetenschapper en musicus Michael Mannwerd als jongste kind van Thomas en Katia Mann geboren op 21 april 1919 in München. Zie ook alle tags voor Michael Mannop dit blog.
Uit: Die Manns. Geschichte einer Familie (door Tilmann Lahme)
„Michael Mann ist im Juni nach Paris zurückgekehrt, nimmt weiter Stunden bei seinem Geigenlehrer Galamian. Von seiner musikalischen Ausbildung handeln die Briefe an die Mutter selten. Zwei andere Themen stehen im Mittelpunkt: seine Pläne für die Hochzeit mit Gret Moser; und Geld, das immer fehlt und in jedem Brief aufs Neue eingefordert oder erbettelt wird. Im August kehrt auch das große Thema des Vorjahres zurück: der Bugatti. Der Sportwagen muss schon wieder repariert werden, und dabei ist ein zusätzlicher cldfaut bemerkt worden: Die Spur ist völlig verzogen, die neuen Reifen (die er auf Pump gekauft hat) sind dadurch schon wieder abgefahren. Michael Manns Begeisterung für sein »Wunder« ist verflogen. Er schreibt der Mutter von Plänen, den Wagen zu verkaufen, er habe auch schon einen Interessenten. »Den Defaut verschweige ich ihm natürlich«. Natürlich. Und schon folgt der obligatorische Abschnitt über »so vieeele, viele schoiiissliche Uunk000sten«. Zehn Tage später braucht er wieder Geld. Sie solle bloß nicht denken, er mache laufend Schulden nach dem Motto: Die Mutter zahlt sie ohnehin. So sei das nicht. Er lebe eigentlich »garnicht unsparsam«. Nur: »wenn ich bloß nicht immer solch abscheuliches Miss- und Ungeschick hätte.“ (…)
Die Familie lebt nach wie vor in einem privilegierten Exil, aber doch in unsicheren Zeiten, auch finanziell längst nicht mehr so weich gebettet wie in früheren Tagen. Die Ausgaben sind hoch, und die Zahl derer, die von der Mutter regelmäßig Geld erwarten, wird nicht geringer. Am wenigsten von allen in der Familie hat Michael Mann die Lage erfasst. Der Mutter schickt er, nach all den Bettelbriefen dieses Jahres, einige Wochen vor Weihnachten seinen Wunschzettel für das Fest: Lederhandschuhe, Manschettenknöpfe, Hemden, Hosen, eine Lederweste, eine Joppe, Pantoffeln, einen Seidenpyjama, feine Taschen- und Halstücher, eine Notenmappe (eine »schöne«), einen Notenständer, ein Grammophon, einen Geigenkasten, ein elektrisches Metronom, einen neuen Füllfederhalter, eine Armbanduhr, ein Feuerzeug, »Soir de Paris« (ein Parfüm), einen arabischen Teppich, ein Zigarettenetui ...“
Michael Mann (21 april 1919 - 1 januari 1977) Hier met echtgenote Gret in 1937
„Durch die Hilfe von Gisela Deus, die kaum älter ist als ich und die Sütterlinschrift auch nie gelernt hat, wurden die Briefe einer nach dem anderen lesbar. Sie hatte sich jedoch schon als Kind bemüht, die in der fremden Schrift geschriebenen Briefe ihrer Eltern zu entziffern. Mit zunehmender Neugier las Gisela Deus sich in die Handschrift und den Seelenzustand meiner Mutter ein, aber auch ihr gelang es nicht, alle Wörter zu entschlüsseln. Mit der Zeit entwickelte sie eine Art Jagdinstinkt, der sie trieb, der Suche nach einem fraglichen Wort, einem Halbsatz so lange zu folgen, bis ihr die Lösung zufiel. Wenn sie nicht weiterkam, so erklärte sie, habe sie sich manchmal einen Kaffee gemacht, den Fernseher angeschaltet oder sei einkaufen gegangen. Aber die ganze Zeit über sei sie, ohne es zu wollen, in Gedanken zu der fraglichen Passage zurückgekehrt. Und plötzlich sei die Lösung vor ihrem inneren Auge gestanden. Meistens habe ihr nur die Einfühlung in die Diktion und den Seelenzustand meiner Mutter weitergeholfen. Sie wunderte sich, warum ich mir nie die Mühe gemacht hatte, der sie sich unterzog. Wenn ich nur gewollt hätte, meinte sie, hätte auch ich die Briefe lesen können. Die Übersetzerin der Briefe meiner Mutter wurde im Lauf der Monate und Jahre zu einer unentbehrlichen Gesprächspartnerin. Anfangs rätselten wir gemeinsam nur über das eine oder andere unleserliche Wort. Später ging es immer mehr um die Bedeutung eines ganzen Satzes, um seine Einordnung in den Kontext, um die Persönlichkeit der Verfasserin. Gisela Deus geriet immer mehr in den Sog der Briefe, sie lebte mit ihnen und begann sich mit der Verfasserin zu identifizieren. Sie war angerührt von der melancholischen Grundmelodie der Briefe und von der Schönheit der Sätze, die meine Mutter für ihre Stimmungen gefunden hatte. Manchmal, so gestand sie mir, wenn sie im Wind auf einem kalten S-Bahnhof stand, fiel ihr eine Passage aus einem der zuletzt übersetzten Briefe ein und jagte ihr eine Gänsehaut über den Rücken. Sie wurde zu einer Anwältin meiner Mutter und verteidigte den einen oder anderen Brief gegen meine Lesart.“
Peter Schneider (Lübeck, 21 april 1940)
De Columbiaanse dichteres Meira Delmar(eig. Olga Isabel Chams Eljach) werd geboren in Barranquilla op 21 april 1922. Zie ook alle tags voor Meira Delmarop dit blog.
Solitude
There’s nothing like this bliss of feeling so alone in mid-afternoon and in the middle of the wheat field; under the summer sky and in the arms of the wind I am one more ear of wheat.
I have nothing in my soul, not even a small sorrow, nor an old remembrance that would make me dream . . . I only have this bliss of being alone in the afternoon, just with the afternoon!
A very long silence is falling on the field, for already the sun is leaving and already the wind is leaving; who would give me forever this inexpressible bliss of being, alone and serene, a miracle of peace!
“The operation had to be executed with a surgically military precision marked with a meticulousness that matched, in degree if not in scope, the Allied landings in wartime Europe. It was. The preparations had to be made in total stealth and secrecy. They were. A split-second co-ordination had to be achieved. It was. All the men had to be rehearsed and trained, over and over again until they played their parts perfectly and automatically. They were so trained. Every eventuality, every possible departure from the planned campaign had to be catered for. It was. And their confidence in their ability to carry out their plan, irrespective of reversals and departures from the norm, had to be total. It was. Confidence was a quality exuded by their leader, Peter Branson. Branson was thirty-eight years old, just under six feet tall, strongly built, with black hair, pleasant features, lips that were curved in an almost perpetual smile and light blue eyes that had forgotten how to smile many years ago. He was dressed in a policeman's uniform but he was not a policeman. Neither was any of the eleven men with them in that disused trucker's garage not far from the banks of Lake Merced, halfway between Daly City to the south and San Francisco to the north, although three were attired in the same uniform as Branson. The single vehicle there looked sadly out of place in what was, in effect, nothing more than an open-ended shed. It was a bus, but barely, by normal standards, qualified for the term. It was an opulently gleaming monster which above shoulder level was composed, except for the stainless-steel crossover struts, entirely of slightly tinted glass. There was no regular seating as such. There were about thirty swivel chairs, anchored to the floor but scattered seemingly at random, with deep armrests and aircraft-type swing-out dining-tables housed in each armrest. Towards the rear there was a cloakroom and a remarkably well-stocked bar. Beyond that there was a rear observation deck, the floor of which had for the moment been removed to reveal the cavernous baggage department. This was filled to near capacity but not with baggage. This enormous storage space, seven and a half feet wide by the same in length, held, among other things, two petrol-driven electric generators, two twenty-inch searchlights, a variety of smaller ones, two very peculiar-looking missile-like weapons with mounting tripods, machine-pistols, a large crated unmarked wooden box, four smaller wooden boxes, and a variety of other items of material, conspicuous among which were large coils of rope.”
Alistair MacLean (28 april 1922 - 2 februari 1987) In 1960
«AGAMEMNON: Les golplies du Bosphore et les fies cl'AEgée aux pieds du mont Athos la Thrace interrogée, la florissante Épire, et Corinthe, et Délos, Athènes, que la nier vient laver de ses flots, ignorent de quels vents sa flotte fut poussée; même on dit que Pallas, dans Pergame offensée venge sur tous les Grecs son temple ensanglanté, et les livre au trident de Neptune irrité. Des débris des vainqueurs l'onde au loin est couverte; déjà du grand Ajax et du fils de Laërte, l'un est errant, captif, dans des pays déserts, l'autre , atteint de la foudre , a péri clans les mers. En proie au même sort, Agamemnon sans doute t'épargneral'instant que ta haine redoute, et sa mort te livrant.Micène et tous ses droits, met dans tes mains sa veuve et le sceptre des rois. • ÉGISTE: Sa mort, ou son retour, que tu crois si funeste doit peu m'épouvanter : je suis fils de Thieste. PALLENE: Egiste , je t'entends; c'est, témoigner assez combien à-son trépas tes voeux intéressés.... ÉGISTE: S'il n'est plus, je reprends tous mes droits à l'empire; s'il rentre dans Argos.... PALLENE: eh bien? parle..... ÉGISEE: il expire. Ma 'vengeance Pattend la mort est sous ses pas. PALLENE: D'un projet si hardi tu ne frémirois pas? ÉGISTE. Je frémis du repos où languit ma colère, des cris qu'ont exhalés les mànes de mon père, de ce nom emprunté qui cache dans ces lieux tous une humble infortune Égiste furieux. PALLENE: Ainsi L'opinion que nos soins ont nourrie ne voit toujours en toi qu'un prince d'Illyrie , et le nom de Plexippe?... ÉGISTE:. Oui l'allène , ce nom trompa jusqu'aujourd'hui la cour d'Agamemnon. Te dirai-je , combien révoltant mon courage , cette lente imposture est pénible à ma rage, combien dans ce palais je dévore d'ennuis! ... Il est temps qu'un forfait révèle qui je suis. PALLENE: Ainsi donc tes destins sont inconnus encore. ÉGISTE: Clitemnestre les sait, le reste les ignore."
