feest!


Mijn poezenverhalen vinden jullie door in de linkerkolom op de foto van de betreffende poes te klikken. En als je op "Poezenstrips" klikt kan je lezen wat mijn poezen onderling allemaal zitten te roddelen... Mijn reisverhalen van Thailand, Egypte en Noorwegen staan ook in de zijkolom. "Mijn Jeugdherinneringen" beschrijven de jaren 60 in Antwerpen. Veel plezier!
feest!

hartje van purperen bloem

papaver

hommel

lente

aap

Verantwoordelijkheid

Zeepbellen
Laathi, Hanuman en Phineas spelen met zeepbellen


Het verhaal van Ming Song Huong
Ming als volwassen kater.
In de herfst van 1994 trekken mijn man en ik een maand lang door Vietnam.
De eerste 2 weken bezoeken we het Noorden, een vrij vermoeiende tocht langs de Chinese grens. Voor we naar het zuiden reizen, hebben we halfweg een “strandvakantie” van 5 dagen gepland op het zonovergoten strand van Nha Trang, een badplaatsje langs de 1200 km lange weg tussen Hanoi en Saigon.
De zon- en rustvakantie valt wel héél letterlijk in het water. Véél water! De zee is grijs, de golven onstuimig, snorkelen onmogelijk. En vergeet de zon. De bedden in het “hotel” zijn ook niet echt uitnodigend om op te gaan rusten, zelfs niet nadat we twee matrassen op elkaar leggen (uiteindelijk verdubbel je alleen maar het aantal spring- en kruipdiertjes…). Vergeet ook maar de rust. Dus besluiten we in de gietende regen tempel nummer 1047 van de reis te gaan bezoeken. Met twee fietsriksja’s rijden we naar de Po Nagar Cham towers, een heiligdom op een hoge rots aan de onfris ruikende Cai-rivier. Bovenop de rots hebben we een uitmuntend zicht op … grijze, druipende wolken. De grottempeltjes dienen voornamelijk om af en toe te schuilen voor de gutsende regen. Teleurgesteld glibberen we weer naar beneden, en beginnen onze wandeling terug naar het dorp. Plots valt mijn oog op een handvol doorweekte wit-en-rosse wol, verborgen in het gras aan de voet van de brug over de rivier … en ja hoor, huisgenoot nummer vijf dient zich aan!
Ik raap het bolletje op, droog het af en laat het schuilen in mijn linnen draagtas. Heel naïef klop ik aan bij het dichtst bijzijnde huisje, in de hoop een adoptiegezin te vinden. De vrouw des huizes kijkt me verbaasd aan, en doet teken dat ze het katje écht niet hoeft. Later besef ik dat ik geluk heb gehad. Ze bedoelde waarschijnlijk dat ze voor zo’n onooglijk hoopje vlees geen pot wenste vuil te maken. De twee riksjajongens die ons na het tempelbezoek nog staan op te wachten in de hoop nog een ritje te verkopen, kunnen plots weer zaken met ons doen. Een uur te voet door de regen zou onze vondeling geen goed doen. Dus, met de fietstaxi en poes in de zak in volle vaart naar het hotel. Naïeve gedachte nummer 2: de poes verzorgen en ze bij vertrek uit Nha Trang bij de rest van de hotelzwervers zetten. Dan vindt ze alvast eten en onderdak.
Na een nacht van herstel neem ik het poesje uit haar nest van handdoeken en wil haar nu toch wel eens zien lopen. Groot is de teleurstelling als blijkt dat ze dat niet kan. Ze duwt zich vooruit met de achterpoten en schuurt met de kin over de grond… onmogelijk haar zo achter te laten: haar kin zou in geen tijd geïnfecteerd worden door over de natte grond te schuren, een zekere dood zou haar lot zijn. Maar wat nu? Nog 2 weken door de Mekong-delta gaan reizen met een dier dat waarschijnlijk veel pijn lijdt?
Mijn immer optimistische man besluit in dit gat op zoek te gaan naar… een dierenarts! Nadat ik mijn verbazing over dit, in mijn ogen onmogelijke plan heb doorgeslikt, pakken we de poes in en vinden op straat de twee riksja-boys die onmiddellijk business ruiken. Vanaf dan zullen ze niet alleen onze chauffeurs maar ook onze zeer gewaardeerde tolken worden. Eén van hen spreekt namelijk een drietal woorden Engels. Vol verbazing horen ze ons projekt aan. Het ongeloof maakt plaats voor een gezond zakeninstinct. Uiteindelijk betalen gekken met even goede dollars als normale mensen… Dus wij op weg naar de “dierenarts”…
We stoppen voor een huis, volledig open aan de straat, waar ze kippenvoer en granen verkopen. Er verschijnt een man die aan onze hulpeloze kat haar poten begint te trekken. Hij schudt zijn hoofd en loopt weg. Aangezien Paul’s optimisme mij niet zo ingebakken is, opper ik om het zielige wezentje hier ineens uit zijn lijden te laten helpen. Uiteindelijk is het dier toch echt wel zwaar gewond: er is een schouder en een voorpoot gebroken. Paul vraagt mij met geschokte blik hoe ik me eigenlijk wel voorstel dat ze dat hier zouden doen, dat “uit zijn lijden helpen”. Ik begrijp dat ik dat inderdaad niet zou willen weten. Plots komt een van de 2 riksja-jongens terug, en herhaalt steeds “Kung Fu Doctor, Kung Fu Doctor”, en doet ons teken om mee te komen. Goed, we betalen bij en zetten de rit verder, vanzelfsprekend nog steeds in de gietende regen. Ik denk: misschien bedoelt de jongen dat er een dierenarts woont in de Kung-Fu-straat, of zo. Weet ik veel.
