Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
04-03-2019
James Ellroy
De Amerikaanse schrijver James Ellroywerd geboren op 4 maart 1948 in Los Angeles. Ellroy's ouders scheidden in 1954 en hij verhuisde met zijn moeder naar El Monte, Californië, een voorstad van Los Angeles. In 1958 werd zijn moeder daar vermoord, een misdaad die nooit werd opgelost. In zijn autobiografische “My Dark Places: An L.A. Crime Memoir” (1996) en “The Hilliker Curse: My Pursuit of Women” (2010), schreef Ellroy over de misdaad en het effect ervan op zijn leven. Na de dood van zijn moeder woonde hij bij zijn vader. Hij ging naar de middelbare school in Fairfax, een deel van Los Angeles, maar werd voor zijn afstuderen verwijderd. Hij meldde zich vervolgens aan bij het leger maar besloot al snel dat hij daar niet thuishoorde en overtuigde een legerpsychiater ervan dat hij niet mentaal geschikt was voor de strijd. Na drie maanden ontving hij een oneervol ontslag. Kort daarna stierf zijn vader, en na een kort verblijf bij een vriend van zijn vader landde Ellroy in de straten van Los Angeles. Vanaf zijn 18e jaar woonde hij in parken en leegstaande appartementen; hij bracht het grootste deel van zijn tijd door met drinken, drugs gebruiken en het lezen van misdaadromans. Nadat Ellroy gevangen werd gezet omdat hij in een leegstaand appartement was binnengekomen, kreeg Ellroy een baan bij een boekhandel. Ondertussen was hij verslaafd geraakt aan Benzedrex. Zijn gezondheid verslechterende en uit angst om zijn verstand te verliezen sloot hij zich aan bij de Alcoholics Anonymous en vond vast werk als een golfcaddy. Op 30-jarige leeftijd schreef en verkocht hij zijn eerste roman, “Brown’s Requiem”. De meeste boeken van Ellroy gaan over misdaad en corruptie. Tot de bekendste behoren de vier romans die zijn eerste reeks L.A. Quartet vormen: “Black Dahlia” (1987, verfilmd in 2006), “The Big Nowhere” (1988), “L.A. Confidential” (1990; verfilmd in 1997) en “White Jazz” (1992). Perfidia (2014) was het eerste deel in zijn tweede L.A.-kwartet. De roman, die chronologisch voorafgaat aan de gebeurtenissen van de eerdere serie, bevat veel van dezelfde personages en roept een vergelijkbaar duistere kijk op Los Angeles op.
Uit: Perfidia
“11:23 p.m. — I've begun this diary on impulse. An extraordinary scene unfolded as I sat on my separate bedroom terrace. I was sketching the southern view and heard the rumble of engines below me on the Strip. I immediately got up and wrote down the precise time and date. I sensed what the rumble portended, and I was right. A line of armored vehicles chugged west on Sunset to fevered scrutiny and applause. It took a full ten minutes for the armada to pass. The noise was loud, the cheers louder. People stopped their cars to get out and salute the young soldiers. It played hell with the flow of traffic — but no one seemed to care. The soldiers were delighted by this display of respect and affection. They waved and blew kisses; a half dozen waitresses from Dave's Blue Room ran out and passed them cases of liquor. Somebody shouted, "America!" That's when I knew. The war is coming. I'm going to enlist. I always do what I say I'm going to do. I formally state my intent and proceed from that point. I am going to write a diary entry every day, until the present world conflict concludes or the world blows up. I will walk away from my easy existence and seek official postings near the front lines. I live a dilettante's life now. My compulsive sketch artistry is a schoolgirl's attempt to capture confounding realities. My piano studies and emerging proficiency with the easier Chopin nocturnes stall my pursuit of a true cause. This lovely home in no way allays my psychic discomfort; Lee Blanchard's indulgence is disconcerting more than anything else. This diary is a broadside against stasis and unrest. I have always felt superior to my surroundings. This house states the case most tellingly. I picked out every German Expressionist print and every stick of blond-wood furniture. I'm a prairie girl from Sioux Falls, South Dakota — and a gifted arriviste. I'm moving into my separate bedroom now. My own work is arrogantly displayed on the walls, interspersed with Klee and Kandinsky. There are a dozen drawings of a light heavyweight named Bucky Bleichert. He has a hungry young man's body and large bucked teeth. I have sketched him many times, from ringside seats at the Olympic. Bucky Bleichert is a local celebrity who understands the ephemeral quality of celebrity and does not view boxing as a true cause. His circumspection in the ring delights me. I have never spoken to Bucky Bleichert, but I am certain that I understand him. Because I was a local celebrity once. It was February '39. I was nineteen. It all pertained to a bank robbery and its alleged solution. This house. A refuge a few years ago, a trap now.”
Breslauer Künstlerfasching (Hoffmann von Fallersleben), Manfred Flügge, Hans Verhagen, Tjitske Jansen, James Merrill
Dolce far niente - Bij Carnaval
Le carnaval de nuit door Marc Chagall, 1963
Breslauer Künstlerfasching
Hoch lebe die Fastnacht! Wo wir fasten und rasten Von des Lebens Lasten, Und uns gewöhnen zu frönen Allem Schönen, Wo wir anstecken Die Kerzen unsrer Herzen, Und wie Gecken Uns selbst zum Besten haben Und mit heitern Gästen laben, Nach Fröhlichkeit trachten und dichten Und unsre Gedanken richten Eher auf den besten Keller Als auf den letzten Heller - Es lebe die Fastnacht, Die keinem Last macht, Wo Wirt und Gast lacht Und ohne Rast wacht Bis an den Morgen Abzuwerfen der Sorgen Ballast-Fracht Und was das Leben verhasst macht - Hoch lebe die Fastnacht!
Hoffmann von Fallersleben (2 april 1798 – 19 januari 1874) Het slot in Fallersleben (Wolfsburg), de geboorteplaats van Hoffmann von Fallersleben
„Sie selbst wie auch die folgende Generation sind von einer besonderen Aura umgeben, doch ist ihr Prestige mit menschlichen Dramen und massiven Anfeindungen erkauft. Die Lebensgeschichten der einzelnen Mitglieder der literarischen Dynastie beschäftigen die Öffentlichkeit noch Jahrzehnte nach dem Tod der Gründerfiguren, machen sie als Familienverband zu einem »Monument« der deutschen, ja der europäischen Kulturgeschichte, mitsamt einer amerikanischen Phase. »[...] es ist ja alles schon so oft erzählt worden, Süßes und Herbes, von Hoffnung und Resignation, Stolz und Ehrgeiz, Neid, Liebe und Wollust, Spott und Verzweiflung«, diese Worte aus einer Erzählung des jungen Golo Mann gelten längst für »die Manns« insgesamt. Es fehlt nur noch ein Gesellschaftsspiel: Nenne mir deinen Lieblings-Mann! Gemeint ist: Wer aus der Generationenfolge der Manns und ihrem Umfeld ist deine Lieblingsgestalt? Dabei sollten die Pringsheims, die Vorfahren von Katia Mann, einbezogen werden, denn durch sie wird die Familiengeschichte um einen jüdischen Schicksalskomplex erweitert. Dieses Ranking-Spiel könnte Anlass zu ernsten und heiteren Vergleichen sein und dabei helfen, uns bewusst zu machen, was wir an den Manns haben: eine große Saga voller Glanz und Glorie, voller Widersprüche und Leid, voller Irrtümer und Sonderwege, voller Errungenschaften und Gedächtnisorte, kurzum: einen Königsweg zum Verstehen von Gesellschaft und Geschichte in Deutschland, von Deutschlands Position in der Welt und einen Spiegel, in dem wir manche Züge und Neigungen der Deutschen besser erkennen können. Der Aufstieg zum Mythos eines Landes wurde durch die Magie der Literatur bewirkt, aber auch durch nachhaltige Engagements in öffentlichen Angelegenheiten zwischen dem Kaiserreich und der Zeit der deutschen Teilung, über die NS-Zeit, das Exil und beide Weltkriege hinweg. Begründer der neuen Dynastie war Heinrich Mann, der als erster eine literarische Existenz wählte. Der jüngere Bruder Thomas folgte seinem Beispiel und erlangte höchsten Ruhm. Doch erst durch das eigenständige künstlerische und politische Auftreten der »Kinder der Manns« wurde der kulturelle Clan zu einem generationenübergreifenden Gebilde, das an die griechische Mythologie erinnert. Schon als Kind hatte Thomas Mann gerne »Zeus« gespielt. Zu einer Art Göttervater geworden, versammelte er um sich und seine Gattin eine muntere Schar von Nebengöttinnen und -göttern, Halbgöttern, zu Göttern geadelten Helden und Heldinnen, Gefährtinnen und Gefährten, Geliebten, Hausfreunden und Haustieren und natürlich auch von hartnäckigen Gegenspielern und Todfeinden. Zu allen gehören ihre Kose- und Spitznamen, ihre bezeichnenden Anekdoten, fröhlich gemischt aus Dichtung und Halbwahrheit, von Forschern humorlos entwirrt. Was immer sie taten oder was ihnen zustieß - es war nur eine Spielart der Kernidentität, eines geschlossenen Seelenkosmos, der von den beiden Zentralgestalten zusammengehalten wurde. Manns also, oder »in Gottes Namen denn: "Die Manns".