Népomucène Lemercier (21 april 1771 – 7 juni 1840)
fiinfrnal täglich schallt grüne einsamkeit durch die straßen hallt der gebetsruf der simitçi trifft auf stumme katzenpfoten auf alte schleifwerkzeuge und die kälte die kälte unter der haut die kälte einer grünen dir
tater beyi
winken weißer hände wo nichts ist und niemals etwas war durch die begrünte schlucht in der man sich nie mehr begegnen wird
durch das loch im küchenfußboden blinzelt der himmel
der bauzaun wird abgebrochen oberflächenfotografie der fassade der schutt ist abgetragen die leere zugestellt mit glasfassaden jetzt geht der blick durch hölzerne gitter trifft sich im kleinsten gemeinsamen grün
Prijs der Nederlandse Letteren voor Judith Herzberg
Prijs der Nederlandse Letteren voor Judith Herzberg
De Nederlandse dichteres en schrijfster Judith Herzbergkrijgt dit jaar de Prijs der Nederlandse Letteren, een driejaarlijkse oeuvreprijs voor een auteur die een belangrijke plaats inneemt in de Nederlandstalige literatuur. Dat heeft het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie besloten. De prijs, waaraan een geldbedrag van 40 duizend euro is verbonden, wordt afwisselend uitgereikt door de Nederlandse en de Belgische koning. In november krijgt de 83-jarige Herzberg de onderscheiding uit handen van koning Willem-Alexander.Judith Herzbergwerd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 4 november 2010 en eveneensalle tags voor Judith Herzbergop dit blog.
Wat zij wilde schilderen
Zij schildert wat zij niet kan eten niet kan bezitten niet beschrijven. Zij schildert wat niet stil blijft zitten niet gelijk blijft niet verandert. Zij schildert wat zij niet kan kweken niet kan vangen niet vergeten. Zij schildert wat zij niet kan raden pakken of begrijpen. Wat ze niet omhelzen kan verwennen of verwijten. Verwaarlozen, laten verwilderen. Omhakken, verscheuren. Verbranden. Betreuren. Zij schildert waar zij niet van slapen kan wat ze zich niet herinnert, niet in kleur. Wat zij niet zingen kan niet juichen. Het onomlijnde blijft. onomlijnbaar lokken.
Trillingsgetal
Je telefoonnummer dreunt in mijn hoofd licht trappelende dreun. Het volgt me onder alles door, drukt zich terwijl ik lees zet zich onder de woorden voort terwijl ik schrijf.
En laat ik het heel even los dan rent het naar de telefoon en draait zodat er in jouw lege huis een rinkel klinkt die niemand hoort. Misschien trilt er een kopje mee als in de toon haar hoogte even wordt geraakt. Hoogstens knapt er een vaas.
Hij is zo dik en zij zo klein
Hij is zo dik en zij zo klein hoe zou ze hem omhelzen. Hij is zo moe en zij zo klein hoe zou ze hem begrijpen. Hij loopt zo slecht en zij zo klein hoe staan ze samen stil. Hij is zo grijs en zij zo klein hoe. Hij wenste iemand, onbesmet door zo'n onhebbelijk verleden als het zijne en zij is zo klein.
Martinus Nijhoff, Jan Cremer, Jean Pierre Rawie, Marieke Lucas Rijneveld, Sebastian Faulks, Jozef Deleu, Steve Erickson, Arto Paasilinna, Michel Leiris
toen daar dit hels accoord in de hete lucht in het rond trilde, zodat wie daar stond hetzelfde zou hebben gedaan - hetgeen zeggen wil: heengegaan - als de man die zijn schop vergat, die kuilen gegraven had maar de bomen niet geplant, - toen daar dan die dissonant schrille spiralen schreef naar een schuldeloos wolkje dat dreef in een onbewogen zee, - bracht de muziek met zich mee, - want zo is muziek: zij speelt - terwijl inmiddels het beeld van de schrijdende vreemdeling langs de huizen verder ging, dat ieder sterveling daar een visioen werd gewaar van schier hemelse euphorie.
De dokter, bijvoorbeeld, die in de straat als huisdokter pas een praktijk begonnen was sinds hij als jong assistent een ver strekkend experiment had opgegeven omdat hij er hoogstens droog brood van at, - hem bracht de wilde muziek terug in een stille kliniek: hij zag zichzelf daar staan, witte jas, rubber handschoenen aan: in een kast langs de muur spraken dingen van glazuur, email, glas en metaal, een tintelende taal van een achter alle kwaad verrijzende dageraad. -
Novalis
Zijn ogen waren onnatuurlijk groot, De bleke handen te roerloos voor daden - Zoals een bloem uitbloeit met open bladen, Droomde zijn leven open naar de dood.
Zijn zwakheid glimlachte als een kind glimlacht, Wanneer zijn tuin bevroren is van winter - Hij stond voor 't raam en, glimlachend naar ginder, Zong hij zijn zachte liefde door de nacht.
Er hingen - wonderlijk - over het paars Behangsel schaduwen van vreemde dingen - Hij kon zijn angst niet dempen door te zingen, Het leven droeg iets stils, dood-stils en zwaars.
Hij zat voor 't instrument en speelde een wijs Die meedreef met het drijven van zijn dromen, En zei eenvoudig: ‘Nu zal wellicht komen Hij met de zandloper, viool en zeis.’
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953) Affiche voor een lezing in 1993
De Nederlandse schrijver en beeldend kunstenaar Jan Cremerwerd geboren in Enschede op 20 april 1940. Zie ook alle tags voor Jan Cremer op dit blog.
Nachtstube
in het aardedonker zoek ik mijn weg langs dreigend schrikdraad opgejaagd brekende takken omringd door verstoord wild een laatste zware last als afscheid over gladde paden door zompige modder radio's uit de parochiezaal van gronau
het everzwijn schiet voor mijn voeten weg de verduisterde stormlamp weerkaatst in schors prikkelende rook van virginia-sigaretten fluisterende stemmen hijgend onderhandelen hitsige deernen verscholen achter stammen ranzige make-up en vlagen eau-de-cologne
nachtstube am grenze gehuld in zwak schijnsel lang verlangde warmte in de illegale spelonk en jij staat achter de bar mijn liefde sonja ziemann in doorschijnend rode baby-doll de smokkelkoning kneedt jouw borsten de toog is jouw vrijheid en hun biechtstoel
geweerschoten weerklinken het krijgsrumoer gefilterd glazen breken het bier houdt op te schuimen hab' kein angst kommiezen losse flodders de grenspatrouille is in aantocht de lichten worden gedoofd de dag breekt door de mist liefde is een mijnenveld
Aan wie ik ook maar dacht vandaag was dood, terwijl de landerijen en de steden gestaag langs het beslagen treinraam gleden en het om beurten miezerde en goot.
Al menig lief is langer overleden dan dat ze mij verdriet of vreugde bood. Ik reis alleen en mis mijn reisgenoot, met wie ik elke windstreek heb doorsneden.
Zo'n dag. Ik deed het niet met opzet, maar ik zag zelfs het gezicht van vaag bekenden, wier naam mij bij hun leven reeds ontschoot.
Ik zag mijn vader in elk handgebaar. Het regende. Waar ik mij keerde of wendde, aan wie ik ook maar dacht vandaag was dood.
Ten geleide
Wij, die in weerwil van de tijd het onverdraaglijkste verdroegen, vanaf dat wij de weg insloegen die naar voorbij de einder leidt,
beseffend dat wij, juist omdat wij haakten naar het allerhoogste wat is gezaaid niet zullen oogsten, wij gaan het ongeweten pad
tot aan het ongeweten eind, en vragen niet dan ten geleide het licht dat soms van gene zijde voor onze voeten schijnt.
Kwatrijnen
Het ijzelt, en de struiken zijn van glas. Wij lopen samen door het witte gras. Er zijn van die momenten dat ik wilde dat alles nu maar bleef zoals het was.
Het feest gaat sneller als we af en toe de gasten als bierglazen naar het randje duwen en niet meer in staat om de balans nog op
te maken of juist staande te houden om de versmelting van drank en weemoed te onderzoeken, we laten de meubels sokken dragen tegen krassen in het linoleum zodat niemand het feest terug kan vinden
totdat de schuimkragen uit zoveel lucht bestaan dat er wel iets zwaars op gegooid moet worden: iemand zegt dat weemoed net als een luizenmoeder
is en hoezeer we daarnaar terugverlangen: het moment van het kriebelen van vreemde vingers door je haar die zoveel bedachtzamer hun weg zochten dan die van je eigen moeder, alsof ze zocht naar een reden om het
gemis eruit te kammen, je later terug te laten denken maar nu met een puberbrein in plaats van een kinderlijke angst datje later een briefje in je jaszak vond met de mededeling: luis gesignaleerd, morgen vier uur
achter het fietsenhok, dat het jeuken nog geen tekort was maar een teveel aan koppen bij elkaar steken onder de deknaam Annemaria Koekoek in de hoop dat dichterbij komen vanzelf over zou slaan. Moeder die deze schooldag je goedbedoelde pogingen in de wasmachine stopte.