Volgende halte, weer een gebouw zonder voorgevel. Rafelige zetels, waartussen fietsen en brommers staan, een oud bureau en tientallen Kung-Fu foto’s aan de muren. Nee, het lijkt niet direkt op het kabinet van een dierenarts. Steeds meer mensen sijpelen binnen die ons geïnteresseerd observeren. Het blijkt héél boeiend naar twee natte blanken met een gewonde kat te staan staren en wijzen. En dat alles zonder een verstaanbaar woord te kunnen wisselen. Uiteindelijk verschijnt er bovenaan een trapje een stevige man. Hij neemt plaats achter het bureau, klopt trots op zijn borst, en wijst vervolgens naar de foto’s. Blijken we bij een of andere vechtsportkampioen te zijn aanbeland. Nu is voor mij alle logika zoek. Tot de man toch ineens de kat in de gaten krijgt en haar, ook weer niet bepaald zachtzinnig, aan haar gewonde poten begint te trekken. Dat potengeruk zijn we ondertussen wel grondig beu, dus nemen we hem de poes terug af. De man diept uit zijn bureau een potje op met een zwarte brij. Hij legt met veel gebaren uit dat hij een soort kruidendokter is. Waarschijnlijk een sportdokter (wel ja, misschien is onze poes niet overreden, en heeft ze een sportletsel opgelopen toen ze de Marathon van Nha Trang liep!). Maar goed, hoe absurd de situatie ook is, alle hulp is welkom. De zware, zwarte klei wordt rijkelijk rond een pootje gelegd, daarrond een stuk vod gewonden, en daarop enkele druppels uit een flesje gegoten.
Ming na zijn bezoek aan de "Kung-Fu-dokter"
De man wijst op zijn horloge, en gebaart dit druppelen om de 4 uur te herhalen. We verlaten zijn huis met het flesje en een dubbel zo zwaar beestje. En wij de daarop volgende nacht maar druppelen… en die klei maar zwaarder worden… en de kat onbeweeglijker… Dit is duidelijk niet de goede geneeswijze. Dus de klei er de volgende middag maar weer afgehaald.
Paul belt in zijn grenzeloos optimisme naar een inlichtingendienst en komt te weten dat er in Saïgon een dierenarts woont die zelfs in Parijs gestudeerd heeft. Saigon is zowat 400km zuidwaarts, maar dat is geen probleem: het stond toch op onze reisroute. Alleen… gingen we dat traject wel per vliegtuig afleggen natuurlijk. Maar … Poes zal nooit op die vlucht van Vietnam Airlines meemogen… (We weten nu zo stilletjes aan wel hoe Vietnamezen over dieren denken.) Dus… vlucht afgezegd en auto-met-chauffeur gezocht. Blijft er nog 1 praktisch probleempje : een draagmand voor poes. Wat uiteindelijk dit object het meest lijkt te benaderen is een ijzeren draadkooi met een valdeur: een ratteval !
Na enige aanpassingen is het mistroostige ding bruikbaar. Eerst wat metalen uitsteeksels er afprutsen, dan onderin een reeks elastiekjes spannen zodanig dat we een vering hebben, daarop een handdoek als matras en klaar is kees.
Uiteindelijk wil ik de patient zo comfortabel mogelijk vervoeren op de toch wel hobbelige wegen.
De volgende dag huppelt de oude auto 8 uur door het Vietnamese platteland. Op de meest ellendige stukken lig ik plat op de achterbank met de ratteval op mijn buik, en vang zo de ergste schokken op. (Waarmee het pondje teveel buikvet eindelijk eens zijn nut bewijst.)
Onderweg stoppen we even en eten een krab die spijtig genoeg gekookt is in een mazoutvat, enfin zo smaakt ze althans. Lichtjes afgunstig kijken we naar onze kater die zich tegoed doet aan ons laatste blikje tonijn uit Belgie.
In de schemering bereiken we Saigon. Een wel héél grote stad! Hier staan we voor de opgave: vind de dierenarts die in Parijs studeerde en woont in het vierde district! Niet echt gemakkelijk zonder naam, telefoonnumer of adres.
Op dat moment besluiten de heilige Rita, Sint Antonius en Sint Franciscus de handen in mekaar te slaan, want wonderwel staan we al na een dik uur zoeken bij onze dokter!
In een klein donker huisje (de electriciteit was weer maar eens uitgevallen) in de groezeligste omstandigheden wordt de kleine kater onderzocht. Het verdict luidt: “Dit is zinloos, het dier zal voor de rest van zijn leven gehandicapt zijn”. Tijdens het “onderzoek” haalt de dokter plots een spuit uit een schuif, steekt zijn hand door het open raam, prikt in de bil van een hond en ontvangt van het bazinnetje enkele muntjes. Dit alles zonder van zijn stoel te komen en in het licht, pardon, de duisternis van 1 petroleumlamp! Dit korte intermezzo geeft Paul wel de tijd stilletjes te fluisteren :” we nemen hem mee naar Belgie, wij hebben betere dierenartsen…”
Gelukkig spreekt de dierenarts vlot Frans en begrijpt hij ons plan, en hoewel hij het nut er niet van inziet is hij toch bereid er aan mee te werken. De poes moet dan wel vier weken voor haar vertrek ingeënt zijn tegen hondsdolheid…
Probleem, want dan was ze misschien nog niet eens geboren… Maar de man is vindingrijk en van goede wil: hij wil voor een zacht prijsje best een geantidateerd document maken en de nodige stempels halen bij het ministerie van landbouw. De papieren zullen over een week klaarliggen, dus kunnen wij nu eerst onze tocht door het zuiden maken, en de dag voor ons vertrek alles bij hem ophalen. Even overwegen we ons katertje een week bij hem achter te laten, maar de accommodatie vinden we niet direkt geschikt voor “onze kat van 6 miljoen”. (Ik vrees trouwens ook dat onze kat kleiner is dan de ratten die er rond lopen.)
Dus stappen we af van die idee; poes moet mee!
In Saigon kunnen we een plastic groentenkorfje op de kop tikken dat een praktische draagmand blijkt te zijn. We smokkelen poes het Palace hotel binnen (een truc die we ondertussen goed beheersen), de mand verborgen onder een stapeltje kleding dat losjes over mijn arm hangt, en belanden doodmoe maar gelukkig op ons kamertje. Een volgende kippevelmoment is het telefoontje naar de luchtvaartmaatschappij. Mogen er wel huisdieren mee?
Gelukkig vliegen we met KLM en die zien er helemaal geen probleem in. Telefonisch reserveren we een vliegticket voor poezeman, ze vragen zijn gewicht, ik schat hem 200 gram, maar het tarief begint bij 1 kilo. OK, 1 kilo poes dan maar.