Manfred Flügge (Kolding, 3 maart 1946) Groepfoto uit het docu-drama „Die Manns - Ein Jahrhundertroman“ van Heinrich Breloer uit 2001. Armin Müller-Stahl is te zien in de rol van Thomas Mann. Jürgen Hentsch speelt Heinrich Mann, Monica Bleibtreu Katia Mann, Sebastian Koch Klaus Mann en Sophie Rois Erika Mann. Verder stonden o.a. Veronica Ferres, Philipp Hochmair, Stefanie Stappenbeck, Katharina Eckfeld, Rüdiger Klink voor de camera.
& laat je van je hoge tonen niet ontluisteren die als druiven langs het metselwerk afduikelen tot ze aan de snaren van de basgitaren blijven hangen
Zoals zal blijken zitten we gevangen , zolang we in dezelfde richting blijven kijken
De permutator*) stookt zijn snelheid op
(Waar de feërieksten lagen in fine fleur vergaderen nu schelle heksen, ladies die het oor beledigen & het oog bezeren verkondigend de 'wraak der blanke lelies' hoe van binnenuit het herenvolk te decimeren)
De permutator m/v stookt de snelheid op & op tot de top blowt.
Duizenden zonsondergangen
Waar eens haar blonde haar wapperde in hemels blauw roest nu langs barre kust haar gebroken schaats; bloed aan het altaar.
Nog altijd sluip ik door het huis der duizenden zonsondergangen; haar web is sterk, ik ben het zelf, mijn spel is uit.
Ik ben het zelf waarin m'n bruidje scheepging; waar we samen hebben ontbeten vliegen nu de gieren en vliegende zielen der schepping.
Waarneming
Met het klimmen der jaren werden mijn ogen steeds beter, ik zie het verschil niet meer tussen rijke kooplieden en draaideurcriminelen (allebei stelen) of tussen gezeten gangsters en justitiële zwaargewichten, beiden bedreven in het blindelings uitvoeren van bevelen
Onderwijzers van de plattelandsuniversiteit maken alles erger door te wapperen met hersenspinsels van een platheid die misschien gezichtsverlies voorkwam in vroeger tijd maar heden niet verheelt dat hun studenten rechtstreeks worden opgeleid tot witteboordencriminaliteit
Je dacht dat dit de wereld was maar je waarneming wordt scherper, het is moeilijk te doen of je neus bloedt als je achter al die mensen op een mooie dag een grote geopende groeve opdoemen ziet; en het vermoeden groeit: dit is de wereld niet.
Er was een briefje dat de moeder van de drie meisjes waar ik soms op paste voor mij op tafel het gelegd. 'Toen ik vanmorgen vertelde dat jij vandaag zou komen, begonnen ze te juichen.'
Er waren die drie meisjes die me leerden dat als je een mandarijn pelt en het lukt de schil heel te laten, je een wens mag doen.
Er was de wens die ik deed, bij elke mandarijn opnieuw.
Er was een meisje helemaal opgetogen over wat zij wenste. 'Ik doe steeds dezelfde wens', riep ze.
Er was een meisje dat zei: 'Misschien weet ik wel wel welke wens jij doet. Misschien hebben wij dezelfde.'
Er was iemand die vroeg: 'Wat mis je het meest?' 'Thuis zijn', zei ik.
Er was een huis
Er was een huis waar we langsfietsten. 'In dit huis woont een vrouw die gek is,' zei mijn vriendinnetje. 'Ze is pas met stoel en al door het raam naar buiten gemieterd.' 'O ja?' vroeg ik. Ik zei niet dat in dat huis mijn tante woonde, die vaak raar deed maar aan wie ik nooit had gedacht in het woord gek
I peered into the crater’s heaving red And quailed. I called upon the Muse. I said, “The day I cease to serve you, let me die!” And woke alone to birdsong, in our bed.
The flame was sinewed like those angels Blake Drew faithfully. One old log, flake by flake, Gasped out its being. Had it hoped to rise Intact from such a wrestler’s give-and-take?
My house is made of wood so old, so dry From years beneath this pilot-light blue sky, A stranger’s idle glance could be the match That sends us all to blazes.—Where was I?
Ah yes. The man from Aetna showed concern. No alarm system—when would people learn? No outside stair. The work begins next week. Must I now marry that I may not burn?
Never again, oracular, wild-eyed, To breathe on a live ember deep inside? The contract signed in blood forbids that, too, Damping my spirit as it saves my hide.
Take risks! the crowd chants in a kind of rage To where his roaring garret frames the sage Held back by logic, by the very thought Of leaping to conclusions, at his age.
Besides, the cramped flue of each stanza draws Feeling away. To spare us? Or because Heaven is cold and needs the mortal stuff Flung nightly around its barenesses, like gauze.
Last weekend in a bar in Pawcatuck A boy’s face raw and lean as lightning struck. Before I knew what hit me, there you were, Sweetheart, with your wet blanket. Just my luck.
I touched the grate with my small hand, and got Corrected. Sister ran to kiss the spot. Today a blister full of speechless woe Wells up for the burnt children I am not.
Magda was molten at sixteen. The old Foundryman took his time, prepared the mold, Then poured. Lost wax, the last of many tears, Slid down her face. Adieu, rosebuds and gold!
That slim bronze figure of Free Speech among Repressive glooms woke ardor in the young, Only to ring with mirth—a trope in Czech Twisting implacably the fire’s tongue.
One grace: this dull asbestos halo meant For the bulb’s burning brow. Two drops of scent Upon it, and our booklined rooms, come dusk, Of a far-shining lamp grew redolent.
The riot had been “foretold” to Mrs. Platt, The landlady, by a glass ruby at The medium’s throat. “Next she’ll be throwing fits,” Gerald said coldly. “I shall move. That’s that.”
Torchlit, the student demonstrators came. Faint blues and violets within the flame Appeared to plead that fire at heart was shy And only incidentally to blame.
Consuming fear, that winter, swept the mind. Then silence, country sounds—and look! Behind Me stands the blackened chimney of our school, Crowned with a stork’s nest, rambler-rose-entwined.
A sunset to end all. Life’s brave disguise— Rages and fevers, worn to tantalize— Flickers to ash. What’s left may warm itself At the hearth glowing in its lover’s eyes.
~ Dear Fulmia, I thought of you for these Obsidian trinkets purchased, if you please, In a boutique at the volcano’s core. (Extinct? I wonder.) Love, Empedocles.
James Merrill (3 maart 1926 – 6 februari 1995) Poster voor een symposium over de dichter
Tags:Dolce far niente, Carnaval, Hoffmann von Fallersleben, Manfred Flügge, Hans Verhagen, Tjitske Jansen, James Merrill, Thomas Mann, Heinrich Mann, Katia Mann, Klaus Mann, Erika Mann, Golo Mann, Michael Mann, Elisabeth Mann, Romenu
De blinde leidt de blinden door David Teniers de Jonge, ca. 1655 (naar Domenico Fetti)
The Blind Leading The Blind
Take my hand. There are two of us in this cave. The sound you hear is water; you will hear it forever. The ground you walk on is rock. I have been here before. People come here to be born, to discover, to kiss, to dream and to dig and to kill. Watch for the mud. Summer blows in with scant of horses and roses; fall with the sound of sound breaking; winter shoves its empty sleeve down the dark of your throat. You will learn toads from diamonds, the fist from the palm, love from the sweat of love, falling from flying. There are a thousand runoffs. I have been here before. Once I followed the thread unrolled by a voice and when I returned my nails had grown into claws. Once I fell off a precipice. Once I found gold. Once I stumbled on murder, the thin parts of a girl. Walk on, keep walking, there are axes above us. Watch for occasional bits and bubbles of light, birthdays for you, recognitions: yourself, another. Watch for the mud. Listen for bells, for beggars. Something with wings went any against my chest once. There are two of us here. Touch me.
