
22. De troostprijsdieren.
Maar aan elke vakantie komt een einde. Dus eens terug in “’t stad” zat ik weer in mijn huisdierloze bestaan. Op een keer dacht ons ma het probleem efficiënt op te lossen door een paaskuikentje voor me te kopen. Met het idee in haar achterhoofd dat zo’n diertje toch geen lang leven beschoren was. En inderdaad, door een onverhoedse beweging trapte ik het na een paar dagen plat. Ramp boven ramp was het sukkeltje dan ook nog niet op slag dood, dus moest ons ma het ook nog verdrinken om het uit zijn lijden te verlossen. Weer een jeugdtrauma bij…
De pa bleef maar lobby-en voor een hondje voor mij - zelfs ’t allerkleinste zou al goed genoeg zijn - maar ons ma hield halstarrig de boot af. Mijn enige huisdieren beperkten zich dus tot een rups, die ik op de bloemkool vond, en die ik in een potje met lekkere blaadjes mocht bijhouden. Zolang de pot goed dicht bleef toch.

Mijn enige hond : "Bobby"... op wieltjes.
Hier voor de Brabo-fontein op de Grote Markt in Antwerpen in september 1961.
Dus concentreerde ik me maar weer op mijn beren. Ons ma bleef echter onverdroten mijn interesse voor poppen aanwakkeren. Pa timmerde een heel mooi bedje en een kleerkastje voor hen maar het was allemaal boter aan de galg. Om hen te plezieren probeerde ik regelmatig om enkele dagen met die poppen te spelen - ze hadden de namen van mijn nichten gekregen - maar ik verveelde me er dood mee. Poppen in bed steken, poppen aankleden, poppen de papfles geven en poppen pisdoeken aan doen. Nee, dat was echt niets voor mij. En dat is ’t ook nooit geworden.
September 1962.
Het kleerkastje en het bedje dat pa voor mijn poppen gemaakt had.
Voor mijn knietjes op de grond zien jullie ouwe trouwe Bobby... op zijn wieltjes...
Mijn lieve groezelige beren mochten natuurlijk weer niet op de foto.
December 1966.
Eindelijk mochten mijn aftandse lievelingsberen dan toch eens op de foto...
Daar heb ik nogal een zaag voor moeten spannen om ons ma zover te krijgen dat
ze aan die rafelige dingen een foto wou spenderen...
Ons ma was ook van mening dat ik geen huisdier nodig had omdat de bomma en zij toch constant met mij bezig waren. En dat was ook zo. Ik werd rotverwend. Ik had zeker speelgoed genoeg. Maar dat nam niet weg dat ik toch wel een huisdiertje kon gebruiken vond ik. Met deze opvatting stond ik dus alleen, op mijn pa na, maar die had in dezes duidelijk geen zeggingschap.

Aan zee in Westende op 29 juni 1961.
Speelgoed genoeg dat overal meereisde, maar jammergenoeg geen huisdieren...
Als troostprijs gingen we dan maar elke zaterdagnamiddag naar ’t Nachtegalenpark. Daar hadden ze een groot aantal neerhofdieren. Geiten, kippen, hanen, konijnen, pauwen… En die mocht ik dan gaan voederen. Dat was best plezant maar ge kunt een worteltje aan een schaap geven toch echt niet vergelijken met het genot van een spinnende poes op uw schoot. Alleszins, dat idee kreeg ik dus niet overgebracht.
’t Kan natuurlijk ook weer ’t oude spreekwoord geweest zijn dat hier van toepassing was : “Wat baten kaars en bril als den uil niet zien en wil.”
’t Ergste was dan nog dat ons ma zo mooi kon vertellen over de poezen die zij in haar jeugd had gehad, “Molleke” een Pers, en “Queenie” een Siamees. En ik, arme ik, kreeg begot nog geen straatkat! Ik overdacht hoe onrechtvaardig dat toch allemaal was terwijl ik diep in de ogen van mijn rups in haar bokaaltje zat te staren...
Ons ma had het ook zo handig aangepakt dat ze me wijsmaakte dat alle "tamme dieren" in feite "huisdieren" waren. Zelfs al woonden ze niet bij u. En dat de duiven op de Groenplaats zo tam waren dat ik ze kon voederen dus dat dat in feite mijn huisdieren waren. Mijn ma was ook beter advocaat geworden. Uitleggen kon ze het alleszins goed genoeg.

Mijn uithuizige "huisdieren" voederen op de Groenplaats in september 1961.
Maar als de nood aan de man komt, is de redding nabij.
Totaal onverwacht deed een bejaarde Portugese vrouw in onze straat haar kanarie-vogeltjes weg! Ze vroeg ons ma om voor haar diertjes te zorgen. Gelukkig was ik er tijdens dat gesprek bij en ging deze ultieme kans om echte huisdieren te krijgen niet aan mijn neus voorbij! Mijn juichende kreet en twinkelende oogjes vermurwde beide dames hun harten! Nog dezelfde namiddag waren we plots de trotse bezitters van een oude kanarie “Coucourou” en een koppeltje jonge kanaries “Suske” en “Wiske”. De vogels kwetterden, ik joelde mee van puur plezier!!! Ons ma zong ook, totdat ze enkele dagen later de kooi voor de eerste keer moest kuisen, dan zong ze ineens een toontje lager J
Jaren later, 9 oktober 1964 - mijn zesde verjaardag - en zoals je ziet,
zitten "Suske en Wiske" nog knus dicht bij mekaar op hun stokske.
Gesuperviseerd door de koekoek uit de klok boven de kooi.
Ja, zelfs Big Brother bestond toen al
------------------------------------------------------
De oudere afleveringen van mijn verhaaltjesreeks vindt je door verder naar beneden te scrollen of door op "Mijn Jeugdherinneringen" te klikken in de linkerzijde van mijn blog.
Om de paar dagen verschijnt een nieuwe aflevering.





















































1 reactie op dit bericht
poesje mauw kom eens gauw ...