Ming's vliegtuigticket
’s Morgens charteren we een minibusje met chauffeur om onze tocht verder te zetten. De man heet Ming, is heel vriendelijk, en ’t belangrijkste : heeft geen bezwaar tegen onze kleinste passagier. Eén klein detail zouden we voor ’t vertrek nog graag oplossen : de kleine jongen heeft sinds we hem gevonden hebben nog altijd geen grote boodschap geproduceerd… In nood mag en moet iedereen voor dokter spelen en ik besluit de natuur een pootje te helpen. Ik kieper mijn medicijnkistje om, vind op de bodem mijn plastic spuiten, trek van één de naald af en zuig een lepeltje boter op. En dan, staart omhoog en floep, lavement toegediend! Die avond zet onze kater zijn eerste stapjes. Heel krom en stuntelig, maar hij vertoont de eerste tekenen van leven, zelfs van blijdschap: de oogjes wijdopen, de staart recht omhoog, begint hij te spinnen!
De volgende morgen rijden we Saigon uit, de rijstvelden van de Mekong delta in. Nog steeds geen drolletje. Op de achterbank ligt de keukenrol in aanslag. We maken ons zorgen dat het wonder zal geschieden zonder dat we het merken en dat het beestje dan in zijn uitwerpselen zal liggen. Dit blijkt een nodeloze zorg. Plots kriebelt een helse stank onze neus binnen. Allebei roepen we tegelijk als gek : “Hoera!!! ’t Is hem gelukt!!!”. Door het geroep en wellicht ook door de fijne geur, kijkt onze chauffeur verwonderd naar achter. Hij bestudeert onze triomfantelijke gezichten, ziet mij overgelukkig staren naar de kattedrol in mijn hand en begrijpt er nu wel helemaal niets meer van. Ik lees zijn gedachten :”waarschijnlijk zijn het gekken, maar ze lijken mij niet echt gevaarlijk en ze amuseren zich duidelijk. Ze hebben op voorhand betaald, dus alles OK, doorrijden maar”. Ik maak van de afval een prop en mik die in mijn enthousiasme onnadenkend door het raam… In Vietnam rijden miljoenen fietsers… Nou ja, ik heb het niet met opzet gedaan meneer…
We hadden gepland onderweg een klooster te bezoeken dat op een eilandje middenin een stroom lag, een klein bootje ging er ons naar toe brengen. Vanwege de brandende hitte en het gebrek aan schaduw in de boot, besluiten we het poezebeest in de auto te laten. Onze gekoelde frisdrankblikken in t-shirts gerold in een hoekje van zijn mand, raampjes open, chauffeur Ming duttend op de voorbank. Alles onder controle! Wij opgelucht op pad, best tevreden met onze baby-sit. Tot we ’s namiddags terugkomen! De zon is gezakt en schijnt pal op het mandje van de kleine kat. Chauffeur Ming snapt niets van de drukte die dan volgt. Het suffe diertje stoppen we met zijn voetjes in fris water in de hoop hem wat af te koelen. Het werkt, zijn levensgeesten keren terug. Gelukkig dat een kat negen levens heeft. Spijtig genoeg verbruikt de onze ze wel heel snel …
’s Avonds belanden we in een half leeg hotel, we kunnen een kamer kiezen.
De allerlaatste, en duurste, noemen ze trots hun “suite”. Het is een labyrint van kamertjes en gangetjes. Niet echt aantrekkelijk, want je kan er van de grond eten, tenminste als je een kakkerlak bent. Maar als ons oog plots op een grote plantenbak ergens in een hoekje valt, kijken we mekaar veelbetekend aan, en besluiten unaniem de “suite” te huren. Stel je voor, hebben we in deze uithoek van de wereld toch wel een kamer met ingebouwde luxe-kattebak gevonden zeker!! Kunnen we direkt met zindelijkheidstraining beginnen.
’s Avonds kat in de plantebak gezet, op onze buik liggen aanmoedigingen scanderen, geen resultaat. Nou ja, we hadden onze portie geluk al gehad die dag.
Ming inspecteert zijn luxe-kattebak
Op ’t einde van de week, na nog wat kleinere en grotere avonturen, komen we terug aan in Saigon, pikken de papieren op bij de dierenarts, zijn vliegtuigbiljet bij KLM (1 kilo kat kost 27 dollar) en staan voor een van de laatste beproevingen. Een opdracht die wel zeer bepalend zal zijn voor zijn verdere leven : het omkopen van de douane. We willen onze poes nu echt voor geen geld meer moeten achterlaten. Hier komt onze vroegere reiservaring goed van pas, en ook dat hachelijke moment komen we door. Nu nog afwachten hoe het vliegtuigpersoneel gaat reageren. De eerste hostess die we zien tovert een stralende glimlach tevoorschijn en roept :”Ooooh, een poesje!! Ik heb nog een maaltijd over, wil U ze soms hebben voor Uw poes?! Is kip OK?”
De Vietnamese man naast ons trekt zijn neus op, snuift verachtelijk en gaat een rijtje verder zitten. Wat ineens een eigen zitplaats voor onze kater oplevert.
Eindelijk zijn we gerust, alle hindernissen zijn genomen. De poes zal bij ons kunnen blijven. Er valt een steen van mijn hart. We zijn meer dan gelukkig! Het is tijd om hem een naam te geven. We kiezen voor MING SONG HUONG. Ming, een keizerlijke naam, die ook herinnert aan de lieve baby-sit chauffeur van de laatste week. “Song” is rivier in ’t Vietnamees, en “Huong” betekend welriekend, geurig. Toch wel een vorstelijke naam voor een kat die gevonden is aan een stinkende rivier ergens in ’t midden van Vietnam!
Thuis bleek dat Ming’s beenderen ondertussen reeds verkeerd aaneengegroeid waren, en dat hij te klein was om hem te opereren. Hij heeft nog meer dan een maand een steunverband moeten dragen. De daaropvolgende weken kreeg hij ’s morgens een spalk aan en ‘s nachts moest hij in een kleine gesloten mand slapen om zijn poten te laten rusten.Onze Ming zijn staart is krom en stijf en wat te kort. Zijn lijfje zit een beetje scheef ineen, maar hij loopt en springt evengoed als zijn (ondertussen 5) huisgenoten.
Soms denk ik wel eens dat door zijn ongeval ook iets in zijn hoofd geraakt is, want af en toe doet hij een beetje gek. Maar misschien is dat maar best zo, want nadat jullie dit verhaal gelezen hebben, zullen jullie al wel vermoeden dat hij daardoor des te beter bij zijn baasjes past.

