memory lane...

Mijn poezenverhalen vinden jullie door in de linkerkolom op de foto van de betreffende poes te klikken. En als je op "Poezenstrips" klikt kan je lezen wat mijn poezen onderling allemaal zitten te roddelen... Mijn reisverhalen van Thailand, Egypte en Noorwegen staan ook in de zijkolom. "Mijn Jeugdherinneringen" beschrijven de jaren 60 in Antwerpen. Veel plezier!
memory lane...

Afscheid van Laathi
Beste vrienden,
Hyperacusis en tinnitus
Laathi en Laathi...
Onze laatste tedere dagen samen...

kaartje
verloren rijden
Geen gedoe.Wat ik hier in onze landelijke Middeleeuwen zo zalig vind is dat hier geen gedoe is rond Kerstmis en Nieuwjaar. Ik hoef geen enkel kadootje te kopen, geen goede kleren bijeen te zoeken, er staan geen files op de wegen (omdat er amper wegen zijn), er is geen drukte in de winkels en de tomaten kosten net evenveel als anders. Alles gaat er hier zo heerlijk no nonsense aan toe.
Ik was kompleet vergeten dat het vandaag oudjaarsavond was, tot gisteren mijn buurvrouw kwam vragen of we "iets te doen hadden morgenavond".
"Niet echt. Gewoon wat schilderen, als altijd..."
"Oh, kom dan bij ons iets eten in het laat!"
"Dat is prima. Een pizza-tje ofzo?"
"Och, dat mag wel iets meer zijn hé!"
"Maar voor ons hoeft ge niets speciaal te doen hé zeg!..."
"Jawel, ik maak wel een lekker schoteltje, het is uiteindelijk toch oudejaarsavond..."
"Nee?! Dat meent ge niet?! Natúúrlijk! Ik was dat helemaal vergeten! Maar maak er niet teveel werk van hé!!"
"Welnee, gewoon samen iets eten, dan zitten we gezellig samen, meer moet dat toch niet zijn?"
"Dan zijn we weeral akkoord."
Zo simpel gaat dat hier.
Ik zal hier mijn dagboekuittreksel van kerstavond onder plakken, dan begrijpt ge het gevoel misschien nóg beter...
Maandag 24 december 2012.
418. Kerstavond. En die had ik nu écht niet zien aankomen.
Laathi bezorgde me weer een even teder ontwaken als gisteren… Zo’n mooi begin van de dag… In de living legde ik een van de wit-grijze planken op de schabdragers, en och, zo’n ramp is het nu ook weer, eens er plantjes op zullen staan zal het wel meevallen.
Ik had geen idee waar Paul uithing dus trok ik naar ons werfje en begon wat muren te schuren. Al snel viel de eenzaamheid als een blok op me. Ik zette de deur open en binnen de minuut zat heel de bende bij me, Laathi op kop want die kent dit deel van het huis het best. Iedereen ging overal snuffelen, het leek wel of ze kwamen controleren of de muren recht genoeg waren en de stopcontacten stevig in de muur zaten. Het avondlicht was zo mooi dat ik stopte met mijn werk en poezen ging fotograferen. Ik ging op de plek zitten waar ik over een paar maanden mijn ogen hoop open te trekken en wat is het zicht vandaar prachtig! Ramen met zicht op drie windstreken die een toverachtig licht binnenlaten en waardoor ik alle soorten bomen zie… Ik ging met Laathi op mijn schoot van het zicht zitten genieten. Dat gaat hier schitterend zijn eens het af is. Als. Ooit. Alleen ontbreekt me alle energie om er in te werken. Ik geraak niet in gang. Ik vind het juiste schuurpapier niet, mijn krabbertje is te grof en maakt krassen op de glaasjes in de deuren, kortom alle redenen zijn goed genoeg om me bij de pakken - in dit geval het gereedschap - neer te gaan zetten. Had ik maar een vriendin om me wat gezelschap te houden en mijn gedachten wat te verzetten door wat te lachen en te kletsen, dan zou het zo veel makkelijker zijn. Ik ben toch zo enorm teleurgesteld in mezelf. Waar is mijn energie plots naartoe?? Ik blijf maar in mijn winterslaapmodus hangen!
Paul was zijn saffraan gaan planten en heeft ineens de grote spar in de voortuin en de fruitbomen bemest. Zijn boerenziel heeft blijkbaar al veel dieper wortel geschoten dan de mijne. Hij was ook bij G onze oude voordeur gaan ophalen. Omdat ze zo lang buiten heeft gestaan is de deuromlijsting uit mekaar gevallen. Het is een rijkelijk versierde volle deur met daarboven een paneel in glas. Het zou de ingang wel donkerder maken als we er de huidige glazen pvc-deur door vervangen. We zullen wel eens met M overleggen of ze nog te restaureren is. Er is niets dringend aan.
Ik wou Laathi haar druppels geven maar plots bleek het flesje bijna leeg… Waarschijnlijk omdat ik er onlangs mee gemorst had. Ik had gedacht dat ik er mee zou toekomen tot we haar moesten laten inslapen, maar niet dus. Paul belde Jean-Paul en hij was nog in zijn dierenkliniek aan het werken, hij wilde best wachten tot we er waren zodat we direct haar druppels konden ophalen. Totaal ongepland vertrokken we naar S. Paul was gisteren toch vanalles vergeten te kopen dus konden we dat dan ineens daar in de Lidl gaan halen.
We reden zo snel we konden, maar het is toch oppassen geblazen. Voor overstekende schapen. Ik zag vanuit de verte één enkel schaap op de baan, “mais un mouton peut en cacher un autre”, en inderdaad het was de laatste van een hele groep die op weg naar huis was. Waarschijnlijk een deel van de kudde van P. Het werd weer een sjieke rit bij ondergaande zon in een wereld vol roze wolkjes. Alle weiden liggen er lentegroen bij doordat het zo veel geregend heeft.
Ik liet Jean-Paul de foto’s zien die ik daarnet nog van mijn dolgelukkige beestje genomen had en hij was blij dat ze het nog zo goed stelde. We wilden even sla gaan kopen in de Aldi aan de overkant en die was tot mijn grote verbazing al gesloten!! En het was nog maar half zes! “Ja natuurlijk schat, op kerstavond gaan die vroeger dicht.” “Pardon? Is het vandaag kerstavond?!” “Ja schat.” “Begot.” Wat een geluk dat Jean-Paul ons op deze speciale avond dan toch nog had willen helpen!!
Paul slaagde bij de Leclerc in S. in het onmogelijke! Hij heeft hesp dun laten snijden! Morgen gaan we dus eens geen lappen hesp van 2 mm op onze croissants moeten leggen. Het vervelende is dat ge hier geen charcuterie per gewicht kunt bestellen, alles gaat hier per snee of per stukje. Een half pond hesp is een kompleet ongekend begrip.
De vrouw bekeek haar snijwerk maar met een heel scheef oog. Het was geen stapel glad op mekaar liggende sneetjes eerder een onaanzienlijk hoopje gefrommel. Het zag eruit alsof het al eens gegeten was. Paul troostte haar door nadrukkelijk te zeggen dat ze dat héél goed had gedaan. Ze moet gedacht hebben dat hij gek was. Echt goed gedaan had ze dat natuurlijk niet, want in België begeleiden ze een snee vanuit de machine tot ze op het papier ligt. Hier kennen ze die techniek niet, ze verwachten dat de hesp uit zichzelf netjes neervalt. (Praktisch, dan kunnen ze eventueel met hun vrije hand eens in hun neus peuteren tijdens het werk.) Met heel dikke sneden lukt hun systeem vrij goed maar met flinterdunne gaat dat natuurlijk niet. Alleszins we gaan op kerstdag eindelijk eens terug van fijngesneden hesp op onze croissantjes kunnen genieten.
Sinds enkele weken liggen er op gelijke afstanden bergjes zand naast de weg. Vooral aan bochten en hellingen. (Haast overal dus.) Pas vandaag snapte ik wat de bedoeling was : het zal moeten dienen voor als de weg beijzeld geraakt! Dan kunt ge dat op de baan scheppen! Maar gaan we dan elke tien meter moeten stoppen om te gaan scheppen? En worden we dan geacht altijd een schep in de auto te hebben liggen? Dat moet ik toch nog eens uitzoeken.
Toen we om kwart na zes terug thuis kwamen was het ineens pikdonker! Die korte dagen zijn vreselijk, gelukkig zijn ze al aan het lengen. Paul beweert dat het in België nog een stuk vroeger donker werd maar dat herinner ik me al niet meer. (Moet ik toch eens aan de vriendjes vragen.) Ja, al na een jaar tijd begint dat land heel ver weg te lijken.
Plezant, we kregen een telefoon van A : “Faut pas allumer le feu ce soir hein!” “Pourqoui pas?” “Ah autrement le Père Noël va bruler ces fesses!” Toch weer een zalige manier om een prettige kerstavond te wensen. Maar nee, de Père Noël komt hier niet langs, ik was veel gelukkiger met mijn Père Menuissier die onze plantenschabben in de muur vees. Wij hebben trouwens een “Mère Noël”, onze ijskast Die vol lekkere dingen zit die we van R en A gekregen hebben.
De planten staan op de nieuwe schabben. De planken storen niet echt maar toch oogt het niet mooi. Ik heb zelfs niet meer genoeg creativiteit om wat plantjes op een decoratieve manier neer te zetten. Erg. Het rieten rek waar de planten vroeger opstonden heb ik naar de andere kant van de kamer gesleept en er wat mooie spullen op gezet. Het ding past wel niet echt bij het geheel, maar niets past hier dus dat trek ik me maar niet aan.