Er waren vrienden die onbekende meisjes door hun haren streelden sommige dansten alsof het jeuken een uitweg zocht in hun ledematen en iemand zei dat dit haar gelukkig maakte, dit feest op deze datum, het
verschuiven van de uren; luizenmoeders die als onderwerpen in een dichtgeknoopte zak gestopt werden om nooit meer tevoorschijn te halen, een teveel aan schoonheid je een hoofd vol zorgen kan geven en al die verlangens die door
je moeder gladgestreken op de traptreden lagen, de zomer net als toen weer op openbarsten staat, morgen worden we wakker met het onweer in onze koppen.
Marieke Lucas Rijneveld (Nieuwendijk, 20 april 1991)
“With its free peanuts and anonymity, the airline lounge is somewhere I can usually feel at home; but on this occasion I was in too much of a panic to enjoy its self-importance. It had been hard work getting there. The queues at Kennedy were backed up to the terminal doors; the migrants heaving trunks onto the check-in scales made New York look like Lagos. I had done a bad thing and wanted to escape the city. Staying in an Upper West Side apartment belonging to my friend Jonas Hoffman, I had ordered in a call girl. I got the number from a phone booth on Columbus. It seemed to me important to get the sex act into perspective, to laugh at myself in the way you laugh at other people for their choice of mates. A true view of myself and my concerns: that was what I needed. I suppose I’d say I was a voluptuary, someone who had seen it all, yet when the super called to say there was a young lady on her way up, it struck me that I was nervous. The front door buzzed. I took a pull of iced gin and went to open it. It was eleven in the morning. She wore an overcoat of olive green and carried a serviceable handbag with a clasp; for a moment I thought there was a mistake and that she must be Hoffman’s cleaner. Only the high heels and lipstick suggested something more frolicsome. I offered her a drink. “No, thanks, mister. Maybe a glass of water.” In so far as I’d imagined what she might be like, I’d pictured a pinup—or a tart with platinum hair and rouge. But this woman was of indeterminate nationality, possibly Puerto Rican. She was not ugly in any way, yet neither was she beautiful. She looked like someone’s thirty-eight-year-old sister; like the person who might be in charge of the Laundromat or work behind the desk of a Midtown travel agent. I brought back the water and sat beside her in Hoffman’s huge, book-lined living room. She had taken off her coat and was wearing an incongruous cocktail dress. It was hard not to think of her family: brother, parents … children. I put my hand on her knee and felt the coarse nylon. Was I meant to kiss her? It seemed too intimate; we’d only just met.… But I tried anyway and found a world of fatigue in her response. It brought a flash-recall of Paula Wood, a sixteen-year-old girl I’d kissed in a village hall a lifetime ago, before I’d discovered the awfulness of desire. Kissing this hooker was like kissing a mannequin: it was like a repetition, or a memory, not like a kiss at all. I went to the kitchen and poured another half tumbler of gin with ice cubes and two slices of lemon.”
Breek de eikel stuk en laat de boom ontspringen in de hand, de schaduw valt allicht zover over 't gezicht dat niemand nog de groeven van de onrust vindt.
Word hoog en breed over de eigen grenzen, tot de wind je vreest de vogels vluchten uit de kruin, het leven wordt het knaaggeluid totdat de eik ter aarde stuikt.
“Now in the years of the New York City zombielife, with the great punksurge of the late Seventies fading into the embalmed aftermath, all the girls in the clubs who reminded Louise of Marie from Minneapolis, every one of whom Louise believed she had betrayed, had the look of chaos in their eyes. They had been serviced by the chaos of the age. When Louise ran into Maxxi Maraschino down at Bleecker and Bowery, just a year or so before the "accident" that killed her, Louise could only hope the look of chaos in Maxxi's eyes wasn't answered by a look of murder in her own. Maxxi said a very strange thing to Louise. I'm the twentieth of November 1978, she said. I'm a thousand people desperate for salvation, poison Kool-Aid on our lips, dying together in the jungles of Guyana. As it happened—the universe having a strange sense of humor—Louise did find Marie from Minneapolis, long after she ever expected to. When she finally got a card from Billy it was from a little town out west Louise had never heard of, and so after Mitch's death she set out on the bus to Sacramento, where she caught a couple of rides up to the delta. Billy was running a small bar he had taken over in a deserted Chinatown on an island that could be reached only by ferry—about as much distance as he could put between himself and the stoned bonhomie of his early years now flooded by drink and a growing, uncomprehending terror for his mortal soul; in Davenhall he spent his time drinking up the profits he never made, and trying to forget what he had once been so awfully and complicitly part of, back when he was making movies with names like Virgin Black with his sister and his best friend. Louise got to Davenhall, walked into the bar, and found Marie from Minneapolis behind the counter drying whisky glasses. The girl appeared not the least surprised, as if she had been expecting her. Then Louise went into the bathroom and threw up, not because she had finally found Marie but because she had been throwing up since a month or so after that last night she slept with Mitch, who presumably, even if he hadn't lost his head in New York traffic, still wouldn't have been ready to be a father. "God, I hate surprises," she muttered deep into the toilet of Billy's bar.”
“Daar was-ie dan! Rechercheur Jalmari Jyllänketo van de Finse veiligheidsdienst staarde naar het statige gebouw dat in de jaren vijftig op de Finse kolchoz in het dorp Turtola in de provincie Lapland was neergezet. Het hoofdgebouw van landgoed Peuravuoma had twee verdiepingen, was dertig meter lang en bijna vijftien meter breed. Het was roodgeschilderd, als het kantoor van een arbeidersvereniging. De kozijnen en kozijnafdekkingen waren wit, de deuren zwart. Het gebouw stond op een lage zandheuvel en werd omgeven door een dichtbegroeid dennenbos. Aan de andere kant van het erf bevonden zich zo te zien nog een paar andere gebouwen: een aantal grote hallen en een huizenblok. Op het onverharde erf naast het hoofdgebouw stond een rood hondenhok, met op het dak een zwarte Karelische berenhond, die woest blafte. Tussendoor sprong hij vanaf zijn uitkijkpost op de grond en deed een nijdige schijnaanval in de richting van de bezoeker; het enige wat hem tegenhield was de looplijn, die de uiterste grens van zijn revier bepaalde. Jalmari Jyllänketo was een politieagent met een lange carrière achter de rug; hij was een jaar of veertig oud, een meter achtenzeventig lang en negentig kilo zwaar. Hij had blond haar en zag eruit als een doodgewone Fin, wat goed van pas komt als je voor de geheime politie werkzaam bent. Zijn karakter paste vrij goed bij zijn werk als rechercheur: hij hield ervan de omgeving, het leven, mensen te observeren. Hij aarzelde niet als er iemand in de kraag moest worden gegrepen. Hij vond het wel wat hebben om tegen een vermeende landverrader te zeggen: ‘Deze kant op graag.’ Aangrijpend, in zekere zin. Jyllänketo was van Helsinki naar Turtola gereisd om onderzoek te doen naar het landgoed Peuravuoma, waar biologische kruiden werden gekweekt. De Finse veiligheidsdienst waren in de loop der jaren uiteenlopende geruchten ter ore gekomen. Spionnen meldden dat er mensen waren verdwenen op Peuravuoma. Jyllänketo bekeek het landschap dat zich voor hem uitstrekte. De eindeloze akkerlanden werden omzoomd door donkere dennenbossen. Het was een mooie dag, en er zeilden vederwolken door de lucht. Het gulzige gezang van duizenden trekvogels weerklonk. De kruiden begonnen al groene blaadjes te krijgen, ook al was het pas begin juni. De wind die over de akkers waaide bracht aromatische geuren met zich mee.”
Uit: Nights as Day, Days as Night (Vertaald door Richard Sieburth)
“December 17–18, 1924 In his studio Giorgio de Chirico shows me an album containing reproductions of his paintings. Each of these reproductions is accompanied by a handwritten note indicating the theme of the work, providing either a succinct description of the painting in question or a statement of what the artist intended when undertaking it. Read in sequence, these texts turn out to be a series of brief poems. Upon waking, only a fragment of one of these texts will stick in my mind: “ . . . épeurés et apeurés” [frighted and affrighted] – which is not a mere phonetic nicety; rather, the nuance implied by the difference of the initial vowels puts into play a number of distant meanings. One of the paintings is entitled Jupiter’s Finger Passing through the Partition. The canvas depicts an empty room, dark, with receding walls. From the right wall there emerges an enormous finger, an index finger (probably) or else a middle or ring finger. No clear distinction between this room that is painted more or less as a trompe-l’oeil and the room that I’m actually in. In another dream (which I had years ago but am unable to date even approximately because I didn’t note it down anywhere), I was looking at a cubist still life hanging in a museum or some other exhibition. Suddenly it seemed to me that my entire person was about to become part of the painting, as if my very being had been projected into it by my gaze, and I was seized with fright: if the world is really that way, a world without perspective, how go about inhabiting it?”