Ming thuis, met zijn schouders in het verband, liggend op een kussentje terwijl ik de reisfoto's in een album kleef.


Het verhaal van Tabitha.

6 december 1999. Onder onze middagpauze nemen mijn man en ik even de auto om een boodschap te doen in het centrum. We parkeren tegenover een speelgoedwinkel in volle Sinterklaastooi. Ik droom een minuutje weg over hoe jammer het is dat volwassenen geen kadootjes meer krijgen, tot plots een meisje met een grijs-getijgerde poes in haar armen mijn aandacht trekt. Ze staat er wat verloren bij want ze moet terug naar school en weet niet wat met de vondeling te doen. Ik neem het dier van haar over en beloof haar een oplossing te zoeken. Telkens ik de poes op de grond wil zetten, wriemelt ze zich terug een weg naar mijn schouder, ze is duidelijk niet van plan ons haar thuis te wijzen. We informeren in de buurt maar niemand blijkt haar te kennen. Dus nemen we de pechvogel mee naar huis.
.
Vanzelfsprekend moet ze eerst langs de dierenarts passeren voor ze bij onze 5 andere poezen kan logeren. Het blijkt een vrouwtje te zijn dat net volwassen is, ze weegt nog geen drie kilo en is echt onderkomen. Ze ziet er nog extra zielig uit doordat haar oogleden halverwege over haar ogen hangen. De dierenarts vermoedt dat ze in haar zeer dichte pels een litteken voelt en dat ze dus gesteriliseerd is. Dus moet er ergens iemand om haar geven. Dan gaan we toch moeite doen om haar baasje terug te vinden zeker! Eerst bellen we de politie en dan hang ik wat briefjes in winkels rond de plek waar ik haar heb meegenomen. Na een week is er nog steeds niemand komen opdagen om ons vriendelijk grijs bolletje op te komen halen. Net als mijn vader zaliger, is ook mijn man zijn devies: Waar er plaats is voor 5, is er ook plaats voor 6. Dat is allemaal goed en wel, maar één van onze vijf is wel de Vietnamees Ming Song Huong... En of die Chinese Keizer een extra volwassen poes in zijn koninkrijk gaat dulden is nog maar de vraag.
Heel voorzichtig integreren we onze timide Tabitha in het gezelschap. Het oudste vrouwtje, onze rosse Robin, blijkt het niet te storen. Laathi, de jonge zwart-witte deerne is niet zo happy, zij wenst haar rol van jeune première nog niet af te geven. Tobias, de oude witte poezeman, de goedheid zelve, vindt duidelijk dat er plaats is onder de zon voor iedereen. Hanuman, de driejarige tijgerkater, is blijkbaar vergeten dat hij zelf van de straat geplukt is en vindt de nieuwe bewoner maar niks. En zoals verwacht ...
Ming Song Huong ‘s keizerlijke woede is groot ...
Dat hij zelf een Vietnamees vluchteling is doet niet ter zake, hij vindt het asiel VOL. En met Tabitha erbij OVERVOL. Hij start een terreurcampagne. Eén van zijn ziekelijke trukken is de uitgang van de kattebak te blokkeren als Tabi erin zit. Al snel komen Laathi en Hanuman er dan als ramptoeristen bij zitten. Als ik er op uit kom pluk ik Ming bij zijn nekvel weg en telkens moet ik mijn meisje, dat dan helemaal onder ’t zagemeel zit, uit de bak verlossen. Ik probeer Ming te sussen met extra aandacht, te straffen met eenzame opsluiting in ’t toilet, te bekeren met een boze speech, ik probeer vanalles, maar Ming is niet te sussen. Ming blijkt een guerilla-strijder in hart en ziel. Het woord opgeven staat niet in zijn Vietnamees woordenboek.
We zullen geduld moeten uitoefenen. Wij allemaal. Véél geduld.
Onze woonvertrekken bevinden zich op de eerste verdieping. Er is een kattedeur van de keuken naar het dakterras en vandaaruit een trap naar de tuin beneden. Iedereen kan altijd vrijuit binnen en buiten, want de tuin is toch volledig afgesloten met draad en electriciteit. Maar buiten lopen gaan we Tabitha nog niet leren; daar is het nog veel te vroeg voor. Eerst moet ze zich binnen goed en veilig voelen.
Tot op de ochtend van 21 januari Tabitha onvindbaar is... Na wat detectivewerk blijft er maar één mogelijkheid over : Ming heeft haar onverwacht door de kattedeur gejaagd, en in paniek is ze over de dakterrassen gerend en in plaats van de trap naar beneden te kiezen, is ze pardoes rechtdoor gelopen waar ze bijna 3 meter lager in de tuin van de buren is neergestort. Het dier kende het terrein nog niet en had natuurlijk geen benul van het concept daktuin en dacht dat ze op de begane grond rende...