Ik begon de keukentoog op te ruimen want wat daar toch allemaal aan zooi bijeen gesukkeld is is niet voor te stellen, ik kon het niet meer aanzien. Ik vraag me wel af hoeveel uur hij zo maagdelijk gaat blijven. Ik wil verdorie een keuken met genoeg kasten dat al die losse prullen achter gesloten deuren kunnen. 7000 kruidenpotjes, waar katten tegen sproeien. Een brooddoos met rieten deksel waar katten los door sproeien… (OK, vandaag kan ik een “Pis on Earth” nog door de vingers zien, het is tenslotte kerstmis, het feest van de Peace. Maar ze plassen elke dag wel ergens op een verboden plek, en het kan toch niet alle dagen kersmis zijn! Die beesten hebben dringend een makkelijker bereikbare tuin nodig in de winter.)
Zelfs Paul begint zijn buik vol te krijgen van dat centrale keukencontinent. Maar voor we aan deze reuze kamer beginnen breken moeten wel éérst de vier andere werven klaar zijn want anders zie ik het nog van komen dat we tijdelijk buiten in een tent moeten gaan slapen.
Tegenwoordig doe ik Facebook niet meer open voor ik gewerkt heb. Ik dacht dat dat zou helpen om me in gang te krijgen maar ik ben en blijf totaal futloos.
Een telefoontje met N gaf me plots inzicht in mijn redeloze afwisselende buien van droefenis, wanhoop en woede… Zij had in mijn verhalen gelezen dat mijn stemmingen zo overhoop lagen en stelde voor om in een natuurwinkel kruiden te gaan zoeken tegen menopauze-verschijnselen. Natuurlijk! Dát is de reden!!! Ik neem die hormonenpillen sinds een maand niet meer!! Vandaar ook dat ik terug regelmatig mijn trui moet uitschieten en ze na vijf minuten rillend weer aan trek! Daar had ik helemaal niet bij stil gestaan! Het is dus helemaal niet mijn eigen schuld dat ik mijn stemmingen amper onder controle kan houden! Die wetenschap mocht het probleem dan wel niet opgelost hebben, maar ik voelde me er wel door gerustgesteld. Ik word dus toch niet kompleet gek. Ik ben zo blij dat zij ontdekt heeft wat er met me scheelt. Jammer toch dat hier nergens een natuurvoedingwinkel te vinden is. De “Natur House” in B. blijkt alleen maar een vermageringskliniek te zijn. Zij gaat nu de kruidentabletten voor me kopen en bij N afgeven zodat T die ook kan meebrengen als hij na de feestdagen terug naar hier komt. Hij kan al best een hondenkar kopen om achter zijn auto te hangen om mijn pillenwinkel in te vervoeren.
Ik zat geconcentreerd aan de tafel te schrijven en een meter verder - uit mijn zicht , achter de opstaande OSB-boog - was Paul ondertussen aan het kokkerellen geslagen. Hij verdween, kwam niet terug, allemaal heel normaal, maar hij had me wel beter gezegd dat hij een pan met boter op het vuur had staan… Na een tijdje kwam hij terug binnen, en begon al vanuit het deurgat te brullen : “Gij stom kieken! Waarom let ge niet op die boter!!!” Ik was zo in mijn schrijven verdiept dat ik het onheil pas een seconde geleden gemerkt had, ik was recht gesprongen maar nog net niet tot aan het vuur geraakt… Al even boos sprak ik de goddelijke, uiterst misplaatste woorden : “Ja seg, als gij niets zegt! Ik kan dat niet rieken hé jongen!” Nee, vooral “niet rieken”…, het stonk hier als de wc uit de hel…
Het misverstand werd snel bijgelegd en hij toverde het beste kerstmaal ooit tevoorschijn. Ook het zwaarste. Gebakken ganzenlever met ui, gebakken appelen (in safraan), twee soorten vijgenconfituur, peperkoek en toast! Heerlijk. Alleen had hij de porties enigszins onderschat. Het werd een kerstmaal bestaande uit één gang maar we voelden ons alsof we er 5 gegeten hadden. Volgend jaar, zelfde recept, de helft van de ingrediënten, en het is perfect.
*******
Voilà, zo ziet "the simple life" er dus uit!
Ik wens iedereen in de beschaafde wereld een heel fijn, gezellig, druk feest, met veel toeters en bellen en veel plezier! (Pas aub op voor vuurwerk en dieren!!! Sluit ze ruim op voorhand op zodat ze niet in paniek op de vlucht slagen en verloren raken!)
Om middernacht zit ik hier op het terras, met enkele poezen rond me, naar de stralende Melkweg te kijken en luister naar het prachtige geroep van de uilen...
En ben, op mijn manier, minstens even gelukkig als de feestgangers.
Ik zal aan u denken en aan de miljoenen sterren vragen u een heel fijn nieuw jaar te bezorgen! ;-)
En morgen post ik enkele foto's van Laathi. En Laathi.
de tekst van de short

het kadootje...
Het bewuste kado, dat nog met liefde in ontvangst genomen werd ook 

Dankbaar
mijn vuilbak
Een snippertje frans dagboek...
Donderdag 24 november 2011.
22. Jonge bomen giet ge met wárm water! Desnoods met lauwe Champagne.
Oh wat een heerlijke dag toch weer. Alles doet pijn. Ik voel elk spiertje, elk pezeke. Het is een zalig gevoel om terug te werken met een doel. En dan nog in zo’n machtig decor.
Om negen uur was ik alweer met vanalles bezig, de poetsvrouw kwam de kleedkamer verder schilderen dus ook daar komt schot in. De voormiddag spendeerde ik aan een zalig lange telefoon met een kameraad, knus in de zon met de poezen op het terras. Even uitrusten voor wat de namiddag zou brengen. Al goed dat ik dat gedaan heb.
Werk is hier volop, maar als de zon schijnt wil ik daar toch even van genieten. Het vakje “in” zal hier toch nooit leeggeraken, dat heb ik al lang door, dus ga ik dat ook niet betrachten. Alles op zijn tijd, en vooral genieten van het weer nu het nog warm is. Paul heeft het hier heel moeilijk mee. Hij loopt al dagen nors rond omdat niks vooruit gaat zoals hij het wil en de dingen die hij zou willen doen niet gebeuren. Maar ge moet hier met het seizoen leven. Nu is het tijd om bomen te planten, in de winter is er een overvloed van tijd om de zaken binnen op orde te maken.
Om half twee stond Florent, de eigenaar van de plantenwinkel, hier met onze jonge fruitbomen. Hij wees ons de meest gunstige plekken om ze te planten, legde uit dat de putten heel groot moesten zijn, de aarde gemengd moest worden met terreau, de punten van een zevental wortels twee centimeter bijgesnoeid net voor het planten, en dat de baby-bomen vervolgens twee emmers water moesten krijgen. Warm water. Heel belangrijk vond ik dat. Hij wees ons ook een goeie plek voor de bessenstruiken en die kwam gelukkig overeen met waar ik ze al zelf had willen plaatsen. De vijgenbomen kunnen niet in ons boomgaardje in de voortuin, die moeten achteraan, beschut tegen de noordenwind. Ik vind dat allemaal heel interessant. Ik hang aan zijn lippen. De man is ook heel tof want hij spreekt uit zichzelf al stiller als hij bij mij is.
Alle 8 de bomen voor de voortuin lagen op hun plaats en met de vijgenbomen konden we zelf onze gang gaan zolang ze maar in de achtertuin komen. Hij legde er de nadruk op dat bomen planten zwaar werk was en dat we de bomen die we vandaag niet konden planten een warme nacht moesten bezorgen door eerst hun wortels goed te besproeien en ze dan binnen te leggen. Paul en ik keken mekaar aan en we lazen in mekaars ogen : “Die zwanst zeker? Wij planten die toch efkes allemaal en tegen vanavond zitten wij in onze prille boomgaard een aperitiefke te drinken.”
Florent vertrok, wenste ons veel succes, benadrukte nog eens hoe zwaar het werk ging zijn en dan was het aan ons. Ik haalde met de glimlach twee steekschoppen uit de grot van Aladdin, zijnde de technische ruimte, en stak de eerste spade in de grond. Ongeveer een centimeter diep. Ik stampte er met mijn voet op en ik zal al drie centimeter diep. Ik zette er al balancerend mijn tweede voet bij en geraakte aan vijf centimeter. Vervolgens begon ik er levensgevaarlijk op en neer op te springen en hoera de schop zakte haast 8 centimeter de grond in. Ik begon Florent al beter te begrijpen. Paul dacht wat meer gewicht in de schaal te leggen maar zelfs zijn 85 kilo brachten niet veel meer aarde aan de dijk.De buurman kwam langs, zag het gesukkel en kwam als steeds met een oplossing. Hij ging zijn grondfrees halen! Een machientje op benzine - waarvoor ik én oordoppen én daarboven oorbeschermers nodig had als ik in de buurt kwam - maar met dat handig ding verliepen onze graafwerken toch al iets vlotter. We kregen op die manier alleszins de bovenste 30 centimeter al omgewoeld en konden ze met een spade wegscheppen. Ondertussen kleefde de vette, zware klei aan onze schoenen zodat we scheef begonnen te lopen en bij elke stap een centimeter groeiden. We werden reuzen op lemen voeten. Uiteindelijk raakten we aan acht kuilen die weliswaar te klein bleken. Dus groef ik maar met mijn handen verder, met kleine beetjes ging het me nog beter af dan met de schop. Ondertussen kwam de buurvrouw langs om raad te vragen want zij moest vandaag ook haar 4 fruitbomen planten. Ik herhaalde zorgvuldig de uitleg die Florent me gegeven had, tot en met het belangrijke feit om ze na het planten twee emmers met warm water te geven. Plots keek Paul verbaasd op : “Wárm water???” “Ja, wárm water! Dat is héél belangrijk, Florent heeft dat gezegd.”