Michel Leiris (20 april 1901 – 30 september 1990) Il Dioscuri in Riva door Giorgio de Chirico, 1934
Tags:Martinus Nijhoff, Jan Cremer, Jean Pierre Rawie, Marieke Lucas Rijneveld, Sebastian Faulks, Jozef Deleu, Steve Erickson, Arto Paasilinna, Michel Leiris, Romenu
Martin Michael Driessen, Marjoleine de Vos, Manuel Bandeira, n. c. kaser, Veniamin Kaverin, Louis Amédée Achard, Pierre-Jean de Béranger, Gudrun Reinboth, Werner Rohner
“In den beginne was alles en het universum was statisch en ondoordringbaar; tot God zijn marlpriem nam en de tijd ontvlocht. Hij richtte zijn blik op de plaats die later Stonehenge zou gaan heten, om te zien wat er gebeurde. Voorlopig was het enig opmerkelijke aan de plek, dat er heinde en verre geen kei te bekennen viel. Onberekenbare valwinden doorkamden het steppegras dat het toenmalige Europa bedekte, of drukten het plat tot kruinen en tonsuren; de volksverhuizingen vonden plaats in de luchten, waar vogels en zwevende zaadjes van het ene continent naar het andere werden geblazen. Het was een lege en onrustige wereld. De aarde was nog geen schijf. Heuvelruggen kromden zich, eilanden doken op of gingen onder, en niemand kon er zeker van zijn dat een nieuwe dag niet ook een nieuwe aarde zou betekenen. Diffuse wolken kolkten door het zwerk, gelaagd als de schillen van een ui, en de twee zonnen die aan de hemel stonden deden de aarde dampen. Nevelslierten wervelden over de monocultuur van gras en nog eens gras. Toen naderden er vijf druïden met wapperende gewaden uit het oosten. ‘Hier dan maar,’ sprak de oudste, en hij stak zijn staf in het gras. De overige vier tuurden elk in een andere windrichting, hoewel dit begrip nog niet bestond in hun vormeloze wereld, die geen polen kende en waarin de wind alomtegenwoordig was. ‘Dit is het Begin,’ sprak de oude druïde en ging op zijn hurken zitten, omhoogturend langs zijn opgerichte staf. De vier jongere druïden hurkten en tuurden eveneens omhoog. De tweevoudige schaduw die de staf wierp werd langer en langer; na elkander zonken de zonnen onder de hellende horizon. De aarde zwabberde als een pannenkoek die nog in zijn pan moet terugvallen, en geen mens wist of zij haar laatste wenteling reeds had volvoerd, of dat de kiem van het leven weer zou worden verpletterd in het sissende Braadvet. Nadat zij lang gehurkt hadden zonder enige regelmaat te hebben ontdekt in de schots en scheve dans der planeten rond de top van de staf, waagde de jongste van hen de vraag: ‘Het begin waarvan?”
Martin Michael Driessen (Bloemendaal, 19 april 1954)
De onmetelijkheid van het heelal is te verdragen op een mooie lentedag in de Beemster, thuis op deze eenzame planeet vol tulpen en stolpen 'Gladde akker', 'Hoop en Vlijt'. Geen zwarte ruimte maar stralende zon langs de vaart een grutto zonder weet van leegte tussen manen, sterren, stelsels. Een zwaan broedt plechtig het leven uit, bestaat, weet niet wat de vraag is, vreest niet dat geen oog, geen vaderhand haar nu nog leidt dat zij en de dotters, kikkers linden er alleen staan voor de onverschillige kosmos. Ook wij, doelloos op weg naar Graft geloven nergens in en vertrouwen toch op aankomst, desnoods door niemand behouden. Zorgeloos DNA, op pootjes vol levenslust.
Midden in het leven
In duinpan en weiland regent het beloftes van lucht en gras, water weet dat je bent als de melk uit de kan en als de schenkster. Op de fiets wil je de wereld inademen landschap verslinden, volhouden: dit ben ik, kastanje, wilgen, koe en dijk mijn lichaam een appel aan de boom mijn ziel een zilvermeeuw boven het wad.
En niet denken, weer middag, hoe lang nog houdt de zon halt boven de bungalows gaat niets voorbij in de tuin met vetplanten staat de straat vol onvermurwbaar licht. In het museum van Madame Tussaud zit ik voor altijd achter het raam, uitzicht op dahlia's.
But why is there so much suffering if in the sky, is the slow glide of the night?
But why is there so much suffering if the wind is a song in the night?
But why is there so much suffering if now with the dew, the flower gives fragrance to night?
But why is there so much suffering, if my thoughts are free in the night?
Vertaald door Peteskid
Dead Bull
I feel half drowned Among the wreckage of the present Divided, subdivided As if in muddy flood waters Where the dead bull rolls, huge Dead bull, dead bull, dead bull Trees of the quiet landscape With you — tall, so marginal! — The soul remains, the startled soul Startled for evermore While the body goes with the dead bull Dead bull, dead bull, dead bull Dead bull, immoderately big Bull astoundingly bull Dead, without form or sense Or meaning. No one knows What you were. Now a dead bull Dead Bull, dead bull, dead bull
Fact and Image
The skyscraper rises in the pure air Washed by the rain To come down reflected in the muddy Pool of the yard Between fact and image On the immediate dry ground Four pigeons are walking
Vertaald door A. B. M. Cadaxa
Manuel Bandeira (19 april 1886 – 13 oktober 1968) Cover
feld bei rimini am morgen weckten mich kaelte, nebel und naesse es war finster ein die sich ueber das feld bißchen ging wind hergemacht hatten da haeuser zogen zum erhob sich fuenf schritt meer hin muecken von mir die melonen landeinwaerts das große sonne aus dem klee licht meiner lampe ich stand auf hinterließ bot den insekten ein rechteck zerdrueckten freude und glueck klees im feld und ging und halt bis ich davon mit einem gesicht im feuchten klee das den huegeln von san meinen schlafsack marino glich weil die ausbreitete mich muecken um meine lampe verkroch das licht gewußt hatten loeschte da wußten sie mich genießbar
mein atem verlor sich ueber dem feld der klee schlug ueber meinem schlaf zusammen ein bißchen wind ein bißchen angst weil die haeuser alle zum meer hin traumgewan delt waren einmal schrak ich auf weil ich ging aus dem feld ich glaubte zu hause ein bißchen ging wind zu sein ich ging
n. c. kaser (19 april 1947 – 21 augustus 1978) Cover
"The children are upset too," Aunt Dasha said with a sigh when I had stopped, thinking I had made myself clear, and looked at Mother. "It isn't that. He wants to tell me something. Is there something you know, Sanya?" Oh, if only I could speak! I started again, describing what I had seen. Mother understood me better than anyone else, but this time I saw with despair that she did not understand a word. How could she? How far removed from that scene on the pontoon bridge were the attempts of that thin, dark little boy to describe it, as he flung himself about the room, clad in nothing but his shirt. At one moment he threw himself upon the bed to show how soundly his father had slept that night, the next he jumped on to a chair and raised tightly clenched fists over a puzzled-looking Aunt Dasha. After a while she made the sign of the cross over me. "The boys must have been beating him." I shook my head vigorously. "He's telling how they arrested his father," said Mother. "How the policeman threatened him. Isn't that right, Sanya?" I started to cry, my face buried in her lap. She carried me to the bed and I lay there for a long time, listening to them talking and thinking how to communicate to them my amazing secret. I am sure that in the long run I would have managed it somehow, if Mother hadn't taken ill the next morning. She had always seemed a bit queer to me, but I had never seen her so queer before. Previously, when she would suddenly start standing at the window for hours on end, or jumping up in the middle of the night and sitting at the table in her nightdress until the morning. Father would take her back to the home village for a few days, and she would come back recovered.”
Veniamin Kaverin (19 april 1902 – 4 mei 1989) Cover Russische uitgave
"Au moment oů nous allions quitter Paris, nous avions eu la nouvelle de ces défaites, sitôt suivies d’irréparables désastres. Maintenant j’avais sous les yeux le témoignage sanglant et mutilé de ces chocs terribles au-devant desquels on avait couru d’un cour si léger. Mon ardeur n’en était pas diminuée ; mais la pitié me prenait à la gorge à la vue de ces malheureux, dont plusieurs attendaient encore un premier pansement. Quoi ! tant de misčres et si peu de secours ! Le chemin de fer établi pour le service du camp emmena les mobiles au Petit-Mourmelon, d’oů une première étape les conduisit à leur campement, le sac au dos. Pour un garçon qui, la veille encore, voyageait à Paris en voiture et n’avait fatigué ses pieds que sur l’asphalte du boulevard, la transition était brusque. Ce ne fut donc pas sans un certain sentiment de bonheur que j’aperçus la tente dans laquelle je devais prendre gîte, moi seizičme. L’espace n’était pas immense, et quelques vents coulis, qui avaient, quoique au cour de l’été, des fraîcheurs de novembre, passaient bien par les fentes de la toile et les interstices laissés au ras du sol ; mais il y avait de la paille, et, serrés les uns contre les autres, se servant mutuellement de calorifčres, les mobiles, la fatigue aidant, dormirent comme des soldats. Aux premičres lueurs du jour, un coup de canon retentit : c’était le réveil. Comme des abeilles sortent des ruches, des milliers de mobiles s’échappaient des tentes, en s’étirant. L’un avait le bras endolori, l’autre la jambe engourdie. Le concert des plaintes commença. L’élément comique s’y męlait à haute dose ; quelques-uns s’étonnčrent qu’on les eűt réveillés si tôt, d’autres se plaignirent de n’avoir pas de café à la crème. Au nombre de ces conscrits de quelques jours si méticuleux sur la question du confortable, j’en avais remarqué un qui, la veille au soir, avait paru surpris de ne point trouver de souper dressé sous la tente. A quoi songe-t-on ? s’était-il écrié. Les yeux ouverts, sa surprise devint de l’indignation. Le déjeuner n’arrivait pas. Si c’est comme cela qu’on nous traite, murmura-t-il, que sera-ce en campagne?"