Begin nu maar een kat te zoeken die je nog geen zes weken geleden zelf gevonden hebt en waarvan je de originele naam niet kent. Dit wordt een hopeloze zoekweek. Oliejekker aan (in zo’n periode blijkt het altijd te moeten stortregenen!), zaklamp op zak en bokaal katteneten in de hand. Iedere rechtgeaarde katteliefhebber kent deze scène. Vruchteloze zoektochten in achtertuintjes, garagecomplexen, oude fabrieken, griezelige kraakpanden. Nog maar eens aan de lantaarnpalen en in de gekende winkels een briefje gaan hangen met haar beschrijving... Een briefje in alle bussen van de omliggende straten met een verzoek om mee uit te kijken en eens in de garage of de kelder te zoeken...
Heel origineel als beschrijving : grijs getijgerd kattinnetje. Ja, zo kan er echt maar ééntje op deze wereld rondlopen! Maar, zoals ons ma altijd zegt een geluk bij een ongeluk, : Tabitha heeft wel een speciaal kenmerk! Door haar zwerversperiode heeft ze van de vele gevechten rafelige oortjes overgehouden. Dus dat maakt de beschrijving dan toch een beetje opvallender.
Een vriend komt met het idee het bericht te laten verschijnen op het lokaal TV station. Maar dan moet er wel een foto bij. Goed, dat kan, ik heb er beelden van op video. De man, een computerspecialist, doet zijn best er een duidelijke foto uit te brouwen en wij naar TV Kempen. Diep in mijn hart vind ik het een absurd idee. Wie kijkt er nu ’s namiddags naar al die losse berichtjes? Maar goed, we gaan geen kans onbenut laten om haar terug te vinden en boeken zendtijd voor 5 dagen. Ondertussen gaan de vochtige expedities met oliejekker, zaklamp en snotvalling gewoon door. We zijn echt droevig door het verlies van de vriendelijke poes want het is duidelijk dat ze al geen al te prettig leventje heeft gehad en nu er eindelijk een goede periode voor haar voor de deur staat gebeurt er zoiets stoms! We steken onze reisplannen voor februari al in de schuif, want daar staat ons hoofd toch niet meer naar. En, God weet, ze moest op een dag zo eens terug aan de tuindraad staan...
Drie dagen na de eerste uitzending op TV wéér een telefoontje : grijze poes gevonden! (Ik toom mijn enthousiasme maar al wat in, want ik heb de laatste dagen al wel wat meer grijze poezen moeten gaan bekijken). Een invalide heer die enkele straten verderop woont heeft haar ’s namiddags op TV herkent en is er van overtuigd dat zij de poes is die sinds enkele dagen in gezelschap van zijn kater op zijn koertje zit. Ik steven er onmiddellijk op af, en ja, o wonder, het is mijn lieve kleine kattin met de droevige ogen. Ze blijkt me zelfs te herkennen en laat zich gedwee op de arm mee naar huis nemen. Haar dwaaltocht van een week is ten einde.
Om Ming zijn terreur te ontwijken besluiten we haar de eerste weken op de tweede verdieping te laten wonen als wij niet in de buurt zijn. Ze geniet van de rust, en is overgelukkig als ze ’s avonds op de schoot kan zitten. Op Ming na, is het terug Huisje Weltevree.
We beginnen terug aan onze vakantie te plannen. We leggen onze poespassers uit extra aandacht aan haar te besteden tijdens onze afwezigheid en haar ten allen tijde tegenover Ming te verdedigen.
Als we na drie weken terug komen, ziet Tabitha er uiterst welvarend uit. Heel rustig, tevreden en flink bijgekomen. Je zou de pechvogel van St. Niklaasdag er niet meer in herkennen.
Blijkt dat ze een gezonde eetlust heeft. Eigenlijk een héél gezonde eetlust. We vinden het heerlijk dat ze steviger wordt! Maar gaat het niet een beetje snel?
Nog een week later begin ik onraad te ruiken. Tabitha is een flinke brok aan ’t worden, maar wat me het meest verontrust zijn haar tepeltjes. Ze komen toch zo kranig rechtop te staan...
Ik bel de dierenarts en spreek mijn vermoeden uit ... Aangezien ze er niet honderd procent zeker van is dat Tabi gesteriliseerd is moeten we op visite komen. En ja hoor, ze is wel degelijk zwanger. De dokter vraagt ons te overwegen wat we willen, de kleintjes ter wereld laten komen of een abortus. We willen er een week over nadenken. Uiteindelijk besluiten we tot het laatste. Er zijn poezen genoeg op de wereld, we vinden er niet direkt een thuis voor, en onze boot is vol...
’s Morgens brengen we haar binnen en na enkele uren belt de dokter. Ze vertelt dat er twee dode jongen in haar buikje zaten, één heel groot, en een heel kleintje dat reeds lang gestorven was. Onze keuze was goed geweest, want de dode kleintjes hadden de bevalling niet kunnen opstarten, en Tabi zou zonder ingreep van de dierenarts zeker gestorven zijn. Stel dat we haar niet terug gevonden hadden! In’t wild had ze dit avontuur nooit kunnen overleven...
Twee dagen later ligt onze moedige vriendin in opperbeste stemming terug in de zetel met haar geschoren buikje in de lucht. Ik vraag me af of ze beseft wat een geluksvogel ze is! Van mezelf besef ik het maar al te goed, want wie krijgt er nu nog zo’n mooi St. Niklaaskado als hij al volwassen is?...