Lisel Mueller (Hamburg, 8 februari 1924) De Michaelskirche in Hamburg
Dolce far niente, Godfried Bomans, Multatuli, Frank Albers, Mona Van Duyn
Dolce far niente
The Letter door James Carroll Beckwith, 1910
Letters From A Father
Ulcerated tooth keeps me awake, there is such pain, would have to go to the hospital to have it pulled or would bleed to death from the blood thinners, but can't leave Mother, she falls and forgets her salve and her tranquilizers, her ankles swell so and her bowels are so bad, she almost had a stoppage and sometimes what she passes is green as grass.There are big holes in my thigh where my leg brace buckles the size of dimes. My head pounds from the high pressure.It is awful not to be able to get out, and I fell in the bathroom and the girl could hardly get me up at all. Sure thought my back was broken, it will be next time. Prostate is bad and heart has given out, feel bloated after supper. Have made my peace because am just plain done for and have no doubt that the Lord will come any day with my release. You say you enjoy your feeder, I don't see why you want to spend good money on grain for birds and you say you have a hundred sparrows, I'd buy poison and get rid of their diseases and turds.
Mona Van Duyn (9 mei 1921 – 2 december 2004) Waterloo, Iowa, de geboorteplaats van Mona van Duyn
“Voor Prick, die vlak naast hem lag, was dit niet zo erg. Maar Jozef, en vooral ik, die aan de uiterste rand lag, moesten maar zien hoe we de nacht doorkwamen. Dit was reden voor een soort bondgenootschap tussen ons tweeën die ons hele leven geduurd heeft; altijd is mijn broeder Jozef mij het meest na geweest. Niettemin bleven wij verre in de minderheid. Een volle nacht, ik weet het nog goed, hebben wij samen schouder aan schouder om de dekens gevochten, doch telkenmale werd de aanval afgeslagen. Ten slotte besloten wij aan het voeteneind te gaan slapen, met de benen in hun richting. En zo is het jaren gebleven, tot grote tevredenheid van beide partijen. Zolang wij gezamenlijk sliepen, gingen wij gelijk naar bed. Ik geloof dat het acht uur was, maar ik weet het niet zeker. Voordat hiertoe echter werd overgegaan, had er een kleine ceremonie plaats. Anna, die 'nog bij meneer zelf gediend had', stond erop dat wij alle vier op de po gingen. Want, zo meende zij, een christenmens kon niet slapen als niet alle `kwaje stoffen' d'r uit waren. Derhalve werden er vier po's op een rijtje tegen de muur geplaatst, de gebroeders Bas zetten zich erop, en keken elkander gespannen aan. Want het was zaak wie hem het eerste 'eruit' had. Had iemand hem het eerste eruit, dan stapte hij zegevierend in het bed, en wachtte op de volgende winnaar. En samen vuurden zij de twee achterblijvers aan om 'zich niet te laten kennen'; en deze keken elkander met rode gezichtjes aan, vastbesloten zich tot het uiterste te geven. Die arme Jozef! Hij verloor altijd, en wanneer de een na de ander in het bed kroop, en hij eenzaam op de vloer zat te steunen, kreeg ik wel eens medelijden met hem. Dan richtte ik mij op, en riep: `Hoever?' `Bijna,' klonk het dan ernstig terug. Goede Jozef! Maar soms werd hij beloond. `Kom 's allemaal kijken,' riep hij dan opgewonden. En wij vlogen gedrieën het bed uit, want 'die van Jozef waren niet mis'. En wij bezagen het werk met de ogen van kenners, die weten wat de prijs is, en zeiden dat het een 'knaap' was, terwijl de gelukkige eigenaar met een dankbaar lachje de hulde in ontvangst nam. Wanneer ik aan mijn jeugd terugdenk, zie ik altijd bepaalde plaatsen of bepaalde momenten voor mij. Zo zal het met ieder zijn. Een avond tussen vader en moeder op een bank aan de Merwede, herinner ik mij, terwijl de zon brandend achter de witte schepen onderging of bepaalde morgens — die zo wonderbaar kunnen zijn. Ik weet nog zo goed die ene sprookjesachtige morgen, dat ik vroeg uit bed was gekropen en in mijn nachthemdje ademloos op de vensterbank naar buiten keek, hoe de grijze nevels statig uit de Merwede omhoogrezen, en de blanke meeuwen daarboven geluidloos wiekten in de zuivere lucht, en hoe ik God hardop bad dat het toch alsjeblieft zo mocht blijven, altijd maar door zo rein, zo zuiver, zo stil.”
Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)
De Nederlandse schrijver Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker) werd geboren in Amsterdam op 2 maart 1820. Zie ook alle tags voor Multatuli op dit blog.
Uit: Max Havelaar
“Ik ben ook deugdzaam, maar vraag ik hiervoor beloning? Als mijn zaken goed gaan -- en dit doen ze -- als mijn vrouw en kinderen gezond zijn, zodat ik geen gemaal heb met dokter en apotheker ... als ik jaar-in jaar-uit een sommetje kan terzij leggen voor de oude dag ... als Frits knap opgroeit, om later in mijn plaats te komen als ik naar Driebergen ga ... zie, dan ben ik heel tevreden. Maar dit alles is een natuurlijk gevolg van de omstandigheden, en omdat ik op de zaken pas. Voor mijn deugd eis ik niets. En dat ik toch deugdzaam bèn, blijkt uit mijn liefde voor de waarheid. Deze is, na mijn gehechtheid aan het geloof, mijn hoofdneiging. En ik wenste dat ge hiervan overtuigd waart, lezer, omdat het de verontschuldiging is voor 't schrijven van dit boek. Een tweede neiging, die mij even sterk als waarheidsliefde beheerst, is de hartstocht voor mijn vak. Ik ben namelijk makelaar in koffie, Lauriergracht No 37. Welnu, lezer, aan mijn onkreukbare liefde voor de waarheid, en aan mijn ijver voor de zaken, hebt gij te danken dat deze bladen geschreven zijn. Ik zal u vertellen hoe dit is toegegaan. Daar ik nu voor 't ogenblik afscheid van u neem -- ik moet naar de beurs -- nodig ik u straks op een tweede hoofdstuk. Tot weerziens dus! Eilieve, steek het bij u ... 't is een kleine moeite ... het kan te pas komen ... ei zie, daar is het: een adreskaartje! Die Co. ben ik, sedert de Meyers er uit zijn ... de oude Last is mijn schoonvader.”
“Hij hoort hoe zij de keukendeur zachtjes sluit en even later ziet hij haar het tuinpad afgaan, grijze dot, groene regenjas, witte boodschappentas, de grijze laarzen die ze een paar weken geleden heeft gekocht tegen de koude die komen zou – door het zwarte smeedijzeren hek, naar de auto op straat, de motor die aanslaat, de stilte die wijkt, dan terugkomt. De oud-rechter buigt zich weer over zijn krant. Amerikaanse staat, zeven letters. ‘Daar heb je hem weer,’ zegt de dienster tegen de eerste klant terwijl ze hem een koffie voorzet en door het raam van De Zeehoorn wijst naar een oud mannetje dat het nog verlaten plein oversteekt. ‘De sandwichman. Sinds de Onafhankelijkheid komt hij hier bijna dagelijks voorbij.’ De klant is een jaar of veertig, kort grijzend haar, scherpe neus, krachtige kaaklijn, nooit eerder heeft ze hem in De Zeehoorn of elders gezien. Ze vindt hem aantrekkelijk, zelfs nu, zo vroeg. ‘Wie is de sandwichman?’ vraagt hij. Ze opent de glazen deur van De Zeehoorn en zegt: ‘Hoor.’ Landinwaarts, onzichtbaar vanaf de dijken en de fietspaden langs wegen en kanalen, voorbij de laatste huizen, de stortplaats en de kroegen met de dichtgetimmerde ramen, voorbij de gebarsten parkeerterreinen van het oude stadion waar het laatste applaus, de laatste supportersliederen al jaren zijn verklonken, daar, diep in het zompige niemandsland, aan het eind van een okergele grindweg, tussen de waterwilgen en de elzen, woont de vergeten sterspeler Balint met zijn honden Figo, Diego en Juan. ‘Ik hoop dat u allemaal goed heeft geslapen,’ zegt de gids in het Engels tegen de toeristen die zoals afgesproken na het ontbijt in de hal van het hotel hebben verzameld. Men knikt, men glimlacht, aan vele polsen bungelen digitale camera’s, sommigen drukken een reisgids tegen hun borst, anderen hebben een flesje water bij zich. De gids, een meisje van twee-, drieëntwintig met kort blond haar, gaat op haar tenen staan, telt de aanwezigen en kijkt op een blad. Veertig reizigers uit verschillende landen, stellen en individuele deelnemers, niemand jonger dan dertig, meer vrouwen dan mannen. Ondanks de eerste verkennende gesprekken tijdens het ontbijt aan twee grote ronde tafels is de groep nog geen groep, men kijkt elkaar afwachtend aan. ‘Goed,’ zegt de gids, ‘ik denk dat we er allemaal zijn. Dan gaan we nu naar de bus.’ Feloranje jekker. De glazen deur splijt open, weg is het warmeluchtgordijn”
Dolce far niente, Simon Vestdijk, Jan Eijkelboom, Peter Pessl
Dolce far niente
March Morning door John Atkinson Grimshaw, 1867
Maart
Dit is een duivelskind, deze maand Maart. Men kan dit in een stormnacht goed bemerken: Hij buitelt door de schoorsteen op de haard En blaast de torenhanen van de kerken!