Buurvrouw stond even bouche bée als Paul, en hoe moesten
we in de tuin aan warm geraken? Ze schudde direct een oplossing uit haar mouw.
Aangezien de boomgaard dicht tegen het tuinhuis ligt ging ze daar de boiler aanzetten
in de hoop dat we tegen de avond genoeg warm water zouden hebben. Toen we terug
buiten kwamen stelde Paul mijn “warm” water nog altijd in vraag. Natuurlijk had
ik dat goed gehoord! Jaja, wárm water verdorie! “Maar wanneer heeft Florent dat
dan gezegd? Ik heb er toch altijd bijgestaan?...” “Ja, dan zult gij weer niet
goed geluisterd hebben, hij heeft nadrukkelijk wárm water gezegd.” “Maar… ik
heb hem horen zeggen : ‘Quand ils sont plantées vous les donnerez deux seaux
d’eau’, echt waar!” “Nee, hij heeft gezegd : ‘chaud’!” “Maar nee, hij zei ‘seaux’,
‘deux seaux’, twee emmers dus.” Tja, nu stonden we daar alledrie te twijfelen.
We besloten ons zelf dan nog maar wat belachelijker te maken en op te bellen om
te vragen of het nu “deux seaux d’eau” waren of “deux seaux d’eau chaude”.
Gelukkig nam er niemand op.
Uiteindelijk zag ik ook wel in dat warm water niet
veel uit zou halen want dat het toch koud zou zijn tegen dat de tijd dat het
tot de wortels zou doorgesijpeld zijn, en werd besloten gewoon koud water te gebruiken.
Tja, zo ben ik nu eenmaal, als iemand met kennis van zaken mij iets wil leren
dan wil ik dat ook ter harte nemen, dus als die mens mij nu had gezegd dat ik
ze na het planten een fles champagne moest geven dan had ik dat waarschijnlijk
ook gedaan. Misschien had ik er zelfs nog een schotel kaviaar als meststof bijgezet
als me dat opgedragen had geweest.
Wat we in onze tuinbouwkundige manie even vergeten waren was dat we ook nog aannemers zijn en niet alleen boeren, en dat de aanhangwagen nog vol palen en draad en ijzer zat van ons boodschappentochtje van gisteren. En de buurman had de wagen dringend nodig om hout te gaan halen… Als prettige graafonderbreking laadden we dus met zijn drieën even een kleine ton bouwmateriaal uit. Paul besloot dat het nu wel tijd was om op adem te komen en in de zon een thee met een koekje te gaan drinken alvorens terug aan de boomplanterij te beginnen. Maar ik zag de zon stilaan zakken…
Met verse moed en een potje joghurt toog ik terug
naar mijn plantage. Ik begreep de woorden van Florent hoe langer hoe beter. Op
de duur zat ik verbeten op mijn knieën met mijn blote handen in de klei te
wroeten als een zwijn op zoek naar truffels. De aarde is hier net als de
plasticine waar we als kind mee speelden. Mijn volume groeide en groeide, ik
plakte aan alle kanten, maar er was een wedstrijd tegen de tijd begonnen en ik
wou ze proberen te winnen. Op de duur werd ik al zo slim om mijn kuilen aan te
vullen met aarde van enkele molshopen, die aarde was al fijn gezeefd er zaten
geen brokken of stenen in en ik had ze maar voor het oprapen. Maar ja, wat zijn
enkele molshoopjes aarde als ge acht putten van een halve kubieke meter moet
vullen?...
Paul kwam terug van zijn theepauze en wou en zou dan ineens per se een tuinslang aankoppelen om mijn emmers water te vullen, maar hij vond geen zinnige niet-lekkende koppelstukken, en verloor zo wel een half uur tijd. Ondertussen wroette ik verder en mijn Kempense ziel langs vaderskant kwam boven. Ik vond het heerlijk! Mijn pa had altijd in alle vroegte zijn grote groententuin verzorgd alvorens om 8 uur naar zijn fabriek te trekken, en hier zat ik nu zelf, te dabben als een konijn in smakelijke, superbe, vette grond. Ik, die in mijn hele leven hooguit wat bloembollen in mijn daktuin heb geplant en wat bloempotten heb gevuld. Zelfs het enige dier waar ik heel mijn leven een onwezenlijke angst voor heb gehad is hier bijna mijn vriend geworden : de pier. Ik zal ze nog niet met vreugde vastpakken zoals ik met een spin doe, maar ik ga er met mijn hand ook geen millimeter meer voor uit de weg. Het idee dat ik hier met een gekraakte rug zat te werken aan onze kersen- en perziken- en perenoogsten van de volgende jaren vervulde me met puur geluk… Wat een ongelooflijke gewaarwording! Het leven kan toch vreemde wendingen nemen.
Toen de duisternis viel, en we geen put meer uit een bobbel konden onderscheiden, was onze vijfde boom geplant. De anderen hun wortels werden besproeid en ze kregen onderdak in het zwembadhuisje. Florent had gelijk gehad, bomen planten ís zwaar werk, zeker in deze grond waar dan ook nog veel zwerfstenen in plakken.
In liet mijn moddervette botten op het bordes achter en strompelde op kousenvoeten de kasteeltrap op, regelrecht naar de waskamer. Mijn jeans had gewoon rechtop kunnen blijven staan van vettigheid, maar dat wou ik hem geen hele nacht aandoen want hij zal ook wel moe geweest zijn. Dus ik spoelde de pijpen en het zitvlak uit en stopte hem in de wasmachine.
Op de middag was ik aan de klus begonnen in mijn nieuwe jeans en mijn beste schoenen, dus van die laatste moest ik ook nog de vettige prut afplukken. Kleedkamer klaar of niet, vanavond maak ik de doos met mijn werkkleding open want ik heb ze broodnodig.
Aangezien ook de vijgenbomen niet geplant waren moest
ik die ook nog gaan binnenhalen. Een boer zijn werk is nooit gedaan.
Uiteindelijk ploften we allebei kapot gewerkt op ons terras. Paul trillend van
moeheid en ik met een kompleet groggy hoofd maar wel heel gelukkig. Na even
bekomen te zijn trok Paul de keuken in en ging ik wat schrijven in de markies.
Vanmiddag waren de katten al eens naar de traphal ontsnapt, dus ik vond het een
goed moment om Mathurin de toestemming te geven mee naar de verdieping lager te
laten gaan om daar alles te gaan verkennen. Hij loopt het grootste risico om
van ons terras te ontsnappen dus kan hij maar beter het huis al goed kennen
zodat hij in noodgevallen zijn weg al wat kent. Hij vond het een heerlijk
avontuur. Toen ik boven ging eten volgde hij me braaf. Na het eten riep ik dat
hij weer mee naar beneden mocht en binnen de seconde stond hij overgelukkig voor
de trapdeur te trappelen. Cadfael wandelde net voorbij dus die nodigde ik ook
maar uit. Ze waren allebei zo blij als koningen nu er weer een nieuw stuk huis
ontdekt mocht worden. Ik sleepte dus een van de zakken kattezand van 15 kilo - die ik vanmiddag
moeizaam naar boven had gezeuld - opnieuw naar beneden, om ook hier twee
kattenbakken te plaatsen. Geef me zo nog enkele weken en mijn armen gaan van
apenlengte zijn.
--------------------------------------------------------------------------
Uiteindelijk vond ik daarnet toch mijn paswoord terug en herinnerde ik me weer hoe Image Shack werkte, toen bleken de foto's te groot en moest ik ze in Photo Shop gaan verkleinen... En toen wist ik weer waarom bloggen zijn charme had verloren. Die foto's opladen is toch zo'n gedoe...




Fotoalbum bij hoofdstuk 13
Reisverhaal Canal du Midi. Deel 13.Parazas, dinsdag 13 september 2011.
13. Op bezoek in een onderbroek.
Tijdens deze reis hebben we al dikwijls terwijl we voorbij een huis vaarden, half als grapje, opgemerkt “dit huis zou ik wel willen”, “nee, dit in geen geval”, “dit zou ook wel dik in orde zijn”. Of ze nu te koop stonden of niet we gaven onze mening. Enkele dagen geleden zagen we aan de oever tussen Paraza en Robia een schitterend huis te koop staan waarvan we allebei zegden “en dit zouden we zéker willen”. Toen we er gisterenavond op de terugweg er weer langs vaarden leek het ons nog aanlokkelijker. We fotografeerden het telefoonnummer.
Vanochtend na het ontbijt belden we de eigenaars en we spraken af om half elf binnen te wippen, of beter aan te leggen.