Louis Amédée Achard (19 april 1814 – 24 maart 1875) Cover
in sanften mäandern träumt sich der fluss durchs land umarmt die brücken leckt die wurzeln der trauerweiden löscht an den ufern die spuren der rehe vorm auge des jägers kreist still um netz und kahn leiht seinen spiegel rot segelnden wolken trägt fernhin sein gold in den brennenden abend sehnt sich nach endlichkeit nach meer und schlaf das meer liegt still es wartet
brave bürger
als zeugen gerufen tauchen sie ab sehen nicht hören nicht haben das alles doch nicht gewusst gewollt
wenn es vorbei ist legen sie die augenbinde ab ordentlich gefaltet
„Andererseits, gäbe es wirklich mehrere Jesus (im Zeitalter des Klonens und der großen Anzahl gut erhaltener Jesushaare ist das gar nicht so unwahrscheinlich), so wäre es nicht auszuschließen, dass sie sich bloß gegenseitig taub predigen, die Schuld aus den Schuhen schieben oder gar bekriegen würden, wie man das von anderen Größenwahnsinnigen kennt. Aber genau um diesen Größenwahn geht es: Er ist unabdingbar fürs Schreiben. Man muss sich schon selbst Flügel verleihen, wenn man fliegen will. (Und wenn sie gegen innen wachsen, legt man sich einfach auf die Erdstrahlung, denn auch die trägt – das habe ich letzthin geträumt – und man muss nicht mehr albern mit den Armen flattern.) Den einen oder anderen Absturz wird man zwar nicht überleben (zum Beispiel, wenn man plötzlich nicht mehr unterscheiden kann zwischen dem Geschriebenen und der Erinnerung; oder wenn man Jahre an einem Manuskript arbeitet, um es am Ende nicht einmal mehr gut genug für die Schublade zu finden), aber für Kinder Gottes sollte das mit der Auferstehung kein allzu großes Problem darstellen. (Und es ist ja kein Geheimnis, dass Gott die Welt nach Jesus' Tod den Schriftstellern überlassen hat, seinen eigentlichen Söhnen und Töchtern.) Und auch Jesus ist doch nur so bekannt, weil er sich nach der Krise am Kreuz wieder aufgerappelt hat. Weil er glaubte, es würde ihm sein Leiden erleichtern, wenn er es teilen, mitteilen könnte, damit die Menschen begreifen, wie schwer er wirklich trägt; er war einfach sehr einsam. Einsamkeit und Größenwahn. Und vielleicht noch die Welt (mit der eigenen Erfindung) verändern wollen und glauben, man richte damit nicht nur Schaden an. Das sind nicht die schlechtesten Voraussetzungen zum Schreiben.Wenn man sich nicht selbst zum Gott erklärt, tut es niemand.“
Tags:Martin Michael Driessen, Marjoleine de Vos, Manuel Bandeira, n. c. kaser, Veniamin Kaverin, Louis Amédée Achard, Pierre-Jean de Béranger, Gudrun Reinboth, Werner Rohner, Romenu
Ach jij, je rechterpink verlegen aan je mond, je mandje aan de linkerarm, hoe je daar stond, Mariken, mooie verloren meid.
Hoe je daar staat en kijkt naar wat voorheen niet voor je was te zien, winkels rechts, kroegen links, de heksenwaag vooraan, en door de Stevenspoort het zonlicht achter je, licht van de ondergang.
Wij hebben ons jou toegeëigend, bezit van je genomen zonder vragen, we moesten wel, je was zo onweerstaanbaar
allemanswicht.
Nog even dan
Toe, heb mij lief, nog even dan, voordat de horden uit het zuiden, als eigen land is leeggemoord, jouw lieve lijf verkrachten en dit, mijn lichaam, slachten. Toe, nu het nog kan, bemin me.
Toe, heb mij lief, nog even dan, voor onze dagen zijn geteld als door het onbekommerd vragen naar meer en mateloos bejagen van lijf en goed de poolkap smelt. Ach lief, nog even maar, bemin me.
Toe, heb me lief, nog even vóór lid en hart en hersens het begeven een wervelwind van ziekten door dit lichaam raast. Heb lief zoals het moet: niet geil of gulzig; gretig, grauw noch gauw; maar gestadig, ongenadig zoet.
Heb ons nog even overdadig lief!
Wam de Moor (18 april 1936 – 12 januari 2015) In 1983
De Nederlandse dichter en vertaler Bas Bellemanwerd in Alkmaar geboren “op een heldere ochtend in april” (Rottend Staal) van het jaar 1978. Zie ook alle tags voor Bas Belleman op dit blog.
Misleidingen
En Leentje zei: ‘Word jij een vijver, dan word ik de eend die erin zwemt’ Grimm, Vondevogel
1 waar is de tijd dat de bossen nog wouden waren? nu zijn ze kromgegroeid, woonwijken. dat achtervolgt niet lekker. ze zien me rennen.
zo'n zigzag dat meisje. ik snoei ze recht achterna, dwars door de auto's, de speelpleintjes. de jongen sleurt haar mee, maar haar hielen zijn te zacht. drie stappen en ik heb ze.
waar zijn ze? hier ligt alleen een dobbelsteen zijn toeval te bewaken.
Uit: Sonnetten voor de Donkere Dame
Sonnet nr. 130
Mijn liefje heeft geen ogen als de zon; Veel roder dan haar lippen is koraal; En sneeuw is wit? Dan zijn haar borsten vaal; Zijn haren goud? ’t Is zwart goud dat zij spon. En ik ken rozen, roze, wit en rood, Maar zulke rozen sieren niet haar wangen; Ook zijn er geurtjes waar ik meer van genoot; Dan die er in mijn liefjes adem hangen. Ik die graag hoor praten moet beamen Dat ik muziek vaak aangenamer vond; Nooit zag ik hoe godinnen nader kwamen, als zij loopt, stampt mijn liefje op de grond.
En toch, mijn hemel, mijn lief kan meer bekoren Dan al die vrouwen vervalst in metaforen.
‘Vroeger,’ moppert de bovenbuurman, ‘stond iedereen gewoon om halfzes op.’ Kangoeroe draait zich nog eens om in haar mandje bij de verwarming. ‘Vroeger,’ gaat hij verder, ‘wisten mensen tenminste nog wat arbeid was!’ Kreunend komt Kangoeroe overeind. ‘bovendien!’ schreeuwt de bovenbuurman. ‘normen waarden gezin hoeksteen gezellig traditie papieren boeken hutspot respect!’ De olifant van de bovenbuurman stommelt verbaasd de woonkamer binnen terwijl ze een laatste krulspeld van haar hoofd haalt. ‘Ssst!’ doet Kangoeroe, die wenste dat ze in haar eigen buidel kon verdwijnen, en wijst angstig naar de bovenbuurman. ‘Hij is geloof ik niet goed geworden. ‘De jeugd buitenlanders internet de elite popmuziek porno videogames!’ briest de bovenbuurman. Met haar slurf wrijft de olifant de slaap uit haar ogen, flappert even met haar oren. Kangoeroe is nieuw, die kon het ook niet weten: de bovenbuurman kan niet tegen vakantie. ‘ledigheid is des duivels oork–’ ‘Lieve schat,’ breekt Olifant in, ‘vroeger hadden vrouwen geen stemrecht en was jij op je dertiende overleden aan een blindedarmontsteking.’ ‘Het enige recht van een vr–’ ‘PEP!’ doet Olifant. ‘Wat hadden we afgesproken?’ De bovenbuurman kijkt bedroefd naar zijn lege handen: ‘Ik weet niet wat ik met mezelf aan moet,’ jammert hij. Poot over het hart, denkt Olifant, en iets met de kerstgedachte. Ze geeft de bovenbuurman zijn kleinste boormachientje. ‘Maar je weet het, hè,’ bijt ze hem toe. ‘Voor halfnegen zachtjes boren.’
Roos van Rijswijk (Amsterdam, 18 april 1985)
De Libanese dichteres, journaliste en vertaalsterHanane Aadwerd geboren op 18 april 1965 in Beiroet. Zie ook alle tags voor Hanane Aadop dit blog.
Wie koopt mij zekerheid?
Ik ben de eeuwige onrust wie koopt mij zekerheid waar wordt rust stilte wie bouwt voor mij een koninkrijk van stilte waar overwin ik het labyrint ik ben de eeuwige onrust elke morgen roep ik mijzelf uit werelden van slaap van de uiterste grens naar de oceaan van de hartenklop mijn hartslag is die van de onrust hoe bereid ik voor mijn ooglid de zegening van de slaap in mij is eeuwige onrust hoe breng ik mijzelf naar de jasmijn- en lavendelvelden wie leent mij het geduldelixer hoe bereik ik de haven zal ik erin slagen naar de grotten van de weldadige lach te klimmen ik ben de eeuwige onrust wanneer zal ik de duisternis van het bestaan verjagen wanneer zal ik de geest naar de tuinen van de geest brengen wanneer zal de eeuwigheid voor mij het lied der liederen zingen tot in alle eeuwigheid.
Vertaald door Cees Nijland
Wunsch
Der Staub riecht nach ewiger Ruhe. Das Lied duftet nach Freiheit. Hoffentlich rieche ich meine Freiheit vor dem Tod. Hoffentlich kann ich mein Lied singen, bevor der Staub mich verschlingt.