Nochtans, al wat hij roert is slechts zijn staart, Waarmee hij wind maakt als met vogelvlerken, En van zijn hoef is enkel 't boerenpaard De drager, dat de akker gaat bewerken.
Rust en beweging is deze maand eigen: Wildheid der luchten, en op aarde 't wachtend Verlangen naar wat eerlang komen gaat.
En drooggewaaide stoepen langs de straat Zijn nooit zo helderblauw en kalm en smachtend Als wanneer buien in de hemel dreigen.
Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971) Harlingen, de geboorteplaats van Simon Vestdijk
Op een nacht lag ik wakker en hoorde mijn hart niet meer slaan. Ik ging dood dus niet uitverkoren of wedergeboren. Ontdaan dacht ik: voor eeuwig verloren. Ik had, als ik kon, wel op willen staan maar waarom zou ik mijn ouders storen? Het was gedaan, het was gedaan.
'k viel in slaap onder stil geschrei, was bevreemd toen het ochtend werd. angst begon later te tanen, vooral toen de meester eens zei: bekeringen gaan gepaard met tranen. Ik had gehuild, was dus gered.
Misschien is dit het laatste
Misschien is dit het laatste dat zal blijven, flarden landschap meestal niet huis te brengen maar autonoom van helderheid.
Platanen in hun blote bast langs een herkende weg - maar waar, waar ook alweer - in een bestofte hitte die lijkt op ongevraagd geluk.
Zich zomaar in den vreemde thuis te voelen, en dat bewaard voor wel een tel of zes, zeg zeven.
Ansicht
Een plein zo bleek van licht, je denkt dat, weliswaar zeer dun, maar dat er sneeuw op ligt.
Dan zie je mensen zonder jas, wel met een hoed, maar van dat splinterwitte stro, tegen het zonnesteekgevaar. Zoals in trams het spuwen was verboden.
Er kijken van dit kiekje louter doden in de nog ongewone lens. Zwart doek lag over 't hoofd van de gebogen mens die dacht: er staat nu wat er staat.
't Is het moment dat blijft. De eeuwigheid is wat vergaat.
Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)
De Oostenrijkse schrijver en radiokunstenaar Peter Pessl werd geboren op 1 maart 1963 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Peter Pesslop dit blog.
Uit: Formiert aus Luft, Aufzeichnungen aus dem Himalaya, Teil 3
Überaus „nicht mehr“, „nicht mehr über Strömungs-Störungsreste hinaus“, gab sich der kleine, retardierende Siedlungskern, der vorzeiten Vorhut einer zinnoberrot-weissen Grotten- und Königsstadt gewesen war, und dessen meiste, nach Jahrhunderten stetiger Zerstreuung, Minderung Inversion verbliebene Einwohner, beim Einmarsch der chinesischen Truppen über die nahen Pässe des Himalaya ins indische Garhwal, nach Kinnaur geflüchtet waren (und zwar ohne Wiederkehr).
Tagelang sah ich nur „auf“ und „vor“ (wenige mittelbare Einzelheiten fielen mir auf). Wochen später notierte ich: „Genaugenommen zwei und zwei leichte Wüstentage, zählten wir doch die schlaflosen Nächte mit ein“, folgten wir dem Sutlej-Canyon, (eine arschglatte Militärpiste benützten wir sicher nicht), dessen Abbrüche Einrisse (wirre) Konglomerate (leicht) hunderte Meter, auch senkrecht, abfielen:
„An einer Spick und Spina, an einer Klause sah ich, dass der Fluss (in der Hypertiefe) nur mehr Mühle war,
De Nederlandse schrijver, theatermaker en columnist Johan Fretzheeft de Nederlandse Boekhandelsprijs 2019 gewonnen met zijn roman “Onder de paramariboom”. Dat maakte Boekhandel Scheltema donderdag bekend. Johan Fretz werd geboren in Dordrecht in 1985 als zoon van een Nederlandse vader en een Surinaamse moeder. Fretz is afgestudeerd aan de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie en maakte in 2012 samen met Marcel Harteveld de voorstelling “Fretz 2025: Revolte”. De voorstelling was gebaseerd op de debuutroman “Fretz 2025” uit 2012. In 2018 kwam zijn tweede roman “Onder de Paramariboom” uit. In 2018 debuteerde hij ook als scenarioschrijver met de film 'Lost & Found' en stond hij als solist in het theater met de voorstelling 'De zachtmoedige radicaal'
Uit: Onder de Paramariboom
“Wanneer de volwassenen naar me keken, met de wrange bewondering voor iets wat ze zelf waren kwijtgeraakt, vroegen ze: ‘Waar kom je vandaan?’ ‘Dordrecht!’ zei ik dan. Aan de manier waarop ze me vervolgens uitdrukkingsloos aanstaarden, begreep ik dat dit niet het goede antwoord was. ‘Of zoals papa zegt: hoe dichter bij Dordt, hoe rotter het wordt.’ Ik lachte hard. Nog altijd niet het goede antwoord. Ze glimlachten en zeiden: ‘Maar waar kom je echt vandaan?’ Ik begreep niet wat ze bedoelden. Dachten ze soms dat ik loog? Moest ik maar wat uit mijn duim zuigen? Mijn vader had me weleens verteld dat ik uit de buik van mijn moeder kwam, maar dat leek me een leugen. De buik van mama, daar was ik veel te groot voor. Ik trok mijn wenkbrauwen, die toen al enorm waren, in een diepe frons en keek de volwassenen aan. ‘Ik kom uit… de buik van mama.’ Hun gezichten klaarden op. ‘Ah,’ zeiden ze, ‘en waar komt mama dan vandaan? En papa?’ Waarom hadden ze dit niet gewoon meteen gevraagd? ‘Papa komt uit Den Haag en mama komt uit de paramariboom, dat is een boom aan de andere kant van de zee en in die boom groeien zwarte mensen zoals mama en Ruud Gullit.’ Ik begreep nooit waarom ze zo hard moesten lachen, want ik sprak gewoon de waarheid. Tijden – maanden of jaren, dat verschil kende ik nog niet – heb ik me afgevraagd hoe die paramariboom eruit zou zien. Eerst maakte ik me een voorstelling van de stam, de takken, de bladeren, de geuren – ‘Waar zou de boom naar ruiken? Naar kokos misschien of anders naar roti?’ –, en later, toen ik eenmaal oud genoeg was om te begrijpen waarom de volwassenen om mijn antwoord hadden moeten lachen, werd de boom een stad, een land waarvan ik slechts vage contouren zag in mijn hoofd. Ik wilde er
Bart Koubaa, Sylvie Marie, Stephen Spender, John Montague, Josef Svatopluk Machar, Luc Dellisse, Marcel Pagnol, Benedict Wells, Martin Suter
De Vlaamse schrijver Bart Koubaa (pseudoniem van Bart van den Bossche) werd geboren op 28 februari 1968 in Eeklo. Zie ook alle tags voor Bart Koubaa op dit blog.