We wilden ons netjes aankleden maar ik vond het toch beter eerst naar daar te varen en dan ons goede kleren aan te doen anders zouden die al bezweet zijn. We legden aan, ik in mijn vuile shorts en bikini bovenstuk, Paul in zijn t-shirt over zijn onderbroek. En… tijdens onze drukke aanmeerbezigheden stond tot onze grote ontzetting de bejaarde eigenaresse ons al boven aan de berm op te wachten. En wij, door een mix van gène en haast, maar sukkelen met het aanleggen. Ik trok snel binnen mijn fatsoenlijk lang kleed aan, sprong van boord en bleef direkt met mijn rok in de stekelstruiken hangen. Paul dook in zijn zwarte jeans en trok een wit hemd aan terwijl ik in de pinnekes hing… We controleerde onze touwen en beklommen het steile trapje naar de tuin. Kortom, den entrée was alles.
Een française, die er in de zestig uitzag, maar achteraf 80 bleek, verwelkomde ons. Een zeer gedistingueerde maar lieve dame. Ze vertelde dat haar man een hartaanval had gekregen en niet meer kon lopen en dat hij ook geestelijk verward was, dat ze voor die redenen hun eigendom verkochten. We werden door het prachtige domein rond de villa geleid, eerst kregen we de boomgaard te zien, met perzik-, abricozen-, appel-, peren-, amandel-, vijgen- en nog vele andere fruitbomen. Het leek wel het aards paradijs. Een paradijs dat dan nog automatisch besproeid werd door water van het canal.
Achter elke hoek van het huis bleek nog een klein apart tuintje, er bevonden zich ook nog drie houten chalets. Op de heuvel voor het huis lag een overdekbaar zwembad en daarachter een overdekt terras met ingebouwde barbecue. De villa zelf was in een mediteraanse stijl gebouwd, kleine vensters met houten luiken om de warmte buiten te houden. Via een kleine donkere keuken kwamen door een deur met geslepen glas in een living met zitkuil en mezzanine waar haar echtgenoot in een rolstoel zat. De kamer was ingericht met meubelen die in een paleisje thuis hoorden. Op de benedenverdieping zagen we nog een badkamer en slaapkamer en daarachter lag een dubbele garage die omgebouwd was tot studio waar haar 99- jarige vader gewoond had. In een gang was nog een extra toilet met douche en in de ruime kelder stond de zwembadapparatuur te snorren. Centraal in het huis lag de, alweer duistere, traphal die werd gedomineerd door een mooie brede houten trap die naar de mezzanine en twee kleine slaapkamers leidde. Het huis had ontelbare ingangen, die telkens op andere stukjes groen uitgaven. Rechts van het perceel lag een wildernis waar niet mocht gebouwd worden omdat het Canal du Midi een door het UNESCO beschermde site is, achter het huis begon een steile helling. Aan de linkerkant lag nog één villa en voor de rest zagen we niets dan wijngaarden.
Ik vroeg me af waar de bewoonde wereld begon en de dame nam ons mee langs de “oprit” naast de twee huizen die pas na drie kilometer op een echte baan uitkwam. Nog enkele kilometers verderop, net achter het kasteel van Paraza begon pas het dorpscentrum.
Het huis was mooi, zij het wel heel ouderwets van inrichting, maar de zuidwest oriëntering, de ligging, de tuin en het uitzicht op het kanaal, en aan de andere oever de wijnvelden met daarachter een zicht op de Pyreneeën en Andorra, was ronduit uniek.
Vannacht had ik naar mijn foto’s zitten kijken die ik van op het water van de villa had genomen en de prijs op 500.000 euro geschat. Toen ik er binnenkwam, de automatische afdekking van het zwembad, de sproeiinrichting en de breedte van het terrein zag deed ik er in gedachten almaar 50.000 euro bij. Na de rondleiding vroeg ik de prijs en ik had de nagel op de kop geslagen. De vraagprijs was 530.000 euro plus notariskosten.
We kregen nog de plannen te zien van toen ze het huis gebouwd hadden, de mensen hadden werkelijk alle facturen bij gehouden. Hun boekhouding was even keurig in orde als hun huis. Na bijna drie uur namen we afscheid en meerden aan in het dorpje Paraza om dat eens rustig te gaan bekijken. Allemaal nauwe straatjes met twee kastelen en een kerkje. Het leek wel alsof iedereen dood was, pas na 10 minuten wandelen zagen we drie vrolijke Fransen op een bankje zitten. We vroegen of er ergens internetaansluiting was maar daar deden ze in dit dorp nog niet aan mee. Iets verder zagen we de enorme machines die voor de wijnoogst gebruikt worden en raakten we met de wijnboeren in gesprek. Ze kenden allemaal het huis en vonden de ligging uniek omdat er nooit meer in die buurt kon bijgebouwd worden terwijl in de rest van de omgeving elk vierkante metertje verkaveld wordt. De mensen waren vrolijk en vriendelijk. Zij stelden ons voor om eens met andere Belgen te gaan praten die hier woonden. Ze wezen ons de weg, de heuvel op en al snel stonden we bij Dirk en Mireille aan de poort waar we met een eigen gemaakt fruitsapje verwelkomd werden. Ze woonden al zes jaar in een hypermodern huis in Parazas op de top van de heuvel met een uitzicht op de oude dorpskern. Ze leken me rond de 45 en de 55 jaar oud maar bleken 63 en 71… Het leek wel of iedereen er hier 15 jaar jonger uit ziet dan hij is. Zo te zien een gezonde plek. Met vanzelfsprekend ook nadelen.
Op die zes jaar waren er bij hen 1 keer hun nieuwe fietsen gestolen en was er 1 keer ingebroken. De prijzen van werkmensen waren veel hoger voor vreemdelingen dan voor de inboorlingen, en in het dorp bleken er drie clans te bestaan, waartussen wat diplomatiek schipperen nodig was. Desalniettemin wilden ze er nooit meer weg, ze hadden al hun bezittingen in België verkocht. In het dorp woonden 16 nationaliteiten en ze hadden een socio-culturele vereninging opgericht samen met authentieke bewoners. Het viel me wel op dat elke huis een alarm-installatie had.
Het meest vervelende aspect was dat het enige huis naast dat van de mooie villa net verkocht bleek aan een Duitser. Met de gekke naam Von Schwanevlügel, die Paul de rest van de dag Von Schweinevlügel genoemd heeft. (En dan nog niet voor de grap, ’s avonds bleek dat hij die naam gewoon verkeerd verstaan had…) Het moet een nogal eigenaardig personage zijn, dat al lang in het dorp woont, maar waar niemand echt contact mee heeft. Het is niet duidelijk of hij zelf in zijn pas gekochte huis gaat wonen of dat hij er vakantiewoning om te verhuren van gaat maken.
Als ge zo afgelegen gaat wonen wilt ge natuurlijk wel weten wie uw buren zijn. Ik zou het niet prettig vinden moest het een huurwoning worden waar elke twee weken onbekende mensen komen vakantie vieren en dat het buurhuis daarna heel de winter zou leeg staan en we daar helemaal alleen zouden zitten.
Ondertussen hadden we ook al contact opgenomen met Jacqueline en Gilles, zodat zij het huis eens op internet konden bekijken. Maar daar was net een huiselijke crisis aan de gang zodat zij zelf net besloten hadden hun zalige “bed and breakfast” in Générac te verkopen. Ik hoop dat ze nog van idee veranderen want dat zou toch zonde zijn. Ik ga er zo graag overnachten.
Ze bekeken het huis op het internet en vondr, de prijs voor die unieke ligging ook zeer redelijk.
Vanavond belde ik mijn jeugdvriend, die al honderden huizen in frankrijk gerestaureerd en verkocht had op, om zijn mening eens te horen. We hadden mekaar alweer in een tiental jaren niet gezien dus er was heel wat te vertellen. Hij bleek net een oud kasteel verbouwd te hebben en aan een groot project van een hondertal nieuwbouwhuizen te willen beginnen. Hij zou graag een groot gezondheidscentrum maken waar mensen kunnen komen kuren, en waar de nieuw gebouwde huizen kunnen verkocht worden aan mensen die graag in een service-villa wonen.
Toen hij hoorde over mijn hyper-acusis vroeg hij om direct langs te komen, hij zou zijn beste therapeuten optrommelen, want hij wou eerst proberen mij te laten genezen… Ik zei dat ik al zo ongeveer alles geprobeerd had, maar och, eentje meer, baat het niet dan schaadt het niet. Alleszins we zouden er een rustige optrekje krijgen in zijn kasteel en dat kan ook wel best een grappig zijn. Die buurt is trouwens ook erg mooi, we zijn er 15 jaar geleden al eens met hem doorgereden. De natuur is er wild en betoverend.
Hij had het huis aan het canal in Paraza, dat we op het oog hadden, ondertussen ook al op internet bekeken, ik kreeg een volledige beschrijving van hoe het huis in mekaar stak en van alle gebruikte materialen, en hij noemde direct de twee grote nadelen van deze streek : de waanzinnige mistralwind die mensen gek kan maken, en dat de streek bekend is voor zijn banditisme omdat ze zo dicht bij de Spaanse grens ligt. Tja, de mistral hadden we vorig jaar in de buurt van Nîmes en Avignon uitgebreid meegemaakt (een verschrikking voor mijn oren) en dat Narbonne een misdadigersnest is dat wist ik al 30 jaar, van toen ik hier voor ’t eerst kwam.
We hebben onze plannen dan maar veranderd en in plaats van morgen aan de Katharenroute te beginnen gaan we een paar honderd kilometer naar boven rijden om mijn oude kameraad te bezoeken.