Geluk en hart zijn niet te binden. Het hart wil vangen en behouden. Geluk is damp en bij vertrouwde Dingen is het toch niet te vinden.
Geluk is plotseling en snel. Het hart is taai en wil volharden Wanneer die tijdelijke wel, Na eene hooge straal, verstarde.
Het hart blijft zwaar en dorstig achter. Het zoekt in weer gesloten steenen Het water eens door zon beschenen. 't Geluk is in een wolk verdwenen.
De pauw
De pauw, op korte grijze zuilen Dom en aandachtig het gekroonde hoofd Zal achteloos zijn kleed bevuilen En haalt zijn voedsel uit het stof. Maar eensklaps spreidt hij zonder doel of reden Het siergewaad van een barok verleden En tooit zich als een afgezet prelaat En schreeuwt om 's werelds ijdelheden.
Clara Eggink (18 april 1906 - 3 maart 1991) Utrecht
De Amerikaanse schrijfster, essayiste en feministe Kathy Ackerwerd op 18 april 1947 in New York geboren als Karen Alexander. Zie ook alle tags voor Kathy Ackerop dit blog.
Uit: Portrait of an Eye
„One day the palace was upside-down. Orders are given in a high voice. The valet runs up and down the stairs. The win-dows are opened; grand rooms aired; slipcovers dropped; gilded marbles uncovered. Someone wakes me early in the morning. I'm six years old. All day carriages come and go. In the exterior courts, brief commandments resound, companies present arms to fifes and tambours. They find me: I go downstairs. The hall was full of the world: dames in high fashion and decorated officers. All is splendor! Suddenly silver trumpets sound across the fields! A carriage pulls up to my stone entrance steps. An old man steps out, then a little girl. Someone shoves me against them. I said hello to the little girl. She hid her face behind her flowers; I saw only her eyes full of tears. I took her hand. The old general bleating guided us. Immediately a cortege formed around the chateau's chapel. The ceremony unfolded itself. Kneeling on the same cushion, enveloped in the same veil, bound by the same ribbons whose ends the maids-of-honor held, we took the same vow. As the pope said, "I do," the girl smiled through her tears. We were one. The pretty princess Rita was my wife. We're standing under the ceiling of white roses. We're alone at a table heaped with delicacies. The general crops up, takes her away. As she leaves, I see myself crying alone in the immense, chandelier upon chandelier, wedding salon. "I'm sick of ideas," I said. "They bore me to shit. The thing is to find out what doesn't bore me to shit." Rita's my first friend. I think more and more of the actuality of the new world. I suppose I dream. I wander around the empty silent house I prowl like a hungry deserted cat I become aware of my body. I'm not just a mind behind two eyes: I have thoughts in every part of my body all fighting each other all dying to get out. I needed outlets as much as input. I had radios constantly going to drown out the incoming information. Only the heavy furniture pitied me, and crashed to the floor. I was frightened. In the back of some black corridor, or at the bottom of a staircase a breast plate on duty made a half-turn the noise of spurs. That noise transported me to the grand day of the fete. I heard the trumpets the tambours clatter. Artillery sa-lutes. Bells. Organs played, Princess Rita's open carriage like a rocket crossed my sky and was about to crash in the meadow. The old general fell head to his feet, like a clown, gesticulated his arms and legs, signaled me. He told me to come, to come join them, the princess awaited me, she was there, in the meadow. My friend. The air was the flesh-colored perfume of clover. I wished to penetrate the meadow. The cops stopped me.”
Kathy Acker (18 april 1947 – 30 november 1997) Cover
Pain cannot contrive for you Humility beyond your own, Stripped of your body to the bone. Passion will not phrase anew A fabric more than skeletal To veil the candor of your skull.
Fire and anger let you rest ; The wind comes where your lips are mute, Blowing a labyrinthine flute Out of the caverns of your breast. Fire and agony depart From fallen ashes of a heart.
This is the kingdom that you find When the brave empty eye-holes stare Impartially against the air; A little universe defined By infinite white ribs for bars Against the struggles of the stars.
This is the power that you hold Over these worlds of splintered sand: Your crystal framework of a hand Can crumple space in hollow cold, And your small broken fingers roll The seven heavens in a scroll.
This is the glory that you have: A broad sun standing overhead To shape a halo for your head; Skies wheel and laugh above a grave To worship, in the fields of breath, Inviolable lovely Death.
Symbols for the celebrant Are your sharp and silver feet, Syllables he shall repeat; So your light bones lie aslant The mystical and sacred sun — Infinity in skeleton.
Joy Davidman (18 april 1915 – 13 juli 1960) Hier met dichter en schrijver C. S. Lewis
Where fountains sing and many waters meet, October comes with blossom-trammelled feet. She sheds green glory by the wayside rills, And clothes with grace the haughty-featured hills. This is the queen of all the year. She brings The pure chief beauty of our Southern springs. Fair lady of the yellow hair. Her breath Starts flowers to life, and shames the storm to death. Through tender nights and days of generous sun, By prospering woods her clear strong torrents run. In far deep forests, where all life is mute, Of leaf and bough she makes a touching lute, Her life is lovely. Stream and wind and bird Have seen her face — her marvellous voice have heard; And, in strange tracts of wildwood all day long, They tell the story in surpassing song.
November
Now beats the first warm pulse of Summer — now There shines great glory on the mountain's brow. The face of heaven in the western sky, When falls the sun, is filled with Deity! And while the first light floods the lake and lea, The morning makes a marvel of the sea; The strong leaves sing; and in the deep green zones Of rock-bound glens the streams have many tones; And where the evening-coloured waters pass, Now glides November down fair falls of grass. She is the wonder with the golden wings, Who lays one hand in Summer's — one in Spring's; About her hair a sunset radiance glows; Her mouth is sister of the dewy rose; And all the beauty of the pure blue skies Has lent its lustre to her soft bright eyes.
Henry Kendall (18 april 1839 – 1 augustus 1882) Cover biografie
„Ich hatte meinen Vater nicht gekannt. Und das war das Puzzlestück, was fehlte, um zu wissen wer ich war. Ich irrte wie ein Irrlicht durch die Welt. Und davon hatte ich irgendwann genug. Ich begann, Nachforschungen über ihn anzustellen. Natürlich hatte ich meine Mutter gefragt, denn die musste es ja schließlich wissen. Doch alles, was sie äußerte war, dass sie an einem Abend im Mai 1978 sagte: Jurotschka, lass das! und es gar nicht so meinte und was er auch gar nicht verstand, denn er war der deutschen Sprache kaum mächtig. Es stellte sich heraus, dass Jurotschka für einen fahrenden Vergnügungspark arbeitete, (er half die Fahrgeschäfte auf- und wieder abzubauen) und dass dieser eines Tages durch das Dorf meiner Mutter gekommen war und für fünf Tage blieb. Er sah gut aus, sagte sie und der Schleier verschwand von den Augen meiner traurigen Mutter und plötzlich wurden sie ganz hell die Augen, wie schon seit Jahren nicht mehr. Er war zwar nicht groß, aber kräftig und er besaß eine Narbe über dem linken Auge, was ihn noch männlicher aussehen ließ. Sie liebte die russische Sprache immer schon und als sie ihn fragte, mit Händen und Füßen, wo er herkam und er sagte „Odessa“, war es um sie geschehen. Odessa, dachte sie, die Perle des Schwarzen Meeres und dann brannte sie lichterloh. Es kam wie es kommen musste: Jurotschkas Spermien gelangten nach einer zärtlichen Vereinigung, wie meine Mutter sagt: in der Gondel einer Berg- und Talbahn, in ihren Unterleib. Statistisch gesehen ist es wahrscheinlich, dass dabei ein Großteil seiner Spermien schon außerhalb ihrer Vagina zugrunde gingen.“
De Duitse dichter, schrijver en letterkundige Hans Böhm werd geboren op 18 april 1876 in Keulen. Nadat hij van 1895 tot 1906 in zijn geboortestad het gymnasium had afgemaakt werkte Hans Böhm eerst als zakenman. Daarna studeerde hij filosofie, germanistiek en geschiedenis aan universiteiten in Berlijn, München en Bonn. In 1910 promoveerde hij aan de Universiteit van Bonn met een proefschrift over Simon Dach tot doctor in de wijsbegeerte. Van 1913 tot 1938 werkte hij als leraar aan de Bismarck-hogeschool in Berlijn-Wilmersdorf. Van 1938 tot 1939 verbleef hij in Italië. De laatste jaren van zijn leven bracht Böhm door in het Oberbayernse Dießen. Hans Böhm schreef naast werken over Walther von der Vogelweide en Goethe, gedichten, literaire studies en werkte als uitgever van poëziebloemlezingen en als vertaler.
Der heilige Antonius Wies doch von höllischem Fleische Wimmelt, je mehr ich mich geißle! O mich umheult es unendlich - Wird denn die Wüste lebendig?
Zwar mit den Teufeln noch läßt sichs. Wenn sie mich oft auch zu sechzig Prellen und trillen und zwacken Immer noch hielt ich mich wacker.
Wahr und wahrhaftig ich wollt gern: Möchten die immer mich foltern! Aber aus untersten Pfuhlen Locken und suchen die Buhlen.
O wie sie tanzen und hersehn Schamlos mit Weibergebärden! Ob auch das Auge mir ausfiel Ewig doch säh ich das Schauspiel.
Kräftiger schwenkt ich das Kreuz nun Brünstiger muß ich noch Reu tun - Aber je mehr ich mich geißle Wimmelts von höllischem Fleische.
Mädchenlied
Die weißen Flocken stieben Den ganzen Tag. Den einen muß ich lieben Der mich nicht mag.