Uit: Ninja Nero
“Het onschuldige vlammetje dat op het kopje danste van de tweede lucifer die Jona Van Rein had afgestreken, was opgerezen tot een woeste zee van torenhoge vuurtongen die met zichtbaar plezier de eikenhouten vloer en houten muren, de boekenkast, de bamboeladder ertegen en de vleugelpiano met erop de ingelijste foto en erboven het abstracte schilderij verslonden. Het eerste lucifertje was middendoor gebroken en brandend op de doorleefde planken gevallen waar het voor zijn voeten was gedoofd. Het tweede lucifertje echter had hij een paar seconden triomfantelijk voor zich uit gehouden voor hij het op de in benzine gedrenkte aan elkaar geknoopte lakens smeet waardoor het vuur als een westelijke windstoot in een bootzeil ontvlamde en stiller dan verwacht langs de witte benzinelont naar zijn doel kroop: de moderne Steinway. Terwijl de hitte en de rookontwikkeling binnen toenamen en de vlammen van de vleugelpiano oversprongen naar het schilderij, de gordijnen en de boekenkast, liep Jona Van Rein, die een poosje met hongerige ogen het spektakel had aanschouwd, via de klapdeur achter in de keuken over het terras diep het sombere stoppelveld achter het huis in, waar hij glimlachend de vernietigende vuurkroon met een oog dichtgeknepen tussen duim en wijsvinger gadesloeg en daarna als een indiaan rond de flarden wit licht danste die hij in de plassen tussen de stoppels verspreid zag oplichten. Dat hij zo uitgelaten in de modder de regen. en vuurgoden tegen elkaar opzette besefte de dertienjarige Jona Van Rein niet, en toen het in de verre donkerte begon te rommelen en de wind de vlammen in de vuurzee aanwakkerde verstomde hij een moment, trok zijn linkerschoen uit de slurpende modder en rende naar het in lichterlaaie staande ouderlijke huis met de blik van iemand die iets vergeten is. Ondanks de grillige najaarswindstoten was het overdekte terras nog gespaard gebleven van de uitslaande vlammen die nu atonaal in het huis knetterden en de dertienjarige liep met zijn capuchon over zijn hoofd getrokken en een hand voor de mond terug langs de keuken de vuurzee in, waar hij zag hoe een balk boven hem, als het eerste lucifertje dat hij had afgestreken, doormidden brak en een deel van het dak instortte terwijl hij opgelucht en opgewonden de sirenes van de brandweerwagens de donder en het vuur hoorde overstemmen. 'Niet regenen,' zong hij bijna, 'niet regenen.' De brandweerman had het hoofd koel gehouden en de wonden op de bewusteloze jongen die hij uit het brandend huis naar buiten had gedragen herkend: ze waren niet nat, blaarvormig en roze, maar grijs, wit en droog, wat op een ernstige graadverbranding wees. Hij had de wonden op zijn gezicht, borst, en rechterarm direct met lauw water afgekoeld en was toen met de hulpdiensten naar het brandwondencentrum meegereden terwijl zijn collega’s nog aan het blussen waren. Nadat de jongen, in kritieke toestand, was afgewerkt op de spoedgevallendienst had hij hem uit handen moeten geven. Hij had hem rijdend op een brancard door een groenige gang zien verdwijnen, een onherkenbaar voor zijn leven vechtend wezen dat toen hij het terug kon zien door woorden werd gedefinieerd waar hij zich, behalve bij ‘de huid is er zeer ernstig aan toe’ en ‘pulmonaire schade’, niets bij kon voorstellen.”
Bart Koubaa (Eeklo, 28 februari 1968)
De Vlaamse dichteres Sylvie Marie(pseudoniem van Sylvie De Coninck) werd geboren in Tielt op 28 februari 1984. Zie ook alle tags voor Sylvie Marieop dit blog.
we zouden kunnen gaan zitten in een koffiekopje.
je weet wel, een klassiek, met schuine wanden, zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.
geen mok, dat niet. geen grote cilinder met platte bodem
maar zo’n kleintje, bol.
misschien dat we daarin moeten investeren: van alle kamers kopjes maken.
*
beginnen
hij zou haar bloemen moeten brengen, een vaas en kraanwater. een rood tafellaken en kaarslicht om samen naar te kijken. het is dat hij zich geen blijf weet met zijn houding. bij haar komen er blozende kaken. krijgt hij het niet altijd goed gezegd. hoe zou zij zich voelen als ze er bij iemand naakt lijkt bij te zitten? zou ze ook geen zaken zoeken om achter te verdwijnen: haren, handen en vrolijke verhaaltjes waarin de hoofdpersonages eerst heel veel hindernissen moeten overwinnen vooraleer ze in elkaars armen mogen vallen? er zijn sprookjes die nooit eindigen op ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. sommige sprookjes verlangen ‘er was eens’.
The guns spell money's ultimate reason In letters of lead on the spring hillside. But the boy lying dead under the olive trees Was too young and too silly To have been notable to their important eye. He was a better target for a kiss.
When he lived, tall factory hooters never summoned him. Nor did restaurant plate-glass doors revolve to wave him in. His name never appeared in the papers. The world maintained its traditional wall Round the dead with their gold sunk deep as a well, Whilst his life, intangible as a Stock Exchange rumour, drifted outside.
O too lightly he threw down his cap One day when the breeze threw petals from the trees. The unflowering wall sprouted with guns, Machine-gun anger quickly scythed the grasses; Flags and leaves fell from hands and branches; The tweed cap rotted in the nettles.
Consider his life which was valueless In terms of employment, hotel ledgers, news files. Consider. One bullet in ten thousand kills a man. Ask. Was so much expenditure justified On the death of one so young and so silly Lying under the olive tree, O world, O death?
A real flower garden overhanging the road (our miniature Babylon). Paths which I helped to lay with Aunt Winifred, riprapped with pebbles; shards of painted delph; an old potato boiler; a blackened metal pot, now bright with petals.
Hedges of laurel, palm. A hovering scent of boxwood. Crouched in the flowering lilac, I could oversee the main road, old Lynch march to the wellspring with his bucket, whistling, his carrotty sons herding in and out their milch cows: a growing whine of cars.
Then, the vegetable garden behind, rows of broad beans plumping their cushions, the furled freshness of tight little lettuce heads, slim green pea pods above early flowering potatoes, gross clumps of carrots, parsnips, a frailty of parsley, a cool fragrance of mint.
Sealed off by sweetpea clambering up its wired fence, the tarred goats' shack which stank in summer, in its fallow, stone-heaped corner.
With, on the grassy margin, a well-wired chicken run, cheeping balls of fluff brought one by one into the sun from their metallic mother —the oil-fed incubator— always in danger from the marauding cat, or the stealthy, hungry vixen: I, their small guardian.
Two gardens, the front for beauty, the back for use. Sleepless now, I wander through both and it is summer again, the long summers of youth as I trace small paths in a trance of growth: flowers pluck at my coat as I bend down to help, or speak to my aunt, whose calloused hands caressing the plants are tender as a girl's.
John Montague (28 februari 1929 – 10 december 2016) Hier met echtgenote, de Amerikaanse schrijfster Elizabeth Wassell
„Ein zweites Mal fuhren wir nicht nach Favoriten – die Sehnsucht nach Landsleuten war mir vergangen. Unsere Entdeckungsreisen 258 Josef Svatopluk Machar setzten wir aber fort. Wir gingen in die Vorstädte – Wien war damals noch nicht Groß-Wien –, wir besuchten und besichtigten Währing, Döbling, Hernals, Ottakring, fuhren nach Schönbrunn, in den Prater und auf den Kahlenberg. Dort ereignete sich sozusagen die „Empfängnis“ jenes Gedichts, das ich drei Jahre später schrieb und das einer der bekanntesten Texte meiner „Tristia“ ist. Nach diesen Ausflügen stellte ich einen Reiseführer durch Wien zusammen: Die Ringstraße abfahren, Schönbrunn und den Prater besuchen, auf den Kahlenberg fahren – und Sie haben alles gesehen, was sich Wien nennt. Jahrelang habe ich dann jedem, der Wien zum ersten Mal besuchte und es kennenlernen wollte, diesen Führer mündlich weitergegeben – er war für jeden ausreichend, jeder von ihnen war in zwei Tagen mit Wien fertig. Die Gemäldegalerie befand sich damals im Belvedere, dem ehemaligen Lustschloß des Prinzen Eugen. Ich besichtigte auch sie und fügte sie dem Verzeichnis meines Reiseführers hinzu (für jene Personen, die sich in Wien einen Vormittag länger aufhalten wollten). Ich hatte mich dort in Velázquez verliebt – eine Liebe, der ich während der ganzen Zeit meines Wiener Aufenthalts treu blieb.“
Josef Svatopluk Machar (29 februari 1864 – 17 maart 1942) Cover biografie
De Belgische-Franse dichter, schrijver, essayist, dramaturg en scenarioschrijver Luc Dellissewerd geboren op 28 februari 1953 in Brussel. Zie ook alle tags voor Luc Delisseop dit blog.