Misschien moeten we ook wel vroeger terug naar huis want ik hoorde net van mijn trouwe poespasser dat Phineas zijn zweer aan zijn staart terug is opengebarsten…
Terwijl ik typte maakt Paul de boot aan kant zodat we morgen alle bagage onmiddellijk in de auto kunnen proppen en letterlijk “schoon schip” maken. Wat dat is iets dat ge zelf moet doen als ge bij Nichols huurt : uw boot kuisen…
Al bij al hebben we vandaag weinig afstand afgelegd maar was het toch een heel bewogen dag.
Het idee om het leven niet op te geven vanwege mijn hyper-acusis, maar een heel nieuw leven in de natuur te beginnen, is iets wat pas vanmorgen in ons opkwam en wat toch nog even zal moeten bezinken denk ik. Ik ziet het me nog niet zo direct doen. Maar het is wel een plezante gedachten-oefening.
En morgen het fotoalbum van deze dag!
Fotoalbum hoofdstuk 12.
Reisverhaal Canal du Midi. Deel 12.Maandag 12 september 2011, net achter de bocht van Paraza.
12. “Debiel zonder flash”.
De nacht was vol muggen geweest, de dag zou vol zon worden. En we begonnen er aan met een sappige goudgele meloen. De laatste reeks sluizen van onze reis lag voor de boeg. Paul besloot nog wat foto’s van mij te maken voor het vertrek.
Hij snapt de ballen van de menu’s van de Nikon, dus hebben we voor de ikoontjes synoniemen bedacht. De portretstand (ikoon : dame met hoed) noemen we ‘nen hond met een hoed op’. De automatische stand (een groen camera-ikoon) heet bij ons ‘debiel’. Bij het fotograferen in die automatische stand ging de flitser telkens ongewenst af. Ik zei “draai hem één standje terug”, en Paul keek naar het ikoon (een doorstreept flits-ikoon), en repliceerde : “Aaaah, ge bedoelt ‘debiel zonder flash’!” Ik lag plat van’t lachen…
Als eerste kwam de sluis van Jouarres waar we bij de lieve sluizenier nog wat beschilderde stenen kochten en er één van zijn eigen rollen wc-papier bovenop kregen omdat we totaal zonder zaten.
Hij verkocht ook enkele oude postkaartjes, onder andere eentje van Narbonne, waar honderden vrouwen in het begin van vorige eeuw hun was zaten te doen aan de oever van de rivier. De ene naast de andere. Destijds kunnen de rivieren ook niet erg proper geweest zijn… Al de rioleringen kwamen er in uit, de mensen wasten daar dan nog hun kleren in… En dat allemaal in deze hitte…
Ik ben al dagen op zoek naar de Aude, die hier vlak naast zou lopen, en eindelijk dacht ik hem gevonden te hebben. Ik stapte van boord en trok het binnenland in waar ik meende een sluis te zien. Even vergetend dat de Aude, gesteld dat ze dan toch zou bestaan, wel aan de andere kant van het Canal zou moeten liggen. Ik kwam uit op het meer van Jouarres. Weer geen Aude dus. Er zal deze reis beslist geen ode aan de Aude geschreven worden.
Op de middag legden we aan in Homps waar een vriendelijke fransman, toen we hem de weg vroegen, ons meteen een lift gaf naar een supermarkt. Paul had plots zin gekregen in een baguette. Vandaar. Maar… tot ons groot plezier verkochten ze er gebraden kippen. We kochten de kleinste, die in vergelijking met wat wij in België gewoon zijn toch nog meer op een kleine kalkoen leek dan op een kip. Naast de winkel stond een container waar een Dienst voor Toerisme gevestigd was. Ocharme die madame, die moet zich in de zomer ook beslist een gegrilde kip voelen. We vonden er heel interessante documentatie over de route langs de Katharen-kastelen.
Terug richting kanaal wandelend kwamen we langs enkele mannen die platanen en andere bomen aan het verzagen waren. Het was dus al zover… Ze gaan er echt aan, die prachtige machtige bomen…
Op het kerkhofje groeiden amandel- en olijfbomen. Paul plukte een olijf en kwam tot de constatatie dat die smaak niks maar dan ook niks met die uit ons potteke te maken heeft. Wat zou er met olijven gebeuren tussen het plukken en het in het potteke steken?...
In het enige winkeltje dat we tegenkwamen kocht ik een kado voor mijn privé kok van “Oud Sluys” : een ovenwant en een handdoek in de vorm van een reuzekrekel. Voor mezelf koos ik een kleine stenen krekel met als opschrift : “Écoute le chant du Soleil”. Net wat ik me altijd voorstel als ik de duizenden krekels in mijn eigen kop hoor zingen.
Het bezoek aan Homps had wat teveel van mijn oren gevraagd. Het leek een heel slaperig dorpje, maar de druivenoogst is bezig en er rijden enorm lawaaierige machines rond.
Voor de sluis van Homps besloten we rustig onze baguette te eten terwijl de sluiswachter zijn potje kookte. Na de maaltijd heb ik een uurtje coma-zonnen op ons dak gedaan. Ik zou de Franse gewoonte van de siësta snel gewoon kunnen worden. En ik heb weeral iets bijgeleerd. Als ik vroeger veel in de zon zat werd mijn haar steeds lichter en lichter, terug naar mijn kleuterblond. Maar grijs haar wordt dus niet terug goud. Weeral een droom die niet meer moet gedroomd worden. Voor Paul werd het veel te heet, dus besloten we de sluis door te varen zo rap ze weer open ging. Het is echt opvallend dat de meeste sluizeniers die hier wonen hier zo gelukkig zijn, en echt dol op de streek. De meesten komen van andere delen van Frankrijk en vinden het hier, met zijn 300 dagen zon per jaar, de hemel op aarde. De wind nemen ze er graag bij.
In de sluis van Homps lag een Engelse boot voor ons, een vrouw van mijn leeftijd werkte met de touwen van haar achtersteven, en ik deed het touwwerk op mijn boeg. We stonden dus tijdens het versassen gezellig te kletsen. De drie man op haar voorplecht zouden alles wel goed in het oog houden. Niet dus. Plots gilde de dikke sluiswachteres. Aan haar kreet te horen was er een probleempje. En inderdaad, de boot van de Engelsen was met zijn rubberen stootrand op de bovenkant van de sluismuur blijven liggen, de voorzijde van het schip zweefde dus boven het water. De Engelsmannen gaven een duw tegen de muur en hun boot kwam met een klap op het water terecht. Mijn compagnon de route trok er zich niks van aan. Ze reageerde heel cool met een “Shit happens”. Ze vertelde dat ze deze reis nog een boot had zien hangen en dat haar man vroeger met zijn kinderen ging varen en dat die hun boot eens op de wal aan een klamp hadden vastgeknoopt. Het water zakte, het kind kreeg de knoop niet los, pa stond machteloos naar boven te kijken en plots knapte de klamp met de koord van de rand. Het “ophangen” van boten gebeurt hier blijkbaar meer dan regelmatig. Logisch ook, als iedereen zo maar een boot kan huren zonder een zinnige uitleg te krijgen of les te moeten volgen. In mei, in de Elzas, hebben wij ook maar een minimale uitleg gekregen en we moesten onze plan maar trekken. Ben ik blij dat wij daar onze eerste vaarervaring opgedaan hebben en niet direct in dit gekkenhuis van “vier boten in ovale sluizen” terecht gekomen zijn.
In Pechlaurier zijn we dan eindelijk de berg gaan beklimmen om het panorama te bekijken. Hier is het heel duidelijk hoe het canal langs de natuurlijke hindernissen zoals bergen en rivieren geleid is. Het kronkelt als een dronken slang door het landschap. Op het einde van een kort recht stuk boog het zich rond het kasteel van Argens-Minervois en verdween in het landschap. Van boven konden we ook het gesukkel in de sluis zien. Een koppel dat net begonnen was en de tweede sluis van hun leven voorgeschoteld kreeg… Op zo’n moment twijfelt men tussen schateren en huilen van medelijden.
Met pijn in het hart namen we onze allerlaatste sluis, Argens. We lagen er heel relax in. Heel vreemd. De sluiswachter boog zich gezellig over de sluismuur om het babbeltje voort te zetten. Alweer een man die verliefd is op zijn streek.
In Roubia sloegen we onze touwen rond enkele platanen en gingen wandelen in het dorpje, cirkelvormig aangelegd rond een eeuwenoude kerk. Ook hier waren boeren druiven aan het verwerken. Maar het was er wel stil. Iedereen lijkt hier altijd te slapen achter zijn gesloten luiken. Op een caféterras zaten twee mensen, op een bank zagen we nog iemand zitten, en buiten enkele spelende kinderen zagen we geen kip.
De kerk was fascinerend. Tenminste wanneer we eindelijk iets begonnen te zien want het was er stikdonker (toch alleszins tot ik de lichtknop vond bij het buitengaan…)
In het plafond zaten kleurige glasramen ingewerkt. Iets wat ik nog nooit gezien had. Het zou een schitterend effect geven als ze niet zo vuil waren geweest. Door de kleinere, smalle brandglasramen in de wanden schilderde de zon in duizend kleurtjes een tekening op de grauwe muren. We konden zelfs tot op het hoogzaal. Geweldig om de geschilderde ramen van op zo’n korte afstand te kunnen fotograferen. Ge kunt er heel speciale effecten mee bereiken. Normaal kunt ge zo’n glas nooit van dichtbij zien, dus hier waren toch al weer mensen aan aan ’t peuteren en krabbelen geweest. Zonde. Letterlijk en figuurlijk.