Het verhaal van Phineas.
Lente 2000. Onze oude witte kater “Tobias” is zwaar ziek. Hij krijgt sinds een maand Cortisone maar die medicijnen maken hem alleen nog maar dik en lusteloos. Het vreselijk ogenblik is gekomen om de beslissing te nemen die zijn lijden zal beëindigen. Ook de dierenarts is droevig als ze de heerlijk lieve kater moet laten inslapen. Ze stelt voor een autopsie te doen, om zeker te weten dat hij geen besmettelijke ziekte had, zodanig dat we gerust kunnen zijn dat onze vijf andere poezen gezond zijn. Ze weet dat we Tobias graag in onze tuin willen begraven, dus vraagt ze om hem ’s avonds na het spreekuur te komen ophalen.
Op ’t einde van de droeve dag wandelen we met onze lege kattemand naar haar huis. Alhoewel het spreekuur reeds voorbij is, wachten er toch nog een moeder en een jong koppeltje in de wachtzaal. Op het meisje haar schoot zit een klein verwaarloosd bolletje poes wat ooit wit moet geweest zijn. Ze spreekt me aan en vraagt of de samengeklitte oogjes ooit nog kunnen opengaan. Ik stel haar gerust dat enkele dagen deppen met boorwater alles wel zal oplossen. Ze maakt zich ook zorgen over het regiment vlooien dat zijn piepkleine buik overspoelt, maar ook daar bestaan goede spuitbussen voor, leg ik haar uit. Daaruit concludeert de familie dat ik best wat over poezen weet, en ze vertellen hoe ze aan het kleintje gekomen zijn. Het liep over een drukke baan achter een groepje eenden, en ze zijn gestopt om het te redden want ze vreesden dat het overreden zou worden. Zelf hebben ze verscheidene dieren, een konijn, een leguaan, een slang, een hond, en voor het poesje is er eigenlijk geen plaats, maar ze waren wel zo goed het dier toch mee te nemen naar een dierenarts. Per toeval de onze.
Wanneer ik zie dat het diertje helemaal spierwit is doet het me erg denken aan onze Tobias 12 jaar geleden. Ik krijg de tranen in mijn ogen en schud mijn haar voor mijn gezicht om alleen te zijn met mijn verdriet. Mijn man streelt over mijn bol, en de mensen vragen waarom wij zo triest zijn. Na ons verhaal over de dood van Tobias staat het meisje op en legt het witte diertje in mijn handen. “Dit moet het lot zijn, dit poesje is voor jullie bestemd!”. Ik geef het onmiddellijk terug en mompel dat ik in geen geval een vervanging zoek voor mijn unieke Tobias, en dat we thuis heus nog wel een voorraad katten hebben zitten, om juist te zijn : 5 stuks. Ik kan me Ming, de Vietnamees, zijn kop al voorstellen moesten we weer een nieuwe kostganger in “zijn” territorium loslaten. Uiteindelijk is het nog altijd gewapende vrede tussen hem en Tabitha, de laatst bijgekomen asielzoekster. Toch zet het meisje het kleintje weer op mijn schoot. Op dat moment opent de dierenarts de deur van de spreekkamer en staart verbaasd naar mijn schoot. Ze slaat haar handen voor haar mond en stamelt “dit kan toch niet, net een kleine Tobias”. De mensen nemen mijn ellebogen en duwen me kompleet van de kaart het cabinet binnen.
De dokter is heel nieuwsgierig en wil eerst weten of het ook een kater is. En ja hoor, het is een kater, en een met dezelfde dikke onderpels als onze Tobias... We staan daar met zijn zessen wezenloos naar het weerloos beestje te kijken tot de dierenarts de stilte verbreekt en zegt : “Jullie kunnen dat poesje onmogelijk bij jullie hond zetten, die gaat dat nooit accepteren, maar als jullie nu heel veel geluk hebben, zullen deze mensen hem wel adopteren.” Mijn man, duidelijk een grote fan van “het lot”, murmelt iets als “dan zullen we dat maar doen zeker”. Ik sta nog altijd met mijn mond vol tanden naar het poesje te kijken, met op de achtergrond de dode Tobias.