Uit: La treizième poche
“Entre deux périodes d’abattement, j’ai presque une vie sublime. Ma solitude extrême est peuplée de paysages et de rencontres imaginaires dont je suis irradié. La moindre promenade dans la rue me plonge dans une forêt transparente, et les cyclistes sont des Dianes chasseresses, et les perroquets, dans les arbres du square, un halo de Jouvence. Le monde visible est l’antidote du monde réel. Le tamtam bipolaire du temps résonne à mes oreilles comme les échos d’une danse sans fin. N’étaient les visages effarés sur les écrans du ciel, je pourrais tenir indéfiniment. Mais par un symptôme au moins je connais ma fêlure, la lézarde dans mon esprit. Tous les jours, à une certaine heure de l’après-midi, les quatre objets usuels sans lesquels l’existence se complique disparaissent de la portée de ma main, et pourtant je les avais sur moi. Oui, j’avais mes clés, mon téléphone, mes lunettes et mon argent. Je ne les ai abandonnés sur aucune table, aucune banquette arrière, aucun comptoir, aucun amas de coussins. Ils ne sont plus là. Commence alors l’investigation. J’ai une méthode lente et sûre. Je sais exactement combien je trimballe de poches avec moi. Aujourd’hui, j’en ai quatorze, puisqu’il fait froid. Quatorze ? J’ai peur de vous perdre en route. Comptons ensemble. Le pantalon, quatre poches. La chemise, une. Le veston, quatre. Le manteau enfin, facultatif : cinq. Le compte juste”.
Luc Dellisse (Brussel, 28 februari 1953)
De Franse dichter, schrijver, dramaturg en regisseur Marcel Pagnol werd geboren op 28 februari 1895 in Aubagne, Bouches-du-Rhône. Zie ook alle tags voor Marcel Pagnol op dit blog.
Uit: Souvenirs d’enfance – Le temps des amours
“Sa main, dans sa poche, tourmentait sa bouffarde, qu'il n'osait point sortir car, me confia-t-il, ce serait indécent ! Et pourtant, il avait une fameuse envie d'en incendier une... Les petites baraques étaient assaillies et chaque lycéen, ayant déjà « repéré » quelque beauté de son goût, se mettait en chasse, armé de bonbons fondants et de fleurs. Lagneau frémissait d'impatience ; il me confia tout bas qu'il allait lui proposer de l'enlever, car il ne pouvait plus vivre sans elle... Havet vint à nous et nous demanda si nous étions contents de nos épreuves ; pour lui, il nous donna son compte de points et de demi-points ; et comme nous ne l'écoutions guère, il se rabattit sur Polype qui arrivait, et l'assiégea. Tout à coup, L'agneau s'écria : « La voilà !... » C'était elle, en effet, tout de bleu vêtue, avec un col blanc qui lui donnait un air charmant de fillette. Deux cousines l'accompagnaient et, derrière elles, marchait une dame fort grosse et vêtue de soie brillante, qui semblait demander grâce à chaque pas. Elles se tournèrent vers la dame, et se concertèrent. Puis le petit groupe, à travers la foule, se dirigea vers la buvette en plein air. La grosse dame accabla de son poids une chaise de jardin, et se fit apporter de la limonade. Puis elle distribua de l'argent aux jeunes filles, qui tout de suite s'avancèrent vers les baraques. (…)
Je me promis de ne point regarder et de remplir mon rôle avec abnégation. Pourquoi diable venait-elle avec sa cousine ? Cela me chiffonnait. Cela devait paraître peu convenable à Peluque, car il les rejoignit à quelque distance de la grotte, et je l'entendis qui offrait à la cousine (charmante, ma foi) de lui faire visiter le Parc. On aurait cru vraiment qu'il en était l'indiscutable propriétaire, et il disait ça si bien qu'elle accepta, et tous deux montèrent sous les yeuses, tandis que Lucienne s'avançait vers la caverne. De ma cachette, j'entendis éternuer Lagneau. Elle entra. Je n'entendis rien... J'eus bien envie de me retourner mais je luttai. Puis une voix, celle de Lagneau, s'éleva : « Alors, tu... tu... vous êtes un peu venue à cette kermesse ? - Oui. - Ah ah ! C'est très bien. C'est très bien... » Je n'y pus résister, et je regardai. Lagneau, écarlate, était debout, en face de Lucienne, sur la porte de la grotte. Il tournait gauchement son chapeau dans ses mains et regardait fixement son soulier gauche. La jeune personne, les joues en feu... chiffonnait nerveusement une fleur... « Il y a beaucoup de monde », fit remarquer Lagneau. Elle ne répondit pas. « La recette sera bonne », reprit-il. Puis, d'un ton convaincu : « Tant mieux. C'est pour les pauvres... »
Marcel Pagnol (28 februari 1895 – 18 april 1974) Cover biografie
„Die spartanischen Zimmer teilte man mit Fremden, die manchmal zu Freunden wurden. Nach einem Jahr musste man wieder umziehen. Schwierig, sein ganzes Leben auf so wenig Zeit und Raum ausbreiten zu müssen, es gab viel Streit, aber auch nächtelange Unterhaltungen. Ganz selten sprachen wir über wirklich wichtige Dinge, Dinge, die wir bei Tageslicht nie wiederholt hätten, meistens jedoch redeten wir nur über Lehrer oder Mädchen. »Hat sie heute beim Essen wieder zu mir hergesehen?«, oder: »Wie, die kennst du nicht? Verdammt, Moreau, das ist die Schönste an der ganzen scheiß Schule.« Viele Heimschüler waren zu Hause schon einmal auffällig geworden oder durchgefallen, manche hatten Drogen genommen. Hin und wieder wurden auch besonders kriminelle Exemplare wie Strandgut ins Internat gespült, das als staatliche Einrichtung dazu verpflichtet war, nahezu jeden aufzunehmen. Dem gegenüber stand die fassungslose Dorfjugend, die mit ansehen musste, wie die Verrückten aus der Stadt in ihre Idylle einfielen. »Bist du auch aus dem Heim?«, fragten sie einen dann, wobei mit »Heim« weniger Internat als Irrenanstalt gemeint war. Beim Essen schlangen wir alles in uns hinein, es gab nie genug. In uns ein Hunger, der nie ganz gestillt werden konnte. Dafür gab es im Heim ein ständiges Grundrauschen von Gerüchten, es wurde genau registriert, wer mit wem sprach, welche Freundschaften entstanden und wer bei den Mädchen hoch im Kurs stand. Nicht jede Veränderung wurde gebilligt. Es gab neue Klamotten, die von ihrem Besitzer erst stolz vorgeführt wurden und dann schnell wieder im Schrank verschwanden, wenn sie keinen Anklang gefunden hatten. Manche Heimschüler versuchten, sich über die Sommerferien ein neues Image zuzulegen, sie kamen von zu Hause mit frischem Selbstbewusstsein, aber die meisten von ihnen waren bereits nach wenigen Tagen wieder die Alten. Man war und blieb der, für den die anderen einen hielten.“
„Etwas war anders, aber er wusste nicht, was. Peter Taler stand am Fenster und hielt die Bierfla-sche mit zwei Fingern am Hals, damit seine Hand ihren Inhalt nicht wärmte. Als kitte er seinem Feierabendbier je-mals genügend Zeit gelassen, wann zu werden. Ein grauer Nissan fuhr vor und parkte auf einem der vier Parkplätze vor dem Haus. Zwischen Talers Citroin und dem Lancia der neuen Mieter. deren Namen er noch nicht kannte. Keller stieg aus, nahm sein Jackett vom Rücksitz, zog es an. ergriff seine Mappe, verriegelte den Wagen mit der Fernbedienung seines Autoschlüssels und ging zum Briefkasten. Er hob die Klappe, versicherte sich, dass seine Frau ihn schon geleert hatte, und ging auf die Haustür zu. Taler trank einen Schluck. Von allen Getränken, die er kannte, war ihm eiskaltes Bier das liebste. Die Art, wie es sich im Mund anfühlte und wie es die Kehle hinunterlief. der Geschmack, den es zurückließ, die Behutsamkeit, mit der es seine Wirkung entfaltete — alles konkurrenzlos wun-derbar. Nur den Geruch mochte er nicht. Deshalb trank er es aus der Flasche. Je enger das Gefäß, fand er, desto diskre-ter die Geruchsentfaltung. Der letzte der vier Parkplätze, von denen jeder ein Schild mit der Autonummer des legitimen Benutzen trug, war noch frei. Er gehörte Frau Feldter, deren Parkplatzbelegung so unberechenbar war wie ihr Arbeitsrhythmus. Manchmal war der Platz tagelang frei, manchmal