Ik ben duidelijk lang niet meer naar de kerk geweest want de tarieven van het “stoeltjesgeld” hingen hier aan de muur en dat bleek ondertussen 2 euro te zijn. In mijn jeugd was dat 1 frank…
Paul was vandaag duidelijk in zijn “fotograaf”-modus want hij pakte de Nikon en ging nog eens te keer met zijn ‘debiel-zonder-flash’-stand. En het leverde een paar heel mooie foto’s van mij en Irma op. Allebei bruin. Ik van de zon, Irma van ’t stof.
De oude olijfmolenpers lag ver buiten het dorp, dus dat vergaten we maar, die zou toch al gesloten zijn. We waren moe en wandelden terug naar onze Olonzac om een mooie slaapplek te gaan zoeken.
We vaarden langs gouden bomen, zilveren wuivende rietpluimen over een smaragdgroen kanaal. De natuur is hier een juweelkistje.
Net achter Paraza zochten we een makkelijk stukje oever om aan te meren voor de nacht. We kozen voor 1 boom en 1 piket, en dat werd dan onze woonplaats voor deze nacht. Onze touwen waren nog niet vastgeknoopt of er kwamen al drie koppels eenden aangezwommen. Bedelend voor wat van de tafel zou vallen…
Aan de ene kant hadden we uitzicht op wijnvelden en een dorpje waarvan het kerkje om het uur zachtjes klingelde, achter de andere oever lag een soort wildernis. Vanuit de volgende bocht in de rivier hoorden we heel de avond gitaren en gezang, waarschijnlijk van de boot van de Chinezen die we ’s namiddags hadden zien liggen. Aangezien het akoestische muziek was en geen boenke-boenke gedreun was het niet storend. Onder de volle maan verorberden we onze kip met gebakken patatjes en sla. En zagen dat het goed was.
Het fotoalbum van deze dag volgt later!
Reisverhaal Canal du Midi. Deel 11.
O-oh...Ik heb mijn blog in geen weken bekeken en ik wist helemaal niet dat dit fotoalbum ging verschijnen. Ik had het in een vorig leven voorgeprogrammeerd, ik was het totaal vergeten...
Ik begrijp nog altijd niet dat er hier nog lezers komen... Maar... zoveel trouw moet beloond worden!
Bedankt voor jullie lieve reacties en mooie wensen ik wens jullie ook een héél fijn, gezond en gelukkig jaar. Ik heb ook enkele berichten op mijn gsm aangekregen maar ik kan zelf nog niets terug sms-en omdat mijn telefoon hier nog niet werkt... Sorry hiervoor.
Ik ben ontzettend ontroerd dat jullie mijn blog zijn blijven opzoeken. Het spijt me dat ik jullie verwaarloosd heb, maar ik was eigenlijk niet meer van plan om nog te bloggen. Maar aangezien sommige mensen toch wel een beetje verknocht blijken aan mijn schrijfseltjes heb ik besloten door te gaan.
Ik heb inderdaad, zoals ge al vermoedde, in mijn nieuwe leven al aardig wat geschreven. Ik denk zo een 180 bladzijden...
Een nieuw leven beginnen in een vreemd land is een heel avontuur, het maakt veel emoties los en dompelt u in waanzinnige toestanden. Mijn dagboekverhalen zijn dus heel persoonlijk. En vanzelfsprekend hilarisch. Ik wil ze niet graag "zomaar op het internet gooien", maar ik zou ze wel willen delen met mijn héél trouwe lezerskring. Mijn huis is nogal een "speciaal beestje" en een beetje gekend in de streek, dus ik wil ook niet dat zomaar elke internetter te weten komt waar ik woon. Ik heb niet voor niets een plek op het einde van de wereld gewenst, en gevonden, om er in alle stilte een nieuw leven te kunnen beginnen. Ik zoek voor dit probleempje nog een oplossing, want ik ben er zeker van dat jullie mee gaan genieten van mijn knotsgekke avonturen en mijn kompleet waanzinnig huis.
Ik weet nog niet hoe ik het ga oplossen, maar ik vind er wel iets op.
Eerst maak ik het reisverhaal van het Canal du Midi af omdat daar de kiem ligt van mijn totaal, maar dan ook totáál, onverwachte verhuis naar Frankrijk. Tegen dat alle hoofdstukken van dit reisverhaal gepubliceerd zijn zal ik wel een manier gevonden hebben om mijn dagboek met mijn vaste, trouwe lezers te delen.
Momenteel is alles een beetje vrolijke chaos, dat kan ook niet anders als ge rond half september uw huis voor de allereerste keer ziet en er half november al hals over kop in trekt omdat ge er stapelverliefd op bent. Een verhuis zonder meubelen, met alleen het hoognodige en vanzelfsprekend de 7 poezen.
Dus hier gaan we weer!
Hieronder het verhaal dat bij het onverwacht gepubliceerde album hoorde.
Overmorgen plaats ik hoofdstuk 12, en de dag daarna het bijhorende album. Vannacht nog heb ik de foto's samen geraapt maar ik moet er nog ondertitels bij schrijven.
Veel lees- en kijkplezier en bedankt voor jullie - voor mij nog steeds niet te bevatten - trouw, waar ik oprecht blij en dankbaar voor ben.
Zondag 11 september 2011.
Tussen La Redorte en de sluis van Jouarrès.
11. Pinball Wizards.
Zoals afgesproken vertrokken we zonder ontbijt naar Carcassonne. In peis en vree vaarden we na het ontwaken naar het grote bassin in het midden van de stad. De stad was stil. Een heerlijke, slaperige zondagochtend. Geen verkeer, geen treinen, dus geen oordoppen. We knabbelden rustig aan onze verse vijgjes, gisteravond geplukt.
De sluis was dicht en we moesten even wachten in het midden van het bassin van de jachthaven. Een grote cirkel waarrond de echt sjieke boten aan de kade liggen. Paul zat aan het roer. Plots kreeg de wind vat op ons, en aangezien wij geen zijmotoren hebben om bij te sturen liet Paul de boot kalm zijn eigenwijze rondje draaien. Ge kunt niet midden in een jachthaven uw motor gaan aanzetten. Aanleggen mag ook niet. Dus we hadden geen keuze. Ik zag ons heel traag naar een sjiek zwart jacht afdrijven, dus ik sprong snel naar de boord om ons met mijn handen af te duwen. We raakten mekaars botsballonnen (waar die ook voor ontworpen zijn), en ik duwde met mijn hand tegen zijn boord onze badkuip terug af.
Toen we al terug in het midden van de kom lagen komt die vent vanonder uit zijn kajuit en begint ons in bekakt Engels uit te schelden! Of we dat met onze auto soms ook doen? Hé?! Waarop ik vriendelijk terug riep : “Sorry Sir, but we drifted by accident to your side because of the wind.” Ik kreeg nog wat gescheld naar mijn hoofd, onder andere : “You touched MY property! This boat is my PROPERTY!” en toen was voor mij de maat vol, vanuit het midden van de sjieke jachthaven, pal in Carcassonne centrum, zette ik mijn keel open, de volgende historische woorden galmden door de soezende stad : “Fuck you!!! Buy yourself a penis instead of a boat!” Geen woord steeg nog op uit het bassin, geen bemanningslid van welke boot ook ademde nog. Na nog een welgemeende “Fuck you!” (ja, ik kan het niet laten, ik hou van afwerking) verdween de man snel terug naar beneden. Ik had graag mijn tekst nog eens in het Frans ook laten schallen, maar daarvoor is mijn taalbeheersing niet goed genoeg. Gelukkig lagen er genoeg Engelsen die hadden kunnen meegenieten want in de sluis sprak een man ons direct met kurkdroge engelse humor aan : “Well, ... that chap wasn’t really happy.”
Het fijne aan zo’n opmerking over “boten”, “lengtes”, en “penissen” is dat ze die met zich mee moeten dragen. Alleen. Want mannen kunnen die niet aan hun vriendjes vertellen zonder zichzelf belachelijk te maken.
Als dat ventje nu nog meer van zijn tak had gemaakt dan had ik beslist mijn enterhaak ter hand genomen en was daar mee op hem afgezeild. Ik denk dat minstens één van mijn voorvaderen toch een kaper moet geweest zijn. Zo eentje die vloekt en kettert, maar dol is op de papegaai op zijn schouder. En de voorliefde voor sjaals heb ik ook al, dus die kan ik in ’t vervolg misschien ineens beter rond mijn kop binden, met zo’n knoopje aan de zijkant. Ik mankeer alleen nog het ooglapje. Maar misschien maken mijn oordoppen dat wel goed.
