Dit heerlijke gedichtje zat in mijn mailbox.
Vooral niet aan je kleinkinderen laten lezen of ze kunnen nooit meer foutloos schrijven!
De linguïstische logica
van het Nederlands.
Het meervoud van “slot” is “sloten”,
toch is het meervoud van “pot” niet “poten”.
Wie gisteren ging “vliegen”, zegt heden ik “vloog”,
dus zegt u misschien van “wiegen”, ik “woog”.
Nee, pardon, want ik “woog” is afkomstig van “wegen”,
maar... is nu ik “voog\" een vervoeging van “vegen”?
En dan: het woord “zoeken” vervoegt men ik “zocht”
en dus hoort bij “vloeken”, ik “vlocht”.
Alweer mis! Want dit is afkomstig van “vlechten”,
maar ik “hocht” is geen vervoeging van “hechten”.
Bij “roepen” hoort “riep”, maar “snoepen” geen “sniep”;
bij “lopen” hoort “liep”, maar bij “kopen” geen “kiep”.
En evenmin hoort bij “slopen”, “sliep”,
want dat is afkomstig van het mooie woord “slapen”.
Maar zeg nou weer niet “riep” bij het werkwoord “rapen”,
want dit komt van “roepen”. En u ziet het terstond:
zo draaien we vrolijk in een kringetje rond.
U ziet: de verwarring is akelig groot.
Nog talloze voorbeeldenkan ik daarvan geven.
Want “gaf” komt van “geven”, maar “laf” niet van “leven”.
Men spreekt van wij “drinken”, wij hebben “gedronken”;
maar niet van wij “hinken”, wij hebben “gehonken”.
Het is ik “weet” en ik “wist”. Zo vervoegd men dat.
Maar schrijft u nu niet bij “vergeten”: “vergist”!
Dat is een vergissing! Ja moeilijk, dat is ‘t!
Het volgend geval is bijna te bont.
Bij “slaan” hoort: ik “sloeg”, niet ik “sling” of ik “slong”;
bij “gaan” hoort ik “ging”, niet ik “gang” of ik “gong”.
en tenslotte heet geen mannetjesrat, “rater”,
al gaat dat wel op bij “kat” en “kater”!
(bedankt Jan!)