wochenlang besetzt, manchmal stand ihr nirkisblauer Fiat joo den ganzen Tag über dort und manchmal, ganz bürgerlich, nur in der Nacht. Frau Feldter war Flugbegleiterin. Sie befand sich jetzt ir-gendwo in der Luft oder an einer ihrer Destinationen. Ihr Wagen stand wohl auf dem Personalparkplatz des Flug-hafens. Alles ging seinen gewohnten Gang. Und doch war etwas anders. Auf dem Weg in die Küche trank er die Flasche aus, stellte sie in die Tüte für Altglas, holte eine neue aus dem Kühlschrank und postierte sich wieder am Fenster. Etwas war anders. Er kannte diesen Ausschnitt der Welt sehr genau. Wenn er sich ganz nahe ans Fenster stellte, sah er links etwa hun-dertzwanzig Meter bis zu einer Kurve. aus der der Gustav-Rautner-Weg hervorkam. Rechts reichte der Blick nur etwa halb so weit bis dorthin, wo dieser in einer zweiten Kurve wieder verschwand. Die gegenüberliegende Seite der schmalen Teerstraße war gesäumt von immer wieder renovierten und umgebauten Einfamilienhäusern aus den fünfziger Jahren mit kleinen Gärten, von denen die meisten zu pflegeleichten Sitzplätzen umfunktioniert worden waren, mit mehr Betonplatten als Rasen. Auf seiner Seite der Straße standen in zwei Reihen drei-stöckige Wohnblocks, wie sie in den sechziger Jahren mo-dern gewesen waren: die Seitenfassaden mit Waschbeton-platten verkleidet, die Fronten aus beigem Verputz.“
Tags:Bart Koubaa, Sylvie Marie, Stephen Spender, John Montague, Josef Svatopluk Machar, Luc Dellisse, Marcel Pagnol, Benedict Wells, Martin Suter, Romenu
“He comes in, scraping his feet on the metal grill outside the back door, not because he needs to, but from habit. Or perhaps it is his announcement—a signal they have always had but never spoken of. They had many of these when they were younger. She rinses the cafetière and warms the cup with water from the kettle, which she’s boiled several times while she has waited for him. She does not make the coffee. Some things she mustn’t do. She’s threatened by the coffee, about how strong to make it, how it tastes when it is made. He makes coffee every day, just for himself as no one else drinks it. He makes a strong potful of coffee at this time of the morning and it does him for the day, warming up the cupfuls in a pan as they are needed, which makes them stronger as the day goes on. No one else touches the pan. She says it’s why he does not sleep. His first coffee each morning is the remnants of the night before because he does not want to wake the house grinding the beans, and the children sleep above the thin ceiling of the kitchen. He sits at the table with a loose fist and runs his thumb over the first joint of his forefinger in the way he has, so it makes a quiet purring sound, like rubbing leather. “What about the dosing?” “It’ll have to wait,” he says. He rubs his finger. He does this always at the table, talking or reading a paper, even with the handle of a cup held there, so that this part of his finger is smooth and shines. Whenever he’s at rest. “I don’t know,” he says. “I’ve checked the obvious places and she’s not there. She’s got her head down and gone.” He does not tell her about the stillborn calf. “It’s typical. It has to be today,” she says. “I should have gotten up to check.” “She would have gone anyway,” he says quietly. He looks down at the missing part of his little finger on his right hand and makes the sound against his thumb again. She still blames herself for this damage to him. He was trying to free the bailer from the new tractor and she had done something and the catch had just bit down. He takes a mouthful of coffee. It was a clean cut and it healed well and he could have lost his hand instead. That’s how he looks at it. In some ways he loves it.”
Het zijn normaal jonge jongens. In de lente verlaten ze hun huizen halsoverkop, alsof iemand hen riep. Wie overleeft, herinnert zich niet wat het was – het zachte wieken van wijd uitgestrekte vleugels een stille roep, zoals stenen zingen in de hoofden van krankzinnigen. Van sommigen zijn de vaders eerder gegaan, er is geen kaart een richting, geen route; soms komt er een aan, keert terug naar waar hij eens vertrok vertelt het na, vervormd, gehavend kleren tot op de draad kapot de blik spreekt louter waanzin: Een arendsnest op de rotsen weggedraaide ogen, paarse lippen heel het gastpad afgedwaald om weer hier te zijn. De mare wil dat ze luisteren.
Portaal
Vader stond buiten voor de deur. De zoon stuurde hem weg, wachtte lange dagen tot hij terugkwam verjaagde hem telkens opnieuw maar keek bij elke terugkeer langer prentte zijn trekken in als zocht hij ten slotte iets om zich te kunnen herinneren. Toen vader toch weer op het tuinpad stond schoot hij ogenblikkelijk zijn jas aan, ging naar buiten, trok de deur achter zich dicht. Ze liepen samen op, kenden de richting.
“And all the time the farms grew larger and the owners fewer. And there were pitifully few farmers on the land any more. And the imported serfs were beaten and frightened and starved until some went home again, and some grew fierce and were killed or driven from the country. And farms grew larger and the owners fewer. And the crops changed. Fruit trees took the place of grain fields, and vegetables to feed the world spread out on the bottoms: lettuce, cauliflower, artichokes, potatoes--stoop crops. A man may stand to use a scythe, a plow, a pitchfork; but he must crawl like a bug between the rows of lettuce, he must bend his back and pull his long bag between the cotton rows, he must go on his knees like a penitent across a cauliflower patch. And it came about that owners no longer worked on their farms. They farmed on paper; and they forgot the land, the smell, the feel of it, and remembered only that they owned it, remembered only what they gained and lost by it. And some of the farms grew so large that one man could not even conceive of them any more, so large that it took batteries of bookkeepers to keep track of interest and gain and loss; chemists to test the soil, to replenish; straw bosses to see that the stooping men were moving along the rows as swiftly as the material of their bodies could stand. Then such a farmer really became a storekeeper, and kept a store. He paid the men, and sold them food, and took the money back. And after a while he did not pay the men at all, and saved bookkeeping. “These farms gave food on credit. A man might work and feed himself; and when the work was done, he might find that he owed money to the company. And the owners not only did not work the farms any more, many of them had never seen the farms they owned. And then the dispossessed were drawn west--from Kansas, Oklahoma, Texas, New Mexico; from Nevada and Arkansas families, tribes, dusted out, tractored out. Carloads, caravans, homeless and hungry; twenty thousand and fifty thousand and a hundred thousand and two hundred thousand.”
John Steinbeck (27 februari 1902 – 20 december 1968) Poster voor de gelijknamige film uit 1940
De Portugese dichter, vertaler en essayistRuy de Moura Belowerd geboren op 27 februari 1933 in São João da Ribeira, nabij Rio Maior. Zie ookalle tags voor Ruy Beloop dit blog.
Anniversary Mass
It’s been one year since your steps last walked in our parish Where do you who belonged to these fields whose wheat is again turning ripe belong now? What’s your new name? Can there be a more unusual weekend than a saturday like this one that never ends? How do you fill your time now that all the time ahead of you is free? What sort of steps might take you behind the cooing of a dove in our skies? Why have you never again had a birthday even though the table is set and waiting for you and the mulberry trees along the road are in bloom again?