De sluis in het centrum was, eens we er in lagen, een makkie. Ik doorstond zelfs heel Carcassonne zonder oordoppen. Natuurlijk, vorige keer dat we hier waren was het vrijdagavond en spitsuur. Dat zal er ook wel wat mee te maken hebben. Of de adrenaline van mijn boze bui…
Met veel gefoefel geraakten we met vier boten in de volgende sluis, de sluizenier trachtte zes Engelsen in hun enorme brede huurboot aan het verstand te brengen dat ze in de volgende driedubbele sluis van Fresquel onze boot vooraan in de sluis moesten laten aanleggen, zodat naast ons nog een medium formaat kon en naast zijn dik geval nog een kleinere boot. Maar ze snapten het niet. Na de sluis stak hij ons gewoon vrolijk zwaaiend voorbij en begreep niet dat we op die manier het volgende uur niets dan gewring en tijdverlies zouden meemaken. Aan deze sluizen naast de baan kan ik niet zonder mijn doppen beginnen, dus kon ik het ook niet gaan uitleggen. Die man was een perfecte stuurman (weliswaar niet moeilijk als ge twee extra zijmotoren hebt), maar waarom had die nu weer totaal geen ruimtelijk inzicht? Met een beetje doorzicht is vier boten van verschillende vormen en maten in een sluis planten zo eenvoudig als een tangrampuzzel van vier stukken in mekaar leggen.
En inderdaad, in Fresquel ging hij er als eerste in, maar och, ik zou me er wel achter leggen. Tot er een nog grotere, en langere, boot in zicht kwam die ook in de sluis moest. Nu begonnen de problemen pas goed. Op dat schip zat zes man, en die konden goed overweg met hun bakbeest. Ik had ze ervoor al eens geholpen met aanleggen, dus één van die mannen kwam ons een handje toesteken met de touwen. Maar daarvoor moest ik mijn kasteeltje wel eerst op zijn plaats krijgen zonder de Engelsen te rammen. Eigenlijk zijn wij gewoon veel te braaf want gisteravond vertelde een sluiswachter ons nog dat er in het hoogseizoen veel huurboten zijn met dronken bestuurders die hun boot als een pingpongballetje van sluismuur tegen poort tegen sluismuur en nog eens tegen de poort laten botsen, en dat allemaal al gierend van het lachen.
De behulpzame Fransman zei dat het haast onmogelijk was dit traject af te leggen met twee personen, hij beweerde al last te hebben als er maar drie mannen hielpen. Tja, aan hun vrouwen hadden ze niet veel hulp, want die stapten achteloos de meerpalen voorbij (in plaats van even een touw aan te pakken) en gingen met een piepklein fotoapparaatje fotokes maken alsof er totaal geen werk aan de winkel was.
Na de toch wel zware karwei en de stress van het versluizen was ik doodmoe. Paul was ondertussen ook al lichtjes gewond geraakt aan een been - op net dezelfde plek als ik, we blijken dus toch zusterzielen - dus die verdween naar ons hospitaaltje beneden. Ik zat alleen aan het stuur net op een prachtig traject. Als ge als eerste vaart is het water rimpelloos en zijn er prachtige foto’s van weerspiegelingen te nemen. Maar de Fransen hun boot was sneller dus ik besloot mijn plan maar op te geven en dicht tegen de oever te gaan varen om hen te laten passeren. Toen kwam er vanachter één van de duizend bochten van het Canal een tegenligger en moest ik mijn koers weer wijzigen. Wat ik iets te bruusk deed, zodat ik Paul al vloekend van de WC hoorde vallen…
Kortom, ik vaarde nog altijd als eerste, zij het enigszins zigzaggend, maar mijn echtgenoot was terug op post en ik kon alsnog mijn fotoreeks maken. Ik doopte ze de “Feeëndreef”. Zo mooi is de weerspiegeling van de gelijkmatige stammen op nog maagdelijk vlak water. Op de achtergrond dan nog een bruggetje en een torentje. Mijn beloning was navenant het voorafgaande gesukkel.
Achter Trèbes, in Millegrand, legden we doodmoe op de eerste zonnige plek aan om wat te bekomen. Dat is natuurlijk het voordeel van stroken waar de platanen al weg zijn. Daar hebt ge zon… Ik plofte me boven op ons dak en viel in een soort coma. Na nog geen minuut gilde Paul dat zijn piket losgekomen was, en we lagen ineens dwars over het kanaal. Hij had het gemerkt toen hij vriendelijk naar een voorbijkomende boot zwaaide en hij kon blijven zwaaien. Het leek alsof het schip niet verder vaarde. Natuurlijk niet, wij draaiden gewoon mee… Dus maar terug in gang geschoten om de zaken, letterlijk, weer recht te zetten. Uiteindelijk kwam mijn “zonneklopke” er toch nog van, zij het onder een flauw waterzonnetje. Het was windstil, laf eigenlijk, maar daar was ik me al niet meer van bewust zo snel mijn kop mijn kussen raakte..
Na mijn weldoend katzwijmtje riep Paul me aan tafel. Hij had op het achterterras een uitgebreide brunch klaargezet. Boterhammen met echt vanalles. Iets eten zou me goed doen, want we waren nog altijd maar op die paar ontbijt-vijgen aan ’t leven. Vanaf Carcassonne was alles er dan ook zo hectisch aan toe gegaan.
Rond drie uur waren we terug ongeveer op onze positieven, en zetten we ons terug aan ’t stuur. Lang zouden we niet op onze positieven blijven.
In Marseillette zat ik aan het stuur en deed Paul het trossenwerk. Hij stond op de kade, reikte naar een touw dat over bakboord hing, boog teveel naar voor, gleed weg maar viel niet in de sluis omdat zijn voet bleef haken achter het ijzeren sluisladdertje. Hij kwam in limbo in een horizontale positie tussen wal en schip te hangen met zijn onderbeen tussen twee sporten van de ladder geklemd. Ik kwam als een razende aangespurt van mijn bovendek om de boot dichter bij de muur te trekken, en mijn echtgenoot uit zijn toch wel penibele situatie te verlossen. Buiten wat bloed en binnenkort veel blauwe plekken was er wonderwel niets aan de hand. Ik ben er zeker van dat als dat een van mijn tengere knoken zou overkomen zijn, ze gebroken had geweest.
In de drie sluizen van Fonfile ging het er tof aan toe. We hadden nu drie boten met toffe mensen als compagnons en we kenden mekaar al stilaan. Allemaal senioren, wij waren de jongsten. Het was een internationaal gezelschap : Britten, Nieuw-Zeelanders en Canadezen. De boten hadden allemaal 4 of 6 man aan boord. De sfeer werd snel heel plezant en iedereen hielp iedereen. De iets oudere mensen waren blij dat ik hun touwen aanpakte, dat ze niet telkens zelf razendsnel van hun boot moesten springen. Met een van de Nieuw-Zeelanders was ik ondertussen zo verbroederd dat we maar bleven tetteren op de wal terwijl we vergaten dat de boten onder ons in de sluis wegzakten. Net op tijd realiseerden we ons dat we snel naar beneden moesten springen om ons eigen schip niet te missen. Uw touw vasthouden kunt ge evengoed van op uw boot.
In de dubbele sluis van Saint-Martin speelde zich hetzelfde scenario af, maar dan nog iets erger. Weer vergaten we door ons gebabbel aan boord te springen. Gelukkig waren we allebei nogal lenig en was een sprongetje van een meter geen ramp. Maar… Toen wij als eersten in de sluis arriveerden had ik snel mijn touw rond een meerpaaltje geslagen, een lus rond de klamp aan boord gelegd en daar “eventjes” een knoop in gelegd… Ik wou de oudere mensen snel gaan helpen dus kon ik mijn touw niet vasthouden, vandaar “even” die knoop. Natuurlijk raakten de Nieuw-Zeelander en ik weer vinnig aan de praat op de kademuur, en moesten we weer op het laatste moment aan boord springen, en toen viel mijn oog op mijn knoop!! Godzijdank had ik die op een verstandige manier gelegd zodanig dat ik die met 1 ruk los kon trekken! Paul had niets gemerkt want die stond vooraan het touw te leiden en ondertussen met de Canadezen te praten. Ik trok mijn knoop los en “klap” zei de boot en landde terug op het water. Paul dacht dat het een lichte aardschok was. Ik had verdorie de grootste beginnersfout aller tijden gemaakt en mijn boot opgehangen!!! De Brit lachte zich een breuk. Ik heb toen in ’t Engels onze oude Vlaamse spreuk “Klappen en breien gaan niet samen” uitgelegd. We besloten dan maar niet meer te breien en alleen nog te babbelen. Op onze vergeetachtige leeftijd is dat het veiligste. Het ging er echt heel geestig aan toe. Behalve dat ondertussen de Nieuw-Zeelanders de twee schokbrekers van de Brit zijn boot op dusdanige manier geramd hadden dat de ene afgebroken was en de andere vertikaal hing…
Het is ook echt een ramp om met vier boten in ovale sluizen te moeten gaan liggen als er wind staat. In de Elzas waren de sluizen eenvoudige rechte bakken. Ge vaarde er recht in en vaarde er recht uit. Hier zit ge enorm veel fijn bochtenwerk te maken om aan die halfronde kademuren aan te leggen. Alle boten klemmen zich tegen mekaar vast, en dan gebeurt het wel eens dat eentje een onderdeel van een andere te grazen neemt. Als ge rondkijkt hoe sommige boten er hier uit zien… ’t Is triestig. De meesten hun rubberen stootranden vertonen alle kleuren, overal zijn er hoeken af (dat komt natuurlijk omdat die grote bakken niet meer de vorm van een boot hebben maar van een reuze badkuip), en de rompen staan vol krassen. De onze is gelukkig alleen nog maar slijkerig door de boot met mijn blote handen van glibberige kaaimuren weg te duwen. En, eerlijk is eerlijk, hij is nog maar drie maand oud…
De Nieuw-Zeelanders waren de gelukkige bezitters van zijmotoren maar die hadden ondertussen de geest gegeven, maar dat maakte hen niet echt treurig want “dat maakte het varen alleen maar avontuurlijker”… Dat is inderdaad zo, daar weten wij nu eens echt alles van.