Und hielt' ich seine Hände Noch würd es gut! Keiner denkt es zu Ende Wie weh das tut.
Hans Böhm (18 april 1876 - 12 december 1946) Keulen, gezicht op de Leystapel in het oude Keulen door Carl Rüdell, 19e eeuw (Geen portret beschikbaar)
“Toen Simon Wijnands zag, dat het donkeravond begost te worre over de peel, toen lee hij zijn tuig aan den kant. Hij stond in de laagte van de afgraving en kwam mee 't bovenlijf uit boven den rand waar den klot niet gesteken was. Hij kwamp tegen dien zwarten wand van klot en tuschlagen staan en lee zijn twee armen op den grond voor hem in de ruigte die er woekerde. Hij zag de grif witte striep aan den boord, die tusschen hemel en aarde is. Daar konde ge in kijken naar verre en hoogere werelden, waar wij ver af zijn. Maar daar houdt eenen peelwerker zijn eigen niet mee bezig. Boven die witte striep groeide het lichte donker van den zomernacht. Aan een vloer van mijlen hoog in een blauw van klaar water stond een ster te blinken. Er stak een wind op over de peel. Toen hief Simon Wijnands zijn eigen op zijn armen uit den kuil en hij stond vervolgens overeind voor den hemel. Hij stond er gekomen uit den peelgrond en hij zag rontelom naar alle einders verspreid dichtbij en ver de hooge en lage, de korte en lange klotmijten. Het leken hutten. Het leken ook dieren, die heel stil stonden. Stil aan den komenden nacht. Ergens in een van de gegraven slooten lag dezelfde striep, die in den hemel was aan den boord van de aarde gindswijd. Maar eenen peelwerker houdt zijn eigen daarmee niet bezig. Simon Wijnands loopt voorzichtig den klot langs, zijnen klot die-t-ie hier heeft gezet om te drogen, een heel rij, drie turven hoog, elken turf los van den ander, zoodat de wind vrij tochten kan door al die turfbreede openingen. Dan gaat Simon naar een stapeltje opgemijten klot. Hij heeft stukken baalzak om zijn beenen gebonden, want hij heeft beneden in de vochtigheid gestaan. Het slijk en het klotgemul zitten tegen zijn bokspijpen geklonterd. Simon Wijnands vat bij het stapeltje klot, dat te drogen is gezet, zijnen jas, dien hij daar had neergelegd, hij doet zijnen jas aan. Dan vat hij zijnen knik en zijn drinkenskruik, gooit die aaneengebonden over zijnen schouder, en gaat naar huis. Simon loopt over den weeken, drabbigen grond. Hij neemt zijnen sprong over den loop, hij loopt over een wankei drijvend bruggetje en komt op den pad naar zijn huis. Nu loopt hij en komt langs een peelvlooske, wit van het vlokkige bloeiende pluimgras, en ziet in 't water de klaarte der vloeiing van het licht. Eenen vogel vliegt er mee 'nen korten schreeuw laag overheen. Simon Wijnands loopt mee stevige stappen en de verre nacht komt hem tegemoet, langs de wondere klaarte van den hemel. De peel heeft haar stem. Het gegons van de stilte, het ontstaan van de dooltochten van den wind door het klagende halmgras en de hei, de wind die stroomt, stroomt als koel water. Simon Wijnands houdt den kop gebogen.”
Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961) In 1959
Je weet het huis wacht. Geef me. Geef me nog even warmte voor ik ga. Voor de reis naar de stad van dromen. Lief, mijn mooie, schone lief. Je weet ik kom altijd veilig thuis voor jou, bij mij.
Draaideur-romantiek
Hoe hij het omschreef. Een meesterlijk plan onvoltooid. Kramp van het lachen naar bushokjesdames. Even was er een interactie voorbij.
“She didn’t want to be a beauty queen, but as luck would have it, she was about to become one. There were a few aimless minutes between the parade and the announcement, so friends and family gathered round the girls to offer congratulations and crossed fingers. The little groups that formed reminded Barbara of licorice Catherine wheels: a girl in a sugary bright pink or blue bathing suit at the center, a swirl of dark brown or black raincoats around the outside. It was a cold, wet July day at the South Shore Baths, and the contestants had mottled, bumpy arms and legs. They looked like turkeys hanging in a butcher’s window. Only in Blackpool, Barbara thought, could you win a beauty competition looking like this. Barbara hadn’t invited any friends, and her father was refusing to come over and join her, so she was stuck on her own. He just sat there in a deck chair, pretending to read the Daily Express. The two of them would have made a tatty, half-eaten Catherine wheel, but even so, she would have appreciated the company. In the end, she went over to him. Leaving the rest of the girls behind made her feel half naked and awkward, rather than glamorous and poised, and she had to walk past a lot of wolf-whistling spectators. When she reached her father’s spot at the shallow end, she was probably fiercer than she wanted to be. “What are you doing, Dad?” she hissed. The people sitting near him, bored, mostly elderly holidaymakers, suddenly went rigid with excitement. One of the girls! Right in front of them! Telling her father off ! “Oh, hello, love.” “Why wouldn’t you come and see me?” He stared at her as if she’d asked him to name the mayor of Timbuktu. “Didn’t you see whateveryone else was doing?” “I did. But it didn’t seem right. Not for me.” “What makes you so different?” “A single man, running . . . amok in the middle of a lot of pretty girls wearing not very much. I’d get locked up.” George Parker was forty-seven, fat, and old before he had any right to be. He had been single for over ten years, ever since Barbara’s mother had left him for her manager at the tax office, and she could see that if he went anywhere near the other girls he’d feel all of these states acutely.”
Uit: Thomas Mann: Betrachtungen eines Unpolitischen
“Es gibt Bücher, über die man lange schweigen möchte, um sich mit ihnen immer wieder prüfend, genießend, erhoben, zweifelnd zu beschäftigen, ehe man ihr Dasein laut ausruft. Ein solches Buch, den Leser auf das dringlichste in Anspruch nehmend, ist das neue Werk von Thomas Mann, das den Titel führt, der über diesen Zeilen steht. Das Inventarium einer Seele, die durch den Krieg Offenbarungen in sich erlebte und (fast unvermutete) neue Zusammengesetztheiten in sich entdeckte, die nun dargelegt werden mit jener ergründenden psychologischen Analyse, die immer in genialster Genauigkeit auch das erfassende Wort findet – wie es eben nur Thomas Mann, dem unerbittlichen Selbstbeobachter und unerhörten Sprachkünstler, möglich ist. – Aber es eilt mir, dies Buch anzuzeigen, denn es erscheint zu einer Stunde, wo es manchem Nachdenklichen und unsicher Tastenden helfen kann, auch in sich hineinzuleuchten. Dies Werk ist im höchsten Grade »aktuell«. Das klingt paradox, wenn ich hinzufüge, daß es sich gegen Politisierung und Demokratisierung des deutschen Volkes, als seiner Art und Bestimmung nicht gemäß, wendet. Indes, wer Geschichte kennt, weiß auch, daß die demokratische Welle, an deren Ufersaum Jean-Jacques Rousseaus »Du contrat social« lag, eines Tages wieder abebben muß. – Die Gezeiten der Weltgeschichte freilich brauchen für ihre Flut und Ebbe Jahrhunderte. Und wer kann wissen, ob nicht abermals ein Buch, Thomas Manns »Betrachtungen eines Unpolitischen«, einst als Markierung am Strome der Entwicklung der Bolschewikismus beweisen, was in intellektuell konstruierter Staatsform alles möglich ist. Es gereicht mir zur Genugtuung, daß auch ich in meinem Aufsatz über die Münchener Oper (April, in Velhagen & Klasings Monatsheften) es ebenfalls aussprach, daß das politische Leben bedrohlich für unsere Kultur werden kann, ich zitierte Nietzsche: »Notwendig gerät ein Volk von der unbedingten Geltung der politischen Triebe aus in die Bahn äußerster Verweltlichung usw. Thomas Mann sagt: »Ich bekenne mich tief überzeugt, daß das deutsche Volk die politische Demokratie niemals wird lieben können«, er ist sicher, »daß der vielverschriene ›Obrigkeitsstaat‹ die dem deutschen Volk angemessene, zukömmliche und von ihm im Grunde gewollte Staatsform ist und bleibt. Dieser Überzeugung Ausdruck zu geben, dazu gehört heute ein gewisser Mut.“ erkannt werden wird? Schon die Gegenwart drängt brutale Lehren auf: der Autokrat Wilson einerseits und andererseits
“The Pool – A vast gray hall with a hole in the ceiling open to the sky. Broad stone steps lead up from the water on its four sides. The water is continuously restless and throws blue reflections upon the walls. The sick, the blind and the malformed are lying on the steps.The long stretches of silence and despair are broken from time to time when one or another groans and turns in his rags, or raises a fretful wail or a sudden cry of exasperation at long continued pain. A door leads out upon the porch where the attendants of the sick are playing at dice, waiting for the call to fling their masters into the water when the angelof healing stirs the pool. Beyond the porch there is a glimpse of the fierce sunlight and the empty streets of an oriental noonday. Suddenly the ANGEL appears upon the top step. His face and robe shine with a colour that is both silver and gold, and the wings of blue and green, tipped with rose, shimmer in the tremulous light. He walks slowly down among the shapeless sleepers and stands gazing into the water that already trembles in anticipation of its virtue. (A new invalid enters.) THE NEWCOMER Come, long-expected love. Come, long-expected love. Let the sacred finger and the sacred breath stir up the pool. Here on the lowest step I wait with festerin limbs, with my heart in pain. Free me, long-expected love, from this old burden. Since I cannot stay, since I must return into the city, come now, renewal, come, release."