That’s what his voice was like that’s how he talked says the yellow-flowered broom that grows here and that saw him walk on the pathways of childhood next to his first flight of partridges
Now only in our neckties do we take you who are dead to those paths where you left the mark of your feet Only in our neckties. Your death has stopped dressing us up completely The summer you departed I clearly remember thinking profound things It’s summer again. You have ever less place in this corner of us where every year we will piously unearth you Until the death of your death
Vertaald door Richard Zenith
Ruy Belo (27 februari 1933 – 8 augustus 1978) Cover
“Journeys, like artists, are born and not made. A thousand differing circumstances contribute to them, few of them willed or determined by the will — whatever we may think. They flower spontaneously out of the demands of our natures — and the best of them lead us not only outwards in space, but inwards as well. Travel can be one of the most rewarding forms of introspection ... These thoughts belong to Venice at dawn, seen from the deck of the ship which is to carry me down through the islands to Cyprus; a Venice wobbling in a thousand fresh-water reflections, cool as a jelly. It was as if some great master, stricken by dementia, had burst his whole colour-box against the sky to deafen the inner eye of the world. Cloud and water mixed into each other, dripping with colours, merging, overlapping, liquefying, with steeples and balconies and roofs floating in space, like the fragments of some stained-glass window seen through a dozen veils of ricepaper. Fragments of history touched with the colours of wine, tar, ochre, blood, fire-opal and ripening grain. The whole at the same time being rinsed softly back at the edges into a dawn sky as softly as circumspectly blue as a pigeon's egg. Mentally I held it all, softly as an abstract painting, cradling it in my thoughts — the whole encampment of cathedrals and palaces, against the sharply-focused face of Stendhal as he sits forever upon a stiff-backed chair at Florian's sipping wine: or on that of a Corvo, flitting like some huge fruit-bat down these light-bewitched alleys ... The pigeons swarm the belfries. I can hear their wings across the water like the beating of fans in a great summer ballroom. The vaporetto on the Grand Canal beats too, softly as a human pulse, faltering and renewing itself after every hesitation which marks a landing-stage. The glass palaces of the Doges are being pounded in a crystal mortar, strained through a prism. Venice will never be far from me in Cyprus — for the lion of Saint Mark still rides the humid airs of Famagusta, of Kyrenia. It is an appropriate point of departure for the traveller to the eastern Levant ... But heavens, it was cold. Down on the grey flagged quay I had noticed a coffee-stall which sold glasses of warm milk and croissants. It was immediately opposite the gang-plank, so that I was in no danger of losing my ship. A small dark man with a birdy eye served me wordlessly, yawning in my face, so that in sympathy I was forced to yawn too. I gave him the last of my liras. There were no seats, but I made myself comfortable on an upended barrel and, breaking my bread into the hot milk, fell into a sleepy contemplation of Venice from this unfamiliar angle of vision across the outer harbour. A tug sighed and spouted a milky jet upon the nearest cloud.”
Lawrence Durrell (27 februari 1912 – 7 november 1990) Cover
De Canadese dichter, schrijver en essayist André Roywerd geboren op 27 februari 1944 in Montréal. Zie ook alle tags van André Royop dit blog.
Het is nog nacht
Het is nog nacht de actieve droom, de machine van actie; de nacht in de bossen, de woestijnen, de steden. Ik droomde van twee werelden: een, zichtbaar en sterfelijk; de andere, onzichtbaar, met fantomen moe sinds de geboorte. Ik observeer, ik zie de dans van de tijd, de criminelen die 's nachts terugkwamen.
In de nacht houden wij ons op
In de nacht houden wij ons op jij, ik, wij, de anderen, die zijn zoals wij. Nogmaals de actie, de structuur van het denken in actie. Moderne wereld van bossen en water. Je behoort tot de reizende kooplieden, onze voorouders de vampieren. De steden, de huizen, de bedden, waar we ons mysterieus, onmogelijk, onsterfelijk waanden wat een waanzin! Het verlangen stroomt; we zouden onszelf kunnen doden voor de kennis van het verlangen.
Niemand behaupte ich sei taub. Allabendlich höre ich die Unrast der Sterne.
Niemand behaupte ich sei blind oder lahm. Ich nehme Stock und Stein bis zum jähen Ereignis.
Niemand behaupte ich hätte zu träumen versäumt. Ich werde nicht nach Tibet reisen und auch nicht nach Tanger. Mir träumte ich fände den Weg nicht zurück.
An ein Kind
Wenn wir lange genug warten, dann wird es kommen. Heute noch, fragt das Kind. Heut oder morgen. Ein Schiff, mußt du wissen, braucht Zeit. So weit und breit wie das Meer. Dann bist du groß. Dann steigen wir ein und machen die Reise. Zusammen. Wir beide. Und jeder auf seine Weise.
Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)
“When he'd come home, Bill was there, white and scared. But he hadn't hit him. He'd talked to Bill like a father. Lizz had gone to see McCarthy, the police sergeant whose boys played with Bill and Danny, and McCarthy had quashed it all. He'd paid for the pocketbook, and it was all forgotten. After that, Bill had settled down. Now, you couldn't want for a decenter boy. He looked at his leathery face in the mirror. He washed it, dried himself, cleaned out the wash bowl, and left the bathroom. He put on his khaki shirt, passed through the small hallway to the dining room, and was ready to eat. The dining-room table was covered with dishes and papers. In the center of it there was a large glass cake-dish, which contained crumbs and a stale chunk of cake. Lizz pushed dishes aside and set coffee, sugar buns, and a plate of ham and eggs before him. She wore an old apron and had a rag tied under her chin. She looked sloppy. Jim pitched into the ham and eggs. "I was over to see my mother yesterday," Lizz remarked, sitting down to talk with him. He nodded, but said nothing. He bit into a sugar bun. He was waiting to see whether or not she'd had another scrap with her people. "Mother said that Al isn't well," she said. "You wouldn't think he would be, having a doctor like Mike Geraghty," Jim said, suddenly bitter. His face clouded. He remembered his Little Arty, now three years dead. All their good luck had to come after Arty was long since dead. He wiped up the yolk from the plate with a bun and ate it, and then he shoved his plate aside and handed Lizz his cup for more coffee. She returned with a filled cup and sat down. "Lizz, it's a long time since the little fellow left us. You really ought to take off your mourning. If you do that you won't be sad so often. You have to let time heal old wounds," he said, his voice kindly. "Oh, Jim, I see the children playing on Calumet Avenue, and it breaks my heart. Not one of them is as beautiful as our Arty was." "Come on now, Lizz, we've got to brace up. We've got lots to be thankful for, even with the tough breaks we had in the past," he said, but the image of little Arty stood in his mind, a lovely, light-haired boy in a dirty dress, staring with those wonderful sad eyes and saying "Fither." Lizz wiped her eyes with her apron. "Jim, I can't help it. I look at our new house and I think of him. Oh, how he would have loved it. He'd be going to school this year or next. Everywhere I see, Jim, makes me think of him. I can't help it. I can't take off my mourning," she said in tears.”
James T. Farrell (27 februari 1904 – 22 augustus 1979) Cover
De Amerikaanse schrijver Irwin Shawwerd geboren op 27 februari 1913 als Irwin Gilbert Shamforoff in New York. Zie alle tags voor Irwin Shawop dit blog.
Uit:Rich Man, Poor Man
“Boylan was standing at the bar in his tweed topcoat, staring at his glass, when Rudolph came down the little flight of steps from Eighth Street, carrying the overnight bag. There were only men standing at the bar and most of them were probably fairies. "I see you have the bag," Boylan said. "She didn't want it." "And the dress?" "She took the dress." "What are you drinking?" "A beer, please." "One beer, please," Boylan said to the bartender. "And I'll continue with whiskey." Boylan looked at himself in the mirror behind the bar. His eyebrows were blonder than they had been last week. His face was very tan, as though he had been lying on a southern beach for months. Two or three of the fairies at the bar were equally brown. Rudolph knew about the sun lamp by now. "I make it a point to look as healthy and attractive as I can at all times," Boylan had explained to Rudolph. "Even if I don't see anybody for weeks on end. It's a form of self-respect." Rudolph was so dark, anyway, that he felt he could respect himself without a sun lamp. The bartender put the drinks down in front of them. Boylan's fingers trembled a little as he picked up his glass. Rudolph wondered how many whiskies he had had. "Did you tell her I was here?" Boylan asked. "Yes." "Is she coming?" "No. The man she was with wanted to come and meet you, but she didn't." There was no point in not being honest. "Ah," Boylan said. "The man she was with." "She's living with somebody." "I see," Boylan said flatly. "It didn't take long, did it?" Rudolph drank his beer. "Your sister is an extravagantly sensual woman," Boylan said. "I fear for where it may lead her." Rudolph kept drinking his beer. "They're not married, by any chance?" "No. He's still married to somebody else." Boylan looked at himself in the mirror again for a while. A burly young man in a black turtle-neck sweater down the bar caught his eye in the glass and smiled. Boylan turned away slightly, toward Rudolph. "What sort of fellow is he? Did you like him?" "Young," Rudolph said. "He seemed nice enough. Full ofjokes." "Full of jokes," Boylan repeated. "Why shouldn't he be full of jokes? What sort of place do they have?" "Two furnished rooms in a walkup." "Your sister has a romantic disregard of the advantages of money," Boylan said. "She will regret it later. Among the other things she will regret." "She seemed happy." Rudolph found Boylan's prophecies distasteful.”
Irwin Shaw (27 februari 1913 – 16 mei 1984) Cover voor een omnibus
Tags:Cynan Jones, Mischa Andriessen, John Steinbeck, Ruy Belo, Lawrence Durrell, André Roy, Elisabeth Borchers, James T. Farrell, Irwin Shaw, Frans Roumen, Romenu