De dierenarts verzorgt het kleintje en daar lopen we weer over straat : de ene draagt een kattemand met een zware, droevige last in, en de andere houdt een identieke poes in de handpalm, alleen is deze honderd keer kleiner, maar honderd keer meer levend.
Terwijl we Tobias in de tuin begraven, zetten we het kleintje op mijn moeder’s schoot, ze zit op de tuinbank toe te kijken hoe we de laatste zorgen aan haar ook zo geliefde vriend geven. Het is een vreemde begrafenis. Dood en nieuw leven zo dicht bij mekaar.
Onmiddelijk daarna maak ik een nest klaar om het kleintje apart te zetten zodat hij rustig kan bekomen van zijn avonturen. Na nog een laatste verzorging zet ik hem in het donker om te slapen. Maar eigenlijk vind ik hem al heel rustig. Zelfs te rustig. Hij reageert vreemd en weinig. Kom, ik ga ook slapen, ik begin toch maar spoken te zien.
’s Nachts knoop ik alles aan mekaar en ik krijg kippevel van het idee: stel dat hij doof is?
’s Morgens vroeg ga ik naar zijn nest en hij reageert niet tot ik hem aanraak. Ik test nog even uit maar mijn angst word bewaarheid : de kleine witte poezeman is doof!
Wat nu? We wonen vrij groot, alle katten zijn gewoon onmiddellijk te komen als ik roep. Ze kennen allemaal perfekt hun naam, en luisteren vrij goed. Maar dit katje ga ik nooit kunnen roepen. Hoe gaat het weten dat het etenstijd is? Hoe ga ik hem ooit kunnen vinden, als ik hem niet kan roepen? De trappen zijn hier zo gevaarlijk, gaan de anderen door met hem te willen spelen hem er niet per ongeluk afduwen? En hoe moet dat met Ming, hij hoort hem niet grommen of blazen, hij gaat onverhoeds aangevallen worden! Na een half uur gepieker ben ik ongeveer radeloos. Ik bel de dierenarts, ik bel Bieke van “Den dierenvriend”, ik bel nog andere kattevrienden. Iedereen probeert me gerust te stellen. Tot ik zelfs bij een Waalse kattepsychologe terechtkom die me heel ernstig zegt hem op te leiden met gebarentaal. Dat is allemaal goed en wel, maar voor ik met gebaren kan beginnen moet ik hem eerst nog altijd wel gevonden hebben nietwaar!
Ik kontakteer mijn technisch aangelegde vriendjes om een piepklein zendertje te ontwerpen dat ik rond zijn hals kan doen om hem zo op te sporen. Er komt niets zinnigs uit de bus, alle apparaatjes zijn te groot. De dierenarts zegt hem met trillingen te roepen, door op de grond te stampen dus. Op zich een goed idee, maar niet als je in een huis met betonnen vloeren woont! Ik zou er hooguit een gebroken voetbeentje aan overhouden. Dus beginnen we alvast met de gebarentaallessen. Het gebaar om te komen eten is makkelijk te leren nu hij nog de papfles krijgt. En wat we bedoelen met “stout” begrijpt hij ook vrij snel. Uit zichzelf houdt hij goed de collega’s in de gaten en leidt daaruit af wat er te gebeuren staat. Iedereen is ook erg lief voor Phineas, zelfs ons karaktertje “Ming Song Huong”. De nieuwe aanwinst mag in alle oren bijten, achter alle staarten jagen, hij is iedereens troetel!
De tuin wordt nog eens extra goed beveiligd, want hij mag zeker nooit uit de tuin kunnen, hij hoort geen honden, geen auto’s... In de vrije natuur zou hem geen lang leven beschoren zijn. En op de duur verdwijnt mijn angst.
Phineas raakt zo goed ingeburgerd, kent totaal geen angst of achterdocht, en straalt geluk en tevredenheid uit.
Hij verschijnt haast altijd mee op tijd aan de etenspotten. Soms moet ik hem gaan “roepen”, maar ik ken ondertussen al zijn geliefde plekjes. En zit hij achter in de tuin, dan ga ik op het terras met mijn beide armen staan molenwieken tot hij me ziet (ooit landt er per ongeluk wel eens een Boeing in onze hof vrees ik), maak dan het etensteken en als een pijl uit een boog rent hij de tuintrap op om bij aan te schuiven. Hij reageert veel meer op visuele prikkels dan de anderen. De minste weerkaatsing of schaduw achtervolgt hij en probeert hij te grijpen. Met een zaklamp op de grond schijnen is zijn grootste plezier. Hij speelt met de schaduwen van de anderen hun staarten, die hier vanzelfsprekend niks van snappen.