Thornton Wilder (17 april 1897 – 7 december 1975))
„Spielzeug lag nicht nur in meinem Zimmer, Spielzeug sammelte sich auch im Keller, Spielkeller genannt. Wir hatten viel gekauft, vererbt, geschenkt bekommen: Bauklötze, Lego, Spielzeugsoldaten, -cowboys und -indianer sowie ein Kasperletheater mit Handpuppen aus Kunststoff und älteren, holzgeschnitzten Puppen – wir besaßen zwei Krokodile und zwei Wachtmeister, die gegeneinander antreten konnten, einer der Wachtmeister hieß immer Dimpflmoser. Ich hatte Play-BIG-Figuren, die etwas größer waren als Playmobil-Figuren und ihre Füße bewegen konnten, außerdem frühe Playmobil-Figuren und ein Playmobil-Polizeiauto, die Playmobil-Welt war noch schlicht, sie war erst dabei, sich zu entwickeln, Playmobil gab es noch nicht lange, seit 1974 erst. Für meine älteste Schwester blieb Playmo, wie wir es schon bald abkürzten, «Spielen wir Playmo?», immer das neue Spielzeug, ihr gefiel Lego besser. Sie baute sich Lego-Puppenhäuser und ließ die batteriebetriebene Lego-Eisenbahn fahren, auf blauen Lego-Schienen, die mit Lego-Schwellen zusammengesetzt werden mussten. Die Legosteine, alte und neue gemischt, steckten zusammen in großen Tonnen, sie verteilten sich in meinem Zimmer auf dem Boden, im Esszimmer und im Wohnzimmer, die Schiffe, Flugzeuge und Flugzeugträger, die ich konstruierte, mussten ja durchs ganze Haus. Es gab das Lego-Geräusch, das Lego-Rasseln, wenn wir in den Tonnen wühlten oder die Steine auskippten, in meinem Zimmer versuchte ich jedoch immer, einen Pfad von meinem Bett bis zur Tür freizuhalten, ich wusste ja, wie weh es tat, nachts barfuß auf dem Weg ins Bad auf einen Legostein zu treten. Ich hatte viel und wünschte mir immer mehr, Spielzeug hatte ich nie genug. Ich wünschte mir mehr Piraten und das Wikingerschiff von Play-BIG, mehr Ritter für die Ritterburg und Weichen, Waggons, Signale und Lokomotiven für die LGB, meine Eisenbahn, Spurweite fünfundvierzig Millimeter. Die LGB war eine große Modellbahn, eine Groß-Bahn, zu Weihnachten und zum Geburtstag bekam ich Gleise und Waggons. Das erste Paket hatte ich ebenfalls zu Weihnachten bekommen, es war ein Starter-Paket und bestand aus einem Schienenkreis, einige Geraden gab es extra. Später kamen Weichen, Signale und eine Kreuzung hinzu.”
David Wagner (Andernach, 17 april 1971) Wager (links) en Jochen Schmidt
“Karen Frost regards me while holding a drink in her hands. Her voice is on the raspy side, and she's wearing black leather cowboy boots with her black jeans. But what puts her over the top isn't her slim figure or the full breasts beneath that silk blouse, or the brown eyes, or the high cheekbones, or the voice, or her confident but feminine stance. What turns my insides into mush is the tiny freckle hovering just above her upper lip, near the right corner of her mouth. Man, such beauty marks should be illegal. Now, don't get me wrong here. I'm no pervert, just a guy who doesn't get laid enough, mostly because up until six months ago, I had moved around too damned much, which left little room to develop a relationship. Of course, just as I was actually beginning to enjoy my first sedentary stretch in years at Langley, where I was hoping to meet someone and have a shot at a normal relationship, I was kidnapped by this nomadic tribe. That, of course, means no sex in the foreseeable future, especially since I'm a firm believer in not paying for it. "Tom? Anybody home?" Karen is still looking at me, expecting a response. At her inquisitive glare I wink and say, "Ah, well ... I could tell you, boss, but then I'd have to kill you." "Remember our agreement," she warns, crossing her legs while narrowing her eyes in that you'd-better-keep-no-secrets-from-me look that she has already shot me a couple of times since I was assigned to be a hired hand in this task force. I reply, "You ever heard the one where the FBI, the CIA, and the NYPD are all trying to prove that they are the best at catching terrorists?" Karen sighs in resignation before sipping her soda. Two young agents in the row in front of ours, both also new CCTF recruits, but from the FBI, turn their heads, obviously interested. The big one is a borderline albino with ash-blond hair, hazel eyes, and chiseled features. The other, about half his size, has a complexion as dark as his hair, brown eyes, and a neatly-trimmed mustache. One's named Paul and the other Joe. "No, Tom," Karen finally says, "but I get the feeling that I'm about to."
„Er ist am Schaufeln einer Grube. Statt aufzuhören, macht er weiter. Aufhören ist schwer. Schaufeln ist leichter. Leicht ist das Gefühl, die Anzahl seiner Jahre seien weggewischt. Er könnte wieder einmal Goethe lesen. Jeder sehe zu, wie er’s treibe. Zusehen, wie’s der getrieben hat, mit achtzig noch an seinem Hauptwerk, ist schwerer als schwer. Er schaufelt. Das ist besser als Nichtstun. Nichtstun macht ihn depressiv. Sein Lebensmut wird erschüttert. Früher hat er sich mit gut Essen und Trinken noch aufgeheitert. Das geht nicht mehr. Sein Appetit hat nachgelassen. Hat die Bedeutung, die er sich selbst gegeben hat, nachgelassen? Die Bedeutung, die die Welt ihm schuldete und auch gab. Den Blick auf die Folge seiner Werke an der Wand im Zimmer mit Sicht auf den See meidet er. Er will keine Beunruhigung. Er könnte versucht sein, eines der Bücher herabzunehmen, und die Seiten wären mit irgendwas Falschem gefüllt. Das ihn nichts angeht. Das nicht sein Wort ist. Kann Lebensarbeit verschwinden? Nicht nur das Nicht-mehr-verlangt-gekauft-geschätzt-Werden ist es, das Vergrabensein in Bibliotheken, tief in den hintersten Ablagerungen, platzmangelhaft entsorgt, digitalisiert, in Behälter gesperrt, nicht nur das mit Bits und Bites der Vergessenheit Anheimgefallene ist es, was ihn beunruhigt. Nicht solch zermürbende Folgerichtigkeit ist es, die ihn treffen wird, die auch alle andern, unter seinem Rang, getroffen hat. Es ist das Gelöschtsein im Hirn seiner ehemaligen Bewunderer, mehr noch der Bewunderinnen, nebst all den unvermeidlichen Kränkungen der Vergänglichkeit, was ihn verletzt, ängstigt und zwingt, weiterzumachen. Um den beschleunigten Verschleiss der Schriftsteller weiss er, hochgelobt und alsbald niedergeschmettert werden die meisten, aber ihm geschieht das nicht, ihm nicht.“
Helen Meier (Mels, 17 april 1929)
De Deense schrijfsterKaren Blixen(eig. barones von Blixen-Finecke) werd geboren op 17 april 1885 te Rungsted. Zie ook alle tags voor Karen Blixen op dit blog.
Uit: Last Tales (The Cardinal’s Last Tale, onder pseudoniem Isak Dinesen)
"Who are you?" the lady in black asked Cardinal Salviati. The Cardinal looked up, met the gaze of her wide-open eyes and smiled very gently. "Who am I?" he repeated. "Verily, Madame, you are the first of my penitents who has ever asked me that question—the first, indeed, who has ever seemed to presume that I might have an identity of my own to confess to. I was not prepared for your question." The lady remained standing up straight before him; with-out taking her eyes off his face, she mechanically pulled on her long gloves. "Men and women," the Cardinal went on, "in the course of time have come to me and have asked my advice. Many of them have come in deep distress . . ." "As I myself!" she exclaimed. "In deep distress and anguish," he continued, "which, however, have never been deeper than my compassion with each of them—and have put their problems before me in all kinds of terms. Madame, the multitude of statements and arguments have been but so many variations of one single cry of the heart, of one single question: 'Who am I?' If I could but answer that question, if I could but solve that riddle for them, my consultants would be saved." "As I myself!" she cried out for the third time. "When I first told you of the horrible conflict, of the cruel dilemma which was rending my heart, I put before you, I know, a number of details, in themselves unconnected and contra-dictory, and so jarring that I had to stop the ears of my mind to them. In the course of our talks together all these fragments have been united into a whole. Oh, not into an idyll—I am well aware that I am in for a furioso----but into a harmony without a discordant note to it. You have shown me myself! I might tell you that you had created me, and that I had come to life under your hands, and surely it would have been both happiness and pain to have been thus created. But it is not so; my happiness and my pain are greater still, for you have made me see that I was already created—aye, created by the Lord God Himself and issued from His hands. From this hour, what on earth or in heaven can harm me? To the eyes of the world, it is true, I am standing at the edge of an abyss, or walking in a blizzard in wild mountains, but the abyss and the blizzard are the work of God and are infinitely and magnificently beautiful!" She closed her eyes, then after a second looked up again. "Yet," she said, her voice soft, like the voice of a violin, "I shall be asking one more favor from you. I beg you to an-swer my question. Who are you?"
Tags:Antoon Coolen, Vincent Corjanus, Nick Hornby, Ida Boy-Ed, Thornton Wilder, David Wagner, R.J. Pineiro, Helen Meier, Karen Blixen, Thomas Mann, Romenu