De Brit vertelde me over hoe fijn het was om de kanalen in Engeland te bevaren. Hoe véél avontuurlijker dat was! De bootjes zijn in ijzer in plaats van in polyesther, er zijn geen roeren of stuurwielen maar helmstokken zoals in zeilboten, de kanalen zijn veel smaller, alle sassen moeten hoogspersoonlijk manueel opengedraaid worden, en de sluispoorten zelf opengeduwd. Ge moet goed oppassen dat ge op niets meer kracht zet dan uw eigen gewicht of ge krijgt een hefboomeffect en ge gaat finaal de mist in. Gekneld geraken tussen een ijzeren boot en een stenen sluismuur, het klinkt misschien wel avontuurlijk maar echt plezant lijkt het me toch niet. De Engelse kanalen verloren voor mij helemaal hun charme toen hij vertelde dat ze daar vaarden met dikke vesten en zelfs balaclava’s (bivakmutsen) voor hun gezicht tegen de koude wind. Geef mij dan maar de Midi.
Aan de (alweer dubbele) sluis van Aiguille kwamen we met zijn vieren aan en… er was geen sassenier. De sluis was dicht en bleef dicht. We lagen daar met zijn vieren achter mekaar te dobberen in de hoop dat de poorten zich zouden openen want de sluis was leeg maar er gebeurde juist niets. Op de duur moest iedereen de gekste manoevers gaan uitvoeren om midden in dat kanaal te blijven liggen, er was geen plek om aan te meren, of we hadden de omheining van de sassenier zijn tuin moeten slopen. Het leek wel het ballet van de radeloze bootjes. We riepen naar enkele toeristen of zij misschien een sluiswachter zagen. En ja, die kregen madam de sluiswachtster wakker.
Eens we allemaal terug met onze boegen weer richting sluis lagen ging alles vlot. Ik besloot om nu eens niet iedereen te gaan helpen maar eindelijk de sassenier zijn ijzeren kunstwerken te gaan bekijken waar ik op de heenweg geen tijd voor had gemaakt. Beeldjes van mensen en dieren vervaardigd uit oud ijzer, zoals fietskettingen, potten, tangen,… De grote figuren zaten zo in mekaar dat ze konden bewegen. Een marionet danste, een kip wiebelde op en neer, een ander ventje plaste in een echte toiletpot,… Het kraakte en piepte wel allemaal erg maar het was wel geestig om zien. Op zijn sluis had hij zelfs een levensgrote “zagevent” gemaakt. Een beeldje dat vroeger wel eens in bruine kroegen te vinden was en dat op de toog werd gezet als iemand begon te zagen. Als de sluisdeur opendraaide bleef het beeld zich voorover buigen en weer oprichten alsof het de sluis eigenhandig opendraaide. Heel goed gevonden.
Ook een heel grappig werkje was een “touwtrek”-wedstrijd tussen aan de ene kant vier aftandse snijtangen en aan de andere kant van de koord vier oude knijptangen. Het beeld was hooguit een halve meter lang maar kostte wel 150 euro. Het was duidelijk dat deze sassenier zich niet als kleine neringdoener beschouwde maar wel als heus kunstenaar.
Het varen is hier een soort afvallingskoers, de ene na de andere geeft er de brui aan en zoekt een lekkere plek om te gaan koken en slapen, of blijft achter in een jachthaven. Dus toen we in de sluizen van Puichéric aankwamen hadden we al van twee boten van ons “konvooike” afscheid genomen. Maar we kregen er een schone nieuwe bij. Een Fransman. Met een aak van wel 18 meter. Een sluis is 32 meter lang. Om door de nauwe ingang van de ovale sluizen binnen te varen had hij ook maar één meter over. Voor een schip van dat formaat hebt ge dus wél een vaarbewijs nodig. Het werd al heel snel duidelijk dat een vaarbewijs nog niet bewijst dat ge ook effectief kunt varen. Hij lag daar met zijn boot in dat sas heen en weer van stuurboord naar bakboord te kletsen, hij maar draaien aan zijn groot roer, en zijn madam maar altijd over de gesloten sluisdeuren heen en weer rennen omdat ze niet wist langs welke kant ze nu eindelijk de touwen zou toegeworpen krijgen. En dan te bedenken dat die zware platte bak niet eens last kon hebben van de wind die onze plastic dozen zo’n parten speelt. En toch raakte die werkelijk alle kanten van de sluis als een echte “pinball wizard”. Hij had het geluk dat hij te lang was om helemaal dwars te komen liggen. Dat mankeerde er eigenlijk nog aan.
De Britten en wij lagen in ons vuistje te lachen. Ik verdacht hem ervan dat hij hoopte dat ik nog eens een opmerking in de trant van die in het bassin van Carcassonne zou maken, want die had hij hilarisch gevonden. Maar de Fransman deed mij geen kwaad, hij was alleen een beetje blasé, en dat moet ge ze gunnen zonder er commentaar op te geven, vind ik. Uiteindelijk had hij mij écht niet nodig om van zichzelf een spektakel te maken.
Eens de sluis voorbij werd het bloed van Paul zijn been afgewassen door de regen. Vanuit de kajuit gaan sturen vond hij niet sportief, dus zaten wij daar allebei aan het roer onder een grote paraplu als twee loze vissertjes. Gelukkig duurde de bui maar even en was aan de volgende sluis de zon alweer van de partij, zodat zijn wonden wat konden drogen. Ik wou dat hij aan ’t stuur bleef zitten met een ijszakje op zijn been, maar hij deelde liever de gezellige babbels op de kademuren.
Later renden en strompelden de Nieuw-Zeelandse vrouw en ik met onze touwen over de kademuren en kwamen we tot de constatatie dat we toch eigenlijk te oud zijn voor dit gekkenwerk. Dat ge dit beter kunt overlaten aan jongere mensen, en dat de voornaamste bagage een maxi-doos met EHBO-gerief zou moeten zijn. Maar plezier hadden we wel.
We hadden lol voor 10, maar waren moe voor 20.
Iets voor zeven verlieten we de laatste sluis van de dag, voeren La Redorte voorbij en zochten een mooie, rustige avondplek. Dat moest en zou gebeuren op de linkeroever want daar liep geen jaagpad, en zouden dus de volgende ochtend geen fietsers of joggers voorbij razen. Wat er wel was, was een steile berm vol pinnige struiken, inderdaad onbereikbaar voor iedereen die geen krokodillenvel bezit. Tijdens het oeverloze (letterlijk) gemanoevreer plukte ik toch een paar heel speciale blaadjes van een overhangende struik. Ze waren aangetast door insecten of een ziekte en de talloze gaatjes en halfgaatjes zagen er uit alsof het brandglazen van een kerk waren. Ik zou er morgen wel wat macrofoto’s van nemen. Binnen de minuut realiseerde ik me dat het misschien niet zo’n best idee was, want mijn vinger begon branderig aan te voelen. Ik zat dus duidelijk met een giftige plant te knoeien. Het leek me wijzer om mijn handen maar braaf thuis houden tot we eindelijk aan land konden. Een mens moet eigenlijk niet altijd met iets bezig zijn.
Na verscheidene mislukte pogingen om aan te leggen op een plekje waar een meter zonder stekelig groen was, slaagden we er op de duur toch in om ons zonder machete van boord te begeven. Ik legde de touwen rond twee dode platanen en door de kale takken scheen de zon weer op ons neer. Paul wou eerst de boot van het slijk en de bloedplekken ontdoen, maar er is geen beginnen aan. Ik beklom ondertussen de berm om te kijken wat er achter lag. Ik had het kunnen denken : wijnvelden. Het had dus geen zin om nog verder door al die stekeldingen te gaan klimmen. Ik besloot dan maar om op de voorplecht te gaan zitten schrijven om te rusten en wat te bekomen van de avonturen van deze welgevulde dag.
Paul besloot dat het tijd was om ook voor een welgevulde maag te zorgen. Hij had ondertussen “Oud Sluys” ingericht op het dak en serveerde er een overheerlijke couscous met zeven groenten. De zon ging onder achter de eindeloze wijnvelden en om halfnegen moesten we met onze stramme spieren en talloze wondjes en wonden in de pikkendonkere (vergeten kaarsen mee te nemen…) onze tafel en stoelen een verdieping lager verslepen om van de Franse dessertkaasjes te kunnen genieten.
Zoals de Engelsman daarstraks stikkapot, zwetend en hijgend, neergeploft op zijn boeg al zei : “And did we actually buy this as a holiday??...”
Een dag van 41 kilometer en ongeveer 20 à 25 sluizen... Een mens zou voor minder een goede nachtrust verdienen. Ik ben wel blij dat we vastliggen aan twee dikke platanen want met deze stormwind zou ik mijn piketten niet vertrouwen. En op deze plek midden in de nacht een doornvrije oever moeten gaan zoeken… Nee, dat zou nu toch wel teveel van het goede zijn.
Het fotoalbum van deze dag :
https://picasaweb.google.com/laathi.webalbums/CanalDuMidiHoofdstuk11?authkey=Gv1sRgCMHD5eD9mdGtxgE#
Vrolijk kerstmis!
Een fijne kerst voor al mijn lezers!

2 reacties op dit bericht
Fijne kerstdagen !
Hallo hallo