Ik had er niet zo bang voor moeten zijn, want de aanpassing is allemaal veel eenvoudiger gelopen dan we gedacht hadden. We hebben evenveel kontakt met hem als met de andere poezen. Hij is een complexloze witte kater geworden die straalt van geluk, en een waardige opvolger van nonkel Tobias.
Epiloog :
Phineas woont nu ondertussen drie jaar bij ons. Het diertje waarvoor ik zo bang was dat hij het onderdeurtje ging blijven is de baas van heel de bende geworden. Dit tot grote ergernis van Ming Song Huong. De beide katers dreigen en brullen naar mekaar en Phineas produceert een hoop decibels waar hij zich door zijn doofheid natuurlijk niet van bewust is. Ming’s grote frustratie is dat Phin helemaal niet geïmponeerd wordt door zijn gekrijs en gebrul. Hij snapt niet dat Phineas zijn ijselijke kreten niet eens kan horen. Dus bij momenten rijzen de misverstanden hier de pan uit tussen de mannen. Maar de grote witte kater laat het niet aan zijn hart komen. Hij ligt hier prinsheerlijk leider van de bende te wezen en veroorlooft zich vrijheden die de anderen zich niet permitteren omdat ze een betere opvoeding hebben gekregen. Want bij Phin’s opvoeding is wel een en ander misgegaan…
Aangezien ge een een dove poes niet kunt bestraffen door er eens tegen te roepen moet ge er steeds op af stappen als hij iets mispeutert. En als op zo’n moment dan een andere poes op je schoot zit dan laat je de boosdoener maar een keer betijen om de schootzitter niet te storen. En zo loopt de opvoeding dan een beetje mis natuurlijk…
Dus Phin steelt als de raven. Zelfs een bevroren zakje bevroren friet is niet veilig voor hem.
Hij kent zijn gebarentaal als de beste, zeker wat betreft de signalen om te komen eten, die herkent hij vanop dertig meter afstand. Maar het gebaar van “de boze vinger” is weinig succesvol gebleken. Als de boze vinger opgestoken wordt, dan jaagt die hem niet op de vlucht. Integendeel. Phin komt er eens geïnteresseerd aan snuffelen. Er zou zo eens een etensrestje moeten aanhangen…
Komt nog bij dat het door zijn aangenaam en heel speels karakter het haast onmogelijk is om boos op te worden.
Dus voor integratie haalden we misschien wel 10 op 10.
Maar voor opvoeding … een schamel 6-je…

Phineas speelt met de waterkraan
De inspecteurs deel 2
________________________________________________________
Klik hier om Terug naar poezenstrips deel 1 te gaan!
________________________________________________________
ze zijn onvermoeibaar!



De dagelijkse inspectie van de werken
Altijd die bemoeienissen...
...en altijd die commentaren...
En zelf steken ze geen poot uit!


Belezen poezen

Eigenlijk hebben ze gelijk...
Commentaar op de werkende mens
Ze hebben lef hoor!


Wassen en plassen
Onze Phineas is dol op water, regen en spelen in plassen.
Als iedereen knus binnen zit begint hij met vallende druppels te stoeien.
Sneeuw is helemáál het einde!
Ik denk dat hij in zijn vorig leven een ijsbeer is geweest...








Reclamaties en verwijten
Ge ziet : zeveren en zagen is niet alleen des mensen...




Dorstig weer
Ook gevoelige onderwerpen worden hier niet uit de weg gegaan...



Willen jullie meer van mijn poezenstripverhaaltjes lezen? Klik dan op deze button in de linkerkolom!
misverstandjes
Mijn mooie witte Phineas die de houtskoolzak geïnspecteerd heeft...
of de kelder...

1 reactie op dit bericht
Wawwww
PROFICIAT!